Hoe zag kinderzorg eruit aan het begin van de twintigste eeuw? - Chapter 1

  Chapter 


Wat was de achterliggende maatschappelijke en politieke context?

De 19e eeuw wordt gekenmerkt door mechanisatie en industrialisatie. Er gaan steeds meer arbeiders in fabrieken werken waardoor het aantal arbeiders in de steden groeit (urbanisatie). De gevolgen hiervan zijn o.a. een scheiding tussen woning en werkplaats en een verschuiving van gezinsinkomen naar een individueel loon. Aanvankelijk staat de liberale politiek centraal tijdens deze industrialisatie, waarbij de sociale orde als een feit wordt beschouwd waarvan de staat zich afzijdig houdt.

Eind 19e eeuw treedt er een politieke verandering op, waarbij begeleidende (sociale) maatregelen als noodzakelijk worden gezien, o.a. ter bescherming van de lagere klassen. Er ontstaan nieuwe politieke krachten als socialisten, progressieve katholieken en progressieve liberalen. Zij streven na dat de staat wel invloed heeft op de verhouding werkgever-werknemer en kan interveniëren in gezinnen. Er worden wetten opgesteld o.a. over arbeidsvoorwaarden en vrouwen- en kinderarbeid. In 1912 komt er een wet op de kinderbescherming, welke het mogelijk maakt dat de Staat de opvoeding overneemt (‘ontzetting uit de ouderlijke macht’).

Ondanks deze maatregelen blijven de levensomstandigheden van arbeiders te wensen overlaten: lange werkdagen,lage lonen en gebrekkige huisvesting. Dit alles leidt tot het ontstaan van een (bedreigende) solidariteit en arbeidersbeweging. De rol van de vrouwen is hierin ondergeschikt. De arbeidersparticipatie van vrouwen in de industrie ligt tot het eind van de 19e eeuw vrij hoog vanwege de financiële noodzaak. Zij werkten echter voor minder loon onder dezelfde miserabele omstandigheden.

De gedachte van geïsoleerde kerngezinnen in deze tijd blijkt een mythe. De hoge kindersterfte is typerend voor het einde van de 19e eeuw. Deze hoge mortaliteit van jonge kinderen is een oorzaak van ongenoegen en onrust bij de arbeidersklasse. De voedingsgewoonten, o.a. leidend tot diarree en darminfecties, zijn de belangrijkste reden voor de hoge kindersterfte. Dit speelt met name in de arbeidersklasse, waar financiële middelen beperkt zijn én moeders genoodzaakt zijn te werken. De kindersterfte wordt duidelijk verbonden met de arbeidersklasse en met name toegeschreven aan opvoedingsgewoonten. Rond de eeuwwisseling doen arbeiders bewust aan geboortebeperking en maakt abortus provocatus opgang.

De burgerij ziet zich eind 19e eeuw, net als de arbeidersklasse en een stedelijk fenomeen, als zeer belangrijk voor de maatschappij. Zij willen zelfstandig handelen en willen geen bemoeienis van de Staat, die alleen mocht interveniëren als de individuele vrijheden in gevaar zijn (l’Etat Gendarme). De filantropie ontstaat, die zich het lot van de nieuwe armen aantrekken. Deze nieuwe armen zouden een gevaar vormen voor de samenleving, haar sociale cohesie en haar morele waarden. Zowel verlichte liberale burgers als de christelijke caritas zoeken naar manieren om de vermeende negatieve effecten van de industrialisatie te verzachten. Er worden verenigingen en acties opgericht. Zowel filantropische als cariatieve verenigingen richten zich met name op moeder- en kinderzorg. De rol van de overheid is minimaal. De filantropie is voor burgervrouwen een middel om een actieve rol te spelen in de samenleving. De filantropische en de cariatieve verenigingen blijven ondanks enkele emancipatorische pogingen van vrouwen het burgerlijke ideaalbeeld van het gezin propageren: een pater familias en een vrouw aan de haard. Deze verenigingen zetten bijvoorbeeld huishoudscholen en verenigingen op ter ondersteuning van arbeidersvrouwen bij de opvoeding. De enige mogelijkheden voor vrouwen om binnen het dominante patriarchale model een verantwoordelijke taak in de samenleving op zich te nemen zijn: 1) toetreden tot een congregatie (geestelijke orde) of 2) een rol opnemen in een filantropische vereniging.

Na 1886 ontstaan er steeds meer arbeidersonrusten. Mede doordat arbeidersvrouwen worden beschouwd als een bron van sociale onrust, omdat zij hun opvoedkundige taken zouden verwaarlozen. Filantropische en cariatieve verenigingen krijgen dan een steeds sterkere maatschappelijke functie. Zij dragen sterk bij tot het beschavingsproces via complexe vormen van sociale en psychische beïnvloeding, die betekenis krijgen vanuit het groeiende belang van de Staat. De filantropische en cariatieve initiatieven zijn een manier om het ergste leed van de vrije markt te verzachten zonder afbreuk te moeten doen aan het liberale principe dat de staat niet mag interveniëren.

Wat voor een rol speelde de wetenschap in deze periode?

Enkele belangrijke ontwikkelingen in de wetenschap beïnvloeden het denken in deze periode:

  • The Origin of species van Darwin wordt midden 19e eeuw gepubliceerd en massaal gelezen. In het verlengde van de evolutieleer komt de eugenetica op, waarmee de zorg van het beleid om de gezondheid van het eigen ras te behouden of te versterken toeneemt. Sinds de 19e eeuw is de zorg voor het kind al sterk verbonden met de eugenetica en ook begin 20e eeuw is er sprake van eugenetisch denken. Een link met de evolutie is dat kinderen de eerste (en zwakste) schakel vormen in de keten van de evolutie. Bij afschaf van de kinderarbeid wordt het kind een bron van onkosten en moet er eerst geïnvesteerd worden waarna het rendement pas duidelijk wordt door de bijdrage die het als volwassene aan de natie levert. Het kind wordt nu gezien als kapitaal.

  • Opkomst van de experimenteel-wetenschappelijke denkrichtingen en de bloei van de statistische wetenschappen in de 19e eeuw. Men gaat veel waarde hechten aan kwantitatief onderzoek. Er is sprake van ‘verwiskundiging’ van de wetenschap in het algemeen en de sociale wetenschap in het bijzonder, wat een verhoging van status mee zou moeten brengen door het op rationele gronden te begrijpen. Hiermee samenhangend ontstaat de wetenschap van kinderen. Er wordt hiermee getracht kinderen te doorgronden en de opvoeding een wetenschappelijke, rationele basis te geven in dienst van de vooruitgang van de mensheid. De statistiek wordt als krachtig instrument ingezet wat tevens classificatie van mensen met zich meebrengt. Wetenschappelijke subrichtingen als pedologie en kinderpathologie komen op. Kwantitatief onderzoek wordt aan het begin van de 20e eeuw als belangrijke rechtvaardiging gezien voor de moralisering van de arbeidersklasse en de plaats van de vrouw.

  • Er is sprake van een forse vooruitgang van de medische wetenschap. Het werk i.v.m. bacteriën, sterilisatie, vaccins en algemene hygiëne heeft veel invloed. Een periode van industrialisatie, waarin het lichaam een grotere handels- en nuttigheidswaarde krijgt, valt niet toevallig samen met de nadruk op hygiëne. De preventieve geneeskunde komt op en de kinderverzorging wordt een specialisme van de geneeskunde, namelijk de preventieve kindergeneeskunde. Dit specialisme vormt de basis voor erg uitgebreide en systematische acties tegen de ouderlijke praktijken die verantwoordelijk worden gehouden voor de hoge kindersterfte. Medici hebben grote invloed op moeders. Zij geven op dwingende en uitgebreide wijze raadgevingen m.b.t. opvoeding. De wetenschappelijke aanbevelingen maken opvoeden een specialistenwerk.

Het overkoepelende tussen de verschillende ontwikkelingen is ‘decontextualisatie’ van de levenssituatie van jonge kinderen: deze wordt los van de betekenis die ouders zelf aan de context geven en los van de sociaal-economische verhoudingen geanalyseerd. De decontextualisatie houdt tevens individualisatie van maatschappelijke problematiek in. Naast de decontextualisatie is er sprake van normalisering en naturalisatie. De burgerij normaliseert steeds nadrukkelijker en legt haar opvoedingsnormen op, zoals het kerngezin. De normen waaraan gehouden dient te worden, worden genaturaliseerd, in die zin dat het nu ook natuurlijk is dat bijv. moeders de exclusieve en primaire zorg voor het jonge kind op zich nemen. De (arbeiders)moeder komt steeds meer op de voorgrond. Arbeiders worden als incompetente opvoeders gezien, waarbij de elite zou moeten interfereren in de opvoeding van de arbeiders. Er heerst politiek een uiterst liberaal klimaat. De opvoedingsondersteuning, begrepen als opvoedingsinterventie, ontwikkelt zich in de 1e helft van de 20e eeuw vooral via private organisaties.

Hoe werd er over kinderzorg gedacht destijds?

De totstandkoming van kinderdagverblijven aan het begin van de 20e eeuw, in deze maatschappelijke context.

De protagonist Henri Velge (1885-1951) heeft heel wat invloed op de besluitvorming over de kinderzorg. De protagonist Elise Plasky (1865-1944) wordt in 1901 arbeidsinspectrice en daarmee ook inspectrice van de crèches. Ze is een feministe en verantwoordelijk voor het toezicht op de regelgeving over vrouwelijke arbeid en kinderzorg. Hierdoor kwam zij geregeld op de werkvloer en interviewde arbeidsters.

In de tweede helft van de 19e eeuw worden in de meeste West-Europese landen crèches opgericht. De term crèche verwijst naar de metafoor van het hulpeloze Jezus-kind dat in de stal geboren wordt. In de 19e eeuw worden de taken van het gezin soms overgenomen door instituties. Zo ontstaan er in Frankrijk op het initiatief van filantropische en cariatieve organisaties ‘salles d’asile’ en daaropvolgend veel soortgelijke initiatieven met als doelstellingen (arbeiders)kinderen voorzien in opvang én hun een voorschoolse opvoeding meegeven. Verschillen tussen salles d’asile en de kinderopvang zijn dat salles d’asile kinderen al vanaf 2 jaar opvangen en van meet af aan een pedagogisch project hebben. Er is hierdoor ook veel aandacht voor de professionalisering van het personeel en de zorg voor kinderen wordt een echt beroep. De salles d’asile beperken zich in tegenstelling tot crèches niet langer tot stedelijk gebied of tot het armste gebied. Langzaamaan versterkt de overheid haar greep op deze private initiatieven totdat zij uiteindelijk deel uitmaken van het officiële kleuteronderwijs. De crèches hebben in tegenstelling tot de salles d’asile alleen een sociale functie en geen educatieve functie. Dit is een belangrijke verklaring voor het gebrek aan professionalisering en pedagogisering van de kinderopvang, in tegenstelling tot de kleuterschool.

In 1909 wordt in België het 1e publieke rapport, een enquête van Elise Plasky, gepubliceerd over de toestand van de kinderzorg. De enquête geeft een goed beeld van alle Belgische kinderdagverblijven op dat ogenblik, aangezien Plasky zelf veel instellingen bezocht en vragenlijsten rondstuurde die ze systematisch opvolgde. De inventarisatie die voor Plasky is gedaan werd uitsluitend gebaseerd op folders en brieven. Het rapport van Plasky bevat een feitelijke opsomming van ieder geïnventariseerd kinderdagverblijf (monographies). Bijna alle kinderdagverblijven bleken private (meestal filantropische, soms cariatieve) initiatieven. De overgang tussen het gezin en de instelling is typerend voor de positie van de ouders in die tijd. Op de instellingen werd veel aandacht besteed aan hygiëne, de kinderen werden in de ochtend gebaad en kregen vaak een uniform van de crèche aan. Moeders konden hun kinderen weliswaar zogen in de verblijven, maar in een afzonderlijke ruimte. Er zijn geen documenten beschikbaar over het standpunt van de gezinnen. Opgemaakt kan worden dat de kinderdagverblijven aan het begin van de 20e eeuw niet erg populair zijn.

De crèches hebben van meet af aan een dubbel doel, namelijk de zorg om de kinderen én normalisering van de arbeidersmoeders. De zorg om de kinderen past zowel in de bestrijding van de kindersterfte (de zorg voor kinderen als kapitaal) als in het beschavingsoffensief. Het gaat hierbij alleen om kinderen van wie de moeder buitenshuis werkte. De normalisering van deze moeders werd vormgegeven door een selectie van wie binnen de instellingen terecht kan en door lessen die door enkele crèches werd georganiseerd. Aangezien de meeste crèches private initiatieven waren hadden ze zelf invloed op wie er opgenomen mocht worden. Op sommige crèches konden ook stagiaires opgeleid worden, waarna ze aan de slag konden als kindermeid in gegoede families of als zelfstandig opvangouder konden gaan werken. Plasky vond dit vanwege het tekort aan plaatsen in crèches een goed initiatief zodat kinderen ook bij geschoolde meisjes thuis opgevangen konden worden. De eerste kinderdagverblijven hadden vaak ook de opvoeding van de ouders tot missie.

Het beschavingsoffensief nam de eerste decennia van de 20e eeuw steeds grotere vormen aan. Naast de kinderdagverblijven waren er meer diensten aan de bevolking in het kader van het beschavingsoffensief: zuigelingenraadplegingen (met als doelen instrumentele (materiële) steun aan ouders en hygiëneonderwijs aan vrouwen), vroedvrouwen om moeders raad te geven en lezingen van dokters voor ouders in gebieden waar de kindersterfte het hoogst is.

Hoe werd er over de maatschappelijke functie van kinderopvang gedacht destijds?

Aan het begin van de 20e eeuw zijn er discussies gaande over de kinderdagverblijven en blijkt er naast een dominante stroming ook sprake van een alternatief discours over zowel de maatschappelijke functie als het pedagogisch concept van de kinderopvang. De discussies gaan over:

  • Hun pedagogisch project (behorend tot het domein van de opvoeding of niet)

  • Hun toegankelijkheid (een recht voor elk gezin of een noodzakelijk kwaad)

  • Hun organisatie (publiek of privaat)

  • Hun missie (emanciperend of normaliserend)

De discussie wordt geïllustreerd aan de hand van de twee antagonisten Plasky en Velge. De uitkomst van de discussie is bepalend tot diep in de 20e eeuw.

Wat was de mening van Plasky?

Plasky is van mening dat de sociale functie van de kinderopvang tot het publieke domein moet behoren en dat kinderopvang een burgerrecht is. Zij vindt dat in iedere crèche een raadpleging zou moeten plaatsvinden, ondanks dat de raadpleging als instrument beperkingen heeft om de kindersterfte bij de arbeidersgezinnen tegen te gaan. Plasky spreekt respectvol en heroïsch over de werkende moeder. Zij draagt geen tegenstelling aan tussen de belangen van het kind en de belangen van de moeder en zij stelt de crèche voor als een warm nest en een middel tot emancipatie. Daarnaast heeft ze veel aandacht voor de (werk)omstandigheden van de arbeidersvrouw. Plasky stelt o.a. voor meer bedrijfscrèches op te richten. Zij pleit tevens voor controle door de centrale overheid gezien de wisselende kwaliteit van de zorg in de crèches. Zij legt hierbij de nadruk op de rechten van kinderen als burgers en de daaruit voortvloeiende plichten van de Staat. Plasky is van mening dat de kinderopvang weg moet uit de sfeer van liefdadigheid, aangezien arbeidsters vaak geen beroep op de crèche doen omdat ze in deze sfeer de elementaire waardigheid van het individu zouden aantasten. Plasky stelt tegenover de zorg als een gunst, het recht van de burger. Zij pleit dus voor een recht op kinderopvang voor ieder kind, waarbij de crèches tot de publieke opvoeding moeten behoren en gratis en voor iedereen toegankelijk zijn. Daarbij moeten de crèches door de overheid worden erkend, gecontroleerd en volledig gesubsidieerd worden.

Wat was de mening van Velge?

Velge gaat net als de dominante stroming uit van de bezorgdheid om de strijd tegen de kindersterfte, maar zijn visie gaat ui van heel andere ethische principes, andere vrouwbeelden, andere kindbeelden en andere maatschappijbeelden. Zijn beleidsvoorstellen zijn dan ook heel verschillend. Hij is een vertolker van het meerderheidsdiscours. Voor Velge zijn crèches een uitzonderlijke noodvoorziening. De overheersende discours in die tijd gaat uit van de visie dat de plaats van het kind thuis is bij de moeder. Kinderopvang zou schadelijk zijn, maar in uitzonderlijke gevallen noodzakelijk, namelijk voor vrouwen waarvan de man niet in het onderhoud van het gezin kan voorzien en voor alleenstaande moeders. Velge beschouwt de belangen van het kind en de moeder als tegengesteld. Hij is van mening dat het kinderdagverblijf een plaats is waar de (medische) specialist de opvoeding van de ouders overneemt. Het kinderdagverblijf is daarmee een dienst voor de preventie (van de kindersterfte) en niet een pedagogisch milieu of een dienstverlening aan werkende vrouwen. Volgens Velge onderschatten de vrouwen die hun kinderen niet naar de crèche brengen de gevaren van de plaatsing bij private opvanggezinnen (en heeft het niks te maken met de opvattingen over liefdadigheid zoals Plasky stelt). Wat betreft het discussiepunt omtrent organisatie stelt Velge dat de kinderdagverblijven privé georganiseerd dienen te worden. De noodzakelijkheid van crèches wordt door Velge alleen gerechtvaardigd door het nog grotere kwaad van de private plaatsing die oncontroleerbaar is en daarom gevaarlijker. De beoordeling van kinderdagverblijven blijft echter negatief. De enige mening die hij met Plasky deelt, is de opvatting over bedrijfscrèches waar moeders hun kinderen kunnen voeden.

Wat voor voorlopige conclusies werden er getrokken?

Discussies over kinderopvang zijn niet waardevrij. Kinderopvang is een constructie, gebaseerd op morele oordelen, gekoppeld aan wetenschappelijke bevindingen.

Plasky en Velge hebben tegengestelde visies wat betreft de aangehaalde discussiepunten, gebaseerd op verschillende ethische perspectieven.

  • Project: beiden zien de kinderopvang als instrument voor de bestrijding van de kindersterfte, echter pleit Plasky voor een opvoedkundig project, gekoppeld aan het onderwijs of de publieke opvoeding in de kleuterschool, en heeft de opvang voor Velge alleen een profylactische bestemming.

  • Toegankelijkheid: Plasky ziet de kinderopvang als recht voor de burger, Velge als een noodzakelijk kwaad. Wel koppelen beiden de kinderopvang aan vrouwelijke tewerkstelling.

  • Organisatie: Plasky pleit voor een verschuiving van de zorg van het exclusieve private naar het publieke domein, met als argumenten de veralgemeende toegankelijkheid als voorwaarde voor het recht op de arbeidsmarkt, het denigrerende karakter van de liefdadigheidsinstellingen en het kwaliteitstoezicht. Velge argumenteert dat de zorg voor het jonge kind tot het private domein behoort, omdat de overheid log en bureaucratisch zou zijn en de private initiatieven bij het Belgische karakter passen.

  • Missie: Plasky hanteert een emanciperende visie. Velge onderschrijft het dominante patriarchale gezinsideaal en gebruikt meer normaliserende concepten. Een noodzakelijke voorwaarde voor de normalisering is het wantrouwen in ouders, hand in hand met het geloof in de wetenschap, wat de uitsluiting van ouders uit de lagere sociale klassen construeert.

Het verband dat veel auteurs leggen tussen de normalisering van de arbeidersklasse (uit vrees voor het pauperisme of sociale onrust) en de invoering van het verplichte lagere onderwijs, gaat voor Velge dus ook op voor de zorg om het jonge, voorschoolse kind. Een essentieel element in deze discours is het wantrouwen in de opvoedende capaciteiten van de arbeiders als ouders, tegenover de weldaden van de wetenschap.

De periode rond de 1e wereldoorlog en tijdens het interbellum is bepalend voor de uitkomst van het meningsverschil tussen Plasky en Velge. De visie van Velge blijft op alle vlakken dominant en geeft de acties op dat gebied vorm:

  • Het project van de kinderopvang is tot laat in de 20e eeuw een medisch-hygiënisch project

  • De kinderopvang wordt voornamelijk als noodzakelijk kwaad gezien, verankerd in officiële documenten

  • De organisatie blijft in grote mate een private aangelegenheid

  • De sociale missie van de kinderopvang blijft voornamelijk bevoogdend. Decontextualisatie en normalisatie zijn gedurende de hele 20e eeuw dominant

  • Slechts wanneer de sociale functie op de beleidsagenda komt wordt de koppeling tussen vrouwenarbeid en kinderopvang (gedeeltelijk) losgelaten

Een persoonlijke factor die van belang is geweest voor deze uitkomst, is het verschil in invloed op het beleid. Velge heeft een veel grotere invloed op het beleid kunnen uitoefenen dan Plasky, gezien de functies die zij bekleedden. Daarnaast is een sociaal-politieke factor van belang. De visie van Velge lag namelijk veel dichter bij het algemeen gangbare en dominante discours dan die van Plasky.

Wat voor visies bestonden er rondom de rol van de moeder?

De verschillende politieke fracties hebben allen een eigen visie over de plaats van de moeder:

Katholieken zijn tegenstanders van vrouwenarbeid aangezien die tegenstrijdig is met de natuurlijke aanleg van vrouwen tot het moederschap. Volgens hen is de motivatie van werkende vrouwen eigenbelang, drang naar luxe en ‘een gevaarlijke mentaliteit’.

De liberalen hebben meer aandacht voor de economische noodzaak waardoor vrouwen gaan werken. Echter, gaandeweg verandert hun houding.

Socialisten hebben een ambivalente houding, waarbij zij pleiten voor zowel het recht van vrouwen op betaalde arbeid als voor de stelling dat het geluk van de vrouw met name in het thuisblijven met de kinderen ligt. Het verhogen van het loon van mannelijke arbeiders zou de noodzaak van vrouwenarbeid moeten doen verdwijnen.

Feministische organisaties zijn de enigen die voor vrouwenarbeid blijven pleiten, echter hebben zij weinig politieke invloed.

Wat voor andere beschouwingen waren er in deze tijd?

Het dominante discours van de 20e eeuw heeft betrekking op moederschapsideologie en het burgerlijke kerngezin, wat een één-inkomensgezin is met een mannelijke pater familias en een echtgenote die de opvoeding van de kinderen verzorgt. Dit discours sluit aan bij de eugenetische zorg voor het behoud van een sterke natie en bij medische en statistische wetenschappen die het verband tussen kindersterfte en de vrouwelijke tewerkstelling leggen. Jaren later pleit de politieke meerderheid voor een grotere rol van de overheid in sociale en familiale aangelegenheden wat zich uit in wetgevend werk. Kinderen worden beschouwd als de verantwoordelijkheid van vrouwen.

De harde realiteit staat in contrast met dit discours: verstedelijking, armoede, slechte huisvesting en groeiend ongenoegen bij de arbeidersklasse. Enkele sociale maatregelen en private initiatieven van verlichte en katholieke (cariatieve) burgers proberen de grootste onlusten te voorkomen. Zij richten sociale werken op met als missies ‘preventie van kindersterfte’ (medisch) en ‘preventie van de strijd tussen de klassen’ (sociaal). Door de industrialisering wordt de nadruk op het lichaam als kapitaal gelegd en daarmee wordt de zorg om de gezondheid gestimuleerd. Het kind dat nu als kwetsbaar wordt gezien en beschermd moet worden, laat toe dat de burgerij ingrijpt in het handelen van ouders. Het progressief ingevoerde verbod op kinderarbeid sluit hierbij aan. Kinderen zijn geen bron van inkomsten meer, maar een bron van onkosten. De moeder wordt nu gezien als verantwoordelijk voor het welzijn van het kind (investering in de toekomst van de natie) en is hiervoor verantwoording verschuldigd aan de samenleving. Als de moeder de verantwoordelijkheid niet neemt, dienen andere organisaties in te grijpen. Recht op ingrijpen door de gemeenschap wordt gerechtvaardigd. De regelgeving die in deze tijd tot stand komt om moeder en kind te beschermen heeft voor belangrijke verschuivingen gezorgd in de maatschappelijke positie van vrouwen en kinderen.

Rechtvaardiging voor ingrijpen leidt tot een groeiend offensief van individuele opvoedingsondersteuning, die het private leven van arbeidersgezinnen zal reguleren of normaliseren.

De hele tekst lezen? Alle JoHo tools gebruiken? Sluit je dan aan bij JoHo en log in!
 

Aansluiten bij JoHo als abonnee of donateur

The world of JoHo footer met landenkaart

    Aansluiten bij JoHo met een JoHo abonnement

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

     of met een JoHo donateurschap

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Aanmelden & Aansluiten bij JoHo 

    JoHo & Partnernieuws

    Vacatures: checken

      Solliciteren? JoHo zoekt medewerkers die willen meebouwen aan een betere wereld en een zich vernieuwende organisatie

      Werken, jezelf ontwikkelen en een ander helpen?

      JoHo zoekt medewerkers, op verschillend niveau, die willen meebouwen aan een betere wereld en een zich vernieuwende organisatie

      Vacatures en mogelijkheden voor vast werk en open sollicitaties

      Vacatures en mogelijkheden voor parttime werk en bijbanen

      Vacatures en mogelijkheden voor stages en ervaringsplaatsen

      Partners: verzekering kiezen
       
      Regel jij via JoHo je reis- of zorgverzekering bij een duurzame of gespecialiseerde partner?
       
       
       
       

      JoHo: paginawijzer

      Hoe werkt een JoHo Chapter?

       

      Wat vind je op een JoHo Chapter pagina

      •   JoHo Chapters zijn tekstblokken en hoofdstukken rond een specifieke vraag of een deelonderwerp

      Crossroad: volgen

      • Via een beperkt aantal geselecteerde webpagina's kan je verder reizen op de JoHo website

      Crossroad: kiezen

      • Via alle aan het chapter verbonden webpagina's kan je verder lezen in een volgend hoofdstuk of tekstonderdeel.

      Footprints: bewaren

      • Je kunt deze pagina bewaren in je persoonlijke lijsten zoals: je eigen paginabundel, je to-do-list, je checklist of bijvoorbeeld je meeneem(pack)lijst. Je vindt jouw persoonlijke  lijsten onderaan vrijwel elke webpagina of op je userpage
      • Dit is een service voor JoHo donateurs en abonnees.

      Abonnement: nemen

      • Hier kun je naar de pagina om je aan te sluiten bij JoHo, JoHo te steunen en zelf en volledig gebruik te kunnen maken van alle teksten en tools.

      Abonnement: checken

      • Hier vind je wat jouw status is als JoHo donateur of abonnee

      Aantekeningen: maken

      • Dit is een service voor wie bij JoHo is aangesloten. Je kunt zelf online aantekeningen maken en bewaren, je eigen antwoorden geven op tests, of bijvoorbeeld checklists samenstellen.
      • De aantekeningen verschijnen direct op de pagina en zijn alleen voor jou zichtbaar
      • De aantekeningen zijn zichtbaar op de betrokken webpagine en op je eigen userpage.

      Prints: maken

      • Dit is een service voor wie bij JoHo is aangesloten.  Wil je een tekst overzichtelijk printen, gebruik dan deze knop.
      JoHo: footprint achterlaten