  Chapter 

Inleiding

Diagnostiek vormt een belangrijk deel van de werkzaamheden van een klinisch psycholoog. In het verleden was diagnostiek niet heel populair, onder andere vanwege de onbetrouwbare projectieve tests die in die tijd gebruikt werden. Inmiddels zijn er voldoende betrouwbare diagnostische instrumenten voorhanden en is diagnostiek een stuk populairder geworden. Tegenwoordig wordt diagnostiek gezien als de basis voor adequate hulpverlening.

Klinische psychodiagnostiek heeft een wetenschappelijke basis en onderscheidt zich daarmee van het analyseren van problemen en het zoeken van verklaringen door een leek. Klinische diagnostiek steunt op empirische kennis. Dat houdt in dat hypothesen over gedrag, cognities en motivaties getoetst worden met behulp van verschillende fasen binnen een diagnostisch proces. Het is een wetenschappelijk gereguleerd denk- en doe proces dat tot verantwoorde uitspraken leidt over het gedrag of een probleem van de cliënt. Het biedt daarnaast een kader en systeem om complexe diagnostische problemen te analyseren. Drie elementen staan centraal in de klinische psychodiagnostiek: (1) het vormen van theorie op basis van de problemen, klachten en problematische gedragingen, (2) de operationalisatie en de meting ervan, en (3) het toepassen van diagnostische methoden.

De stappen van het diagnostisch proces

De vragen van de verwijzers (de aanvraag) en cliënt (de hulpvraag) vormen het vertrekpunt van het diagnostisch proces. Ook de diagnosticus zelf formuleert vragen. Deze kunnen bij hem opkomen tijdens het kennismakingsproces met de cliënt. De analyse leidt tot drie vragen: (1) om welke stoornis gaat het, (2) welke factoren veroorzaken de stoornis en welke houden het in stand, en (3) welke behandeling past bij deze cliënt? Op basis hiervan wordt een diagnostisch scenario opgesteld met een voorlopige theorie over de cliënt. In het scenario wordt beschreven wat de problemen zijn en hoe ze verklaard kunnen worden. Onderbouwen van deze theorie vereist 5 diagnostische handelingen:

  1. De voorlopige theorie omzetten in concrete hypothesen.

  2. Een specifiek onderzoeksinstrument zoeken dat antwoord kan geven op de hypothesen

  3. Voorspellingen doen op basis van uitkomsten of resultaten van instrumenten zodat je weet wanneer de hypothese aangenomen of verworpen wordt.

  4. Instrument afnemen en verwerken

  5. Op grond van resultaten worden de hypothesen aanvaard of verworpen. Elk van deze keuzen wordt grondig onderbouwd.

De basisvragen van de psychodiagnostiek

Binnen de klinische psychodiagnostiek bestaan er vijf basisvragen.

  1. Onderkenning. Deze vraag heeft te maken met de onderkenning van het probleem. Het gaat hierbij om 3 dingen: (1) het in beeld brengen en beschrijven van de problematiek, (2) de classificatie in stoornissen of disfunctionele gedragsclusters en (3) het inschatten van de ernst van de problematiek. Onderkenning kan op drie manieren tot stand komen. Het functioneren kan worden vergeleken met een bepaalde standaard (criteriumgericht meten), een vergelijkingsgroep die representatief is voor de patiënt (normgericht meten) of met eerder functioneren van de patiënt zelf (ipsatief meten). Classificatie kan een alles-of-niets karakter hebben zoals bij de DSM diagnoses (je hebt de stoornis of niet) of een meer-of-minder karakter zoals bij persoonlijkheidslijsten (je hebt de stoornis in meerdere of mindere mate). Bij de diagnostische formulering staat de cliënt met zijn unieke klinische beeld centraal. Het is belangrijk naast de classificatie van probleemgedragingen ook de unieke kenmerken en het functioneren van de cliënt te beschrijven, zelfs als deze geen empirische ondersteuning heeft. Classificatie en diagnostische formulering hebben hun voor- en nadelen. Zo leidt classificatie tot labelen dat wel beperkt is, maar tegelijkertijd goed communiceerbaar onder deskundigen. Diagnostische formulering doet recht aan de uniciteit van het individu en helpt bij therapieplanning. Empirische ondersteuning mist echter vaak.

  2. Verklaring. De tweede basisvraag richt zich op de verklaring van de problemen, het gaat om de vraag: waarom is een probleem er? Er zijn 4 typen verklaringen te onderscheiden:

  • De verklaring voor een probleem kan bij de persoon zelf gezocht worden of bij de situatie waarin het probleem zich voordoet, dit heet de locus.

  • De aard van de controle. Wanneer probleemgedrag duidelijk situatie gebonden lijkt te zijn, moet men inventariseren in welke situaties het gedrag zich voordoet en wat aan de situatie het gedrag veroorzaakt. Als men het heeft over een oorzaak dan wordt bedoeld dat het gedrag bepaald wordt door voorafgaande condities, als het gaat over reden voor gedrag dan duidt men op een intentionele keuze die de gedraging begrijpelijk kan maken. Reden en oorzaak zijn extremen van een continuüm en indeling van verklaringen op dit continuüm noemen we indeling naar de aard van controle.

  • Synchrone en diachrone verklaringscondities. Een diachrone verklaringsconditie gaat vooraf aan de gedraging, een synchrone conditie vindt gelijktijdig met de gedraging plaats.

  • Ten slotte zijn er condities die het probleem doen ontwikkelen (inducerend) en condities die bijdragen aan de instandhouding van het probleem (continuerend).

Sommige van deze verklaringen zijn vooral bedoeld om inzicht te krijgen in de ontwikkeling van het probleem, anderen zullen juist erg belangrijk zijn voor de behandeling. In de praktijk zie je vaak dat een diagnosticus werkt vanuit een specifieke theorie en daarom niet alle mogelijke verklaringen in ogenschouw neemt. Het is daarentegen juist wel beter om een overkoepelende, eclectische theorie te gebruiken.

  1. Predictie. De derde basisvraag is de predictie (ofwel: het voorspellen van risico’s). Het gaat er om voorspellingen te kunnen doen over het probleemgedrag in de toekomst. Bij predictie gaat het om het verband tussen de predictor en het criterium. De predictor is het nu aanwezige gedrag en het criterium is het toekomstige gedrag. Deze kansuitspraken dragen bij aan het kiezen voor een bepaalde behandeling. Er is niet altijd wetenschappelijk bewijs over het verband tussen huidig gedrag en gedrag in de toekomst, daarom is het lastig om harde uitspraken te doen. Als ondanks dit gebrek aan empirische evidentie toch een uitspraak moet worden gedaan, kan gebruik worden gemaakt van een betekenismodel of klinische predictie. Hierbij wordt besloten welke informatie bij predictie wordt betrokken en hoe dit wordt geïntegreerd. Dit gebeurt op basis van intuïtie, desondanks is het toch handig om er zoveel mogelijk onderzoek bij te betrekken. Om de risico’s beter in te schatten wordt een cliënt vaak besproken met collega’s voor intervisie. Toch blijft er een aanzienlijke foutenmarge bestaan bij deze risicotaxatie. Dit kan maatschappelijke en juridische moeilijkheden met zich mee brengen.

  2. Indicatie. De vierde basisvraag gaat over of de cliënt behandeling nodig heeft en zo ja, welke vorm van hulpverlening het beste past bij de cliënt en zijn hulpvraag. Dit noemen we ook wel de indicatievraag. Er wordt hier geen keuze gemaakt voor een bepaalde behandeling of behandelaar, er wordt slechts in beeld gebracht wat de mogelijkheden zijn. Het is dus geen selectie, maar een oriëntatie. Om dit te kunnen doen, heeft de diagnosticus kennis nodig over de verschillende behandelingen en behandelaars, over de effectiviteit van de verschillende behandelingen en over de voorkeuren van de cliënt. De voorkeur van de cliënt is van belang omdat de kans klein is dat een cliënt een aanbeveling opvolgt als deze erg afwijkt van wat hij of zij zelf wilt. Het kan daarom belangrijk zijn een indicatiestrategie te kiezen die de voorkeuren van de cliënt meeneemt.

  3. Evaluatie. De laatste basisvraag heeft te maken met de evaluatie van de conclusies over de diagnose en/of de behandeling. Deze evaluatie maakt onder andere gebruik van de uitkomsten van de behandeling. Het is hierbij belangrijk dat wordt gekeken naar of de diagnose is meegenomen in de behandeling en of de behandeling verandering/verbetering heeft gebracht op het gebied van het probleemgedrag. Dit kan op twee manieren gebeuren. Allereerst kan vastgesteld worden of klachten/problemen in gewenste mate afnemen zonder uitspraken over veranderingen door therapie. Ten tweede kan er aangetoond worden dat veranderingen door therapie veroorzaakt zijn.

De diagnostische cyclus

Evaluatie is altijd de laatste fase, ook in de diagnostische cyclus. Deze cyclus is een model voor het wetenschappelijke verantwoord beantwoorden van vragen en omvat de volgende fases: observatie, inductie, deductie, toetsing en evaluatie.

  • Observatie: het verzamelen en groeperen van empirisch materiaal waaruit gedachten over totstandkoming en voortduren van probleemgedrag gevormd worden.

  • Inductie: formuleren van theorie en hypothese over gedrag.

  • Deductie: concreet maken van het vermoeden, zodat toetsbare voorspellingen afgeleid kunnen worden.

  • Toetsing: aan hand van nieuwe materiaal wordt nagegaan of voorspellingen juist zijn.

  • Evaluatie: alle voorgaande stappen leiden tot een evaluatie, een beoordeling.

Volgens van Strien past de cyclus van de Groot slechts bij experimenteel onderzoek en niet bij psychodiagnostisch onderzoek, omdat deze onderzoeken andere doelstellingen hebben.

Het diagnostische proces

Psychodiagnostiek begint met de aanmelding van de cliënt. Meestal wordt deze doorverwezen door een hulpverlener in de eerste lijn, soms komt de cliënt ook zelf met een vraag bij de diagnosticus. Het is de taak van de diagnosticus om de hulpvraag van de cliënt en de aanvraag van de verwijzer te analyseren en specificeren. Deze beide vragen vormen het beginpunt van de diagnostiek. Het is belangrijk je te realiseren dat de hulpvraag en de aanvraag niet per se hetzelfde hoeven te zijn.

Analyse van de aanvraag

Bij het analyseren van de aanvraag moet er gekeken worden naar informatie over de verwijzer en naar het type en de inhoud van de aanvraag. Wat betreft de informatie over de verwijzer zijn vier elementen van belang. Het is ten eerste goed om te kijken naar het referentiekader van de verwijzer en naar de relatie tussen de verwijzer en de diagnosticus. Dit kan informatie geven over de aard en de ernst van de problematiek van de cliënt. Ten tweede kan het informatie verschaffen over de reden van de aanvraag; wil de verwijzer informatie over problematiek en de mogelijke behandelingen of wil hij informatie die hem kan helpen bij het maken van een juridische beslissing. Ten derde moet in dit kader ook onderscheid gemaakt worden tussen de feitelijke en de eigenlijke verwijzer. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat een hulpverlener de feitelijke verwijzer is, maar dat de eigenlijke verwijzer de rechter is. Ten vierde moet de bevoegdheid van de verwijzer meegenomen worden in de analyse.

Ten tweede is kennis over het type en de inhoud van de aanvraag van belang. Heeft de verwijzer bijvoorbeeld zelf hypotheses geformuleerd of stelt hij een open vraag? De vijf basisvragen die hierboven werden besproken zijn ook belangrijk bij de analyse van de aanvraag. Het is belangrijk je te beseffen dat de inhoud van de aanvraag vaak deels gebaseerd is op de setting en daarom ook per setting kan verschillen.

Als laatste is ook de informatie die de diagnosticus heeft over de cliënt van belang. Hieruit kan bijvoorbeeld worden opgemaakt of de cliënt zichzelf met een probleem heeft gemeld bij een hulpverlener of dat hij door derden is gestuurd. Ook is het belangrijk te weten in welke mate de cliënt en de verwijzer het eens zijn over de ernst van de problematiek en het functioneren van de cliënt.

Analyse van de hulpvraag

Vervolgens moet de analyse uitwijzen of de cliënt instemt met het onderzoek of niet. Dit wordt ook onderzocht in de analyse van de hulpvraag. Belangrijk hierbij is het kennismakingsgesprek. Hierin komt vaak de aard van de problematiek naar voren en hoe de cliënt aankijkt tegen het onderzoek. De hulpvragen worden ingedeeld op basis van de vijf basisvragen. Ook wordt de geschiedenis, ontwikkeling en context van de problematiek uitgevraagd. Tevens wordt er gekeken naar wat een behandeling zou moeten bewerkstelligen en welke vorm van hulpverlening hiervoor het beste zou zijn. Dossiergegevens over de cliënt zijn ook van belang voor de diagnosticus als het gaat om de analyse van de aanmelding.

Na de analyse van de aanmelding reflecteert de diagnosticus op de verkregen informatie. In deze fase, de zogenaamde reflectiefase, neemt de diagnosticus door welke mogelijke vertekeningen bestaan door de relatie met de cliënt en/of de verwijzer, welke invloeden dit kan hebben, hoe bekend hij is met de mogelijke problematiek en de instrumenten die in het onderzoek gebruikt dienen te worden. Verder kan de verkregen informatie bij de diagnosticus ook tot nieuwe vragen leiden die verschillen van de hulpvraag en de aanvraag. De hulpvraag, aanvraag en de reflectie van de diagnosticus vormen vervolgens de basis voor het diagnostische scenario. In dit scenario wordt een voorlopige theorie geformuleerd. Hierin wordt beschreven wat voor probleem er onderkend wordt en welke mogelijke verklaringen onderzocht gaan worden. De basis moet het probleem zijn waarvoor de cliënt hulp vraagt, de andere problemen die een cliënt mogelijk ervaart kunnen verklaringen zijn (bijvoorbeeld in standhoudende factoren). Welke grondvragen van belang zijn hangt af van de vragen die bij de aanmelding naar voren zijn gekomen. Bijna alle aanvragen omvatten de drie basisvragen vragen over onderkenning, verklaring en indicatie.

Diagnostisch onderzoek

Het diagnostisch onderzoek bestaat uit zes stappen. In de eerste stap, de hypothesevorming wordt de voorlopige theorie in concrete hypotheses omgezet op basis van het diagnostische scenario. Dit is nodig omdat hypotheses toetsbare stellingen moeten zijn, dat is een theorie nog niet. Onderlinge verbanden tussen de hypotheses moeten duidelijk zijn. Hypothesen over de onderkenningsvraag handelen met de aanwezigheid van een stoornis en eventuele differentiaaldiagnoses. Hypotheses over de verklaringsvraag gaan over factoren die de problematiek hebben laten ontwikkelen en/of in standhouden. Predictieve hypothesen hebben te maken met het voorspellen van het probleemgedrag in de toekomst, deze zijn over het algemeen gebaseerd op predictoren uit verschillende referentiekaders. Hypotheses over de indicatievraag gaan over welke behandeling en behandelaar er het beste zouden passen bij die specifieke cliënt. Hierbij zijn ook de ziekte-, genezings- en gezondheidstheorie van de cliënt zelf belangrijk.

De tweede stap is de keuze van onderzoeksmiddelen. Er moeten instrumenten gekozen worden die informatie over deze hypotheses kunnen geven. Naast dat de instrumenten geschikt moeten zijn om antwoorden te verschaffen over de hypotheses, moeten de instrumenten ook een goede psychometrische kwaliteit hebben en moet er gekeken worden naar de efficiëntie van het instrument.

Voor de onderkenningsvraag kan er bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van instrumenten die verschillende soorten problematiek meten of van instrumenten die er op gericht zijn een specifieke problematiek te onderzoeken. De predictievraag moet getoetst worden met instrumenten met een goede predictieve (voorspellende) validiteit. Instrumenten die gebruikt worden om antwoord te geven op de verklaringsvraag richten zich op verklaringsfactoren zoals persoonlijkheidstrekken en intelligentie. Toetsing gebeurt in de praktijk minder, desondanks is het wel belangrijk omdat algemeen wetenschappelijke kennis over verklaringsfactoren niet voor iedereen vanzelfsprekend is. De kennis moet voor elke cliënt concreet gemaakt. Hierbij gaat het steeds om de kans van het samen voorkomen van verklaringsfactoren en probleem. Daarnaast moet ook de verklaringsfactor worden geoperationaliseerd. Bij het toetsen van indicatievragen vanuit het cliëntenperspectief kan gebruik worden gemaakt van een hulpvragenlijst.

De derde stap is de formulering van toetsbare voorspellingen. Als de instrumenten zijn gekozen, worden er voorspellingen gedaan over de resultaten van de gekozen instrumenten. Dat wil zeggen dat er criteria worden opgesteld waartegen getest gaat worden. Dit wordt gedaan om te voorkomen dat er achteraf geïnterpreteerd gaat worden. Door vooraf criteria op te stellen, weet je waar je op moet letten en wat je als teken van de problematiek ziet. Zo voorkom je beoordelingsfouten. Hypotheses kunnen op basis van de resultaten wel worden aangepast, maar alleen als daar een goede reden voor is.

In de vierde stap worden de tests afgenomen en verwerkt (afname en scoring). Naast de testscores die geïnterpreteerd worden met behulp van normtabellen zijn ook de observaties van de diagnosticus tijdens het onderzoek van belang. De testscores noemen we ook wel kwantitatieve informatie, de observaties kwalitatieve informatie.

De stap erna is die van de argumentatie waarin de uitkomsten van het onderzoek naast de hypotheses en voorspellingen worden gelegd. Hierbij is het ook belangrijk dat de diagnosticus instrumenten een bepaald gewicht geeft op basis van de psychometrische kwaliteit. Als de gevonden resultaten overeenkomen met de hypotheses, dan kan de hypothese aangehouden worden. Als de resultaten de hypotheses duidelijk tegenspreken, dan dient de hypothese verworpen te worden. De keuze om een hypothese wel of niet te verwerpen dient altijd goed beargumenteerd te worden. De diagnosticus dient argumenten voor en tegen de hypothese te presenteren en deze tegen elkaar af te wegen om een conclusie te kunnen trekken. Uiteindelijk moeten de bevindingen samengevoegd worden om een zo compleet mogelijk beeld te geven. Dit kan ook leiden tot het ontstaan van een nieuwe theorie over de problematiek van de cliënt. Omdat het in de praktijk niet altijd mogelijk is om op basis van deze nieuwe theorie een nieuwe diagnostische cyclus te starten, kan deze nieuwe theorie worden aangehouden mits dit heel sterk kan worden beargumenteerd.

Het diagnostische proces wordt afgesloten met de rapportage aan de verwijzer, de laatste stap, het verslag. Het verslag schrijven is vaak tijdrovend, maar van groot belang omdat de diagnosticus beoordeeld wordt op het verslag en de eventuele mondelinge toelichting ervan. Het verslag is een geclausuleerd antwoord waarin allerlei voorwaarden staan waaronder de gedane uitspraken geldig zijn. Het verslag heeft meerdere functies. In de eerste instantie is het bedoeld om de conclusies die de diagnosticus op basis van het onderzoek getrokken heeft te beargumenteren en deze te communiceren naar de verwijzer. Deze rapportage dient de kwaliteit van de informatiebron te bespreken en dient duidelijk te maken wat feiten zijn, wat interpretaties zijn en wat conclusies zijn. Er kan voor gekozen worden om een aantal literatuurverwijzingen in de rapportage op te nemen omdat dit de lezer in staat stelt om zelf uitgebreider op dat onderwerp in te gaan, maar dit is alleen als ze heel belangrijk zijn. De testscores van de cliënt worden soms als bijlage bij de rapportage opgenomen. Sommige verwijzers zullen graag zelf de ruwe scores willen bekijken, terwijl anderen alleen geïnteresseerd zijn in de conclusies. Vandaar dat de testscores niet standaard in de rapportage worden opgenomen en al helemaal niet in de tekst zelf.

De tweede functie is effectieve communicatie over de cliënt. De aanvrager moet de informatie kunnen lezen zoals de diagnosticus deze bedoeld heeft. Daarom is het belangrijk dat de rapportage een duidelijk en helder beeld schetst van de conclusies van de diagnosticus. Vaak ontstaan er misverstanden omdat de communicatie tussen de verwijzer en de diagnosticus niet helder is. Rapportage aan de cliënt gebeurt meestal mondeling. In dit gesprek probeert de diagnosticus duidelijk te maken hoe en waarom hij tot een bepaald beeld gekomen is, de cliënt kan dit aanvullen of veranderen als daar goede reden toe is. Hierbij is het belangrijk de informatie op een manier te presenteren die de cliënt kan begrijpen. In het gesprek met de cliënt probeert de diagnosticus verbanden te leggen tussen de uitkomsten van het onderzoek en de mogelijke oplossingen of verlichtingen van de problemen. Door deze manier van rapportage voelt de cliënt zich als het goed is serieus genomen, wat motiverend werkt.

Diagnose Behandel Combinaties (DBC's)

DBC's worden in toenemende mate in de gezondheidszorg gebruikt. Het doel van een DBC is om een patiënt op een zo efficiënt mogelijke wijze te diagnosticeren en er op basis daarvan een protocollaire behandeling plaatsvindt die bij voorkeur evidence-based is. In het protocol wordt vastgelegd hoelang de behandeling mag duren en wordt ook de diagnostiek gestandaardiseerd. Het is daarom mogelijk om standaardtarieven te berekenen voor DBC's, wat het aantrekkelijk maakt voor verzekeringsmaatschappijen.

Voor toegang tot deze pagina kan je inloggen

 

Aansluiten en inloggen

Sluit je aan en word JoHo donateur (vanaf 5 euro per jaar)

 

    Aansluiten en online toegang tot alle webpagina's 

Sluit je aan word donateur en neem een service-abonnement

 

Upgraden als donateur

Upgraden met service-abonnement I (10 euro per jaar)

Upgraden met service-abonnement II (20 euro per jaar)

 

Inloggen

Inloggen als donateur of abonnee

 

Hoe werkt het

Om online toegang te krijgen kun je JoHo donateur worden  en een (service) abonnement afsluiten

Vervolgens ontvang je de link naar je  online account aan en heb je online toegang

Lees hieronder meer over JoHo donateur en abonnee worden

Ben je al JoHo donateur? maar heb je geen toegang? Check hier  

Korte advieswijzer voor de mogelijkheden om je aan te sluiten bij JoHo

JoHo donateur

  • €5,- voor wie JoHo en Smokey Tours wil steunen - Voor wie toegang wil tot de service-abonnementen - Voor wie van de basiskortingen in de JoHo support centers gebruik wil maken of wie op zoek is naar de organisatie achter een vacature

JoHo donateur + service-abonnement I

  • €5 + €10,- Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp - Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers - Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland

JoHo donateur met service-abonnement II

  • €5,- + €20,- Voor wie extra kortingen wil op de JoHo's en boeksamenvattingen in de JoHo support centers - Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers) - Voor wie gebruik wil maken van de emigratie- en expatservice

JoHo donateur met service-abonnement III

  • €5,- + €40,- Voor wie gebruik wil maken van een cv-check, persoonlijke adviesservices en de hoogste kortingen op artikelen, samenvattingen en services

JoHo donateur met doorlopende reisverzekering

  • Sluit je via JoHo een jaarlijks doorlopende verzekering af dan kan je gedurende de looptijd van je verzekering gebruik maken van de voordelen van service-abonnement III: hoge kortingen + volledig online toegang + alle extra services. Lees meer

Abonnementen-advieswijzers voor JoHo services:

Abonnementen-advieswijzers voor JoHo services

  • Check hier de advieswijzers voor samenvattingen en stages - vacatures en sollicitaties - reizen en backpacken - vrijwilligerswerk en duurzaamheid - emigratie en lang verblijf in het buitenland - samenwerken met JoHo

Steun JoHo en steun jezelf

 

Sluit je ook aan bij JoHo!

 

 Steun JoHo door donateur te worden

en steun jezelf door ook een service-abonnement af te sluiten

 

Lees of zoek verder »
Crossroads

 Crossroads

  • Crossroads lead you through the JoHo web of knowledge, inspiration & association
  • Use the crossroads to follow a connected direction

 

Footprint toevoegen
 
   
Hoe werkt een JoHo Chapter?

 JoHo chapters

Dit chapter is gebundeld in:
Eigen aantekeningen maken?

Zichtbaar voor jezelf en bewaren zolang jij wil

Flexibele parttime bijbanen bij JoHo

    Memberservice: Make personal notes

    Ben je JoHo abonnee dan kun je je eigen notities maken, die vervolgens in het notitieveld  worden getoond. Deze notities zijn en blijven alleen zichtbaar voor jouzelf. Je kunt dus aantekeningen maken of bijvoorbeeld je eigen antwoorden geven op vragen