  Chapter 

1.1 Hoe komen we aan onze ideeën?

Wij mensen baseren onze kennis op vooronderstellingen, oftewel ideeën over hoe we denken dat dingen in elkaar zitten. Zo was ooit de aderlating een van de populairste medische ingrepen en werd verondersteld dat autisme werd veroorzaakt door slechte opvoedtechnieken van de ouders. Deze laatste vooronderstelling werd nog niet heel lang geleden pas ontkracht door een onderzoek. Dit onderzoek toonde aan dat ouders van niet-autistische kinderen niet wezenlijk verschilden in opvoedstijl van ouders van autistische kinderen. Onze ideeën over hoe de wereld in elkaar zit blijven bestaan als ze niet worden gecheckt. Het onderzoeken en testen van vooronderstellingen is essentieel in dit proces.

Er komt tegenwoordig veel informatie op ons af. Hoe kunnen we filteren wat goede informatie is en welke informatie niet klopt? Dit doen we door te onderzoeken waarom we denken dat iets waar is en of we vinden dat hier goede argumenten voor zijn.

1.2 Manieren van weten

We gebruiken verschillende manieren om te weten of iets klopt. Er zijn grofweg vier manieren van ‘weten’ die we gebruiken. Het gaat hierbij om weten door het toekennen van autoriteit aan een ander die het voor ons kan weten, het weten door algemeen bekende en aanvaardde waarheden c.q. ons gezond verstand, het weten door persoonlijke ervaring en het weten door intuïtie.

Autoriteit

We verwachten dat een persoon die volgens ons bekwaam is in een bepaald veld het antwoord op onze vraag kan weten (autoriteit). We kunnen het idee zelf niet testen, maar weten wel dat het getest is en de testen heeft doorstaan. Echter, ook deze vooronderstellingen zullen aan kritische vragen onderworpen moeten worden. Nog niet zo lang geleden werd door ‘experts’ verondersteld dat vrouwen niet intelligent genoeg waren om een universitaire studie aan te kunnen. Ze zouden daarnaast een te fragiel zenuwstelsel bezitten en studeren zou hun vermogen om zich voort te planten ernstig verstoren. Gelukkig is deze stelling onderzocht en is gebleken dat vrouwen wel degelijk konden meekomen in een universitaire studie en zelfs meer dan dat. Een kritische blik wat betreft de expert en de manier waarop het idee onderzocht is te allen tijde wenselijk.

Algemeen bekend

Meestal beginnen de ideeën vanuit ons algemeen bekend, gezond verstand met de woorden: ‘iedereen weet toch dat…’ of ‘het is toch logisch dat…’. Veel van deze ideeën bleken niet te kloppen met de data beschikbaar door onderzoek. We noemen bijvoorbeeld het idee dat je gevoelens nooit liegen en het idee dat ervaren therapeuten beter dan een leek zouden kunnen voorspellen of iemand gewelddadig zal worden in de toekomst. Beide ideeën bleken niet te kunnen overleven tegenover een aanzienlijk aantal van testgegevens.

Persoonlijke ervaring

Een andere manier van weten is door middel van persoonlijke ervaring. Enkele problemen duiken de kop op waardoor de resultaten van een onderzoek gekleurd of vertroebeld kunnen zijn. Deze problemen zijn bijvoorbeeld bevooroordeeldheid van de waarnemer (‘observer bias’) en het samen voorkomen van verschijnselen (zogenaamde ‘confounded’ oftewel verstrengelde variabelen).

Observer bias

De zogenaamde ‘observer bias’ is het verschijnsel dat we zien wat we denken te zien en dat we vinden wat we verwachten te vinden. De uitslag van een onderzoek kan beïnvloed worden door de verwachtingen die de onderzoeker of de proefleider heeft aangaande de uitslagen van het onderzoek.

Confounded variabelen

Het probleem van de ‘confounded’ variabelen is als volgt uit te leggen. In een niet gecontroleerde omgeving kunnen meerdere verschijnselen en te meten variabalen samen voorkomen. Het is in zo’n geval moeilijk zo niet onmogelijk te bepalen welk effect door welk verschijnsel wordt veroorzaakt. De variabele waarover je iets wilt kunnen zeggen is niet los te bekijken van andere variabelen en wordt daarom verstrengeld of ‘confounded’ genoemd.

Een wetenschapper en wetenschappelijk onderzoek zijn niet immuun voor het beïnvloed worden door bovenstaande verschijnselen. Wel houdt een goede onderzoeker rekening met het mogelijk voorkomen van deze verschijnselen en controleert hij hiervoor zoveel en zover als mogelijk is.

Intuïtie

De laatste manier van weten is intuïtief weten. Je weet gewoon dat iets zo is of zo werkt, maar je kunt het niet echt uitleggen of beargumenteren. Dit lijkt lijnrecht te staan tegenover de wetenschap die juist nieuwsgierig is naar de uitleg en de argumenten achter een conclusie. Bovendien is er een gevaar bij het gebruiken van intuïtie als manier van weten. Intuïtie is in principe gebaseerd op het weten van één persoon en daarom mogelijk niet geldig voor andere personen. Wel kan intuïtie handig zijn voor een onderzoeker en hem een eerste ingeving geven voor het opzetten van een onderzoek. Een onderzoeker is vervolgens uitvoerig bezig zijn eerste intuïtieve ingevingen aan onderzoek te onderwerpen en te zien of ze stand houden bij het testen.

Dit testen wordt voornamelijk gedaan door uit te gaan van het falsificatieprincipe. Het falsificatieprincipe houdt het volgende in.

Er kan voorlopig van uitgegaan worden dat een uitspraak juist is als hij testen op de mogelijkheid dat de uitspraak niet juist zou zijn, heeft doorstaan. Belangrijk is ten eerste dat de relevante zaken worden getest. Bovendien moeten de voorwaarden waaronder getest wordt ervoor zorgen dat de eventuele onjuistheid van de uitspraak aan het licht komt.

Een goede onderzoeker staat open voor het corrigeren van zijn fouten en zou volgens het volgende basisprincipe dienen te werken.

Op het moment dat we onze ideeën testen, komen we te weten of onze ideeën standhouden. Op het moment dat we beseffen dat onze ideeën niet blijken te kloppen, kunnen we ze veranderen.

1.3 Goed en slecht onderzoek

Frauduleus onderzoek

Wanneer is er sprake van goed onderzoek en wanneer van slecht onderzoek? Er zijn gegevens bekend van onderzoek dat simpelweg niet klopt. Zo bleken de experimenten naar subliminale reclameboodschappen in bioscopen nooit te zijn uitgevoerd. De conclusie van het onderzoek, dat een subliminale (onder het bewustzijnsniveau aangeboden) frisdrank reclame zorgde voor meer verkoop van frisdrank in de pauze, mag dan ook niet worden aangenomen. De onderzoeker gaf toe de resultaten van dit onderzoek verzonnen te hebben om onderzoeksgeld te verkrijgen.

Persoonlijke criteria

Los van frauderen kan er nog veel meer mis zijn met een onderzoek. Zo kan onderzoek gebaseerd zijn op zeer persoonlijke criteria voor bijvoorbeeld het effect van een behandeling. Een voorbeeld hiervan is een behandeling die effectief is, omdat de therapeut zegt dat de cliënt genezen is. Als niet aantoonbaar kan worden gemaakt dat het hier gaat om een effect wat voor andere therapeuten ook te zien en te meten zou zijn, gaat het om onbekwaam uitgevoerd onderzoek.

Vragen aan de onderzoeker

Naar aanleiding van conclusies van een onderzoek kun je verschillende vragen stellen aan jezelf en indirect aan de onderzoeker. Had de onderzoeker goede redenen om te onderzoeken wat hij heeft onderzocht? Heeft de onderzoeker de ideeën op een goede manier onderzocht, oftewel, waren de metingen goed? Geloof ik de conclusies op basis van de testresultaten?

1.4 Waarom verdiepen in methoden van onderzoek?

Zowel voor de praktiserend onderzoeker als de gebruiker van resultaten van wetenschappelijk onderzoek is het belangrijk zich te verdiepen in methoden van onderzoek. Beiden moeten de juiste vragen weten te stellen aangaande een onderzoek. Wat zou de onderzoeker moeten doen om een goed antwoord op deze vraag te krijgen? Heeft hij of zij het benodigde gedaan? Waar heeft hij of zij fouten kunnen maken en heeft hij of zij gedaan wat nodig was om deze fouten te voorkomen? Welke problemen zouden we tegen kunnen komen op weg naar een antwoord op deze vraag? Een verdieping in mogelijke problemen die we kunnen tegenkomen is onontkoombaar.

1.5 Soorten van onderzoek

In de basis wordt gesproken van twee soorten van onderzoek. Zo kan gesproken worden van toegepast onderzoek en meer basis, theoretisch onderzoek.

Toegepast onderzoek

De toegepaste onderzoeker werkt vanuit een probleem dat zich in de praktijk voordoet. Meestal is hij op zoek naar manieren om een gegeven te verbeteren of te voorspellen hoe een bepaald verschijnsel zich in de toekomst gaat ontwikkelen.

Theoretisch onderzoek

De theoretische onderzoeker heeft als doel uit te zoeken hoe een verschijnsel werkt en in elkaar steekt. Deze kennis van basisprincipes van verschijnselen kan later van pas komen. Als we de basisprincipes van een verschijnsel beter begrijpen, kunnen we ook makkelijker naar manieren zoeken om te verbeteren of in te grijpen. Dit laatste ligt dan weer meer op het terrein van het toegepaste onderzoek.

Onderscheid toegepast/theoretisch

Het onderscheid tussen theoretisch en toegepast onderzoek is belangrijk. Echter, beide soorten van onderzoek kunnen niet zonder elkaar en kunnen zeer goed van elkaar profiteren. Een theoretisch onderzoek kan leiden tot een toegepast onderzoek dat meer gericht is op een resultaat in de praktijk. Een toegepast onderzoek vanuit een praktisch probleem kan op haar beurt weer bijdragen aan het bijschaven van een theorie. Daarnaast kan een onderzoeker (tegelijkertijd of achtereenvolgens) bezig zijn met zowel theoretisch als toegepast onderzoek.

Statistiek

Wiskundefobie

Veel psychologiestudenten zijn nogal bang voor het statistiek gedeelte van hun studie psychologie. Dit is echter geheel niet nodig, vindt de schrijver. Je hoeft namelijk geen wiskundeknobbel te hebben om statistiek te kunnen begrijpen. Enkele uitgangsprincipes zijn belangrijk om je wiskunde-angst met betrekking tot statistiek wilt overwinnen.

Statistiek is logisch

Ten eerste is statistiek niet meer dan het gebruiken van logica. Een voorbeeld van logisch denken is ‘als A, dan B’ en ‘als niet A, dan ook niet B’.

Je gebruikt vaker statistiek dan je denkt

Ten tweede weet je waarschijnlijk al meer van statistiek dat je beseft. Zo gebruik je voor het nemen van beslissingen al enkele belangrijke basisprincipes binnen de statistiek. Bijvoorbeeld als je in een voetbalwedstrijd moet beslissen aan wie je de bal toespeelt voor een mogelijk beslissend doelpunt. Speel je de bal toe aan de speler van wie 72% van de schoten doelpunten waren of de speler van wie 58% van de schoten treffers waren?

Een percentage van 72% winnende doelpunten is een samenvatting van statistische gegevens (principe van samenvattende statistiek). We denken dat het meer waarschijnlijk is dat de speler met 72% in de toekomst het doel treft met een schot dan de speler van 58% (principe van waarschijnlijkheid). Gemiddeld denken we dat de 72% speler de rest van het seizoen ook hoger zal scoren dan de 58% speler (principe van correlatie). Als laatste verwachten we dat de speler met de hoogste gemiddelde score de meeste kans heeft op scoren van welk schot dan ook en het volgende schot in het bijzonder (principe van voorspellen op basis van gegevens uit het verleden).

Formules zijn er ter vereenvoudiging

Ten derde is het gebruik van statistische symbolen en formules bedoeld ter vereenvoudiging en ter werkbesparing van het uitschrijven van ingewikkelde zinnen en niets meer. Zo betekent het sigma-symbool Σ niets meer dan ‘de som van…’.

In de praktijk: het lezen van een grafiek

Een grafiek heeft als doel in een oogopslag te kunnen zien wat de ontwikkeling van een verschijnsel (een zogenaamde trend) is. Zowel een puntlijngrafiek als een staafdiagram kunnen informatie handig en beknopt weergeven. Er wordt een voorbeeld gegeven van zowel een lijngrafiek als een staafdiagram. We willen weten welk percentage van de stellen in de periode van 1945 tot 1965 samenwoonde en welk percentage getrouwd was. Op de horizontale x-as worden de jaartallen weergegeven en op de verticale y-as de percentages getrouwde en samenwonende stellen. In de lijngrafiek worden door middel van verbonden punten de percentages in twee lijnen opgetekend. Er is een lijn voor de getrouwde stellen en een lijn voor de samenwonende stellen. In de staafgrafiek worden de percentages weergegeven door middel van twee verschillende kleuren balken. Zowel in de lijngrafiek als het staafdiagram is in een oogopslag te zien dat het percentage stellen dat samenwoonde omhoog is gegaan in de periode van 1945 tot 1975. Het percentage getrouwde stellen is duidelijk gedaald in deze tijdsperiode.

Crossroads

 Crossroads

  • Crossroads lead you through the JoHo web of knowledge, inspiration & association
  • Use the crossroads to follow a connected direction

 

Footprint toevoegen
 
   
Hoe werkt een JoHo Chapter?

 JoHo chapters

Eigen aantekeningen maken?

Zichtbaar voor jezelf en bewaren zolang jij wil

Memberservice: Make personal notes

Ben je JoHo abonnee dan kun je je eigen notities maken, die vervolgens in het notitieveld  worden getoond. Deze notities zijn en blijven alleen zichtbaar voor jouzelf. Je kunt dus aantekeningen maken of bijvoorbeeld je eigen antwoorden geven op vragen