  Chapter 

Oefenvragen per hoofdstuk

Hoofdstuk 1 Introductie in sociale cognitie

Vraag 1

Geef aan welke stelling(en) juist is (zijn).

  1. Niet de objectieve input, maar de gecreëerde subjectieve realiteit bepaalt het gedrag van mensen in de sociale wereld

  2. Iedereen ziet dezelfde input, en geeft hier ook dezelfde interpretatie aan

  1. Stelling I is juist, stelling II is onjuist

  2. Stelling II is juist, stelling I is onjuist

  3. Beide stellingen zijn juist

  4. Beide stellingen zijn onjuist

Vraag 2

Kies het beste antwoord.

Sociale cognitie houdt zich bezig met…

  1. Hoe mensen met elkaar omgaan, en hoe zij elkaar zien

  2. Sociale kennis en cognitieve processen die individuen gebruiken bij het construeren van subjectieve realiteit

  3. Sociale kennis en cognitieve processen die individuen gebruiken bij het construeren van objectieve realiteit

  4. De manier waarop mensen met elkaar praten (toon, frequentie, stijl)

Vraag 3

Dat individuen consistentie zoeken in hun wereld heeft een belangrijke invloed op de manier waarop individuen hun sociale realiteit construeren. Een theorie die hierop gebaseerd is, is:

  1. De sociale leertheorie

  2. De inclusion-exclusion theorie

  3. De Gestalt-theorie

  4. De cognitieve dissonantietheorie

Vraag 4

Geef aan welke stelling(en) juist is (zijn)

  1. Een stimulus kan contrasteren doordat er andere stimuli aanwezig zijn in de context

  2. Een stimulus kan beïnvloed worden doordat aanwezige kennis gebruikt wordt om de stimulus te interpreteren

  1. Stelling I is juist, stelling II is onjuist

  2. Stelling II is juist, stelling I is onjuist

  3. Beide stellingen zijn juist

  4. Beide stellingen zijn onjuist

Vraag 5

Waar of niet waar…

De contextgevoeligheid van sociale cognitie is een beperking van het sociale beoordelingsvermogen.

Vraag 6

Waar of niet waar…

Het construeren van een sociale realiteit wordt beïnvloed door de realiteitsconstructie van anderen.

Hoofdstuk 2 Algemeen kader en basale assumpties

Vraag 7

Wat is de juiste volgorde van informatieverwerking?

  1. Stimulus waarnemen -> coderen en interpreteren -> perceptie -> gecodeerde perceptie opslaan -> gedragsrespons

  2. Perceptie -> stimulus waarnemen -> gedragsrespons -> coderen en interpreteren -> gecodeerde perceptie opslaan

  3. Stimulus waarnemen -> perceptie -> coderen en interpreteren ->gecodeerde perceptie opslaan -> gedragsrespons

  4. Perceptie -> coderen en interpreteren -> stimulus waarnemen -> gecodeerde perceptie opslaan -> gedragsrespons

Vraag 8

Wat is het verschil tussen top-down (concept driven) en bottom-up (data-driven) verwerking?

  1. Top-down verwerking wordt met name beïnvloed door de stimuli van een bepaalde situatie; bottom-up verwerking wordt gedreven door voorafgaande kennis en verwachtingen

  2. Top-down verwerking wordt gedreven door voorafgaande kennis en verwachtingen; bottom-up verwerking wordt met name beïnvloed door de stimuli van een bepaalde situatie

  3. Van top-down verwerking zijn mensen zich niet bewust; van bottom-up verwerking wel

  4. Van bottom-up verwerking zijn mensen zich niet bewust; van top-down verwerking wel.

Vraag 9

Geef aan welke stelling(en) juist is (zijn)

I. De capaciteit van mensen om informatie te verwerken is gelimiteerd

II. Capaciteitsbeperkingen beïnvloeden slechts enkele fasen van informatieverwerking

  1. Stelling I is juist, stelling II is onjuist

  2. Stelling II is juist, stelling I is onjuist

  3. Beide stellingen zijn juist

  4. Beide stellingen zijn onjuist

Vraag 10

Geef aan welke stelling(en) juist is (zijn)

I. Automatische processen zijn intentioneel, en gecontroleerde processen hebben niet veel bronnen nodig

II. Automatische en gecontroleerde processen werken in verschillende situaties het beste

  1. Stelling I is juist, stelling II is onjuist

  2. Stelling II is juist, stelling I is onjuist

  3. Beide stellingen zijn juist

  4. Beide stellingen zijn onjuist

Vraag 11

In de onderstaande zin ontbreken drie antwoorden. Vul deze gaten in.

Onze aandacht wordt getrokken door stimuli die afwijkend of salient zijn. Dit kan op drie manieren: (1)…; (2)…; en (3)….

Vraag 12

Vul de volgende zin aan – Kies uit de beschikbare opties.

“Meestal zorgt opvallendheid ervoor dat de hoeveelheid verwerking gerelateerd aan de stimulus, (1) … wordt; deze effecten worden deels veroorzaakt doordat personen (2) ... aandacht aan andere stimuli zullen schenken.

  1. Verhoogd; Minder

  2. Verhoogd; Meer

  3. Verlaagd; Minder

  4. Verlaagd; Meer

Vraag 13

Wat zijn counterprocessen, binnen het kader van opvallendheid?

  1. Individuen negeren opvallende banners op websites

  2. Individuen letten meer op opvallende stimuli dan op onopvallende stimuli

  3. Opvallende stimuli zorgen ervoor dat andere stimuli minder opvallen, en werken dat dus tegen.

  4. Individuen gaan corrigeren wanneer ze zich bewust zijn van de (mogelijke) invloed.

Vraag 14

“Een nieuwe stimulus wordt vaak gekoppeld aan voorgaande kennis, en worden gecategoriseerd. Wanneer een waargenomen target past binnen een categorie kan de waarnemer meer informatie afleiden dan gegeven was. De categorie moet toepasbaar en toegankelijk zijn voor de stimulus.”

Wat betekent toepasbaarheid in deze context?

En toegankelijkheid?

Leg beide begrippen uit, op zo een manier dat het verschil tussen de twee termen duidelijk wordt.

Vraag 15

Geef aan welke stelling(en) juist is (zijn).

Frequency en recency beïnvloeden de toegankelijkheid. Op welke manier?

I. Informatie die net gebruikt is, wordt sneller opgehaald (recency)

II. Informatie die niet vaak wordt gebruikt valt meer op, en is daarom eenvoudiger op te halen dan informatie die vaak gebruikt wordt, en minder opvalt (frequency)

  1. Stelling I is juist, stelling II is onjuist

  2. Stelling II is juist, stelling I is onjuist

  3. Beide stellingen zijn juist

  4. Beide stellingen zijn onjuist

Vraag 16

Wat zijn de voor- en nadelen van het ophalen van consistente en inconsistente informatie?

Vraag 17

Hoe wordt de neiging om gedrag van anderen toe te wijzen aan disposities, in plaats van situationele factoren genoemd?

  1. Dispositionele fout

  2. Toewijsfout

  3. Fundamentele attributiefout

  4. Situationele fout

Vraag 18

Wat is achterliggende assumptie van de beschikbaarheidsheuristiek?

Hoofdstuk 3 Geheugenorganisatie

Vraag 19

Leg uit wat een … is, en doe dit op zo een manier dat het verschil tussen de verschillende begrippen duidelijk wordt.

  • Categorie

  • Stereotype

  • Schema

  • Script

  • Cognitieve map

  • Associatief netwerk

Vraag 20

Waarom neigt sociale perceptie naar consistentie? Kies het beste antwoord

  1. Omdat consistente informatie betere informatie is

  2. Omdat mensen inconsistente informatie nooit onthouden

  3. Omdat inconsistente informatie onduidelijk is

  4. Omdat consistente structuren efficiënter geleerd kunnen worden

Vraag 21

Geef aan welke stelling(en) juist is (zijn).

I. Convergente zoekproblemen ontstaan wanneer retrieval cues erg algemeen zijn, waardoor de zoektocht door het geheugen veel vormen aan kan nemen

II. Divergente problemen brengen alleen vage retrieval cues met zich mee, waardoor veel verschillende oplossingen mogelijk zijn. Het zoekproces is vaak niet grondig, maar stopt als een geschikte categorie is gevonden

  1. Stelling I is juist, stelling II is onjuist

  2. Stelling II is juist, stelling I is onjuist

  3. Beide stellingen zijn juist

  4. Beide stellingen zijn onjuist

Vraag 22

Leg uit wat het verschil is tussen de verschillende soorten priming, en doe dit op zo een manier dat het verschil tussen de verschillende begrippen duidelijk wordt.

  • Evaluatieve priming

  • Mood priming

  • Semantische priming

  • Actie priming

Vraag 23

Wat houdt het self-reference effect in?

  1. Individuen refereren vaker naar zichzelf dan naar anderen in gesprekken

  2. Informatie die relevant is voor het ‘zelf’ heeft een sterk geheugenvoordeel

  3. Mensen gebruiken vaak het woord “zelf” in gesprekken

  4. Informatie die irrelevant is voor het ‘zelf’ heeft een sterk geheugenvoordeel

Vraag 24

Vul de juiste woorden in onderstaande tekst in:

(1)… verwerking is verantwoordelijk voor het voordeel van inconsistente informatie, en (2)… voor het reconstructievoordeel van consistente informatie.

Het inconsistentievoordeel treedt vaak op wanneer individuen (3)… motivatie en bronnen van verwerking hebben. Het voordeel van consistente informatie komt juist naar voren als informatie (4)… gecodeerd hoeft te worden.

  1. Top-down; Bottom-up; gelimiteerde; niet

  2. Top-down; Bottom-up; veel; wel

  3. Bottom-up; Top-down; gelimiteerde; niet

  4. Bottom-up; Top-down; veel; wel

Vraag 25

Wanneer individuen gebruik maken van recomputation…

  1. Proberen ze informatie die hun oordeel zou kunnen beïnvloeden niet te gebruiken.

  2. Letten ze niet op of de gekregen informatie hun oordeel zou kunnen beïnvloeden

  3. Herstellen ze de informatie die ze hebben gekregen

  4. Hercoderen ze de informatie die ze zojuist hebben gekregen

Vraag 26

Het inclusion / exclusion model houdt in dat…

  1. Geactiveerde informatie op verschillende manieren gebruikt kan worden, afhankelijk van de geactiveerde informatie.

  2. Sommige informatie in de hersenen opgeslagen wordt, en andere niet.

  3. Individuen sommige mensen wel toelaten in hun leven, en anderen niet

  4. Soms met exclusieve woorden wordt gecommuniceerd.

Vraag 27

Vul het ontbrekende woord in.

Stereotypes worden niet alleen in stand gehouden door automatische processen: ze worden ook beschermd door (1)… redeneringsprocessen.

  1. Impliciete

  2. Concrete

  3. Expliciete

  4. Vage

Hoofdstuk 4 Beoordelingsheuristieken

Vraag 28

De beschikbaarheidsheuristiek (availability heuristic) kan volgens twee verklaringen worden uitgelegd, te weten de “inhoud verklaring” en de “ease of retrieval verklaring”. Wat is het verschil tussen deze twee verklaringen?

Welke verklaring wordt gebruikt als basis van oordelen?

Vraag 29

Waarnaar verwijst de term representativiteit, in het kader van de representativiteitsheuristiek?

  1. Hoe goed een stimulus is waar te nemen

  2. Hoe snel iemand een gelijke stimulus uit gedachten kan ophalen

  3. Hoe graag iemand aan een stimulus denkt

  4. Hoe typisch een element is voor een specifieke stimulus of categorie

Vraag 30

‘Anchoring en adjustment’ houdt in dat individuen een numerieke waarde peilen door te beginnen met een initiële waarde (anchor), die wordt aangepast (adjustment) tot een acceptabele waarde is gevonden om een oordeel te vormen.

Tot wat voor een vertekening kan deze heuristiek leiden?

  1. Een neiging naar een waarde richting een meer acceptabele waarde

  2. Een neiging naar een waarde richting het standpunt

  3. Een neiging naar een compleet andere waarde

  4. Een neiging naar een waarde precies in het midden

Vraag 31

Affectieve gevoelens, zoals positieve en negatieve stemmingen, dienen als bron van informatie over de kwaliteit van een object, maar ook als basis voor beslissingen.

Als welke heuristiek staat dit ook wel bekend?

Vraag 32

Wanneer individuen lage motivatie en verwerkingscapaciteiten hebben, maken ze gebruik van heuristieken die afhankelijk zijn van stimuluskarakteristieken.

Wanneer individuen een hogere motivatie en meer verwerkingscapaciteiten tot hun beschikking hebben, letten ze juist meer op de inhoud.

Hoe heet dit model?

  1. Het heuristieken model

  2. Het representativiteitsmodel

  3. Het elaboration likelihood model

  4. Het inclusion/exclusion model

Hoofdstuk 5 Informatiegebruik in oordeelsvorming

Vraag 33

Vul de ontbrekende woorden in de onderstaande zin aan:

Volgens het inclusie-exclusie model zijn er drie filters voor informatie gebruik. Informatie die door de filters komt wordt opgenomen in de representatie en leidt tot (1)...-effecten. Wanneer informatie niet door de filters komt wordt het gebruikt voor de representatie van de standaard, wat leidt tot (2)…effecten.

  1. Assimilatie; aanpassings

  2. Assimilatie; contrast

  3. Dissimilatie; aanpassings

  4. Dissimilatie; contrast

Vraag 34

Vul de onderstaande zin correct aan:

Sommige mensen denken veel na voordat ze een oordeel vellen; deze mensen hebben een (1)… en anderen proberen de cognitieve processen zo veel mogelijk te simplificeren; dit is een (2). Individuen met een lage behoefte aan cognitie gebruiken (3)… informatie die in hun opkomt, terwijl mensen met een hoge behoefte (4) … verwerkingsbronnen en capaciteit gebruiken.

  1. High need for cognition; low need for cognition; langzamer; minder

  2. Low need for cognition; high need for cognition; sneller; minder

  3. High need for cognition; low need for cognition; sneller; extra

  4. Low need for cognition; high need for cognition; langzamer; extra

Vraag 35

Om te kunnen corrigeren voor ongewenste invloeden, moeten mensen zich bewust zijn van …

  1. De vertekenende invloed, maar ook van de manier waarop deze invloed werkt

  2. De vertekenende invloed, maar niet per se van de manier waarop deze invloed werkt

  3. De manier waarop een ongewenste invloed zou kunnen werken, maar niet concreet wat deze invloed is

  4. Geen van beide; niet de vertekende invloed en ook niet van de manier waarop deze werkt. Mensen corrigeren automatisch en onbewust voor ongewenste invloeden

Hoofdstuk 6 Hypothesetoetsen in sociale interactie

Vraag 36

Vul de ontbrekende woorden correct in.

De data input zelf kan op drie manieren de bias naar een bepaalde hypothese verklaren: bepaalde data kan (1)…  worden dankzij selectieve aandacht of selectieve beschikbaarheid in het geheugen; de data die nodig is kan (2)… worden door de hypothese tester; en de (3)… omgeving kan sommige stimulusdata toegankelijker maken.

  1. Geproduceerd; geselecteerd; externe

  2. Geproduceerd; geselecteerd; interne

  3. Geselecteerd; geproduceerd; externe

  4. Geselecteerd; geproduceerd; interne

Vraag 37

Geef aan welke stelling(en) juist is (zijn).

I. Mensen zijn geneigd om te zoeken naar positieve voorbeelden van de hypothese die wordt getest

II. Het zoeken naar positieve voorbeelden is een nutteloze strategie die veel tijd kost

  1. Stelling I is juist, stelling II is onjuist

  2. Stelling II is juist, stelling I is onjuist

  3. Beide stellingen zijn juist

  4. Beide stellingen zijn onjuist

Vraag 38

Geef aan welke stelling(en) juist is (zijn).

I. Het fenomeen self-fulfilling prophecy houdt in dat de uitkomst wordt veroorzaakt door de neiging om de targets te behandelen op een manier die overeen komt met de hypothese, waardoor het bevestigende bewijs wordt geproduceerd

II. De hypothesetester kan de oorzaak zijn van de self-fulfilling prophecy

  1. Stelling I is juist, stelling II is onjuist

  2. Stelling II is juist, stelling I is onjuist

  3. Beide stellingen zijn juist

  4. Beide stellingen zijn onjuist

Vraag 39

Beschrijf wat het acquiescence effect inhoudt.

Vraag 40

Een deel van de acquiescence bias kan worden toegeschreven aan het principe van coöperatieve communicatie van Grice.

Beschrijf de vier maxims van Grice; wat houden deze in?

Vraag 41

Geef aan welke stelling(en) juist is (zijn).

I. Gemotiveerde cognitie kan leiden tot verificatiebias

II. Hetzelfde gedrag wordt niet beïnvloed door gemotiveerde cognitie; gedrag wordt hetzelfde waargenomen, onafhankelijk van de motieven en verwachtingen van de waarnemers

  1. Stelling I is juist, stelling II is onjuist

  2. Stelling II is juist, stelling I is onjuist

  3. Beide stellingen zijn juist

  4. Beide stellingen zijn onjuist

Vraag 42

Er zijn drie manieren waarop selectief geheugen kan bijdragen aan de neiging om vooraf gestelde hypotheses te bevestigen.

Welke drie zijn dit?

Vraag 43

Vul de onderstaande zinnen op de juiste manier aan:

De term (1)… gebaseerde oordelen verwijst naar de situaties waarin mensen onmiddellijk oordelen vormen nadat ze in aanraking gekomen zijn met nieuwe informatie en deze informatie hebben verwerkt. In dit geval maakt men nauwelijks gebruik van het geheugen tijdens oordeelsvorming, waardoor er geen sterke correlatie is tussen geheugen en oordelen.

Wanneer mensen geen (2)… modules beschikbaar hebben moet in het geheugen gezocht worden naar relevante informatie, en is er een sterkere correlatie tussen geheugen en oordeelsvorming. Dit is (3)… oordelen.

  1. Memory-based; memory-based; on-line

  2. Memory-based; on-line; memory based

  3. On-line; memory-based; on-line

  4. On-line; on-line; memory based

Vraag 44

Geef aan welke stelling(en) juist is (zijn).

I. Mensen maken gebruik van abstracte termen om gewenst in-group gedrag te beschrijven en ongewenst gedrag in de out-group (en dus meer concrete termen voor ongewenst gedrag van de in-group en gewenst gedrag van de out-group te beschrijven)

II. De linguistic intergroup bias (LIB) verwijst naar de abstractheid van termen die gebruikt worden om gedragingen van de in- en outgroup te beschrijven

  1. Stelling I is juist, stelling II is onjuist

  2. Stelling II is juist, stelling I is onjuist

  3. Beide stellingen zijn juist

  4. Beide stellingen zijn onjuist

Hoofdstuk 7 – het samenspel tussen affect en cognitie

Vraag 45

Maak de twee onderstaande zinnen kloppend

De (1)… hypothese stelt dat recall verbetert wanneer individuen in dezelfde affectieve staat zijn tijdens het coderen en ophalen.

De (2)… recall hypothese stelt dat materiaal makkelijk wordt opgehaald als de affectieve toon van het materiaal overeenkomt met de affectieve staat tijdens het ophalen.

  1. State-dependency; mood-congruent

  2. Mood-congruent; state dependency

Vraag 46

Kies de juiste antwoordmogelijkheid.

Individuen in een negatieve stemming hebben een positievere attitude wanneer ze met sterke argumenten werden geconfronteerd in plaats van zwakke argumenten. Mensen in een positieve stemming werden wel/niet beïnvloedt door de kwaliteit van de argumenten, maar wel/niet door perifere cues.

Antwoorden oefenvragen

Hoofdstuk 1

  1. A

  2. B

  3. D

  4. C

  5. Niet waar

  6. Waar

Hoofdstuk 2

  1. C

  2. B

  3. A

  4. B

  5. (1) Stimulus is opvallend in vergelijking met de context.

(2) Stimulus is opvallend in vergelijking met voorgaande kennis

(3) Door van de relatie tussen de stimulus en de doelen van een persoon die verwerking beïnvloeden

  1. A

  2. D

  3. Toepasbaarheid houdt in dat de categorie potentieel gebruikt moet kunnen worden om betekenis te geven aan de stimulus. Toegankelijkheid (beschikbaarheid) is de moeite waarmee voorafgaande kennis opgehaald kan worden uit het geheugen.

  4. A

  5. Consistente informatie kan eenvoudiger en preciezer worden opgehaald doordat individuen kunnen uitgaan van voorgaande kennis in een gelijke situatie. Tegenover dit voordeel staat het nadeel van intrusion errors.

Inconsistente informatie vraagt over het algemeen meer aandacht, en individuen gebruiken meer verwerkingsbronnen om hiermee om te kunnen gaan, wat zorgt voor een voordeel bij het ophalen van deze informatie.

  1. C

  2. Bij de beschikbaarheidheuristiek baseren individuen hun oordelen niet alleen op de inhoud van de geactiveerde informatie, maar ook op de eenvoud waarmee deze informatie in je gedachten komt. De assumptie achter deze heuristiek is dat wanneer exemplaren van een categorie makkelijk in je gedachten komen, er hier ook veel van zullen zijn.

Hoofdstuk 3

  1. Categorie: klassen van objecten met dezelfde betekenis en functie

Stereotype: categorieën die attributen toewijzen aan sociale groepen.

Schema: kennisstructuur met een bepaalde adaptieve functie, die quasi-automatisch plaatsvinden en waardoor snelle inferenties kunnen worden gemaakt.

Script: tijdelijke gestructureerde gedragsroutine.

Cognitieve map: ruimtelijke organisatie van concrete objecten in visuele modaliteit.

Associatief netwerk: structuur met veel verschillende concepten die in hoge mate samenhangen—zowel horizontaal als verticaal.

  1. D

  2. B

  3. Evaluatieve priming: elke trial bevat twee stimuli bevat (de prime en het target) die elkaar snel opvolgen. Bij consistente trials hebben de prime en het target dezelfde valentie, bij inconsistente trials de tegengestelde valentie. De reactietijd is korter bij consistente trials.

Mood priming: Emotionele stimuli worden gebruikt om positieve of negatieve emotionele staten uit te lokken bij participanten.

Semantische priming: het gaat om overeenkomst of tegenstelling tussen eigenschappen die semantisch (on)gerelateerd zijn.

Actiepriming: participanten worden met een bepaald gedrag geprimed, en gaan zich ook zo gedragen.

  1. B

  2. C

  3. A

  4. A

  5. C

Hoofdstuk 4

  1. Een “inhoud verklaring” voor de availability heuristiek is dat individuen zelfverzekerder moeten zijn na het noemen van twaalf voorbeelden van zelfverzekerd gedrag, in vergelijking met zes voorbeelden, omdat meer informatie wordt geactiveerd. Volgens de “ease of retrieval verklaring” zouden individuen juist zelfverzekerder moeten zijn nadat ze zes voorbeelden van zelfverzekerd gedrag hadden opgeschreven in plaats van twaalf, omdat het eenvoudiger is om zes voorbeelden op te halen. De ease of retrieval techniek wordt gebruikt als basis van oordelen

  2. D

  3. B

  4. De ‘how-do-I-feel-about-it’ heuristiek.

  5. C

Hoofdstuk 5

  1. B

  2. C

  3. A

Hoofdstuk 6

  1. C

  2. A

  3. C

  4. Het acquiescence effect: participanten zijn geneigd confirmatieve antwoorden te geven, ongeacht welk type vraag gesteld werd.

  5. Maxime van kwantiteit - Geef genoeg informatie om begrepen te worden, maar niet meer dan de conversatiepartner nodig heeft.

Maxime van kwaliteit - Geef informatie die betrouwbaar is, en consistent met empirische gegevens van de extra-verbale communicatiecontext.

Maxime van relevantie - Gebruik woorden en zinnen die relevant zijn voor het communicatiedoel en ten opzichte van de voorgaande dingen die besproken zijn.

Maxime van manier – Wees duidelijk en precies

  1. A

  2. (1) motivated recall, (2) constructieve geheugen intrusies en (3) deductieve retrieval structuren

  3. D

  4. C

Hoofdstuk 7

  1. A

  2. Niet - Wel

Lees of zoek verder »
Crossroads

 Crossroads

  • Crossroads lead you through the JoHo web of knowledge, inspiration & association
  • Use the crossroads to follow a connected direction

 

Footprint toevoegen
 
   
Hoe werkt een JoHo Chapter?

 JoHo chapters

Dit chapter is gebundeld in:
Eigen aantekeningen maken?

Zichtbaar voor jezelf en bewaren zolang jij wil

Flexibele parttime bijbanen bij JoHo

    Memberservice: Make personal notes

    Ben je JoHo abonnee dan kun je je eigen notities maken, die vervolgens in het notitieveld  worden getoond. Deze notities zijn en blijven alleen zichtbaar voor jouzelf. Je kunt dus aantekeningen maken of bijvoorbeeld je eigen antwoorden geven op vragen