ARW 2 - B1 - Rechten - RUG - Oefenbundel

  Bundel

Sluit je aan bij JoHo om te kunnen inloggen en gebruik te maken van de tools en teksten
 

Aansluiten bij JoHo als abonnee of donateur

The world of JoHo footer met landenkaart

    Aansluiten bij JoHo met een JoHo abonnement

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

     of met een JoHo donateurschap

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Aanmelden & Aansluiten bij JoHo 

    De items van deze bundel
    ARW 2 - B1 - Rechten - RUG - Oefententamen 2013-2014 (I)

    ARW 2 - B1 - Rechten - RUG - Oefententamen 2013-2014 (I)

    Vragen

    Rechtsvorming

    Geef duidelijk aan of de stelling juist of onjuist is. Motiveer steeds het antwoord en verwijs – waar mogelijk – naar wetsartikelen.

    Vraag 1

    Op het gazon van Jan Vreman staat een conifeer die veel overlast veroorzaakt voor de medewerkers van het ernaast gelegen gemeentehuis. De conifeer zorgt ervoor dat er onvol- doende licht in het politiebureau komt. De burgemeester vraagt Jan Vreman namens de gemeente om de conifeer weg te halen.

    Dit verzoek wordt in hoofdzaak beheerst door materieel bestuursrecht.

    Vraag 2

    Dirk heeft al jarenlang een zakelijke relatie met Hendrik, maar Dirk staat momenteel op het punt om failliet te gaan. Om de zakenrelatie in stand te houden wil Hendrik Dirk verschillende ‘state of the art’ computers ter beschikking stellen en de kosten hiervan niet rechtens af dwingen. Na twee jaar floreert het bedrijf van Dirk weer en vordert Hendrik toch van Dirk de kosten van de ter beschikking gestelde computers.

    Hendrik kan deze vordering bij de rechter afdwingen.

    Vraag 3

    Een schuldeiser van een vennootschap onder firma (v.o.f) kan zowel het privévermogen van de vennoten aanspreken als het afgescheiden vermogen van de v.o.f.

    Vraag 4

    Een arbeidsovereenkomst kan slechts op drie manieren tot een einde komen: van rechtswege, met wederzijds goedvinden en door middel van ontslag.

    Vraag 5

    Het verschil tussen een incorporatiesysteem en een transformatiestelsel is dat bij een incorporatiestelsel het internationale recht als zodanig gelding in de nationale rechtsorde krijgt en bij een transformatiestelsel als nationaal recht.

    Vraag 6

    De Raad van Europa is een instelling van de Europese Unie. Deze Raad bestaat uit de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten en bepaalt de algemene politieke beleidslijnen van de Unie.

    Vraag 7

    Op grond van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie kunnen richtlijnen worden vastgesteld. Een richtlijn is niet bindend voor de lidstaten, want de lidstaten zijn bevoegd om zelf te bepalen op welke manier zij het onderwerp regelen.

    Vraag 8

    Karel is 73 jaar oud en heeft nog veel sympathie voor het fascisme uit de Tweede Wereldoorlog. Om dit duidelijk te maken loopt Karel op 24 augustus 2008 door het centrum van zijn woonplaats Rotterdam, gekleed in een outfit waarop met koeienletters is geschreven: ‘Laat het fascisme herboren worden, want daar streef ik naar’. Karel wordt op 24 augustus 2012 vervolgd op grond van de volgende tenlastelegging:

    ‘dat hij Karel W., op 24 augustus 2008 te Rotterdam in het openbaar een kledingstuk heeft gedragen welke uitdrukking was van een bepaald staatkundig streven (art. 435a Sr).’

    De Rechtbank Noord Nederland, sector kanton, meent dat art. 435a Sr onverbindend is, omdat het in strijd zou zijn met art. 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting).

    De uitspraak van de rechter zal OVAR wegens niet strafbaarheid van het feit zijn.

    Vraag 9

    Een persoon die van belaging (art. 285b Sr) wordt verdacht kan door het Openbaar Ministerie ter zake van dat feit worden vervolgd, ook al is het slachtoffer het met die vervolging oneens.

    Vraag 10

    Inverzekeringstelling van een verdachte van welk strafbaar feit dan ook is toegestaan, mits de inverzekeringstelling in het belang van het onderzoek is.

    Vraag 11

    In de Leidraad-arresten (HR 28 maart 1990, NJ 1991, 118, 119 en 120) heeft de Hoge Raad beslist dat openbaar gemaakte beleidsregels tot het recht in de zin van art. 79 Wet RO behoren en dus te beschouwen zijn als algemeen verbindende voorschriften.

    Vraag 12

    Een rapport van de Nationale ombudsman waarin onbehoorlijk overheidsoptreden aan de kaak wordt gesteld, is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

    Vraag 13

    Ingeval van een besluit van de minister inhoudende de verlening van een vergunning om gas te winnen in de Waddenzee is de rechtbank, sector bestuursrecht, van het arrondissement waarbinnen de woonplaats van belanghebbende is gelegen bevoegd kennis te nemen van het beroep tegen dat besluit.

    Rechtsvinding

    Vragen bij:

    • Hoge Raad 31 januari 2012, NJ 2012, 536

    Motiveer steeds het antwoord en verwijs naar de juiste regelnummers en/of wetsartikelen.

    Vraag 1

    De advocaat van verdachte stelt dat het niet toegestaan en niet noodzakelijk is om een virtueel object dat valt onder de definitie ‘gegevens’ ex artikel 80quinquies Sr, aan te merken als een ‘goed’ in de zin van artikel 310 Sr. Met welke interpretatiemethode(n) onderbouwt hij deze stelling? Leg uit.

    Vraag 2

    Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 160 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 dagen hechtenis. Had de rechter de verdachte ook mogen veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 160 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 dagen hechtenis?

    Vraag 3

    Het hof oordeelt dat het slachtoffer binnen het spel de feitelijke en exclusieve heerschappij had over het virtuele amulet en masker en dat hij dit verloren is door het handelen van verdachte. De Hoge Raad is het hierin met het hof eens en ontleent aan dit oordeel twee argumenten die eraan bijdragen dat de Hoge Raad de cassatiemiddelen verwerpt. Welke twee argumenten zijn dit?

    Vraag 4

    Volgens de Hoge Raad kan geen van de middelen tot cassatie leiden. Toch casseert de Hoge Raad. Hoe verklaart u dit?

    Vraag 5

    De annotator maakt een onderscheid tussen enerzijds gegevens die worden verloren indien een ander de feitelijke macht hierover verwerft en anderzijds gegevens die NIET worden verloren indien een ander de feitelijke macht hierover verwerft.

    Welke van deze twee genoemde categorieën gegevens kan/kunnen volgens de annotator vallen onder de definitie ‘gegevens’ in de zin van artikel 80quinquies Sr?

    Vraag 6

    Een jongen met begerenswaardige items in RuneScape vergeet uit te loggen. Terwijl hij naar de wc gaat, spring één van zijn vriendjes achter de computer en verstuurt de twee mooiste items naar zijn eigen account. Als de jongen terugkomt van de wc ziet hij dat hij zijn zeldzame zwaard en schild mist. Is deze gedraging volgens de annotator in strijd met het recht? Leg uit waarom wel/niet.

    Logica en argumentatie

    LET OP: u dient bij de vragen 7a-7d alleen aan te geven of de stelling juist of onjuist is. Motivering dient u bij deze vragen achterwege te laten.

    Vraag 7a

    Is de volgende stelling juist of onjuist?

    • Stelling

      In onderstaand fragment is sprake van de redeneervorm modus tollens.

    • Fragment

      ‘Als het hard regent staat de straat blank. De straat staat niet blank, dus het regent niet hard.

    Vraag 7b

    Is de volgende stelling juist of onjuist?

    • Stelling

      In onderstaand fragment vormt de zin ‘Frits is een misdadiger’ de maior-premisse.

    • Fragment

      ‘Alle misdadigers overtreden een bepaling uit het Wetboek van Strafrecht. Frits is een misdadiger. Dus overtreedt Frits een bepaling uit het Wetboek van Strafrecht.’

    Vraag 7c

    Is de volgende stelling juist of onjuist?

    • Stelling

      Het gebruik van de woorden “nog afgezien van” is een indicator voor het gebruik van meervoudige argumentatie.

    Vraag 7d

    Is de volgende stelling juist of onjuist?

    • Stelling

      Wanneer iemand zijn eigen standpunt vertekent of irrelevante argumentatie te berde brengt, is sprake van de drogreden van de stroman.

    Antwoorden

    Rechtsvorming

    Vraag 1

    Onjuist, omdat de burgemeester vraagt namens de gemeente in de hoedanigheid van buurman aan de eigenaar van de conifeer (= privaatrecht) om de conifeer weg te halen. (4 pnt)

    OF:

    Onjuist, omdat er geen sprake is van een relatie waarin een bestuursorgaan een besluit neemt waarbij Vreman de geadresseerde is, noch maakt de burgemeester namens de gemeente gebruik van een exclusieve bevoegdheid (4 pnt)

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 5, §1: Handelingen van het bestuursorgaan (p. 163-168).

    Vraag 2

    Onjuist, want:

    • het gaat hier om een gentlemen’s agreement;

    • hetgeen slechts een natuurlijke verbintenis oplevert;

    • deze kan niet in rechte worden afgedwongen;

    • art. 6:3 BW.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 6, §4.2.1: De natuurlijke verbintenis (p. 216-217).

    Vraag 3

    Juist, want:

    • de vof heeft een afgescheiden vermogen waarop in eerste instantie de vorderingen op kunnen worden verhaald;

    • maar de vof is geen rechtspersoon en dus zijn de vennoten ook in hun privévermogen aansprakelijk voor de schulden van de vof, art. 18 K of art. 33 K.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 11, §2.2.1: De vennoot- schap onder firma (p. 396-397).

    Vraag 4

    Onjuist, want:

    • ook via rechterlijke ontbinding, art. 7:685 BW.

    NB: art. 7:667 lid 1 is pertinent onjuist: dat gaat over drie situaties waarin de arbeidsovk van rechtswege wordt beëindigd.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 12, §2: Het einde van de arbeidsovereenkomst (p. 437-444).

    Vraag 5

    Juist, want:

    • het incorporatiesysteem laat het internationaal recht als internationale norm doorwerken in de nationale rechtsorde, waarbij dit recht NIET wordt omgezet in nationaal recht;

    • bij het transformatiestelsel wordt het internationaal recht wel omgezet in nationaal recht alvorens het gelding heeft.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 15, §2.1: De door- werking van verdragen in het nationale recht (p. 551-553).

    Vraag 6

    Onjuist, want:

    • de Raad van Europa is niet een instelling van de EU, maar een intergouvernementele organisatie van Europese landen;

    • de omschreven instelling heet de Europese Raad.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 15, §5: De Raad van Europa (p. 559-565).

    Vraag 7

    Onjuist, want:

    • een richtlijn is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor de lidstaten;

    • de lidstaten mogen wel zelf de vorm en middelen kiezen;

    • art. 288 VWEU.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 15, §6.3: Besluiten van de Europese Unie (p. 573-576).

    Vraag 8

    Onjuist, want:

    • art. 435a Sr is een overtreding want Boek III;

    • overtredingen verjaren na drie jaar, art. 70 aanhef en onder 1º Sr;

    • gezien de datum in de tenlastelegging en de datum van vervolging/berechting is het feit verjaard;

    • dit leidt tot niet-ontvankelijkheid van de OvJ in de zin van art. 349 Sv.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 14, §5.1: Het onderzoek ter terechtzitting (p. 525-537).

    Vraag 9

    Onjuist, want:

    • belaging is een zogenaamd klachtdelict, art. 285b lid 2 Sr;

    • enkel op klacht van het slachtoffer kan het OM vervolging instellen.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 14, §2.1: Het opsporings onderzoek (p. 509-511).

    Vraag 10

    Onjuist, want:

    • alleen bij strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is;

    • artt. 57 lid 1 jo. 58 Sv.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 14, §2.3: Vrijheids- benemende dwangmiddelen (p. 513-517).

    Vraag 11

    Onjuist, want:

    • gepubliceerde beleidsregels zijn wel recht in de zin van art. 79 RO;

    • maar geen avv’s.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 5, §3.4: Geldigheids- vereisten vanuit beleidsregels (p. 177-179).

    Vraag 12

    Onjuist, want:

    • de Nationale ombudsman is geen bestuursorgaan;

    • art. 1:1 lid 2 sub f Awb.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 5, §8: De nationale ombudsman (p. 192-194).

    Vraag 13

    Juist, want:

    • Ac: minister is bestuursorgaan/er is beschikking, 7:1 en 8:1 Awb;

    • Rc: het betreft een besluit van een ander orgaan dan een lager bestuursorgaan, te weten een orgaan van de centrale overheid, art. 8:7 lid 2 Awb.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 5, §6: Beroep bij de rechtbank (p. 185-190).

    Rechtsvinding

    Vraag 1

    • Wetshistorische interpretatiemethode.

    • Hij verwijst naar de Kamerstukken en de bedoeling van de wetgever die daaruit volgt, namelijk dat een object dat valt onder de definitie ‘gegevens’, niet meer aangemerkt kan worden als ‘goed’ in strafrechtelijke zin.

    • Wetssystematische interpretatiemethode.

    • Hij wijst op het feit dat het feit in het Wetboek van Strafrecht al strafbaar is gesteld in andere artikelen waarin uitdrukkelijk over gegevens wordt gesproken. Het is dus niet noodzakelijk om het object ook te scharen onder het begrip ‘goed’ zodat het gedrag strafbaar gesteld kan worden op grond van artikel 310 Sr.

    Vindplaats: regelnummers 50-63.

    Vraag 2

    • Artikel 22d lid 3 Sr EN/OF artikel 77n lid 3 Sr.

    • Conclusie: dit mag niet omdat voor een taakstraf van 160 uren maximaal 80 dagen vervangende hechtenis opgelegd kan worden. Voor elke twee uren taakstraf kan immers niet meer dan één dag vervangende hechtenis worden opgelegd volgens artikel 22d lid 3 Sr.

    Vindplaats: regelnummers n.v.t.

    Vraag 3

    • Dit oordeel vormt één van de redenen waarom de objecten aangemerkt kunnen worden als goed;

    • in de zin van artikel 310 Sr.

    • De Hoge Raad is van mening dat hieruit blijkt dat het hof de objecten niet had moeten aanmerken als ‘gegevens’;

    • in de zin van artikel 80quinquies Sr.

    Vindplaats: regelnummers 226-245.

    Vraag 4

    • De Hoge Raad oordeelt ambtshalve;

    • dat er sprake is van overschrijding van een redelijke termijn;

    • in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM.

    • Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor wat betreft de opgelegde straf / daarom past de Hoge Raad de strafmaat aan.

    Vindplaats: regelnummers 256-271.

    Vraag 5

    • De overweging van de Hoge Raad – ‘de enkele omstandigheid dat een object ook eigenschappen heeft van gegevens in de zin van art. 80quinquies Sr brengt echter niet mee dat dit object niet als een goed in de zin van art. 310 Sr kan worden aangemerkt’ (zie r.o. 3.6.2 van het arrest van de Hoge Raad) – kan volgens de annotator als volgt worden uitgelegd: dat onder gegevens in de zin van artikel 80quinquies Sr niet alleen gegevens vallen die worden verloren indien een ander de feitelijke macht hierover verwerft (bijvoorbeeld belminuten, virtuele masker en amulet), maar ook op gegevens die NIET worden verloren indien een ander de feitelijke macht hierover verwerft (bijvoorbeeld computergegevens). Kortom: beide genoemde categorieën vallen onder de definitie gegevens in de zin van artikel 80quinquies Sr.

    • De zinsnede ‘daarmee stem ik in’ geeft aan dat ook de annotator deze mening is toegedaan.

    Vindplaats: regelnummers 284-291.

    Vraag 6

    • De Hoge Raad heeft volgens de annotator niet volledig de deur dichtgedaan voor spelexceptie.

    • Ondanks dat de regels van het spel worden overtreden, hoeft er nog geen sprake te zijn van wederrechtelijkheid. Dit is pas het geval indien de spelregels op een dusdanige wijze worden geschonden, dat er geen beroep gedaan kan worden op het ontbreken van de wederrechtelijkheid.

    • De student dient een vergelijking te maken met de Runescape zaak, waarbij het onder meer ging om lichamelijk geweld waardoor de mogelijkheid van een beroep op de spelexceptie in dat geval werd verspeeld;

    • terwijl in de beschreven casus er geen sprake is van lichamelijk geweld.

    Vindplaats: regelnummers 308-318.

    Logica en argumentatie

    Vraag 7a

    Juist

    Vraag 7b

    Onjuist

    Vraag 7c

    Juist

    Vraag 7d

    Onjuist

    ARW 2 - B1 - Rechten - RUG - Oefententamen 2013-2014 (II)

    ARW 2 - B1 - Rechten - RUG - Oefententamen 2013-2014 (II)

    Vragen

    Rechtsvorming

    Geef duidelijk aan of de stelling juist of onjuist is.

    Motiveer steeds het antwoord en verwijs – waar mogelijk – naar wetsartikelen.

    Vraag 1

    De sanctie op een overtreding van een bepaling uit een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) moet te vinden zijn in de AMvB zelf.

    Vraag 2

    Terwijl de 12-jarige Ilse naar school fietst, stuurt ze een Whatsapp bericht naar haar vriendin Auke. Ze is zo druk met Whatsappen dat ze tegen een geparkeerde auto aanbotst, met als gevolg een verbogen fietswiel en een deuk in de auto.

    Zowel Ilse als haar ouders, op wie een risicoaansprakelijkheid rust, zijn aansprakelijk voor de schade aan de auto.

    Vraag 3

    Ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid kunnen niet zelfstandig deelnemen aan het rechtsverkeer.

    Vraag 4

    Er is sprake van een arbeidsovereenkomst indien voldaan is aan de volgende drie vereisten: het verrichten van arbeid, tegen loon, gedurende een zekere tijd.

    Vraag 5

    Een verdrag moet uitsluitend ter uitdrukkelijke goedkeuring aan de Staten-Generaal worden voorgelegd indien het verdrag afwijkt van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaakt.

    Vraag 6

    Met betrekking tot de prejudiciële procedure bij het Hof van Justitie houdt de acte clair in dat het Hof de Europese rechtsregel waarover uitleg wordt gevraagd reeds in een andere zaak heeft uitgelegd.

    Vraag 7

    Het EU-recht dient eerst te worden omgezet in nationaal recht alvorens het werking kan hebben in de nationale rechtsorde van de lidstaten van de Europese Unie.

    Vraag 8

    Student Erik woont in Delfzijl en houdt in de nacht van 8 op 9 augustus 2014 een huisfeest, wat veel geluidsoverlast met zich meebrengt. De buren kunnen hierdoor niet slapen. Door aanhoudende burenruzies besluiten zowel de buren als Erik te verhuizen. Erik vertrekt naar Enschede. De buren naar Hengelo. Een half jaar later moet Erik voor de Rechtbank Noord Nederland, sector straf, verschijnen. De dagvaarding luidt als volgt:

    Dat hij, Erik, op of omstreeks 8 september 2014 in het perceel Hendrikslaan 24 te Delfzijl burengerucht heeft verwekt, waardoor de nachtrust van zijn buren is verstoord (art. 431 Sr).’

    De rechter zal Erik vrijspreken.

    Vraag 9

    Kees is jarig en geeft daarom een groot feest bij hem thuis. De avond is pas net onderweg of de stereo van Kees gaat kapot. Rik haalt daarom zijn net aangeschafte Bose muziekinstallatie met denderende bas op van zijn huis. Kees sluit de Bose muziekinstallatie aan en zet het volume op maximaal om de denderde bas te ervaren. Nog geen uur later gaat de bel en blijkt de politie voor de deur te staan. Zij zijn door de buren ingelicht vanwege de geluidsoverlast. Er wordt proces-verbaal opgemaakt tegen Kees wegens overtreding van art. 431 Sr (burengerucht).

    Rik is strafbaar wegens medeplichtigheid aan het verwekken van burengerucht waardoor de nachtrust kan worden verstoord.

    Vraag 10

    De officier van justitie meent dat Hendriks zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal (art. 310 Sr) en legt hem daarom een strafbeschikking op, inhoudende een taakstraf van 150 uur.

    De officier van justitie handelt hiermee binnen de grenzen van zijn bevoegdheid.

    Vraag 11

    De APV (Algemene Plaatselijke Verordening) van Enschede luidt: ‘Het is verboden op de openbare weg te tippelen, met uitzondering van door het college van b en w aangewezen gebieden’. Het college van b en w wijst in een besluit de B-straat aan als tippelzone.

    Dit besluit moet gekwalificeerd worden als een algemeen verbindend voorschrift.

    Vraag 12

    In het Ikon-arrest (HR 27 maart 1987, NJ 1987, 727) heeft de Hoge Raad beslist dat de Gemeente Amsterdam bij het verrichten van privaatrechtelijke handelingen niet verplicht is om de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen.

    Vraag 13

    Firma Cousine BV levert al jarenlang ingrediënten die gebruikt worden voor het bereiden van etenswaren in restaurant De Branderij. De Branderij wordt geëxploiteerd door de Gemeente Amsterdam, maar erg succesvol is deze exploitatie niet. De Gemeente Amsterdam besluit daarom om De Branderij te sluiten. De burgemeester stuurt namens de gemeente een brief naar firma Cousine BV, waarin hij schrijft geen ingrediënten van de firma meer af te nemen.

    Firma Cousine BV kan in eerste instantie de beslissing van het gemeentebestuur aanvechten bij de rechtbank, sector bestuursrecht.

    Rechtsvinding

    Vragen bij Hoge Raad 14 september 2007, NJ 2008, 334.

    Vraag 1

    Motiveer steeds het antwoord en verwijs naar de juiste regelnummers en/of wetsartikelen.

    Hoe had het hof het antidrugsbeleid van Hyatt moeten uitleggen volgens de advocaat van verzoekster tot cassatie? En waarom? Leg uit.

    Vraag 2

    Hoe oordeelt de Hoge Raad over het eerste cassatiemiddel? En waarom? Leg uit.

    Vraag 3

    Waarom is volgens de advocaat van verzoekster tot cassatie het ontslag op staande voet in casu in strijd met de eis van proportionaliteit en de eis van subsidiariteit? Leg uit.

    Vraag 4

    Om welke reden(en) is het ontslag van de werknemer van Hyatt volgens de Hoge Raad niet in strijd met de eis van subsidiariteit?

    Vraag 5

    In overweging 4 merkt de annotator op: ‘Voor zogenaamde ‘identiteitsgebonden’ of ‘gekleurde’ werkgevers, zoals scholen op bijzondere grondslag en politieke partijen kan dat anders zijn, vanwege het beroep dat die werkgever zelf toekomt op een grondrecht.’ Op welk(e) grondwettelijk beschermd(e) grondrecht(en) doelt de annotator hier? Leg uit.

    Vraag 6

    Welke kritiek heeft de annotator op het door het hof geformuleerde en in cassatie niet bestreden legitieme doel dat het strenge antidrugsbeleid dient? Leg uit.

    Logica en argumentatie

    LET OP: u dient bij de vragen 7a tot en met 7e alleen aan te geven of de stelling juist of onjuist is. Motivering dient u bij deze vragen achterwege te laten.

    Vraag 7a

    Is de volgende stelling juist of onjuist?

    • Stelling

      In onderstaand fragment is sprake van de redeneervorm modus ponens.

    • Fragment

      ‘Als het sneeuwt worden de daken wit. Het sneeuwt. Dus de daken worden wit.’

    Vraag 7b

    Is de volgende stelling juist of onjuist?

    • Stelling

      De redenering in onderstaand fragment is logisch geldig.

    • Fragment

      ‘Wanneer iemand voor eigen rekening slavenhandel drijft, dan kan diegene op grond van artikel 274 Sr gestraft worden met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of een geldboete. Tieme drijft voor eigen rekening slaven. Dus kan Tieme worden gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of een geldboete.’

    Vraag 7c

    Is de volgende stelling juist of onjuist?

    • Stelling

      Van een verschil van mening is sprake als een standpunt niet door iedereen volledig wordt gedeeld.

    Vraag 7d

    Is de volgende stelling juist of onjuist?

    • Stelling

      Nevenschikkende argumentatie bestaat uit een op elkaar aansluitende reeks argumentaties, die alleen gezamenlijk een afgeronde verdediging van een standpunt vormen.

    Vraag 7e

    Is de volgende stelling juist of onjuist?

    • Stelling

      Wanneer iemand een ander standpunten of argumenten in de mond legt die de ander niet gebruikt, is sprake van de drogreden van de stroman.

    Antwoorden

    Rechtsvorming

    Vraag 1

    Onjuist, want:

    • een AMvB mag zelf geen strafmaat bevatten deze moet in een wet in formele zin staan;

    • art. 89 lid 2 Gw.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 3, §1.2.3: Algemene maatregelen van bestuur (p. 68-70) en Hoofdstuk 13, §1: Het materiële strafrecht (p. 468-471).

    Vraag 2

    Onjuist, want:

    • Ilse is jonger dan 14 jaar en dus niet aansprakelijk, art. 6:164 BW;

    • de ouders zijn wel aansprakelijk, -en wel o.g.v. risico, 6:169 lid 1 BW.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 9, §6: Aansprakelijkheid voor anderen (p. 342-344).

    Vraag 3

    Juist, want:

    • alleen rechtssubjecten kunnen deelnemen aan het rechtsverkeer;

    • rechtssubjecten zijn of natuurlijke personen of daaraan vermogensrechtelijk gelijkgestelde rechtspersonen;

    • art. 2:5 BW.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 11, §2: Ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid (p. 394-398).

    Vraag 4

    Onjuist, want:

    • de drie genoemde eisen (het verrichten van arbeid, tegen loon, gedurende een zekere tijd) worden wel gesteld, maar:

      • de werknemer dient tevens ‘in dienst’ te zijn;

      • dat betekent dat er een gezagsverhouding dient te zijn, waarbij de werknemer ondergeschikt is;

      • art. 7:610 lid 1 BW.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 12, §1: De arbeids- overeenkomst (p. 428-437).

    Vraag 5

    Juist, want:

    • een verdrag kan ook aan uitdrukkelijke goedkeuring worden onderworpen als de Staten-Generaal dit wenst;

    • art. 5 lid 1 van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen;

    • het is echter alleen verplicht als er strijd is met de Grondwet;

    • art. 6 Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 15, §2: Verdragen in de Nederlandse rechtsorde (p. 550-553).

    Vraag 6

    Onjuist, want:

    • een acte clair is een rechtsregel, waarvan de rechter vindt dat die van zichzelf duidelijk is en dus geen uitleg behoeft;

    • de omschreven rechtsregel wordt een acte éclairé genoemd.

    Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 15, §6.4.5: Eigen rechter (p. 579-580).

    Vraag 7

    Onjuist, want:

    • uit de arresten Costa Enel en Van Gend & Loos blijkt dat EU-recht rechtstreek in de lidstaten gelding krijgt;

    • er wordt in die arresten dus een verplicht stelsel van incorporatie opgelegd

    • ook als ze volgens hun nationale recht het transformatiestelsel aanhangen.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 15, §2.1: De door- werking van verdragen in het nationale recht (p. 551-553).

    Vraag 8

    Onjuist, want:

    • dagvaarding wel geldig: bevat plaats en tijd, 261 Sv;

    • rechter onbevoegd, immers 431 Sr is een overtreding (bk 3);

    • en die komt dus bij sector kanton;

    • art. 45 RO jo. art. 382 Sv;

    • tijdstip (september ipv augustus) klopt niet, maar daar komt rechter niet meer aan toe.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 14, §5.1: Het onderzoek ter terechtzitting (p. 525-537).

    Vraag 9

    Onjuist, want:

    • Rik is wel medeplichtig omdat hij middelen heeft verschaft;

    • maar art. 431 Sr is een overtreding, want bk 3 Sr;

    • medeplichtigheid is bij een overtreding niet strafbaar;

    • art. 48 sub 2e Sr.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 13, §4.2: Deelneming (p. 481-482).

    Vraag 10

    Juist, want:

    • diefstal (art. 310 Sr) kent een maximale gevangenisstraf van 4 jaar;

    • pp grond van art. 257a Sv mag bij delicten met een strafmaximum tot 6 jaar een strafbeschikking door de OvJ worden uitgevaardigd, dus hier kan een strafbeschikking worden opgelegd;

    • een taakstraf mag ingevolge art. 257a Sv worden opgelegd voor maximaal 180 uur, en de hier opgelegde 150 uur blijft daarbinnen.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 14, §3: De straf- beschikking (p. 517-519).

    Vraag 11

    Onjuist, want:

    • een avv moet afkomstig zijn van een tot wetgeving bevoegd orgaan en een zelfstandige normstelling bevatten;

    • het college van b en w is niet een dergelijk tot wetgeving bevoegd orgaan;

    • het gaat hier om een aanwijzingsbesluit, ook wel bestuurlijke maatregel genaamd.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 3, §6: Het verdrag als rechtsbron (p. 94-98).

    Vraag 12

    Onjuist, want:

    • wel daartoe verplicht;

    • omdat het een overheidslichaam is.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 5, §3.3: Geldigheids- vereisten buiten de Awb (algemene beginselen) (p. 175-177).

    Vraag 13

    Onjuist, want:

    • het betreft hier een privaatrechtelijke handeling van de gemeente als rechtspersoon;

    • het is dus geen publiekrechtelijke rechtshandeling en dus geen besluit;

    • de bestuursrechtelijke rechtsgang staat daarom niet open;

    • Cousine BV moet naar de rechtbank, sector civiel;

    • artt. 1:3 en 7:1/8:1 Awb.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk): Hoofdstuk 5, §6: Beroep bij de rechtbank (p. 185-190).

    Rechtsvinding

    Vragen bij Hoge Raad 14 september 2007, NJ 2008, 334.

    Vraag 1 (twee mogelijke antwoorden)

    Antwoord 1

    Relevante passage:

    Overweging 1.1 Cassatiemiddel

    Het Hof geeft met de geciteerde overweging blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu bij de uitleg van een beleid als het onderhavige dat strekt tot mededeling van overtredingen waar sancties, waaronder ontslag op staande voet, op staan, ter bescherming van de werknemer een restrictieve uitleg geboden is. Alleen handelingen die duidelijk als overtreding zijn aangemerkt en waarvan in redelijkheid niet betwijfeld kan worden dat zij verboden zijn, mogen grond bieden voor ontslag op staande voet. Uit het beleid kan niet ondubbelzinnig worden opgemaakt dat het enkele privé-gebruik dat leidt tot een positieve test, zonder dat is gebleken van een negatief effect op werk of veiligheid, grond is voor ontslag op staande voet, zodat het Hof niet, althans niet zonder nadere motivering, kon komen tot het oordeel dat het beleid inhoudt dat een positieve test, ook als dit gevolg is van louter privé-gebruik van drugs zonder negatieve invloed op het werk, daadwerkelijk grond voor ontslag op staande voet is.

    Standaardantwoord & puntenverdeling:

    • Restrictief (2);

    • ter bescherming van de werknemer (1);

    • omdat alleen handelingen die duidelijk als overtreding zijn aangemerkt en waarvan in redelijkheid niet betwijfeld kan worden dat zij verboden zijn, grond kunnen bieden voor ontslag op staande voet (1).

    • Hiervan is in casu geen sprake, omdat uit het beleid niet duidelijk blijkt dat privégebruik van drugs dat leidt tot een positieve test, maar zonder dat er zichtbaar sprake is van negatieve beïnvloeding op werk of veiligheid, een grond is voor ontslag op staande voet (1).

    Vindplaats: regelnummers 20-29.

    Antwoord 2

    Relevante passage:

    Overweging 1.2 Cassatiemiddel

    Voorts is 's Hofs uitleg onbegrijpelijk. Het beleid laat geen andere uitleg toe dan dat gebruik van illegale drugs in privé-tijd alleen dan in strijd is met het beleid indien en voorzover de werknemer als gevolg daarvan ook nog onder invloed is tijdens werktijd, of als het gebruik anderzins een negatief effect op het werk of de veiligheid van anderen heeft na aanvang van het werk. Daaruit kan niet worden afgeleid dat ook privé-gebruik op zichzelf verboden is indien dat leidt tot een positieve testuitslag zonder dat sprake is van negatieve invloed op het werk.

    Standaardantwoord & puntenverdeling

    • Het hof had het beleid anders (restrictief) moeten uitleggen, omdat volgens het beleid gebruik van illegale drugs in privé-tijd alleen in strijd is met het beleid indien (1):

    • de werknemer tijdens werktijd nog onder invloed is (2);

    • of als het gebruik op een andere manier een negatief effect heeft op het werk of de veiligheid van anderen na aanvang van het werk (2).

    Vindplaats: regelnummers 30-35.

    Vraag 2

    Relevante passage:

    Overweging 3.3.2 Hoge Raad

    De onderdelen zijn tevergeefs voorgesteld. Mede gelet op de hiervoor in 3.1 (ii) vermelde, in het kader van een ‘Drug-Free Workplace Policy’-training door D. ondertekende verklaring dat zij aanvaardde dat een positieve alcohol- of drugstest een reden voor ontslag kan opleveren, heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting noch een onbegrijpelijk oordeel gegeven door ervan uit te gaan dat D. het stringente antidrugsbeleid van Hyatt in zoverre goed heeft begrepen dat een positieve test, ook als het testresultaat het gevolg is van cocaïnegebruik in de privé-sfeer, tot ontslag zou kunnen leiden, ongeacht of het gebruik een negatief effect heeft op het werk.

    Standaardantwoord & puntenverdeling:

    • De Hoge Raad verwerpt het eerste cassatiemiddel / de Hoge Raad oordeelt dat het eerste cassatiemiddel tevergeefs is voorgesteld (2);

    • omdat de werknemer een verklaring heeft ondertekend waarin stond dat een positieve uitslag van een drugstest een reden voor ontslag kan zijn, op grond waarvan het hof ervan mocht uitgaan dat het beleid voldoende kenbaar was en het beleid dus niet restrictief hoefde uit te leggen (3).

    Vindplaats: regelnummers 140-146.

    Vraag 3

    Relevante passage:

    Overweging 2.2 Cassatiemiddel

    Althans is voor zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, ingevolge de eisen van proportionaliteit, vereist dat daar in het concrete geval voldoende reden toe is, hetgeen in casu niet het geval is. Voor zodanige inbreuk zou reden kunnen zijn als de functie van de desbetreffende werknemer zulks rechtvaardigt, hetgeen in casu evenwel niet het geval is. Een andere omstandigheid die zodanige inbreuk rechtvaardigt is niet door het Hof vastgesteld. Het door het Hof in rov. 4.3 genoemde belang van Hyatt bij een goed imago is daartoe op zichzelf onvoldoende. Ook de overigens door het Hof in rov. 4.3 genoemde, door subonderdeel 2.1 bestreden, rechtvaardiging is ontoereikend vanwege de in subonderdeel 2.1 gronden. Dit klemt te meer nu een minder zware sanctie mogelijk was geweest, zoals een eerste waarschuwing: het ontslag berust slechts op één test.

    Het Hof geeft dan ook in zoverre blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Althans had het zijn oordeel nader moeten motiveren.

    Standaardantwoord & puntenverdeling:

    • Proportionaliteit: er is in casu onvoldoende reden tot ontslag (1);

    • omdat de functie van de werknemer een zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet rechtvaardigt OF omdat belang bij een goed imago onvoldoende is voor een zodanige inbreuk OF omdat de redenen genoemd in r.o. 4.3 van het hof onvoldoende zijn voor een zodanige inbreuk (1);

    • Subsidiariteit: er was een minder zware sanctie mogelijk (1);

    • bijvoorbeeld een eerste waarschuwing (1);

    • het ontslag berust namelijk op maar één test (1).

    Vindplaats: regelnummers 70-78.

    Vraag 4

    Relevante passage:

    Overweging 3.4.5-3.4.6 Hoge Raad:

    Nu het hof voorts in aanmerking heeft genomen dat ook in de vrije tijd gebruikte drugs het werk negatief kunnen beïnvloeden, is het ook niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het subsidiariteitscriterium niet is veronachtzaamd.

    Voorzover in onderdeel 2.2 wordt geklaagd dat met een minder zware sanctie had kunnen worden volstaan, ziet de klacht eraan voorbij dat D. niet ontslagen is alleen wegens de positieve drugstest, maar op grond van de combinatie van die test en de weigering van het volgen van een rehabilitatieprogramma, terwijl het hof in dit verband van belang heeft kunnen achten dat in het kader van de hiervoor in 3.1 (ii) bedoelde training Hyatt zich ervan heeft overtuigd dat de strekking en de gevolgen van het stringente antidrugsbeleid voldoende bekend zijn bij de werknemers.

    Standaardantwoord & puntenverdeling:

    • Omdat in vrije tijd gebruikte drugs het werk negatief kunnen beïnvloeden (2)

    • Omdat de werknemer niet alleen is ontslagen vanwege de drugstest, maar een combinatie van zaken (1):

      1. weigering om een rehabiliteitsprogramma te volgen en (1)

      2. omdat Hyatt het beleid voldoende bekend zou hebben gemaakt aan de werknemers (1).

    Vindplaats: regelnummers 208-217.

    Vraag 5

    Relevante passage:

    Dit was een opzoekvraag.

    Standaardantwoord & puntenverdeling:

    • Vrijheid van onderwijs ten aanzien van scholen op bijzondere grondslag (1)

    • Artikel 23 lid 2 Gw (1 voor juiste artikel + 1 voor juiste lid)

    • Vrijheid van vereniging ten aanzien van politieke partijen (1)

    • Artikel 8 Gw (1)

    Vraag 6

    Relevante passage:

    Overweging 4 annotator

    Als het legitieme doel wordt geformuleerd (r.o. 3.4.3.): ‘Het behoud van de goede naam van Hyatt en aantrekkelijkheid voor de gasten door een immer correct gedrag van haar werknemers zonder de negatieve invloed daarop als gevolg van drugs’. Mijn twijfel richt zich op het verlangde immer correcte gedrag, waarvan in het midden blijft of dat ook buiten de arbeidstijd wordt verlangd. Voor zover dat het geval is, lijkt me dat strijdig met de regel dat een werknemer zich buiten het werk, in privé-tijd, niet correct hoeft te gedragen om toch een goede werknemer te kunnen zijn. Pas als dat gedrag in eigen tijd invloed op zijn arbeidsprestatie of het werk of de werkgever in het algemeen heeft, kunnen daaraan arbeidsrechtelijke gevolgen worden verbonden.

    Standaardantwoord & puntenverdeling

    • Volgens de annotator laat het door het hof geformuleerde legitieme doel in het midden of het “immer correcte gedrag van haar werknemers” ook buiten werktijd geldt (2).

    • Als het “immer correcte gedrag van haar werknemers” ook voor buiten werktijd geldt, dan gaat dat te ver (1);

    • aangezien gedrag in eigen tijd pas arbeidsrechtelijke gevolgen kan hebben als dit invloed heeft op de arbeidsprestatie (2).

    Vindplaats: regelnummers 273-278.

    Logica en argumentatie

    Vraag 7a

    Juist

    Vraag 7b

    Juist

    Vraag 7c

    Juist

    Vraag 7d

    Juist

    Vraag 7e

    Juist

    ARW 2 - B1 - Rechten - RUG - Oefententamen 2014-2015 (I)

    ARW 2 - B1 - Rechten - RUG - Oefententamen 2014-2015 (I)

    Vragen

    Rechtsvorming

    Geef duidelijk aan of de stelling juist of onjuist is.

    Motiveer steeds het antwoord en verwijs – waar mogelijk – naar wetsartikelen.

    Vraag 1

    De bevoegdheidsverlening in artikel 21a lid 1 Wet Maatschappelijke Ondersteuning is een voorbeeld van territoriale decentralisatie, de toegekende bevoegdheid wordt uitgeoefend in medebewind.

    Vraag 2

    Anita Tuin is eigenaresse van een huis in Rotterdam dat zij heeft verhuurd aan Petra Woning. Anita verkoopt het huis – in verhuurde staat – aan Tineke Boomgaard.

    Levering van het huis kan geschieden door bezitsverschaffing via traditio longa manu, dat wil zeggen een tweezijdige verklaring, gevolgd door een mededeling hiervan aan Petra.

    Vraag 3

    Een vereniging is altijd een rechtspersoon hetgeen onder andere met zich meebrengt dat bestuurders ervan nooit hoofdelijk aansprakelijk zijn.

    Vraag 4

    In het arrest Boefje (HR 11 november 1949, NJ 1950, 140) heeft de Hoge Raad beslist dat de overeenkomst aangegaan tussen een toneelgezelschap en een actrice gekwalificeerd dient te worden als ‘aanneming van werk’.

    Vraag 5

    De Nederlandse rechter moet het ongeschreven volkenrecht toepassen indien dit niet in strijd is met een bepaling van nationaal recht, omdat de Verenigde Naties een incorporatiesysteem voor alle lidstaten dwingend voorschrijven.

    Vraag 6

    Uit de in het Handvest tot oprichting van de Verenigde Naties geregelde procedures van besluitvorming en de geregelde binding aan de hieruit voortvloeiende besluiten blijkt dat de Verenigde Naties een intergouvernementele organisatie vormen met een enkele supranationale karaktertrek.

    Vraag 7

    Het zijn de Raad van Ministers en het Europees Parlement tezamen, op voorstel van de Europese Commissie die in een gewone wetgevingsprocedure een verordening vaststellen; een zodanige verordening heeft op grond van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie in iedere lidstaat van de Europese Unie gelding zonder omzetting in nationale wetgeving.

    Vraag 8

    Laura rijdt op een mooie zomerdag met haar motor over een bosweg in Apeldoorn. Op een gegeven moment komt Laura Simon tegen, die autopech heeft. Laura en Simon hebben elkaar nooit gemogen, waardoor Laura besluit om keihard op Simon af te rijden om hem eens te laten schrikken. Laura weet echter dat haar motor soms kuren vertoont en ze mogelijk niet tijdig kan bijsturen. Ondanks het feit dat Laura hiervan op de hoogte is, gaat ze toch keihard op Simon inrijden met de kans dat Simon daardoor komt te overlijden. Wat Laura kon verwachten gebeurt ook. Ze rijdt Simon aan, waarna hij sterft. Het OM besluit Laura te vervolgen voor doodslag (art. 287 Sr.).

    De strafrechter kan Laura niet veroordelen voor doodslag nu het subjectieve bestanddeel ‘opzet’ niet vervuld is.

    Vraag 9

    Hans Hansen is een fervent autoliefhebber en deinst niet weg voor een beetje spanning. Om die reden neemt hij regelmatig deel aan wedstrijden met rijtuigen op de weg. Als hij zich op 6 april 2012 klaar maakt voor de start, wordt hij door de politie aangehouden en geverbaliseerd. Enige tijd later wordt hij vervolgd voor de Rechtbank sector kanton wegens poging tot het deelnemen aan een wedstrijd op de weg met een voertuig (art. 10 lid 1 Wegenverkeerswet).

    De uitspraak van de rechter zal ontslag van alle rechtsvervolging (OVAR) wegens niet strafbaarheid van het feit zijn.

    Vraag 10

    Indien een verdachte is aangehouden op verdenking van eenvoudige mishandeling (art. 300 lid 1 Sr) kan de Officier van Justitie bevelen dat deze in het belang van het onderzoek in verzekering zal worden gesteld.

    Vraag 11

    Een last onder bestuursdwang is een herstelsanctie die – indien de overtreder de last niet of niet tijdig uitvoert - door feitelijk handelen ten uitvoer kan worden gelegd. De overtreder kan deze last aanvechten bij de Rechtbank sector civiel op grond van onrechtmatige overheidsdaad.

    Vraag 12

    De Regeling Ademanalyse is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

    Vraag 13

    Van een beroep tegen een besluit van de gemeenteraad op grond van artikel 8 lid 1 sub a Wet Werk en Bijstand is bevoegd kennis te nemen de rechtbank sector bestuursrecht van het arrondissement waarbinnen de gemeente haar zetel heeft.

    Rechtsvinding

    Vragen bij:

    • Hoge Raad 24 september 2013, NJ 2014, 277 m.nt. B.F. Keulen.

    • R. Jansen, ‘Een nieuwe kijk op de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit bij noodweer’, Delikt en Delinkwent 2014, 77.

    Motiveer steeds het antwoord en verwijs naar de juiste regelnummers en/of wetsartikelen.

    Vraag 1

    Opzoekvraag: hoe hoog is de geldboete die de rechter in geval van poging tot doodslag ten hoogste kan opleggen?

    Vraag 2

    Het subsidiariteitsvereiste speelt een grote rol in het oordeel van het hof. Leg uit op welke manier.

    Vraag 2 (vervolg)

    De A-G bespreekt de a contrario redenering van de verdachte.

    1. Hoe luidt die a contrario redenering van de verdachte volgens de A-G?

    2. Wat vindt de A-G van die redenering?

    Vraag 3

    De Hoge Raad casseert en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam.

    1. Op welke grondslag casseert de Hoge Raad?

    2. Waarover dient het gerechtshof Amsterdam nog te oordelen? En hoe dient het hof dit te doen volgens de Hoge Raad?

    Vraag 4

    De annotator kan zich niet vinden in de wijze waarop de Hoge Raad de subsidiariteitseis uitlegt.

    1. Hoe legt de Hoge Raad de subsidiariteitseis uit volgens de annotator?

    2. Hoe zou de subsidiariteitseis volgens de annotator moeten worden uitgelegd? En waarom?

    Vraag 5

    Jansen gaat in zijn artikel nader in op het voorbeeld van de A-G in r.o. 6.9.7..

    1. Op welk leerstuk lijkt de A-G met het voorbeeld in r.o. 6.9.7. te doelen?

    2. Wat houdt dit leerstuk in?

    3. Waarom speelt dit leerstuk in het arrest zelf verder geen rol?

    Vraag 6

    In de rechtspraak en literatuur bestaat volgens Jansen ten aanzien van het subsidiariteitsvereiste verdeeldheid over de vraag of het lichtste verdedigingsmiddel moet worden gehanteerd.

    1. Wat zijn volgens Jansen de nadelen indien dit WEL wordt verlangd?

    2. Wat zijn volgens Jansen de nadelen indien dit NIET wordt verlangd?

    Antwoorden

    Rechtsvorming

    Vraag 1

    Juist, want:

    • er wordt een bevoegdheid verleend aan een niet centrale bestuurseenheid, dus decentralisatie;

    • de bevoegdheid gaat naar de gemeenteraad, dat wil zeggen een orgaan van een territoriale eenheid met breed scala aan bevoegdheden (gemeente), dus territoriaal en niet functioneel (slechts met een enkele specifieke bevoegdheid, zoals waterschap);

    • het betreffende orgaan moet de medewerking verlenen (‘stelt) en heeft daarin weinig tot geen ruimte voor eigen beleid, dus medebewind.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 2, §3: Decentralisatie (p. 33-35)

    Vraag 2

    Onjuist, want

    • levering door bezitsverschaffing kan alleen bij roerende zaken; hier betreft het een onroerende zaak;

    • levering daarvan vindt plaats door opstellen notariële akte + inschrijving daarvan in het daartoe bestemde register;

    • art 3: 89 lid 1 BW.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 7, §3.3.2: Levering van roerende zaken (p. 255-258)

    Vraag 3

    Onjuist, want:

    • de vereniging is wel altijd rechtspersoon, art. 2: 26 BW of art. 2:3 BW;

    • maar indien zij niet is opgericht met een notariële akte betreft het een informele vereniging of wel notariële akte = formele vereniging;

    • een informele vereniging kent een aantal beperkingen, waaronder het ontbreken van bescherming van de bestuurders, die dus wel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor schulden uit die tijdens bestuur opeisbaar worden of: hoofdelijke aansprakelijkheid zolang notariële akte ex art. 2: 29 lid 1 BW niet is ingeschreven in handelsregister;

    • art. 2: 30 lid 2 BW/art. 2: 29 lid 2 BW.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 11, §4.1: De vereniging (p. 405-407)

    Vraag 4

    Onjuist, want:

    • de rechter besliste dat de actrice de opdrachten en aanwijzingen die haar werden gegeven ten aanzien van tijdstip en plaats van repetities en opvoeringen diende op te volgen en dus was er sprake van een gezagsverhouding;

    • zij was daarom ‘in dienst’; omdat ook aan de overige voorwaarden werd voldaan was er dus sprake van een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7: 610 BW.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 12, §1.2: Aspecten van de arbeidsovereenkomst (p. 431)

    Vraag 5

    Onjuist, want:

    • de Nederlandse rechter moet ongeschreven volkenrecht inderdaad toepassen;

    • zolang het niet in strijd is met een regel van nationaal recht;

    • dit vloeit voort uit een incorporatiesysteem;

    • maar de VN schrijven dit niet dwingend voor;

    • het systeem vloeit voort uit een ongeschreven regel van constitutioneel recht.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 15, §2.1: De doorwerking van verdragen in het nationale recht (p. 551-553)

    Vraag 6

    Juist, want:

    • de VN zijn een organisatie met een overwegend intergouvernementeel karakter ;

    • een aanbeveling van de Algemene Vergadering wordt met een meerderheid van stemmen aangenomen, maar is niet bindend;

    • een resolutie van de Veiligheidsraad op het terrein van de handhaving van vrede en veiligheid wordt aangenomen met een meerderheid van 9 van de 15 stemmen, mits de vijf permanente leden geen veto uitspreken en is bindend voor alle leden;

    • de Veiligheidsraad heeft derhalve een supranationale karaktertrek.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 15, §4: De Verenigde Naties (p. 554-558 en p. 514-516)

    Vraag 7

    Juist, want:

    • Raad en Parlement zijn de wetgever, op voorstel van Commissie, art. 289 lid 1 VwEU;

    • een verordening is rechtstreeks toepasselijk/heeft directe werking (1 pnt), dus verplichte incorporatie en omzetting niet nodig, zelfs verboden, art. 288 VwEU.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 15, §6.2: De instellingen van de Europese Unie (p. 568-571)

    Vraag 8

    Onjuist, want:

    • de intentie van Laura was weliswaar niet dat het gevolg optrad, maar zij heeft wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door zijn gedrag het gevolg kon intreden en neemt die kans op de koop toe;

    • daarmee is sprake van voorwaardelijk opzet (ook wel kansopzet).

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 13, §3.2: Opzet en schuld (p. 449 en p. 477-479)

    Antwoord vraag 9

    De formele en materiele vragen moeten, voor zover er informatie over wordt gegeven, in volgorde worden doorlopen.

    • 2e formele vraag:

    De Rechtbank sector kanton is bevoegd, art. 45 RO jo. 382 sub b Sv, omdat-art. 10 lid 1 WvW een overtreding is, artt. 177 lid 1a en 178 lid 2 WvW.

    • 2e materiele vraag:

      Poging tot overtreding is niet strafbaar, art. 45 lid1 Sr. Dit betekent dat het tenlastegelgde wel kan worden bewezen, maar OVAR vanwege niet strafbaarheid van het feit volgt, omdat het bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd (alleen een punt als kwalificatie expliciet wordt genoemd).

    N.B.: Op grond van art. 2 WAHV is deze wet niet van toepassing

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 14, §5: Het onderzoek ter terechtzitting (p. 525-537)

    Vraag 10

    Juist, want:

    • in verzekering stellen wordt bevolen door de Officier van Justitie, art.57 lid 1 Sv;

    • dit is alleen mogelijk bij een strafbaar feit waarbij voorlopige hechtenis mogelijk is, art. 58 lid 1 Sv;

    • art. 67 lid 1 sub a en b Sv bevat de gevallen waarin voorlopige hechtenis mogelijk is;

      • hoofdregel: alleen bij misdrijven waarop een gevangenisstraf van 4 jr of meer staat, dus daar valt 300 lid 1 Sr niet onder (max 3 jr);

      • maar art. 300 lid 1 Sr wordt expliciet genoemd.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 14, §2.3: Vrijheidsbenemende dwangmiddelen (p. 513-517)

    Vraag 11

    Onjuist, want:

    • last onder bestuursdwang is inderdaad een herstelsanctie, want gericht op het ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, art. 5:2 Awb jo. 5:21 Awb;

    • die d.m.v. feitelijk handelen ten uitvoer kan worden gelegd;

    • de last wordt aangemerkt als een beschikking, zie art. 5:9 Awb;

    • hiertegen staat bezwaar en beroep open, bevoegde bestuursrechter is: Rechtbank sector bestuur, art. 7:1 en 8:1 Awb;

    • civiele rechter onbevoegd, ogv arrest Schellen en deuropeners (er is adequate bestuursrechtelijke rechtsgang).

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 5, §4: Handhaving in het bestuursrecht (p. 179-183)

    Vraag 12

    Juist, want:

    • de regeling is opgesteld door de minister, en dat is een bestuursorgaan;

    • de regeling is een op schrift gestelde avv;

    • o.g.v. exclusieve bevoegdheid (ex art. 163 lid 10 WvW), dus publiekrechtelijk;

    • rechtshandeling, want stelt voorwaarden aan apparatuur;

    • art. 1:3 lid 1 Awb noemt een dergelijke beslissing een besluit.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 5, §1: Handelingen van bestuursorganen (p. 165)

    Vraag 13

    Onjuist, want:

    • Absolute competentie:

      • Er is sprake van een avv (verordening);

      • Beroep uitgezonderd, art. 8:3 lid 1 sub a Awb;

      • Wel bevoegd is de rechtbank, sector civiel, art. 42 RO jo. 93 Rv.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 5, §6: Beroep bij de rechtbank (p. 185-190)

    Rechtsvinding

    Onjuiste of ontbrekende regelnummers leveren 1 punt aftrek op.

    Vraag 1

    De maximale geldboete die de rechter in geval van poging tot doodslag kan opleggen is € 54.000,-. Immers:

    • Doodslag kan gestraft worden met een geldboete van de vijfde categorie volgens artikel 287 Sr.

    • Geldboete van de vijfde categorie is ten hoogste € 81.000,-, zo volgt uit artikel 23 Sr.

    • Poging tot een misdrijf is strafbaar gesteld in artikel 45 lid 1 Sr.

    • Doodslag is een misdrijf: artikel 287 Sr is opgenomen in boek 2 Sr getiteld ‘misdrijven’.

    • In geval van poging tot een misdrijf wordt de maximum van de hoofdstraf op het misdrijf met een derde verminderd, zo volgt uit artikel 45 lid 2 Sr. (€ 81.000,- verminderd met een derde (€ 27.000,-) is € 54.000,-.)

    Vraag 2

    Het subsidiariteitsvereiste speelt een rol bij de afwijzing van het beroep op noodweer én bij de afwijzing van het beroep op noodweerexces:

    • Op grond van het subsidiariteitsvereiste wijst het hof het beroep op noodweer af, omdat verdachte volgens het hof een andere, minder vergaande uitweg had kunnen vinden.

    • Onder meer op grond van het subsidiariteitsvereiste wijst het hof tevens het beroep op noodweerexces af, omdat verdachte ondanks de emoties redelijkerwijs had kunnen gebruikmaken van zinvolle alternatieven die voor hem openstonden, nu zijn emoties – die weliswaar waren veroorzaakt door de (dreigende) wederrechtelijke aanranding – niet zodanig waren dat verdachte als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder is gegaan dan geboden is.

    Vindplaats: regelnummers 37-44 en 50-60 van het arrest van het Hof

    Vraag 2 (vervolg)

    1. De a contrario redenering van de verdachte luidt als volgt: als er niet is voldaan aan het proportionaliteitsvereiste, dan slaagt een beroep op noodweer niet DUS als er wel is voldaan aan dit vereiste, dan slaagt een beroep op noodweer wel.

    2. De A-G is het niet met deze redenering eens, omdat het proportionaliteitsvereiste niet het enige vereiste is voor het aannemen van noodweer. Er gelden volgens de A-G ook zekere subsidiariteitseisen.

      Vindplaats: regelnummers 90-118 van de conclusie van de A-G

    Vraag 3

    1. De Hoge Raad casseert omdat hij het oordeel van het hof niet begrijpelijk vindt / hij vindt het onvoldoende gemotiveerd gezien de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden.

    2. Het hof zal moeten toetsen of er voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit zal het hof volgens de Hoge Raad moeten doen aan de hand van de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.

      Vindplaats: regelnummers 182-184 en 159-170 van het arrest van de Hoge Raad.

    Vraag 4

    1. De Hoge Raad legt de subsidiariteitseis niet ruim (strikt) uit door enkel de eis dat de verdachte zich (niet) aan de aanranding heeft kunnen en moeten onttrekken binnen de subsidiariteitseis onder te brengen.

    2. De annotator is van mening dat de subsidiariteitseis ruimer moet worden uitgelegd en dat daarbij ook moet worden betrokken de wijze waarop de verdachte zich verdedigt. Hij geeft hiervoor drie redenen:

      • Dit sluit beter aan bij de algemene notie van het subsidiariteitsbeginsel;

      • Leidt tot resultaten die beter uit te leggen zijn;

      • De verhouding tot de schulduitsluitingsgrond noodweerexces komt zo meer tot zijn recht.

    Vindplaats: regelnummers 215-218 en 231-243 van de annotatie.

    Vraag 5

    1. De A-G lijkt met het voorbeeld in r.o. 6.9.7. te doelen op het leerstuk van de Garantenstellung.

    2. Dit leerstuk houdt volgens Jansen in dat er in een noodweersituatie hogere eisen gesteld mogen worden aan iemand die beschikt over meer dan gemiddelde vaardigheden zodat hij zich kan verdedigen op een wijze die minder schade berokkent.

    3. Dit leerstuk speelt in het arrest zelf verder geen rol, aangezien de feiten van het arrest niet het idee geven dat de verdachte over bovengemiddelde vaardigheden beschikt. Verdachte is bijvoorbeeld een ongeoefend schutter.

      Vindplaats: regelnummers 93-108 van het artikel.

    Vraag 6

    1. De nadelen indien dit wordt verlangd: de ruimte voor een geslaagd beroep op noodweer wordt dan zozeer ingeperkt dat artikel 41 Sr aan betekenis zou verliezen. De omstandigheid dat de verdachte meerdere verdedigingsmiddelen tot zijn beschikking heeft, krijgt dan wel heel veel waarde toegekend.

    2. De nadelen indien dit niet wordt verlangd: bij de beoordeling van de proportionaliteit is het van belang of de verdachte voor een lichter alternatief had kunnen kiezen. Het zal bij de beoordeling of er proportioneel en subsidiair is gehandeld dus zeker uitmaken over welke verdedigingsmiddelen de verdachte beschikte. Een proportionaliteitstoets waarbij van alle omstandigheden moet worden geabstraheerd doet tamelijk geforceerd aan.

      Vindplaats: regelnummers 55-65 van het artikel.

    ARW 2 - B1 - Rechten - RUG - Oefententamen 2014-2015 (II)

    ARW 2 - B1 - Rechten - RUG - Oefententamen 2014-2015 (II)

    Vragen

    Rechtsvorming

    Geef duidelijk aan of de stelling juist of onjuist is.

    Motiveer steeds het antwoord en verwijs – waar mogelijk – naar wetsartikelen.

    Vraag 1

    Een rechter kan een ministeriële regeling toetsen aan doelmatigheid en aan het willekeurbeginsel.

    Vraag 2

    Ouders zijn risicoaansprakelijk voor de onrechtmatige daden van hun minderjarige kind.

    Vraag 3

    De stichting is in vergelijking met de organisatiestructuur van andere rechtspersonen een nogal autoritaire rechtsvorm.

    Vraag 4

    Diefstal door een werknemer tijdens werktijd rechtvaardigt zonder meer een ontslag op staande voet, aangezien het een dringende reden ex art. 7:678 lid 2 BW is.

    Vraag 5

    De rechtsmacht van het Internationale Gerechtshof strekt zich uit tot kwesties met betrekking tot de interpretatie en de toepassing van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) en de daarbij behorende protocollen. Burgers hebben een individueel klachtrecht bij dit Gerechtshof.

    Vraag 6

    Het Parlement van de Europese Unie beschikt over bevoegdheden ter controle van de Europese Commissie die vergelijkbaar zijn met die van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ter controle van de Nederlandse regering.

    Vraag 7

    Henk Smit, die beschikt over de Nederlandse nationaliteit, wil in Duitsland een eigen honden trimsalon openen. Hij kan dit doen op grond van het recht op vrij verkeer van werknemers zoals dat binnen de Europese Unie geldt.

    Vraag 8

    Nina Gerritsen steelt op 23 augustus 2009, na een avond los te zijn gegaan in het clubhuis van de plaatselijke voetbalvereniging, een fiets die niet op slot staat en die toebehoort aan Simone Kleinstra. Als Nina een paar dagen later door de stad fietst, houdt de politie haar aan. Aan een code op de fiets te zien concludeert de politie dat de fiets niet van Nina, maar van Simone is. Nina wordt zes jaar later gedagvaard om op 12 september 2015 voor de Rechtbank Noord-Nederland, sector strafrecht, te verschijnen op grond van de volgende tenlastelegging:

    dat zij, Nina G., op 23 augustus 2009 te Groningen opzettelijk een fiets, althans enig goed, die/dat geheel aan Simone Kleinstra, althans aan een ander, toebehoort, heeft weggenomen met het oogmerk om zich die fiets, althans dat goed, toe te eigenen (art. 310 Sr).’

    Nina verweert zich ter terechtzitting met een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand. Hij lijdt aan een ernstige ziekte op grond waarvan ernstige kou voor hem levensbedreigend is. Op de bewuste 23 augustus 2009 was het heel erg koud. De rechtbank accepteert dit verweer.

    De uitspraak van de rechter zal ontslag van alle rechtsvervolging (OVAR) wegens niet strafbaarheid van de dader zijn.

    Vraag 9

    Niels heeft al jaren last van pyromane neigingen. Hij kan zijn neigingen niet onderdrukken en wil het huis van zijn buren, die een poosje op vakantie zijn, in brand steken. Hij pakt een jerrycan met benzine uit de garage en begint in het huis van de buren een benzinespoor te trekken van de woonkamer tot de voortuin. Na de jerrycan geleegd te hebben, steekt hij het benzinespoor aan. De overbuurman zag Niels te werk gaan en belde de hulpdiensten. De brandweer is net op tijd aangekomen om te voorkomen dat het huis in brand vloog. Niels wordt in verzekering gesteld. De rechter acht Niels schuldig aan poging tot brandstichting (art. 157 sub 1 Sr).

    Niels kan op grond van verdenking van dit delict in verzekering worden gesteld, indien het belang van het onderzoek dit vordert. De rechter kan hem een maximale gevangenisstraf van acht jaar op- leggen.

    Vraag 10

    Op 12 februari 2015 dringt een passagier de treincabine van Arriva-machinist John Hendriks binnen en bedreigt hem met een machinegeweer. De passagier beveelt John het rode stopsein in Duivendrecht te negeren en door te rijden naar station Amsterdam Centraal. John doet wat hem gezegd wordt. Op het station aangekomen vlucht de passagier uit de trein. Omdat de officier van justitie Johns verhaal niet gelooft en hij het negeren van het sein een ernstige zaak acht, gaat hij over tot vervolging. De tenlastelegging luidt: 'Dat hij, John Hendriks, op 12 februari 2015 te Amsterdam, althans tussen Duivendrecht en Amsterdam, althans in de provincie Noord-Holland, als machinist van een trein, daarmee rijdende over het spoor, aanmerkelijk onvoorzichtig een rood sein heeft genegeerd, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat gevaar is ontstaan voor het verkeer door mechanische kracht over een spoorweg (art. 165 lid 1 Sr)'.

    Johns raadsman weet tijdig de passagier te achterhalen die John heeft bedreigd. Door de verklaring van die passagier is de Rechtbank Noord-Nederland, sector strafrecht van mening dat John handelde uit psychische overmacht.

    De uitspraak van de rechter zal ontslag van alle rechtsvervolging (OVAR) wegens niet strafbaarheid van de dader zijn.

    Vraag 11

    Het bedrijf voor pleziertochtjes ‘De Kinderkano’ is al enige jaren in Amsterdam gevestigd en heeft net voldoende omzet om in leven te blijven. De eigenaar van het bedrijf wil meer winst maken en plaatst daarom langs de A2 twee grote advertenties met op de één het opschrift ‘De mooiste vaartochten van Amsterdam’ en op de ander het opschrift ‘Derde afslag rechts’. Van de verlichte advertenties gaat een wervende werking uit; het bedrijf boekt meer winst. Gedeputeerde Staten, die verantwoor- delijk zijn voor het beschermen van het landschapsschoon, constateren een overtreding van de Land- schapsverordening. De directie van ‘De Kinderkano’ ontvangt op 1 maart 2012 een schriftelijke last waarin het bedrijf wordt opgedragen om vóór 15 maart 2012 de advertenties te verwijderen.

    Als blijkt dat op 15 maart 2012 de reclameborden nog steeds op hun plek staan, kunnen Gede- puteerde Staten overgaan tot feitelijke verwijdering en daarnaast tot het innen van de hieraan ver- bonden kosten.

    Vraag 12

    Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen zijn te beschouwen als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 lid 1 sub b Awb.

    Vraag 13

    De rechtbank, sector kanton, is bevoegd recht te spreken zowel inzake geschillen met betrekking tot kleine en veelvoorkomende verkeersdelicten als inzake vorderingen uit onrechtmatige overheids- daad met een beloop van niet meer dan € 25.000,-.

    Rechtsvinding

    Vragen bij:

    • Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948.

    • Annotatie van J.G. Brouwer en G. Molier, AB 2014, 348.

    • Annotatie van E.A. Alkema, NJ 2014, 507.

    • T. Minovic, ‘Het verbieden van clubs en verenigingen: van Hell’s Angels tot Martijn’ van 6 maart 2015 op <www.openbareorde.nl>.

    Motiveer steeds het antwoord en verwijs naar de juiste regelnummers en/of wetsartikelen.

    Vraag 1

    1. Waarom is het Openbaar Ministerie in de zaak tegen de Vereniging Martijn procespartij?

    2. Waarom wordt de procedure tegen Martijn ingeleid met een verzoekschrift? (opzoekvraag)

    Vraag 2

    1. Welke twee interpretatiemethoden hanteert de Hoge Raad bij de uitleg van artikel 2:20 lid 1 BW?

    2. Wat is het effect van de gebruikte interpretatiemethoden?

    Vraag 3

    Voldoet het verbieden en ontbinden van de vereniging in casu volgens de Hoge Raad aan het nood- zakelijkheidsvereiste van artikel 10 lid 2 EVRM? Waarom wel/niet?

    Vraag 4

    Volgens Brouwer en Molier is het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van oordeel dat een fysieke schending van de rechten van het kind geen ‘conditio sine qua non’ is voor de aantasting van de inte- griteit van het kind.

    Leg uit:

    1. wat Brouwer en Molier hiermee bedoelen. Ga daarbij in elk geval in op wat ‘conditio sine qua non’ betekent;

    2. of dit door Brouwer en Molier geformuleerde oordeel van het hof volgens Brouwer en Molier in overeenstemming is met de wetsgeschiedenis.

    Vraag 5

    Het oordeel van de Hoge Raad is volgens Brouwer en Molier in strijd met het EVRM. Leg uit wat de Hoge Raad volgens Brouwer en Molier heeft gedaan waardoor het oordeel volgens hen in strijd is met het EVRM.

    Vraag 6

    Alkema is van mening dat artikel 8 EVRM een rol had moeten spelen in het oordeel van de Hoge Raad waardoor (1) de inhoudelijke toetsing anders zou zijn geworden en (2) waardoor het argument van Brouwer en Molier – op grond waarvan zij menen dat het oordeel van de Hoge Raad in strijd is met het EVRM – niet opgaat.

    Leg uit waarom volgens Alkema:

    1. artikel 8 EVRM een rol had moeten spelen in het oordeel van de Hoge Raad;

    2. de inhoudelijke toetsing daardoor anders zou zijn geworden;

    3. het argument van Brouwer en Molier – op grond waarvan zij menen dat het oordeel van de Hoge Raad in strijd is met het EVRM – daardoor niet opgaat.

    Vraag 7

    1. Voldoet het oordeel van de Hoge Raad volgens Minovic aan het relativiteitsvereiste?

    2. Onderschrijven Brouwer en Molier de mening van Minovic?

    Antwoorden

    Rechtsvorming

    Vraag 1

    Onjuist, want:

    • De rechter mag de regeling niet op doelmatigheid toetsen doelmatigheidstoetsing betreft een oordeel over het algemeen belang van de regeling en de rechter zou de plaats van de wetgever innemen als hij dat deed; strijd met Trias Politica, evt. art. 11 AB.

    • De rechter zal de regeling wel toetsen aan het willekeurbeginsel als onderdeel van de rechtmatig- heidstoets.

    • De toets aan het willekeurbeginsel is in dit geval mogelijk, omdat het hier een regeling betreft die niet een wet in formele zin is.

    • Dit komt overeen met het arrest Landbouwvliegers.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht. J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 3, §1.2: Wetgeving van de centrale overheid (p. 70 en 79, 81, 86).

    Vraag 2

    Onjuist, want:

    • Minderjarigheid loopt tot 18 jaar; art. 1:233 BW.

    • Tot 14 jaar zijn de ouders inderdaad risicoaansprakelijk voor de onrechtmatige daden van hun kind, art. 6:169 lid 1 BW.

    • Maar indien de minderjarige 14 of 15 jaar oud is, zijn de ouders niet risico-, maar schuldaansprake- lijk, art. 6:169 lid 2 BW.

    • En indien de minderjarige 16 of 17 jaar oud is, zijn de ouders in het geheel niet aansprakelijk.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht. J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 9, §6.1: Aansprakelijkheid voor kinderen (p. 342-343)

    Vraag 3

    Juist, want:

    • Door het ontbreken van leden heeft het bestuur van een stichting de juridische en feitelijke alleenheerschappij, zie art. 2:285 lid 1 BW.

    • Er bestaat geen algemene ledenvergadering, zoals in verenigingen, noch zoals bij vennoot- schappen een algemene vergadering van aandeelhouders en/of de raad van commissarissen.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht. J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 11, §4.2: De stichting (p. 385-387 en p. 409-411)

    Vraag 4

    Onjuist, want:

    • Uit het arrest ‘Hema’ blijkt dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een dringende reden rekening moet houden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht. J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 12, §2.4: Ontslag op staande voet (p. 415-416 en 441-443)

    Vraag 5

    Onjuist, want:

    • Het IGH is een instelling van de Verenigde Naties en heeft rechtsmacht inzake onder meer het Handvest VN.

    • Burgers hebben geen individueel klachtrecht bij dit Gerechtshof : het oordeelt alleen over conflicten tussen staten.

    • Uitleg en toepassing van het EVRM komt toe aan het EHRM.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht. J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 15, §4: De Verenigde Naties (p. 557)

    Vraag 6

    Juist, want:

    • Beide hebben het recht om mondelinge en schriftelijke vragen te stellen . EP  art. 230 VwEU en SG  recht van interpellatie/ art. 68 GW.

    • Beide kunnen een motie van afkeuring indienen om het kabinet dan wel de Commissie tot aftreden te dwingen , art. 234 VwEU.

    • Een betoog met betrekking tot het budgetrecht kan ook opleveren, en zo ook het enquête- recht.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht. J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 15, §6.2: De instellingen van de Europese Unie ( p. 39-41, p. 530 en 569-571)

    Vraag 7

    Onjuist, want:

    • er geldt binnen de EU zeker een recht op vrij verkeer van werknemers, artikel 45 VwEU;

    • maar Henk Smit is geen werknemer;

    • wel kan hij zich beroepen op het recht van vrije vestiging, artikel 49 VwEU.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht. J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 15, §6.1: De doelstellingen van de Europese Unie (p. 566-567) en Hoofdstuk 12, §1.2: Aspecten van de arbeidsovereenkomst (p. 430-431) en Werkboek ARW.

    Vraag 8

    Onjuist, want:

    • Art. 310 Sr is een misdrijf want Boek II, dus rechtbank sector strafrecht wel bevoegd, art. 45 RO jo. 382 Sv .

    • Misdrijven met strafmaximum van meer dan drie jaar verjaren na twaalf jaar, art. 70 aanhef en onder 2º Sr, dus niet verjaard .

    • Bewezenverklaring .

    • Het begrip ‘wederrechtelijk’ niet in de tenlastelegging opgenomen, terwijl dat wel in de delictsom- schrijving staat .

    • Geen kwalificatie mogelijk, dus OVAR wegens niet strafbaarheid van het feit , tweede materiële vraag .

    • NB: ook indien het bestanddeel ‘wederrechtelijkheid’ wel in de tenlastelegging was opgenomen, zou een beroep op art. 40 Sr niet tot OVAR wegens niet strafbaarheid van de dader hebben geleid, maar tot vrijspraak.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 14, §5: Het onderzoek ter terechtzitting (p. 525-537).

    Vraag 9

    Juist, want:

    • In verzekeringstelling in het belang van het onderzoek is mogelijk bij delicten, waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is, 57 lid 1 Sv ; dat zijn misdrijven waarop 4 jaar of meer gevangenisstraf is gesteld, art. 67 lid 1 sub a Sv.

    • Art. 157 sub 1 Sr is een misdrijf, want opgenomen in boek 2 en;

    • het maximum van de hoofdstraf op het voltooide delict is 12 jaren gevangenisstraf, zodat aan eis van meer dan 4 jaar is voldaan.

    • Overeenkomstig art. 45 lid 2 Sr wordt de straf bij een poging tot het misdrijf met een derde vermin- derd, dus 8 jaar.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 14, §2.3: Vrijheidsbenemende dwangmiddelen (p. 447-448 en p.513-517)

    Vraag 10

    Onjuist, want:

    • Geldige dagvaarding (tijd, plaats, 261 Sv), bevoegde rechter (misdrijf, 45 RO, 382 Sv), OM ontvanke- lijk (geen verjaring), geen reden voor schorsing.

    • Schuld is als bestanddeel opgenomen in de tenlastelegging.

    • Psychische overmacht is een schulduitsluitingsgrond, dus vrijspraak bij eerste materiële vraag.

    • Aan de derde materiële vraag die zou leiden tot OVAR wegens niet strafbaarheid van de dader komt de rechter niet toe.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 14, §5: Het onderzoek ter terechtzitting (p. 498 en p. 525-537).

    Vraag 11

    Juist, want:

    • Gedeputeerde Staten hebben de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen, art. 122 Provinciewet.

    • Met een last onder bestuursdwang ontstaat voor het bestuursorgaan na de begunstigingsperiode op grond van art. 5:21 Awb jo. de landschapsverordening de bevoegdheid de last door feitelijk han- delen zelf ten uitvoer te leggen .

    • Op grond van art. 5:25 Awb kunnen de kosten hiervan op de overtreder worden verhaald.

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 5, §1: Handelingen van het bestuursorgaan (p. 163-165) en §4: Handhaving in het bestuursrecht (p. 180-181) en p. 170-171.

    Vraag 12

    Onjuist, want:

    • De provincie Groningen is een publiekrechtelijke rechtspersoon, zie art.2:1 lid 1 BW (2 punten).

    • Binnen de provincie heeft Gedeputeerde Staten een voldoende zelfstandige positie blijkens bijv. art. 158 e.v. Provinciewet om als besluitnemend orgaan aangemerkt te worden .

    • Daarmee is GS van Groningen een bestuursorgaan ex. art. 1:1 lid 1 sub a Awb (een a- bestuursorgaan) en geen persoon of college dat met enig openbaar gezag bekleed is (een b-bestuursorgaan) ex art.1:1 lid 1 sub b Awb .

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 5 (p.153 en p. 162-163)

    Vraag 13

    Juist, want:

    • De rechterlijke afdoening van kleine en veelvoorkomende (bestuursrechtelijke) verkeersdelicten wordt in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wet Mulder) aan de kantonrechter opgedragen , zie art. 9 Wahv .

    • Vorderingen uit onrechtmatige (overheids)daad worden gebaseerd op artikel 6:162 BW, een regel van burgerlijk recht . De kantonrechter is bij civielrechtelijke vorderingen tot en met € 25.000,- de bevoegde rechter, zie art. 93 aanhef en sub a Rv .

    Vindplaats: Inleiding in het Nederlandse recht, J.W.P. Verheugt (18e druk). Hoofdstuk 5, §6: Beroep bij de rechtbank (p. 109-112, 153-154 en p. 185-190) en Hoofdstuk 13, §1.1: Misdrijven of overtredingen (p. 470).

    Rechtsvinding

    Onjuiste of ontbrekende regelnummers leveren 1 punt aftrek op.

    Vraag 1

    1. Het Openbaar Ministerie is betrokken als procespartij omdat het OM op grond van artikel 2:20 lid 1 BW – de bepaling die aan de uitspraak ten grondslag ligt – de rechter heeft verzocht Vereniging Martijn verboden te verklaren en te ontbinden.

    2. Volgens artikel 261 lid 2 Rv worden zaken met een verzoekschrift ingeleid indien dit uit de wet voortvloeit. In het geval van artikel 2:20 lid 1 BW volgt dit uit: ‘op verzoek’.

    Vraag 2

    1. De Hoge Raad hanteert ten aanzien van de uitleg van artikel 2:20 lid 1 BW de verdragsconforme en de wetshistorische interpretatiemethode omdat hij artikel 2:20 lid 1 BW onder meer uitlegt in het licht van artikel 10 EVRM en de bijbehorende beperkingssystematiek en omdat hij stelt dat uit de Memorie van Antwoord II bij de Wet tot wijziging van enige bepalingen over verboden rechtsper- sonen blijkt dat met openbare orde in artikel 2:20 BW hetzelfde is bedoeld als met de goede zeden als bedoeld in de artikelen 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM.

    2. Het effect hiervan is dat het openbare-ordebegrip van artikel 2:20 lid 1 BW extensief wordt uitgelegd.

      Vindplaats: regelnummers 37-51 van het arrest

    Vraag 3

    Ja, volgens de Hoge Raad voldoet het aan die eis vanwege de uitzonderlijke ernstige aard van de gedragingen – het bagatelliseren van de gevaren van seksueel contact met jonge kinderen en het verheerlijken en propaganderen van dergelijke contacten – , de aard van de werkzaam- heid van de vereniging, die erop is gericht om eventuele drempels weg te nemen om seksueel contact met kinderen te hebben en de overeenkomstige kennelijke bedoeling van haar leden.

    Vindplaats: regelnummers 108-110 èn 121-130 van het arrest

    Vraag 4

    1. Brouwer en Molier bedoelen met die opmerking dat volgens het hof een fysieke schending van de rechten van het kind geen absolute voorwaarde is om aan te nemen dat de rechten van het kind / de integriteit van het kind in het geding is . ‘Conditio sine qua non’ betekent letterlijk vertaald ‘de voorwaarde zonder welke niet’.

    2. Het oordeel van het hof is in overeenstemming met de wetsgeschiedenis volgens Brouwer en Molier omdat daarin ook wordt gesproken over uitlatingen die tot een verbod van een rechtspersoon kunnen leiden, waaruit volgt dat er geen sprake hoeft te zijn van fysieke schendingen van de rechten van het kind . Bovendien heeft de wetgever volgens Brouwer en Molier een (in dit kader) niet limitatieve opsomming gegeven, waaruit dus ook blijkt dat een fysieke schending van de rechten van het kind geen absolute voorwaarde is voor aantasting van de rechten van het kind.

      Vindplaats: regelnummers 18-33 van de annotatie van Brouwer en Molier.

    Vraag 5

    1. De Hoge Raad heeft de eis die volgt uit de wetsgeschiedenis dat er sprake moet zijn van een (dreigende) maatschappelijke ontwrichting vervangen door het noodzakelijkheidsvereiste zoals dat volgt uit artikel 10 EVRM.

    2. Volgens Brouwer en Molier maakt de vervanging van het ontwrichtingscriterium de drempel lager om een verenging op grond van artikel 2:20 lid 1 BW te verbieden. Dit is volgens hen in strijd met artikel 53 EVRM op grond waarvan de meest beschermende regeling dient te prevaleren; in dit geval zou de nationaalrechtelijke regeling als meer beschermende regeling dienen te prevaleren boven de verdragsrechtelijke regeling.

      Vindplaats: regelnummers 83-97 van de annotatie van Brouwer en Molier.

    Vraag 6

    1. Volgens Alkema had het EVRM een grotere rol mogen spelen in het oordeel, aangezien de ‘daadwerkelijke en ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit van het kind’ onder artikel 8 EVRM – het recht op integriteit – gebracht had kunnen worden (en mogelijk zelfs onder artikel 3 EVRM waarin het verbod van foltering is opgenomen).

    2. De inhoudelijke toetsing zou dan niet de verenigingsvrijheid zijn tegenover andere belangen (de indi- viduele en gearticuleerde belangen van het kind), maar de verenigingsvrijheid tegenover een ander zelf- standig recht (artikel 8 EVRM), ‘een volwaardig tegengewicht’.

    3. Het argument van Brouwer en Molier dat de meest beschermende regeling ex artikel 53 EVRM dient te prevaleren gaat dan niet op, omdat er nu sprake is van twee fundamentele rechten (enerzijds 10 dan wel 11 EVRM, anderzijds 8 EVRM) die tegen elkaar moeten worden afgewogen (botsing van grondrechten i.p.v. samenloop van een recht met andere belangen).

      Vindplaats: regelnummers 11-35 van de annotatie van Alkema.

    Vraag 7

    1. Het oordeel van de Hoge Raad voldoet volgens Minovic niet aan het relativiteitsvereiste omdat het doel van artikel 2:20 BW niet is de bescherming van kinderen.

    2. Ja / waarschijnlijk wel, zij betogen namelijk net als Minovic dat artikel 2:20 BW niet de bescherming van de lichamelijke integriteit van het kind ten doel heeft , maar de bescherming van de samenleving.

      Vindplaats: regelnummers 63-66 van de annotatie van Brouwer en Molier.

    ARW 2 - B1 - Rechten - RUG - Extra oefenmateriaal

    ARW 2 - B1 - Rechten - RUG - Extra oefenmateriaal

    Vragen

    Vraag 1

    Met betrekking tot de prejudiciële procedure bij het Hof van Justitie houdt de acte clair in dat het Hof de Europese rechtsregel waarover uitleg wordt gevraagd reeds in een andere zaak heeft uitgelegd. Deze stelling is juist/onjuist, omdat …

    Vraag 2

    Ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid kunnen niet zelfstandig deelnemen aan het rechtsverkeer. Deze stelling is juist/onjuist, omdat …

    Vraag 3

    Een verdrag moet uitsluitend ter uitdrukkelijke goedkeuring aan de Staten-Generaal worden voorgelegd indien het verdrag afwijkt van de Grondwet dan wel tot zodanig afwijken noodzaakt. Deze stelling is juist/onjuist, omdat …

    Vraag 4

    De sanctie op een overtreding van een bepaling uit een Algemene Maatregel van Bestuur (AmvB) moet te vinden zijn in de AMvB zelf. Deze stelling is juist/onjuist, omdat …

    Vraag 5

    Al fietsend verstuurt de dertienjarige Annelou een SMS-bericht. Ze botst tegen een geparkeerde auto, met als gevolg een verbogen fietswiel en een deuk in de auto. Zowel Annelou als haar ouders, op wie een risicoaansprakelijkheid rust, zijn aansprakelijk voor de schade aan de auto. Deze stelling is juist/onjuist, omdat …

    Vraag 6

    Timo v/d K. woont te Groningen en maakt in de nacht van 3 op 4 januari 2011 veel lawaai waardoor zijn buren niet kunnen slapen. Wegens burenruzies besluiten zowel de buren als Timo te verhuizen. Timo v/d K. vertrekt naar Rotterdam. De buren naar Amsterdam. Een half jaar later moet Timo v/d K. voor de Rechtbank Noord Nederland, sector straf, verschijnen. De dagvaarding luidt als volgt:

    Dat hij, Timo v/d K., op of omstreeks 4 februari 2011 in het perceel Wilgenpad 8 te Groningen burengerucht heeft verwekt, waardoor de nachtrust van zijn buren is verstoord (art. 431 Sr).’

    De rechter zal Timo v/d K. vrijspreken. Deze stelling is juist/onjuist, omdat …

    Vraag 7

    Er is sprake van een arbeidsovereenkomst indien voldaan is aan de volgende drie vereisten: het verrichten van arbeid, tegen loon, gedurende een zekere tijd. Deze stelling is juist/onjuist, omdat …

    Vraag 8

    De APV (Algemene Plaatselijke Verordening) van Groningen luidt: ‘Het is verboden op de openbare weg te tippelen, met uitzondering van door het college van b en w aangewezen gebieden’. Het college van B&W wijst in een besluit de B-straat aan als tippelzone. Dit besluit moet gekwalificeerd worden als een algemeen verbindend voorschrift. Deze stelling is juist/onjuist, omdat …

    Vraag 9

    In het Ikon-arrest (HR 27 maart 1987, NJ 1987, 727) heeft de Hoge Raad beslist dat de Gemeente Amsterdam bij het verrichten van privaatrechtelijke handelingen niet verplicht is om de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Deze stelling is juist/onjuist, omdat …

    Antwoorden

    Vraag 1

    Onjuist, want:

    • een acte clair is een rechtsregel, waarvan de rechter vindt dat die van zichzelf duidelijk is en dus geen uitleg behoeft;

    • de omschreven rechtsregel wordt een acte éclairé genoemd.

    Vindplaats: werkboek

    Vraag 2

    Juist, want:

    • Alleen rechtssubjecten kunnen deelnemen aan het rechtsverkeer.

    • Rechtssubjecten zijn of natuurlijke personen of daaraan vermogensrechtelijk gelijkgestelde rechtspersonen, art. 2:5 BW.

    Vindplaats: werkboek

    Vraag 3

    Juist, want:

    • een verdrag kan ook aan uitdrukkelijke goedkeuring worden onderworpen als de Staten-Generaal dit wenst, art. 5 lid 1 van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen;

    • het is echter alleen verplicht als er strijd is met de Grondwet, art. 6 Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen.

    Vindplaats: werkboek

    Vraag 4

    Onjuist, want:

    • een AMvB mag zelf geen strafmaat bevatten, deze moet in een wet in formele zin staan; art. 89 lid 2 Gw.

    Vindplaats: werkboek

    Vraag 5

    Onjuist, want:

    • Annelou is jonger dan 14 jaar en dus niet aansprakelijk, art. 6:164 BW.

    • De ouders zijn wel (risico)aansprakelijk, 6:169 lid 1 BW

    Vraag 6

    Onjuist, want:

    • dagvaarding wel geldig: bevat plaats en tijd, 261 Sv;

    • rechter onbevoegd, immers 431 Sr is een overtreding (bk 3) en die komt dus bij sector kanton, art. 45 RO jo. art. 382 Sv;

    • tijdstip (februari ipv januari) klopt niet, maar daar komt rechter niet meer aan toe.

    Vraag 7

    Onjuist, want:

    • de drie genoemde eisen (het verrichten van arbeid, tegen loon, gedurende een zekere tijd) worden wel gesteld, maar:

      • de werknemer dient tevens ‘in dienst’ te zijn, art. 7:610 lid 1 BW

      • dat betekent dat er een gezagsverhouding dient te zijn, waarbij de werknemer ondergeschikt is

    Vindplaats: werkboek

    Vraag 8

    Onjuist, want:

    • een avv moet afkomstig zijn van een tot wetgeving bevoegd orgaan en een zelfstandige normstelling bevatten

    • het gaat hier om een aanwijzingsbesluit, ook wel bestuurlijke maatregel genaamd

    Vindplaats: werkboek

    Vraag 9

    Onjuist, want:

    • wel daartoe verplicht;

    • omdat het een overheidslichaam is.

    Vindplaats: werkboek

    JoHo: bundel begrijpen

      Hoe werkt een JoHo Bundel (pagina)

    • Bundels zijn verzamelingen (vaak links) van pagina's rond een specifieke vraag of onderwerp
    • Bundels werken als navigatietool

    Welke soorten bundels zijn er?

    Productbundels

    • Verzekeringsbundels: verzameling van content rond verzekeringsadvies of verzekeringsaanbod
    • Abonnementsbundels: verzameling van content rond advies of services voor JoHo abonnees en donateurs
    • Shopbundels: verzameling van artikelen die besteld kunnen worden

    Persoonlijke bundels

    • op vrijwel elke pagina kun je onder de 'Footprints' de 'Add to my pages' optie vinden. Daar kun je pagina's toevoegen aan je eigen verzamelingen en bundels. Deze bundels met jouw bewaarde pagina's kun je vervolgens onderaan vrijwel elke pagina terugvinden als je bent ingelogd als JoHo donateur of abonnee.

    Studiehulpbundels

    • Boekbundels: verzameling van chapters die tezamen de samenvatting van een boek vormen
    • Studiebundel: verzameling van content die hoort bij een specifiek vak of een studiefase

    Themabundel

    • Verzameling van content die behoort bij een topic en themapagina

    Toolbundel

    • Verzameling van content gericht op een specifiek proces of actie (bijvoorbeeld een vacature zoeken of een vak bestuderen)

    Toolbundel voor abonnees

    • Verzameling van content met toegang of services voor JoHo abonees
    Footprint: achterlaten
    Pagina bewaren in je bundels:

    (Service voor ingelogde JoHo donateurs)