Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Human Memory - Radvansky - 2e druk

  Bundel

Sluit je aan bij JoHo om te kunnen inloggen en gebruik te maken van de tools en teksten
 

Aansluiten bij JoHo als abonnee of donateur

The world of JoHo footer met landenkaart

    Aansluiten bij JoHo met een JoHo abonnement

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

     of met een JoHo donateurschap

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Aanmelden & Aansluiten bij JoHo 

    De items van deze bundel
    Keuzewijzer voor samenvattingen Human Memory van Radvansky - 2e druk

    Keuzewijzer voor samenvattingen Human Memory van Radvansky - 2e druk

    Boeksamenvattingen te gebruiken bij de 2e druk

    Online: samenvatting in Chapters: (voor JoHo abonnees)

    Self Print (voor JoHo abonnees)

    • Gebruik de Printknop bij de Chapters in de Abonneebundel met samenvattingen per hoofdstuk: Zie op deze pagina of kijk op de abonneebundel
    • In de JoHo study support centers van Amsterdam, Groningen, Leiden en Utrecht kun je als abonnee kosteloos of tegen kostprijs gebruik maken van de aanwezige printfaciliteiten (contact & openingstijden).

    Gerelateerde samenvattingen & studiehulp

     Alternatieve boeksamenvattingen & gerelateerde samenvattingen

    Kennis- en studiegebieden

     

    Wat is de geschiedenis van geheugenonderzoek? - Chapter 1

    Wat is de geschiedenis van geheugenonderzoek? - Chapter 1

    De drie definities van geheugen

    1. Locatie waar informatie wordt opgeslagen.

    2. Het verwijst naar iets dat onze ervaringen opslaat (engram). Elke herinnering is hier een mentale representatie.

    3. Mentaal proces dat ons in staat stelt om te leren, informatie te te bewaren en terug te halen.

    Wat is leren?

    Leren is elke verandering in de capaciteit van mensen om hun gedrag te veranderen als een gevolg van een ervaring. Soms wordt het gezien als het maken van associaties (conditionering). Geheugen en leren hangen nauw samen; om iets te kunnen herinneren, moet je het eerst leren. Leren en geheugen kun je zodoende niet los van elkaar zien. Onderzoek naar leren wordt vooral gedaan middels dierexperimenten. Onderzoek naar geheugen wordt vaak gedaan bij mensen.

    Geschiedenis van geheugenonderzoek

    Belangrijke personen

    Er zijn een hoop personen van invloed geweest in de geschiedenis van het geheugenonderzoek. Zo hebben veel Griekse filosofen invloed gehad:

    • Plato: hij was een rationalist & dualist (verstand gebruiken om de wereld te begrijpen, geen empirisch onderzoek; problemen met perceptie zorgt voor vertekend beeld + de geest en lichaam gescheiden). Om te begrijpen hoe de geest en het geheugen volgens Plato werkt, moet je eerst begrip hebben van aangeboren kennis dat als basis dient voor alle menselijke gedachten. Geheugen als brug tussen de perceptuele wereld en de rationele wereld. Geheugen afhankelijk van de staat van de persoon en hoe goed de info is ingeprent.

    • Aristoteles: empirist, hij vond dat de realiteit de basis was voor het verkrijgen van informatie, en niet de abstracte, “perfecte gedachten”. Aristoteles dacht dat herinneringen bestaan uit associaties tussen verschillende stimuli of ervaringen. Drie wetten van associatie:

      1. Gelijkheid (stimuli die in principe gelijk zijn);

      2. Contrast (verschillen op kritische dimensie, maar de aanwezigheid van die dimensie zorgt weer voor gelijkheid);

      3. Contiguiteit (de stimuli treden tegelijkertijd dicht bij elkaar op )

    Voorlopers van de moderne ideeën over geheugen:

    • St. Augustine: Book X, confessions; hij had premoderne ideeën over geheugen; deze ideeën werden echter niet doorgezet.

    • Hooke: werd overschaduwd door Newton.

    • Darwin: natuurlijke selectie (sommige dieren/mensen geven genen door, passen zich aan aan hun omgeving, grotere kans op overleving). Veel mensen denken nog steeds dat geheugen ontwikkeld is door het evolutieproces om veel van de grote karakteristieken van de omgeving te onthouden en om bepaalde taken te kunnen uitvoeren.

    Het evolutionaire aspect van het geheugen heeft invloed op hoe mensen denken over de geest, gedrag en genetische invloeden.

    1. Alle menselijk gedragingen hebben een genetische component (we hebben hersenbouwend DNA).
    2. Al onze gedachten en herinneringen zijn afhankelijk van ons brein.

    Elk psychologisch gebeuren heeft een genetische component of zorgt voor activiteit in het brein. Onze gedachten en herinneringen hebben een genetische component (wat niet wil zeggen dat voor een volledig begrip van geheugen je slechts de processen in de hersenen hoeft te begrijpen). De opstelling (configuratie) is te wijden aan onze ervaringen door de ontwikkeling heen. Hoe meer een persoon weet van de neurologische componenten en processen, hoe beter hij of zij de hogere operaties begrijpt.

    • Britse empiristen (17e, 18e, 19e eeuw): Berkeley, Locke, Mill, Hume: Associaties (= herinneringen zijn samengesteld uit inter-connecties tussen verschillende ideeën of concepten). We zien zelden dingen in de wereld als apart en geïsoleerd; we worden vaak herinnerd aan andere, gerelateerde ervaringen.

    • De rationalisten: Descartes en Kant: de geest is actief betrokken bij het opbouwen van ideeën. Empiristen gingen uit van passieve collectie van associaties opgebouwd vanuit de omgeving.

    In de tweede helft van de 19e eeuw ontstond psychologie als onafhankelijke discipline. Sommige mensen hadden goede ideeën over geheugen, maar er werd niets mee gedaan in die tijd. Soms worden jaren later het nut van die ideeën pas ontdekt (bv. Semon)Belangrijke personen uit die tijd waren:

    • Ebbinghaus ( Memory: A contribution to experimental Psychology): In die tijd was het nog toegestaan dat de onderzoeker zichzelf als object gebruikte. Ebbinghaus deedt dit dan ook veelvuldig. Nu is het objectiever om andere personen te onderzoeken die niet veel van het onderwerp afweten, zodat je een objectievere meting krijgt. Ebbinghaus probeerde om geheugen in een zo puur mogelijke vorm te onderzoeken. Dit deed hij door middel van nonsense syllables. Dit zijn niet bestaande lettergrepen zoals SRO. Omdat het niet bestaande lettergrepen waren, kon hij de invloed van al bestaande kennis elimineren.

    Zo ontdekte hij een verscheidenheid aan basisprincipes, zoals de leercurve. Deze curve laat zien dat men veel leert vroeg in de tijd, maar minder later in de tijd. Er is dus sprake van een negatieve functie. Ook zag hij dat het beter is om informatie gespreid te leren in plaats van alles tegelijk. Een ander basisprincipe is de vergeetcurve. Deze curve laat zien dat je vroeg in de tijd veel vergeet, maar dat dit vergeten steeds minder wordt later in de tijd. Het principe van overlearning laat zien dat mensen informatie soms zo goed leren dat deze informatie niet meer vergeten wordt.

    Tot slot kwam hij met het principe van savings, dit houdt in dat informatie die je ooit geleerd hebt, maar weer vergeten bent toch ergens is blijven hangen. Hij vond namelijk dat als mensen ooit eens eerder iets hadden geleerd maar vergeten waren, zij de informatie sneller opnieuw aanleerden, dan mensen die de informatie nog nooit hadden geleerd. Het is een onbewust principe, want mensen kunnen zich de informatie echt niet bewust meer herinneren.

    • Bartlett: hij was het tegenovergestelde van Ebbinghaus. Waar Ebbinghaus benieuwd was naar het geheugen onafhankelijk van al aanwezige kennis (nonsenses syllables), was Bartlett juist wel benieuwd naar de invloed van reeds aanwezige kennis. Hij vond dat aanwezige kennis grote invloed heeft op geheugen. Volgens hem is de info in het geheugen gefragmenteerd en incompleet, wanneer iemand iets gaat herinneren wordt er een reconstructie gemaakt van de stukjes die zijn opgeslagen in het geheugen. Bij deze reconstructie wordt gebruik gemaakt van de reeds aanwezige kennis. De reconstructie wordt geleid door schema’s. Dit zijn algemene kennis structuren over aspecten in het leven. ”).

    Gestalt Psychologie (Kohler, Koffka, Wertheimer; duitse onderzoekers)

    De strikte reductie-benaderingen waren niet compleet; complexe mentale representaties en processen hebben een andere kwaliteit dan de componenten waaruit het is opgebouwd. Ze verwerpen reductionisme niet, maar er is verschil in kwaliteit tussen het complexe fenomeen en de componenten. Zij stellen: Het geheel is anders dan de som der delenDit idee is terug te vinden in het moderne idee dat herinneringen zijn opgebouwd uit een samenstelling van simpele elementen om een nieuwe kwaliteit te krijgen. Mentale structuur komt overeen met de structuur in de realiteit (isomorfic).

    Behaviorisme

    • Voorstanders van het behaviorisme stellen dat je alleen moet focussen op wat geobserveerd kan worden. Je kijkt dus alleen naar gedrag. Behavioristen hielden zich niet bezig met het mentale (was niet te observeren). Er zijn volgens en een aantal dingen wel belangrijk voor geheugen:

      • Klassieke conditionering (Pavlov) vorm van geheugen waarbij we een stimulus – respons relatie aanleren. Zo begint een hond al met kwijlen als hij een bel hoort, omdat hij heeft geleerd dat hij na het horen van de bel eten zal krijgen.

      • Operante conditionering (Thorndike) herinneren wat de consequenties zijn van ons gedrag. Gedrag dat een negatieve consequentie tot gevolg had zullen we in de toekomst niet herhalen. Gedrag dat een positieve consequentie had zullen we vaker herhalen in de toekomst.

    De behaviorist Tolman deed onderzoek met ratten in doolhoven. Volgens een behaviorist kan een muis door beloning de weg leren in een doolhof, maar dan zou de muis bij elke verandering in de omgeving de weg opnieuw moeten leren. Tolman kwam echter met het idee van een mentale plattegrond , die een rat kan raadplegen wanneer er iets is veranderd in het doolhof. Zo past de rat zich snel aan,aan de verandering en dit impliceert dat de rat dus iets van een geheugencomponent heeft. Tolman is ook wel een molar behaviorist; hij was geïnteresseerd in grote gedragingen in plaats van in microscopische gedragingen zoals veel andere behavioristen.

    In context van behaviorisme (observeerbare) en afstammend van Ebbingshaus zijn nonsense syllables vind je verbal learningVerbal learners gebruikten stimulus respons componenten (observeerbaar)..

    Belangrijk was het gepaarde associatie leerpatroon : paren van woorden, lettergrepen etc. A-B, A-B C-D, A-B A-D, A-B A-B’, A-B A-Br.

    Vroege pogingen in de neurowetenschap

    Lashley deed onderzoek met de morisson water maze test. Ratjes worden hierbij in een, voor hen onbekende, bak met water geplaatst. In de bak met water begint zich een platform, deze zullen de ratjes snel proberen te vinden omdat ze niet rond willen blijven zwemmen. . Bij sommige ratjes werd er hersenschade veroorzaakt. Door hen te vergelijken vond Lashly dat de kritische factor niet was waar er weefsel verwijderd was (locatie), maar hoeveel weefsel er was verwijderd.. Ratjes met hersenschade deden het altijd beter dan gezonde ratjes die nog nooit in de water maze waren geweest. Zodoende concludeerde Lashley dat de engrammen niet op één plek in het brein gelokaliseerd zijn, maar verspreidt over de cortex. Recente studies wijzen uit dat sommige vormen van het geheugen misschien wel gelokaliseerd is in verschillende delen van het brein, de algemene conclusie is dat verschillende delen van het brein gebruikt worden tijdens het geheugenproces. Een ander belangrijk persoon uit de neurowetenschap was Hebb. Hij stelde dat het inprenten van herinneringen in het zenuwstelsel volgens twee stadia verloopt: allereerst is er exitatie van verschillende cellen. Vervolgens worden de verbindingen tussen de cellen die tegelijk vuurden sterker. De zin ‘neurons that fire together wire together’ verwijst naar dit principe.

    Cognitieve revolutie

    Men ging zich weer bezig houden met mentale processen. Zo hield Miller zich bezig met het korte termijn geheugen. Zijn boek (Magical number Seven) werd serieus genomen en liet zien hoe het korte termijn geheugen een gelimiteerd systeem is. Hij liet ook zien dat de manier waarop mensen mentaal informatie organiseren invloed heeft op geheugen. De kennis die een persoon in zijn lange termijn geheugen heeft opgeslagen kan van invloed zijn op hoe je geheugen tijdens een test presteert.

    Het standaard model voor geheugen

    Als standaard model voor geheugen wordt vaak het model van Atkinson en Shiffrin genoemd. Dit model bestaat uit een aantal componenten:

    • Sensorische registers): Deze registers houden tijdelijk info vast (beelden, geluiden etc) om te kijken of het nuttig is om die te bewaren of verder aandacht aan te besteden..

    • Korte termijn geheugen: Informatie die de moeite waard lijkt te zijn komt terecht in het korte termijn geheugen. Informatie blijft hier alleen als er actief aandacht aan wordt geschonken.

    • Je bent dus bewust met deze informatiebezig. De capacitiet van het korte termijn geheugen is ongeveer 7 items. Het korte termijn geheugen wordt ook wel het werkgeheugen genoemd

    • Controle processen: Manipuleren informatie in het korte termijn geheugen door bijvoorbeeld herhaling van de informatie.

    • Lange termijn geheugen: opslaan van informatie voor langere tijd.

    Multiple geheugensystemen

    Volgens Tulving kun je ook bij het lange termijn geheugen verschillende aspecten onderscheiden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het procedurele, semantische en episodische geheugen (zie ook figuur 1.3 en 1.4 op blz 14). Het onderscheid is een weerspiegeling van de verschillende taken die beroep doen op het geheugen en de verschillende niveaus van controle die we hebben over de aspecten. Het procedurele geheugen verwijst naar het geheugen voor handelingen (procedures) en wordt gezien als vorm van het non-declaratieve geheugen. Herinneringen die zijn opgeslagen in het non declaratieve geheugen zijn lastig te verwoorden, maar desondanks beïnvloeden ze ons gedrag. Denk maar aan de vaardigheid lopen. Het is voor iemand die dit niet kan lastig uit te leggen hoe je dat doet, omdat het proces onbewust verloopt (anoetic). Het declaratieve heugen verwijst naar herinneringen die we wel kunnen verwoorden. Hierbij maakt Tulving onderscheid in het semantische geheugen en het episodische geheugen. Het semantische geheugen bevat herinneringen over feitelijke kennis welke niet tijd of plaats gebonden is. Het is stabiele kennis die je deelt met andere mensen. Zoals het feit dat je weet wat de hoofdstad van Nederland is. Het zit op het noetic niveau, dit betekent dat het bewustzijn vergt. Het episodische geheugen bevat herinneringen over gebeurtenissen zoals het vieren van je verjaardag. Ze zijn gebonden aan de tijd en plaats van leren. Het bevind zich op het autonoetic niveau, dit betekent dat er zelfkennis nodig is.

    De informatie in het episodisch geheugen wordt sneller vergeten, dan de informatie in het semantisch geheugen. Naast de verdeling van declaratief – non declaratief kun je ook een verdeling maken in impliciet – expliciet. Dit verwijst naar hoe de informatie herinnerd wordt; Bij impliciet heeft de persoon niet in de gaten dat hij zijn geheugen gebruikt (onbewust) en bij expliciet probeert een persoon actief en bewust herinneringen terug te halen. Het gaat hierbij dus hierbij gaat het niet over de inhoud van de herinnering.

    Terugkerende zaken

    Neurologische basis

    Het begrijpen van de neurologische basis is belangrijk omdat geheugen onderdeel is van het zenuwstelsel.

    Verschillende bronnen voor herinnering

    Een theorie is de fuzzy trace theory; volgens deze theorie gebruikt het geheugen meerdere bronnen om herinneringen op te halen. Er zijn 2 geheugensporen die gebruikt worden: 1 voor gedetailleerde info, 1 voor algemenere informatie. Wat er wordt herinnert is een functie van die twee.

    Belichaamde cognitie

    Toename interesse in embodied cognition laat zien dat allerlei cognitieve processen, zoals denken, waarnemen, het begrijpen van taal en het ophalen van herinneringen, wel degelijk afhangen van wat er zich in de rest van het lichaam afspeelt. ‘Onze gedachten worden beperkt en beïnvloed door de kenmerken van ons lichaam. Wat je met je arm of been doet, is mede bepalend voor de manier waarop je waarneemt, denkt en onthoudt.'

    Geheugen wordt beïnvloed door hoe we omgaan met onze omgeving. De situatie kan van invloed zijn op het geheugen proces:

    • Mensen gebruiken de context als hulp bij het inprenten en het terughalen van info.

    • Geheugen werkt onmiddellijk als gebeurtenissen zich ontwikkelen in de wereld.

    • Geheugen wordt beïnvloed door structuur van de ontvangen info als de soorten handelingen die de persoon in de toekomst moet doen.

    Tot slot is het belangrijk om te weten dat geheugen lastig te bestuderen is. Er zijn grote individuele verschillen en we hebben een objectieve kijk nodig. Convergerende data helpen ons om dichter bij de waarheid te komen. Dit houdt in dat verschillende onderzoeken tot dezelfde conclusie komen.

    Wat houdt de neurowetenschap van geheugen in? - Chapter 2

    Wat houdt de neurowetenschap van geheugen in? - Chapter 2

    Geheugen is net als elk ander mental proces, een emergente eigenschap van het zenuwstelsel. Dit houdt in dat het geen bezit is van individuele neuronen, maar dat het ontstaat wanneer de neuronen samenwerken.

    Neuronen

    Een neuron is een gespecialiseerde cel in het lichaam welke een rol speelt in de transmissie en retentie van informatie. Elk neuron is opgebouwd uit een cellichaam (soma). Ze ontvangen informatie door middel van dendrieten en kunnen informatie doorsturen middels axonen. Aan het eind van een axon zitten de eindkopen (terminal buttons), welke neurotransmitters bevatten. Een neurotransmitter is een chemische stof die wordt gebruikt om signalen naar andere neuronen te sturen. Sommige axonen hebben een vettig laagje om hen heen, dit heet meyeline. Dit zorgt er voor dat de transmissie van informatie sneller verloopt. Axonen kunnen een lange afstand af leggen en zodoende is het handig als de informatie snel doorgestuurd kan worden. De myeline laag wordt onderbroken en dit heet de nodes van ranvier. Informatie springt (door de myeline) van node naar node.

    Neurale Communication

    Communicatie tussen neuronen ontstaat door een Actie Potentiaal. Dit is een elektrische component binnen het neuron zelf. Dit actie potentiaal ontstaat door stimulatie. In rust is de elektrische lading van een neuron -70 mV. De stimulatie zorgt ervoor dat het neuron depolariseert (van ongeveer -50 mV naar +40 mV). Hierbij gaan Na+ (natrium) ionen naar binnen en K+ (kalium) naar buiten. Na het vuren is er een korte herstel periode van het neuron waarin het weer terugkeert naar zijn originele lading (refractaire periode). Er kan dan geen actie potentiaal ontstaan. Een actie potentiaal werkt via een alles of niets principe; er is of wel of geen actie potentiaal (dus niet een beetje actie potentiaal).

    Het actie potentiaal is een vorm van elektrische communicatie. Middels neurotransmitters in de synapsspleet vind er chemische communicatie tussen neuronen plaats.

    Voor het geheugen is acetylcholine waarschijnlijk de belangrijkste neurotransmitter. Door het meer vrijkomen van deze neurotransmitter kan het geheugen verbeteren, een tekort aan de neurotransmitter heeft juist een negatief effect op het geheugen. Andere belangrijke neurotransmitters zijn: dopamine, GABA en norepinephrine. Exciterende neurotransmitters zorgen dat neuronen gaan vuren, en inhiberende neurotransmitters moedigen een neuron juist aan om niet te vuren. Belangrijk om op te merken bij neuronen is dat ze niet alleen werken, maar beïnvloed worden door andere chemicaliën in het zenuwstelsel.

    Neurale verandering bij leren

    Hoe veranderen neurale connecties wanneer nieuwe dingen in het lange termijn geheugen (LTG) worden opgeslagen? De precieze manier is onbekend, maar mogelijk speelt er een soort gelijk proces als long term potentiation (LTP) plaats. Middels LTP worden connecties tussen neuronen versterkt, omdat dit het gemak waarmee de postsynaptisch neuron vuurt veranderd.

    Grotere hersenstructuren

    Subcorticaal

    • Hippocampus: speelt een rol bij de opslag van bewuste herinneringen en is vooral gespecialiseerd in het verwerken van geheugen voor stimuli die zich in dezelfde omgeving voordoen. Schade aan deze structuur kan leiden tot beperking in het declarative geheugen, zoals anterograde amnesie

    • Amygdala: deel van het limbische systeem dat een grote rolspeelt bij de verwerking vanemotionele aspecten van geheugen.

    • Basale Ganglia: is een collectie van subcorticale structuren, welke een rol spelen bij het motorisch functioneren, en onbewuste geheugen processen zoals kennis voor gewoontes en motorische vaardigheden.

    • Cerebellum: speelt een grote rol in het procedureel geheugen, en heeft een sterke associatie met complexe motorische controle en coördinatie.

    • Diencephalon: bestaant uit deThalamus en Hypothalamus, is betrokken bij het geheugen voor bewuste, feitelijke kennis zoals een sequentie van gebeurtenissen

    Corticaal

    De hersenen bestaan uit een linker en rechter hemisfeer. Elke hemisfeer kun je verdelen in verschillende kwabben.:

    • Occipitaal kwab: belangrijk bij de visuele verwerking. Sensiviteit van deze kwab voor stimuli is gebaseerd op ervaring

    • Parietaal kwab: speelt een rol bij processen die te maken hebben met het werkgeheugen, en speelt een rol bij spatiële en visuele geheugen.

    • Temporaal kwab: is verantwoordelijk voor auditorische verwerking. En het is een belangrijke structuur bij het geheugen. De temporaal kwabben omringen de hippoccampus. Schade geeft geheugenverlies.

    • Frontaal kwab: betrokken bij actie, emotie en gedachtes. Deze zijn belangrijk bij het werkgeheugen. Deze zijn ook betrokken bij het prospectief geheugen (het vermogen om dingen die we in de toekomst moeten doen te onthouden.)

    Neurologische metingen

    Structurele metingen

    • Computer-Assisted Tomography: series van x-rays van de schedel, elk van hen een andere schijf van de hersenen, en dan de gescande structuren onderzoeken.

    • Magnetic Resonace Imaging (MRI): werkt aan de hand van het resoneren van verschillende frequenties van moleculen in het brein.

    Elektrische metingen

    Volgens de Activation-synthesis-theory, wordt gedurende onze slaap, de cortex gestimuleerd door random elektrische pulsen in ons achterbrein (hindbrain). Het brein houdt niet van willekeur en probeert er structuur op aan te brengen. Dit doet het brein door beschikbare informatie te gebruiken uit het lange termijn geheugen die er sterk op lijkt.

    • Single Cell Recording: In deze methode wordt een elektrode op 1 cel in het brein gezet. Met deze methode wordt bekeken wanneer een elektrode vuurt. Deze techniek kan belangrijke gedetailleerde informatie laten zien over hoe verschillende cellen, verschillende informatie verwerken.

    • Event-Related Potentials: In deze procedure worden elektroden aan de schedel van een persoon vastgemaakt, zodat de elektrische activiteit in het onderliggende deel van de hersenen kan worden gemeten. (EEG golven genoemd). Een ERP is een normale verandering in het elektrische patroon gemeten in de cortex op een bepaalde locatie als functie van een bepaalde taak of gebeurtenis waar een persoon over aan het denken is.

    Metingen van de bloedtoevoer

    • Positron Emission Tomography (PET): Participanten worden geïnjecteerd met een radioactieve stof. Hierna wordt gekeken waar de radioactieve stof zich in de hersenen bevindt. De spatiële resolutie van een PET scan is beter dan die van een ERP.

    • Functional Magnetic Resonance Imaging (fMRI): De eerder genoemde MRI scan kan zowel naar functie als structuur kijken. De fMRI gebruikt de detectie van zuurstof atomen als meting van mentale activiteit. Deze methode kan afgenomen worden in een kortere tijd dan een PET.

    Het HERA model

    Hoe zijn semantische en episodische herinneringen gerepresenteerd en verwerkt op neuraal niveau? Een theorie is het Hemispheric Encoding/Retrieval Asymmetry (HERAmodel. Deze focust zich op de prefrontale kwabben in de linker en rechter hemisferen van het brein gedurende episodische en semantische encodering en retrieval.

    Aan de hand van PET-scans is gebleken dat de linker frontale kwab een grotere betrokkenheid heeft dan de rechter hemisfeer bij retrieval van semantische informatie en het encoderen van episodische informatie. Terwijl er bij de retrieval van episodische herinneringen een grotere betrokkenheid is van de rechter frontale kwab.

    Belangrijk bij dit model om op te merken is dat dit model het idee NIET ondersteund dat episodische herinneringen in 1 bepaalde hemisfeer worden opgeslagen en semantische in de andere. Maar het gaat om de relatieve betrokkenheid.

    Wat zijn verschillende aspecten van leren? - Chapter 3

    Wat zijn verschillende aspecten van leren? - Chapter 3

    Verschillende Aspecten van Leren

    Intentioneel vs. Incidenteel Leren

    Intentioneel = Expliciet proberen te leren

    Incidenteel = dat je iets leert tijdens een activiteit zonder dat je er bewust van op de hoogte bent dat je iets leert. Over het algemeen is het geheugen beter voor intentioneel geleerde informatie dan incidenteel geleerde informatie. Er zijn vier principes die de mate van belangrijkheid van het type leren laten zien:

    • Levels of processing: dit verwijst naar de mate waarin iemand elaboratie toepast op de informatie. Je kunt informatie simpelweg blijven herhalen om het te onthouden (rote rehearsal), maar het blijkt dat recall hierdoor niet toeneemt. Elaboratie is echter wel effectief. Hierbij wordt er diep over de betekenis van de informatie nagedacht. Je bent actief met de informatie bezig en dit zorgt voor een betere opslag.

    • Mentaal inbeelden: een vorm van elaboratie die het geheugen kan verbeteren. Je maakt een mentaal beeld van de stimulus en daardoor wordt deze beter opgeslagen. Dit idee leidde tot de dual code theorie. Deze theorie stelt dat mensen informatie op minstens twee vormen in het geheugen opslaan. Namelijk verbaal en in een mentaal beeld vorm.

    • Generatie effect: volgens de levels of processing zou meer elaboratie zorgen voor een beter geheugen. Dit vind je terug bij het generatie effect: informatie die iemand zelf gegenereerd heeft, wordt beter herinnerd, dan informatie die simpelweg gehoord of gelezen wordt. Het enactment effect is hier aan gerelateerd. Bij dit effect wordt gevonden dat als mensen zelf iets doen het geheugen beter is dan als ze een ander het zien doen.

    • Automatisme: onder bepaalde omstandigheden doet het type leren er niet toe. Informatie die automatisch opgeslagen wordt zoals tijd, frequentie en locatie worden niet beïnvloed door de manier waarop encoderen plaats vond.

    Stimulus eigenschappen

    Als onderzoeker voer je een taak analyse uit om te controleren of de proefpersoon de taak op dezelfde manier interpreteerd als dat de onderzoeker dat bedoeld had. Wat de onderzoeker denkt dat de proefpersoon memoriseert heet de nominale stimulus. De term functionele stimulus verwijst naar wat de proefpersoon daadwerkelijk onthouden heeft. Als onderzoeker hoop je dat deze twee overeenkomen. Er zijn verschillende principes:

    • Savings = zoals eerder besproken kost het iemand minder moeite om informatie die eerder geleerd was, maar weer vergeten, opnieuw te leren dan iemand die deze informatie nog nooit geleerd heeft.

    • Picture Supriority effect = Plaatjes onthoud je beter dan woorden

    • Concreteness Effect = Concrete info onthoud je beter dan abstracte woorden

    • Pollyanna Principe = Positieve informatie onthoud je beter dan negatieve (op tragische gebeurtenissen na).

    • Frequentie = wanneer je test met recall dan helpt een hoge frequentie, maar als je test met recognitie dan is het makkelijker als de frequentie juist laag is.

    Het toetsen van het geheugen zelf

    Recall

    Er zijn verschillende soorten recall taken:

    • Free Recall = Mensen raporteren zoveel mogelijk info als ze kunnen

    • Forced Recall = Mensen worden gedwongen een bepaalde hoeveelheid informatie te geven

    • Cued recall = Mensen krijgen bij het herinneren een cue.

    Principes hierbij zijn de vergeetcurve van ebbinghaus, jost’s law (voor herinneringen van gelijke sterkte geldt dat de oudere relatief langzamer vervagen dan nieuwe), overlearning (zie Wat is de geschiedenis van geheugenonderzoek? - Chapter 1) en reminiscene (eerder vergeten informatie herinneren).

    Recognitie

    • Old –New Recognition = Men zeg ja of nee op stimuli die men wel of niet heeft gezien. Hierbij corrigeert men voor gokken. Dit is nodig om een nauwkeurige maat van geheugen te krijgen. Gokken kan door twee factoren beïnvloed worden: namelijk de mate van discriminatie en de mate waarin iemand oud/nieuw accepteert (bias). Mensen met een conservatieve bias zullen niet snel de neiging hebben om te zeggen dat iets oud is, alleen als ze er echt zeker van zijn. Terwijl mensen met een liberale bias juist snel zullen zeggen dat iets oud is, omdat ze niks willen missen. Een methode om bias en discriminatie te kunnen schatten is de signal detection theorie.

    • Forced choice recognitie = mensen moeten uit een aantal items het oude item kiezen

    Sociale Invloeden

    • Collaborative Inhibition = verminderde recall in een groep dan wanneer iemand alleen zou zijn. Dit komt omdat het recall plan van de groep interfereert met het eigen recall plan.

    • Collaborative Facilitatie = Dit is het tegenovergestelde van bovengenoemd fenomeen; recall prestatie is beter in een groep, dan als de persoon alleen zou zijn

    Toetsen van Geheugen Processen en Structuren

    Mentale chronometrie

    In onderzoek wordt vaak de reactie tijd gemeten, waarbij een korte reactie tijd een simpeler geheugenproces of een meer bekende herinnering weerspiegeld. Een langere reactietijd weerspiegeld een meer complex proces of minder bekende herinnering. Reactie tijd kun je in twee brede categorieën classificeren.

    1. Subtractieve Fator Logica = er is een complexe en een simpele conditie en deze trek je van elkaar af. De tijd die je overhoudt weerspiegeld het kritieke proces dat je wilde meten. Nadeel hierbij is dat je niet weet of de extra toevoeging (complexe conditie) niet ook invloed heeft gehad op andere processen,

    2. Additieve Factor Logica = het proces van interesse (X) is in beide condities aanwezig, maar de mate ervan verschilt: A-X-B en A-X-X-B.

    Cluster Analyse

    Inter-item vertragingen zijn vertraging tussen het ophoesten van info Mensen noemen vaak een aantal items (burst) en pauzeren dan even voor de ze rest opnoemen. Informatie die samen opgeslagen is zal sneller achter elkaar genoemd worden. Middels

    ARC Scores kijk je of mensen dezelfde items hebben geclusterd. Je kunt dit afleiden uit de volgorde waarin ze de items opnoemen. Aan de hand van cluster analyses kwam naar voren dat er een grote structuur is in het geheugen.

    Bewuste ervaring van het geheugen

    De term metageheugen verwijst naar het bewust zijn van het eigen geheugen (processen). Het wordt soms gemeten door middel van verbaal rapporteren, maar dit is lastig omdat veel geheugenprocessen onbewust verlopen. Frequent gebruikte methoden zijn remember vs know judgement (weet je echt dat je de informatie hebt geleerd of heb je daar geen bewuste herinnering aan). De hindsight bias verwijst naar het fenomeen dat mensen eigen herinneringen zo vervormen dat ze in overeenstemming zijn met doelen en omstandigheden.

    Impliciet vs. Expliciet

    Omdat geen enkele taak puur impliciet of expliciet is kun je met de process dissociation procedure de relatieve invloed van beiden schatten.

    Hoe werkt het sensorisch en korte termijn geheugen? - Chapter 4

    Hoe werkt het sensorisch en korte termijn geheugen? - Chapter 4

    Als we geen korte termijn geheugen hadden, zouden we altijd in het absolute heden leven omdat we informatie uit het verleden niet opslaan; hierdoor zou functioneren erg lastig worden.

    Sensorisch geheugen

    De kortdurende geheugensystemen zijn de sensorische registersDe registers zijn modaliteitspecifiek, dit houdt in dat ieder register specifieke sensorische informatie vast houdt. Het primaire doel van deze registers is het op een laag niveau verwerken van sensorische informatie. Er zijn drie sensorische registers met elk een eigen kwaliteit en eigen kenmerken, omdat ieder systeem een ander soort informatie verwerkt:

    • Visuele sensorische register (iconisch geheugen)

    • Auditieve sensorische register (echoic geheugen)

    • Haptisch sensorisch register (voor informatie over aanrakingen)

    Het Iconisch geheugen

    De mentale representatie van visuele informatie in dit geheugensysteem wordt een icoon genoemd. Het bevat de visuele stimulatie die we in onze retina ontvangen.

    Uit een onderzoek van Averbach werd geconcludeerd dat de hoeveelheid informatie die in het iconische geheugen opgenomen kan worden 4 tot 5 items is. Dit is incorrect. Sperling kwam met een ander onderzoek. Hij bood mensen een 3x4 matrix van letters aan voor 50ms. Daarna moest de controle conditie (whole report conditie) zoveel mogelijk letters opnoemen. De controle groep kon accuraat 4 tot 5 items op te noemen. Maar Sperling had ook een experimentele conditie (partial report condition), die 1 van 3 tonen hoorde die aangaven welke rij van letters de mensen in de conditie mee moeten beginnen. De toon kwam of net voor het verdwijnen van het display of 1 seconde nadat het display weg was. Wanneer de mensen in de conditie altijd in staat waren om de 4 items van de aangegeven rij op te nemen, dan zou dat betekenen dat alle items vastgehouden worden. Wanneer ze slechts 4 van de eerste rij weten en weinig of geen van de andere twee rijen, dan zou het betekenen dat ze maar een paar items kunnen vasthouden. Kort stellen ze dat er veel informatie in het iconisch geheugen kan worden vastgehouden maar dat de tijd van onthouden heel kort is, dus iets wordt weer snel vergeten (1/4 seconde).

    Het visuele sensorische register kan de realiteit verstoren, omdat we de beelden langer vasthouden dan ze er in werkelijkheid zijn. Er is ook de anorthoscopic perception (= meer- zien-dan-er-is fenomeen) Wanneer een figuur snel langs gaat, dan integreren mensen informatie van verschillende momenten uit het iconisch geheugen om het figuur te reconstrueren. De percepties worden in het geheugen samengedrukt omdat het geheugen alles dat het heeft gezien wil opslaan. Hoe sneller het figuur voorbij komt, hoe meer samengedrukt het wordt. Het is geen effect van de retina, want dan zou alle informatie daar moeten blijven hangen en dan zou het een chaos worden. Op deze manier kun je snel de identiteit van dingen ontdekken en dat is handig. Wanneer we een saccadische oogbeweging maken om de wereld waar te nemen, ontvangen we verschillende delen die we vervolgens met elkaar gaan integreren tot een geheel. Tijdens fixatie verwerk je perceptuele informatie en dit doet beroep op het iconisch geheugen. Je moet de informatie integreren tussen de saccadische oogbewegingen door om een beeld te kunnen construeren. Dit wordt het transsaccadisch geheugen genoemd en gebeurd door middels van representaties van objecten (object file), niet op basis van retinale informatie. Het uitvoeren van een oogbeweging zet het geheugen als het ware in de wacht.

    Het visuele geheugen is niet altijd even goed in het ontdekken van veranderingen. Het visuele geheugen reflecteert onze verwachtingen. Als iets dat bij een bepaalde situatie hoort veranderd, dan wordt het opgemerkt, terwijl wanneer iets niet in de situatie hoort, dit niet wordt opgemerkt.

    Echoisch geheugen

    Hierbij gaat het om het opslaan van geluiden. De mentale representatie wordt echo genoemd. De echo wordt langer vastgehouden dan een icoon (4 sec). Hier is een verklaring voor: de omgeving wordt in een keer gepresenteerd, visueel gezien. De ogen zijn constant bezig met nieuwe beelden opzoeken, waardoor de oude beelden moeten verdwijnen om plaats te maken voor de nieuwe. Als een persoon iets nog een keer wil verwerken, dan hoeft ze alleen naar dat gene te kijken. Informatie over geluiden is uitgestrekt over tijd en kan maar een keer gehoord worden. Daarom moet het echoisch geheugen informatie lang genoeg vasthouden, zodat de info geanalyseerd kan worden.

    Haptisch sensorisch geheugen:

    Dit is het geheugen voor touch (aanrakingen, maar ook druk en temperatuur). Sommige gedeeltes van het lichaam zijn minder gevoelig dan andere, waardoor het touch geheugen de voorkeur geeft aan een bepaald gedeelte van het lichaam.

    Bliss, Crane, Mansfield en Townsend voerden een onderzoek uit naar de hoeveelheid informatie die kan worden opgeslagen. Na ongeveer 1,3 sec was de informatie weer vergeten.

    Korte termijn geheugen

    Capaciteit

    Dit geheugen is verantwoordelijk voor het verwerken en vasthouden van informatie boven de sensorische registers; de duur van het vasthouden is echter niet veel langer dan 1 minuut (tenzij er actief mee aan de slag gegaan wordt). Bewustzijn speelt een rol bij het korte termijn geheugen (KTG). Wanneer een persoon denkt, gebruikt hij actief informatie uit het KTG. Het KTG heeft een beperkte capaciteit. De onderzoeker Miller stelde dat de capaciteit 7 +/- 2 chunks was. Middels chunking kun je de capaciteit wat vergroten. Chunking houdt in dat je informatie op zo’n manier organiseert dat het een betekenisvol geheel wordt, waardoor je minder hoeft te onthouden. Wanneer je een getallenreeks hoort van bijvoorbeeld 3-0-3-5-7 zal dit makkelijker te onthouden zijn als je dit als hardloper zijnde onthoudt als een tijdsaanduiding op de 5 kilometer loop (30, 357). Hoe makkelijk je iets kunt chunken is afhankelijk van eerder opgedane kennis. Je gebruikt dus het lange termijn geheugen om informatie in het KTG te organiseren. Expertise in een bepaald onderwerp zal dus voordeel opleveren, immers als je nog nooit hebt hardgelopen zal je er niet snel op komen om de getallenreeks als tijdsaanduiding te zien. Dit principe kwam ook naar voren in onderzoek waarbij gebruik werd gemaakt van een schaakbord. Op het schaakbord stonden stukken die vervolgens werden weggehaald. Experts gebruikte hun al opgedane kennis om het beeld te reconstrueren, leken konden dit niet en hun prestatie was dus slechter.

    Duur en vergeten

    Naast de kleine capaciteit is het KTG ook van korte duur. Zonder actieve verwerking wordt informatie slechts 30 seconden vast gehouden, je hebt dus aandacht nodig om de informatie te onthouden. Het KTG is lastig om te testen, want als je vraagt aan iemand aan iets anders te denken lukt dit vaak niet. Bij vergeten van de informatie is het de vraag of dit komt door het proces van decay of door interferentie.

    Naarmate er meer vertraging (decay) is tussen het onthouden en het herhalen van de informatie, gaat er meer informatie verloren. Dit werd aangetoond aan de hand van de Brown-Peterson taak. Mensen onthouden tijdens deze taak drie letters en krijgen daarna afleiding (variabele tijd), vervolgens worden ze getest. Bij interferentie hindert informatie uit het KTG de retrieval van andere informatie. Vanwege de beperkte capaciteit wordt de oude informatie namelijk vervangen door de nieuwe informatie. Dit werd aangetoond door te kijken naar de vergeetcurve per sessie op de Brown-Peterson taak, het bleek dat de eerste sessie perfect ging. Er was toen immers geen informatie die kon interfereren. De sessies erna gingen echter slechter, vanwege interfererende informatie. Dit kan dus niet verklaard worden door decay, anders zouden mensen tijdens de eerste sessie ook fouten moeten hebben laten zien. Vergeten in het KTG is dus meer een kwestie van aantal (interferentie), dan van tijd (decay).Ook het onderzoek van Waugh en Normann liet dit zien. Deelnemers kregen een getallen reeks te zien, waarbij ze moesten onthouden welk getal er na het target getal kwam bij de eerste keer aanbieden (target getal bijvoorbeeld 6 en erna het getal vier, dan moeten zij het getal vier herinneren als ze daarna verderop in de reeks het getal 6 weer tegenkomen). Hoe verder terug in de tijd de aanbieding van de target was, hoe slechter de prestatie op de taak. Het snel of langzaam aanbieden van de reeks had geen invloed op de prestatie.

    Retrieval van informatie uit het korte termijn geheugen

    Hoe haal je informatie op? Sternberg deed onderzoekje waarbij mensen een lijst van 1 tot 6 items kregen, bv 8 2 4 5 6 9. Toen kregen ze een getal en moesten ze zeggen of die in de lijst voorkwam. Sternberg keek naar de tijd hoe lang het duurde om te reageren, bij een variatie van aantal items in de lijst en waar het gevraagde getal zich in de lijst bevond.

    Sternberg testte hiermee 3 theorieën:

    1. Parallel search theoryvolgens deze theorie zijn alle items in het korte termijn geheugen min of meer tegelijk beschikbaar. Als dit zo zou zijn zou de grootte van de set niet uitmaken omdat alle informatie beschikbaar is. De responstijd zou dan ook niet variëren. Ook bevestigend (ja getal zat in reeks) of ontkennend antwoorden (nee zat niet in reeks) maakt dan niet uit.

    2. Serial self-terminating search: hierbij wordt elk item 1 voor 1 terug gehaald, en de zoektocht stopt wanneer het item is gevonden. Omdat je elk item een voor een langs gaat neemt de reactietijd toe als de hoeveelheid informatie ook toeneemt. Een bevestigend antwoord heeft een snellere reactietijd dan een ontkennend antwoord, want je moet in het laatste geval de hele set doorwerken.

    3. Serial exhaustive search: mensen bekijken de items weer 1 voor 1, maar stoppen niet als ze het targetitem gevonden hebben. Wanneer set langer wordt, neemt responstijd toe, maar omdat je niet stopt met zoeken als je het target gevonden hebt is er geen verschil bij bevestigend of ontkennend antwoorden

    De resultaten van Sternberg zijn studies ondersteunen de serial exhaustive search. Toch rapporteren mensen vaak dat ze denken aan een self-terminating strategie te doen. Hoewel het korte termijn geheugen dicht bij bewustzijn ligt, zijn wij ons niet bewust van de processen die plaatsvinden en daarom hebben we objectieve metingen nodig.

    Seriële positie curven

    De seriële positie curve geeft de temporele invloed op het KTG weer; het is een U functie die laat zien dat het geheugen in het begin en aan het einde van een set beter is dan in het midden. Deze u functie is bij verschillende soorten informatie en bij verschillende set groten terug gevonden.

    Het eerste deel van de curve wordt het primacy effect genoemd. Dit houdt in dat men items aan het begin van een set beter herinnert. Men ziet dit als een lange termijn effect (LTG). Het idee hierachter is namelijk dat de items aan het begin van een set, een grotere mogelijkheid hebben om herhaald te worden en dus in het LTG te komen.

    Er is bij het eerste item geen ander item dat aandacht nodig heeft, maar daarna moet de aandacht verdeeld worden . Uit onderzoek van Glanzer & Cunitz kwam naar voren dat een langere presentatietijd van de items het geheugen verbeterd en ook het primacy effect vergroot. Mensen krijgen immers langer de tijd om de informatie op te slaan.

    Het laatste deel van de curve weerspiegeld het recency effect. Dit houdt in dat men de items aan het eind van de set beter herinnert. Dit effect wordt toegeschreven aan het KTG. Het item aan het eind van de set ervaart namelijk geen interferentie (er komt immers geen item meer na). Zodoende wordt de kans op vergeten kleiner.

    Glanzer & Cunitz vonden ook dat als de tijd tussen het leren van de items en de test (recall) toeneemt, het recency effect afneemt (KTG), terwijl het primacy effect (LTG) niet beïnvloed wordt.

    De seriële positie curve is niet altijd aanwezig. Er zijn een aantal factoren die het primacy en recency effect doen afnemen of verdwijnen:

    • Hij het geheugen voor acties/handelingen vind men geen primacy effect. Je concentreert namelijk meer op individuele acties waardoor vorige acties niet herhaald worden en dus niet opgeslagen worden in het LTG.

    • Bij het geheugen voor geuren vind je een sterk recency effect, maar geen of een klein primacy effect. De informatie is lastig te encoderen omdat je een geur vaak lastig kunt benoemen.

    • Suffix effect : het recency effect neemt af als je aan het einde van de geleerde lijst nog extra informatie krijgt. Die extra informatie, of suffix, interfereert met de informatie die je actief probeert te houden in je korte termijn geheugen. Het suffix effect is groter wanneer de extra informatie lijkt op de informatie uit de geleerde lijst Factoren van spraak beïnvloeden het suffix effect, daarom denkt men dat het een onderdeel is van het echoisch geheugen.

    Geheugen voor seriële volgorde

    Het korte termijn geheugen onthoudt niet alleen de betekenis van de informatie,maar ook de volgorde. Hierbij is ook sprake van serial position effect. Vergeten gebeurd op systematische wijze, je haalt vaak getallen door elkaar die naast elkaar staan. De reeks 1367 herinner je bijvoorbeeld als 1637, niet 5136. Er zijn hierbij drie modellen:

    • Chaining models: volgens dit model bevat informatie in het KTG een serie van associatieve links. Informatie over de volgorde wordt verkregen door de assocatie-ketting af te werken. Dit zou inhouden dat als iemand iets niet meer weet, dat de ketting verbroken wordt en dat niets meer herinnerd kan worden. Een benadering van het verloren item kan wel gebruikt worden om door te gaan in de ketting. Er wordt dus maar een deel van de info vergeten.

    • Ordinale modellen: (1) Pertubation model: info in KTG is georganiseerd in een hiërarchie van chunks. Je hebt items die gecontroleerd worden door item-to-control units. Boven deze control units staan de higer-order control units. En helemaal bovenaan heb je de control unit voor de hele set. De item-to-control units geven informatie over de volgorde. Er worden vaker fouten gemaakt binnen een chunk dan tussen chunks (zie voorbeeld, 1637 ipv 5136). (2) het inhibitie model stelt dat

    • inhibitie (mechanisme van aandacht) wordt gebruikt om de volgorde van een set terug te halen. Inhibitie voorkomt dat items nog een keer recalled worden als ze al een keer zijn opgenoemd. Zo kan er doorgegaan worden naar het tweede item etc. Dit is terug te zien in repetition blindness, waarbij herhalingen van bv woorden niet worden opgenomen door het KTG, omdat men door de inhibitie van het eerste woord moeite heeft om hetzelfde woord voor de tweede keer te verwerken.

    • Positional models: (1) slot based stelt dat het KTG samengesteld is uit een serie van geordende bozen en de informatie die je krijgt wordt in zo’n box gestopt. Informatie over het item en de volgorde worden samen opgeslagen. Dus als eje informatie over het item vergeet, vergeet je ook de volgorde. Er is niet genoeg bewijs voor dit model. (2) Context Based model stelt dat de externe (omgeving) en interne (emotionele staat) context van een persoon constant verandert. Contextuele informatie wordt opgeslagen in het geheugen en die informatie kan gebruikt worden om informatie over de volgorde te verkrijgen (reconstruerenvan de volgorde van veranderingen).

    Wta is de functie van het werkgeheugen? - Chapter 5

    Wta is de functie van het werkgeheugen? - Chapter 5

    Het werkgeheugen wordt gezien als het gecontroleerde gebruik van het KTG. KTG is meer een korte opslag van informatie. Sommige onderzoekers zien het werkgeheugen en korte termijn geheugen als twee verschillende psychologische constructen.

    Baddeley en Hitch model

    De meest prominente theorie van het werkgeheugen is het Baddeley en Hitch model (1974).

    Dit model gaat er van uit dat het werkgeheugen uit drie componenten bestaat:

    1. Phonological loop (fonologische lus): Is voornamelijk verantwoordelijk voor het verwerken van verbale en auditieve informatie.

    2. Visuo-spatial sketchpad (visueel-spatiële kladblok): Is voornamelijk verantwoordelijk voor verwerken van visuele en spatiële informatie.

    3. Central executive :Één van de belangrijkste taken van de central executive is het reguleren van de golf van informatie in de huidige stroom van gedachten. Sommigen denken dat het vermogen tot onderdrukken van irrelevante informatie belangrijk is in het vaststellen van de efficiëntie van iemands central executive. Je kunt het daarom zien als het controlecentrum van het werkgeheugen.

    Interferentie ontstaat wanneer twee taken dezelfde bron van werkgeheugen aanspreken.

    Bij het lezen van deze samenvatting zal het luisteren naar Gerard Joling op de radio interfereren. Want beide doen beroep op de fonologische lus. Zou je tijdens het lezen van de samenvatting een ritme tikken, dan ervaar je geen interferentie want het is spatiëel.

    Alleen taken die een sterk beroep doen op de central executive zullen tot interferentie leiden tussen de fonologische lus en het visuo-spatieel kladblok. Deze twee systemen zijn normaal gesproken dus relatief onafhankelijk van elkaar.

    De fonologische lus

    De hersendelen die hierbij betrokken zijn, zijn de talige delen van de temporaal kwab. De lus bestaat uit twee primaire structuren; de phonological store (fonologische opslag) en de articulatory loop (uitspraak lus). De eerste is een tijdelijke opslag voor informatie, terwijl de tweede een actieve herhalingscomponent is.

    Informatie komt als eerst aan bij de fonologische opslag. Na een bepaalde tijd takelt deze informatie af. Om dit te voorkomen kan door actieve herhaling in de articulatory loop de informatie ververst en vastgehouden worden. Om de rol van de fonologische lus beter te illustreren kan gekeken worden naar de volgende effecten:

    Word length effect

    Dit houdt in dat je meer korte woorden kunt onthouden, dan lange woorden. Dit heeft te maken met de duur van de articulatie. Een lang wordt kost meer articulatietijd en dus kost het meer tijd om te herhalen, zodoende worden er minder woorden ververst en neemt de kans dat ze vergeten worden toe.

    Articulatory suppression

    Dit is een verminderde verbale spanne t als mensen tegelijkertijd een set woorden proberen te onthouden en een gesproken taak uitvoeren. Dit wordt veroorzaakt doordat de articulatory suppression taak (bv het steeds herhalen van het woord “de”) al beroep doet op de articulatory loop, waardoor er geen capaciteit is om de informatie (onthouden woord) te verversen.

    Irrelevant speech effect

    De fonologische lus is minder efficiënt wanneer mensen irrelevante spraak horen op de achtergrond, ook al is het in een taal die ze niet begrijpen. Dit komt doordat de extra informatie wordt opgenomen in het werkgeheugen, waardoor een deel van de bronnen van fonologische lus wordt gebruikt. Hierdoor wordt een deel (bv van wat men leest) vergeten. Salamone & baddely toonden dit aan door mensen informatie te laten onthouden waarbij er geen geluid op de achter grond was, muziek met stem te horen was of instrumentele muziek te horen was. De prestatie op een geheugentaak was beter als de persoon geen geluid op de achtergrond had gehoord en het slechtst als ze muziek met stemmen hadden gehoord.

    Phonological similarity effect

    Dit betekent dat hoe meer woorden van een set op elkaar lijken, hoe meer fouten er worden gemaakt tijdens het herinneren. Bij herhalen van de woorden maak je een reconstructie, maar als items sterk op elkaar lijken is het lastig te bedenken welke je nou al ververst hebt en welke niet.

    Lexicality

    Het werkgeheugen kan worden beïnvloed door het LTG Bv.: de reikwijdte van het geheugen is normaal gesproken groter voor woorden dan voor niet-woorden. Mensen gebruiken het LTG om te helpen de informatie in de fonologische lus te reconstrueren.

    Visuo-spatieel kladblok

    De hersengebieden die hierbij betrokken zijn, zijn de pre motor cortex en de pariëtaal kwab van de rechter hemisfeer. Een belangrijke taak van het kladblok is het reconstrueren, behouden en manipuleren van een mentaal beeld. Het mentale beeld moet steeds ververst worden om actief te blijven. Mensen vinden het lastiger om een complex beeld te onthouden dan een simpel beeld. Want hoe meer componenten er zijn, hoe meer er ververst moet worden en hoe groter de kans wordt om het te vergeten. Dit geldt ook voor groot of klein. Het doel van zo’n mentaal beeld is dat het als surrogaat van real life gebruikt kan worden om beslissingen te maken. Dit wordt bevestigd in het onderzoek van Intons- Peterson. Studenten moesten mentaal een route afleggen met lichte of met zware bepakking. Studenten die een zware tas bij zich hadden deden langer over het afleggen van de route (reactietijd steeg). Je neemt aspecten van het echte leven dus over in je mentale beeld.

    Mental rotation

    Mentale rotatie is een proces waarbij een persoon een object mentaal moet draaien. Net zoals bij visuele scanning, heeft mentale rotatie ook karakteristieken van een nabootsing van de werkelijkheid. Het plaatjes wordt in het hoofd ook daadwerkelijk rondgedraaid. Hoe groter het aantal graden van de rotatie, hoe langer het duurt voor een persoon om de taak uit te voeren. Bij mentale rotatie worden de pariëtale kwabben meer gebruikt. Als de taak erg zwaar is, blijkt anders dan de rest van de taken de linker hemisfeer meer in gebruik.

    Boundary extension

    Mensen hebben de neiging om in hun hoofd plaatjes van de werkelijkheid te maken met meer visuele informatie dan er eigenlijk is. We vullen de randen op met wat we denken dat er is. Een voorwaarde hier voor is wel dat het een representatie moet zijn van de echte wereld en er een achtergrond moet zijn. Als dit niet het geval is, is er geen sprake van boundary extension.

    Dynamic memory

    Er zijn onbewuste processen in het visueel-spatiële kladblok die de perceptuele ervaringen veranderen gebaseerd op fysische karakteristieken van de wereld. Vaak heeft dit te maken met een echte of waargenomen beweging. Als we naar een bewegend object kijken en we knipperen of we kijken snel weg, zien we nog steeds het object bewegen. Wanneer men vervolgens gevraagd wordt op de oriëntatie of positie van het object in te schatten dan doen we niet fout. Dit heet representational momentum. Dit principe is afhankelijk van de schijnbare snelheid van het object. Een sneller bewegend object heeft een groter representationeel momentum, je schat het dus nog verder in dan het daadwerkelijk was. Een andere invloed van fysische principes op het visueel-spatiële kladblok is respresentational gravity. Het blijkt dat het geheugen voor object meer naar de aarde gericht zijn, dan ze in werkelijkheid zijn, vooral wanneer het object niet ondersteund wordt. Deelnemers uit een onderzoek zagen bijvoorbeeld een plantenpot hangend aan een haak, of staand op een tafel. Vervolgens zagen ze de plantenpot ‘zwevend’ in de lucht. Deelnemers denken dan dat de pot dichter bij de aarde was dan daadwerkelijk het geval was. Ook context beïnvloed deze fenomenen (eigenschappen van het object)

    Er is gevonden dat objecten die bewegen in een ruimte in ons geheugen sneller gaan als ze los bewegen dan dat ze wrijving kunnen ondervinden. Dit heet representational friction. Dit principe komt voort uit de neiging van mensen om een uitkomst te voorspellen van informatie in het visueel-spatiële kladblok.

    Central executive

    De central executive heeft als taak de verdeling van aandacht en omgaan met actieve processen die niet direct door de subsystemen (kladblok en lus) gedaan worden. De (pre) frontale cortex speelt hierbij een rol. Een van de mechanismen die de central executive gebruikt is suppression. Dit betekent dat hij onderscheid maakt tussen aandacht geven aan relevante en het negeren van irrelevante informatie. Ook zorgt hij er voor dat irrelevant geworden informatie uit het werkgeheugen wordt verwijderd. Een ontregeling van de central executive heet dysexecutive syndrome. Dit kan leiden tot twee gedragingen. De eerste is dat mensen die een bepaalde taak krijgen opgedragen hier een bepaalde strategie voor hebben. Als na deze taak wordt verteld dat ze een andere strategie moeten gebruiken, is dit onmogelijk. Ze zijn hier wel bewust van, maar kunnen het niet veranderen. Dit heet perseveratie De tweede gedraging is dat mensen die een taak krijgen, worden afgeleid en door deze afleiding zich niet meer kunnen richten op de oorspronkelijke taak. Dit heet distractie. Het dysexecutief syndroom wordt gevonden bij mensen met schade aan de frontale cortex.

    Span tests

    Voorbeelden hiervan zijn word en digit span taken. Het zijn simpele taken omdat je slechts een ding hoeft te doen. Complexe spanne taken zijn meer bruikbaar om het werkgeheugen mee te testen. Deze testen hebben twee componenten: retentie en actieve verwerking. Voorbeelden van zulke taken zijn

    • Reading span: de persoon moet een set van twee tot zes zinnen lezen en aan het einde van deze set het laatste woord van de zin opnoemen. Vervolgens doet men een recall taak. Dit is een goede voorspeller van taalverwerking.

    • Comprehension span: in deze test wordt aan de persoon gevraagd om zinnen te lezen die kloppen of die nonsens zijn. Hierna wordt de persoon weer om het laatste woord van een bepaalde zin gevraagd. Dit is een test die het taalkundige werkgeheugen proces meet.

    • Operation span: een persoon wordt gevraagd om een twee-staps wiskundig probleem op te verifiëren (zoals: (2x4)+1=8). Vervolgens krijgt men een woord te zien en wordt er een recall taak gedaan.

    • Spatial span: in deze test worden cijfers aangeboden die geroteerd zijn. De eerste taak van de persoon is om aan te geven of de letters normaal of gespiegeld werden weergegeven. De tweede taak is om de richting aan te geven waar de letters naar wezen.

    Werkgeheugen en complexe verwerking

    Het terug halen van lange termijn herinneringen is geen automatisch proces. Het vereist mentale bronnen van het werkgeheugen en kan verstoord worden door andere gedachten van de persoon. Mensen met een groter werkgeheugen zijn beter in het halen van informatie uit het LTG, dan mensen met een kleiner werkgeheugen.

    Mensen met een grotere werkgeheugen capaciteit hebben minder last van 'proactive interference'. Een hogere score op de werkgeheugentests betekent niet dat het werkgeheugen per se groter is, maar betekent dat ze de informatie beter kunnen coördineren.

    Hoe werkt het nondeclaratief geheugen? - Chapter 6

    Hoe werkt het nondeclaratief geheugen? - Chapter 6

    Veel van de menselijke geheugenprocessen opereren op een onbewust niveau. Zodoende kun je nondeclaratieve herinneringen vaak niet verwoorden en dus niet rapporteren. Deze vorm van geheugen is meestal niet aangetast bij amnesie.

    Klassieke conditionering

    Dit is de simpelste vorm van leren en geheugen, ook wel Pavlovian conditioning genoemd. Een organisme leert dat bepaalde stimuli betrouwbare voorspelers zijn voor de onset van dreiging of andere stimuli die belangrijk zijn voor het organisme.

    • US = ongeconditioneerde stimulus NR= neutrale respons
    • CS = geconditioneerde stimulus CR = geconditioneerde respons

    Een ongeconditioneerde stimulus (US, lekker eten) wordt samen met een neutrale stimulus (NS, een belletje) aangeboden en roept een neutrale respons op (kwijlende hond). De hond koppelt deze neutrale stimulus (belletje) aan wat voorheen de neutrale respons was (kwijlen) waardoor een geconditioneerd respons (kwijlen) volgt op de geconditioneerde stimulus (belletje).

    Wat voor associatie wordt er bij klassieke conditionering geleerd?

    De CS die leidt tot CR en wordt “stimulus response association” genoemd. Het kan ook zijn dat CS een voorspeller is van de US, wat de reden is dat de CR optreed. Dit heeft “stimulus-stimulus association”. Deze vorm komt het meest voor bij het aanleren.

    • Contiguity learning wijst op het idee dat leren kan optreden wanneer een NS en een US na elkaar optreden. Dus bij elkaar in de tijd.
    • Contingency learning is betekent dat een organisme sensitief is voor een oorzakelijke structuur.

    Voorbeeld bij mensen: door negatieve ervaringen met het spreken in het openbaar wordt deze activiteit gekoppeld aan een negatief gevolg en vermeden. Er is sociale angst ontstaan. Systematische desensitisatie kan dit weer verhelpen: door iemand in kleine stapjes dichterbij de angstverwekkende stimulus te brengen (bijv. eerst even voor in de klas blijven staan zonder iets te zeggen en dan pas verder lopen) treden eerst nog geen negatieve gevolgen op waardoor de angstverwekkende stimulus wordt gekoppeld aan dit niet-angstige gevoel.

    Het gaat bij klassieke conditionering vooral om contingency learning (causaal), niet om continguity learning (elkaar opvolgend in tijd).

    Belangrijke verschijnselen

    • Initial learning: in klassieke conditioneren vindt eerst een leerperiode plaats. Dit is nodig omdat niet alle tegelijk optredende factoren in de omgeving wijzen op een zinvol verband voor de toekomst. Bij klassiek conditioneren vind je zodoende een leercurve.

    • Forgetting: een organisme moet nieuwe associaties leren en moet ook leren om niet te reageren op associaties die niet langer relevant zijn. Als de CS een tijd wordt aangeboden zonder de US heeft het CR geen zin meer en zal stoppen hier op te reageren. Dit heet extinction. Toch wordt de associatie niet volledig gewist, zoals je ziet bij spontaan herstel en savings. Spontaan herstel treed soms na lange tijd op wanneer een CS ineens weer wordt aangeboden. De CR is wel minder sterk. Savings is het verschijnsel dat eerder geleerde associaties minder tijd nodig hebben om aangeleerd te worden.

    • Other Situations: generalisatie betekent dat een aangeleerde respons optreed naar aanleiding van stimulie die lijken op de originele stimulus (ander soort belletje). Discriminatie betekent dat organisme leren niet op iedere stimulus te reageren (bijv. op sommige belletjes niet).

    • Effects of Prior Conditioned Memories: interferentie leidt tot vergeten door concurrerende informatie. Iets soortgelijks treed ook op bij klassieke conditionering en wordt blocking genoemd. Nadat er een associatie is met een CS wordt een nieuwe NS aangeboden. Het is moeilijk deze NS te koppelen aan de CR. Higher-order conditioning is blokkering wanneer er ineens een heel andere uitkomst volgt op de stimulus.

    Mere Exposure Effect

    Mensen hebben een voorkeur voor dingen waar ze eerder aan blootgesteld zijn. Absentie van een negatieve associatie wordt geïnterpreteerd als iets dat we hebben ervaren, maar zonder betekenis, dus wat ons geen kwaad zal doen. De rechter laterale frontale kwab is hierbij betrokken en deze betrokkenheid wordt niet geobserveerd bij standaard geheugen beoordelingen. Dit effect wordt minder bij meer blootstellingen en is het best wanneer informatie kort is aangeboden. De onderliggende principes zijn hetzelfde als bij klassieke conditionering.

    Procedureel geheugen

    Kennis van hoe je dingen moet doen is een onderdeel van het impliciete geheugen. Zo zijn er veel vaardigheden opgeslagen in ons nondeclaratieve geheugen; fietsen, autorijden, lopen en leren. Na het oefenen van taken verbeterd onze prestatie, dit noemt men skill aquisition. Er zijn drie niveaus of stadia binnen skill aquisition.

    1. Het cognitieve stadium: dit is het begin van de ontwikkeling van een skill: een persoon probeert bewust de taak uit te voeren. Dit door de huidige staat te vergelijken met de gewenste staat.

    2. Het associatieve stadium: een persoon kan kennis die nodig is om de taak uit te voeren sneller uit het geheugen ophalen. Soms heeft de persoon nog wel het cognitieve niveau nodig (meer bewuste uitvoering).

    3. Het autonome stadium: de skill wordt grotendeels onbewust uitgevoerd. Bewustzijn van de handelingen die je uitvoert kan in dit stadium juist een storend effect hebben.

    De drie stadia kun je ook zien als een continuüm, lopend van stuntelig een handeling uitvoeren met veel fouten tot juist heel vloeiend een handeling uitvoeren waarbij er amper fouten gemaakt worden.

    Impliciet geheugen

    Deze term omvat elke vorm van geheugen welke geen bewustzijn vereis en welke in werking kan zijn zonder dat de persoon dit doorheeft. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld je gevoel van intuïtie. Ook incidenteel leren is een vorm van impliciet geheugen. Er zijn een aantal testen waarmee je het impliciete geheugen zou kunnen testen:

    Priming

    Er zijn verschillende vormen van priming. Een ervan is repetitie priming. Je kunt sneller op iets reageren omdat de stimulus herhaald is. De mate waarin iemand profiteert van de priming hangt ook af van hoe er de eerste keer geleerd is. Heb je bijvoorbeeld oppervlakkig geleerd, of juist door middel van veel elaboratie (surface vs deep). Priming leidt tot vermindere neurale activiteit in verschillende delen van de hersenen, want het kost minder moeite voor je hersenen. Repetitie priming is meer geassocieerd met verminderde activiteit in de visuele cortex en semantische priming is meer geassocieerd met verminderde activiteit in de frontale kwabben. Mensen lezen een tekst sneller als ze deze eerder hebben gelezen, maar herkennen een woord niet sneller buiten die context.

    • Woord-stam completie; hierbij moet de deelnemer een woord aanvullen. Je kiest het eerste woord dat je te binnen schiet. De aanvulling blijkt beïnvloed te worden door de woorden die je daarvoor gezien hebt. Dus stel er staat melk en je hebt net ervoor het woord koe gezien, dan maak je er sneller melkkoe van, dan melkfles

    • Woord-fragment completie; Stel je moet het woord me… aanvullen en je hebt daarvoor namen van vogels gezien. Dan zul je het woord sneller aanvullen tot merel dan dat je er bijvoorbeeld melkkoe van maakt

    • Lexicale decisietaak; hierbij moet een deelnemer bepalen of een reeks letters een bestaand woord vormt of niet.

    • Benoemtaak; de deelnemer moet woorden zo snel mogelijk hardop voorlezen

    • Non-verbale taak; je reageert bijvoorbeeld sneller op het woord schoonmaak als je ervoor een citroengeur hebt geroken.

    Ook sequentie wordt opgeslagen in het impliciete geheugen.

    Data gedreven en conceptueel gedreven processen

    Data gedreven is een mentale activiteit die meer wordt gedreven door informatie in de omgeving dan door gedachten. Expliciet geheugen wordt waarschijnlijk gedreven door conceptuele delen van informatie. Een wolk zien is data-driven en een schaap in de wolken zien is conceptually driven. Het impliciet geheugen is data gedreven.

    Geheugen tijdens verdoving

    Een onderzoek naar onbewust leren is gedaan onder 15 patiënten die een tape van Robinson Crusoë te horen kregen terwijl ze onder narcose waren. Achteraf werden ze gevraagd te associëren met het woord Friday en 10 van de patiënten antwoorden onder andere “Robinson Crusoë”, terwijl in de controle groep niemand dit noemde. Dit bevestigd dat ook onder deze conditie leren plaats vind. Een ander fenomeen hierbij is het fat-lady syndroom. Dit houdt in dat als een arts negatief spreekt tijdens de operatie de patiënt langzamer hersteld. Replicatie van deze resultaten lukt niet altijd.

    Hoe werkt het episodisch lange termijn geheugen? - Chapter 7

    Hoe werkt het episodisch lange termijn geheugen? - Chapter 7

    • Episodische herinneringen: voor gebeurtenissen die zijn ervaren

    • Semantische herinneringen: voor algemene wereldkennis

    • Episodische herinneringen: bestaan uit meerdere componenten van verschillende typen informatie die als geheel of in aparte stukken kunnen worden gebruikt.

    Seriële positie effecten

    Ook bij het episodisch geheugen vind je seriële positie effecten.. Het primacy effect reflecteert een novelty effect; een item is ongewoon relatief ten op zichte van de eerdere context en wordt daarom beter herinnert. Het recency effect laat een standaard vergeetcurve zien, waarbij oudere items minder goed dan nieuwe worden onthouden. Ook zijn gebeurtenissen aan het begin of aan het eind beter bestand tegen interferentie : minder proactieve interferentie bij primacy effecten, minder retroactieve interferentie bij recency effecten

    Representatie niveaus

    Wanneer je een gebeurtenis meemaakt verwerk je dit op verschillende niveaus. Elk niveau laat een geheugenspoor na. Een voorbeeld hiervan is de verwerking van teksten op 3 niveaus: oppervlaktevorm (verbatim tekst), tekstbasis (abstracte representatie van de tekst) en het mentaal model (mentale simulatie van de beschreven gebeurtenissen). De mentale modellen worden meestal langdurig onthouden, terwijl je de andere twee niveaus snel vergeet.

    Cueing

    Door middel van cueing kun je een herinnering makkelijke ophalen, de toegang tot het geheugenspoor neemt namelijk toe.

    Lange termijn geheugen is een ‘concent adressable’ systeem omdat we bij de informatie kunnen komen d.m.v. de componenten van de herinneringen zelf i.p.v. enkel via een ander principe zoals wanneer we de informatie geleerd hebben.

    Typen cues:

    • Feature cues : componenten v/d herinnering zelf. Je bent zelf de beste feature cue als je de informatie op een of andere wijze aan jezelf (het eigen zijn) hebt gerelateerd.

    • Context cues : een gedeelte van de omgeving. Drie belangrijke typen:

      • Linguïstisch: andere stukjes taal (woorden, zinnen) die zijn mee verwerkt met de informatie

      • Extern: omgeving buiten de persoon (bijv. de kamer waarin je je bevindt)

      • Intern: omgeving binnen persoon (bijv. emoties)

    Geur blijkt een goede cue te zijn, mogelijk vanwege de sterke link tussen de olfactory onderdelen en de amygdala en hippocampus.

    Context

    Zoals hiervoor besproken heb je twee typen context: intern (fysieke staat, emoties) en extern (bijvoorbeeld je kamer of licht). Een invloed van context op geheugen vind je terug in het

    Encoding specificity principe, dit houdt in dat je iets beter kunnen herinneren als het ophalen van informatie gebeurt in dezelfde context als waarin de informatie is geleerd. Dit werd aangetoond in het onderzoek van Godden & Baddely. Duikers leerden een lijst woorden op het land of onder water en werden vervolgens op het land of onder water getest. Wanneer de leercontext en testcontext met elkaar overeenkwamen was de prestatie beter dan wanneer ze van elkaar verschilden. Deze effecten treden ook op als er enkel wordt gedacht aan de context! Het kan vermeden worden als mensen tijdens het leren van hun directe omgeving worden afgeleid. Of als je bijv op meerdere plaatsen gaat studeren, dan maak je het geleerde context onafhankelijk.

    Het geheugen is ook beter als de interne leercontext en testcontext met elkaar overeenkomen. Dit noem je state depentent memory of state dependent learning. Goodwin en zijn collega’s lieten dit gegeven in hun onderzoek zien. Deelnemers leerden onder invloed van alcohol of waren nuchter. Vervolgens werden zij getest terwijl ze nuchter of onder invloed waren. Wanneer de contexten overeenkwamen was de prestatie beter. N.B. de prestatie was altijd slechter onder invloed dan de deelnemers die nuchter waren. Ditzelfde effect vind je ook bij anderen middelen zoals ritalin, marihuana en nicotine.

    Naast de fysieke interne context heeft ook emotie invloed. Dit vind je terug bij mood-dependent memory. Je herinnert je iets dus beter als je tijdens leren en testen in dezelfde stemming bent. Hieraan gerelateerd is het concept van mood congruent memory. Dit houdt in dat je beter in staat bent om aan dingen te denken die overeenkomen met de huidige stemming.

    Transfer appropriate processing

    geheugen is beter als retrieval cues mentale processen gebruiken die lijken op degenen die tijdens het leren werden gebruikt. Informatie die is geleerd via processen met nadruk op betekenis heeft een positieve invloed op expliciete geheugentests zoals recall of recognitie. Informatie via processen met nadruk op oppervlakkige kenmerken heeft positieve invloed op impliciete geheugentests. Een diepere verwerking is dus niet altijd beter, het is afhankelijk van de manier waarop er erna getest wordt.

    Irrelevante herinneringen

    Interferentie is het primaire vergeetmechanisme voor het LTG. Interferentie tijdens retrieval treedt op als er competitie is tussen twee geheugensporen die overlappen. Er zijn verschillende soorten interferentie.:

    • Negatieve transfer: vorm van interferentie waarbij eerdere kennis de mogelijkheid verminderd om nieuwe informatie te leren. Oude geheugensporen zijn zo sterk dat ze telkens worden geactiveerd als je iets nieuws probeert te leren. Het is een functie van de mate van overlap tussen oude en nieuwe informatie. Dit werd aangetoond in het experiment van Postman & Stark. Deelnemers leerden eerst lijst A-B en daarna C-B. Lijst A-C is dan lastiger te leren dan lijst C-D. Dit effect is meer aanwezig bij recall, want daarbij kunnen meerdere geheugensporen betrokken raken en ‘vechten’ om output dan bij recognitie.

    • Proactieve interferentie: oude kennis resulteert in toenemend vergeten van nieuwe kennis. (Verschil met negatieve transfer: negatieve transfer gaat over de acquisitie van nieuwe info, proactieve interferentie over het vergeten van geheugensporen voor nieuwe info.) Dit effect is gebaseerd op de overeenkomst v/d inhoud van geheugensporen, NIET op de hoeveelheid eerder geleerde kennis. Vrijkomen van deze vorm van interferentie kan door het verschil tussen de geheugensporen te vergroten. Door middel van het aanbieden van nieuwe informatie.

    • Retroactieve interferentie: nieuwe kennis maakt het moeilijker om oude kennis te herinneren. Meer uitgesproken bij recall dan bij recognitie, want er zijn meer geheugensporen betrokken bij recall. Het is niet helemaal waar dat het gaat om het ‘onleren’ van oude info, wat eerst werd gedacht. Want retroactieve interferentie kan verminderd of opgeheven worden wanneer de juiste cues worden gegeven. Een idee is dat het gaat om een verstoring in de set retrieval cues die anders gebruikt zouden zijn om de oude info op te halen. Retroactieve interferentie werd aangetoond in het onderzoek van Jenkins & Dallenbach. Deelnemers leerden in hun onderzoek lijsten aan en werden met verschillende tijdsintervallen getest. Deelnemers waren of wakker in de tussentijd of ze sliepen. Wanneer deelnemers sliepen presteerden zij beter. Dit werd verklaard door het feit dat wakkere deelnemers meer interferentie hadden ervaren. Maar mogelijk kan dit ook worden verklaard doordat slaap de consolidatie verbeterd.

    • Associatieve interferentie: hoe meer associaties bij een concept horen, hoe groter de interferentie en hoe slechter geheugen. Deze vorm van interferentie is deze niet gebaseerd op temporele volgorde. Het wordt ook wel beschreven als ‘fan effect’ : hoe meer links van een concept af ‘fannen’, hoe groter interferentie door concurrerende associaties, en de retrievaltijd neemt toe. Kan verminderd worden door oefening om associaties van elkaar te scheiden (distinctiveness).

    Dit zou betekenen; hoe meer je leert, hoe moeilijker retrieval? Maar nee: ‘Paradox van de expert’: experts leren méér dan leken over hun gebied zonder problemen in het herinneren van deze nieuwe kennis. Waarschijnlijk door chunking van informatie, en het kunnen ‘ophangen’ van nieuwe kennis aan oude kennis.

    • General interference; verschillende typen informatie geven interferentie. HOe ouder een herinnering hoe meer geconsolideerd deze is en hoe minder gevoelig hij is voor general interference.

    Inhibitie

    Interferentie kun je verminderen of controleren door middel van inhibitie. Dit is het actief verminderen van activatie van interferende informatie. Fenomenen die kunnen ontstaan door inhibitie:

    • Part-set cueing : slechter geheugen als je gedeeltelijke informatie krijgt. Deel van de uitleg is dat het leidt tot een verstoring in het natuurlijke retrieval-plan. Ander deel van de uitleg is inhibitie. Het gedeeltelijk geven van informatie leidt ertoe dat mensen geheugensporen inhiberen die toegankelijk waren geweest als ze met rust waren gelaten. Heeft te maken met het feit dat bij natuurlijke retrieval, sommige items een hogere activatie-level hebben en deze bij retrieval andere items inhiberen om interferentie te voorkomen.

    • Directed forgetting : mensen vertellen dat ze specifieke info mogen vergeten. Er is geen proactieve interferentie van ‘te vergeten’ woorden op nieuwe woorden. Mensen inhiberen mogelijk de irrelevante ‘te vergeten’ geheugensporen.

    • Negatieve priming : verminderde beschikbaarheid van geheugensporen die recent zijn geinhibeerd. Een geval van retrieval-induced inhibitie: het je herinneren van één ding maakt het herinneren van gerelateerde dingen moeilijker. Het omgekeerde van positieve priming dus.

    • Herhaalde oefening effect : herhaald oefenen leidt tot inhibitie van concurrerende geheugensporen, waardoor de kans dat je niet-geoefende herinneringen ophaalt verkleint. Dit fenomeen komt alleen voor als er daadwerkelijk sprake is van retrieval, alleen exposure aan info is niet genoeg. Ook moet er sprake zijn van competitie/interferentie gedurende retrieval. Dit wordt gezien bij zowel recall als recognitie. Het laat zien dat het geheugen gerelateerde maar irrelevante geheugensporen inhibeert. Hoort meer bij expliciet dan bij impliciet geheugen. Minder als: integratie van info, distinctiveness van geheugensporen groter, of bij hoog saliente informatie zoals kennis over jezelf.

    Inhibitie, werkgeheugen en episodisch geheugen

    Mensen die beter zijn in inhibitie in werkend geheugen zijn waarschijnlijk beter in lange termijn geheugen retrieval. Mensen die bij ‘working memory span’ tests goed presteren, hebben minder last van proactieve interferentie.

    Herhaling en oefening

    Hoe vaker je iets herhaalt, hoe groter de kans wordt dat je het je later herinnert. Dit heet het repetitie effect.

    Geheugen is beter na verdeelde oefening dan na ‘massed’ oefening (alles in één sessie leren – stampen dus). Drie verklaringen voor waarom dit zo is:

    • Deficiëntie in verwerken:

      • Minder consolidatie hypothese: minder tijd voor consolidatie bij massed practice

      • Habituatie/aandacht hypothese: de kans is groot dat je bij massed practice niet zo aandachtig leert

      • Accessibility/reconstructie hypothese: minder retrieval moeite bij massed practive. omdat de info nog zo nieuw is, dus gaan mensen er vanuit dat ze de info kennen en spenderen er niet voldoende tijd meer aan om het verder te leren

    • Encoding variability: grotere variatie in context bij verdeeld leren leidt tot meer retrieval paden waardoor je minder gevoelig bent voor vormen van state dependent learning.

    • Dual processing: combineert de twee bovenste verklaringen, waarbij het deficiënt in verwerken meer een bewust en gecontroleerd proces is, en encoding variability meer een automatisch proces omdat het om context gaat.

    Overlearning en Permastore

    • Overleren: opnieuw leren van al geleerde info, leidt tot versterking geheugenspoor en beter ophalen.

    • Permastore: de ‘deep freeze’ van geheugen. Geheugen dat na 3 jaar blijft, is stabiel voor de rest van je leven en zit in Permastore. Toegang tot Permastore is een effect van verdeeld leren en van overleren.

    Organisatie en distinctiveness

    Episodisch geheugen is beter door organisatie. Dit doen mensen (desnoods subjectief) vaak al uit zichzelf om info te ordenen en beter te onthouden. Geheugen is ook beter voor ‘distinct’ items.

    Von Restorff Effect: men herinnert zich een item beter als het opviel in het geheel, in vergelijking met een item dat niet opviel in het geheel (soort pop-out).

    Distinctive verwerken kun je doen door bijvoorbeeld bizarre imagery, maar dan alleen als je dat slechts voor een gedeelte van de info doet. Dit werkt ook voornamelijk bij free recall en minder/niet bij cued recall of recognitie.

    Relationeel en Itemspecifiek verwerken

    Beter geheugen door organisatie (relationeel), en beter geheugen door item specifiek verwerken (distinctiveness) lijkt tegenovergesteld! Relationeel verwerken is behulpzaam in het genereren van een retrieval plan. Dit verbeterd geheugen voor info waarvoor iemand geen grote kennisbasis heeft, en onduidelijk is hoe het gerelateerd is aan al aanwezige kennis. Itemspecifiek verwerken werkt anti interferentie, het helpt als er al een goed ontwikkelde organisatie aanwezig is, door de kennis eruit te laten steken (stand out). Welke manier van verwerken helpt hangt dus sterk af van de soort informatie waarmee je te maken hebt.

    Het blijkt ook dat relationeel verwerken beter werkt bij kleine categorieën, en itemspecifiek bij grote categorieën omdat er dan immers meer interferentiemogelijkheden zijn.

    Material appropriate verwerken : onderscheid tussen typen leren en geheugen voor verschillende typen tekst. Geheugen voor tekstinformatie is beter als het type leren (relationeel of itemspecifiek) de informatie benadrukt waarvoor het geheugen waarschijnlijk zwak is.

    Hoe is geheugen gerelateerd aan ruimte en tijd? - Chapter 8

    Hoe is geheugen gerelateerd aan ruimte en tijd? - Chapter 8

    Ruimtelijke informatie helpt ons te begrijpen hoe entiteiten in de wereld zijn geplaatst en georiënteerd ten opzichte van elkaar. Ruimte is een relatief stabiele dimensie. Temporele informatie helpt ons te begrijpen wanneer gebeurtenissen plaatsvonden ten opzichte van het heden, t.o.v. andere gebeurtenissen in het verleden of t.o.v. een gestandaardiseerde tijdsschaal (bv kalender). Tijd gaat altijd vooruit.

    Bepaalde delen van de hippocampus zijn belangrijk voor het begrip over een spatiële locatie.

    Memory Psychophysics.

    Psychophysics is het deel van de psychologie die zich bezig houdt met in hoeverre onze ervaring van de wereld overeenkomt met de fysieke eigenschappen van de wereld. Uit psychofysische studies zijn een aantal consistente wetten gekomen, bv: Steven’s Law of psychological magnitude.

    Dit is de relatie tussen de psychologische grootte (van een voorwerp;Ψ) en de werkelijke grootte (Φ). Memory psychophisycs doet onderzoek naar het geheugen van de wereld. Uit onderzoek is gebleken dat de relatie tussen de werkelijke en ervaren ruimtelijke afstand redelijk goed is. De relatie tussen de werkelijke en herinnerde eigenschappen van de wereld is minder goed. De category adjustment theorie is een theorie omtrent het geheugen voor ruimte. De theorie stelt dat prestatie een weerspiegeling is van de combinatie van ‘fine grained’ en ‘coarse grained’ herinneringen. Mensen herinneren zich zowel het object dat ze gezien hebben als de categorie waarbij dit object hoorde. Voorbeeld: als je probeert te herinneren waar Groningen ligt, dan is de fine grained herinnering de echte locatie van de stad op een plattegrond, en de coarse grained herinnering gaat over in welk gebied de stad ligt, bijvoorbeeld de provincie.

    Mentale kaarten.

    Mentale kaarten helpen bij spatieel denken (zoals navigeren). Spatiële theorieën gaan ervan uit dat mentale kaarten hetzelfde gestructureerd zijn als ruimte Mentale kaarten zijn second-order isomorphs (een model die de structuur van de omgeving wel bevat (zoals een landkaart), maar niet precies hetzelfde is (een first-order isomorph is dat wel, bv een luchtfoto). Soorten Spatiële Theorieën:

    • Metric view: mentale kaarten stemmen precies overeen met de omgeving die ze representeren. Er zijn maar weinig serieuze theorieën die hierbij horen, omdat mentale kaarten bijna altijd verstoord zijn.

    • Hierarchical view: mentale kaarten zijn georganiseerd aan de hand van superordinate locations (categoriën van plaatsen). Mentale kaarten die alleen gebaseerd zijn op superordinate locations zouden categorisch zijn, dit is niet het geval, dus deze theorieën kloppen niet helemaal.

    • Partially hierarchical view: combinatie van metric en hierarchical view.

    Mentale kaarten worden beïnvloed door:

    • Richting van de superordinate locations (bv alle plaatsen in Nederland behoren tot de categorie Nederland, alle plaatsen in België behoren tot de categorie België, Nederland ligt boven België, dus alle plaatsen in NL liggen boven alle plaatsen in B. Klopt niet, Maastricht ligt onder Antwerpen).

    • Aantal locaties op de route van één locatie naar een andere, hoe meer tussenliggende locaties, des te langer de afstand wordt geschat.

    • Lengte van de route, hoe langer de route, des te langer wordt de afstand geschat (ook al is de route langer doordat het een omweg maakt).

    • Tijdelijke afstand tussen 2 geleerde plaatsen, hoe langer de tijd tussen het leren van de plaatsen, hoe langer de afstand geschat wordt.

    • Nonlandmarks komen dichter bij landmarks te liggen. Landmarks zijn afwijkende eigenschappen van een omgeving (bv een meer) en helpen bepalen wat er bij welke superordinate location hoort.

    • Semantische kennis, zorgt ervoor dat het geheugen meer neigt naar informatie die consistent is met het schema.

    • Afstand tussen eigen locatie en een andere locatie, de afstand tussen plaats die dicht bij ligt en eigen locatie wordt vaak overschat, de afstand tussen plaats die ver weg ligt, wordt vaak onderschat.

    Bij mentale kaarten wordt de afstand tussen nonlandmarks en landmarks kleiner dan deze in werkelijkheid is. Landmarks zijn afwijkende eigenschappen van een omgeving (bv een meer) en helpen bepalen wat er bij welke superordinate location hoort.

    Ruimtelijk geheugen wordt beïnvloed door:

    • Het perspectief waarin de kaart is geleerd. Er zijn twee perspectieven waarin een kaart geleerd kan worden. Eén is het route perspectief, de informatie wordt aangeboden alsof iemand door het gebied loopt. Het tweede perspectief is het survey perspectief, hierbij lijkt het alsof de informatie van bovenaf wordt waargenomen. Het geheugen is beter voor het perspectief waarin de omgeving geleerd is.

    • Orientation effect: hoe groter het verschil tussen de gezichtspunten waarin men de kaart leert en waarin men de kaart moet gebruiken, hoe groter de kans is op een fout bij het bepalen van de route. Het effect bestaat bij alle passief geobserveerde gebieden (op alle mogelijke manieren). Deze gebieden kunnen statisch of dynamisch zijn. Het kan ook optreden wanneer de ruimte vanuit verschillende punten is geobserveerd. Er bestaan verschillen in het vermogen van het draaien van een mentale kaart (en dus in de grootte van het orientation effect).

    • Alle locaties zijn op een bepaalde manier gedefinieerd. Deze definities zijn spatial frameworks. Hoe wij omgaan met deze frameworks beïnvloedt onze herinneringen ervoor.

    Uit studies is gebleken dat de temporele structuur soms de basis van een mentale kaart bepaald. Volgens hybride theorieën hebben de temporele en de spatiële structuur beide invloed op een mentale kaart. Hoe dichter de plaatsen bij elkaar liggen tijdens het leren (zowel in tijd als in ruimte), des te preciezer is de mentale kaart zal zijn. Neurologische data komt overeen met deze theorieën.

    Een voorbeeld van een hybride theorie is de Parallel map theory, volgens deze theorie worden er 2 soorten informatie gebruikt bij het creëren van een kaart en elk soort informatie gebruik een andere neurologische structuur. Eén soort is bearing map, een grove representatie van ruimte gebaseerd op de relatieve posities van locaties in een omgeving. Dit soort informatie is gevoeliger voor temporele volgorde. De dendate gyrus en delen van de hippocampus (genaamd CA3) worden hierbij gebruikt, dit is meer ontwikkeld bij mannen. De ander is sketch map, dit is een preciezere representatie van een ruimte, gebaseerd op onafhankelijke posities van landmarks, dit soort informatie is gevoeliger voor spatiële structuur info. Hierbij horen delen van de hippocampus (genaamd: CA1) en delen van de cortex, dit is meer ontwikkeld bij vrouwen.

    Mentale kaarten beïnvloeden het lezen, dit wordt Spatial gradient of availability genoemd. Hoe verder de locatie van de persoon (in het verhaal) is van de locatie van datgene waar hij aan denkt, hoe langer het duurt om hierover te lezen. De afstand wordt gezien in chunks (bv kamers), niet in meters.

    Temporeel geheugen.

    Het temporele geheugen is het vermogen om te herinneren wanneer gebeurtenissen plaats vonden. Er zijn drie manieren waarop mensen het temporele geheugen kunnen gebruiken:

    • Temporale afstand: hoe lang geleden de gebeurtenis plaatsvond.

    • Temporele locatie: wanneer de gebeurtenis precies plaatsvond.

    • Relatieve tijd: volgorde waarin gebeurtenissen plaatsvonden.

    Een aantal algemene effecten van geheugen spelen een rol bij temporeel geheugen. De eerste is het memory age effect: hoe langer geleden een gebeurtenis plaatsvond, des te groter de kans is dat er een fout wordt gemaakt bij het herinneren van wanneer het plaatsvond. Het tweede is het primacy effect, gebeurtenissen die voor het eerst voorkomen worden beter onthouden dan wanneer ze daarna nog een keer voorkomen. Het derde is het recency effect, dit houdt in dat mensen beter tijd onthouden van recente herinneringen dan van oude. Het laatste is het accuracy effect, hoe beter het geheugen voor de inhoud van de gebeurtenis, hoe preciezer herinnerd zal worden wanneer de gebeurtenis plaatsvond. Andere effecten die alleen bij temporeel geheugen optreden zijn:

    • Scale effect, geheugen voor wanneer een gebeurtenis plaatsvond is correct op één tijdsschaal (bv dag), maar verkeerd op een ander (bv maand).

    • Forward telescoping, gebeurtenis wordt herinnert als minder lang geleden dan in werkelijkheid het geval is. Komt meer voor wanneer de gebeurtenis langer geleden plaatsvond.

    • Backward telescoping, gebeurtenis wordt herinnerd als langer geleden dan in werkelijkheid het geval is. Komt meer voor bij recente herinneringen.

    Informatie over de volgorde waarin gebeurtenissen plaatsvinden kan gebruikt worden om de tijd waarop een gebeurtenis plaatsvond te bedenken. Volgens het ene onderzoek zijn mensen beter in het herinneren van gebeurtenissen in hun leven bij een voorwaartse volgorde, volgens een ander onderzoek doen ze het ook goed als ze backwards gaan De meningen zijn dus verdeeld. Maar wel wordt bevestigd dat temporele informatie wordt opgeslagen als herinnering.

    Theorieën van temporeel geheugen

    Soort theorie

    Model

    Distance based theories: schatting van tijd hangt af van hoeveel tijd er zit tussen de gebeurtenis en het heden. Theorieën kunnen primacy effect, scale effect en accuracy effect niet verklaren, er wordt geen rekening gehouden met de inhoud van de herinnering, geven geen verklaring voor forward of backward telescoping.

    • Trace strength model: geheugen paden worden zwakker wanneer ze voor langere tijd niet meer gebruikt zijn.

    • Temporal sequence model: geheugen wordt vergeleken met een riem. Iedere herinnering wordt geplaatst op de riem. Hoe langer geleden de gebeurtenis plaatsvond, hoe verder weg de herinnering is.

    • Contextual overlap model: de context (intern en extern) veranderd constant. Twee gebeurtenissen die dicht bij elkaar liggen in tijd verschillen minder in context.

    Location-based theories: informatie die nodig is om te herinneren wanneer een gebeurtenis plaatsvond wordt opgeslagen in het geheugenpad wanneer de herinnering wordt gevormd. Kunnen memory age effect, primacy en recency effect, het scale effect, accuracy effect, telescoping effects en ordering effects verklaren.

    • Time tag model: moment waarop een gebeurtenis plaatsvindt wordt herinnerd, doordat er een extra ‘tag’ wordt opgeslagen bij de herinnering, waarin informatie over de tijd staat.

    • Perturbation: herinneringen worden geassocieert met de elementen die de herinneringen in chunken. Temporele informatie wordt afgeleid van de elementen.

    • Reconstructive model: informatie uit de herinnering wordt gebruikt om te bepalen wanneer een gebeutenis plaatsvond.

    Relative time theories: relatieve temporele volgorde informatie wordt direct opgeslagen in het geheugen. Kunnen scale effects niet verklaren.

    • Associative chaining model: bij het creëren van een herinnering worden associaties met eerdere gebeurtenissen van hetzelfde soort opgeslagen. Bij het herinneren wanneer de gebeurtenis plaatsvond wordt gekeken naar de associaties.

    • Order code model: iedere keer dat een gebeurtenis plaatsvindt, worden alle samenhangende gebeurtenissen geactiveerd in het geheugen. Deze samenhangende gebeurtenissen woren geassocieerd met de nieuwe gebeurtenis. Hoe recenter een gebeurtenis is, hoe meer associaties, deze informatie kan gebruikt worden voor het lokaliseren van de gebeurtenis in de tijd.

     

    Category adjustment model: herinneringen worden opgeslagen op twee niveaus: fine-grained en coarse-grained. Schatting van het moment waarop een gebeurtenis plaatsvond is een combinatie van de informatie van beide niveau’s.

    Hoe werkt het semantisch geheugen? - Chapter 9

    Hoe werkt het semantisch geheugen? - Chapter 9

    Het semantisch geheugen is meer georganiseerd zoals een encyclopedie, dan als een verzameling specifieke gebeurtenissen. Semantische herinneringen zijn generalisaties die we kunnen toepassen op een breed spectrum van verschillende, maar erg op elkaar lijkende gebeurtenissen. Op die manier kunnen we regelmatigheden in de wereld om ons heen gebruiken om accurate voorspellingen te maken over de volgende gebeurtenis. Een voorbeeld: Als je alleen gebruik kan maken van herinneringen uit het specifieke of episodische geheugen, dan moet je elke keer als je een hond ziet, nagaan of de situatie veilig is en hoe hij zal reageren. Elke keer als je een stoel zag, zou je moeten bepalen wat het doel is. In dit hoofdstuk worden de aspecten van het semantisch geheugen behandeld. Semantic priming: Ons geheugen biedt niet alleen informatie die op dat moment nodig is, maar ook gerelateerde informatie die misschien nuttig zou kunnen zijn. Daarnaast worden twee soorten semantisch geheugen besproken. De een is hoe categorieën worden gemaakt en hoe deze worden gebruikt. De ander is het gebruik van scripts en schema’s.

    Semantische priming

    Een eigenschap van het semantisch geheugen is de georganiseerde en regelmatige structuur. Het semantisch geheugen wordt vaak getoetst middels een lexicale decisietaak. Bij deze taak worden mensen geprimed met een woord (zijn ze niet bewust van), vervolgens zien ze een reeks letters en moeten bepalen of dit een woord of geen woord is. Semantishe priming doet zich voor omdat concepten niet in isolatie, maar in termen van associatie met andere ideeën begrepen worden.

    Door middel van priming werden ook afwijkingen of anomalieën ontdekt. Als mensen een semantische anomalie ontdekken, zoals de dokter luisterde met een wortel, dan ontdekt men met ERP een negatieve potentiaal ongeveer 400 MS na het aanbieden van de semantisch afwijkende informatie. Het detecteren van semantisch afwijkende informatie wordt daarom N400 genoemd.

    Het semantisch geheugen wordt gestructureerd op basis van gedeelde aspecten van betekenis en niet door eerder gemaakte associaties. Gelijke ideeën worden als het ware dichter bij elkaar opgeslagen in het semantisch geheugen. Dit kunnen ook emotionele toestanden zijn, mensen in een opgewekte stemming reageren sneller op het woord vrede en mensen in een verdrietige stemming reageren sneller op het woord doodgaan.

    Voor het opnemen van informatie in het semantisch geheugen, moet dit eerst verplaatst worden van episodisch naar het semantisch geheugen. Dit proces vergt grote capaciteit. Nieuw geleerde informatie kan daardoor niet geprimed worden. Dit kan pas na vijf weken. En het leren van een relatie tussen twee bestaande concepten wordt pas geprimed na heel veel oefening. Het is dus een highly involved and drawn out process.

    Controlled priming

    In het algemeen is priming een automatisch proces dat wordt gedomineerd door het impliciete geheugen. Het is wel mogelijk om dit een bewust proces te maken en te sturen door bewuste informatie. In een studie van Neely hebben ze dit geprobeerd en er ontstaat een categorische verschuiving in het geheugen als men zich hiervan bewust is.

    Het was een woordkeuzetaak. Het verschil tussen het aanbieding van de categorische naam en the lexical decision trial wordt de stimulus onset asynchrony genoemd, oftewel SOA. De volgende condities kwamen voor:

    1. Nonshift-expected-related: De proefpersonen wordt verteld dat het target na het aangeboden woord iets te maken heeft met die categorie. De aangeboden stimulus is ook daadwerkelijk zo: Dus Vogel – Merel.

    2. Nonshift-Unexpected-Unrelated: mensen verwachten dat het aangeboden woord iets te maken heeft met die categorie, maar uiteindelijk is het woord dat niet. Dus vogel – arm. Je ziet dan een positieve potentiaal bij vogel – merel en een negatieve potentiaal (anomalie) bij vogel – arm. Men verwacht namelijk dat de woorden die komen behoren tot dezelfde categorie, in het eerste geval is dit waar, in het tweede geval is dit nietwaar. Kijk goed naar fig. 9.1 blz. 191.

    3. Shift-Expected-Unrelated: Mensen verwachten dat het opvolgende woord, ongerelateerd is aan de categorie van de category name. Dus Lichaam – Deur. Nu komt hier een potentiaal, ondanks dat de woorden niet automatisch worden geprimed. Ze worden juist bewust geprimed. Het idee is dat als mensen verwachten dat het volgende woord tot de categorie gebouw hoort, men dit gedeelte in het geheugen bewust kan activeren of primen. Maar dit kost tijd. Bij het vaker aanbieden wordt de potentiaal positiever.

    4. Shift-Unexpected-Unrelated: Mensen verwachten een woord dat niet in de categorie ligt van lichaam, maar in de categorie gebouw. Echter krijgen ze nu ook een ongerelateerd woord, maar deze komt weer van een andere categorie. Dus Lichaam – Spreeuw. De potentiaal is weer negatief. Uit deze conditie blijkt dat het net bewust geleerde priming van Lichaam – Deur, moeilijk ongedaan te maken valt en niet meer zo makkelijk is uit te schakelen als prime.

    5. Shift-Unexpected-Related: Zelfde als vier, alleen is het woord wat erna komt nu wel weer een woord uit dezelfde categorie als lichaam. Dus Lichaam – Hart. In eerste instantie is de reactie nog automatisch en is het woord nog geprimed en ontstaat er een positieve potentiaal. Echter na een tijdje hebben mensen bewust de activatie van het semantisch geheugen verplaatst naar een andere categorie, namelijk gebouwen, waardoor de automatische priming wordt uitgeschakeld en er ontstaat nu bij Lichaam – Hart ook een negatieve potentiaal. Het kost dus meer moeite om het verwachtte uit te schakelen en weer naar de originele reactie te gaan.

    Mediated priming

    De theorie achter semantisch primen is dat wanneer een concept in het geheugen wordt geactiveerd, deze activatie zich verspreid over gerelateerde concepten, die nu meer beschikbaar zijn dan voor de activatie. Hoe ver gaat deze verspreiding van activatie? Gaat het van Leeuw naar Tijger en dan naar Strepen? Als je strepen hoort, wordt leeuw dan niet geactiveerd, want hij heeft geen strepen, of wel want hij hoort bij tijger?

    Om dit te testen kijk je in hoeverre strepen wordt geprimed (in de zin van hoe makkelijk dit is op te halen uit het geheugen/beschikbaar is) als men het woord leeuw ziet. Dit wordt dan mediated priming genoemd, omdat de connectie tussen Leeuw en Strepen wordt gemedieerd door Tijger. In het algemeen komt mediated priming wel voor, maar is het minder groot dan reguliere priming en het bestaat soms ook helemaal niet. Hoe verder de concepten van het origineel liggen, hoe minder logisch het is om een betekenisvolle prime te vormen.

    Semantische interconnectiviteit

    In het episodisch geheugen zal een vergroot aantal associaties (grote interconnectivity) met een bepaald idee de retrievaltijd vertragen (the fan effect). Er is een groot aantal connecties in het semantische geheugen. Op basis van het fan effect zou men verwachten dat het heel moeilijk is om informatie op te halen uit het semantisch geheugen, maar het tegenovergestelde is waar. Om meer precies te zijn, een grotere interconnectivity zorgt juist voor een snellere retrievaltime. Dit komt doordat associaties in het semantisch geheugen bestaan uit directe en indirecte – door middel van mediated priming – connecties tussen twee concepten. Twee semantische concepten kunnen direct met elkaar geassocieerd zijn en mediated met elkaar geassocieerd zijn, waardoor er ontzettend veel paden ontstaan waaruit de gerelateerde informatie kan worden opgehaald. Je kan het zien als een paardenrace. Als er veel paarden meedoen, is het waarschijnlijker dat er een heel snel paard bijzit, dan wanneer er weinig paarden meedoen.

    Inhibition

    Net zoals bij het episodisch geheugen kan inhibitie ervoor zorgen dat het aantal paden waarmee informatie wordt opgehaald uit het geheugen gereduceerd worden. Tijdens het ophalen kunnen gerelateerde concepten geinhibeerd worden. Mensen halen bijvoorbeeld het woord zalm minder snel op uit het geheugen wanneer ze de categorie naam VIS horen, als ze daarvoor andere soorten vis uit het geheugen hebben opgehaald. Zalm wordt dus geinhibeerd. Dit gebeurt wanneer mensen bijvoorbeeld actief zoeken naar informatie, dan wanneer ze alleen passief aan het lezen zijn. De noodzaak om een specifieke semantische herinnering te selecteren veroorzaakt inhibitie van andere gerelateerde concepten – competitors – waardoor interferentie wordt ontweken.

    Synopsis

    Het activeren van kennis in het semantisch geheugen veroorzaakt priming van de gerelateerde concepten. Na het ontstaan van een automatisch priming proces, kan de persoon ook met bewuste controle in het geheugen zoeken. Dit vindt ook plaats in gemedieerde concepten – mediated priming. Het ophalen van informatie uit het semantisch geheugen wordt verbeterd en sneller gemaakt door meer connecties tussen concepten – in tegenstelling tot het episodisch geheugen. Maar priming heeft wel zijn grenzen en mensen kunnen ook langzamer worden wanneer ze onlangs actief gerelateerde concepten hebben geselecteerd. (dus zalm is langzamer bij vis, als men eerst heeft gedacht aan tonijn en baars).

    Categorisatie

    Door middel van categorisatie kunnen we afgaan op eerdere kennis en deze op een betrouwbare manier toepassen op nieuwe situaties, zonder dat we lang na hoeven te denken over hoe we ons moeten gedragen.

    Een concept kan op verschillende manieren gerelateerd zijn aan een categorie. Er zijn drie niveaus van categorisatie:

    1. Basic: Meest gebruikt. Categorieën worden bepaald door kenmerken die gedetailleerd genoeg zijn, dat we alle gerelateerde concepten van die categorie als gelijk kunnen zien zonder teveel details beschikbaar te stellen. Voorbeelden: zaag, honden, stoelen.

    2. Subordinate: bestaat uit gedetailleerde informatie over meer specifieke kenmerken van een basic categorie. Zoals kampeerzaag, minipoedel, leerbewerker.

    3. Superordinate: geeft heel algemene informatie die een grote spreiding heeft langs basic categorieën. Voorbeelden zijn: gereedschap, huisdier, meubelstuk.

    Mensen halen informatie gerelateerd aan basic level categorie beter op uit het geheugen. De naming latency in seconden duurt minder lang dan bij de andere levelsDit suggereert dat categorisatie op basic level een soort voorrang heeft op de andere levels. Categorieën hebben veel verschillende ‘’leden’’ (members). De gecombineerde invloed haalt een categorie in het geheugen naar boven en manifesteert zich op verschillende manieren. De gecombineerde invloed kan zijn:

    • Central tendency: Een gemiddeld ideaal voor een categorie.

    • Graded Membership: sommige leden zijn een beter lid van een categorie dan anderen. Merel is beter gerelateerd aan vogel dan aan de categorie pinguïn. Sommigen zijn ook ambigu. Technisch gezien is een tomaat een stuk fruit en een vleermuis is ook een vogel.

    • Family Resemblance: Leden van een categorie worden niet gedefinieerd door aparte kenmerken, maar gedeelde kenmerken. Bijvoorbeeld meubelstukken, de meesten hebben poten, zijn van hout, bedoeld voor binnenshuis.

    Klassieke categorisatie theorie

    Het idee dat categorieën worden gedefinieerd door noodzakelijke en toereikende (sufficiënt) kenmerken is de klassieke kijk op categorisatie. De kenmerken zijn noodzakelijk, omdat ze aanwezig moeten zijn en toereikend omdat geldt: zo lang als de kenmerken aanwezig zijn, is iets een lid van een categorie.. Als mensen de plaatjes moeten ordenen, gebruiken ze daarvoor bepaalde regels die gebaseerd zijn op de kenmerken van het plaatje. Echter kan deze theorie niet central tendency, graded membership en family resemblance verklaren. Bijvoorbeeld de verdeling tussen even en oneven nummers. Als men de regels volgt is 4 een even nummer en 106 ook. Ze hebben beiden de necessity en sufficiency van de kenmerken die tot even nummers behoren. Maar toch bestaat er graded membership, want uit onderzoek is gebleken, dat 4 gezien wordt als een beter lid van even getallen, dan 106.

    Prototype Theorie

    Categorieën worden bepaald door een mentale representatie die een gemiddelde voorstelt van alle leden van die categorie. Deze gemiddelde mentale voorstelling wordt een prototype genoemd. Het kan een wel of niet bestaand iets zijn. Voor de representatie van hond is het een gemiddelde van alle bestaande honden en niet een speciaal ras Prototypes ontstaan ook bij het herkennen van gezichten. Mensen vinden gezichten die dichterbij het prototype zijn – en dus minder aparte en onderscheidende kenmerken hebben en juist heel veel gemiddelde kenmerken die bij alle gezichten voorkomen bevatten - het meest aantrekkelijk. Echter, een mooi gezicht, is een saai gezicht. Daarom zijn aantrekkelijke gezichten minder goed te herinneren. Dit fenomeen, dat mensen het prototype het mooiste vinden, komt ook voor bij honden, katten, horloges, vissen en auto’s. Deze theorie verklaart central tendency – het prototype zelf. En ook graded membership: als iets meer op een prototype lijkt, wordt het ook ervaren als een beter lid van de categorie. Echter kan een prototype geen informatie geven over hoeveel versschillende variaties in de categorie mogelijk zijn, terwijl mensen zich daar juist wel bewust van zijn, hoeveel leden er in een categorie zitten. Ook veranderen categorieën over tijd, omdat er steeds nieuwe informatie aan wordt toegevoegd. Ook het prototype kan dit niet verklaren.

    Exemplaar Theorie

    In de exemplaar theorie worden alle leden van een categorie gebruikt om het geheugen een beslissing te laten nemen. Deze kijk verklaart central tendency, graded membership en family resemblance, maar ook informatie over de grootte van de categorie, de variaties, gerelateerde attributen en nieuwe informatie erover. Omdat altijd alle paden van een categorie gebruikt worden, zal ook nieuwe informatie erin worden opgenomen. Een andere mogelijkheid van exemplaar theorie is de mogelijkheid om context sensitivity van categorieën te verklaren. Bijvoorbeeld de kleur grijs wordt meer gerelateerd aan wit in de context haarkleur, en meer gerelateerd aan zwart in de context wolken. Een probleem is echter dat er een cirkelredenering zit in deze theorie. Hoe kan de categorie geactiveerd worden als de categorie – en zijn leden – nodig zijn om dit überhaupt onder te brengen in een categorie.

    Explanation-Based Theory

    Bij het vormen van categorieën en leden wordt er gebruik gemaakt van betekenis. Een vleugel heeft veren, dus veren hoort bij vleugel. Een ander aspect van het geheugen zijn ad hoc categorieën. Out of the blue kunnen mensen bedenken dat koffie, likeur en parfum bij elkaar horen, omdat ze allemaal een aanwezige geur hebben. Dit geeft ons inzicht in hoe makkelijk een semantische structuur kan worden aangemaakt en het zorgt voor vraagtekens bij de stabiliteit van het geheugen in het algemeen. Een subtheorie van betekenisgebaseerde categorieën is psychological essentialism. Het idee is dat elk lid van een categorie een onderliggende essentie bevatten, waar je je wel of niet bewust van kan zijn.

    Stereotypes and Prejudice

    Een mogelijk nadeel van categorisatie is stereotypering wat mogelijk leidt tot vooroordelen. Stereotypen zijn het categoriseren van verschillende groepen of personen. Als je iemand stereotypeert, dan behandel je deze persoon hetzelfde als iemand anders in deze groep. Wanneer het voorkomt dat iemand wordt behandeld op de verkeerde manier, dan wordt dit vooroordeel genoemd. Dus in het algemeen is categoriseren nuttig, maar we moeten zorgvuldig zijn dat alle categorieën die we over mensen voren juist en eerlijk zijn. We moeten ons ervan bewust zijn dat categoriseren een menselijke manier is om over dingen te denken, maar we moeten dit overkomen en onze gedachten en onze gedragingen monitoren, zodat we niet op een verkeerde manier over mensen gaan denken en ze ‘’in hokjes’’ stoppen.

    Synopsis

    Een centraal aspect van het semantisch geheugen is de mogelijkheid om categorieën te creëren en te gebruiken. Categoriseren lijken georiënteerd te zijn op een basic level en geven bewijs voor een centrale tendens, gegradeerd lidmaatschap met familiegelijkheid tussen de leden. Menselijke categorisatie schijnt niet de regels van het klassieke categorisatie model te volgen. In plaats daarvan werkt het met aannemelijke informatie, in de vorm van prototype of exemplaar theorieën.

    Wat zijn de formele modellen van geheugen? - Chapter 10

    Wat zijn de formele modellen van geheugen? - Chapter 10

    Simpele modellen van geheugen

    Treshold model

    Dit model stelt dat een geheugenspoor een bepaalde activatie met zich meebrengt. Wanneer de activatie de drempelwaarde bereikt, dan zal het item worden herkent als oud. De drempelwaarde is een subjectief vastgesteld criterium door het individu om te evalueren of je iets kent of dat iets nieuw is. Wanneer een persoon iets herkent (dus zegt; dit is oud), terwijl het een nieuw item is, stelt het model dat hij eigenlijk aan het gokken is. Om bij het echte geheugen te komen, moet je voor deze kans corrigeren.

    Generate recognize model

    Dit model stelt dat recall een twee stadium proces is dat uit een genereer component bestaat en uit een bekend/onbekend (recognitie) component. Recognitie is het simpelweg het zeggen dat je iets wel of niet bekend voorkomt en is dus simpeler. Op basis van dit model komt de hypothese naar voren dat wanneer recall beïnvloed wordt, dit ook automatisch geld voor recognitie. Want recall is immers opgebouwd uit het component dat terugkomt bij recognitie. Je kunt, volgens de theorie, dus niet wel scoren op recall, maar niet op recognitie tijdens een test. Uit onderzoek komt echter naar voren dat dit wel in het dagelijks leven gebeurd. Dit wordt de recognition faillure genoemd. Mogelijk wordt dit verklaard doordat de beide vormen verschillende typen retrieval cues gebruiken; recognitie gebruikt het item zelf, recall de cue.

    Netwerk modellen

    Een voorbeeld van een netwerk model is een semantisch netwerk. Een semantisch netwerk bestaat uit knopen die met elkaar verbonden zijn via wegen. Middels gespreide activatie worden geassocieerde links met een concept ook geactiveerd. Een ander voorbeeld van een netwerk model is een associatief netwerk model, zoals het Adaptive Control of Thought netwerk (ACT). De eerste versie hiervan stelde dat activatie van een knoop een alles of niets principe is. De latentietijd voor activatie wordt bepaald door de relatieve sterkte van de link. Maar het bleek dat de semantische afstand weinig te maken had met het moment waarop de facilitatie begon te werken. Zodoende werd het model geupdate, activatie was nu gradueel en het niveau van activatie is afhankelijk van de relatieve sterkte. In het model is sprake van een beperkte capaciteit van hoeveelheid activatie: de bronknoop heeft een bepaalde hoeveelheid activatie welke die moet verdelen over gerelateerde knopen. Hierdoor treedt het fan effect op: hoe meer associaties een concept heeft, hoe langzamer de respons zal zijn. Want er moet meer activatie verdeeld worden.

    Tot slot is het Latent Semantic Analysis (LSA) model ook een voorbeeld van een netwerkmodel. Betekenis wordt bepaald door te kijken naar welke woorden in dezelfde context worden gebruikt. Als twee woorden synoniem van elkaar zijn dan zullen ze in dezelfde context gebruikt worden, maar ze zullen zelden tegelijkertijd voorkomen.

    Global matching models

    Deze modellen stellen dat het totaal van de geheugensporen wordt meegenomen bij de toegankelijkheid van informatie. Een voorbeeld van zo’n model is het SAM model. Herinneringen worden opgeslagen in geheugensporen die verschillende soorten informatie bevatten. Herinneren van informatie vind plaats wanneer een cue overlapt met het geheugenspoor. Hierdoor wordt de geheugenspoor geactiveerd en mogelijk opgehaald. Voor een overzicht van dit model, zie blz 208.

    Paralel gedistribueerde verwerkingsmodellen

    Het zijn connectionistische modellen van neurale netwerken. Dit is een mooi voordeel, omdat het dus gebruik maakt van de structuur van ons zenuwstelsel. Informatie wordt niet opgeslagen in individuele neuronen, maar wordt gerepresenteerd door een bepaald patroon van vuren.

    Dual process theories

    Deze theorieën zien retrival, in tegenstelling tot de andere modellen, als een tweedelig proces. Het bestaat uit een familiarity proces, dat gebruik maakt van signal-detection principes en uit een recollectie proces. Vandaag de dag gaat men er vanuit dat de twee processen gelijktijdig plaatsvinden. Omdat familiarity minder informatie gebruikt is dit proces korter en sneller dan recollectie. Familiarity is een meer onbewust en automatisch proces, terwijl recollectie veel bewuster verloopt en meer effort vraagt. Dubbele dissociaties tonen aan dat het zeker twee aparte processen zijn.

    Hoe werkt het autobiografisch geheugen? - Chapter 11

    Hoe werkt het autobiografisch geheugen? - Chapter 11

    Autobiografisch geheugen bestaat uit het Episodisch en het Semantisch geheugen. Het autobiografisch geheugen is een intergratie van beiden. Omdat dit geheugen complexer is, is de ophaaltijd (retrieval time) hoger. Bij het episodisch en semantisch geheugen is de ophaaltijd 1 à 2 seconden terwijl dit bij het autobiografisch geheugen 2 tot 15 seconden is.

    Er zijn een drietal niveau’s (levels) Autobiografisch geheugen.

    1. Level 1 Het Gebeurtenis niveau Event level - Specifieke individuele gebeurtenissen.

    2. Level 2 Het Algemene niveau General level - Regelmatig voorkomende gebeurtenissen.

    3. Level 3 De levensloop niveau Lifetime level Grote - Op een thema gebaseerde gebeurtenissen.

    • Event-specific memories: Herinneren voor specifieke tijdsperioden over normale activiteiten. Event-specific komen erg overeen met episodische herinneren. Ze bevatten licht, geluid, en informatie over tijd, ruimte en emotie.

    • General-Event Memories: Een opeenvolging van specifieke gebeurtenissen over een grote tijdspanne. Bijvoorbeeld Je eerste werk/schooldag omdat deze is opgebouwd uit verschillende spedifieke gebeurtenissen zoals: de rondleiding, je nieuwe werkplek de mensen in je werkgroep, het lesmateriaal ect.

    • Lifetime Period Memories: Lange tijdsperiode die georganiseerd zijn rondom een thema zoals: kleutertijd, basschool, middelbare school ect.

    Is er bewijsvoering voor bovenstaande niveaus? Uit een aantal onderzoeken is naar voren gekomen dat sommige patiënten geheugen verlies hebben op de ene level maar niet op de andere.

    • Field memories (klingon): Herinneringen die we herbeleven vanuit ons eigen perspectief. Vooral de herinneringen met meer emotie en oude herinneringen

    • Observer memories (vulcan): Het beleven van herinneren vanuit een perspectief buiten onszelf. Dit doen we vaker bij emoties waarbij we beschouwend herinneren vaak ook met minder emotie.

    Dimensie Field memory Observer memory

    • Age of Memory Newer Older
    • Emotionality More Emotional Less Emotional
    • Self-awareness Less self-aware More self-aware

    Schemas: Schemas helpen bij het vormgeven van onze herinneringen. Ons geheugen steunt zwaar op schema’s. Alles wat van schemas afwijkt maakt grote kans om onthouden te worden.

    Schema-Cop-Plus-Tag model: Het geheugen steunt op schema’s hiernaast worden tags gezet op schema incongruente informatie. Bij herinneren haal je de schema’s op plus de tags daardoor ontstaat een complete herinnering.

    Emotie en het autobiografisch geheugen

    Ook bij deze vorm van geheugen vind je een vergeetcurve. Emotie beïnvloed herinneren; over tijd herinneren we ons vaker plezierige dingen, dan onplezierige gebeurtenissen (pollyanna principe). Bij negatieve herinneringen focussen we ons meer op centrale dan perifere zaken waardoor men een tunnel memory ontwikkeld. Bij de invloed van geheugen gaat het meer om de intensiteit van de emotie dan of het positief of negatief is. Vooral geur is sterk gerelateerd aan geheugen, waarschijnlijk door een sterke verbinding met de amygdala.

    Autobiografisch geheugen over tijd

    Infantile Amnesia en de verschillende verklaringen

    De uiterste grens waarbij men zich dingen uit de kindertijd kan herinneren is 1.5 tot 2 jaar maar de meeste kunnen zich niet zaken herinneren die zich voor 2-4 jaar hebben plaatsgevonden. De herinneringen zijn vaak fragmentarisch. Voor die tijd leren we praten en lopen. Dingen die blijkbaar niet nodig zijn om ons te herinneren.

    1. Psychodynamic View: Kinderen willen graag sex met hun ouders, wanneer ze ouder worden zegt de Super ego dat sex met ouders stout is. Om onszelf tegen deze gedachten te schutten verdringt (repressive) het onbewuste al onze herinneringen aan deze tijd. Dit is geen visie die we vandaag de dag nog aanhangen.

    2. Neurological ViewDe Hypcampus speel een grote rol bij herinneringen. De hypocampus ontwikkelt zich pas na de eerste paar jaar. Zodoende kun je de vroege herinneringen niet consolideren en dus niet ophalen.

    3. Schema Organization View: Kinderen moet nog schema’s ontwikkelen. Aan de hand hiervan herinneren ze zich informatie. Na een paar jaar hebben ze voldoende ontwikkelde schema’s. Maar de oude informatie is met primitieve schema’s opgeslagen daarom kunnen ze met een hun schema’s deze verouderde informatie niet meer ophalen.

    4. Language Development View: Herinneringen worden verbaal beter georganiseerd opgeslagen omdat kinderen pas na een paar jaar de taal goed machtig zijn kunnen ze dan pas herinneringen goed georganiseerd opslaan en dus makkelijker ophaalbaar opslaan.

    5. Emergent Self View: Pas geborene hebben nog geen zelfconcept ze kunnen zich nog niet goed henzelf van de omgeving onderscheiden. Wanneer zei eenmaal een goed ontwikkeld zelfconcept hebben, zichzelf van de omgeving kunnen onderscheiden vormt zich een autobiografisch geheugen.

    6. The Multicomponent Development: (Nelson en Fivush, 2004) Er zijn verschilllende componenten die gerijpt moeten zijn voor het autobiografisch geheugen werkt. 1: Het episodisch geheugen, 2: Taal, 3: Verteller vaardigheden, 4: Begrip hoe volwassen denken, 5: Het verloop van tijd, 6: Zelfconcept en zelfbegrip. Conclusie Nelson en Fivush: A-Waargenomen dat infantile amnesia verschilt per cultuur, B-Waargenomen dat bovenstaande per cultuur zich anders ontwikkelt. Beredenering bovenstaande beïnvloed infantile amnesia.

    Reminiscence Bumb en de 3 verklaringen

    Het gros van de herinneringen zijn herinneringen rond het 20ste levensjaar: tussen de 15de en 25ste levensjaar (eerste schooldag, eerste baan, eerste woning, eerste verkering, ect.). mogelijke verklaringen hiervoor zijn;

    1. Cognitive view: Bij het geheugen is sprake van een ‘’general serial postion effect’’ dus alles wat een eerste ervaring is wordt het best onthouden. Tussen de 15de en 25ste levensjaar worden de meeste nieuwe ervaringen opgedaan. Daarom wordt deze periode het beste onthouden.

    2. Neurological view: De hersenen en hieraan gerelateerde cognitieve vermogen is rond deze leeftijd het best ontwikkeld voor de 15de levensjaar ontwikkelen de hersenen zich na de 25 levensjaar sterven ze langzaam af.

    3. Identity Formation view: tussen de 15de en 25ste levensjaar vormen mensen een identiteit, er wordt een mening gevormd over veel zaken. Hierdoor raak alles goed met elkaar verbonden (interconnectivity) en zijn herinneringen aan deze tijdsperiode goed op te halen.

    Flashbulb memories

    Goed bewaarde herinneringen met een berg aan details. Zoals de herinnering aan de aanslag op de WTC op september 2001, de herinnering dat Neil Armstrong in juli 1969 de eerste man op de maan werd of de herinnering aan 16 juli 1998 toen Kweetnie uit de Grote Meneer Cactus Show een potloodje in zijn oor stak en mevrouw Stemband in paniek de set verliet. . Ondanks dat mensen veel vertrouwen in dit soort herinneringen hebben, blijken ze vaak onnauwkeurig.

    Stelling Flashbulb memories zijn speciaal: Flashbulb memories zijn speciaal er is een ‘’NOW PRINT’’ optie in het lange termijn geheugen ingebouwd deze optie wordt geactiveerd wanneer er een speciale gebeurtenis optreed.

    Stelling Flashbulb memories zijn eigenlijk helemaal niet zo speciaal. Flashbulb memories zijn niet speciaal. Flashbulb memories worden onthouden omdat iedereen er eindeloos over praat zoals wij net ook over het WTC 9-11-2001. Daarnaast vervagen flashbulb memories na een tijd en treden er vervormingen op en kunnen ze ook vergeten worden.

    Criteria voor Flashbulb memories: 1:-Novelty, 2: Surprise, 3: Emotional impact, 4: Herhaling, 5: Belangrijk, 6: Mening over het onderwerp en dit bespreken met anderen, 7: Herinnering. Wanneer deze factoren aanwezig zijn vorm zich vaak een flashbulb memory!.

    Hoe zijn geheugen en realiteit met elkaar verbonden? - Chapter 12

    Hoe zijn geheugen en realiteit met elkaar verbonden? - Chapter 12

    Ons geheugen laat ons regelmatig in de steek. Dat we denken dat we het licht uit hebben gedaan, of de deur op slot maar dat dit niet zo blijkt te zijn. Het is belangrijk om te weten wanneer en waarom ons geheugen ons soms in de steek laat, en hoe we dit zoveel mogelijk kunnen voorkomen.

    Source monitoring

    Het in staat zijn tot bijhouden waar herinneringen vandaan komen heet “source monitoring”. Het is belangrijk dat je hierbij weet of iets oud of nieuw is. Voor goede source monitoring hoef je niet geheel bewust te zijn van je herinneringen. Het is ook mogelijk om goede beoordelingen te maken aan de hand van vage of incomplete herinneringen. Voor goede source monitoring moet men informatie over de bron en de inhoud van de herinnering samenvoegen in één memory trace. De belangrijkste hersenstructuur voor het samenvoegen van deze informatie is de hippocampus. De prefrontale kwabben zijn nodig bij het zoeken naar een bepaalde bron en de temporale kwabben zijn nodig voor het daadwerkelijk ophalen van de informatie uit het geheugen. Zoals eerder beschreven is het niet nodig om je geheel bewust te zijn van je herinnering om iets over de bron te kunnen zeggen. Wat wel belangrijk is bij het “vinden” van een geheugen bron is zintuiglijke waarneming, zoals wat je rook of zag op het moment dat de herinnering gemaakt werd. Herinneringen van dingen die je daadwerkelijk hebt meegemaakt hebben hogere zintuiglijke waarneming van herinnering van dingen die je hoorde of die je zijn verteld.

    Context informatie is ook belangrijk bij het vinden van de juiste bron. Je kunt uit de context van je herinnering afleiden hoe en waar je de herinnering hebt opgedaan. Als je op het vliegveld bent en je ziet een vliegtuig neerstorten, dan is de kans groot dat je dat met je eigen ogen gezien hebt. Maar als je in je woonkamer bent is de kans groot dat je het op de tv gezien hebt. Source monitoring is dus voor een deel giswerk. Nog een belangrijk criterium is de hoeveelheid semantisch detail en/of affectieve informatie die aanwezig is bij de herinnering. Met behulp van die informatie kan men conclusies trekken over waar de herinnering vandaan komt. Het laatste criterium voor succesvolle source monitoring zijn cognitieve handelingen. Dit zijn dingen als een mentaal beeld vormen, informatie terug halen uit het lange termijn geheugen, informatie bewerken etc.

    Typen source monitoring

    Er zijn 3 typen source monitoring: Interne source monitoring, externe source monitoring en realiteit monitoring. Tabel 1 geeft weer welk type source monitoring voldoet aan de voorgenoemde criteria.

    Type

    Perceptual

    detail

    Context

    informatie

    Semantisch

    detail

    Affectieve

    informatie

    Cognitieve

    handelingen

    Interne

    -

    X

    -

    -

    X

    Externe

    X

    X

    X

    X

    -

    Realiteit

    X

    X

    X

    X

    X

    • Interne source monitoring: houdt in onderscheid maken tussen iets waar je alleen aan gedacht hebt om te doen en iets dat je daadwerkelijk gedaan hebt. Bijvoorbeeld: heb ik nou wel of niet de deur op slot gedraaid voor ik op vakantie ging?

    • Externe source monitoring: houdt in dat je onderscheid moet maken tussen twee externe bronnen, zoals wie van de twee vertelde je ook al weer dat ene verhaal? Of: heb je dat in de krant of in een tijdschrift gelezen?

    • Realiteits monitoring: is onderscheid maken tussen gedachten van dingen die je verzonnen hebt en dingen die echt gebeurd zijn. Bijvoorbeeld: Heb je nou daadwerkelijk gebroken glas gezien bij dat ongeluk of heb je er over horen praten?

    Source monitoring errors

    Het kan voorkomen dat mensen source monitoring fouten maken en daardoor denken at gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden wel hebben plaatsgevonden. Dit kan komen door bijvoorbeeld een bepaalde (niet echt gebeurde) herinnering op te halen, waardoor het steeds onduidelijker wordt of deze nou wel of niet echt is. Het kan ook andersom: dat mensen alleen denken dat ze ergens aan gedacht hebben terwijl ze het ook gedaan hebben (heb ik dat nou wel gezegd, of alleen maar gedacht?) Of je haalt bronnen door elkaar, bijvoorbeeld denken dat je iets in een boek gelezen hebt terwijl je het op tv gezien hebt.

    Keuzes die we maken kunnen onze herinneringen verdraaien. We hebben de neiging om onze keuzes meer positieve kenmerken te geven dan in werkelijkheid het geval is.

    Source cueing

    Informatie over de bron van je herinnering is niet alleen belangrijk om de herkomst van je herinnering te bepalen. Het kan ook erg handig zijn om de informatie zelf naar boven te halen. De bron van je informatie gebruiken om de informatie te herinneren heet source cueing. De bron is dus de “cue” om je de informatie weer te laten herinneren.

    Cryptomnesie

    Is onbewust plagiaat plegen. Een idee naar voren dragen omdat je denkt dat jij dat bedacht hebt, maar je het eigenlijk onbewust ergens hebt gehoord en opgeslagen. Cryptomensie is zeer waarschijnlijk een realiteits monitoring fout. Doordat je op het moment dat je de herinnering aanmaakt niet genoeg bewuste aandacht aan besteed denk je later dat het je eigen idee is. Een andere oorzaak kan zijn dat je een ouder idee verbeterd, je doet aan elaboratie en daardoor voelt het ook als van jou zelf. Het uitvoeren van cognitieve operaties kunnen er dus ook voor zorgen dat je denkt dat het je eigen idee is.

    False fame effect

    Denken dat iets of iemand belangrijker of beroemder is dan hij/zij/het in werkelijkheid is. Dit komt omdat de naam erg bekend is voor jou, en je die naam vaak hoort. Dit is gerelateerd aan het “mere exposure effect” in dat hoe vaker we iets zien hoe positiever we iets vinden.

    Sleeper effect

    Is wanneer men in eerste instantie niet veel aandacht en betekenis aan een bepaalde bron van informatie toekent. Na een bepaalde tijd (dit kunnen uren, dagen weken etc zijn) gaan mensen er steeds meer belangrijkheid en betekenis aan hechten, en zo kan informatie die eerst als onbelangrijk of onwaar werd gezien ineens als heel waar en heel belangrijk gezien worden, alleen maar door het verstrijken van de tijd. Dit gebeurd wanneer de informatie op de een of andere manier wordt losgekoppeld van de bron.

    False memories

    Een veel bestudeerd fenomeen in het geheugen zijn de valse herinneringen. Dit zijn “herinneringen” aan gebeurtenissen die helemaal nooit hebben plaatsgevonden. valse herinneringen kunnen een groot probleem vormen als we alleen maar op ons geheugen af kunnen gaan, zoals bij ooggetuigen. Als zij zich iets herinneren dat helemaal nooit gebeurd is kan dat serieuze gevolgen hebben.

    Deese-Roediger-McDermott paradigm

    Een simpele manier om false memories te creëren is via een “list learning paradigm”. Hier laat je mensen een woordenlijst leren met allemaal woorden uit een categorie, zoals slapen. Als je daarna aan mensen vraagt om de lijst te herhalen, zijn ze vaak (logischerwijs) een aantal woorden vergeten, maar opvallend is dat mensen er woorden bij stoppen de helemaal niet in die lijst zaten. Dit zijn vaak woorden die veel te maken hebben met de categorie van de lijst. Mensen gaan dus dingen toevoegen aan hun geheugen waarvan ze denken dat die er moeten zijn. Mensen blijken deze woorden ook nog eens beter te onthouden dan de woorden die echt op de lijst stonden. De productie van een false memory voor zo’n woord kan worden beïnvloedt door een groot aantal factoren. Één van die factoren in inhibitie. Twee geheugenprocessen die gebruik maken van inhibitie zijn “directed forgetting” en “part-list cueing”. Als men aangemoedigd wordt om een lijst met woorden te vergeten die erg snel een false memory uitlokken, dan worden er juist sneller false memories aangemaakt. Schijnbaar zorgt de instrucie om een lijst te vergeten ook de herinnering aan die lijst, waardoor steeds meer false memories worden aangemaakt. Aan de andere kant, als je iemand een aantal woorden uit de originele lijst geeft, worden mensen gecued naar de originele lijst en worden er significant minder false memories aangemaakt. Een sterke emotionele lading bij woorden kan false memories ook tegengaan. False memories worden ook sneller aangemaakt wanneer we iemand over een bepaalde gebeurtenis horen praten. We zullen dan sneller zeggen dat we dat ook meegemaakt of gezien hebben.

    False memories from integration

    Nog een manier waarop mensen zich kunnen vergissen is wanneer twee gebeurtenissen op andere tijdstippen worden samengevoegd tot één herinnering. Bransford en Franks hebben hier onderzoek naar gedaan. Ze lieten proefpersonen een aantal zinnen lezen die allemaal met elkaar te maken hadden. Sommige zinnen hadden maar één verwijzing, en andere zinnen hadden er 4. Hoe meer verwijzingen de zin had, des te sneller gaven mensen aan de zin te herkennen, ook als ze deze helemaal niet gezien of gehoord hadden.

    Implanted memories

    In het voorgaande stukje verzonnen mensen zelf informatie, die er helemaal nooit is geweest. Het is echter ook mogelijk om “herinneringen” in iemands hoofd te planten. Bijvoorbeeld een moeder die haar kind keer op keer vraagt of ze zich niet kan herinneren dat ze op haar achtste haar moeder in de supermarkt was kwijtgeraakt. Na een tijdje kan de dochter dit gaan geloven. Ook dingen die je leest of hoort kun je gaan geloven/denken dat jij dat ook hebt gezien. False memories komen dus niet alleen voor bij woordlijsten maar ook bij autobiografische herinneringen. De false memory moet wel op de één of andere manier passen in je verleden. Door mensen false memories te laten visualiseren en er echt een beeld van te vormen is de kans groot dat deze onwaarheden als echt gebeurd worden gezien. Dit heet Imagination inflationDoor er beelden bij te bedenken wordt het allemaal echter en kun je na verloop van tijd geen onderscheid meer maken tussen wat echt en onecht is.

    Hypnosis and memory

    Hypnose is een bestaande en erkende mentale staat. Mensen onder hypnose zijn ontvankelijker voor suggesties van de hypnotiseur. De één is meer vatbaar voor hypnose dan anderen. Sommige mensen kunnen helemaal niet gehypnotiseerd worden terwijl anderen onder hypnose dingen kunnen zien voelen ruiken of horen.

    Hypnose wordt gebruikt door sommige therapeuten om herinnering boven te laten komen die je misschien verdrukt hebt. Ook wordt wel gezegd dat je door middel van hypnose je meer kunt herinneren. Dit is echter niet het geval. Er zijn verschillende studies gedaan naar de hoeveelheid informatie die een persoon nog weet van een bepaalde taak, onder invloed van hypnose en niet onder invloed. Er was gen verschil. Bovendien is het waarschijnlijker dat men onder hypnose false memories geeft. Het verhaal van de patiënt is dan helemaal nooit gebeurd. Dit kan ernstige gevolgen hebben. Denk aan het verhaal van een meisje dat onder hypnose (en invloed van de therapeute) aangaf dat ze in haar jeugd door haar vader was misbruikt. Vader werd opgepakt maar bleek na jaren toch onschuldig te zijn. Het enige voordeel dat hypnose tot nu toe heeft is dat het ernstig gestreste mensen kan kalmeren, maar daar zijn ook andere, veiligere methodes voor.

    False memories bij normaal geheugen gebruik

    Als we over dingen praten die we gezien hebben, kan deze verbalisatie leiden tot verandering van de herinnering. Dit heet verbal overshadowing. Wat er dan gebeurd is dat we, wanneer we iets verbaliseren, ook een verbale herinnering opslaan van de gebeurtenis. Omdat verbaal geheugen anders is dan visueel geheugen, kan ons verbaal geheugen ons visueel geheugen veranderen. Dit is een onderdeel van de fuzzy-trace theorieën. Belangrijk is wel dat verbal overshadowing niet gebeurd wanneer men een omschrijving van de gebeurtenis leest. Verbal overshadowing komt alleen voor wanneer de persoon de verbalisatie zelf genereert.

    Wanneer er interactie is met de wereld om ons heen , is niet alle informatie meteen duidelijk. Het wordt geledelijk bekend gemaakt, met het verstrijken van de tijd. In deze tijd zijn we bezig met uitzoeken waar we mee te maken hebben. Als gevolg van deze “onthullingen” zijn mensen eerder geneigd om oude informatie als oud te erkennen, maar ook om nieuwe informatie foutief als oud te herkennen. Dit heet het revelation effect.Het revelation effect komt alleen voor wanneer denkt dat ze een oude gebeurtenis herinneren. Het komt niet voor wanneer men weet dat die gebeurtenis niet heeft plaatsgevonden of wanneer men enkel semantische herinneringen ophaalt. Het is zeer waarschijnlijk een soort bij-effect van herkenning. Hoe verder mensen in het revelation proces zitten hoe bekender alles ze voorkomt en hoe eerder ze geneigd zijn om de informatie als oud te herkennen.

    Hoe speelt geheugen een rol in het juridisch systeem? - Chapter 13

    Hoe speelt geheugen een rol in het juridisch systeem? - Chapter 13

    Leren over geheugen is niet alleen belangrijk voor je studie, maar ook op juridisch vlak is het van groot belang. Wanneer na een misdaad af wordt gegaan op het geheugen van ooggetuigen wil je wel dat dit geheugen nauwkeurig is, zodat de eventuele consequenties gepast zijn. Maar zoals je eerder hebt kunnen lezen blijkt het geheugen van de mens, hoe hard we ons best ook doen, niet feilloos te zijn. De fouten in de herinneringen die mensen rapporteren kunnen zodoende vergaande gevolgen hebben; er wordt bijvoorbeeld iemand gestraft voor iets wat hij of zij niet gedaan heeft. Dit hoofdstuk zal 5 facetten bespreken waarbij geheugen een rol speelt in ons juridisch systeem.

    Ooggetuigen verklaringen

    Bij een ongeval of misdaad zijn ooggetuigen vaak een belangrijke bron van informatie. In sommige zaken is een ooggetuigen verklaring zelfs het belangrijkste bewijs en dus is nauwkeurigheid en stabiliteit van de verklaring een belangrijke zaak. Sommige ooggetuigen geven express foutieve informatie, maar ook ooggetuigen die het wel goed willen doen kunnen foutieve informatie geven. Er zijn namelijk een aantal factoren die de herinnering kunnen beïnvloeden.

    Het wording effect

    Dit effect verwijst naar de invloed die verwoording van vragen heeft op het geheugen. Mensen reconstrueren namelijk hun geheugen op basis van vragen die gesteld zijn. Loftus en Palmer (1974) varieerden in hun onderzoek de vraag die zij aan de proefpersonen stelden na het zien van een auto ongeluk: How fast were the cars going when they smashed/collided/hit each other? De schatting die de proefpersonen gaven was afhankelijk van de verwoording van de vraag.

    De onderzoekers vroegen ook of de proefpersonen gebroken glas hadden gezien. In werkelijkheid was er nooit gebroken glas te zien, maar naarmate de verwoording over de botsing heftiger werd rapporteerden mensen ook vaker gebroken glas gezien te hebben. Deze resultaten laten dus zien dat verwoording onze herinneringen beinvloedt, wat grote gevolgen zou kunnen hebben voor ooggetuigen verklaringen.

    Misleidende informatie achteraf

    Het achteraf geven van misleidende informatie blijkt ons geheugen ook te kunnen verstoren. Dit wordt misleading postevent information genoemd. De misleidende informatie wordt opgeslagen met de echte herinnering, waardoor tijdens het ophalen je het verschil niet meer weet. Een veel gebruikte methode die werd gebruikt is de volgende: mensen kijken naar een ongeluk of misdaad op video. Vervolgens worden er vragen aan de proefpersoon gesteld, in de ene conditie worden vragen gesteld die niet kloppen met de video (inconsistent) en in de andere conditie worden vragen gesteld die overeenkomen met de video (consistent). De vraag die gesteld wordt en verwijst naar iets dat niet op de video te zien was (inconsistent) geeft misleidende informatie. Het geheugen blijkt dan het slechtst en dit effect wordt groter als de tijd tussen het zien van de video en het stellen van de vraag stijgt.

    Er zijn drie theorieën die dit effect proberen te verklaren:

    1. Memory replacement theory: deze theorie stelt dat de misleidende informatie de oude informatie overschrijft of vervangt, waardoor deze oude informatie verloren gaat en je je dus alleen de misleidende informatie nog herinnert.

    2. Memory coexistence theory: deze theorie stelt dat beide soorten informatie (oud en misleidend) in het geheugen aanwezig zijn. Maar omdat de misleidende informatie meer recent is zal deze beter herinnert worden. Wanneer mensen weten dat er misleidende informatie gegeven kan zijn kunnen zij zich hiervoor weren, waardoor de prestatie op een geheugentaak verbetert.

    3. Source monitoring theory: (zie ook Hoe zijn geheugen en realiteit met elkaar verbonden? - Chapter 12). Deze theorie stelt dat mensen zich niet meer herinneren wat de bron van de informatie was. Hoe meer de misleidende en goede informatie met elkaar overeenkomen, hoe sneller deze fout op zal treden.

    Dat mensen geconfronteerd worden met misleidende informatie betekent niet direct dat het geheugen beinvloed wordt; de bron van de informatie speelt een rol. Als de persoon denkt dat de (misleidende) informatie van een bijstander was, dan zal deze informatie meer invloed hebben dan als de informatie van de persoon uit het autowrak kwam. Tevens kwam uit onderzoek naar voren dat mensen die dachten alcohol gedronken te hebben meer fouten maken, maar dat ze tegelijkertijd ook rapporteren meer zeker te zijn van hun antwoorden.

    Invloed van arousal

    Je kunt je waarschijnlijk wel voorstellen dat als je ooggetuigen bent van een ongeval of misdaad dit veel emoties oproept, het is immers geen alledaagse situatie. Emotie beïnvloedt geheugen.

    Volgens de Yerkes-Dodson wet is arousal een continuüm, waarbij de prestatie van het geheugen een omgekeerde u-vorm aanneemt. Dit houdt in dat prestatie het beste is bij een gemiddeld niveau van arousal. Bij een laag niveau van arousal wordt informatie niet echt goed geencodeerd; denk maar aan een studeer poging terwijl je heel erg moe bent. Bij een extreem hoog niveau is het geheugen ook slecht; denk maar aan een studeer poging terwijl je erna voor het eerst een date hebt. De theorie stelt daarmee dat het geheugen van het slachtoffer slechter zal zijn, dan het geheugen van een bijstander.

    Volgens de Easterbrook hypothese stelt dat de mogelijkheid om je details te herinneringen bij verschillende niveaus van arousal afhangt van het type detail dat je je moet herinneren. Bij een hoog niveau van arousal zal het geheugen voor perifere details slecht zijn, maar voor centrale details erg goed. De aandacht is namelijk meer geconcentreerd (cue utilization).

    Een goed voorbeeld van de invloed van emotionele intensiteit is de weapon focus. Dit effect beschrijft dat het geheugen voor een wapen toeneemt, terwijl geheugen voor andere details afneemt. Want wanneer mensen kijken naar plaatjes waarin iemand een wapen laat zien, dan kijken ze er langer en vaker naar dan als de persoon een neutraal object vasthoudt. Het wapen wordt goed onthouden, maar een belangrijker detail zoals gezicht wordt slechter onthouden.

    Het vertrouwen van de ooggetuigen

    Intuïtief zou je zeggen dat als een ooggetuigen meer zeker is van de verklaring die hij of zij heeft gegeven, ook de nauwkeurigheid van de informatie zal stijgen. Maar zoals je ook kunt lezen in hfst 14, is ons metageheugen lang niet nauwkeurig. Zodoende is het mogelijk dat iemand vrij zeker is van zijn of haar verklaring, terwijl deze toch onnauwkeurig is. Informatie die de ooggetuigen krijgt na het geven van de verklaring beïnvloedt ook het vertrouwen. Je kunt hierbij denken aan positieve of negatieve feedback, horen dat iemand anders dezelfde/andere dader uitkoos en het aantal keer dat een vraag gesteld wordt. Hoe vaker iemand naar hetzelfde gevraagd wordt, hoe meer het zelfvertrouwen met betrekking tot de verklaring stijgt.

    Cognitief interview

    Het cognitief interview is een methode die probeert om de nauwkeurigheid van het geheugen te verbeteren. Deze techniek gebruikt de basis principes van geheugen om correcte informatie te maximaliseren en incorrecte informatie te minimaliseren. Er wordt van verschillende principes gebruikt gemaakt:

    • Encoding specificity en mood-dependent learning: zorgen dat de interne en externe context overeenkomen met de leercontext (zien ongeval of misdaad) zodat herinneren verbeterd. Dit kun je doen door mensen te vragen om in gedachten terug te gaan naar de gebeurtenis.

    • De ooggetuigen worden ook gevraagd om informatie te geven die in hun ogen misschien onvolledig of onbelangrijk lijkt. Zo kan het zijn dat iemand de naam van de dader zich niet herinnert, maar wel het aantal lettergrepen dat de naam had, of een aantal letters.

    • Retrieval paden; er zijn verschillende paden die bereikt kunnen worden met verschillende methoden. Je kunt vertellen in verschillende volgorden van tijd bijvoorbeeld. Door gebruik te maken van verschillende methoden zal er overall meer herinnert worden.

    • Ondervragers zullen zo min mogelijk onderbreken omdat het natuurlijke retrieval plan dan verstoord wordt

    Ooggetuigen identificatie

    Soms worden ooggetuigen gevraagd om de dader te identificeren. Vergeten of slecht herinneren kan hier tot twee ongewenste uitkomsten leiden, namelijk het aanwijzen van een onschuldige, of het niet herkennen van de dader.

    Een standaard methode die gebruikt wordt bij identificatie is mugshot, hierbij wordt een serie foto’s laten zien waarbij de ooggetuigen kiest wie hij of zij denkt dat de dader is. Het kan gebeuren dat de ooggetuige de verkeerde persoon aanwijst. Dit kan later interfereren met het proberen te herinneren van het gezicht van de daadwerkelijke dader. Het kan ook gebeuren dat iemand later een mugshot gezicht identificeerd als de dader, omdat de persoon deze al gezien heeft. Het geeft een hoger gevoel van familiarity.

    Bij lineups staan er een aantal mensen in een rij, waarbij de ooggetuige de dader uit moet kiezen. Hierbij kan het relative judgement principle zich voordoen; mensen kiezen niet de dader, maar iemand die in vergelijking met de rest van de mensen uit de rij het meest op de dader lijkt.

    Identificatie op basis van line up wordt door een aantal factoren beinvloedt:

    • Line up similarity; fysieke gelijkheid met de dader maakt het kiezen lastiger als veel mensen uit de rij er mee overeenkomen, maar makkelijker als ze niet op elkaar lijken

    • Instructies die de ooggetuige krijgt; als wordt gezegd dat de dader er mogelijk niet bij zit zal de ooggetuigen minder snel iemand aanwijzen om maar een dader te selecteren

    • Presentatie van de line up; je kunt de potentiele daders allemaal tegelijk zien of ee voor een langs laten komen. Deze laatste vorm is beter.

    Jury

    In Nederland wordt hier geen gebruik van gemaakt, maar in Amerika wel. Er zijn twee manieren waarop het oordeel van de jury beïnvloed kan worden.

    1. Volgorde van de informatie

    2. Ontoelaatbaar bewijs

    Volgorde van informatie

    Je kunt een step-by-step proces hanteren, waarbij mensen een besluit maken na elk stukje informatie dat ze hebben gekregen. Mensen laten hierbij een recency effect zien. Het besluit wordt vooral beinvloedt door de informatie die ze als laatste hebben gekregen. Een andere manier is dat mensen een besluit maken nadat alle informatie is gegeven. Als hierbij achtergrond informatie gegeven wordt dan zie je een recency effect, maar wordt dit niet gegeven dan zie je een primacy effect.

    Ontoelaatbaar bewijs

    De jury zou het bewijs kunnen negeren, dit zou je kunnen zien als een directed forgetting instructie (zie Metageheugen). Uit onderzoek is gebleken dat mensen zich de ontoelaatbare informatie na de instructie slechter herinneren, maar dat ze indirect er toch beïnvloed door worden, bijvoorbeeld als ze een oordeel moeten geven over de dader.

    Wat is de functie van het metageheugen? - Chapter 14

    Wat is de functie van het metageheugen? - Chapter 14

    Theorieën over metageheugen

    Schwartz (1994): Er zijn 2 typen informatie die gebruikt worden om beslissingen te nemen:

    1. Target-based sources = Information from the memory trace about which the judgment is made. In het metageheugen is dit vooral belangrijk bij beslissingen maken met betrekking tot leren.

    2. Cue-based sources = Information that is gleaned from a memory cue, such as a question, rather than target information.

    Beslissingen uit het metageheugen zijn beter als de familiariteit met de cue informatie groter is.

    Drie algemene theorieën over metageheugen:

    1. Cue Familiarity Hypothesis

    2. Accessibility Hypothesis

    3. Competition Hypothesis

    Cue Familiarity Hypothesis (Metcalf 2000; Reder, 1987)

    Volgens de Cue Familiarity Hypothesis worden beslissingen uit het metageheugen gebaseerd op de familiariteit met de informatie uit het geheugen cue.

    Hoe meer familiair de cue informatie is, hoe groter de kans dat de mensen oordelen dat de kennis in hun geheugen aanwezig is.

    Accessibility Hypothesis (Koriat 1993; 1995)

    Mensen kunnen gevolgtrekkingen maken door middel van wat er in het geheugen aanwezig is of door middel van het terughalen van delen van de relevante kennis.

    Er zijn 2 bronnen van informatie:

    1. De hoeveelheid aan informatie die is geactiveerd bij het maken van een beslissing. Hoe meer informatie geactiveerd is hoe groter de kans op aanwezigheid van de kennis in het geheugen.

    2. De intensiteit van de geactiveerde geheugensporen

    Hoe sterker de informatie wordt teruggevonden, hoe waarschijnlijker het is dat de kennis aanwezig is in het geheugen.

    Competition Hypothesis (Schreiber, 1998; Schreiber and Nelson, 1998)

    Deze theorie stelt dat beslissingen over metageheugen beïnvloed worden door het aantal geheugenspoor-kandidaten bij het ophalen van de herinnering. Hoe meer kandidaten er zijn, hoe meer competitie er dus is en hoe lastiger het ophalen van de metaherinnering is.

    Weten wat je weet

    De term Judgements of learning (JOLs) beschrijft het oordeel dat we geven over hoe goed men denkt bepaalde informatie geleerd te hebben. Uit onderzoek komt naar voren dat JOL’s zowel een goede als een slechte weergave is van hoeveel er daadwerkelijk geleerd is. Hoe is dat mogelijk?

    Er zijn twee mogelijke hypothesen die hier betrekking op hebben.

    1. De Inability hypothesis, deze hypothese stelt dat JOLs slecht zijn omdat men zich maar weinig bewust is van eigen mentale processen..

    2. The monitoring-retrieval hypothesis stelt dat JOLs slecht zijn omdat mensen beoordelen of ze informatie kunnen terughalen en rapporteren dit. Wanneer JOLs wordt gemaakt vlak na de confrontatie met de informatie dan bevindt de informatie zich nog steeds in het werkgeheugen. Zodoende kun je je de informatie nog goed herinneren en zal je dus een positief oordeel geven. Je hebt de informatie goed geleerd.

    De monitoring-retrieval hypothese kan goed verklaren waarom er een lage overeenkomst is tussen JOL’s direct na het leren en het geheugen later op een test.

    Hoe worden JOL’s beinvloed?

    JOL’s zou door drie soorten cues beinvloedt kunnen worden:

    • Extrinsic cues; informatie die aspecten van een leer omgeving bevatten. Maar het blijkt dat JOLs niet worden beïnvloed door extrinsieke cues.

    • Intrinsic cues; bevatten aspecten van informatie die geleerd zijn d.m.v. studeren (dus aspecten van het leermateriaal). JOLS worden wel beïnvloed door intrinsieke cues. Dit staat in lijn met de familiarity hypothesis.

    • Mnemonic cues; op geheugen gebaseerde bronnen van informatie. Dit zijn beoordelingen gebaseerd op eerdere prestaties wat betreft beslissingen (judgements). Dus hoe goed deed ik het de vorige keer?

    Gedurende de tijd, wanneer mensen doorgaan met het maken van JOLs, stapt men over van het gebruik van intrinsic cues naar het gebruik van mnemonic cues. Dit staat in lijn met de accesibility hypothesis.

    Het maken van JOLs wordt slechter wanneer er een competitie optreedt tussen geheugen traces. Dit staat in lijn met de competition hypothesis.

    Allocatie van studietijd

    Ook allocatie van studietijd kan een oordeel van leren zijn. Hierbij kom je het Labor-in-vain effect tegen. Hierbij wordt het verdelen van de studietijd gebaseerd op hoe gemakkelijk iets te leren valt. Hierdoor zie je vaak dat er weinig tijd wordt ingepland voor makkelijke items en meer tijd in moeilijke items word gestopt (massed practice). Doordat bepaalde items zo moeilijk zijn ontstaan er problemen om iets nieuws te leren. De meeste tijd wordt gestopt in het leren van dingen die nog ver weg staan van wat er uiteindelijk geleerd moet worden. Hierdoor ontstaat er een kleine groei in kennis.

    The region of proximal learning = Er wordt meer tijd gestopt in het leren van items dat net iets boven hun eigenlijke niveau ligt. Er wordt gefocust op items die hen naar het volgende niveau kan brengen.

    Feeling of knowing (FOK judgements)

    FOK judgements = het verschil in het gevoel van vergeten:

    • Soms weet je iets niet en voelt het of je er nooit eerder van gehoord hebt.

    • Soms weet je het antwoord niet maar je voelt dat het wel ergens in je geheugen zit. En als je het zou zien of horen dan zou je in staat zijn om het te kunnen identificeren.

    FOK judgements komen vaak goed overeen met toekomstig geheugen (prestatie later op een test). Volgens de cue familiarity hypothese zijn FOK judgements gebaseerd op de familiarity van de vragen. Dit werd getoetst met de game show methode; mensen krijgen een vraag die ze gelijk moeten beantwoorden of ze moeten aangeven dat ze het antwoord weten. Deze techniek onthult dat mensen weten of de informatie aanwezig is, voordat ze het daadwerkelijk ophalen (antwoord geven op de vraag). De snelheid van drukken blijkt gerelateerd te zijn aan de mate van familiarity, niet wat er echt in het geheugen opgeslagen is. Ook hier vind je een revelation effect

    Tip-of-the-Tongue State (TOT)

    TOT State = wanneer mensen er niet in slagen om informatie op te roepen maar voelen dat de informatie op het puntje van hun tong ligt. (Het bijna kunnen terughalen)

    Eigenschappen van TOT

    1. Gemiddeld vindt het 1x per week plaats

    2. Vaak is er wat informatie aanwezig (je kan zelfs woorden noemen die er bijvoorbeeld op lijken zoals in betekenis of geluid)

    3. Vaak is het vinden van een zelfstandig naamwoord het probleem

    4. Er kan sprake zijn van dat je de eerste letter en laatste letter kan herinneren van het woord

    5. Het voorkomen van TOT states zijn niet gerelateerd aan het gevoel van stress of angst.

    Theorieën over TOT

    De Incomplete action view = Een TOT state ontstaat wanneer een zoekopdracht niet nauw genoeg is gespecificeerd. Er zijn teveel opties die overblijven en dat maakt selectie erg lastig. Een andere theorie bij TOT is de Blocking view = Een TOT state vindt plaats wanneer gerelateerde maar onjuiste competitors meer zijn geactiveerd en het vrijkomen van juiste informatie blokkeren. Hierdoor ontstaat er een vicieuze cirkel (mensen halen steeds de foute informatie op, doordat de foute informatie recentelijk is geactiveerd bestaat er een grotere kans dat die foute informatie weer opnieuw opgehaald wordt).

    Weten dat je iets niet weet

    “Don’t know” judgements worden net zo snel gemaakt, al niet sneller, als judgements die qua kennis accuraat zijn in het geheugen. Dit is consistent met de cue familiarity hypothese.

    Studie van Glucksberg en McCloskey (1981): “Don’t know” responsies zijn sneller wanneer er geen relevante informatie in het geheugen zit. “Don’t know” responsies worden verhinderd wanneer er zich relevante informatie in het geheugen bevindt (zelfs wanneer deze kennis is dat deze informatie onbekend is).

    Accessibility hypothesis>> Wanneer gestelde vragen over dingen gaan die mensen niet in hun geheugen hebben, als de informatie distinctief is, zal het geen contact maken met veel geheugen traces.

    Geheugen fenomenologie

    Remember-know judgements;

    “Remember” experience = Als er een bewuste herinnering is aan de omstandigheden waarin de informatie is geleerd.

    “Know” experience = Als er geen bewuste herinnering is aan de omstandigheden waar de informatie is opgedaan. Een gevoel van familiariteit.

    Verschil tussen “Remember” and “Know”

    Er bestaat een dubbele dissociatie tussen deze twee responsies. Dit betekent dat dingen die het ene type respons beïnvloeden niet het andere type respons beïnvloeden en vice versa. Het zijn 2 verschillende systemen.

    Factoren die ‘remember beïnvloeden, maar niet ‘know’

    “Remember responsen” worden beïnvloed door: diepte van verwerking, generation effects, de frequentie waarin zich iets voordoet, verdeelde aandacht tijdens het leermoment, het retentieinterval, iets hardop lezen of in, intentioneel vs. Incidenteel leren en de seriële positie.

    Factoren die ‘know’ beinvloeden, maar niet ‘remember’

    “Know” responses worden beïnvloed door: reptition priming, de modaliteit van de stimulus, de mate waarin iets herhaald wordt, en onderdrukking (supressie) van aandacht

    Factoren die ‘remember’ en ‘know’ in tegengestelde manier beïnvloeden

    Voorbeelden waarin “remember” en “know” allebei beïnvloed worden maar in tegengestelde richting. Zoals “remember” responsie neemt toe en “know” responsie neemt af: geheugen voor niet bestaande woorden, verspreid oefenen vs stampen, graduele vs abrupt presentatie en leren op een manier die gelijkheid of verschillen benadrukt.

    Implicaties voor het onderscheid tussen ‘remember’ en ‘know’ gevoel

    • “Remember” responses corresponderen met knowledge-based, conceptually driven processing

    • “Know” responses corresponderen met perceptually-based, data-driven processing

    Neurologische evidentie:

    • Pariëtaal kwab is meer actief bij “remember”

    • Remember reponses worden geassocieerd met grotere EEG activiteit

    Experts zijn in staat om meer tijd te besteden aan het maken van inferenties en het uitweiden naar geheugen traces die ze aangemaakt hebben (op een bepaalde vakgebied) waardoor het waarschijnlijker is dat zij het gevoel van “remember” ervaren i.p.v. “know”. Er zijn geen verschillen op recognitie testen.

    Hindsight bias

    Hindsight bias = Mensen hebben de neiging tot het denken dat gebeurtenissen meer deterministisch* zijn nadat de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden dan daarvoor. Mensen herinneren zich foutief hun mentale staat op een moment in het verleden, en dit blijkt meer overeen te komen met hun huidige mentale staat. Dit komt omdat je je huidige status wilt verzoenen met het verleden. Een variant hiervan is het knew-it-all-along effect (zie hieronder)

    *Determinisme = De veronderstelling dat alles wat je doet of wat er met je gebeurt worden veroorzaakt door dingen waar jij geen controle over hebt.

    The knew-it-all-along Effect

    The knew it all along Effect = Het is moeilijk om te herinneren hoe het was toen we een bepaald iets nog niet wisten.

    Bijvoorbeeld: leraren die bepaalde stof niet goed kunnen uitleggen aan studenten omdat ze moeite hebben met het herinneren hoe het was om deze stof voor de eerste keer te leren. Ze gaan dan heel snel over dingen heen, die wij als studenten nog erg lastig vinden (bijvoorbeeld het SAM-model), omdat het voor hen appeltje eitje is nadat ze het hebben geleerd en begrepen.

    Remembering Forgetting

    Mensen zijn meer accuraat in het herinneren van hun eerdere succes in het benoemen van eerdere herinneringen en minder accuraat in het herinneren van eerdere gevallen van vergeten. (Joslyn, Loftus et al., 2001).

    Er is een vooroordeel in het metageheugen wat betreft het denken dat we een beter geheugen hebben dan we uiteindelijk hebben.

    Prospectief geheugen

    • Prospectief geheugen = het herinneren van dingen die gedaan moeten worden in de toekomst. Een voorbeeld hiervan is dat je , je herinnert dat je je oma vanavond nog wilt bellen om haar te feliciteren voor haar verjaardag. Prospectief geheugen valt onder metageheugen omdat je bewust moet zijn van je eigen geheugen om te weten wanneer een bepaalde actie uitgevoerd moet worden in de toekomst.

    • Retrospective memory = het herinneren van informatie dat in het verleden is aangeleerd.

    Componenten van het prospectieve geheugen

    Prospectief geheugen bestaat uit verschillende componenten, hierbij komt monitoring van de omgeving voor een cue om de hoek kijken:

    • Herinneren wat je moet doen

    • Ophalen van wat je moet doen

    • Het daadwerkelijk uitvoeren

    Omdat deze stappen een bepaalde mate van bewustzijn vragen zijn we ons meer bewust van het prospectieve geheugen, dan van retrospectief geheugen.

    Prospectief geheugen hangt af van retrospectief geheugen, niet vice versa.

    Typen prospectief geheugen

    1. Event-based prospective memory (vindt plaats wanneer mensen moeten herinneren om iets te doen wanneer een bepaalde gebeurtenis plaatsvindt.)

    2. Time-based prospective memory (vindt plaats wanneer mensen moeten herinneren iets te doen op een bepaalde tijd of na een bepaald tijdsinterval)

    Verschil event-based prospective memory met retrospective memory is dat mensen minder snel fouten maken in prospective memory naarmate een grotere vertraging of een vertraging met multipele activiteiten.

    Met time-based prospective memory worden er meer fouten gemaakt als de taken herhalend zijn. Zoals het elke dag innemen van een bepaald medicijn.

    Directed forgetting

    Dit houdt in dat je iets wilt wissen uit je geheugen. In onderzoek zou je dit bijvoorbeeld willen zodat er geen proactieve interferentie is bij het leren van een oude en nieuwe lijst. Je inhibeert dan irrelevante geheugensporen. Het blijkt dat directed forgetten niet of minder gebeurd als de informatie semantisch gerelateerd is, nodig is in de toekomst, of overeenkomt met iemand zijn of haar eigen ideeën. Directed forgetting vraag veel van ons vermogen, wanneer je een afleidingstaak krijgt dan wordt het proces van directed forgetting verstoord.

    De neurologische basis van metageheugen

    Frontale kwabben zijn belangrijk in metageheugen oordelen.

    Mnemonics

    Mnemonics zijn mentale of fysieke middelen om mensen iets te helpen herinneren.

    Hiervoor zijn verschillende methoden;

    • Peg-word; je gebruikt een bekende sequentie om dingen aan ‘op te hangen’

    • Method of loci; je stelt je een locatie voor en plaatst daar de dingen in die je moet onthouden. Je kunt je bijvoorbeeld de huiskamer inbeelden. Vervolgens plaats je de objecten of dingen die je moet onthouden in de ingebeelde huiskamer (olifant op de bank, giraffe in de koelkast en de tijger op de tafel). Wanneer je de dingen dan moet herinneren, maak je een virtuele tour door je woonkamer.

    • Rijmen

    • Acronymen; de eerste letters van de woorden die je moet onthouden vormen een nieuw woord. Stel je moet boodschappen doen en hebt geen zin om een lijstje te maken omdat je maar vier producten nodig hebt dan kun je dit toepassen. Van de producten kaas- appel- suiker – thee maak je dan het wordt kast.

    • Acrostics; de eerste letters van het woord kun je ook gebruiken om een zin mee te vormen

    Method of loci = het gebruik maken van bijvoorbeeld verschillende kamers in een huis

    Exeptioneel geheugen

    Hoe meer je weet hoe makkelijk het is om informatie te organiseren en te chunken. Dit zie je terug in het verschil tussen een expert en een leek.

    Memorists

    Memorists = Mensen met een buitengewoon geheugen

    Eidetic Imagery

    Eidetic Imagery = Buitengewoon geheugen voor informatie dat eerder is gezien met bijna tot geen vervorming. Je kunt dit ook zien als een fotografisch geheugen

    Komt voor bij jonge kinderen maat het neemt geleidelijk af naarmate het ouder worden.

    Hoe verloopt de ontwikkeling van het geheugen? - Chapter 15

    Hoe verloopt de ontwikkeling van het geheugen? - Chapter 15

    Babytijd (infancy)

    De ontwikkeling van geheugen begint zodra het zenuwstelsel informatie kan ontvangen, maar aangezien het kindje nog niet kan praten moet je non-verbale onderzoeksmethoden gebruiken om het geheugen te kunnen onderzoeken. Er zijn verschillende methoden ontworpen om dit te doen:

    1. Looking method; jonge kinderen kijken de hele dag om zich heen om verschillende indrukken op te doen. Het blijkt dat kinderen langer blijven kijken naar dingen die nieuw voor ze zijn. Hier kun je gebruik van maken om het geheugen te toetsen. Als je het kind op tijdstip 1 een rode bal laat zien welke nieuw voor het kindje is zal de kijk-tijd erg lang zijn, maar naar een tijdje afnemen (habituatie). Wanneer het kind zich de rode bal herinnert verwacht je op tijdstip 2 een kortere kijk-tijd. Dit wordt bevestigd door verschillende onderzoeken.

    2. Sucking method; dit komt overeen met de looking-method, maar hier wordt geen gebruik gemaakt van kijken naar een object maar de zuigfrequentie wordt gemeten. Bij iets nieuws neemt de zuigfrequentie toe.

    3. Conjugate reinforcement paradigma; bij dit paradigma krijgt het kindje een touwtje om zijn of haar voet dat verbonden is met een mobiel hangend boven het kindje. Na enige tijd zal het kindje ontdekken dat als het schopt de mobiel zal bewegen. Als het kindje dit herinnert zal het een volgende keer sneller en vaker schoppen omdat het weet dat de mobiel dan gaat bewegen en dat is leuk.

    4. Elicited imitation voor het meten van recall; de onderzoeker of verzorger voert een taakje uit waarbij het kindje observeert. Een maand later wordt dan gekeken of het kind dit taakje kan imiteren. Lukt dit, dan heeft het kind de taak opgeslagen in zijn of haar geheugen.

    Neurologische ontwikkeling

    De verschillende componenten van geheugen en hun progressie zijn gerelateerd aan de neurologische ontwikkelingen die het kind doormaakt.

    • Nondeclaratief geheugen; is al snel aanwezig, waardoor bijvoorbeeld de associatie tussen moeder en voedsel/comfort gelegd kan worden

    • Episodisch geheugen; is vanaf ongeveer 3 maanden na de geboorte aanwezig. Dit werd onderzocht middels het conjugate reinforcement paradigma. Middels imitatie onderzoek (methode 4) werd gevonden dat het expliciet herinneren van iets steeds langer onthouden wordt en ook steeds nauwkeuriger wordt.

    Kindertijd (2-17 jaar)

    Ook in deze periode ontwikkelt het zenuwstelsel zich, met als logisch gevolg dat ook het geheugen zich door blijft ontwikkelen. Zo wordt het zenuwstelsel efficiënter, er is sprake van synaptische pruning. Het gebruik van het KTG verbetert, zo zijn kinderen uit deze categorie beter in het herhalen (rehearsen) van de informatie om het in het geheugen te houden. Ook de geheugenspanne neemt toe, mede door de snellere articulatietijd, waardoor de algehele prestatie op geheugentaken verbeterd. Kinderen zullen informatie beter leren organiseren en structureren waardoor de kans op het succesvol herinneren van iets toeneemt, dit geldt vooral voor het episodisch geheugen.

    Als kennis over de wereld bij kinderen toeneemt, dan wordt ook het semantisch geheugen complexer. Op hele jonge leeftijd zie je bijvoorbeeld nog geen false memory effect wanneer gebruik wordt gemaakt van het DRM paradigma. Dit komt waarschijnlijk omdat het semantisch geheugen nog niet volledig ontwikkeld is en de kinderen dus niet gevoelig zijn voor de methode die ze gebruiken. Deze methode speelt namelijk in op het aanwezig zijn van een semantisch netwerk.

    Ouderen

    Er zijn veel aspecten die in deze tijd veranderen:

    Allereerst veranderd het zenuwstelsel. Zo worden neuronen langzamer in hun communicatie, waardoor elk cognitief proces meer tijd in beslag neemt. Volgens de speed theorie is ook de cognitieve verwerking langzamer. Naast neuronen veranderen ook de frontaalkwabben, waardoor ze minder (effectieve) controle hebben over de stroom informatie in het geheugen. Zo zijn ze minder goed in staat om irrelevante informatie te inhiberen, aldus de inhibitie theorie. Eigenlijk herinneren oudere mensen zich dus eigenlijk heel erg veel, maar omdat ze dit niet effectief kunnen inhiberen komt hun geheugen rommelig over. Om de achteruitgang op te vangen verminderd ons brein de lateralisatie, de snelste hersenhelft zal nu de processen overnemen.

    Ook de capaciteit van het werkgeheugen of KTG neemt af. Oudere mensen zijn minder effectief in het actief houden van informatie. Hierdoor presteren zij bijvoorbeeld slechter op taken die beroep doen op verbaal begrip. Daarnaast veranderd ook het episodisch geheugen. Oudere mense kunnen informatie minder goed ophalen en herinneren, waarbij vooral de integratie van losse delen lastig is (kleiner restorf effect). Door verminderde inhibitie laten ze een groter fan effect zien en associatieve interferentie. Ook komen source monitoring errors bij deze categorie veelvuldig voor, door verminderde werking van de frontaal kwab.

    Naast alle bovengenoemde verminderingen in het cognitief functioneren van ouderen zijn er wel degelijk aspecten die hetzelfde blijven of zelfs verbeteren. Zo zijn ze neurologisch meer robuust, en veranderd het non declaratief geheugen niet. Ondanks een afname van het episodisch en autobiografisch geheugen blijven sommige aspecten hiervan toch goed of laten zelfs enige verbetering zien. Het gaat dan vooral om kwantitatieve aspecten (manier waarop). Zo wordt bijvoorbeeld de organisatie/structuur beter. Tot slot blijft ook het semantisch geheugen hetzelfde.

    Wat is de amnesie van het lange en korte termijn geheugen? - Chapter 16

    Wat is de amnesie van het lange en korte termijn geheugen? - Chapter 16

    Amnesie van het lange termijn geheugen

    Retrograde amnesie

    Mensen met retrograde amnesie hebben problemen met oude herinneringen die vooraf gingen aan het letsel. Het is het gevolg van een storing in de consolidatie. Zodoende worden ‘jonge’herinneringen vaak het hardst getroffen (nog niet zo goed geconsolideerd). Dit principe staat bekend als de wet van Ribot. Vaak gaat het bij patiënten om autobiografische herinneringen. Na het oplopen van hersenletsel hoeft amnesie niet gelijk op te treden. Bij herstel zie je dat de oudste herinneringen vaak de eerste zijn die terugkomen. Ook behandeling met electro therapie (ECT) kan retrograde amnesie veroorzaken, zowel episodisch als semantisch. In onderzoek dat uit werd gevoerd met ratten zorgde ECT ervoor dat zij geen angstrespons meer aanleerden. Voor casus beschrijvingen zie blz 320.

    Anterograde amnesie

    Mensen met anterograde amnesie slaan geen nieuwe herinneringen meer op nadat ze letsel opgelopen hebben. Het wordt vaak veroorzaakt door schade aan de medial temporal lobe en de hippocampus. Bij anterograde amnesie is vaak het declaratieve geheugen getroffen en ontbreekt het von restorf effect. Het korte termijn geheugen en het non-declaratieve geheugen is echter wel intact. Voor een beschrijving van hoe het is om te leven met anterograde amnesie, zie blz 326.

    Transient global amnesie

    Zowel bij retrograde amnesie als anterograde amnesie is er een duidelijke aanwijsbare oorzaak. Bij transient global amnesie is dit echter niet het geval. Een ander verschil met de standaard vormen van amnesie is dat deze vorm van amnesie van korte duur is. Tijdens een aanval hebben patienten geen herinneringen aan het recente verleden (vaak enkele maanden). Zo was iemand heel verbaasd dat hij geen vingers meer aan zijn hand had, terwijl hij die drie maanden ervoor door een bedrijfsongeval verloren was. Omdat aanvallen erg kortduren (3-8 uur) zijn ze erg lastig te bestuderen. Transient global amnesie zou op kunnen komen na intense emotie of fysieke stress. Zo is de vaakst voorkomende manier om het te krijgen na het hebben van seks (!).

    Amnesie van het korte termijn geheugen

    Deze vorm van amnesie is zeer zeldzaam. Het korte termijn geheugen is dan aangedaan, terwijl het lange termijn geheugen intact blijft (normaal gesproken is dit andersom). Zo is er een patiënt beschreven die een recency effect had van slechts een item, terwijl gezonde personen een recency effect hebben van vijf of zes. De gevallen van korte termijn geheugen amnesie die bekend zijn hebben vaak schade ervaren aan de parietaal kwab van de linker hemisfeer. Dit verstoord het herhaal (rehearsal) proces dat nodig is om de informatie actief te houden. Schade aan de parietaal kwab van de rechter hemisfeer komt ook voor, dit leidt vaak tot problemen in het viso-spatiëel werkgeheugen.

    Psychogene amnesie

    De verschillende besproken amnesieën hebben allemaal een fysiologische oorzaak (transient global is nog vaag). Maar bij psychogene amnesie is er geen fysiologische oorzaak, maar een psychische. In veel gevallen wordt het geheugenverlies gezien als reactie op een traumatische gebeurtenis en gaat er episodische of autobiografische kennis verloren. Semantische en procedurele herinneringen blijven intact. Het geheugenverlies zou je kunnen zien als een manier van coping, want als iemand de traumatische gebeurtenis niet herinnert kan het ook geen stress of angst meer geven.

    Er zijn verschillende vormen van psychogene amnesie:

    Repressie

    Een concept geopperd door freud en zijn volgers. Mensen onderdrukken een bedreigende of traumatische gebeurtenis, zodat het het functioneren niet kan verstoren. Het is dus een beschermingsmechanisme. Experimenteel bewijs voor dit concept is schaars, zodoende wordt in twijfel getrokken of dit concept wel echt bestaat

    Dissocatieve amnesie

    Hierbij herinnert iemand zich bepaalde segmenten uit zijn of haar leven niet. Vaak is dit informatie die gerelateerd is aan een traumatische gebeurtenis. Het verschil met repressie is dat de persoon zich bewust is van het geheugenverlies, terwijl het bij repressie vaak tijdens een sessie ‘ontdekt’ wordt. Het feit dat de persoon zich dingen niet herinnert stoort hem of haar erg. Dissociatieve amnesie kan zich op drie manieren manifesteren:

    1. Systematized amnesia: mensen hebben amnesie voor een traumatische gebeurtenis ongeacht waar of wanneer het plaats vond.

    2. Localized amnesia: mensen hebben amnesie voor een bepaalde tijdsperiode zoals een week of maand.

    3. Generalized amnesia: mensen hebben amnesie voor bijna alles wat er in het leven van die persoon gebeurd is.

    Organische amnesie uit zichzelf eigenlijk nooit zo selectief.

    Dissociatieve fugue

    Hierbij vergeet de persoon fundamentele aspecten van zijn of haar identiteit, zoals wie je bent, hoe je heet, waar je vandaan komt of wat voor werk je doet. Er zijn verschillende fugue staten waarin je kunt verkeren.

    • Fugue and flight; verandering in identiteit en locatie

    • Memory fugue; geheugen verlies, maar de kern identiteit blijft intact

    • Regression fugue; hierbij keert de persoon terug naar een vroegere periode in zijn of haar leven. Waarbij alles van de periode erna vergeten wordt (alsof je die tijd nooit hebt meegemaakt).

    Ook deze vormen worden niet teruggevonden bij mensen met een organische amnesie.

    Dissociatieve identiteits stoornis

    Hierbij gedraagt de persoon zich alsof hij of zij verschillende personen is/verschillende identiteiten heeft. Elke identiteit heeft zijn of haar eigen autobiografische geschiedenis. Soms zijn identiteiten op de hoogte van elkaars bestaan, soms ook niet. Het geheugen dat de persoon heeft is selectief voor welke identiteit er op dat moment aangenomen was. Dus identiteit A heeft geen herinneringen/geheugen die persoon B wel heeft.

    Wat zijn andere factoren die het geheugen beinvloeden? - Chapter 17

    Wat zijn andere factoren die het geheugen beinvloeden? - Chapter 17

    Dementie

    Geheugenproblemen is hier een van de cognitieve problemen die worden ervaren. Zo daalt het vermogen om dingen te leren en gaan bestaande herinneringen verloren. Omdat de achteruitgang wijdverspreid is kunnen zelfs heel goed opgeslagen herinneringen vervagen of verdwijnen. Deze ziekte treft vaak oudere mensen, maar ook jonge mensen kunnen hier mee te maken krijgen. Er zijn verschillende vormen van dementie.

    Alzheimer

    Een vorm van dementie die steeds vaker mensen treft. Het is een corticale vorm van dementie waarbij de cerebrale cortex wordt aangedaan. Er zijn drie veranderingen die zich voordoen

    • Het aantal neuronen en de verbindingen tussen neuronen neemt af

    • Er ontstaan kluwens waardoor signalen niet goed worden doorgegeven

    • Er ontstaat plaque welke het functioneren van neuronen negatief beïnvloedt

    Het is niet helemaal zeker wat de oorzaak is van deze ziekte, maar wel weet men dat er een sterke genetische component is.

    Patiënten zijn zich vaak bewust van hun geheugenproblemen. Zo kunnen zij problemen ervaren met het werkgeheugen (central executive, spanne), episodisch geheugen wordt aangedaan met een temporeel gradiënt en hoewel het semantisch geheugen vaak in de eerste stadia niet aangedaan is, zal ook deze vorm van geheugen uiteindelijk achteruitgaan.

    Parkinson

    Dit is een subcorticale vorm van dementie waarbij er sprake is van een verlies van dopamine producerende cellen in de substantia nigra. Niet elke parkinson patiënt zal last hebben van volledige dementie. Maar er kunenn zich enkele geheugenproblemen voordoen. Zo kunnen ze problemen ervaren met het werkgeheugen, zoals het opdaten van ruimtelijke informatie of ze hebben moeite met het controleren van de stroom aan informatie die er binnenkomt (taak van central executive). Net zo als bij alzheimer ervaren parkinson patiënten ook verlies van episodisch geheugen met een temporeel gradiënt.

    Huntington

    Net zo als parkinson is ook dit een subcorticale vorm van dementie. De ziekte van huntington wordt gekenmerkt door spastische bewegingen en houterige bewegingen. Het wordt veroorzaakt door schade aan de basale ganglia en caudate nucleus. Patiënten met de ziekte van huntington hebben problemen met het werkgeheugen (central executive) waardoor hun spanne kleiner is dan gezonde personen en ze ervaren problemen in het uitvoeren van meerdere taken tegelijk (dual task situations). Er is geen temporaal gradiënt bij vergeten.

    Multiple sclerose

    Ook een subcorticale ziekte, waarbij het laagje myeline op de neuronen verdwijnt. Dit heeft als gevolg een verstoring in neurale communicatie waardoor mensen spier controle problemen ervaren. Ook doen zich geregeld geheugenproblemen voor in het declaratief geheugen omdat er atrofie van de hippocampus is. Er is moeite met zowel ophalen als opslaan van herineringen.

    Geheugenproblemen bij andere pathologieën

    Confabuleren

    Deze term verwijst naar het rapporteren van valse herinneringen. Je kunt dit tegenkomen bij patiënten met schade aan de frontaal kwabben. Het is niet zo dat de patiënt aan het liegen is, want hij of zij heeft niet de intentie om kwaad te doen of iemand te bedriegen. Het is wat iemand echt denkt of gelooft waar te zijn. Zelfs als de confabulaties erg onwaarschijnlijk lijken zullen patiënten er van overtuigd zijn dat dit de waarheid is.

    Schizofrenie

    Ook mensen met de mentale stoornis schizofrenie kunen geheugenproblemen ervaren. Bijvoorbeeld amnesie voor delen van het episodisch geheugen met een temporaal gradiënt. Mensen met schizofrenie hebben vaak moeite met het aanbrengen van structuur en dit heeft ook een negatieve invloed op het geheugen. Het impliciete geheugen blijft vaak gespaard.

    Depressie

    Mensen met depressie hebben vaak moeite met het encoderen van nieuwe informatie, met name positieve informatie. Ook hebben zij een bias in herinneren, waarbij ze negatieve informatie beter herinneren dan positieve.

    Stress

    Stress op de korte termijn kan het geheugen verbeteren, maar op de lange termijn heeft het een negatief effect.

    Semantische amnesie

    Dit is een specifieke vorm van amnesie waarbij men niet in staat is om semantische kennis op te halen, vaak als gevolg van schade aan de temporaal kwab. Ondanks normaal taalgebruik kunenn zij betekenissen van woorden niet ophalen. Dit wordt ook wel anomia genoemd.

    Verdovende middelen

    Drugs

    Benzodiazepines hebben een groot effect op het geheugen; ze zorgen dat mensen niet gemakkelijk nieuwe episodische herinneringen opslaan. Je kunt het zien als een door drugs veroorzaakte vorm van anterograde amnesie, wat je ook terugvind bij patiënten met de ziekte van korsakoff.

    Alcohol

    Alcohol kan verschillende effecten hebben, maar een algemeen effect is een negatieve invloed op het geheugen. Er kunnen problemen onstaan met het prospectief geheugen, werkgeheugen en mensen geven bijvoorbeeld een hogere JOL.

    Human Memory van Radvansky - Boek & JoHo's
    De crossroads van deze bundel
    Study Bundle Specialisation Clinical Neuropsychology - UvA
    Advice & Summaries Specialisation Clinical Neuropsychology - UvA
    Choice assistance with summaries of Cognitive neuroscience: The Biology of the Mind - Gazzaniga et al. - 5th edition
    Choice Assistance with summaries of Clinical Neuropsychology - Kessels et al. - 1st edition
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Neuropsychologische diagnostiek: de klinische praktijk - Hendriks et al. - 1e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen Human Memory van Radvansky - 2e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van The Student’s Guide to Social Neuroscience - Ward - 2e druk
    Choice Assistance with summaries of Discovering Statistics Using IBM SPSS Statistics - Field - 5th edition
    Choice assistance with summaries of Writing Psychology Research Reports - Starreveld - 1st edition
    Subscriber bundle with online chapter summaries of Cognitive Neuroscience: The Biology of the Mind - Gazzaniga et al. - 5th edition
    Subscriber bundle with online chapter summaries of Clinical Neuropsychology - Kessels et al. - 1st edition
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Neuropsychologische Diagnostiek: de klinische praktijk - Hendriks et al. - 1e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Human Memory - Radvansky - 2e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van The Student’s Guide to Social Neuroscience van Ward - 2e druk
    Subscriber bundle with online chapter summaries of Discovering statistics using IBM SPSS Statistics - Field - 5th edition
    Subscriber Bundle with online chapter summaries of Writing Psychology Research Reports - Starreveld - 1st edition
    Shop Bundle with printed summaries for Specialisation Clinical Neuropsychology - UvA
    Summary Shop Psychology Bachelor 3 & Masters - UvA
    Study bundle Specialisation Brain & Cognition - UvA
    Advice & Summaries Specialisation Brain & Cognition - UvA
    Choice assistance with summaries of Cognitive neuroscience: The Biology of the Mind - Gazzaniga et al. - 5th edition
    Keuzewijzer voor samenvattingen Human Memory van Radvansky - 2e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van The Student’s Guide to Social Neuroscience - Ward - 2e druk
    Choice Assistance with summaries of Discovering Statistics Using IBM SPSS Statistics - Field - 5th edition
    Choice assistance with summaries of Writing Psychology Research Reports - Starreveld - 1st edition
    Subscriber bundle with online chapter summaries of Cognitive Neuroscience: The Biology of the Mind - Gazzaniga et al. - 5th edition
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Human Memory - Radvansky - 2e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van The Student’s Guide to Social Neuroscience van Ward - 2e druk
    Subscriber bundle with online chapter summaries of Discovering statistics using IBM SPSS Statistics - Field - 5th edition
    Subscriber Bundle with online chapter summaries of Writing Psychology Research Reports - Starreveld - 1st edition
    Shop Bundle with printed summaries for Specialisation Brain & Cognition - UvA
    Summary Shop Psychology Bachelor 3 & Masters - UvA
    JoHo: bundel begrijpen

      Hoe werkt een JoHo Bundel (pagina)

    • Bundels zijn verzamelingen (vaak links) van pagina's rond een specifieke vraag of onderwerp
    • Bundels werken als navigatietool

    Welke soorten bundels zijn er?

    Productbundels

    • Verzekeringsbundels: verzameling van content rond verzekeringsadvies of verzekeringsaanbod
    • Abonnementsbundels: verzameling van content rond advies of services voor JoHo abonnees en donateurs
    • Shopbundels: verzameling van artikelen die besteld kunnen worden

    Persoonlijke bundels

    • op vrijwel elke pagina kun je onder de 'Footprints' de 'Add to my pages' optie vinden. Daar kun je pagina's toevoegen aan je eigen verzamelingen en bundels. Deze bundels met jouw bewaarde pagina's kun je vervolgens onderaan vrijwel elke pagina terugvinden als je bent ingelogd als JoHo donateur of abonnee.

    Studiehulpbundels

    • Boekbundels: verzameling van chapters die tezamen de samenvatting van een boek vormen
    • Studiebundel: verzameling van content die hoort bij een specifiek vak of een studiefase

    Themabundel

    • Verzameling van content die behoort bij een topic en themapagina

    Toolbundel

    • Verzameling van content gericht op een specifiek proces of actie (bijvoorbeeld een vacature zoeken of een vak bestuderen)

    Toolbundel voor abonnees

    • Verzameling van content met toegang of services voor JoHo abonees
    Footprint: achterlaten
    Pagina bewaren in je bundels:

    (Service voor ingelogde JoHo donateurs)