Burgerlijk procesrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel

  Bundel

Sluit je aan bij JoHo om te kunnen inloggen en gebruik te maken van de tools en teksten
 

Aansluiten bij JoHo als abonnee of donateur

The world of JoHo footer met landenkaart

    Aansluiten bij JoHo met een JoHo abonnement

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

     of met een JoHo donateurschap

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Aanmelden & Aansluiten bij JoHo 

    De items van deze bundel
    Airey/Ierland - EHRM - 1979 - Arrest
    Ritzen/Hoekstra - Arrest

    Ritzen/Hoekstra - Arrest

    Ritzen/Hoekstra (HR 22-04-1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575)

    Relevante artikelen

    Art 289-297, 438 Rv

    Casus

    Ritzen en Vandeberg zijn een echtpaar en huren een woonpand van Hoekstra. Hoekstra vordert ontbinding van de huurovereenkomst. Deze huurovereenkomst is gesloten tussen hem als verhuurder en eisers in cassatie het echtpaar Ritzen en Vandeberg als huurders. Bij de ontbinding wordt ontruiming van het pand gevorderd en betaling van de achterstallige huurpenningen vermeerderd met de wettelijke rente tot het tijdstip van ontruiming. Het betreft een ontruimingsvonnis dat uitvoerbaar bij voorraad verklaard wordt door de Kantonrecher en waartegen is geappelleerd. Op het moment Hoekstra over will gaan tot ontruiming vordert het echtpaar in kortgeding staking van executie tot bij gewijsde in de hoofdzaak is beslist.

    De vordering wordt afgewezen door de rechtbank. Het hof bekrachtigt het vonnis.

    Rechtsvraag

    Is hier sprake van misbruik van bevoegdheid? En wanneer kan de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis gestaakt worden ex. art. 438 Rv?

    Hoge Raad

    De taak van de rechter in een executiegeschil is naar zijn aard beperkt. In een executiegeschil mag de reeds berechte hoofdzaak niet geheel of gedeeltelijk opnieuw ter discussie worden gesteld. Uitgangspunt in dit arrest is de bevoegdheid van de executant tot tenuitvoerlegging. Slechts als de executant misbruik van die bevoegdheid maakt, kan de rechter staking van de tenuitvoerlegging bevelen. Dit kan pas worden bevolen door de rechter wanneer hij van mening is dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de gebruikmaking van zijnbevoegdheid om in afwachting van de uitslag van hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan.‘

    Het aanhangig maken van een executiegeschil schorst de executie niet, behalve in de gevallen waarin de wet dat uitdrukkelijk bepaalt.

    In een dergelijk executiegeschil met betrekking tot een ontruiming kan de rechter slechts staking van de tenuitvoerlegging van dat vonnis bevelen, indien hij van oordeel is dat executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de ontruiming zal worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien de ontruiming op grond van na dit vonnis aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

    De middelen gaan uit van een andere opvatting en kunnen derhalve niet leiden tot cassatie.

    ECLI: 
    ECLI:NL:HR:1983:AG4575
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 22 April, 1983
    Ciba Geigy/Voorbraak - Arrest

    Ciba Geigy/Voorbraak - Arrest

    Ciba Geigy/Voorbraak (HR 16-11-1984, NJ 1985, 547)

    Casus

    Geigy, eiseres tot cassatie, is houdster van het Nederlands octrooi op een werkwijze voor de bereiding van middelenvoor het remmen van plantengroei. Voorbaak kocht van Geigy afkomstige producten in Frankrijk en voerde ze vervolgens in Nederland in, daarbij profiterend van het door Geigy gehanteerde prijsverschil. In 1973 wordt door de voorzieningenrechter Voorbaak verboden zich langer met deze praktijken te verrijken. Geigy legt dit vonnis ten uitvoer. Later, in 1976, blijkt dit verbod niet verenigbaar met de regels van het EEG- verdrag en mag Voorbaak binnen de EEG haar handel hervatten.

    Voorbaak vordert een schade vergoeding wegens de gemiste inkomsten over de tussen liggende periode.

    Rechtsvraag

    Wie draagt de schade welke veroorzaakt is door een van het kort gedingvonnis afwijkende beslissing in het bodemgeschil?

    Rechtsregel

    De tenuitvoerlegging van het vonnis in kort geding verplicht de in het gelijk gestelde eiser tot schadevergoeding, als later in het bodemgeschil de rechter tot een andere beslissing komt. Een kort gedingvonnis is een soort voorlopige maatregel. Wie bij kort geding in het ongelijk gesteld wordt, moet een dergelijk vonnis in acht nemen, maar kan de daardoor ontstane schade op de wederpartij verhalen, indien het in kort geding gewezen vonnis door een afwijkend vonnis in het bodemgeschil zijn rechtskracht verliest. De eiser die het kort geding vonnis ten uitvoer legt, handelt onrechtmatig wanneer hij, naar achteraf blijkt uit de uitspraak in het bodemgeschil, niet het recht had van de wederpartij te vergen dat deze aan het kortgeding vonnis zou voldoen. 

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 16 November, 1984
    M'Barek / Van der Vloodt - Arrest
    Capuano/Italië - EHRM - 1987 - Arrest
    Van Berkel/Tribosa - Arrest

    Van Berkel/Tribosa - Arrest

    Van Berkel/Tribosa (HR 25-01-1991, NJ 1992/172) 

    Casus

    Van Berkel heeft op 14 november 1980 conservatoir derdenbeslag gelegd onder Tribosa voor een vordering van Van Berkel op Zuid-Arcade. Dit beslag is op 22 april 1987 overgegaan in executoriaal beslag. Op het moment van de beslaglegging bestond tussen Zuid-Arcade als verhuurster en Tribosa als huurster een huurovereenkomst met betrekking tot een winkelruimte. Het door Tribosa van Zuid-Arcade gehuurde onroerend goed is op 30 november 1982 in het openbaar geveild door de Amrobank als hypotheekhouder en op 15 december 1982 geleverd aan de koper, het Spoorwegpensioenfonds NV. Deze verkoop en levering geschiedden ‘onder bezwaar van de lopende huur, overigens zonder dat wordt ingestaan voor de betaling van de huurpenningen’. De bestaande huurovereenkomst werd vanaf 15 december 1982 voortgezet door het Spoorwegpensioenfonds als verhuurster en Tribosa als huurster. Het Spoorwegpensioenfonds en Tribosa hebben in mei 1983 een nieuwe huurovereenkomst met betrekking tot hetzelfde pand gesloten, met ingang van 1 januari 1983 en met ontbinding van de bestaande huurovereenkomst.

    Rechtsvraag

    Aan de orde is de vraag Van Berkel dit beslag kan vervolgen op de huurtermijnen, vervallend na de overdracht van het verhuurde aan het Spoorwegpensioenfonds.    

    Hoge Raad

    De Hoge Raad overweegt dat volgens de regel van artikel 475 lid 1 Rv een schuldeiser van de verhuurder beslag kan leggen onder de huurder op de huurpenningen die deze na de beslaglegging verschuldigd zal worden uit de ten tijde van de beslaglegging bestaande huurovereenkomst. De regel van artikel 475b lid 1 Rv brengt mee dat het beslag ook na de vervreemding van de door het beslag getroffen vordering op deze vordering blijft rusten en dat de geëxecuteerde de beslagen vordering niet van het beslag kan bevrijden door haar te vervreemden. De regel geldt ook voor toekomstige vorderingen, wanneer deze volgens de in de vorige alinea aangeduide regel door het beslag zijn getroffen. Wat betreft deze vorderingen sluit de regel aan bij het stelsel van art. 3:97 lid 2 BW.      

    In het geval dat de eerste hypotheekhouder, wiens hypotheek reeds voor het beslag op het verhuurde goed rustte en die na het beslag door executoriale verkoop krachtens het beding van artikel 1223 lid 2 BW (oud) (thans artikel 3:268 BW) zijn verhaalsrecht als hypothecaire schuldeiser heeft uitgeoefend, kan de vervreemding niet tegen de beslaglegger op de vordering ter zake van huurpenningen worden ingeroepen, nu de hypotheek naar zijn aard slechts op het verhuurde goed zelf rust en niet op de vordering ter zake van de huurpenningen en bij gebreke van een op goede grond ingeroepen beding als bedoeld in artikel 1230 BW (oud) (thans artikel 3:270 BW), die vordering ook na de vervreemding door de hypotheekhouder telkens uit de huurovereenkomst zal blijven ontstaan en onder het op die vordering gelegde beslag zal blijven vallen.

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 25 January, 1991
    De Nieuwe Woning/Staat - Arrest

    De Nieuwe Woning/Staat - Arrest

    De Nieuwe Woning/Staat (HR 28-06-1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2117)

    Onderwerp

    Rolrichtlijnen van de rechtbank zijn recht in de zin van artikel 99 RO.

    Relevante wetsartikelen

    Artikel 99 wet RO.

    Casus

    De Nieuwe Woning heeft De Staat gedagvaard en vordert een vergoeding. De kantonrechter heeft de vordering geheel afgewezen. Vervolgens wordt hoger beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Aan De Nieuwe Woning is tweemaal uitstel verleend voor het nemen van een memorie van antwoord. De rolrechter heeft daarna een akte van niet-dienen verleend (de wederpartij is dan weer aan zet en de door de akte getroffen memorie van antwoord mag niet meer worden genomen door De Nieuwe Woning). Tijdens pleidooi verzoekt De Nieuwe Woning om terugverwijzing naar de rol zodat alsnog een memorie van antwoord kan worden genomen en incidenteel appel kan worden ingesteld.

    De rechtbank verklaarde de Nieuwe Woning echter niet-ontvankelijk, omdat de beslissing van de rolrechter zou moeten worden beschouwd als een incidenteel vonnis waarbij een eindbeslissing is gegeven. Hierdoor kan de rechtbank niet meer op haar beslissing terugkomen.

    Hoge Raad

    De Hoge Raad is van mening dat de in het vonnis genoemde rolrichtlijnen zijn aan te merken als recht in de zin van artikel 99 RO. Deze regels (rolrichtlijnen) kunnen niet gelden als algemeen verbindende voorschriften, maar kunnen de rechter wel binden op grond van algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging. Daarnaast kunnen rolrichtlijnen wanneer de inhoud en strekking ervan zich hiervoor leent, ten opzichte van betrokkenen als rechtsregels worden toegepast. Verder is de akte van niet-dienen ten onrechte verleend. De rolrechter heeft artikel 9a van de rolrichtlijnen geschonden door het verlenen van deze akte, omdat niet aan alle vereisten van dit artikel was voldaan. Er was namelijk geen kopie van de brief, waarin de akte van niet-dienen werd gevraagd, aan De Nieuwe Woning gezonden. De Hoge Raad vernietigt de beslissing van de rechtbank en verwijst naar het hof.

    Noot HJS

    Rolrichtlijnen vormen recht in de zin van artikel 99 RO, mits ze behoorlijk zijn bekendgemaakt. Hieraan wordt voldaan als deze ter kennis komen van alle leden van de betreffende plaatselijke orde.

    ECLI: 
    ECLI:NL:HR:1996:ZC2117
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 28 June, 1996
    Ajax / Reule - Arrest

    Ajax / Reule - Arrest

    Ajax / Reule (HR 26-02-1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2861)

    Casus

    Ajax c.s. hebben onder Reule conservatoir beslag gelegd op een partij caps, sjaals en mutsen, die waren voorzien van het Ajax logo en het woordmerk Ajax, maar niet van licentiestickers. In het door Ajax aangespannen kort geding vordert Reule c.s. in reconventie opheffing van het beslag.

    Rechtsvraag

    Kan de eis in de hoofdzaak worden ingesteld in kort geding?

    Hoge Raad

    Conservatoir beslag wordt executoir beslag, zie art. 704 RV. In verband hiermee is aanvaard dat het instellen van de eis in de hoofdzaak, nu in kort geding een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot voldoening van de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd kan worden verkregen.

    ECLI: 
    ECLI:NL:HR:1999:ZC2861
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 26 February, 1999
    VNP/Havrij - Arrest

    VNP/Havrij - Arrest

    VNP/Havrij (HR 06-04-2001, NJ 2002, 385)

    Onderwerp

    Algemene voorwaarden; redelijke mogelijkheid tot kennisneming.

    Relevante wetsartikelen

    6:231-235 BW.

    Casus

    Leverancier Havrij vermeldt in zijn offerte dat op de leveringen de FME-voorwaarden van toepassing zijn en dat zij op verzoek een exemplaar van deze voorwaarden toezenden. De voorwaarden bevatten onder meer een bepaling voor beperkte garantie.

    VNP Parkeersystemen heeft vier slagboomunits gekocht. Na 9 maanden stelt VNP de leverancier schriftelijk op de hoogte van de gebreken aan de units en vordert schadevergoeding. Havrij beroept zich echter op de algemene voorwaarden. VNP stelt dat de algemene voorwaarden nietig zijn, omdat hem geen redelijke mogelijkheid is geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen (6:233 onder b BW).

    De rechtbank acht de algemene voorwaarden echter wel toepasselijk en wijst de vordering af. Hiertegen stelt VNP beroep in bij het hof. Het hof verwerpt het beroep van VNP op de nietigheid van de algemene voorwaarden eveneens. Het hof stelt dat er genoeg tijd voor VNP is geweest om van deze algemene voorwaarden kennis te nemen en dat de wijze van kennisgeving van de algemene voorwaarden kennelijk gebruikelijk is in dergelijke branches. VNP gaat hierop in cassatie.

    Hoge Raad

    De Hoge Raad gaat er vanuit dat de algemene voorwaarden niet ter hand zijn gesteld zoals bedoeld in 6:234 lid 1 BW. Het hof had ook moeten onderzoeken of het ter hand stellen van de voorwaarden redelijkerwijs niet mogelijk was, aldus 6:234 lid 2 BW.

    Het maakt geen verschil in de beoordeling dat VNP zelf in de voettekst van haar brieven vermeld dat haar algemene voorwaarden van toepassing zijn en op verzoek worden toegezonden. Door het hof is ook niet vastgesteld of VNP vaker overeenkomsten sluit waarop dezelfde algemene voorwaarden van toepassing zijn als de door Havrij gebruikte voorwaarden.

    Men kan er dan ook niet vanuit gaan dat er hier sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:235 lid 3 BW. Daarnaast acht de Hoge Raad geen plaats voor een ruime uitleg van het artikel, want de wettelijke regeling van 6:234 BW is gericht op terhandstelling van de voorwaarden voor het sluiten van de overeenkomst. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het hof te Amsterdam.

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 6 April, 2001
    Dipasa Europe/Huyton - Arrest

    Dipasa Europe/Huyton - Arrest

    Dipasa Europe/Huyton (HR 29-11-2002, NJ 2004, 172)

    Onderwerp

    Overleggen van stukken en het beginsel van hoor en wederhoor.

    Relevante wetsartikelen

    Artikel 6 EVRM.

    Casus

    Naar aanleiding van een internationaal handelsgeschil omtrent een partij sesamzaad heeft Huyton conservatoir beslag laten leggen voor een vordering die zij pretendeert te hebben op Dipasa Europe B.V. om als borg datgene te voldoen waartoe Dipasa Mexico zal worden veroordeeld. Dipasa Europe vordert in kort geding opheffing van de gelegde beslagen. De rechtbank wijst deze vordering toe, maar in hoger beroep wordt de vordering door het hof afgewezen.

    Het Hof heeft daarbij "met name" verwezen naar een in hoger beroep overgelegde beëdigde verklaring ("affidavit"). In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat:

    • de "affidavit" dateert van juni 1999 en door de Engelse advocaat van Huyton was opgesteld en mede was bestemd om tegen Dipasa Europe te worden gebruikt en aan Dipasa Europe en Dipasa Mexico niet bekend was;

    • de datum voor de pleidooien bij het Hof is bepaald bij rolbeschikking van 21 oktober 1999 op maandag 7 februari 2000;

    • de "affidavit" met bijlagen ongeveer 140 bladzijden omvat en op woensdag 2 februari 2000 door de advocaat van Dipasa Europe is ontvangen;

    • de advocaat van Dipasa Europe zich nadrukkelijk heeft verzet tegen de toelating van de producties;

    • de advocaat van Huyton geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat de producties niet eerder aan (de advocaat van) Dipasa Europe waren verzonden of niet eerder in het geding waren gebracht.

    Hoge Raad

    De Hoge Raad heeft gewezen op het feit dat de rechter in een civiele procedure slechts mag beslissen aan de hand van stukken tot kennisneming waarvan en uitlating waarover aan partijen voldoende gelegenheid is gegeven, zodat een partij kennis kan nemen en voldoende adequaat kan reageren op stukken die vlak voor een terechtzitting worden overgelegd (beginsel van hoor en wederhoor). Indien aard, omvang en tijdstip van overlegging een vermoeden rechtvaardigen dat aan deze eis niet is voldaan, dient de rechter hier ambtshalve over te beslissen en de stukken terzijde te stellen of een nadere termijn voor een reactie te geven.

    Omstandigheden die hierbij een rol spelen zijn aard en omvang van de documentatie. Alsmede de ter beschikking staande termijn voor een reactie van de wederpartij en het aanwezig zijn van een deugdelijke verklaring voor de late indiening. Het ingaan op stukken ter zitting door wederpartij van indiener is op zichzelf niet toereikend om beroep op te late indiening te verwerpen.

    Dipasa Europe was niet tijdig in kennis gesteld van alle stukken en had ook bezwaar gemaakt tegen het gebruik maken van de stukken. Het hof heeft zijn motiveringsplicht geschonden door stilzwijgend voorbij te gaan aan het gemaakte bezwaar van Dipasa.

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 29 November, 2002
    Nannini/SFT - Arrest

    Nannini/SFT - Arrest

    Nannini/SFT (HR 09-01-2004, NJ 2005, 190)

    Onderwerp

    Vernietiging van een arbitraal vonnis.

    Relevante wetsartikelen

    Artikel 1065 Rv.

    Casus

    Pascal André Nannini (verder Nannini) sluit een koopovereenkomst met de SFT Bank (verder: SFT), waarbij wordt bepaald dat SFT aandelen in Treasure Ltd. aan Nannini verkoopt. Treasure LTD. was eigenaar van Treasure Island Resort. In de koopovereenkomst staat de garantie van SFT dat het resort, behoudens één specifiek aangeduide hypotheek, onbezwaard (dus vrij van hypotheken en beslagen) is. Daarnaast bepaald de koopovereenkomst dat SFT, als één van de garanties niet juist of volledig blijkt te zijn, gehouden zal zijn de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden.

    Als partijen het niet eens worden over de hoogte van de schade, zal dit worden vastgesteld door middel van arbitrage als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Nederlandse Antillen.

    Het resort bleek toch bezwaard te zijn, omdat er beslagen op bleken te rusten. Nannini vordert schadevergoeding, omdat hij door de bezwaring het resort niet heeft kunnen doorverkopen. Het hof van justitie stelt Nannini in het gelijk en er worden arbiters aangesteld om de hoogte van de schadevergoeding vast te stellen.

    De verkoper was het niet eens met deze schadevergoeding en vordert vernietiging van het arbitrale vonnis.

    Hoge Raad

    De wetgever heeft de mogelijkheid van aantasting van arbitrale vonnissen beperkt willen houden en heeft een motiveringsgebrek op zichzelf niet als nietigheidsgrond willen aanmerken. Bij het onderzoek of er grond voor vernietiging bestaat, moet de rechter terughoudendheid betrachten. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat vernietiging van een arbitraal vonnis op de in art. 1065 lid 1 aanhef en onder d Rv genoemde grond dat dit niet met redenen is omkleed, slechts mogelijk is wanneer de motivering ontbreekt en niet in gevallen van ondeugdelijke motivering: aan de rechter komt niet de bevoegdheid toe om op deze vernietigingsgrond een arbitraal vonnis naar zijn inhoud te toetsen. Met het ontbreken van een motivering moet op één lijn worden gesteld het geval dat weliswaar een motivering gegeven is, maar dat daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet te onderkennen valt.

    De rechter mag bij vernietiging niet de inhoud van een arbitraal vonnis toetsen. Daarom is vernietiging niet mogelijk op grond van een ondeugdelijke motivering, maar wel als de motivering geheel ontbreekt.

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 9 January, 2004
    Van den Bergh/Van der Walle - Arrest

    Van den Bergh/Van der Walle - Arrest

    Van den Berg/Van der Walle (HR 29-10-2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4504)

    Onderwerp

    Beslag en executierecht.

    Rv art. 718, 475; BW art. 3:1, 6:130

    Casus

    Een beslagcrediteur, Van Den Walle, legt conservatoir derdenbeslag onder een bank. Ten tijde van de beslaglegging was het saldo van de beslagdebiteur, Van Den Bergh, in rekening-courant negatief, maar was de aan de beslagdebiteur verstrekte kredietfaciliteit nog niet ten volle benut. Tussen partijen is een eerder Kort Geding aanhangig geweest. Inzet daarvan was dat Van den Bergh het recht van retentie uitoefende op de bij hem gestalde kalveren, totdat Van der Walle hem het verschuldigde zou hebben betaald. De president van de rechtbank heeft toen bepaald bij vonnis van 8 november 2001 dat Van den Bergh zijn retentierecht diende op te geven tegen betaling door Van der Walle van een bedrag van f 9722,- dit na een afweging van het zwaarwegende belang van Van der Walle bij beëindiging van de uitoefening van het retentierecht. De president vond het te ver gaan dat het retentierecht ook zou kunnen worden uitgeoefend terzake van de schadevergoedingsvordering inzake het vervolgcontract.

    Van Den Bergh, de kredietdebiteur, dient een beroepschrift in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof. Het gaat hier om de vraag of er beslag kan worden gelegd op nog niet afgeroepen kredietruimte uit een bestaande kredietovereenkomst.

    Hof

    Van Den Bergh heeft o grond van het falen van de grieven in het incidenteel appèl kan ook dit appèl niet tot vernietiging van het vonnis leiden, dat dan ook, met verbetering van gronden zal worden bekrachtigd. Van den Bergh zal, als in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appèl, waarbij die van Van der Walle zullen worden begroot op nihil, nu zij zich uitsluitend heeft gerefereerd aan het verweer van de bank.

    Hoge Raad

    De Hoge Raad onderscheidt in hoofdzaak drie opvattingen naar aanleiding van de rechtsvraag; 1. de ruime opvatting, die dit beslag zonder meer mogelijk acht, waarbij de kredietruimte als een bestaande vordering op de bank wordt beschouwd, 2. de enge opvatting die dit zonder meer onmogelijk acht en 3. de tussenopvatting die het beslag slechts mogelijk acht indien en voorzover de beslagdebiteur aan de derde-beslagene een opdracht tot betaling uit de kredietruimte verstrekt.

    De enkele kredietrelatie schept nog geen voor beslag vatbare vordering: een verbintenis jegens de cliënt tot betaling aan hemzelf of aan een door hem aangewezen derde ontstaat immers eerst zodra de cliënt zijn bevoegdheid tot afroep van de kredietruimte gebruikt en pas dan ontstaat er een vordering van de cliënt jegens de bank, ook al vindt die dan wel haar onmiddellijke grondslag in de kredietovereenkomst. Erkenning van een beslag op kredietruimte is (nu het wilsrecht na beslag nauwelijks door de beslagdebiteur zal worden uitgeoefend) in strijd met de bedoeling van de wetgever, die beducht is voor beslag zonder reëel uitzicht op executie, hetgeen al helemaal klemt bij conservatoir beslag (r.o. 3.7). Bovendien kleven er praktische bezwaren aan die erkenning: banken zouden eerder het risico lopen van een voor de beslaglegger niet bevrijdende betaling en zich daartegen door tarieven en voorwaarden wapenen op zodanige wijze dat het nuttige instrument van de kredietverlening onder druk zou komen te staan; die bezwaren zouden niet opwegen tegen de voordelen. De Hoge Raad kiest in dit arrest voor de tweede opvatting en oordeelt dat er dus geen conservatoir derdenbeslag kan worden gelegd op niet-benutte kredietruimte want het gaat hier nog niet om een vordering.

    ECLI: 
    ECLI:NL:HR:2004:AP4504
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 29 October, 2004
    Pots/Van den Hoek - Arrest

    Pots/Van den Hoek - Arrest

    Pots/Van den Hoek (HR 22-04-2005, NJ 2006, 502)

    Onderwerp

    Verzuim inschrijving van de zaak ter rolle.

    Relevante wetsartikelen

    Artikelen 90-92 Rv (oud).

    Casus

    Pots heeft de Kartclub MaasKempenland (KCMK) alsmede Van den Hoek en Redeker gedagvaard om te verklaren dat zij (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor de geleden schade van het ongeval dat Pots is overkomen op het kartcircuit. De rechtbank wijst echter zijn vordering af. Daarop heeft Pots bij exploot aangezegd in appel te komen, maar deze datum heeft hij niet laten inschrijven. Daarna laat hij een herstelexploot uitbrengen, maar daarin wordt een datum vermeld waarop het hof geen zitting houdt en de zaak weer niet kon worden ingeschreven. Vervolgens brengt Pots nogmaals een herstelexploot uit, waarna de zaak wordt ingeschreven.

    KCMK heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheidverklaring van Pots. Van der Hoek en Redeker zijn de strijd inhoudelijk met Pots aangegaan. De vraag is of, nu deze laatste twee stilzwijgend hebben ingestemd met het aanbrengen van de zaak op een latere datum, eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

    Het Hof verklaart Pots niet-ontvankelijk, waarop cassatie wordt ingesteld.

    Hoge Raad

    Verzuim van inschrijving van de zaak ter rolle van de aangezegde rechtsdag leidt in beginsel tot niet-ontvankelijkheid van de vordering of het rechtsmiddel waarop de dagvaarding betrekking heeft. Maar het verzuim kan worden hersteld doordat de zaak met toestemming van de wederpartij alsnog op de rol wordt geplaatst. Die toestemming kan worden afgeleid uit verschijning van partijen zonder protest gevolgd door het voeren van inhoudelijk verweer. Let wel, herstel is mogelijk door het uitbrengen van een herstelexploot binnen veertien dagen na de oorspronkelijke oorspronkelijk aangezegde rechtsdag. Dit herstelexploot is pas geldig als het exploot een nieuwe rechtsdag aanzegt en daarna wordt ingeschreven op de rol. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof.

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 22 April, 2005
    Janssen/Hobbelen - Arrest

    Janssen/Hobbelen - Arrest

    Janssen/Hobbelen (HR 09-06-2006, NJ 2006, 327)

    Onderwerp

    Niet verschijnen gedaagde ter comparitie.

    Rv art. 88

    Casus

    Hobbelen (tandarts) vordert voor de kantonrechter van Janssen een bedrag ter zake van het maken van een frame. Hobbelen, vordert de veroordeling van Janssen tot betaling aan hem van € 846,40, vermeerderd met rente en kosten. In het geding voor de kantonrechter betwist Janssen bij conclusie van antwoord de vordering. Janssen heeft bij antwoord verweer gevoerd. Bij voornoemd tussenvonnis is een comparitie van partijen bepaald op 18 november 2004. Janssen is, hoewel behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering niet verschenen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat het verweer niet langer wordt gehandhaafd. De vordering zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat de buitengerechtelijke incassokosten overeenkomstig de gebruikelijke staffel worden gesteld op € 80,92 inclusief BTW. Janssen zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld.

    Hieruit heeft kantonrechter de gevolgtrekking gemaakt dat Janssen zijn verweer heeft prijsgegeven. Hier gaat het om de vraag wat de rechter moet doen wanneer een gedaagde niet ter comparitie verschijnt.

    Hoge Raad

    Janssen dient vervolgens een klacht in. De rechter heeft op grond van art. 88 lid 4 Rv de bevoegdheid uit een niet-verschijnen ter comparitie een gevolg te trekken die hij redelijk acht, maar ook voor deze beslissing geldt dat zij ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang. Aangezien Janssen bij de conclusie van antwoord een goed beargumenteerd betoog had gehouden, had de rechter er niet zonder meer van uit moeten gaan dat hij zijn verweer had prijsgegeven. De kantonrechter, had door uit de enkele omstandigheid dat Janssen niet ter comparitie is verschenen niet af mogen leiden dat deze zijn verweer heeft prijsgegeven en daarbij niet mogen aan geven welke van zijn bij conclusie van antwoord aangevoerde stellingen dit prijsgeven betreft, zo weinig inzicht in zijn gedachtegang heeft gegeven dat van zijn beslissing niet kan worden gezegd dat deze de gronden inhoudt waarop zij berust.

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 9 June, 2006
    Bijl/Van Baalen - Arrest

    Bijl/Van Baalen - Arrest

    Bijl / Van Baalen (HR 30-06-2006, NJ 2007, 483)

    Casus

    Van Baalen is eigenaar van een perceel grond en water met bestemming jachthavenbedrijf. Naast hem woont Bijl. Tussen partijen zijn een aantal geschillen geregeld in kort geding. Een van de geschillen betrof een recht van erfdienstbaarheid van uitzicht. Deze erfdienstbaarheid van uitzicht verhinderde voor Van Baalen de mogelijkheid om een botenloods op haar terrein te bouwen. Partijen zijn overeengekomen dat Bijl afstand zou doen van zijn recht van de erfdienstbaarheid van uitzicht. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat het recht van overpad van Bijl ten laste van het perceel van Van Baalen uitgebreid zou worden tot een recht van overpad. Van Baalen heeft op grond van de gemaakte afspraken een bedrag van 550.000 gulden voldaan aan Bijl. Op 11 juli 2001 heeft Van Baalen een bouwvergunning verkregen voor de bouw van vier landhuizen en later voor een vijfde landhuis. Bijl heeft tegen deze vergunningverlening bezwaar gemaakt. Van Baalen heeft op 9 oktober 2001 Bijl in kort geding gedagvaard en gevorderd dat Bijl veroordeeld zou worden om zijn bezwaren tegen de aan Van Baalen afgegeven bouwvergunningen in te trekken. De vordering is op 18 oktober 2001 afgewezen. Van Baalen is in hoger beroep gegaan en dat hof heeft op 19 december 2002 het vonnis van 18 oktober 2001 vernietigd en Bijl veroordeeld om binnen 48 uur na betekening van het arrest zijn bezwaren in te trekken. Bijl heeft aan dit arrest gevolg gegeven. Van Baalen stelt schade te hebben geleden als gevolg van het bezwaar dat Bijl heeft gemaakt tegen de verleende bouwvergunningen. Van Baalen verzoekt op deze grond bij de voorzieningenrechter hen te vergunnen om ten laste van Bijl conservatoire (derden)beslagen te doen leggen ter verzekering van de door hen gestelde vordering op Bijl. Dit verlof is verleend op 14 februari 2003 voor bedrag van 1.150.000 euro. Van Baalen heeft vervolgens conservatoir beslag gelegd op een aantal goederen van Bijl. In de hoofdzaak heeft de rechter de vordering, die aan het beslag ten grondslag lag, afgewezen bij vonnis van 19 mei 2004. Van Baalen heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld en de beslagen derhalve niet opgeheven. Bijl heeft op 5 juli 2004 aan de voorzieningenrechter gevorderd het beslag op te heffen. Bijl heeft hiertoe gesteld dat de vorderingen van Van Baalen door de rechter zijn afgewezen en derhalve hiermee de ondeugdelijkheid van het beslag is komen vast te staan. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 22 juli 2004 de gevraagde voorziening geweigerd. Hiertegen is Bijl in hoger beroep gegaan. Het hof heeft de uitspraak van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Bijl is vervolgens in cassatie gegaan.

    Rechtsvraag

    In hoeverre komt bij de beoordeling van een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag in kort geding betekenis toe aan een vonnis van de bodemrechter in de desbetreffende hoofdzaak, dat nog niet in kracht van gewijsde is gegaan?

    Rechtsregel

    Een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag op de grond dat de vordering tot verzekering waarvan het beslag is gelegd, door de bodemrechter in eerste aanleg is afgewezen, moet ingeval tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld, niet zonder meer worden toegewezen, ook niet onder het voorbehoud van kennelijke misslagen in de uitspraak van de bodemrechter.

    Ook in een zodanig geval dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen. De omstandigheid dat de bodemrechter in eerste aanleg in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient daarbij wel te worden meegewogen. Van de voorzieningenrechter kan niet worden gevergd dat hij in zijn vonnis mede een voorlopige beoordeling geeft van de kans van slagen van het door de beslaglegger tegen het vonnis in eerste aanleg ingestelde hoger beroep. Ook in een geval als hier bedoeld ligt het in de eerste plaats op de weg van degene die opheffing van het beslag vordert, met inachtneming van de beperkingen van de kort geding procedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd.

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 30 June, 2006
    Staat/Princeville - Arrest

    Staat/Princeville - Arrest

    Staat/Princeville (HR 14-07-2006, NJ 2006, 601)

    Onderwerp

    Verbetering uitspraak ex art. 31 Rv.

    Relevante wetsartikelen

    Artikel 31 Rv.

    Casus

    De Staat heeft Princeville gedagvaard vanwege de aanleg van een hogesnelheidslijn. Het gaat om de onteigening van een aantal stukken grond waarvan Princeville eigenaar is. Daarbij moet ook een bedrag ter schadeloosstelling worden vastgesteld. De rechtbank wijst de vordering tot onteigening toe en stelt deskundigen aan om het schadebedrag te laten vaststellen. De rechtbank heeft in de zaak bij vonnis van 1 december 2004 einduitspraak gedaan, maar dat vonnis bij beslissing van 9 februari 2005 verbeterd op grond van artikel 31 Rv.

    De Staat gaat hierop in cassatie.

    Hoge Raad

    In cassatie wordt de vraag gesteld of er een nieuwe beroepstermijn aanvangt in geval van rectificatie van een uitspraak. Dit is niet het geval. De uitspraak waarbij het vonnis is verbeterd kan, anders dan de Staat veronderstelt, niet worden aangemerkt als een rectificatie. Door de verbetering is ook geen nieuwe termijn voor het instellen van cassatieberoep tegen het vonnis van 1 december 2004 gaan lopen.

    Daarnaast wordt gevraagd of een essentieel vormverzuim de uitsluiting van beroep ex artikel 31 lid 4 Rv doorbreekt. Artikel 31 lid 4 Rv bepaalt dat er geen voorziening openstaat tegen verbetering of weigering daarvan.

    De Staat meent dat verbetering van een door een meervoudige kamer gewezen vonnis niet door de enkelvoudige kamer kan plaatsvinden en beroept zich op een essentieel vormverzuim.

    De beroepsuitsluiting van artikel 31 lid 4 Rv kan worden doorbroken als er sprake is van een essentieel vormverzuim. Dan zou beroep toch mogelijk zijn.

    Hier is de Staat echter niet-ontvankelijk, omdat de Staat had aangegeven de kosten van juridische bijstand aan de zijde van Princeville te willen betalen en heeft er geen baat bij als (hetzelfde) vonnis aangepast wordt volgens de juiste procedure.

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 14 July, 2006
    X/mr. Aerts q.q. - Arrest

    X/mr. Aerts q.q. - Arrest

    X/Mr. Aerts q.q. (HR 14-03-2008, NJ 2008, 466)

    Onderwerp

    Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 lid 7 BW.

    Relevante wetsartikelen

    Artikel 2:11, 2:248 en 6:203 BW; 25 Rv.

    Casus

    Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 19 december 2001 is Lezavo B.V. (hierna A. B.V.) in staat van faillissement verklaard en mr. Aerts aangesteld als curator. Ten tijde van de uitspraak van het faillissement van Lezavo B.V. lagen de verhoudingen als volgt:

    Bij dagvaarding van 10 januari 2002 heeft de curator X. in rechte betrokken en gevorderd dat de rechtbank haar veroordeelt tot betaling van € 31.197,39 omdat dit bedrag onverschuldigd is voldaan. Voorts heeft de curator een verklaring voor recht gevorderd dat X. haar bestuurstaak zodanig onbehoorlijk heeft vervuld dat het als een belangrijke oorzaak van het faillissement is aan te merken en X. jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het faillissementstekort op grond van artikel 2:248 lid 7 BW.

    De rechtbank oordeelt dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld door niet te voldoen aan de verplichtingen van artikel 2:10 BW. Er wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. X heeft niet bewezen dat dit vermoeden onjuist is.

    Daarop stelt X. hoger beroep in.

    Het hof heeft bij tussenarrest van 13 september 2005 in het principaal appel geoordeeld dat NVR geen formeel bestuurder van Lezavo BV is geworden, omdat er geen sprake is geweest van een rechtsgeldig genomen benoemingsbesluit. Maar NVR heeft feitelijk wel gehandeld als formeel bestuurder van A B.V., namelijk via de echtgenoot van X. Het hof vult zelf de rechtsgronden aan en geeft partijen de gelegenheid te reageren op een eventuele aansprakelijkheid van X. op grond van 2:248 lid 7 j. 2:11 BW. Uiteindelijk bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank. Daarop gaat X. in cassatie.

    Hoge Raad

    Op grond van art. 2:248 lid 1 BW is, in geval van faillissement van de vennootschap, iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het faillissementstekort, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

    Degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald "als ware hij bestuurder" wordt door lid 7 van art. 2:248 BW voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld met een bestuurder. Ook een rechtspersoon kan aangemerkt worden als feitelijke bestuurder in de zin van art. 2:248 lid 7 BW

    De Hoge Raad bepaalt dat krachtens art. 2:11 BW de aansprakelijkheid alleen op de formele bestuurder rust en niet op degene die het beleid van de aansprakelijke rechtspersoon (mede) heeft bepaald.

    Vervolgens wordt gesteld dat het geen verschil maakt of de ingevolge art. 2:248 aansprakelijke rechtspersoon formeel bestuurder dan wel beleidsbepaler van de failliete vennootschap is. In beide gevallen kunnen de (formele) bestuurders van die rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld.

    Er moet voorop worden gesteld dat de uitleg van processtukken een feitelijke beslissing is, die voorbehouden is aan de feitelijke rechter, en in cassatie slechts marginaal toetsbaar is. Toch is de Hoge Raad van mening dat het Hof, indien het de vorderingen had toegewezen op grondslag van informeel bestuurderschap (2:248 lid 7 BW), niet alleen het beginsel van hoor en wederhoor zou hebben geschonden, maar ook buiten de rechtsstrijd van partijen zou zijn getreden.

    Hiermee onderstreept de Hoge Raad dat de rechtsstrijd in beginsel autonoom door partijen bepaald wordt. De rechter dient zich te bewegen binnen de grenzen van de rechtsstrijd van partijen, zoals die worden bepaald door hun vorderingen en verweren en de hiervoor door hen aangevoerde feitelijke grondslagen (beginsel van partijautonomie).

    Slechts indien het een kwestie van openbare orde betreft, mag en moet de rechter ook rechtsgronden aanvullen ten aanzien van wel gebleken maar niet door de belanghebbende partij aan haar vordering of verweer ten grondslag gelegde feiten.

    De formele en informele bestuurdersaansprakelijkheid van art. 2:248 BW is niet van openbare orde. Het Hof heeft zelf die feitelijke grondslag van de vorderingen toegevoegd. De Hoge Raad heeft dit hersteld door aan te nemen dat de curator na het tussenarrest alsnog de feitelijke grondslag van zijn vorderingen mocht aanvullen en deze ook daadwerkelijk heeft aangevuld met die van aansprakelijkheid wegens informeel bestuurderschap.

    De Hoge Raad vernietigt het tussenarrest en het uiteindelijke arrest van het hof en verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

    Noot HJS

    De vorderingen waren niet gebaseerd op aansprakelijkheid van X als informeel bestuurder. Het hof oordeelt dat de vordering op bovenstaande grond zal worden toegewezen en stelt partijen in de gelegenheid om hun vordering aan te passen.

    Zo wil het hof een verrassingsbeslissing voorkomen. Als het hof deze mogelijkheid niet had geboden, dan was er sprake van strijd met het beginsel van hoor en wederhoor en het beginsel van partijautonomie.

    Het is natuurlijk niet verboden om een andere grondslag uit te lokken door partijen de mogelijkheid te geven hun grondslag te wijzen, maar er bestaat het risico dat de rechter dan gaat meeprocederen. Dit zou de onafhankelijkheid van de rechter in gevaar brengen.

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 14 March, 2008
    De Vries / Gemeente Voorst - Arrest
    Forward/Hubert - Arrest

    Forward/Hubert - Arrest

    Forward/Hubert (HR 05-09-2009, NJ 2009, 154)

    Casus

    In casu betreft het een geschil tussen Huber en de stichting adminisitratiekantoor Forward. Huber laat convervatoir beslag leggen op aandelen van Forward. Door de beslaglegging heeft Forward zijn aandelen niet kunnen leveren aan een koper. Deze koper zou overgaan tot betaling van een koopprijs gelijk aan het eigen vermogen.

    De vordering waarvoor beslag is gelegd, werd afgewezen, echter in die tussentijd was de betaling van de koopprijs door de koper aan Forward vertraagd. Hierop stelt Forward Huber aansprakelijk voor de schade.

    Rechtbank/Hof

    De vordering tot schadevergoeding van Forward wordt zowel door de rechtbank als door het Hof afgewezen omdat Forward niet voldoende had onderbouwd dat schade was geleden. Forward is de koopsom wel misgelopen, maar daar staat tegenover dat zij gerechtigd is gebleven tot het extra rendement dat Forward N.V. heeft kunnen behalen. Het hof heeft overwogen dat artikel 6:119 BW noch rechtstreeks, noch analoog kan worden toegepast in deze situatie.

    Hoge Raad

    In cassatie wordt het beroep verworpen door de Hoge Raad. Volgens de Hoge Raad is artikel 6:119 bedoeld de schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom te fixeren op de wettelijke rente, ter wille van de rechtszekerheid en van de hanteerbaarheid van het recht op dit punt. 

    De schuldeiser hoeft dus aan de ene kant niet te bewijzen dat schade is geleden ten gevolge van de vertraging in de voldoening van de hem toekomende geldsom, maar aan de andere kant kan hij geen hogere vergoeding vorderen als zijn schade meer dan het fixum zou zijn.

    Het wetsartikel wijkt dus af van het uitgangspunt dat de eiser zijn werkelijk geleden schade vergoed moet krijgen. De aard van het artikel is dus anders. Zie r.o. 3.3.2-3.3.5.

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Saturday, 5 September, 2009
    Wertenbroek q.q./Erven Van Vlerken - Arrest

    Wertenbroek q.q./Erven Van Vlerken - Arrest

    Wertenbroek q.q./Erven Van Vlerken (HR 19-06-2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771)

    Casus

    Van Vlerken vordert schadevergoeding van Bouwbedrijf Ceelen op grond van ondeugdelijk uitgevoerd werk. Ceelen is inmiddels failliet verklaard en zijn curator Wertenbroek, stelt hoger beroep in. In de hoger beroep zaak zijn deskundigen benoemd om voorlichting te geven over de kosten van herstel van het ondeugdelijk bouwwerk. Na het deskundigenbericht heeft Van Vlerken bij memorie zijn eis in conventie vermeerderd.

    Rechtsvraag

    Is het toegestaan de eis te vermeerderen nadat de memorie van grieven is ingediend?
     

    Hoge Raad

    Onder grieven wordt verstaan: alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak vernietigd moet worden. Een grief dient voor de wederpartij voldoende kenbaar naar voren te worden gebracht in ge procedure.

    Ex. art. 347 lid 1 Rv hoort de rechter in beginsel niet te letten op grieven die in een later stadium dan de memorie van grieven worden ingediend. Echter hierop kunnen uitzonderingen worden toegepast. Deze uitzonderingen hoeven niet aan de voorwaarde te voldoen dat er van tevoren in de memorie van antwoord incidenteel appèl moet zijn ingesteld.

    Een voorbeeld van uitzonderingen op de hoofdregel is als de wederpartij ondubbelzinnig toestemt met het feit dat de nieuwe grief toch nog wordt betrokken in de zaak. Of wanneer de aard van het geschil met zich meebrengt dat in een later stadium nog een grief mag worden aangevoerd. En de laatste mogelijk om nog in een later stadium grieven in te dienen is als daarmee de aanpassing wordt beoogd van later voorgevallen feiten en omstandigheden en de nieuwe grief als doel heeft deze feiten aan te passen of de onjuistheid ervan weg te nemen.

    Van groot belang bij deze procedure blijven de eisen van een goed procesorde.

    Van Vlerken dient de eisvermeerdering in naar aanleiding van het deskundigenbericht. Deze kosten waren hoger dan verwacht werd op het moment de einduitspraak werd gedaan door de rechtbank. De eisvermeerdering valt onder bovengenoemde uitzonderingen omdat het als doel had de omvang van de prijsontwikkelingen aan te passen. De eisvermeerdering wordt door de Hoge Raad toegestaan omdat de vereisten voor een goede procesorde niet geschaad zijn.

    ECLI: 
    ECLI:NL:HR:2009:BI8771
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 19 June, 2009
    Waarheidsplicht - Arrest

    Waarheidsplicht - Arrest

    Waarheidsplicht (HR 25-03-2001, ECLI:NL:HR:2011:BO9675)

    Relevante artikel

    Artikel 21 Rv.

    Casus

    Partijen waren gescheiden en hadden samen twee minderjarige kinderen. Eiser, de vader, wilde geen alimentatie meer betalen, omdat hij zijn baan kwijtgeraakt was, hertrouwd was en uit dit huwelijk twee kinderen tot zijn last zou hebben. Het Hof oordeelde dat beide partijen ondeugdelijk waren in het verstrekken van informatie met betrekking tot hun financiele situatie en dat beide partijen daarom de alimentatielasten voor de helft moeten dragen.

    Hoge Raad

    De waarheidsplicht zoals neergelegd in artikel 21 Rv geldt voor alle in het wetboek van burgerlijke rechtsvoridering geregelde procedures. Het is een feitelijk oordeel of de partij(en) aan deze verplichting hebben voldaan en de rechter kan ambtshalve oordelen of er in strijd is gehandeld met het artikel en de daarbij behorende gevolgen eraan verbinden. Als de rechtbank tot een oordeel is gekomen op basis van de ingelegde processtukken, kan het Hof als nog oordelen dat artikel 21 Rv geschonden is en daar de bijbehorende gevolgen aan verbinden.

    ECLI: 
    ECLI:NL:HR:2011:BO9675
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 25 March, 2011
    Gynaecoloog - Arrest

    Gynaecoloog - Arrest

    Gynaecoloog (HR 23-11-2012, NJ 2012, 669)

    Casus

    Deze zaak betreft de vraag naar de aansprakelijkheid van de gynaecoloog die op 16 december 1993 de leiding had bij de bevalling van de moeder van betrokkene 3 voor het hersenletsel dat betrokkene 3 rond haar geboorte heeft opgelopen. De volgende feiten hebben zich voorgedaan. Op 16 september 1993 uur is de moeder met weeën opgenomen in het Kennemer Gasthuis. Er is een CTG van de foetus gemaakt, dat geen bijzonderheden toonde. Daarna werd in verband met pijnklachten een infuus ingebracht, waarlangs epidurale anesthesie werd toegepast. Toen bleek dat de epiduraal niet werkte. Vervolgens braken de vliezen, waarbij bleek dat het vruchtwater vers meconium bevatte en vanaf dat moment heeft door middel van een schedelelektrode CTG- bewaking van de hartslag van de foetus plaatsgevonden. Uit de CTG bleek een extreem lage pH- waarde. Betrokkene 3 is door middel van een tangverlossing geboren. Na de geboorte zijn bij betrokkene 3 de volgende afwijkingen vastgesteld: psychomotore retardie, schouderdystocie en Erbse parese links. De ouders vorderen in dit geding veroordeling van de gynaecoloog tot vergoeding van materiële en immateriële schade.

    Rechtbank

    Bij eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de antenatale asfyxie, de symptomatische hypoglycaemie en de huidige toestand van betrokkene 3. Daarmee oordeelde de rechtbank dat het verlangde tegenbewijs niet is geleverd en dat derhalve bewezen is dat de huidige toestand van [betrokkene 3] het gevolg is van de beroepsfout van de gynaecoloog. De rechtbank heeft de vordering op die grond toegewezen, waarna hoger beroep is ingesteld.

    Hoge Raad

    Het eerste onderdeel van het middel betoogt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat hier sprake is van een door de gynaecoloog overtreden specifieke norm, zoals vereist is voor de toepassing van de omkeringsregel. geen van de partijen heeft het standpunt ingenomen dat de norm deze beperkte strekking heeft zodat het hof, door aldus te oordelen, buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen is getreden. Het tweede onderdeel behelst onder meer de rechtsklacht dat het hof ten onrechte oordeelt dat het geen geldend recht is om voor de toepassing van de omkeringsregel de eis te stellen dat de kans op verwezenlijking van het (door de normovertreding in het leven geroepen) specifieke gevaar aanmerkelijk moet zijn vergroot. Ingevolge vaste rechtspraak strekt de omkeringsregel ertoe dat in bepaalde gevallen een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van art. 150 Rv in dier voege dat het bestaan van causaal verband (in de zin van conditio sine qua non-verband) tussen een onrechtmatige daad of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst - waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt - dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Gelet op het voorgaande heeft het hof terecht geoordeeld dat de voorwaarde dat het specifieke gevaar aanmerkelijk moet zijn vergroot, geen geldend recht is. De klacht stuit daarop af. De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden en de Hoge Raad verwerpt het beroep.

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 23 November, 2012
    X/LTO Noord Verzekeringen BV - Arrest

    X/LTO Noord Verzekeringen BV - Arrest

    X/LTO Noord Verzekeringen B.V. (HR 08-02-2013, NJ 2014, 175)

    Casus

    In deze zaak gaat het om nieuwe verweren die in incidenteel appel worden gevoerd.

    Een assurantieadviseur (eiser tot cassatie) is van 1996 tot midden 2005 in dienst geweest van LTO Noord Verzekeringen. Tussen partijen is een concurrentiebeding overeengekomen. De assurantieadviseur stapt over naar een ander kantoor. Hierna vordert LTO schadevergoeding van hem wegens schending van zijn concurrentiebeding. Volgens LTO heeft de assurantieadviseur ongeveer 54 van haar cliënten commercieel benaderd en heeft daarmee inbreuk heeft gemaakt op het concurrentiebeding. De adviseur heeft gesteld dat er geen concurrentiebeding geldt. De kantonrechter wijst de eis deels toe en wijst de reconventionele eis (dat er geen concurrentiebeding geldt tussen partijen) af. In hoger beroep stelt de assurantieadviseur dat hij het concurrentiebeding niet heeft geschonden.

    Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en eiser tot cassatie veroordeeld tot betaling aan LTO van een bedrag van € 42.466,02. Volgens het Hof  moet de door eiser tot cassatie bij memorie van antwoord in incidenteel appel voor het eerst gevoerde verweer, dat hij op 1 juli 1996 niet in dienst is getreden van WLTO/Holag Assurantie B.V. maar bij de (vereniging) Westelijke Land- en Tuinbouworganisatie, aangemerkt worden als nieuwe grief waarop geen acht wordt geslagen. Verder oordeelt het hof dat eiser tot cassatie, voorzover hij tegen dat dictum bezwaren had, daartegen (op tijd) een grief had moeten richten, hetgeen hij niet heeft gedaan. De assurantieadviseur heeft hierna cassatieberoep ingesteld.

    Hoge Raad

    De Hoge Raad moet kijken of het hof een voor het eerst in de memorie van antwoord in incidenteel appel opgeworpen verweer mag kwalificeren als nieuwe grief. Heeft het hof het verbod van 'reformatio in peius' correct toegepast?

    De Hoge Raad geeft aan dat het arrest van het hof onjuist is. De Hoge Raad stelt dat het incidentele beroep processueel in beginsel een zelfstandige positie inneemt ten opzichte van het principale beroep. Het bij memorie van antwoord in incidenteel appel gevoerde verweer was geen grief, want het was niet gericht op vernietiging van het dictum van het arrest van het hof. Voor verweren geldt in principe, zoals voor grieven, dat deze moeten worden aangevoerd bij de eerste gelegenheid in appel. Echter omdat het incidentele appel een zelfstandige positie inneemt, was de memorie van antwoord in incidenteel appel voor de assurantieadviseur de eerste gelegenheid in dat appel. Het verweer is dus wel op tijd aangevoerd.

    Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat het verbod op reformatio in peius niet in de weg stond aan behandeling van de andere twee verweren die in incidenteel appel waren aangevoerd. Het ging namelijk niet om grieven maar om verweren, die het dictum van de bestreden uitspraak uit eerste aanleg dus niet konden aantasten. Als ze gegrond zouden worden verklaard, zou dat er wel toe leiden dat de boete die de assurantieadviseur moest betalen niet verhoogd zou worden (maar hetzelfde zou blijven).

    Conclusie

    De Hoge Raad stelt dat het incidentele beroep processueel in beginsel een zelfstandige positie heeft ten opzicht van het principale beroep. Het is daarom mogelijk dat in de memorie van antwoord in het incidenteel appel een nieuw verweer wordt gevoerd dat niet ook als grief in principaal appel is voorgesteld.

    M.a.w. een nieuw verweer gevoerd bij memorie van antwoord in incidenteel beroep, dat niet ook als grief in principaal beroep is voorgesteld, kan (bij gegrondbevinding) niet leiden tot een vernietiging van het dictum van het bestreden vonnis, maar wel tot verwerping van het incidentele beroep.

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 8 February, 2013
    X/Delta e.a. - Arrest

    X/Delta e.a. - Arrest

    X/Delta e.a. (HR 15-03-2013, NJ 2013, 388)

    Casus

    In cassatie wordt uitgegaan van de volgende feiten. Van maart tot begin augustus 2010 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen enerzijds betrokkene 1, die optrad namens H9 Invest en Sunoil, althans namens een van hen, en anderzijds eiser 1, die naar zijn opgave optrad als gemachtigde van Delta Biovalue en Delta, over de overname van de aandelen in Delta Biovalue Nederland BV. De aandelen in Delta Biovalue Nederland BV worden gehouden door Delta Biovalue, van welke vennootschap Delta Development & Water BV de enig bestuurder en aandeelhouder is. De enig aandeelhouder en bestuurder van deze laatste vennootschap is Delta. Op 5 augustus 2010 is er, althans naar de mening van H9 Invest en Sunoil, wilsovereenstemming over de overname bereikt. Op enig moment na 5 augustus 2010 is dit laatste echter van de zijde van Delta Biovalue BV en Delta NV bestreden, op de grond dat eiser 1 niet bevoegd was en zijn gesprekspartners dat wisten.

    Eiser 1 en eiser 2 hebben sprongcassatie ingesteld. Art. 398 Rv, dat sprongcassatieberoep mogelijk maakt tegen vonnissen die in eerste ressort op tegenspraak zijn gewezen, is in art. 426 lid 4 Rv niet van overeenkomstige toepassing verklaard op de verzoekschriftprocedure. Ingeval echter alle partijen en belanghebbenden aan wie het recht van hoger beroep toekomt, hebben ingestemd met een sprongcassatieberoep nadat een beschikking in eerste aanleg is gegeven, is er geen grond om dat beroep niet toe te staan. Alle partijen dienen in te stemmen met het sprongcassatieberoep, wat in deze zaak niet het geval is waardoor eiser 1 en eiser 2 niet- ontvankelijk zijn in het cassatieberoep.

    Het middel in cassatie neemt tot uitgangspunt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat mededingingsrechtelijke jurisprudentie van het HvJ EU, waarbij een advocaat in loondienst een verschoningsrecht werd ontzegd, meebrengt dat ook naar Nederlands recht "aan een advocaat in loondienst voor wat betreft de communicatie met zijn cliënt, het bedrijf waar hij werkt, niet het privilege van het verschoningsrecht toekomt".

    In Nederland is reeds geruime tijd aanvaard dat een advocaat in dienstbetrekking werkzaam kan zijn. Eveneens geruime tijd geleden heeft het College van Afgevaardigden van de Nederlandse Orde van Advocaten publiekrechtelijke regelingen vastgesteld waaraan de advocaat in dienstbetrekking en zijn werkgever zijn gebonden. Gezien de Nederlandse praktijk en de waarborgen die aldus in Nederland omtrent de wijze van praktijkuitoefening van advocaten in dienstbetrekking bestaan, bestaat er geen grond om aan een advocaat het verschoningsrecht te ontzeggen op grond van het enkele feit dat hij in dienstbetrekking werkzaam is.

    Hoge Raad

    De Hoge Raad verklaart eiser 1 en eiser 2 niet-ontvankelijk in hun beroep en veroordeelt eiser 1 en eiser 2 in de kosten van het geding in cassatie.

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 15 March, 2013
    HR 29 maart 2013, W2013, 202 (Osei/Varde Investments Ltd.) - Arrest

    HR 29 maart 2013, W2013, 202 (Osei/Varde Investments Ltd.) - Arrest

    Casus

    In cassatie wordt van de volgende feiten uitgegaan. De kantonrechter heeft eiser veroordeeld tot betaling aan Varde van een geldbedrag. Eiser is van dat vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof. De zaak is op de rol ingeschreven en heeft op 28 juni, 9 augustus en 6 september 2011 op de rol gestaan voor het nemen van de memorie van grieven. Op de rolzitting van 20 september 2011 is akte verleend dat eiser niet tijdig van grieven hebben gediend. Het hof heeft verder in zijn hiervoor genoemde arrest van 4 oktober 2011 eiser niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep bij gebreke van grieven.

    Eiser voert aan dat zij door het hof ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard en beroept zich op een samenloop van omstandigheden van overwegend feitelijke aard, de redelijke verwachtingen die zij onder deze omstandigheden omtrent het verdere verloop van de procedure mochten koesteren, en hun recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in art. 6 EVRM. Deze samenloop van omstandigheden bestond in de niet-ontvangst van de peremptoir stelling door Varde in de brief van mr. Ouwens van 12 augustus 2011, en het feit dat het elektronisch roljournaal in de desbetreffende periode niet toegankelijk was. De redelijke verwachtingen die zij onder deze omstandigheden omtrent het verdere verloop van de procedure mochten koesteren, berusten op het in het Landelijk Rolreglement vastgelegde rechterlijk beleid in geval geen peremptoir stelling en akte niet-dienen is aangezegd.

    Uitgaande van de hiervoor in 3.1 vermelde feiten en de door het middel geschetste gang van zaken Generaal ingewonnen inlichtingen heeft eiser niet eerder dan in cassatie de gelegenheid gehad om aan te voeren dat zij als gevolg van de in het middel genoemde samenloop van omstandigheden niet op de hoogte waren van de peremptoir stelling en het laatste uitstel voor de memorie van grieven op 6 september 2011 tegen de rolzitting van 20 september 2011, zodat in cassatie voorshands van de juistheid daarvan dient te worden uitgegaan. Tegen deze achtergrond is het middel gegrond verklaard.

    Hoge Raad

    De door eiser gestelde samenloop van omstandigheden - van de juistheid waarvan in cassatie voorshands moet worden uitgegaan - is tegen de achtergrond van het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een effectieve toegang tot de civiele rechter van dien aard, dat niet voor hun risico dient te komen dat zij op 20 september 2011 nog niet van grieven hadden gediend.

    De stellingen van eiser moeten derhalve op juistheid worden onderzocht, hetgeen betekent dat het arrest van het hof niet in stand kan blijven. Nu Varde de beslissing van het hof niet heeft uitgelokt of verdedigd, zullen de kosten van het geding in cassatie worden gereserveerd. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof.

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 29 March, 2013
    Molenbeek Invest/Begeer - Arrest

    Molenbeek Invest/Begeer - Arrest

    Molenbeek Invest/Begeer (HR 13-09-2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958)

    Casus

    Het gaat in deze zaak – waarin de voorzieningenrechter prejudiciële vragen aan de Hoge Raad heeft gesteld – in de kern om de vraag of en zo ja, op welke wijze in zaken die niet onder de regeling van artikel 1019b en 1019c Rv vallen (hierna: niet IE-zaken), de mogelijkheid bestaat tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag, dat wil zeggen: beslag op bescheiden en andere gegevensdragers die zich onder een ander bevinden om deze voor het doel van bewijslevering te bewaren (niet: te gebruiken). Daarnaast wordt de vraag voorgelegd of het met het bepaalde in artikel 392 lid 5 Rv verenigbaar is dat als de spoedeisendheid van een zaak dit vereist, het verzoek tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag voorlopig wordt toegewezen en een definitieve beslissing wordt aangehouden in afwachting van het antwoord van de Hoge Raad op de te stellen prejudiciële vraag.

    Hoge Raad

    Artikel 730 en 843a Rv bieden voldoende grondslag voor het leggen van een bewijsbeslag, ook in niet-IE-zaken; artikel 1019a lid 1 en 3, 1019b lid 3 en 4 en 1019c Rv zijn, voor zover nodig, overeenkomstig van toepassing. Dit betekent dat de beslaglegging slechts kan plaatsvinden onder de in artikel 843a Rv gestelde voorwaarden en dus ook dat zij slechts betrekking kan hebben op “bescheiden” in de zin van die bepaling (waaronder overigens mede digitale bestanden kunnen worden begrepen, met dien verstande dat de mogelijkheid bestaat dat daarvan onder toezicht van de deurwaarder ter plaatse kopieën worden gemaakt, die dan in beslag worden genomen). Zij kan, indien noodzakelijk, tevens de voorwerpen betreffen waarin, of de gegevensdragers waarop deze bescheiden zich bevinden.

    Het rechterlijke verlof om het bewijsbeslag te leggen geeft geen verdergaande aanspraken dan de bewaring van de in beslag genomen bescheiden; noch dit verlof, noch de beslaglegging zelf geeft de beslaglegger dan ook recht op afgifte, inzage of afschrift. De verzoeker ontleent aan het verlof ook niet het recht bij de beslaglegging aanwezig te zijn (artikel 702 lid 1 jo. 443 lid 2 Rv).

    Onder omstandigheden kunnen deze bescheiden, ter plaatse gemaakte kopieën daaronder begrepen, ter gerechtelijke bewaring worden afgegeven, zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 709 Rv.

    In het inleidende verzoekschrift dienen de in beslag te nemen bescheiden zo precies te worden omschreven als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van de verzoeker kan worden verlangd, omdat de beslaglegging niet mag ontaarden in een “fishing expedition”. In het verzoekschrift dient zowel de rechtsbetrekking te worden gesteld met het oog waarop het verlof wordt gevraagd, als de identiteit van de wederpartij of de derde onder wie het beslag moet worden gelegd. Voorts dient de verzoeker zijn belang bij de beslaglegging voldoende aannemelijk te maken, alsmede feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de beslaglegging met het oog daarop noodzakelijk is. Daartoe is nodig dat gegronde vrees bestaat dat de betrokken bescheiden anders verloren gaan, en dat de beoogde bewijsvoering niet op andere, voor de beslagene minder ingrijpende wijze kan plaatsvinden (de keuze van de maatregelen dient te worden geleid door overwegingen van proportionaliteit en subsidiariteit). De verzoeker dient ook te vermelden of een eis in de hoofdzaak is of wordt ingesteld, en aannemelijk te maken dat de in beslag te nemen bescheiden zich onder de wederpartij of de derde bevinden (zie ook artikel 444a lid 1 Rv).

    Het verlof wordt zo nodig gegeven zonder dat de wederpartij wordt gehoord, met name indien het aannemelijk is dat uitstel de verzoeker onherstelbare schade zal berokkenen of indien er een aantoonbaar gevaar voor verduistering of verlies van bewijs bestaat
    (vgl. artikel 1019b lid 3 BW).

    Verlof voor de beslaglegging wordt niet gegeven indien de bescherming van de eventuele vertrouwelijkheid van de in beslag te nemen bescheiden onvoldoende is gewaarborgd (vgl. artikel 1019b lid 4 Rv). Verder kan de voorzieningenrechter, met name indien hij het verlof verleent zonder dat de wederpartij wordt gehoord, aan het verlof – met overeenkomstige toepassing van artikel 701 Rv – de voorwaarde verbinden dat de beslaglegger zekerheid stelt ter zake van de schade die hij heeft te vergoeden indien het beslag onrechtmatig blijkt te zijn.

    De met de executie van het verlof belaste deurwaarder heeft ter inbeslagneming toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is, zulks met inachtneming van artikel 444 - 444b Rv, welke bepalingen overeenkomstig van toepassing zijn op het conservatoire beslag (artikel 712 en 734 Rv), en ook op het bewijsbeslag.

    Aan de stelplicht van degene die verlof vraagt om bewijsbeslag te leggen, hoge eisen moeten worden gesteld. Indien het verlof wordt verleend, geldt wat betreft de omstandigheid dat het beslag in een woning moet worden gelegd, dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit meebrengen dat het privéleven en het familie- en gezinsleven van degene onder wie het beslag wordt gelegd, zoveel mogelijk worden gerespecteerd.
    De voorzieningenrechter kan op de omstandigheden van het geval toegesneden voorwaarden in zijn uitspraak opnemen.

    Het verzoek dient steeds mede te worden getoetst aan de criteria van artikel 843a Rv, dus ook in het geval van beslaglegging in een woning. Het beslag mag slechts worden gelegd op de in het verzoekschrift omschreven bescheiden.

    De noodzakelijke waarborgen voor de beslagene kunnen in verschillende richtingen worden gezocht, bijvoorbeeld door de beslaglegger te verplichten tot zekerheidstelling voor de door hem eventueel verschuldigde schadevergoeding, of door toezicht van de voorzieningenrechter die het verlof voor de beslaglegging heeft gegeven, of doordat de advocaat van de beslaglegger bij de beslaglegging aanwezig moet zijn en de beslaglegging, nadat conserverende maatregelen zijn genomen, geen voortgang vindt voordat ook een advocaat of andere vertrouwenspersoon van de beslagene ter plaatse aanwezig is, of door een combinatie van deze of andere maatregelen. Overigens verdient opmerking dat de voorzieningenrechter zitting houdt op alle dagen en alle uren zodat hij, indien zich bij de beslaglegging problemen voordoen, op zeer korte termijn benaderd moet kunnen worden.

    De noodzakelijke waarborgen voor de beslagene kunnen in verschillende richtingen worden gezocht. De vereiste vertrouwelijkheid bij beslag op digitale bestanden kan op diverse wijzen worden gewaarborgd, bijvoorbeeld door invoering van een certificeringsstelsel, en het is niet aan de rechter om zulke keuzes in algemene zin te maken.

    Het is de deurwaarder toegestaan om, als daartoe aanleiding is, twee verschillende processen-verbaal van beslaglegging op te maken; een proces-verbaal dat is bestemd voor de verzoeker, waarin de in beslag genomen bescheiden slechts globaal zijn omschreven, en een proces-verbaal dat is bestemd voor diens wederpartij en, eventueel, de derde onder wie het beslag is gelegd, dat een gedetailleerde omschrijving van deze bescheiden bevat. Aanleiding hiertoe bestaat met name indien het beslag ook vertrouwelijke bescheiden omvat of kan omvatten.

    De medewerkingsplicht die betrekking heeft op de tenuitvoerlegging door de deurwaarder van het door de voorzieningenrechter gegeven verlof tot beslaglegging moet worden onderscheiden van de op de voet van artikel 843a Rv te beoordelen vraag of, en zo ja in hoeverre, de beslaglegger inzage, afschrift of uittreksel van de in beslag genomen bescheiden wordt verschaft.

    De medewerkingsplicht die de tenuitvoerlegging van het beslagverlof treft, hoeft niet te worden aangenomen indien tijdens de beslaglegging een gegevensdrager wordt aangetroffen waarop een of meer versleutelde of met een toegangscode beschermde bestanden staan. Indien redelijke grond bestaat om te vermoeden dat deze bestanden zijn aan te merken als bescheiden in de zin van het beslagverlof, kan de deurwaarder deze gegevensdrager zelf in beslag nemen indien de bestanden niet voor hem toegankelijk worden gemaakt. De rechter in de hoofdzaak beoordeelt of de wederpartij of de derde is gehouden de toegang tot de bestanden te verschaffen; hetzelfde geldt voor de consequenties voor het geval dit ten onrechte wordt geweigerd.

    Indien tijdens de tenuitvoerlegging van het beslagverlof echter redelijke gronden blijken te bestaan om te vermoeden dat de beslagene of de derde digitale bestanden elders dan op een aangetroffen gegevensdrager (bijvoorbeeld “in the cloud”) bewaart, en dat deze bestanden vallen onder het beslagverlof, dient hij – onverminderd hetgeen hiervoor is vermeld – deze bestanden voor de deurwaarder toegankelijk te maken. De rechterlijke toestemming tot beslaglegging omvat in dit soort gevallen immers uit haar aard mede een tot de beslagene of de derde gericht bevel om de noodzakelijke medewerking te verlenen aan de beslaglegging omdat die toestemming anders zinloos zou zijn.

    De door de voorzieningenrechter in casu gevolgde procedure (voorlopig verlenen verlof tot leggen bewijsbeslag en stellen prejudiciële vragen) is in een spoedeisend geval als het onderhavige verenigbaar met artikel 392 lid 5 Rv.

    LJN: 
    BZ9958
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 13 September, 2013
    HR 8 mei 2015, RvdW 2015/643 - Arrest

    HR 8 mei 2015, RvdW 2015/643 - Arrest

    HR 8 mei 2015, RvdW 2015/643

    Onderwerp

    Personen- en familierecht. Waardebepaling huis: is het een bedrijfswoning of een pand met woonbestemming?

     

    Relevante beginselen

    Tweeconclusieregel, eisen van een goede procesorde, terugkomen op een bindende eindbeslissing.

     

    Casus

    Sinds 2003 woonden eiser en verweerder samen. In 2006 hebben zij een samenlevingsovereenkomst opgesteld bij de notaris. Alle waardeveranderingen van de woning worden volgens de overeenkomst aan ieder voor de helft toegerekend. Het te verdelen bedrag wordt gesteld op het verschil tussen de verkrijgingsprijs en de waarde op het bedoelde tijdstip. De waarde van de woning is de verkoopwaarde, te bepalen in overleg en indien partijen er niet uit komen door een deskundige. De verkrijgingsprijs is de door partijen gezamenlijk bewoonde woning. Het huis is door drie makelaars getaxeerd, die allen op een andere verkoopwaarde uit kwamen. In 2007 heeft eiser de woning verlaten. Eiser vordert een schadevergoeding. In geschil was of de woning aangemerkt kon worden als bedrijfswoning. Zo ja, dan zou de waarde verlaagd moeten worden.

     

    Overwegingen Hof

    In geschil was wat de precieze verkoopwaarde van het huis was. Volgens verweerde werd het huis gebruikt als bedrijfspand. De gemeente heeft inderdaad bepaald dat het pand volgens het bestemmingsplan een bedrijfswoning is. De betrokkene van het eerste makelaarskantoor is uitgegaan van een pand met een woonbestemming. Als het pand als bedrijfswoning gebruikt zou worden dan zou de waarde omlaag moeten gaan. De waarde die door het eerste makelaarskantoor is vastgesteld kan volgens het hof niet als vrije verkoopwaarde worden aangemerkt, nu de makelaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de bestemming als bedrijfspand. Eiser is het hier niet mee eens en bewijst ná de memorie van de antwoord met een brief van de gemeente dat het pand de bestemming van woonhuis heeft. Volgens het Hof heeft eiser in de memorie van antwoord niet betwist dat het ging om een bedrijfswoning. Het eerste makelaarskantoor heeft geen rekening gehouden met de hieruit voortvloeiende waardedaling en daarom moet de woning opnieuw worden getaxeerd. Hoewel he Hof de woning als bedrijfswoning heeft aangemerkt moet er worden beoordeeld of van dit eindoordeel kan worden teruggekomen. Dat kan alleen als sprake is van een feitelijke of juridische misslag, daar is in casu geen sprake van. Eiseres was te laat met het aanvoeren van het verweer, zij had dit uiterlijk bij memorie van antwoord moeten doen.

     

    Overwegingen Hoge Raad

    Eiser betwist niet langer dat sprake is van een bedrijfswoning. Het Hof had het verweer van eiser moeten onderzoeken. Volgens het Hof is het verweer van eiser niet prijsgegeven. Het middel klaagt ook over dat het Hof bij de beslissing om terug te komen van zijn eindoordeel een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Eiser heeft pas na het eerste tussenarrest van het Hof gevraagd aan de gemeente of de stelling van verweerde juist was, terwijl eiser dit ook eerder had kunnen doen. Dit handelen van eiser is in strijd met de goede procesorde en met de concentratie van verweren. Deze twee beginselen komen tot uitdrukking in de tweeconclusieregel. Het verweer van eiser kan niet als een nieuwe grief worden aangemerkt.

     

    Uitspraak

    De Hoge Raad verwerpt het beroep.

    Datum Uitspraak: 
    Friday, 8 May, 2015
    Ebecek/Trudo - Arrest

    Ebecek/Trudo - Arrest

    Ebecek/Trudo (HR 26-02-2016, ECLI:NL:HR:2016:340)

    Relevante wetgeving

    Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EEG), art. 6:104 BW

    Casus

    De verweerster in cassatie verhuurt een huis aan de eiser tot cassatie. De algemene huurvoorwaarden van de verweerster in cassatie van toepassing op de huurovereenkomst. En de verweerster in cassatie is een professioneel opererende partij.

    Volgens deze voorwaarden is het de huurder niet toegestaan om het gehuurde geheel of gedeeltelijk onder te verhuren of aan derden in gebruik te geven zonder dat hiervoor toestemming van de verhuurster is verleend

    Volgens dezelfde huurvoorwaarden is bepaald dat de huurder onmiddellijk opeisbare boete van EUR 125,00 per kalenderdag dient te betalen bij schending van deze voorwaarden.Twee personen hebben aan de verweerster in cassatie verklaard dat zij tegen betaling een kamer van de eiser tot cassatie voor een bepaalde periode hebben gehuurd.

    Dientengevolge heeft de verweerster in cassatie de huurovereenkomst met de eiser tot cassatie opgezegd.

    De eiser tot cassatei is door de verweerster in cassatie gedagvaard en gevorderd tot betaling van € 55.000,- en € 10.000,-. Deze bedragen staan respectievelijk voor de door eiser tot cassatie ontvangen bedrag aan onderhuur en opeisbare boete De kantonrechter heeft de eiser tot cassatie tot betaling van een bedrag van EUR 30.000,00 veroordeeld. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
    Rechtsvraag

    De rechtsvraag is of het hof de ambtshalve ambtshalve verplichting had om te toetsen of het boetebeding uit de huurvoorwaarden oneerlijk is in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen.

    Hoge Raad

    Het hof had volgens de Hoge Raad in de gegeven omstandigheden ambtshalve, buiten de inhoud van de grieven om, moeten nagaan of het boetebeding oneerlijk was in de zin van de Richtlijn. De vraag viel binnen de de rechtsstrijd in hoger beroep omdat de eiser tot cassatie in de appeldagvaarding heeft gevorderd dat het bestreden vonnis (van de kantontrechter) zal worden vernietigd en de vorderingen van de verweerster in cassatie alsnog worden afgewezen.

    Het arrest van het hof wordt door de Hoge Raad vernietigt en het geding doorverwezen naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing. (r.o. 3.5)

    ECLI: 
    ECLI:NL:HR:2016:340
    Zaaknummer: 
    15/01425
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 26 February, 2016
    Burgerlijk Procesrecht - Kennis & Studiegebied
    De crossroads van deze bundel
    Rechten & Rechtswetenschappen - Arrestenbundels
    Arrest & Jurisprudentie - Themabundel
    Recht & Bestuur: studie en kennis - Themabundel
    Arrest & Jurisprudentie: van samenvatting tot interpretatie
    Arbeidsrecht & Sociaal recht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Bestuursrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Burgerlijk procesrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Europees recht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Goederenrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Materieel Strafrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Ondernemingsrecht & Rechtspersonenrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Personenrecht, Familierecht, Huwelijksvermogensrecht, Erfrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Privaatrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Staatsrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Strafprocesrecht & Formeel Strafrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Verbintenissenrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Verzamelde jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens - Europees recht - Bundel
    Burgerlijk Procesrecht - Topic Bundel
    Wat is burgerlijk procesrecht?
    Uitgelichte samenvattingen rond Burgerlijk Procesrecht
    Burgerlijk Procesrecht: Boektopics met samenvattingen van de beste leerboeken - Bundel
    Burgerlijk procesrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Samenvattingen Shop Burgerlijk Procesrecht & Formeel Privaatrecht
    Burgerlijk Procesrecht - Kennis & Studiegebied
    JoHo: bundel begrijpen

      Hoe werkt een JoHo Bundel (pagina)

    • Bundels zijn verzamelingen (vaak links) van pagina's rond een specifieke vraag of onderwerp
    • Bundels werken als navigatietool

    Welke soorten bundels zijn er?

    Productbundels

    • Verzekeringsbundels: verzameling van content rond verzekeringsadvies of verzekeringsaanbod
    • Abonnementsbundels: verzameling van content rond advies of services voor JoHo abonnees en donateurs
    • Shopbundels: verzameling van artikelen die besteld kunnen worden

    Persoonlijke bundels

    • op vrijwel elke pagina kun je onder de 'Footprints' de 'Add to my pages' optie vinden. Daar kun je pagina's toevoegen aan je eigen verzamelingen en bundels. Deze bundels met jouw bewaarde pagina's kun je vervolgens onderaan vrijwel elke pagina terugvinden als je bent ingelogd als JoHo donateur of abonnee.

    Studiehulpbundels

    • Boekbundels: verzameling van chapters die tezamen de samenvatting van een boek vormen
    • Studiebundel: verzameling van content die hoort bij een specifiek vak of een studiefase

    Themabundel

    • Verzameling van content die behoort bij een topic en themapagina

    Toolbundel

    • Verzameling van content gericht op een specifiek proces of actie (bijvoorbeeld een vacature zoeken of een vak bestuderen)

    Toolbundel voor abonnees

    • Verzameling van content met toegang of services voor JoHo abonees
    Footprint: achterlaten
    Pagina bewaren in je bundels:

    (Service voor ingelogde JoHo donateurs)