Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Studieboek materieel strafrecht - Kelk & de Jong - 7e druk

  Bundel

Sluit je aan bij JoHo om te kunnen inloggen en gebruik te maken van de tools en teksten
 

Aansluiten bij JoHo als abonnee of donateur

The world of JoHo footer met landenkaart

    Aansluiten bij JoHo met een JoHo abonnement

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

     of met een JoHo donateurschap

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Aanmelden & Aansluiten bij JoHo 

    De items van deze bundel
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Studieboek materieel strafrecht - Kelk & De Jong - 7e druk

    Keuzewijzer voor samenvattingen van Studieboek materieel strafrecht - Kelk & De Jong - 7e druk

     

    Samenvattingen van Studieboek materieel strafrecht - Kelk & De Jong

     

    Boeksamenvattingen te gebruiken bij de 7e druk van Studieboek materieel strafrecht

    Online: samenvatting in chapters

     Online: samenvatting in BulletPoints

    Print: samenvatting in chapters per post

    Print: samenvatting in chapters aan de balie

    Inhoud Prints van samenvattingen van Studieboek materieel strafrecht

    Boeksamenvattingen: inhoudsopgave van de geprinte samenvattingen

    • De geprinte samenvatting bevat de volgende hoofdstukken:
      • Welke essentialia kent het Nederlandse strafrecht? - Chapter 1
      • Wat zijn strafbare feiten en daders? - Chapter 2
      • Wat is het legaliteitsbeginsel? - Chapter 3
      • Wat houdt het begrip wederrechtelijkheid in? - Chapter 4
      • Wat betekent causaliteit in het strafrecht? - Chapter 5
      • Wat betekent schuld in het strafrecht? - Chapter 6
      • Waarin kunnen strafuitsluitingsgronden worden onderverdeeld? - Chapter 7
      • Welke voorwaarden gelden er voor strafbare poging? - Chapter 8
      • Welke vormen van deelneming en medeplegen zijn er? - Chapter 9
      • Wanneer zijn rechtspersonen strafbaar? - Chapter 10
      • Wat zijn de strafrechtelijke sancties en meting? - Chapter 11
      • Welke strafrechtelijke sancties kunnen er ten uitvoer gelegd worden? - Chapter 12

    Samenvattingen bij de vorige druk

    JoHo.org: samenvattingen bij de 6e druk

    Gerelateerde samenvattingen & studiehulp bij Studieboek materieel strafrecht

    Alternatieven: boeksamenvattingen & gerelateerde samenvattingen (voor JoHo abonnees)

    Kennis- en studiegebieden: samenvattingen per studiegebied (voor JoHo abonnees)

    Welke essentialia kent het Nederlandse strafrecht? - Chapter 1

    Welke essentialia kent het Nederlandse strafrecht? - Chapter 1

    Wat is strafrecht?

    Strafrecht is het ius puniendi, dat wil zeggen het recht van de staat om burgers te straffen op grond van overtreding van normen en waarden. Het publieke strafrecht wil hiermee ongerichte wraak voorkomen, ofwel voorkomen dat burgers voor eigen rechter gaan spelen waarbij zij de grenzen van het toelaatbare overschrijden. Dit laatste staat bekend als eigenrichting. Volgens velen is het bewaken van de veiligheid en het ordelijk verloop van de samenleving door bepaalde schadelijke en gevaarlijke menselijke gedragingen tegen te gaan door middel van vervolging en bestraffing de belangrijkste functie van het strafrecht.

    Het Nederlandse strafrecht bestaat uit een materieel en een formeel gedeelte. Het materiële strafrecht kan gedefinieerd worden als het rechtsgebied dat regelt:

    1. Welke gedragingen onder welke omstandigheden strafbaar zijn.

    2. Waaruit de straffen bestaan.

    3. Onder welke voorwaarden het strafrecht mag worden toegepast.

    Tot het materiële strafrecht wordt onder andere gerekend:

    1. De algemene bepalingen in het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht, inclusief het geheel van alle afzonderlijke strafbepalingen.

    2. Het sanctiestelsel, dat wil zeggen het geheel van straffen en maatregelen die de wet kent, en de regels betreffende de rechterlijke toepassing van het strafrecht en het executierecht. Dit wordt het penitentiair recht genoemd.

    3. De voorwaarden voor vervolgbaarheid, waaraan voldaan moet zijn, voordat het tot toepassing van het strafrecht kan komen.

    Het formele strafrecht, ook wel het strafprocesrecht, kan gedefinieerd worden als het rechtsgebied dat voorschriften bevat, die mede kunnen bepalen hoe het strafrecht zich moet verwezenlijken. Het omvat de regeling van de opsporing, vervolging en de berechting van strafbare feiten. Het geeft daarnaast bevoegdheden aan overheidsfunctionarissen en geeft allerlei rechten aan de verdachte en diens raadsman of -vrouw. Het materiële strafrecht bepaalt dus of, wie en hoe gestraft kan worden. Het formele strafrecht regelt hoe de staat door middel van haar organen het recht tot straffen en strafoplegging krijgt en omvat dus het strafproces. Er is overigens geen sprake van een strikt onderscheid tussen het formele en materiële strafrecht. Vroeger werden bepaalde materiële bepalingen in het Wetboek van Strafvordering behandeld en bovendien zijn de rechtsgebieden voortdurend met elkaar in wisselwerking.

    Bepalend voor de strafrechtelijke werkelijkheid is niet alleen de structuur, maar ook de cultuur van het strafrecht. De politie, het OM, de rechterlijke macht en de advocatuur hebben een belangrijke rol gespeeld in de vorming van het strafrecht. Het strafrecht vormt daarnaast een weerspiegeling van de samenleving en heeft dus ook in iedere samenleving een ander gestalte. Ontwikkelingen in de samenleving spelen hierbij een grote rol. Deze ontwikkelingen leiden steeds tot nieuwe vormen van criminele politiek, dat wil zeggen de rationele organisatie van de maatschappelijke reactie op de misdaad. Vanuit de criminele politiek heeft afgelopen jaren de georganiseerde misdaad bijvoorbeeld meer aandacht gekregen, die aandacht gaat tegenwoordig veel uit naar de bestrijding van terrorisme. Het strafrecht verschilt dus per samenleving omdat het in zekere zin daarvan een uitdrukking is. Er wordt wel eens beweerd dat je kunt bepalen hoe beschaaft een volk is aan de hand van hoe dat volk met haar gevangenen omgaat.

    De geest van ons Wetboek van Strafrecht

    Tot de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 gold in Nederland de Franse Code Pénal. In Nederland was echter een sterke behoefte aan eenheid in het strafrecht en men wilde graag afrekenen met de wrede sancties uit de Code Pénal. Het nieuwe wetboek werd voorbereid door de commissie-De Wal. Hierin hadden uitsluitend aanhangers van de Klassieke School van Cesare Beccaria (1738-1794) in het strafrecht zitting. Men streefde naar een grote soberheid en eenvoud. Het kende geen driedeling, maar een tweedeling van strafbare feiten. De vrijheidsstraf werd de belangrijkste straftoepassing (de prima donna). Het zou ten uitvoer gelegd worden in een cellulair stelsel om de rechtvaardigheid te dienen. De zwaarte van de straf zou niet alleen zoveel mogelijk in overeenstemming met de zwaarte van het begane delict kunnen worden afgewogen, maar ook in beginsel voor alle veroordeelden hetzelfde zijn.

    Er werd veel waarden gehecht aan het feit dat de rechter een grote vrijheid toekwam wat betreft de straftoemeting. Er is echter wel een minimum straf en in sommige gevallen een maximum, zoals bij moord (zwaarste straf is 30 jaar). Zelden worden delicten in het wetboek gedifferentieerd naar bijzondere motieven. Uitzonderingen hiervan zijn echter artikel 290 en 291 Sr (kinderdoodslag en moord door moeder die vreest voor ontdekking van bevalling van pasgeboren kind).

    De rechter kreeg dus een belangrijke rol binnen dit nieuwe wetboek van strafrecht. Dit uitte zich in een grote vrijheid voor de rechter in de strafrechtstoemeting. Het wetboek kent bijvoorbeeld geen aparte bepaling voor de crime passionel; er is in geval van opzettelijke levensberoving altijd sprake van moord of doodslag, ook al kunnen bijzondere motieven wel degelijk een goede reden zijn tot strafvermindering. Ook zijn in het Algemeen Deel van het wetboek algemene leerstukken kort en krachtig geregeld, de uitwerking van bijvoorbeeld de strafbare poging en deelneming wordt aan de rechtspraak en de doctrine overgelaten.

    Kernbegrippen van ons strafrecht zijn:

    • Daderschap.

    • Wederrechtelijkheid.

    • Schuld.

    • Causaliteit.

    Alle kernbegrippen in het strafrecht zijn door de jurisprudentie ontwikkeld. Om de werking van een zo adequaat en consistent mogelijk strafrecht te realiseren baseren de wetgeving, de rechtspraak en de strafrechtspleging als geheel zich op de strafrechtsdogmatiek. Deze dogmatiek bestaat uit de principes en de grondslagen waarop de leerstukken en de strafbaarstellingen rusten. Naderhand was enkele kritiek op het wetboek geleverd, waardoor in 1911 een verandering plaatsvond. De zedenwetgeving werd ingrijpend aangevuld geheel tegen de toenmaals heersende libertaire cultuur in.

    Nederland stond internationaal al vroeg bekend als een land met een relatief mild en humaan strafstelsel. De twee belangrijkste oorzaken waren de bemoeienis van de reclassering en het opportuniteitsbeginsel van het OM (het OM heeft de bevoegdheid om strafbare feiten te seponeren op gronden aan het algemeen belang ontleend). Met de komst van de Moderne Richting (rond 1900), waarin de bescherming van de samenleving een grote rol speelde, werd het Nederlandse strafrecht minder humaan. Door de opkomst van de Moderne Richting kwam er meer aandacht voor de persoon van de dader. Het Nederlandse strafrecht is een compromis geworden en gebleven tussen de Klassieke richting en de Moderne richting. Er is min of meer sprake van een verenigingstheorie in het Nederlandse strafrecht.

    Het betekent dat de vergelding weliswaar de grondslag van de straf is en daarvan de proportionaliteit bepaalt, doch dat bijzondere en mede gedragskundig gekleurde doelen in concreto de binnen de grenzen van de vergelding op te leggen straf bepalen. Het Nederlandse strafrecht wordt gekenmerkt door terughoudendheid en het wordt gezien als het uiterste redmiddel (het ultimum remedium).

    Het Wetboek van Strafrecht bestaat uit drie boeken:

    1. Het Algemene Deel: het commune strafrecht.

    2. De misdrijven.

    3. De overtredingen.

    In een aantal andere wetten zijn ook strafbepalingen neergelegd, zoals de Wegenverkeerswet, de Wet Economische Delicten en de Opiumwet. Al deze bepalingen zijn onderworpen aan de regels vermeld in de algemene bepalingen van het Algemene deel van het wetboek (art. 91 Sr). Als van deze regels wordt afgeweken vanwege het bijzondere karakter van een bepaald strafrechtelijk gebied wordt van bijzonder strafrecht gesproken. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het militaire strafrecht. Alles wat onder de werking valt van het Algemeen Deel van het wetboek wordt het commune strafrecht genoemd.

    Wat houdt het ultimum-remedium karakter van het strafrecht in?

    Het Nederlandse strafrecht wordt gekenmerkt door terughoudendheid. De rechter kan altijd afzien van het opleggen van een straf of maatregel. Ons strafrecht staat dan ook bekend als het ultimum remedium, ofwel het uiterste redmiddel. De terughoudendheid komt voort uit het besef dat het strafrecht een ingrijpend en pijnlijk karakter heeft voor de burger die het leed ondergaat als gevolg van een normoverschrijding. Immers, het strafrecht probeert de belangrijkste rechtsgoederen (zoals vrijheid) van haar burgers te beschermen door het ontnemen van die rechtsgoederen. Voordat men strafrechtelijk te werk gaat moet de overheid daarom goed nagaan of er ook andere wegen open staan, bijvoorbeeld de weg van het civiele recht, het bestuursrecht of het tuchtrecht.

    In Nederland is het voornamelijk Hulsman geweest die zich heeft bezig gehouden met de voorwaarden voor strafbaarstelling. Hij was voorstander van decriminalisering en depenalisering: het zoveel mogelijk uit de sfeer van het strafrecht halen van gedragingen. Hij maakte onderscheid tussen absolute en relatieve criteria. Met absolute criteria doelde hij op criteria op grond waarvan strafbaarstelling achterwege moet blijven. Met relatieve criteria bedoelde hij negatieve indicaties voor strafbaarstelling. Een belangrijk verschil tussen strafrecht en andere rechtsgebieden is dat het strafrecht niet in de eerste plaats gericht is op het herstellen of ongedaan maken van de aangerichte schade. Voor schadevergoeding staan andere wegen open, zoals die van het civiele recht. Het strafrecht kan de schade echter wel op een indirectere wijze herstellen; als burgers zien dat degene die hun schade heeft aangedaan gestraft wordt, kan dat de onrust en vergeldingsbehoefte bij hun dempen.

    Het strafrecht volgt per definitie na de feiten en kan slechts zeer beperkt aan het herstel daarvan bijdragen. Het wordt daarom ook wel als 'exorbitant' aangemerkt; het voegt in principe alleen leed toe bij de dader zonder verder leed weg te kunnen halen bij het slachtoffer.

    Rechts- en wetdelicten: misdrijven en overtredingen

    Het is niet zo dat een misdrijf primair wordt afgekeurd, omdat er een strafwet is waarin het wordt omschreven, maar het is omgekeerd. Doordat er een zo afkeurenswaardige gedraging is dat de wet deze niet onbestraft heeft kunnen laten. Het gaat hier dan om een rechtsdelict. Rechtsdelicten weerspiegelen de bescherming van onze meest essentiële rechtsgoederen: de integriteit van het leven en het lichaam, van zedelijkheid, van de eigendom van de persoonlijkheid zoals privacy etc. Wij spreken hier ook wel van 'klassieke misdrijven', omdat elke beschaafde samenleving deze misdrijven strafbaar heeft gesteld in hun strafwetgeving. Een rechtsdelict omvat anders gezegd de strafbaarstelling van een norm, welke iedere samenlevingsgenoot al in hun opvoeding heeft geleerd en die dus behoort tot de normen, die een eerste vereiste voor een fysiek en psychische leefbare maatschappij vormen.

    Een wetsdelict duidt vooral de overtredingen aan, te weten de strafbaarstelling van de schending van de normen, die een veel oppervlakkig karakter hebben. Zij ondersteunen vooral de ordening in de samenleving, maar grijpen niet zo diep in in de gewetensfunctie van de mens als mens. Deze normen betreffen vooral de mens als deelnemer aan het verkeer in alle betekenissen.

    In geval van rechtsdelicten verbindt men de straf dus aan de schending van een rechtsnorm, welke al als zodanig in de samenleving van kracht is en wellicht op andere rechtsterreinen handhaving vindt. De wetsdelicten stellen de schending van niet per definitie bekende normen strafbaar. Er is echter geen sprake van een strikt onderscheid. Van Bemmelen is bijvoorbeeld van mening dat alleen de zwaarte van het feit bepalend is voor de indeling in misdrijven en overtredingen.

    Het onderscheid tussen rechts- en wetsdelicten valt meestal samen met het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen. Het verschil tussen misdrijven en overtredingen is dat er bij misdrijven altijd een bestanddeel instaat dat opzet of schuld uitdrukt, in de overtredingen ontbreekt dit vrijwel altijd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de gedraging (het materiële feit), niet om de gedachte achter deze gedraging.

    Het strafrecht en de materiële normen

    De strafbepaling bestaat uit twee delen: de delictsomschrijving (welke de schending van een bepaalde materiële norm inhoudt) en de sanctienorm. Door sommige strafrechtwetenschappers wordt het strafrecht gezien als sanctierecht. Zij zien het eigene van het strafrecht als uitsluitend de sanctienorm. In hun optiek zijn de materiële normen die het strafrecht beschermd slechts herhalingen van reeds bestaande normen, waar het strafrecht vervolgens een sanctienorm aan verbindt.

    In de rechtstheorie gaat men er over het algemeen vanuit dat het strafrecht publiekrecht is, onder andere omdat de aard van de strafsanctie publiekrechtelijk is (bijvoorbeeld omdat de geldboete wordt betaald aan de staat). Kelk is zelf van mening dat de diverse rechtsgebieden gemengd van aard zijn.

    De door het strafrecht beschermde rechtsgoederen

    Het strafrecht beoogt bescherming te bieden tegen de existentiële en morele aantasting van de privacy van de burgers. Het beoogt het geschonden rechtsgoed te beschermen. Het moet immers gaan om een wegnemen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De aard van het primair te beschermen goed is bepalend voor het type delict dat van toepassing is. De wet deelt de strafbare feiten in per Titel (bijvoorbeeld misdrijven tegen openbare orde, vermogen, vrijheid, etc.). Dit kan van doorslaggevende betekenis zijn bij de kwalificatie door de rechter van een bepaald gedrag in termen van een wettelijke strafbaar feit voor de al dan niet toepasselijkheid van het desbetreffende wetsartikel.

    Van Bemmelen spreekt over de bij de mens van nature aanwezige eis dat het leven in stand gehouden moet worden, de eis van naastenliefde, de eis van de waarachtigheid en de eis der reinheid of kuisheid. Het bestaan hiervan is terug te vinden in veel delicten (denk aan moord, oplichting, aanranding etc.).

    Welke verschillende richtingen kent het strafrecht en hoe rechtvaardigen zij het strafrecht?

    Binnen het strafrecht komen veel subjectieve opvattingen voor, voornamelijk wat betreft de rechtvaardiging van straffen. Antonius Matthaeus (1601-1654) was een grootheid binnen het strafrecht. Hij ging uit van een relatief zeer tolerante en humane vooruitstrevendheid. Ook Plato was in de Klassieke Oudheid van mening dat de straf niet zo zeer als vergelding moest tellen, maar dat het ter verbetering van de misdadiger diende. Weer anderen stellen dat de belangrijkste functie van het strafrecht de preventieve werking van de strafbedreiging is, of de afschrikkende werking en het onschadelijk maken van aangedaan leed.

    Hugo De Groot, een natuurrechtsdenker, was van mening dat voor de rechtvaardiging van de straf aansluiting gezocht moest worden met de wil van de dader: deze wordt geacht de straf, als natuurlijk gevolg van zijn misdadige gedraging, eenvoudig te hebben gewild. De theorie van het 'Contrat Social' (maatschappelijk contract) van Rousseau is een verlengstuk van het natuurrechtsdenken van de Groot. Het maatschappelijke contract berust op het natuurlijke imaginaire beeld dat burgers met elkaar vrijwillig een overeenkomst hebben gesloten krachtens welke zij ten opzichte van elkaar plichten op zich hebben genomen, die de staat gerechtigd is te handhaven. Rousseau zag verder het Contrat Social als de rechtsgrond van de straf en ook Beccaria beschouwde dit als een fundament van het overheidsrecht tot straffen.

    De absolute vergeldingstheorie

    Voor het strafrecht van de laatste twee eeuwen is vooral het denken richting de vergeldingsgedachte van belang geweest. De vergelding vereist een gelijkheid tussen straf en misdaad, deze hoeven niet identiek te zijn maar dienen gelijk in waarde, in zwaarte te zijn. Kant en Hegel zijn voorstanders van de absolute vergelding. Het misdrijf vormt hierin de grondslag van de straf (quia peccatum); de straf vindt dus in het misdrijf zelf haar rechtvaardiging, geheel los van het effect (absoluta ab effectu). Het doel van de straf is in deze gedachte ondergeschikt.

    In Nederland is Leo Polak een voorstander van de vergeldingsleer. Hij omschreef het als een trans-egoïstische belangenharmonisering, waarbij de straf wordt gezien als een middel dat door toevoeging van het leed (het 'prae'), dat de dader zichzelf door zijn daad wederrechtelijk heeft verschaft, weer ongedaan kan worden gemaakt en daarmee de in de rechtsorde aangebrachte deuk weer te vereffenen.

    De Klassieke Richting

    De Klassieke Richting, in het leven geroepen door Beccaria, ging uit van het vergeldingsbeginsel. Essentieel was de gedachte van het Contrat Social, het maatschappelijke contract, dat geacht werd door de burgers onderling te zijn gesloten als basis voor de uitoefening van overheidsmacht. Beccaria ging uit van het maximale geluk voor een maximaal aantal mensen. Dit kan bereikt worden door het voorkomen van criminaliteit en door behoorlijke wetgeving die mensen verzekert van een maximum welzijn. In zijn opinie bevat het strafrecht:

    • Uitsluitend geschreven wetboeken (om willekeur te voorkomen).

    • Geen onnodige strafbaarstellingen.

    • Duidelijke en heldere formuleringen (ten behoeve van rechtszekerheid).

    • Gerechtvaardigde straffen (niet meer dan vergelding).

    • Proportionaliteit van straffen.

    • Zekerheid van straffen.

    • Geen preventief optreden, maar retrospectief reageren.

    De Klassieke Richting had in overheersende mate het karakter van een daadstrafrecht. Vandaag de dag komt nog een groot deel van de door de Klassieke Richting gestelde grondslagen voor in het strafrecht.

    De relatieve of doeltheorieën

    De relatieve of doeltheorieën zijn strafrechtstheorieën, volgens welke de rechtvaardiging van de straf is gelegen in het doel daarvan. In deze theorie wordt de rechtsgrond van de straf bepaald door het doel, terwijl bij de absolute theorie men uitgaat van het feit dat het doel door de rechtsgrond, de vergelding wordt bepaald.

    De Moderne richting en de IKV

    Aan het eind van de 19e eeuw kwam de Moderne richting op die de speciaal preventieve strafdoelen veel meer centraal ging stellen. Men was teleurgesteld over het falen het sanctiestelsel van de Klassieke richting. In 1891 werd daarom door Duitsland, Nederland en België de IKV (Internationale Kriminalistische Vereinigung) opgericht, die de Moderne richting leven inblies. De IKV had als doel om gezamelijk crimineel-politieke doeleinden na te streven. Hiervoor kreeg criminologie een grotere rol in de preventie naar misdaad. De focus werd aldus verlegd naar het verbeteren van de gestrafte, om zo te voorkomen dat hij nogmaals een misdaad zou begaan. Steeds meer wetenschappers gingen zich bezighouden met de strijd tegen de misdaad, er werd vooral gezocht naar invloeden in het individu en in het sociale milieu. In het Klassieke denken ging men nog uit van de vrije wil van de dader, in de Moderne richting ging men uit van buiten de vrije wil gelegen invloeden op de burger (zoals opvoeding, milieu en samenleving) die aanzetten tot normoverschrijding.

    De Moderne richting heeft een sterke invloed gehad op het Nederlandse strafrecht, de bescherming van de samenleving tegen gevaarlijke daders was van steeds groter belang en is dat nu nog steeds.

    De verenigingstheorie

    In deze theorie, die een synthese is van de verschillende strafrechtstheorieën, wordt een scherp onderscheid gemaakt tussen de rechtsgrond en het doel van het strafrecht. De vergelding, in proportionele zin, vormt in deze gemengde gedachte de grondslag van de straf. Daarnaast is er plaats voor verschillende doeleinden, namelijk speciale preventie, generale preventie, inscherping van de norm, conflictoplossing en bescherming van de samenleving. Sinds de afloop van de Tweede Wereldoorlog domineert deze theorie in Nederland.

    Het naoorlogse strafrecht: paternalistisch-humaan

    Naast de vergeldingstheorie werd het Nederlandse strafrecht na de Tweede Wereldoorlog ook gekenmerkt door een paternalistisch-humaan karakter. Hierin valt te onderscheiden: het rationele humanisme (geassocieerd met Vrij), het ethisch humanisme (verdedigd door Pompe) en het pragmatisch humanisme (voorgestaan door Van Bemmelen). Het strafrecht raakte meer down to earth; er was meer aandacht voor de maatschappelijke doelgerichtheid. Deze ontwikkeling staat bekend als de functionalisering of instrumentalisering van het strafrecht. Er hebben zich in die tijd twee scholen gevormd: de Utrechtse school met Pompe als voorman en de school van Vrij.

    De Utrechtse school

    De Utrechtse school kenmerkt zich door een intensieve samenwerking tussen strafrechtwetenschap, criminologie, penologie (de leer van de straf), de sociologie, de forensische psychiatrie en de psychologie. Pompe maakt een onderscheid tussen het wezen van de straf (de vergelding van de schuld) en het doel van de straf als instituut van het recht (de behartiging van het algemene welzijn) en de werking van de straf (speciale en generale preventie). De generale preventieve werking ontstaat door het leedtoevoegende karakter van de straf. De speciale preventieve werking kan op drie manieren plaatsvinden:

    1. Door afschrikking van de dader.

    2. Door verbetering van de dader.

    3. Door onschadelijk maken van de dader.

    Pompe gaat uit van de overtuiging dat het wezen van de straf, de vergelding van schuld is. De straf heeft ook een feitelijke werking, zij werkt al dan niet afschrikkend op de rechtsgenoten in het algemeen en op de dader in het bijzonder. De generale preventieve werking volgt uit de eigenschap van de straf, dat zij leedtoevoegend is. Doordat de verantwoordelijkheid van de mens en het goedmaken van de daad aan de vergelding ten grondslag liggen meent Pompe de kern van het strafrecht te raken. Over het algemeen wordt gesteld dat de Utrechtse school heeft bijgedragen aan de vermildering en humanisering van het strafrecht. Wel kreeg men diverse kritiekpunten toegeworpen vanuit de rechterlijke macht, het OM en de advocatuur. Verder is het belangrijk binnen de Utrechtse school dat de dader als medemens moet worden gezien. Diegene moet dan ook menselijk en respectvol worden behandeld. Op deze manier heeft de Utrechtse school dan ook bijgedragen aan het milder worden van het Nederlandse strafrecht.

    De School van M.P. Vrij

    In de school van M.P. Vrij speelde functionalisme een grote rol. Deze school past veel meer dan de school van Pompe in het idee van functionalisme van Remmelink. Vrij stelt dat het begrip 'subsocialiteit' centraal staat in het strafrecht. Naast schuld en wederrechtelijkheid is de subsocialiteit volgens Vrij de derde belangrijke factor van het strafbare feit. De dader moet voor het onrecht wat hij heeft begaan zich verantwoorden en de schuld op zich nemen. Maar hiernaast veroorzaakt de dader met zijn daad een verandering in de maatschappelijke gesteldheid, de zogenaamde 'subsociale gevolgen' van de daad. Een strafbaar feit brengt volgens Vrij een viertal subsociale gevolgen teweeg, te weten herhalingsgedrag van de dader, onvoldaanheid van het slachtoffer, neigingen tot navolging van derden en ontdaanheid van vierden. Vrij beschouwde de subsocialiteit als een grondslag voor de maatregel wanneer een straf niet mogelijk is, maar ingrijpen maatschappelijk gezien zeer gewenst geacht wordt.

    Vanuit crimineel-politiek oogpunt is Vrij’s gedachtegang heel belangrijk geweest, maar hij ontving ook veel kritiek. Toch heeft hij de misdaad in een sociaal-psychologische context weten te plaatsen en impliceert zijn theorie een overgang van materieel naar formeel recht.

    De juridiseringsrichting en de welzijnsrichting (1970-1980)

    Sinds de jaren tachtig zijn er grote maatschappelijke ontwikkelingen ontstaan. De samenleving is steeds grootschaliger geworden door bureaucratisering en door automatisering waardoor een enorme verzakelijking ontstond. Hierdoor is pragmatisch en economisch denken erg gaan overheersen. Door dit alles kwam binnen het strafrecht het accent weer meer op vergelding te liggen (neo-vergelding). Door de verzakelijking was het mogelijk om twee hoofdstraffen op te leggen (gevangenisstraf en geldboete), maar ook ontstonden er cellentekorten door langere gevangenisstraffen.

    Een van de meest recente ontwikkelingen is het tot stand komen van het bestuursstrafrecht. Dit is een tussenvorm tussen het bestuursrecht en het strafrecht. Het gaat hierbij om de mogelijkheid van het bestuur om bepaalde sancties op te leggen. Het gaat dan nooit om vrijheidsbenemende sancties.

    De juridiseringsrichting

    De juridiseringrichting kent veel gewicht toe aan de wijze waarop van nature eenmaal bestaande wraak- en vergeldingsgevoelens van mensen onder elkaar vorm wordt gegeven en wel in regulerende zin, overeenkomstig de strekking van de in het klassieke strafrecht gewortelde rechtsbeginselen. Deze staan 'orthogonaal' op de ordeningsfunctie van het recht; de ordeningsfunctie ('policing society') blijft de belangrijkste functie van het strafrecht, maar het werkelijke rechtskarakter van het strafrecht is controle op die ordening ('policing the police'). Een ander uitgangspunt is dat in het strafproces door het recht zelf de noodzaak van bescherming van de enkeling, het individu, wordt erkend en daarmee de legitimiteit van zijn belangentegenstelling en van zijn geschilpunten in interpretaties van feiten en recht met de staat. Om dit te laten lukken is de handhaving van contradictoire structuur in het strafproces vereist. Er moet voor gezorgd worden dat partijen hun belangen daadwerkelijk en onafhankelijk aan de orde kunnen stellen.

    De welzijnsrichting

    De welzijnsrichting richtte zich op de reductie van het strafrecht vanuit een kritische visie op het veelal irrationele en discriminatoire karakter van het strafrecht in het licht van de sociale verhoudingen waarvan het een uitdrukking vormt. Een ondoelmatig gebruik van het strafrecht (hier wordt bedoeld: als het niet daadwerkelijk bijdraagt aan het oplossen van conflicten of aan het beïnvloeden van het gedrag van mensen), werd in deze richting afgewezen. Men streefde naar decriminalisering en deponalisering.

    Welke nieuwe ontwikkelingen kent het strafrecht?

    Het slachtoffer in het strafrecht

    De rol van het slachtoffer in het strafproces is van oudsher erg klein. Met de gedachte in het achterhoofd, dat eigenrichting voorkomen moet worden (aangezien de kans op escalatie in dat geval groot is), treedt de overheid op in de plaats van het slachtoffer bij het strafproces. Het slachtoffer doet aangifte, legt een getuigenis af en dergelijke, maar voor de rest heeft hij niets over het proces te vertellen. De afgelopen decennia is er echter wel veel verbeterd rond de situatie van slachtoffers. Zo zijn er tal van instellingen en fondsen opgericht om slachtoffers van misdrijven te helpen en steunen: De Landelijke Organisatie Slachtofferhulp, de Vereniging Slachtofferhulp Nederland, het Fonds voor Slachtofferhulp en dergelijke.

    Daarnaast is ook de focus van het delict verlegd van schending van de rechtsorde naar schending van de rechten van het slachtoffer, waarbij vooral de volgende drie behoeften van het slachtoffer voorop worden gesteld: de emotionele wens om serieus te worden genomen en om met respect te worden bejegend, de behoefte aan informatie over de ontwikkelingen in de hen betreffende strafzaken en, in geval van schade, de behoefte aan schadevergoeding, bij voorkeur door de dader zelf te betalen. Deze behoeften zijn vastgelegd in Titel III A in boek I van het Wetboek van Strafvordering. Zie bijvoorbeeld art. 51a lid 3 en 51b Sv over de kennisneming van processtukken en het op de hoogte gehouden worden door de OvJ, art. 51f Sv over de mogelijkheid voor het slachtoffer om zich als 'benadeelde partij' te laten voegen, waardoor een schadevergoeding via de strafrechter geregeld kan worden en art. 302 Sv over het recht voor slachtoffers of diens nabestaanden om een mondelinge verklaring af te leggen op de zitting over de gevolgen die de misdaad voor hen teweeg gebracht hebben.

    Degene die het spreekrecht wil uitoefenen moet dit aan de OvJ schriftelijk mededelen (art. 51e lid 1 Sv). De rechter hoort vervolgens het slachtoffer (art. 303 lid 1 Sv). Het spreekrecht heeft zich snel een vaste positie verworven in het strafproces en sinds juli 2016 is het spreekrecht dan ook aanzienlijk uitgebreid. Het spreekrecht gaat niet langer alleen over de gevolgen van het delict, maar ook over bewijskwesties en de gewenste straf(maat).

    Op 1 januari 2019 is de Wet Affectieschade in werking getreden. In bepaalde gevallen kan ook een vergoeding worden gevorderd voor schade die niet bestaat in vermogensschade.

    De verzakelijking en de neo-vergelding

    De samenleving is zich gaan kenmerken door een groeiende organisatiegraad, door een toenemende grootschaligheid, door bureaucratisering en door automatisering. Er is dus een verzakelijking van de maatschappij gaande. Het accent in het strafrecht kwam daardoor weer meer op de vergelding te liggen, men spreekt dan ook van neo-vergelding. In 1983 kwam nieuwe wetgeving tot stand met betrekking tot sancties waarbij geldboete-categorieën werden geïntroduceerd. Cumulatie van hoofdstraffen werd verder niet meer strafbaar gesteld. Ook de tenuitvoerlegging van de straf verzakelijkte, de overheid kreeg bijvoorbeeld de reclassering steeds meer in haar greep door krappe budgettering. Intussen is de criminaliteit ook alsmaar toegenomen, dit heeft gezorgd voor diverse aanpassingen van strafbepalingen. Bijvoorbeeld de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen en bepalingen op het gebied van cybercriminaliteit en terroristische misdrijven.

    Het bestuursstrafrecht

    Het bestuursstrafrecht kan gezien worden als een tussenvorm tussen het strafrecht en het administratieve recht. Het bestuursstrafrecht is om effenciency-redenen ingevoerd; het verplaatsen van het opleggen van punitieve sancties bij sommige wetten haalt een last van de schouders van het gerechtelijk systeem. Er zijn al enige wetten die de bestuurlijke boete kennen, deze wordt niet via de rechter afgedaan. Wel is er rechterlijke controle achteraf indien men beklag doet tegen een bestuurlijke boete. De eisen van art. 6 EVRM zijn ook op bestuurlijke boetes van toepassing. Hiervoor geldt het belangrijke Öztürk-arrest (EHRM 21 februari 1984, NJ 1988/937) met betrekking tot het begrip 'criminal charge'.

    Europees strafrecht

    Het Nederlandse materiële strafrecht is niet meer los te denken van de Europese ontwikkelingen. Een voorbeeld hiervan is de invoering van art. 248e Sr naar aanleiding van het Verdrag van Lanzarote. De invloed van Europese verdragen en regelingen op het nationale strafrecht wordt 'harmonisatie' genoemd. Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen harmonisatie van materieel strafrecht en formeel strafrecht. Materiële harmonisatie houdt in dat het recht van een lidstaat wordt afgestemd op Europese normen. Formele harmonisatie houdt de harmonisatie in met betrekking tot politiële en justitiële samenwerking in strafzaken.

    Wat zijn strafbare feiten en daders? - Chapter 2

    Wat zijn strafbare feiten en daders? - Chapter 2

    Welke verschillende dimensies kent het begrip 'strafbaar feit'?

    In een rechtstaat behoort de strafbaarheid in de geschreven wet te staan en moet het overeenkomen met het legaliteitsbeginsel.

    Een strafbaar feit is opgebouwd uit drie dimensies:

    • Het historische strafbaar feit: de gedraging van iemand in een bepaalde context, leidend tot een bepaald, ongewenst resultaat is een strafbaar feit, omdat de wet dit als zodanig noemt en omschrijft.

    • De wettelijke strafbare feiten: de delictsomschrijvingen die men in de wettelijke strafbepalingen aantreft en waarop in beginsel de algemene bepalingen van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn. Een wettelijk strafbaar feit is de inhoud van de delictsomschrijving. Het is echter zo dat als drie mensen gezamenlijk iemand dood schieten, er in feiten maar één moordenaar kan zijn. Daarom zijn er bepalingen in het leven geroepen zoals de regeling van deelneming, artikel 47 Sr.

    • Het juridisch strafbare feit: in het strafrecht zijn strafrechtsdogmatische voorwaarden voor strafbaarheid ontwikkeld die nadere condities inhouden om een wettelijke strafbaar gesteld feit inderdaad een strafbaar feit te laten zijn.

    Wat is het legaliteitsbeginsel? - Chapter 3

    Wat is het legaliteitsbeginsel? - Chapter 3

    Wat houdt materieelrechtelijke en strafvorderlijke legaliteit in?

    Het legaliteitsbeginsel staat vermeld in art. 1 Sv en art. 1 Sr. De materiële legaliteit staat vermeld in art. 1 Sr: geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgaande wettelijke strafbepaling. De formele legaliteit staat vermeld in art.1 Sv: strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien. Bij dit laatste wordt de wet in formele zin bedoeld. Zowel de strafrechtelijke als het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel hebben tot doel om de democratische grondslag van de strafrechtspleging te verzekeren.

    Wat houdt het begrip wederrechtelijkheid in? - Chapter 4

    Wat houdt het begrip wederrechtelijkheid in? - Chapter 4

    Wat is de definitie van het begrip 'wederrechtelijkheid'?

    De definitie van een strafbaar feit in juridische zin: een menselijke gedraging, die krachtens het legaliteitsbeginsel een wettelijke delictsomschrijving vervult en daarnaast, behalve aan schuld te wijten, ook wederrechtelijk is. De gelding van het legaliteitsbeginsel en de wederrechtelijkheid betreffen als voorwaarden voor strafbaarheid de objectieve zijde van het delict. Het wederrechtelijke gehalte van een delict berust op het feit dat de wettelijke delictsomschrijving de schending van een onderliggende rechtsnorm impliceert. Van alle denkbare gedragingen in de samenleving is een deel wederrechtelijk, waarvan weer een deel strafbaar is gesteld.

    Wat betekent causaliteit in het strafrecht? - Chapter 5

    Wat betekent causaliteit in het strafrecht? - Chapter 5

    Doorgaans zijn het vooral de materieel omschreven delicten (het gevolg staat centraal) waarbij de causaliteitsproblematiek ontstaat. Dit komt doordat materiële delicten naar hun gevolg omschreven zijn en er weinig gesproken wordt over het delictsgedrag (handelen of nalaten) zelf. Dit wordt meestal in algemene termen aangeduid (bijvoorbeeld art. 287 Sr; van het leven beroven) of het gedrag wordt omschreven door het woord 'veroorzaken' (bijvoorbeeld art. 157 Sr; een overstroming veroorzaken). Bij deze delictsomschrijvingen kan over het algemeen verondersteld worden dat de gedraging en het gevolg een causaal verband met elkaar onderhouden, maar er zijn situaties denkbaar waarin dat verband niet duidelijk aanwezig is. Ook bij gekwalificeerde delicten ontstaan vaak problemen. De complicatie hier is dat het opzet van de dader vaak niet gericht was op het strafverzwarende gevolg, hij dit niet direct voorzag en soms in het geheel niet kon voorzien. Bijvoorbeeld bij brandstichting de dood ten gevolge hebbende, art. 157 sub 3 Sr. Tot slot zijn er de delictsomschrijvingen die ‘bewegen tot’, 'bewerkstelligen' of een synoniem van die begrippen als gedraging kennen (bijvoorbeeld oplichting, bewegen tot afgifte van een goed, art. 326 Sr) die causaliteitsproblematiek met zich meebrengen.

    Wat betekent schuld in het strafrecht? - Chapter 6

    Wat betekent schuld in het strafrecht? - Chapter 6

    Iemand kan niet verantwoordelijk zijn voor zijn daad als hij geen schuld heeft. Dit is eigenlijk de hoofdregel voor het strafrecht. Menselijke verantwoordelijkheid is een veelzijdig begrip en hiermee is ook schuld een veelzijdig begrip. Art. 27 Sv en art. 6 EVRM spelen een belangrijke rol bij schuld. De term schuld laat zich in het strafrecht globaal benaderen als: geen externe aansprakelijkheid zonder innerlijke verantwoordelijkheid, zoals evenmin de strafbaarheid van wat niet wederrechtelijk zinvol wordt geacht.

    Waarin kunnen strafuitsluitingsgronden worden onderverdeeld? - Chapter 7

    Waarin kunnen strafuitsluitingsgronden worden onderverdeeld? - Chapter 7

    Systeem van de wet

    De wet formuleert omstandigheden waaronder iemand straffeloos kan blijven, terwijl diegene wel voldoet aan de bestanddelen van een strafbaar feit. Deze omstandigheden worden strafuitsluitingsgronden genoemd. De algemene strafuitsluitingsgronden zijn door de wetgever geformuleerd in de artt. 39 tot en met 43 Sr. Van belang is dat de verdachte zich beroept op een strafuitsluitingsgrond.

    Welke voorwaarden gelden er voor strafbare poging? - Chapter 8

    Welke voorwaarden gelden er voor strafbare poging? - Chapter 8

    Welke onvoltooide delictsvormen kent de wet?

    Artt. 45-46b Sr bieden een mogelijkheid om delicten waarvan de voltooiing niet geslaagd is, omdat men bijvoorbeeld al in een vroeg stadium betrapt is, toch strafbaar te stellen. De twee manieren waarop dat kan gebeuren zijn de strafbare poging (art. 45 Sr) en de strafbare voorbereiding (art. 46 Sr).

    Welke vormen van deelneming en medeplegen zijn er? - Chapter 9

    Welke vormen van deelneming en medeplegen zijn er? - Chapter 9

    De deelnemingsvormen: daderschap en medeplichtigheid

    Een en hetzelfde strafbare feit kan leiden tot de strafbaarheid van meer personen, die aan de totstandkoming van dat feit actief hebben bijgedragen. De wet heeft in art. 47 en verder Sr de deelneming aan strafbare feiten onder bepaalde omstandigheden strafbaar gesteld. Dit zijn de:

    • Pleger

    • Medepleger

    • Uitlokker

    • Medeplichtige, die uitsluitend zijn ondersteuning en daarmee zijn begunstiging geeft aan een door anderen gepleegd of begaan misdrijf is onderworpen aan een lager strafmaximum.

    Wanneer zijn rechtspersonen strafbaar? - Chapter 10

    Wanneer zijn rechtspersonen strafbaar? - Chapter 10

    De abstrahering van het fysieke daderschap: wat is het functionele daderschap?

    De (in hoofdstuk 9 behandelde) deelnemingsregel kan gezien worden als een verruiming van het daderschap. In de loop van de tijd zijn abstractere vormen van daderschap in het kader van plegen aanvaard. Hierbij valt te denken aan het functionele daderschap. Dit houdt in dat een ander dan degene die fysiek handelt als dader geldt op grond van zijn maatschappelijke functie. Met name in het economisch verkeer doet zich dit veelvuldig voor. Functioneel daderschap is uitsluitend denkbaar terzake functionele delicten, ofwel delicten die door een functionele dader kunnen worden gepleegd, omdat de betreffende strafbepalingen zich daadwerkelijk tot deze richten (normadressaat of de geadresseerde).

    Wat zijn de strafrechtelijke sancties en meting? - Chapter 11

    Wat zijn de strafrechtelijke sancties en meting? - Chapter 11

    Het vertrouwen in de rechter

    De rechter heeft veel vrijheid bij het toemeten van de straf. De rechter heeft dus een grote straftoemetingsvrijheid. Dit komt onder meer door de zeer lage algemene strafminima die in de wet zijn vermeld. Na de Tweede Wereldoorlog is het strafrecht een humaan strafrecht geworden waarin beginselen van een beschaafde samenleving en elementaire mensenrechten dienden te worden gerespecteerd (ook onder invloed van het EVRM en het BUPO-verdrag). Van doorslaggevende betekenis in de Nederlandse straftoemetingscultuur is steeds geweest een groot vertrouwen in de onafhankelijke rechter, die over ruime marges verdiende te beschikken teneinde naar eer en geweten rechte te kunnen doen aan de ernst van het misdrijf en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd alsmede de persoon van de dader en de achtergronden waaruit deze tot het misdrijf is gekomen. Naast de klassieke grondslag van de vergelding en het klassieke doel van de generale preventie waren de speciale preventie en de reclassering of resocialisatie beduidend in gewicht toegenomen.

    Welke strafrechtelijke sancties kunnen er ten uitvoer gelegd worden? - Chapter 12

    Welke strafrechtelijke sancties kunnen er ten uitvoer gelegd worden? - Chapter 12

    Het executierecht

    De tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties, ook wel strafexecutie genoemd, vormt de laatste fase van de strafrechtspleging. De tenuitvoerlegging omvat verschillen dimensies:

    1. Uitvoering geven aan de rechterlijke beslissing, dat wil zeggen dat de door de rechter opgelegde straf wordt voltrokken. Het gaat dan om het feit of de daad van de tenuitvoerlegging van het strafvonnis. Het OM wordt in die zin als verantwoordelijke instantie aangewezen (art. 4 wet RO) op wiens last krachtens art. 553 Sv de tenuitvoerlegging van onherroepelijke rechterlijke beslissingen moet geschieden. Zie ook art. 564 Sv.

    2. Vormgeving aan het vonnis, dus de wijze waarop de sanctie wordt voltrokken. Denk hierbij aan het voorbeeld dat een boete in zijn geheel of in termijnen betaald kan worden. Ook zijn er verschillende soorten gevangenissen waar de gedetineerden vast kunnen komen zitten. Zie daarvoor de volgende pagina's van de samenvatting.

    3. De wijze waarop aan de vrijheidsbeneming inhoud wordt gegeven. De betrokkene wordt tijdens de vrijheidsbeneming onderworpen aan een bepaald regime. Elke plaats kent zijn eigen regime. Een gevangenis heeft bijvoorbeeld aan ander regime dan een huis van bewaring.

    Studieboek materieel strafrecht - Kelk & De Jong - 7e druk - BulletPoints

    Studieboek materieel strafrecht - Kelk & De Jong - 7e druk - BulletPoints

    Welke essentialia kent het Nederlandse strafrecht? - BulletPoints 1

    • Strafrecht is het ius puniendi, dat wil zeggen het recht van de staat om burgers te straffen op grond van overtreding van normen en waarden. Het publieke strafrecht wil hiermee ongerichte wraak voorkomen, ofwel voorkomen dat burgers voor eigen rechter gaan spelen waarbij zij de grenzen van het toelaatbare overschrijden. Dit laatste staat bekend als eigenrichting. Volgens velen is het bewaken van de veiligheid en het ordelijk verloop van de samenleving door bepaalde schadelijke en gevaarlijke menselijke gedragingen tegen te gaan door middel van vervolging en bestraffing de belangrijkste functie van het strafrecht. Het Nederlandse strafrecht bestaat uit een materieel en een formeel gedeelte.

    • Kernbegrippen van ons strafrecht zijn:

    1. Daderschap.

    2. Wederrechtelijkheid.

    3. Schuld.

    4. Causaliteit.

    • Het onderscheid tussen rechts- en wetsdelicten valt meestal samen met het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen. Het verschil tussen misdrijven en overtredingen is dat er bij misdrijven altijd een bestanddeel instaat dat opzet of schuld uitdrukt, in de overtredingen ontbreekt dit vrijwel altijd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de gedraging (het materiële feit), niet om de gedachte achter deze gedraging.
    • De strafbepaling bestaat uit twee delen: de delictsomschrijving (welke de schending van een bepaalde materiële norm inhoudt) en de sanctienorm. Door sommige strafrechtwetenschappers wordt het strafrecht gezien als sanctierecht. Zij zien het eigene van het strafrecht als uitsluitend de sanctienorm. In hun optiek zijn de materiële normen die het strafrecht beschermd slechts herhalingen van reeds bestaande normen, waar het strafrecht vervolgens een sanctienorm aan verbindt.
    • Het strafrecht beoogt bescherming te bieden tegen de existentiële en morele aantasting van de privacy van de burgers. Het beoogt het geschonden rechtsgoed te beschermen. Het moet immers gaan om een wegnemen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De aard van het primair te beschermen goed is bepalend voor het type delict dat van toepassing is. De wet deelt de strafbare feiten in per Titel (bijvoorbeeld misdrijven tegen openbare orde, vermogen, vrijheid, etc.). Dit kan van doorslaggevende betekenis zijn bij de kwalificatie door de rechter van een bepaald gedrag in termen van een wettelijke strafbaar feit voor de al dan niet toepasselijkheid van het desbetreffende wetsartikel.
    • Voor het strafrecht van de laatste twee eeuwen is vooral het denken richting de vergeldingsgedachte van belang geweest. De vergelding vereist een gelijkheid tussen straf en misdaad, deze hoeven niet identiek te zijn maar dienen gelijk in waarde, in zwaarte te zijn. Kant en Hegel zijn voorstanders van de absolute vergelding. Het misdrijf vormt hierin de grondslag van de straf (quia peccatum); de straf vindt dus in het misdrijf zelf haar rechtvaardiging, geheel los van het effect (absoluta ab effectu). Het doel van de straf is in deze gedachte ondergeschikt.
    • De Klassieke Richting, in het leven geroepen door Beccaria, ging uit van het vergeldingsbeginsel. Essentieel was de gedachte van het Contrat Social, het maatschappelijke contract, dat geacht werd door de burgers onderling te zijn gesloten als basis voor de uitoefening van overheidsmacht. Beccaria ging uit van het maximale geluk voor een maximaal aantal mensen. Dit kan bereikt worden door het voorkomen van criminaliteit en door behoorlijke wetgeving die mensen verzekert van een maximum welzijn.
    • De relatieve of doeltheorieën zijn strafrechtstheorieën, volgens welke de rechtvaardiging van de straf is gelegen in het doel daarvan. In deze theorie wordt de rechtsgrond van de straf bepaald door het doel, terwijl bij de absolute theorie men uitgaat van het feit dat het doel door de rechtsgrond, de vergelding wordt bepaald.
    • De Moderne richting heeft een sterke invloed gehad op het Nederlandse strafrecht, de bescherming van de samenleving tegen gevaarlijke daders was van steeds groter belang en is dat nu nog steeds.In het Klassieke denken ging men nog uit van de vrije wil van de dader, in de Moderne richting ging men uit van buiten de vrije wil gelegen invloeden op de burger (zoals opvoeding, milieu en samenleving) die aanzetten tot normoverschrijding.
    • De vergelding, in proportionele zin, vormt in deze gemengde gedachte de grondslag van de straf. Daarnaast is er plaats voor verschillende doeleinden, namelijk speciale preventie, generale preventie, inscherping van de norm, conflictoplossing en bescherming van de samenleving. Sinds de afloop van de Tweede Wereldoorlog domineert deze theorie in Nederland.
    • Naast de vergeldingstheorie werd het Nederlandse strafrecht na de Tweede Wereldoorlog ook gekenmerkt door een paternalistisch-humaan karakter. Hierin valt te onderscheiden: het rationele humanisme (geassocieerd met Vrij), het ethisch humanisme (verdedigd door Pompe) en het pragmatisch humanisme (voorgestaan door Van Bemmelen). Het strafrecht raakte meer down to earth; er was meer aandacht voor de maatschappelijke doelgerichtheid. Deze ontwikkeling staat bekend als de functionalisering of instrumentalisering van het strafrecht. Er hebben zich in die tijd twee scholen gevormd: de Utrechtse school met Pompe als voorman en de school van Vrij.
    • De rol van het slachtoffer in het strafproces is van oudsher erg klein. Met de gedachte in het achterhoofd, dat eigenrichting voorkomen moet worden(aangezien de kans op escalatie in dat geval groot is), treedt de overheid op in de plaats van het slachtoffer bij het strafproces. Het slachtoffer doet aangifte, legt een getuigenis af en dergelijke, maar voor de rest heeft hij niets over het proces te vertellen. De afgelopen decennia is er echter wel veel verbeterd rond de situatie van slachtoffers. Zo zijn er tal van instellingen en fondsen opgericht om slachtoffers van misdrijven te helpen en steunen: De Landelijke Organisatie Slachtofferhulp, de Vereniging Slachtofferhulp Nederland, het Fonds voor Slachtofferhulp en dergelijke.
    • Een van de meest recente ontwikkelingen is het tot stand komen van het bestuursstrafrecht. Dit is een tussenvorm tussen het bestuursrecht en het strafrecht. Het gaat hierbij om de mogelijkheid van het bestuur om bepaalde sancties op te leggen. Het gaat dan nooit om vrijheidsbenemende sancties.
    Geprinte samenvatting van Studieboek materieel strafrecht - Kelk & De Jong - 7e druk
    De crossroads van deze bundel
    Studiebundel Materieel strafrecht - UL
    Advies & Assortimentswijzer Materieel Strafrecht - UL
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Studieboek materieel strafrecht - Kelk & De Jong - 7e druk
    Keuzewijzer voor arrest- en artikelsamenvattingen van Materieel Strafrecht - UL
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Studieboek materieel strafrecht - Kelk & de Jong - 7e druk
    Shopbundel met geprinte samenvattingen Materieel Strafrecht - UL
    Samenvattingen Shop Rechten Bachelor 2 - UL
    Studiebundel Materieel strafrecht - UU
    Advies & Assortimentswijzer Materieel Strafrecht - UU
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Studieboek materieel strafrecht - Kelk & De Jong - 7e druk
    Keuzewijzer voor arrest- en artikelsamenvattingen van Materieel Strafrecht - UU
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Studieboek materieel strafrecht - Kelk & de Jong - 7e druk
    Geprinte samenvatting van Studieboek materieel strafrecht - Kelk & De Jong - 7e druk
    Geprinte oefententamens van Materieel Strafrecht - UU
    Samenvattingen Shop Rechten Bachelor 2 - UU
    Studiebundel Notarieel Traject Rechten Bachelor 2 - UU
    Studiebundel Vennootschappen en Rechtspersonen - UU
    Keuzewijzer voor samenvattingen van SBR 3: Rechtshandeling en Overeenkomst - Hijma et al. - 9e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Studieboek materieel strafrecht - Kelk & De Jong - 7e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Pitlo Deel 3: Goederenrecht - Reehuis & Heisterkamp - 14e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Bestuursrecht 1: Systeem; bevoegdheid; bevoegdheidsuitoefening; handhaving - Bröring et al. - 6e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Ons strafrecht 2: Strafprocesrecht - Keulen & Knigge - 14e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van De kern van het ondernemingsrecht - Kroeze et al. - 5e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Contractuele samenwerkingsvormen in beroep en bedrijf - Huizink - 6e druk
    Keuzewijzer voor samenvattingen van Stein/Rueb Compendium Burgerlijk procesrecht - Gras et al. - 22e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van SBR 3: Rechtshandeling en Overeenkomst - Hijma et al. - 9e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Studieboek materieel strafrecht - Kelk & de Jong - 7e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Pitlo: Goederenrecht - Reehuis & Heisterkamp - 14e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Bestuursrecht 1: Systeem; bevoegdheid; bevoegdheidsuitoefening; handhaving - Bröring et al. - 6e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Ons strafrecht 2: Strafprocesrecht - Keulen & Knigge - 14e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van De kern van het ondernemingsrecht - Kroeze et al. - 5e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Contractuele samenwerkingsvormen in beroep en bedrijf van Huizink - 6e druk
    Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Stein/Rueb Compendium Burgerlijk procesrecht - Gras et al. - 22e druk
    Shopbundel met geprinte samenvattingen voor Notarieel Traject Rechten Bachelor 2 - UU
    Samenvattingen Shop Rechten Bachelor 2 - UU
    JoHo: bundel begrijpen

      Hoe werkt een JoHo Bundel (pagina)

    • Bundels zijn verzamelingen (vaak links) van pagina's rond een specifieke vraag of onderwerp
    • Bundels werken als navigatietool

    Welke soorten bundels zijn er?

    Productbundels

    • Verzekeringsbundels: verzameling van content rond verzekeringsadvies of verzekeringsaanbod
    • Abonnementsbundels: verzameling van content rond advies of services voor JoHo abonnees en donateurs
    • Shopbundels: verzameling van artikelen die besteld kunnen worden

    Persoonlijke bundels

    • op vrijwel elke pagina kun je onder de 'Footprints' de 'Add to my pages' optie vinden. Daar kun je pagina's toevoegen aan je eigen verzamelingen en bundels. Deze bundels met jouw bewaarde pagina's kun je vervolgens onderaan vrijwel elke pagina terugvinden als je bent ingelogd als JoHo donateur of abonnee.

    Studiehulpbundels

    • Boekbundels: verzameling van chapters die tezamen de samenvatting van een boek vormen
    • Studiebundel: verzameling van content die hoort bij een specifiek vak of een studiefase

    Themabundel

    • Verzameling van content die behoort bij een topic en themapagina

    Toolbundel

    • Verzameling van content gericht op een specifiek proces of actie (bijvoorbeeld een vacature zoeken of een vak bestuderen)

    Toolbundel voor abonnees

    • Verzameling van content met toegang of services voor JoHo abonees
    Footprint: achterlaten
    Pagina bewaren in je bundels:

    (Service voor ingelogde JoHo donateurs)