Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Handboek Jeugdhulpverlening Deel 1: Een orthopedagogisch perspectief op kinderen en jongeren met problemen - Grietens et al. - 1e druk

  Bundel

Sluit je aan bij JoHo om te kunnen inloggen en gebruik te maken van de tools en teksten
 

Aansluiten bij JoHo als abonnee of donateur

The world of JoHo footer met landenkaart

    Aansluiten bij JoHo met een JoHo abonnement

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

     of met een JoHo donateurschap

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Aanmelden & Aansluiten bij JoHo 

    De items van deze bundel
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Handboek Jeugdhulpverlening Deel 1: Een orthopedagogisch perspectief op kinderen en jongeren met problemen - Grietens et al. - 1e druk

    Keuzewijzer voor samenvattingen van Handboek Jeugdhulpverlening Deel 1: Een orthopedagogisch perspectief op kinderen en jongeren met problemen - Grietens et al. - 1e druk

    Samenvattingen van Handboek Jeugdhulpverlening Deel 1: Een orthopedagogisch perspectief op kinderen en jongeren met problemen - Grietens et al.

     

    Boeksamenvattingen te gebruiken bij de 1e druk van Handboek Jeugdhulpverlening Deel 1

    Online: samenvatting in chapters

    Print: samenvatting in chapters per post

     Print: samenvatting in chapters aan de balie

    Inhoud Prints van samenvattingen van Handboek Jeugdhulpverlening Deel 1

    Boeksamenvattingen: inhoudsopgave van de geprinte samenvattingen

    • De geprinte boeksamenvatting bevat de volgende hoofdstukken:
      • Wat zijn gedragsproblemen? - Chapter 1
      • Wat zijn leerstoornissen? - Chapter 2
      • Wat is een verstandelijke beperking? - Chapter 3
      • Wat is een autismespectrumstoornis? - Chapter 4
      • Wat is een zintuiglijke beperking? - Chapter 5
      • Wat is een visuele beperking? - Chapter 6
      • Wat is een lichamelijke beperking? - Chapter 7
      • Wat gebeurt er met zieke kinderen en jongeren? - Chapter 8
      • Wat is delinquent gedrag? - Chapter 9
      • Wat gebeurt er met minderjarige slachtoffers van mishandeling? - Chapter 10
      • Wie zijn vluchtelingkinderen en -jongeren? - Chapter 11

    Gerelateerde samenvattingen & studiehulp bij Handboek Jeugdhulpverlening Deel 1

     Alternatieven: boeksamenvattingen & gerelateerde samenvattingen

    Kennis- en studiegebieden

    Wat zijn gedragsproblemen? - Chapter 1

    Wat zijn gedragsproblemen? - Chapter 1

    In de orthopedagogiek wordt over een problematische opvoedingssituatie (POS) gesproken als een opvoeder of buitenstaander meent dat de opvoedingssituatie niet zorgt voor de gewenste opvoedingsdoelen. Omdat zowel opvoeder als buitenstaander tot de conclusie kan komen van een probleem in de opvoeding kan de situatie zowel intern of extern worden gedefinieerd.

    In het geval van een intern gedefinieerde opvoedingssituatie is er sprake van een opvoeder. Daarin zal de opvoeder een bepaalde richting in gedachte hebben (opvoedingsdoelen) voor de ontwikkeling van de opvoeding van de opvoedeling. Ten tweede zal er sprake zijn van een intern gedefinieerde problematische opvoedingssituatie wanneer de opvoeder het idee heeft dat het opvoedingsdoel niet wordt bereikt. Hierbij denkt de opvoeder niet in staat te zijn om de ontwikkeling van de opvoeding positief en op een adequate manier te kunnen beïnvloeden. Er wordt gesproken van een handelingsverlegenheid. Tot slot ontbreekt de verwachting van de opvoeder dat dit in de toekomst, met of zonder hulp van medeopvoeders, wel zal lukken. Nu kan er worden gesproken van een problematische opvoedingssituatie.

    In het geval van een extern gedefinieerde opvoedingssituatie is er sprake van een buitenstaander die het van belang vindt dat de ontwikkeling van de opvoedeling goed verloopt. Het betreft een persoon waarvan in onze samenleving wordt verwacht dat hij of zij in de gaten houdt dat de opvoedingssituatie van het kind niet wordt geschaad. Karakteristiek voor de buitenstaander is dat hij of zij ziet of verwacht dat de ontwikkeling van de opvoedeling, gebaseerd op waarden en opvoedingsdoelen, niet verloopt zoals het zou moeten. Deze ongewilde ontwikkeling zal verband moeten houden met de opvoeding door de opvoeder. Tot slot ontbreekt de verwachting van de buitenstaander dat deze situatie, binnen een acceptabel termijn, zal veranderen. Vooral dit laatste punt is van belang als er wordt gesproken over een problematische opvoedingssituatie.

    Handelingsverlegenheid kan ontstaan als gevolg van persoonseigenschappen maar ook als gevolg van stresserende factoren, zoals werkdruk of negatief gedrag van de opvoedeling. Een problematische opvoedingssituatie kan dus het gevolg zijn van hoe de opvoeding wordt uitgevoerd, eigenschappen van het kind of de ouders of een bredere maatschappelijke context of een interactie tussen beide. De wisselwerking tussen de ouder en het kind leidt tot handelingsverlegenheid bij de opvoedende partij.

    Bij een primair opvoedingsprobleem slaagt de opvoeder er niet of nauwelijks in om de opvoedingsdoelen voor het kind in te schatten of te realiseren. Bij secundaire opvoedingsproblemen is de handelingsverlegenheid van de opvoeder (onder andere) het gevolg van eigenschappen van het kind, de opvoeder of de context. Denk hierbij aan individuele beperkingen van het kind of individuele psychische problematiek van de ouder.

    Kenmerkend voor orthopedagogiek is dat problematiek onder jongeren en kinderen vanuit een interactioneel en ecologisch, pedagogisch oogpunt wordt benaderd. Opvoeding wordt gezien als een dynamisch proces dat sterk is verbonden met de sociale en maatschappelijke omgeving. Een orthopedagoog werkt dan ook met verscheidene verklaringsmodellen: biologisch, sociaal en psychologisch. Daarbij gaat men uit van de eigen kracht en vaardigheden van de direct betrokkenen.

    Daarnaast is de orthopedagogiek een handelingswetenschap. Vanuit een holistische visie wordt op een planmatige manier actie ondernomen. Dit heeft als doel bij te dragen aan de ontwikkelingskansen en de kwaliteit van het leven van het individu.

    Welke terminologie moet er worden gebruikt?

    Voor kinderen met gedragsproblemen worden verschillende termen door elkaar gebruikt. Deze termen betekenen echter lang niet allemaal hetzelfde.

    ‘Kinderen met gedragsproblemen’ is een veelomvattend begrip voor alle kinderen die abnormaal gedrag vertonen. De oorzaak, de ernst, en de context van de problemen kunnen hierbij erg van elkaar verschillen. Om enig overzicht in deze veelheid aan te brengen, onderscheiden we daarom de volgende categorieën:

    • Lichte problemen.

    • Tijdelijke problemen, als reactie op nieuwe situaties.

    • Gedragingen die slechts in bepaalde situaties, of bij bepaalde personen voorkomen.

    • Gedragingen die leeftijds- en fasegeboden zijn.

    • Ernstige gedragsproblemen.

    Hierbij geldt dat een gedragsprobleem ernstiger is, naarmate de problemen langduriger en blijvender zijn of een combinatie is van meerdere problemen tegelijkertijd.

    Definiëring

    Gedragsproblemen zijn geen vaststaande begrippen en daardoor erg moeilijk te definiëren. Voor men gedrag als problematisch mag bestempelen, moet men daarom rekening houden met de volgende factoren:

    Het ontwikkelingsperspectief

    Gedrag dat op de ene leeftijd nog passend en adequaat is, is dat op een andere leeftijd niet meer. Bij de beoordeling van probleemgedrag moet dan ook rekening worden gehouden met het ontwikkelingsperspectief. Hiervoor is een grote kennis van de normale ontwikkeling van kinderen noodzakelijk.

    De continuümgedachte

    Storend gedrag komt tot op zekere hoogte ook voor bij kinderen zonder gedragsproblemen. Wanneer storende gedragingen op een continuüm worden geplaatst - naar ernst, intensiteit en chroniciteit -, komt echter naar voren dat kinderen met gedragsproblemen deze gedragingen frequenter, intenser, langduriger en in meer verschillende situaties vertonen.

    De context

    Gedrag mag nooit los worden gezien van de context, ofwel de situatie waarin het zich voordoet. De omstandigheden, de activiteiten die plaatsvinden, en het pedagogisch handelen van de betrokken opvoeders zijn medebepalend voor het gedrag van een kind. Zo kan een kind in de ene setting wel problematisch gedrag vertonen en in de andere setting niet. Bij de beoordeling van gedragsproblemen moet men daarom altijd kijken naar meerdere contexten.

    De informant

    Het gedrag van een kind mag ook niet los worden gezien van de informant, de beoordelaar. Deze is niet alleen subjectief, maar kan ook beschikken over te weinig inzicht. Bovendien is er soms geen sprake van gedragsproblemen, maar van opvoedingsproblemen. In zulke gevallen is snelle pedagogische hulp noodzakelijk, omdat de kans groot is dat ten gevolge van de opvoedingsproblemen alsnog gedragsproblemen ontstaan.

    Hoe werkt de classificatie? 

    Classificeren is het systematisch rangschikken en indelen van gedragsproblemen op basis van gelijke eigenschappen en onderlinge relaties. Het doel is een gemeenschappelijk taal te ontwikkelen om de communicatie tussen professionals onderling te bevorderen. De behoefte aan zo’n classificatiesysteem is erg groot, vanwege de eerder benoemde grote verscheidenheid aan gedragsproblemen. Er kunnen twee soorten classificatie worden onderscheiden:

    1. Klinisch-psychiatrisch classificatiesysteem.

    2. Empirisch-statistische classificatiesystemen.

    Klinisch-psychiatrisch classificatiesysteem

    In deze benadering worden psychiatrische stoornissen als zelfstandige en duidelijk begrensde ziektes beschouwd. Voor elke psychiatrische stoornis bestaan er diagnostische en differentiaaldiagnostische criteria. Wanneer aan de betreffende criteria wordt voldaan, kan een bepaalde stoornis geclassificeerd worden. Klinisch-psychiatrische classificatiesystemen zijn categoriaal: men heeft een bepaalde stoornis of men heeft hem niet. Men gaat er van uit dat aan elke psychiatrische stoornis een apart geheel aan factoren ten grondslag ligt. Dit systeem sluit dan ook nauw aan bij het medische model.

    Het DSM-systeem is een goed voorbeeld van een klinisch-psychiatrisch classificatiesysteem. Het is afkomstig uit de Verenigde Staten, maar inmiddels wereldwijd verspreid. Met behulp van dit systeem kunnen individuele problematieken worden beschreven en ingedeeld in een bepaalde stoorniscategorie. Om te classificeren wordt gekeken naar cognitie, de regulatie van emoties en gedrag. Ook wordt de mate van lijden en het dysfunctioneren nagegaan. Het leeftijdsbereik van het systeem is onbeperkt. De operationalisatie van de stoornissen vindt plaats aan de hand van de criteria die de kernsymptomen van de betreffende stoornis het beste weergeven. De aanvang van de symptomen en de mate waarin ze het normale functioneren verstoren zijn ook opgenomen in deze criteria. Het diagnosticeren – ofwel het toekennen van een bepaalde stoornis – kan plaatsvinden, indien op een bepaald aantal criteria positief is gescoord en andere stoornissen zijn uitgesloten.

    Nadelen van de DSM-5 is dat problemen en stoornissen helemaal of in het geheel niet onder een stoorniscategorie vallen. Hierdoor vallen er nogal eens wat casussen ‘buiten de boot’. Door alles te classificeren en daaraan een behandeling en prognose vast te koppelen, ontstaat het gevaar dat menselijke problemen afhankelijker worden van de medische wetenschap en de context en omgeving voor het kind te weinig aandacht krijgt. Daarnaast is het DSM-5-systeem gebaseerd op de Westerse normen van ziek-zijn, afwijkend gedrag en psychopathologie. Het is niet bewezen dat deze normen en de daarmee samenhangende stoorniscategorieën ook valide zijn in andere culturen.

    Empirisch-statistische classificatiesystemen

    Het uitgangspunt van deze systemen is de psychometrische invalshoek. Empirisch-statistische classificatiesystemen steunen op de uitkomsten van multivariate analyses op gegevens uit grote steekproeven van kinderen. De categorieën zijn rechtstreeks afgeleid uit uitgebreide empirische onderzoeken in grote delen van de bevolking. Hierin ligt dan ook de grote kracht van deze modellen.

    Een bekend voorbeeld van een dusdanig systeem is het ASEBA (Achenbach System of Empirically Based Assessment). Dit systeem is gebaseerd op vragenlijsten, met als doel uit verschillende bronnen zoveel mogelijk informatie te verkrijgen over het gedrag van individuen, en ze vervolgens te beschouwen op overeenkomsten en verschillen. Op deze manier wordt gepoogd een globale indruk van de problematiek te verkrijgen.

    Aan de hand van de analyses werden clusters van vaak tegelijk voorkomend probleemgedrag begrensd.

    Deze clusters zijn uiteindelijk ondergebracht in acht syndroomschalen:

    1. Teruggetrokken / depressief (bijvoorbeeld vaak alleen, gevoelens van eenzaamheid).

    2. Lichamelijke klachten (bijvoorbeeld buikpijn, maagpijn).

    3. Angstig-depressief (bijvoorbeeld het zich waardeloos voelen, ongelukkig zijn).

    4. Sociale problemen (bijvoorbeeld niet aardig gevonden worden, niet met anderen kunnen opschieten).

    5. Denkproblemen (bijvoorbeeld obsessie, vreemde gedachten).

    6. Aandachtsproblemen (bijvoorbeeld niet stil kunnen zitten, impulsiviteit).

    7. Normafwijkend gedrag (bijvoorbeeld liegen, vandalisme).

    8. Agressief gedrag (bijvoorbeeld anderen bedreigen, tegenspreken).

    De eerste drie syndroomschalen zijn hoofdzakelijk internaliserend, het zijn probleemgedragingen die vooral het kind zelf tot last zijn. De laatste twee schalen zijn voornamelijk externaliserend en zijn met name storend voor de omgeving.

    Alle scores zijn genormeerd, zodat individuele scores vergeleken kunnen worden met de gemiddelde score van de betreffende leeftijdsgroep. Op deze manier kan gemakkelijk worden vastgesteld wanneer een score normafwijkend is en het kind een gedragsprobleem heeft.

    Ieder syndroom wordt beschouwd als een doorlopend geheel waarop iedere casus een relatieve plaats inneemt ten opzichte van het gemiddelde. De scores van kinderen op de verschillende schalen worden uitgedrukt in een gedragsprofiel. Hierbij gaat het vooral om de scores die hoger liggen dan het gemiddelde uit de betreffende groep.

    Het systeem is wereldwijd verspreid en toepasbaar en wordt veel gebruikt in wetenschappelijk onderzoek. Dit systeem maakt het mogelijk om informatie over de problemen van een kind, afkomstig uit verschillende culturen en landen, naast elkaar te leggen en te vergelijken. Nadelen zijn dat het dimensionale karakter en de overlap tussen de stoornissen kan leiden tot een diagnostisering van mindere kwaliteit.

    Wat is epidemiologie?

    Epidemiologie is de systematische studie naar de toestand van een ziekte in een bepaalde bevolkingsgroep; naar de prevalentie en de verspreiding van die ziekte; en naar de factoren die deze prevalentie en verspreiding beïnvloeden. De eerste epidemiologische onderzoeken werden gestart omstreeks 1950. Sindsdien zijn er wereldwijd velen gevolgd. Bondig samengevat hebben ze het volgende opgeleverd:

    Wereldwijd wordt aangenomen dat de prevalentie van ernstige gedragsproblemen relatief hoog is, namelijk ongeveer 10%. Hoewel de cijfers uit verschillende onderzoeken enigszins fluctueren, komen zo over het algemeen redelijk overeen. Zelfs tussen verschillende landen culturen.

    De prevalentie van specifieke gedragsproblemen ligt over het algemeen lager dan de gemiddelde prevalentie. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat ook hier de cijfers schommelen.

    Opvallend is dat voor de meeste ernstige gedragsproblemen relatief weinig hulp wordt gezocht. Slechts 2% zoekt hulp, terwijl het prevalentiecijfer 10% is. Een gevolg hiervan is dat ernstige gedragsproblemen vaker voorkomen dan aanvankelijk wordt gedacht,

    Gedragsproblemen vertonen een grote samenhang met een aantal demografische variabelen:

    Geslacht

    Jongens vertonen vaker problematisch gedrag dan meisjes, met een verhouding van 2:1. Verder komt externaliserend probleemgedrag vaker voor bij jongens en vertonen meisjes meestal internaliserende probleemgedragingen.

    Leeftijd

    De aard van gedragsproblemen staat in verband met de leeftijd: bepaalde gedragingen zijn typisch voor bepaalde fasen. Externaliserend probleemgedrag en infantiele gedragingen nemen met het ouder worden af, en maken plaats voor meer psychosomatische problemen.

    Socio-economische status van het gezin

    De prevalentie van probleemgedrag is hoger bij kinderen afkomstig uit sociaal zwakkere gezinnen. Dit komt doordat deze kinderen over het algemeen bloot staan aan een veelheid van negatieve invloeden. Deze zijn zowel biologisch-genetisch als omgevingsgebonden.

    Gedragsproblemen bij kinderen vertonen een hoge stabiliteit. Vooral het zogenaamde ‘conduct disorder’ (antisociaal gedrag) is erg standvastig en moeilijk te verbeteren. Meer dan de helft van de kinderen met problematische gedragingen blijft deze gedurende meerdere jaren vertonen.

    Met het ouder worden, verergeren vaak de problemen en breiden ze zich uit over verschillende domeinen (gezin, school en omgeving). Hieruit volgt dat hoe jonger de problemen zich voordoen, des te erger ze over het algemeen worden. Om escalatie te voorkomen is zeker dan, vroegtijdig ingrijpen noodzakelijk.

    Voor de bewering dat gedragsproblemen tegenwoordig vaker voorkomen dan vroeger, bestaan geen empirische bewijzen. Wel nemen ernstige probleemgedragingen, waaronder jeugddelinquentie, toe.

    Wat is etiologie? 

    Gedragsproblemen kunnen veel verschillende vormen aannemen en sterk variëren in frequentie, ernst, duur en uitgebreidheid. Gedragsproblemen hebben dan ook veel verschillende oorzaken, waarover uiteenlopende theorieën bestaan.

    Grosso modo onderscheiden we verklaringsmodellen die de oorzaak van de probleemgedragingen voornamelijk in het kind zelf zoeken en modellen die nadruk leggen op factoren uit de omgeving. Tussen deze twee in staat het multigedetermineerde model, dat de oorzaak van gedragsproblemen zoekt in een combinatie van beiden.

    Door de jaren heen zijn de modellen complexer geworden. Gaandeweg is het onderzoekers duidelijk geworden dat vooral het samenspel tussen factoren onderling bepalend is voor het ontstaan van gedragsproblematiek. Men is van monocausiliteit overgestapt op multicausaliteit. Hierbij is interdisciplinair onderzoek naar de oorzaken van gedragsproblemen van grote betekenis. Daarbij wordt gekeken naar de risicofactoren en de protectieve factoren. Risicofactoren zijn factoren die de kans op problematische gedragingen vergroot. Protectieve factoren zijn factoren die de kans op problematische gedragingen verhinderd of verminderd. De cumulatieve hypothese stelt dat de kans op problematische gedragingen toeneemt als de aanwezigheid van risicofactoren groot is en er weinig protectieve factoren zijn. Er wordt van ‘chronic adversities’ gesproken als een kind in een chronisch negatieve leefomgeving verkeert. Dit is echter geen betrouwbare voorspelling voor het ontstaan van gedragsproblemen. Ook zijn risico- en protectieve factoren niet altijd statisch, wat ruimte kan bieden voor gedragsverandering.

    Biologische verklaringsmodellen

    Gedrag wordt intern gestuurd door biologische processen. Wanneer zich in deze processen fouten voordoen, ontstaan er problemen. Gedrag wordt slechts beschouwd als een bijverschijnsel, dat in zeer grote mate bepaald wordt door het biologische gestel.

    Biologische verklaringsmodellen worden sterk gesteund door empirisch onderzoek, en zijn daarom momenteel erg in trek. Recente onderzoeken verwachten dat genen erbij betrokken zijn. Hiervoor maken zij gebruik van twee verschillende studies: de risicogenstudies en de genoomwijde associatiestudies. Maar ook hier moet rekening worden gehouden met de complexiteit van overerving, omgeving en gedrag waarbij meer dan één specifiek gen is betrokken.

    Binnen de biologische verklaringsmodellen bestaan verschillende invalshoeken:

    • Neuroanatomisch: problematisch gedrag wordt verklaard vanuit storingen in de hersenstructuur. Er wordt onderzocht welke structuren verantwoordelijk zijn voor welke gedragingen en tot welke problemen storingen in die structuren precies leiden.

    • Neurofunctioneel: problematisch gedrag wordt verklaard aan de hand van onder- en overactivatie van bepaalde hersengebieden.

    • Neurochemich: problematisch gedrag wordt verklaard vanuit de relatie tussen chemische processen in de hersenen en gedrag. Storingen in deze processen leiden tot afwijkend en in sommige gevallen problematisch gedrag. Een voorbeeld hiervan is dat wanneer het cortisol-gehalte in het lichaam te lang te hoog blijft, het schadelijke gevolgen voor de hersenen kan hebben.

    Leertheoretische modellen

    Gedrag is een aangeleerd verschijnsel, dat via leerprincipes ontstaat. Wanneer gedragingen te veel of te weinig worden aangeleerd, kunnen zich problemen voordoen. Gedragsproblemen zijn dus (verkeerd) aangeleerde gedragsvormen. Vooral het principe van operante en klassieke conditionering spelen hierbij een belangrijke rol.

    De klassieke conditionering omschrijft het fenomeen dat plaats vindt op het moment dat een gebeurtenis (X) direct aan een andere gebeurtenis (Z) wordt gekoppeld. Dit heeft als gevolg dat wanneer gebeurtenis X plaats vindt, de verwachting ontstaat dat gebeurtenis Z ook zal plaats vinden. De neutrale gebeurtenis, die als eerst zal plaats vinden, wordt de voorwaardelijke prikkel genoemd. De onvoorwaardelijke prikkel is de prikkel die volgt op de neutrale prikkel en wel met een specifiek gevoel wordt ondergaan. Uiteindelijk zal het neutrale gevoel, gekoppeld aan de voorwaardelijke prikkel, plaats maken voor hetzelfde gevoel als bij de onvoorwaardelijke prikkel.

    De operante conditionering omschrijft het fenomeen dat plaats vindt wanneer mensen leren te reageren op een bepaalde stimuli. Deze stimulus wordt ook wel de discriminatieve stimulus genoemd. De reactie kan als straf of als beloning worden ervaren, wat invloed zal hebben op het toekomstig voorkomen van de stimulus.

    Pattersontheorie: agressief gedrag van kinderen ontstaat in de meeste gevallen tijdens het interactieproces tussen opvoeder en kind. Wanneer het kind hierin telkens kan ontvluchten aan onprettige activiteiten en de opvoeders het kind telkens zijn zin geven ontstaat er een coërcieve (dwingende) omgang. Het kind domineert hierbij de interactie, zo nodig met het gebruik van agressieve gedragingen. Dit gedrag zal zich aanvankelijk beperken tot de thuissituatie, maar zich – wanneer niet tijdig wordt ingegrepen – geleidelijk uitbreiden tot situaties buitenshuis. Wanneer een coërcief omgangspatroon eenmaal ontwikkeld is, kan het nog maar moeilijk verhinderd worden.

    Er bestaan een aantal opvoedingspunten die belangrijk zijn om als opvoeder op te volgen. Deze opvoedingspunten bestaan uit monitoring, het consistent toepassen van straffen, het gebruiken van heldere regels en positief betrokken zijn en bekrachtigen.

    Bij het gebruik van systeemtheoretische modellen worden gedragsproblemen verklaard vanuit storingen binnen het gezinssysteem. Gezinsproblemen zijn niet altijd even zichtbaar, maar komen vaak wel tot uiting in het gedrag van kinderen. Dit kan in de vorm van allerlei gedragsproblemen, bijvoorbeeld functioneel probleemgedrag (het kind fungeert als bliksemafleider).

    Pathologische-disfunctionele gezinsrelaties kunnen zich voordoen tussen twee uitersten: chaotische en te hechte relaties. Gezinnen met een chaotische relatie worden ook wel ‘los-zand-gezinnen’ genoemd. In deze gezinnen is er een voortdurend gebrek aan samenhang tussen de gezinsleden onderling. Gezinnen met een te hechte relatie worden ook wel ‘kluwengezinnen’ genoemd. Ze sluiten zich vaak in extreme mate af van de buitenwereld en doen soms letterlijk alles samen.

    De systeemtheoretische benadering van gedragsproblemen heeft veel invloed gehad. De focus op het gezin als oorzaak van gedragsproblemen is dan ook opgenomen in de multicausale verklaringsmodellen.

    Invloeden biologische factoren en leerervaring

    Wanneer kinderen leren dat ze niet op hun ouders kunnen bouwen wordt de kans groter op het ontwikkelen van gedragsproblemen. Dit fenomeen is te verklaren aan de hand van de gehechtheidstheorie van Bowlby. Volgens Bowbly is een kind veilig gehecht als de opvoeders ze consistente steun bieden op de momenten dat daar behoefte aan is. De geboden steun valt of staat met het vertrouwen dat kinderen in hun ouders hebben. Als kinderen geen vertrouwen in hun ouders hebben zullen zij niet in staat zijn om op een constructieve manier om te gaan met nieuwe problemen.

    Daarnaast kan de stressgevoeligheid worden beïnvloed door de zorg van de opvoeders. Epigenetica toont aan dat de expressie van genen samenhangt met de manier waarop ouders met stress van hun kinderen omgaan.

    Ook de aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD) illustreert een mechanisme die zich ontwikkelt aan de hand van biologische factoren en leerervaringen. Het is een stoornis die samenhangt met genen (erfelijke belasting) en omgeving, al lijkt het ‘nature’ aspect hier zwaarder te wegen dan het ‘nurture’ aspect. Er lijkt sprake te zijn van een kwetsbaarheid voor de stoornis die door een complexe wisselwerking met de omgeving (pre-, peri- of postnataal) en de opvoedingsstijl wordt gerealiseerd of niet.

    Hoe werkt de diagnostiek? 

    Het diagnostisch proces is het geheel van stappen dat hierbij moet worden genomen om inzicht te krijgen in de etiologie van een bepaalde problematiek en zo aan diagnostiek in ruimere zin te doen. Er kunnen drie hoofdvormen van diagnostiek worden onderscheiden:

    De onderkennende of classificerende aanpak

    De onderkennende diagnose houdt zich bezig de formele benoeming. In deze vorm van diagnostiek wordt vastgesteld of een bepaald kind daadwerkelijk een gedragsprobleem heeft, en zo ja in welke mate. Hulpmiddelen hierbij zijn:

    • Het verkennende interview. Hierbij wordt de aanmelder van het kind door middel van gericht vragen gestimuleerd de klachten te verhelderen en te concretiseren.

    • Gedragsvragenlijsten. Hiermee kan de frequentie en intensiteit van concrete gedragsproblemen worden vastgelegd.

    Het classificeren van problematiek kent veel voordelen. Zo kan het de communicatie tussen hulpverleners vergroten en het bijdragen tot het wegnemen van schuldgevoelens bij ouders en kinderen. In tegenstelling tot de diagnostiek bij veel lichamelijke ziekten, betekent het benoemen van gedragsproblemen echt niet per definitie dat de oorzaak bekend is, dat duidelijk is wat de best passende behandeling is, en de prognose voorhanden is.

    Verklarende diagnostiek

    In de verklarende diagnostiek wordt onderzocht welke condities verantwoordelijk zijn voor het ontstaan, instand houden en/of versterken van bepaalde problemen. Hoewel verklarende diagnostiek theoretisch niet tot een behandeling hoeft te leiden, is dit in de orthopedagogische praktijk vaak wel het geval.

    (Be)handelingsgerichte diagnostiek

    Met handelingsgerichte diagnostiek wordt geprobeerd inzicht te verkrijgen in de verschillende elementen die gedragsproblemen doen ontstaan. Vervolgens wordt onderzocht hoe deze beïnvloed kunnen worden, zodat de problemen verminderen of zelfs helemaal verdwijnen. Indicatiestelling – het zoeken naar de best passende behandeling – staat centraal in de behandelingsgerichte diagnostiek. Diagnostiek wordt hier toegepast om tot een goed doordacht en bruikbaar advies te komen.

    Handelingsgerichte diagnostiek kan vanuit verschillende benaderingen worden beoefend, afhankelijk van de discipline of visie van waaruit men handelt:

    Wat zijn de disciplines en therapeutische visies van behandeling?

    Iedere behandeling van kinderen is er opgericht een blijvende verandering teweeg te brengen, hetzij door de frequentie, intensiteit en omvang van de problemen te doen verminderen, hetzij door de problemen acceptabel te maken voor het kind en diens omgeving. Het uiteindelijke doel van een behandeling is de lijdensdruk bij het kind en diens omgeving weg te nemen en zo de levenskwaliteit voor de betrokkenen te verbeteren. Afhankelijk van de gehanteerde benadering zullen er dan ook specifieke behandelingsdoelen en –technieken geformuleerd worden.

    Hoe vaker empirisch is vastgesteld dat een bepaalde behandelingsvorm positieve en duurzame effecten heeft, des te sterker hij is.

    Gedragsproblemen zijn vaak erg complex en hangen samen met meerdere factoren in het kind, diens gezin en diens omgeving. Een meervoudige of multimodale behandeling is daarom vaak noodzakelijk. Er steeds meer kennis nodig om bij een behandeling efficiënt te kunnen handelen en het veld te kunnen overzien. Daardoor is de behandeling van gedragsproblemen steeds meer een specialistische aangelegenheid, waarbij specialisatie en permanente bijscholing geen uitzondering zijn.

    Psychoanalytische en psychodynamische benadering

    Deze benadering is erop gericht de intrapsychische conflicten uit het verleden – die de gedragsproblemen veroorzaken – op te lossen. Door het gebruik van spel- en gespreksanalytische technieken wordt de fantasie en de associatie van het kind geprikkeld. Via de interpretatie en het inzicht van de therapeut moet vervolgens antwoord worden verkregen op informatieve vragen die in verband staan met seksualiteit en inzicht geven in het probleemgedrag. Kritiekpunten zijn de duur van de (te intensieve) therapie, de kosten die daaraan zijn verbonden en de onderbelichting van de omgeving.

    Cognitieve gedragstherapeutische benadering

    Problematisch gedrag is eigenlijk niets anders dan een tekort of een teveel aan gedrag. Dit tekort of te veel wordt veroorzaakt door te weinig of verkeerde leermomenten.

    Binnen dit model worden gedragstherapie en cognitief georiënteerde verklaringsmodellen gecombineerd, zodat er meer nadruk komt te liggen op het denken en voelen van het kind.

    De oorsprong van deze benadering ligt in de laboratoria van Pavlov, Watson en Skinner. Aanvankelijk ging de aandacht hoofdzakelijk uit naar kinderen met ontwikkelingsstoornissen. Men probeerde deze kinderen sociale vaardigheden en zelfredzaamheid bij te brengen en storend gedrag zoveel mogelijk af te leren door middel van gedrags- modificatieprocedures. Later werden gedragstherapeutische programma’s ontwikkeld die ook toepasbaar waren op andersoortige stoornissen en problemen. In het begin waren de behandelingen sterk kindgericht en vonden ze plaats in residentiële settings. Later volgde de mediatietherapie, waarin de therapie wordt toegepast door de opvoeders zelf in een natuurlijke omgeving. Dit werken in de natuurlijke omgeving kwam de effectiviteit van de behandeling ten goede. Geleidelijk aan gingen gezinstherapie en gedragstherapie elkaar steeds meer beïnvloeden, wat uiteindelijk resulteerde in multimodale gedragstherapieën. Tegenwoordig is de cognitieve gedragstherapeutische benadering hoofdzakelijk gebaseerd op de leertheorie en probeert het cognitieve en omgevingsinvloeden te integreren.

    Systeem- of gezinstherapeutische benadering

    Binnen deze benadering worden gedragsproblemen gezien als gezinsproblemen waarvoor ieder gezinslid in gelijke mate verantwoordelijk is. Binnen deze benadering bestaan veel verschillende stromingen, maar voor allen geldt:

    • Het gezin staat centraal.

    • De benadering is relationeel: hij is gericht op het veranderen van de interacties tussen gezinsleden.

    • Er wordt niet gesproken van één bepaalde patiënt, maar elk gezinslid is cliënt.

    • Niet alleen het kind met gedragsproblemen, maar het hele gezin moet veranderen.

    • Het nu en de toekomst zijn belangrijker dan het verleden.

    De gezinstherapie is ontstaan uit onvrede met de resultaten van individueel georiënteerde therapieën en brak door in Nederland en Vlaanderen door in de jaren zestig (toen het werk in het Nederlands vertaald werd).

    Sindsdien groeide de invloed van deze benadering gestaag tot grote hoogte. De systeemtherapeutische benadering heeft dan ook grote invloed gehad op veel andere benaderingen. Toch kent deze benadering ook punten van kritiek:

    • De focus ligt te veel op het gezin, waardoor er te weinig aandacht is voor de problemen van het individuele kind.

    • Gezinstherapeuten zijn er zo op gericht gedragsproblemen toe te schrijven aan factoren buiten het kind, dat ze belangrijke factoren in het kind zelf nogal eens over het hoofd zien.

    Orthopedagogische benadering

    Binnen deze benadering gaat alle aandacht uit naar de behandeling van ernstige probleemgedragingen. De opvoedingsadviezen die worden gegeven zijn vrij algemeen van aard, sterk op intuïtie gebaseerd, en vermengd met medisch-psychotherapeutische adviezen. Er wordt gezocht naar een pedagogische aanpak die past bij de persoonlijkheden van het kind, diens ouders en het gezin. Centraal in de behandeling staat de pedagogische situatiehantering. Deze wordt uitgelegd, voorgedaan en vervolgens samen uitgeprobeerd.

    Ook wordt geprobeerd de ouders zoveel mogelijk inzicht te geven in het probleemgedrag van het kind. Het grote voordeel van deze methode is dan ook dat ouders zo direct betrokken zijn. Nadelig is echter dat dit gepaard gaat een grote intensiteit. Dit geldt met name voor de participerende observaties.

    Wat zijn leerstoornissen? - Chapter 2

    Wat zijn leerstoornissen? - Chapter 2

    Met leerproblemen en leerstoornissen wordt gedoeld op problemen met het leren van schoolse vaardigheden. Daarbij moet gedacht worden aan lezen, rekenen en spellen.

    De leerproblemen kunnen op twee manieren ingedeeld worden:

    1. Primaire leerstoornissen: Dit zijn leerstoornissen die alleen problemen opleveren in het leren van de schoolse vaardigheden. Op andere gebieden is in principe geen vertraging in de ontwikkeling. Een primaire leerstoornis wordt ook wel een ‘unexpected underachievement’ genoemd.

    2. Secundaire leerstoornissen: Deze zijn het gevolg van omstandigheden buiten het leren van de schoolse vaardigheden. Hierbij kunnen op andere gebieden wel vertragingen in de ontwikkeling zijn.

    Wat is een verstandelijke beperking? - Chapter 3

    Wat is een verstandelijke beperking? - Chapter 3

    Vanwege de grote heterogeniteit in de mogelijkheden en het gedrag van kinderen en jongeren met een verstandelijke beperking, is het vrijwel onmogelijk om over één groep te spreken. Er bestaan dan ook verschillende visies op verstandelijke beperkingen, die door Rioux (1997) zijn uitgewerkt tot vier benaderingen:

    Wat is een autismespectrumstoornis? - Chapter 4

    Wat is een autismespectrumstoornis? - Chapter 4

    Autisme is een neurobiologische ontwikkelingsstoornis die zich heel divers en op verschillende begaafdheidsniveaus kan uiten, en die altijd gepaard gaat met stoornissen in sociale interactie, communicatie en verbeelding. Halverwege de jaren veertig van de vorige eeuw introduceerden Kanner en Asperger, onafhankelijk van elkaar, autisme als een unieke stoornis. Voor die tijd bestond het begrip autisme nog niet, en werd de stoornis gezien als onderdeel of voorloper van een andere, omvangrijkere stoornis.

    Wat is een zintuiglijke beperking? - Chapter 5

    Wat is een zintuiglijke beperking? - Chapter 5

    Baby’s beschikken over een aangeboren openheid voor sociaal contact. Al vanaf het eerste begin zijn ze in staat tot een wisselwerking met hun omgeving. Anderzijds beschikken ouders over een natuurlijke gerichtheid op het kind. Vocale interacties tussen moeder en kind zijn universeel. De boventoonreeksen met eenvoudige frequentieverhoudingen worden afgestemd op het gedrag van de baby wat bijdraagt aan de sociale betrokkenheid tussen moeder en kind. Deze twee factoren zorgen ervoor dat ouders en kinderen al snel na de geboorte betrokken raken in een wederzijds interactieproces waarin allerlei gedragingen, activiteiten en gevoelens van beide kanten op elkaar worden afgestemd. Dit interactieproces speelt een belangrijke rol bij de ontwikkeling van een dialogisch opvoedingsproces. Vroegtijdig gehoor- of gezichtsverlies leidt vaak tot een verminderde interactie tussen ouders en kinderen en kan zodoende de ontwikkeling van het dialogisch opvoedingsproces verstoren. Bij de orthopedagogiek inzake kinderen met een zintuiglijke beperking gaat het erom welke impact een gehoor- of gezichtsstoornis heeft op de verder motorische, sociaal-emotionele, cognitieve en linguïstische ontwikkeling van het kind.

    Wat is een visuele beperking? - Chapter 6

    Wat is een visuele beperking? - Chapter 6

    In het verleden was de omschrijving van blindheid of slechtziendheid zeer beperkt. Dit had als gevolg dat vele vormen van slechtziendheid onderkend werden. De overtuiging dat de omschrijving van blindheid en slechtziendheid vanuit oogheelkundig oogpunt juist was, bleek te leiden tot een beperking in de opvoedings- en ontwikkelingsdomeinen. In de huidige praktijk wordt het begrip ‘visuele beperking’ vanuit verschillende hoeken benaderd, om zo de forse begrenzing op te heffen. Ten eerste helpt dit bij het beantwoorden van vragen van ouders van slechtzienden (wat ziet mijn kind, wat zijn de gevolgen voor zijn ontwikkeling, wat voor rol speelt zijn beperking in de opvoeding?) en ten tweede worden er nu andere wetenschappelijke gebieden bij betrokken.

    Wat is een lichamelijke beperking? - Chapter 7

    Wat is een lichamelijke beperking? - Chapter 7

    Van een lichamelijk handicap wordt gesproken wanneer een lichamelijke beperking de normale groei, ontwikkeling en/of zelfontplooiing hindert. Maar ook wanneer een lichamelijke beperking negatieve gevolgen heeft voor de sociale positie van de betreffende persoon. Dit laatste aspect moet, naast het medisch aspect, niet worden onderschat. Het is erg belangrijk om te blijven realiseren dat een beperking niet per definitie tot een handicap hoeft te leiden. Dit is sterk afhankelijk van het betreffende historisch, sociaal en cultureel perspectief.

    Personen met een lichamelijke beperking hebben het door de jaren heen in vele culturen zeer moeilijk gehad en hadden nauwelijks tot geen rechten. Pas toen Griekse invloeden het Romeinse privaatrecht verzachtte, ontstond er een meer humanistische manier van denken over deze groep. In 330 werden in Constantinopel de eerste gestichten voor mensen met een lichamelijke beperking gevestigd. Enerzijds geïnspireerd op het christelijke principe van naastenliefde, maar anderzijds om mensen met een lichamelijk beperking te isoleren van de rest van de bevolking. Het hebben van een lichamelijke handicap werd namelijk gezien als een teken van de duivel.

    Wat gebeurt er met zieke kinderen en jongeren? - Chapter 8

    Wat gebeurt er met zieke kinderen en jongeren? - Chapter 8

    Er bestaat geen algemeen aanvaarde definitie voor het begrip ‘ziekte’, het definiëren ervan is niet eenvoudig. De WHO spreekt van ‘gezondheid’, wanneer een persoon zich in een toestand bevindt van algemeen welbevinden in zowel lichamelijk als geestelijk en sociaal opzicht. Maar met deze omschrijving lijkt de veerkracht van de mens en de omgang met de ziekte wel genegeerd te worden. Daarom zijn onderzoekers met een nieuwe definitie gekomen: namelijk dat gezondheid wordt gezien als het vermogen tot aanpassing en het kiezen van een eigen weg, wat betreft de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van de mens. Ziekte wordt veelal gedefinieerd als een functiestoornis, of als het niet normaal functioneren van processen in het lichaam (of delen ervan). Ziekte en gezondheid zijn niet scherp van elkaar te onderscheiden, en de verhouding tussen beide is relatief.

    Wat is delinquent gedrag? - Chapter 9

    Wat is delinquent gedrag? - Chapter 9

    Delinquent gedrag betekent – letterlijk uit het Latijn vertaald – iets als een misstap begaan, ofwel crimineel of strafbaar gedrag vertonen. Wat hier precies onder verstaan wordt is erg afhankelijk van de tijd en culturele context. Delinquentie is geen objectief begrip, maar een sociolegale constructie. Het moet worden bekeken vanuit de juridische en sociale context, waarbij mens en maatschappijvisies ook mee moeten worden genomen. Wel kan worden gesteld dat gedrag delinquent is, wanneer het wordt afgekeurd door brede lagen van de bevolking en er in de wet of juridische praktijk een collectieve afkeuring over wordt beschreven. De algemene definitie luidt: een continuüm van gedragingen waarbij een inbreuk wordt gepleegd op regels, normen en wetten en/of schade wordt berokkend aan individuen of de maatschappij. Hier valt antisociaal gedrag ook onder.

    Wat gebeurt er met minderjarige slachtoffers van mishandeling? - Chapter 10

    Wat gebeurt er met minderjarige slachtoffers van mishandeling? - Chapter 10

    
Het omschrijven van een heldere definitie van kindermishandeling is lastiger dan in de eerste instantie wordt gedacht. De grens tussen mishandelen en niet-mishandelen is vaag en de context waarin het plaats vindt is niet altijd bekend. Dit heeft als gevolg dat het ouderlijk gedrag zich in grijs-gebied kan bevinden.

    Er wordt van een sociaal construct gesproken: het verzamelbegrip kindermishandeling is niet objectief maar een constructie die is gemaakt door mensen om inadequaat gedrag tussen opvoeder en kind te benoemen. De term kindermishandeling werd rond de jaren 60 in leven geroepen naar aanleiding van een artsenbezoek. De lichamelijke verwondingen van de kinderen die langs kwamen bleken ‘non-accidental injuries’ te zijn: de verwondingen waren ontstaan na het gebruik van excessief geweld door de opvoeders.

    Wat men onder kindermishandeling verstaat en wat daar mee wordt gedaan, hangt van de historische en culturele context af. Verschillende culturen geven diverse invullingen van het begrip. Welke gedragingen als mishandeling worden gezien wordt bepaald door hoe wordt gedacht over bijvoorbeeld opvoeding of ouderschap. Er zijn echter een paar voorbeelden van gedragingen die door de hele wereld worden afgekeurd. Denk hierbij aan meisjesbesnijdenis of het hebben van seks met een kind.

    Wie zijn vluchtelingkinderen en -jongeren? - Chapter 11

    Wie zijn vluchtelingkinderen en -jongeren? - Chapter 11

    Een bijzondere, nieuwe doelgroep binnen de jeugdhulpverlening wordt gevormd door vluchtelingenkinderen en –jongeren. Een derde van deze jonge groep is met het gezin gevlucht en woont nog steeds in gezinsverband. Jonge vluchtelingen die zonder ouders of verzorgers zijn gevlucht, niet-begeleide buitenlandse minderjarigen dus, en alleenstaande minderjarige asielzoekers (AMA’s, gevluchte adolescenten), vormen het overige deel van de groep. Van de twee laatstgenoemden belandt een groot deel in de illegaliteit.

    Geprinte samenvatting van Handboek Jeugdhulpverlening Deel 1: Een orthopedagogisch perspectief op kinderen en jongeren met problemen - Grietens et al. - 1e druk

    Geprinte samenvatting van Handboek Jeugdhulpverlening Deel 1: Een orthopedagogisch perspectief op kinderen en jongeren met problemen - Grietens et al. - 1e druk

    Price: 5,00 €
    Stapel Summaries Samenvattingen

    Inhoud: De samenvatting van Handboek Jeugdhulpverlening Deel 1 van Grietens et al. behandelt in 11 hoofdstukken de hoofdzaken van jeugdhulpverlening. Aan de orde komen onder andere gedragsproblemen, mentale en fysieke beperkingen, en delinquent gedrag.

    Vorm: geprint, ongeveer 65 pagina's

    Taal: Nederlands

    Kortingsgroep: 
    Korting voor JoHo donateurs vanaf 20%
    De crossroads van deze bundel
    Studiebundel Pedagogiek Bachelor 1 - VU
    Advies & Assortimentswijzer Pedagogiek Bachelor 1 - VU
    Choice Assistance with summaries of Statistical Methods for the Social Sciences - Agresti - 5th edition
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Psychological testing; History, principles and applications - Gregory - 7e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Handboek Jeugdhulpverlening Deel 1: Een orthopedagogisch perspectief op kinderen en jongeren met problemen - Grietens et al. - 1e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Parenting: A Dynamic Perspective - Holden - 2e druk
    Choice Assistance with summaries of Personality Psychology: Domains of Knowledge About Human Nature - Larsen et al. - 3rd edition
    Choice Assistance with summaries of Research Methods in Psychology: Evaluating a World of Information - Morling - 3rd edition
    Choice assistance with summaries of Writing Psychology Research Reports - Starreveld - 1st edition
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen bij Statistical Methods for the Social Sciences - Agresti - 5e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Psychological testing; History, principles and applications - Gregory
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Handboek Jeugdhulpverlening Deel 1: Een orthopedagogisch perspectief op kinderen en jongeren met problemen - Grietens et al. - 1e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Parenting: A Dynamic Perspective - Holden - 2e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Personality Psychology: Domains of Knowledge About Human Nature - Larsen et al. - 3e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Research Methods in Psychology: Evaluating a World of Information - Morling - 3e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Verslaglegging van Psychologisch Onderzoek - Starreveld - 4e druk
    Shopbundel met geprinte samenvattingen voor Pedagogiek Bachelor 1 - VU
    Studiebundel Pedagogiek Bachelor 1 - Semester 2 - EUR
    Advies & Assortimentswijzer Pedagogiek Bachelor 1 - Semester 2 - EUR
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Child Development - Berk - 9e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Developmental Psychology - Leman et al. - 2e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Handboek Jeugdhulpverlening Deel 1: Een orthopedagogisch perspectief op kinderen en jongeren met problemen - Grietens et al. - 1e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Orthopedagogiek. Ontwikkelingen, theorieën en modellen: een inleiding - Ruijssenaars et al. - 6e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Psychologische gespreksvoering: Een basis voor hulpverlening - Lang & Van der Molen - 18e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van The cultural nature of human development - Rogoff - 1e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Cultuur en opvoeding. Interculturele pedagogiek vanuit ecologisch perspectief - Eldering - 7e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Child Development - Berk - 9e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Developmental Psychology van Leman et al. - 2e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Handboek Jeugdhulpverlening Deel 1: Een orthopedagogisch perspectief op kinderen en jongeren met problemen - Grietens et al. - 1e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Psychologische gespreksvoering: Een basis voor hulpverlening - Lang & Van der Molen - 18e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van The cultural nature of human development - Rogoff - 1e druk
    Shopbundel met geprinte samenvattingen voor Pedagogiek Bachelor 1 - EUR
    Studiebundel Pedagogiek Bachelor 1 Blok 2 - RUG
    Advies & Assortimentswijzer Blok 2 Pedagogiek B1 - RUG
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Handboek Jeugdhulpverlening Deel 1: Een orthopedagogisch perspectief op kinderen en jongeren met problemen - Grietens et al. - 1e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Effectonderzoek in de gedragswetenschappen - van Loon et al. - 2e herziene druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Onderzoeksmethoden van Scheepers & Boeije - 7e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Handboek Jeugdhulpverlening Deel 1: Een orthopedagogisch perspectief op kinderen en jongeren met problemen - Grietens et al. - 1e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Effectonderzoek in de gedragswetenschappen - Van Loon et al. - 2e herziene druk
    Geprinte samenvatting van Handboek Jeugdhulpverlening Deel 1: Een orthopedagogisch perspectief op kinderen en jongeren met problemen - Grietens et al. - 1e druk
    Geprinte samenvatting van Effectonderzoek in de gedragswetenschappen - van Loon et al. - 2e herziene druk
    Geprinte samenvatting van Onderzoeksmethoden - Scheepers & Boeije - 7e druk
    Samenvattingen Shop Pedagogiek Bachelor 1 - RUG
    JoHo: bundel begrijpen

      Hoe werkt een JoHo Bundel (pagina)

    • Bundels zijn verzamelingen (vaak links) van pagina's rond een specifieke vraag of onderwerp
    • Bundels werken als navigatietool

    Welke soorten bundels zijn er?

    Productbundels

    • Verzekeringsbundels: verzameling van content rond verzekeringsadvies of verzekeringsaanbod
    • Abonnementsbundels: verzameling van content rond advies of services voor JoHo abonnees en donateurs
    • Shopbundels: verzameling van artikelen die besteld kunnen worden

    Persoonlijke bundels

    • op vrijwel elke pagina kun je onder de 'Footprints' de 'Add to my pages' optie vinden. Daar kun je pagina's toevoegen aan je eigen verzamelingen en bundels. Deze bundels met jouw bewaarde pagina's kun je vervolgens onderaan vrijwel elke pagina terugvinden als je bent ingelogd als JoHo donateur of abonnee.

    Studiehulpbundels

    • Boekbundels: verzameling van chapters die tezamen de samenvatting van een boek vormen
    • Studiebundel: verzameling van content die hoort bij een specifiek vak of een studiefase

    Themabundel

    • Verzameling van content die behoort bij een topic en themapagina

    Toolbundel

    • Verzameling van content gericht op een specifiek proces of actie (bijvoorbeeld een vacature zoeken of een vak bestuderen)

    Toolbundel voor abonnees

    • Verzameling van content met toegang of services voor JoHo abonees
    Footprint: achterlaten
    Pagina bewaren in je bundels:

    (Service voor ingelogde JoHo donateurs)