Social Psychology - Smith et al. - BulletPoints - 4e druk

  Chapter 

Hoofdstuk 1

  • De aanwezigheid van anderen, de kennis en meningen die anderen op ons overbrengen, en onze gevoelens over de groepen waartoe we behoren hebben een grote invloed op ons via sociale processen, of we nu alleen zijn of met anderen. Onze percepties, herinneringen, emoties en motieven beïnvloeden ons ook door cognitieve processen. Effecten van sociale en cognitieve processen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
  • Het begrijpen van deze sociale processen kan ons op twee manieren helpen. Het helpt ons begrijpen waarom mensen zich op een bepaalde manier gedragen, en het helpt ons met het oplossen van belangrijke sociale problemen.
  • Sociale psychologie kwam laat in de 19e eeuw op. Het grootste deel van de 20e eeuw werd de psychologie gedomineerd door het behaviorism. Sociaal psychologen bleven het belang van gedachtes en gevoelens op gedrag benadrukken. In de jaren ’30 en ’40 hadden veel gevluchte Europese sociaal psychologen een invloed op het vakgebied. In deze periode werden belangrijke vragen geïnspireerd door de opkomst van het Nazisme en de Tweede Wereldoorlog. Vanaf de jaren ’50 en ’60 is de sociale psychologie sterk gegroeid.
  • Twee fundamentele axioma van sociale psychologie zijn 1) mensen creëren hun eigen realiteit, en 2) de doordringendheid van sociale invloeden. Drie motivationele principes zijn de behoefte aan beheersing, het zoeken naar verbondenheid, en de neiging om jezelf en gerelateerde anderen te zien in een positief daglicht. Drie verwerkingsprincipes zijn het conservatisme principe (moeilijk te veranderen), het toegankelijkheidprincipe (die heeft het meeste impact) en de oppervlakkigheid versus systematische verwerking. Gezamenlijk kunnen deze acht principes al het sociale gedrag verklaren.

Hoofdstuk 2

  • Een wetenschappelijke theorie is een stelling over een causale relatie tussen abstracte constructen. Deze theorieën zijn nuttig bij het ontwikkelen van interventies.
  • Er zijn drie soorten validiteit: constructvaliditeit (meet ik wat ik wil?), interne validiteit (is er echt een causaal verband?) en externe validiteit (generaliseerbaarheid). Elk type kent haar eigen potentiële valkuilen. De constructvaliditeit kan bedreigd worden door de “sociaal wenselijk antwoorden” bias. De interne validiteit is vooral afhankelijk van het onderzoeksdesign. In niet-experimentele (correlationele) designs kunnen andere factoren verantwoordelijk zijn voor het onderzoeksresultaat. Experimentele onderzoeksdesign daarentegen kenmerken zich vaak door willekeurige toewijzing van participanten aan groepen, en manipulatie van de onafhankelijke variabelen, om zo wel wat te kunnen zeggen over causaliteit. Met betrekking tot externe validiteit kunnen veldonderzoeken de potentiële effecten van “demand characteristics” beperken. Om er zeker van te zijn dat er sprake is van generaliseerbaarheid is het belangrijk dat de onderzoeksresultaten worden gerepliceerd.
  • Theorieën worden algemeen geaccepteerd wanneer de resultaten van meerdere valide studies, vaak samengevat in een meta-analyse, stellen dat deze specifieke theorie superieur is in vergelijking met alle andere theorieën.
  • Een “informed consent” is nodig voordat deelnemers meedoen aan een onderzoek. Soms, om bias te voorkomen, moet de deelnemer echter tijdelijk misleid worden wanneer (bias-) gevoelige onderwerpen worden onderzocht. Dit wordt dan altijd nog zorgvuldig uitgelegd in de “debriefing”.

Hoofdstuk 3

  • Het waarnemen van anderen begint met zichtbare cues, waaronder het fysieke voorkomen, de non-verbale communicatie, de omgeving die ze creëren, de omgeving waarin ze zich bevinden, en het geuite (observeerbare) gedrag.
  • Vertrouwdheid/bekendheid door het “mere exposure effect” beïnvloedt ook onze impressies. Dit leidt er meestal toe dat we diegene automatisch aardig gaan vinden.
  • Vooral cues die opvallen, “salient” zijn, hebben veel invloed op onze impressies.
  • Cues hebben geen waarde op zichzelf, maar worden automatisch geïnterpreteerd in het kader van onze mentale representaties over mensen, gedragingen, eigenschappen en sociale situatie. Een representatie die geassocieerd is met de cue zelf of die toegankelijk is, wordt vaak gebruikt bij het interpreteren van cues. De toegankelijkheid wordt beïnvloedt door de verwachting, de stemming, de situationele context, en/of “priming” (recente activering) – zelfs wanneer deze subliminaal is.
  • Wanneer oppervlakkig verwerkt wordt maken mensen vaak corresponderende interferenties. Ook is er vaak sprake van de correspondentie bias.
  • Om een causale attributie te maken voor gedrag moet er systematisch verwerkt worden. Zelfs impressies die met behulp van systematische verwerking worden gemaakt hoeven niet accuraat te zijn (ook hier zijn biases aanwezig).
  • Een impressie vormt de basis voor oordelen en gedragingen en leiden vaak tot een “self-fulfilling prophecy”.
  • Impressies zijn vaak moeilijk te veranderen, wat deels te verklaren valt vanuit het “primacy effect”.

Hoofdstuk 4

  • Het definiëren van het “zelf” wordt vaak gedaan volgens de zelfperceptie theorie, waarbij we onze eigenschappen afleiden vanuit ons gedrag. Ook sociale vergelijkingen spelen een rol in deze definiëring. Deze vergelijkingen kunnen leiden tot contrasteffecten of assimilatie-effecten.
  • Onze zelfkennis is rijker en gedetailleerder dan kennis die we bezitten over anderen. Mensen verklaren hun eigen gedrag en andermans gedrag vaak verschillend. Dit heet ook wel “actor-observer differences in attribution”.
  • Zelfkennis is georganiseerd in meerdere zelfaspecten. Het aantal zelfaspecten en de diversiteit van deze aspecten vormen samen de zelfcomplexiteit.
  • De eigenwaarde wordt sterk beïnvloed door de druk om goed over jezelf te denken. Deze motivatie heeft veel invloed door de “self-enhancing biases”. Gebeurtenissen beïnvloeden onze eigenwaarde, maar we proberen meer positieve dan negatieve ervaringen mee te nemen in het bepalen van onze eigenwaarde. Volgens de “self-evaluation maintenance” theorie vergelijken we onszelf ook met anderen.
  • “Self-enhancement” gebeurt om twee primaire redenen: door het zelf werkelijk te verbeteren (succesvolle zelfregulatie), of om onszelf te beschermen tegen stress en bedreigingen voor onze eigenwaarde.
  • Het zelf heeft invloed op veel levensaspecten, zoals emoties en gedrag. Het wordt gebruikt voor één van deze twee doelen: zelfexpressie of zelfpresentatie. De mate van zelf-monitoring reflecteert de mate waarin we het één of het ander nastreven.
  • De “regulatory focus” theorie beschrijft hoe mensen hun wenselijke staat behouden, of de onwenselijke staat vermijden, bijvoorbeeld door het zelf te vergelijken met hun “ideale zelf” of het “bedoelde zelf”.
  • Copingstrategieën worden ingezet wanneer mensen te maken krijgen met bedreigingen. Er zijn twee typen strategieën: emotiegerichte strategieën en probleemgerichte strategieën. De persoonlijke bronnen (waaronder de eigenwaarde) alsmede kenmerken van de bedreigende situatie, bepalen de beste keuze.

Hoofdstuk 5

  • Discriminatie en vooroordelen zijn dagelijkse wereldproblemen. Zowel sociale als cognitieve factoren dragen bij aan vooroordelen. Eén bron is stereotypering.
  • Sociale categorisatie is nuttig, omdat we hierdoor efficiënt en juist kunnen omgaan met anderen. Ook zorgt het ervoor dat we ons verbonden voelen met anderen. Het scheert alleen ook mensen over één kam aangaande gelijkenissen en verschillen, waardoor het de basis kan zijn voor stereotypering.
  • Stereotypes kunnen positief of negatief zijn.
  • Stereotypes kunnen aangeleerd zijn door persoonlijke ervaringen met groepsleden, maar kunnen alsnog vertekend zijn door bijvoorbeeld emoties tijdens inter-groep interacties, klassieke conditionering of de extra aandacht die wordt gericht op extremen. Dit kan een “illusory correlation” opleveren.
  • Sociale rollen bepalen vaak het gedrag van mensen, maar anderen schrijven het gedrag vaak toe aan de innerlijke kenmerken van die persoon.
  • Sociaal leren draagt ook bij aan de vorming van stereotypes. Stereotypes en discriminatie zijn van sommige groepen een sociale norm.
  • Stereotypes en vooroordelen kunnen geactiveerd worden door duidelijke cues, het gebruik van groepslabels, of de aanwezigheid van een groepslid. Sommige stereotypes en vooroordelen komen automatisch bij je op.
  • Stereotypes en vooroordelen worden vaak met impliciete metingen onderzocht.
  • Stereotypes en vooroordelen kunnen volgens de contact hypothese verminderd worden. Contact is echter niet altijd genoeg. Soms wordt er een nieuw subtype gecreëerd om zo de uitzonderingen van het stereotype te kunnen plaatsen.

Hoofdstuk 6

  • Door jezelf te categoriseren als een groepslid kan er een sociale identiteit ontstaan.
  • Leren binnen de eigen groep gebeurt hoofdzakelijk door observatie. Onze kennis over ons groepslidmaatschap kan geactiveerd worden door directe reminders (zoals groepslabels), door de aanwezigheid van out-group leden (één is genoeg), door in de minderheidsgroep te zijn, of door conflicten tussen groepen.
  • De typische kenmerken van de groep worden maatstaven voor het gedrag. Het groepslidmaatschap beïnvloedt hiermee het zelfconcept en de eigenwaarde. Relatief kleine groepen hebben de grootste effecten op de gevoelens van hun leden.
  • Mensen vinden in-group leden aardig en behandelen hen op een eerlijke manier, omdat ze hen zien als gelijkwaardig in hun doelen en interesses. Je ziet ze wel als variabeler dan out-group leden. Het “out-group homogeneity effect” daarentegen houdt in dat je out-group leden allemaal over één kam scheert. Afhankelijk van hoe bedreigend ze zijn voor de in-group, vindt je hen minder aardig en discrimineer je hen. Wanneer de out-group slechts een klein beetje verschilt van de in-group, vind je hen slechts iets minder aardig. Dit effect vindt al plaats in een minimale inter-groep situatie. De sociale identiteitstheorie stelt dat deze in-group bias vooral komt, doordat mensen hun eigenwaarde afleiden van hun groepslidmaatschap.
  • Wanneer er sprake is van stereotype dreiging, kan het negatieve stereotype aangaande iemands vaardigheid een zelfvervullende voorspelling worden.
  • Lid zijn van een gestigmatiseerde groep vormt automatisch een bedreiging voor de eigenwaarde. Je kunt je hier tegen beschermen door de negatieve evaluatie(s) van anderen toe te schrijven aan vooroordelen, of door het meeste te halen uit sociale vergelijkingen met andere in-group leden. Als deze strategieën niet werken, kunnen individuele mobiliteitstrategieën worden ingezet. Soms worden sociale creativiteitstrategieën toegepast. Ten slotte kan geprobeerd worden om sociale verandering te bewerkstelligen door de sociale competitie aan te gaan.

Hoofdstuk 7

  • Impliciete attitudes kunnen verschillen van expliciete attitudes.
  • Mensen gebruiken attitudes omdat ze nuttig zijn. Zo kunnen attitudes helpen in de behoefte aan beheersing. Dit gebeurt via kennis en instrumentele functies, via de sociale identiteit en via impressie management functies.
  • Mensen combineren alle belangrijke en toegankelijke positieve en negatieve stukjes informatie (cognitief, affectief en gedragsmatig) om zo een attitude te vormen. Deze combinatie bepaalt de waarde (positief of negatief) en intensiteit van de attitude en kan een sterke of ambivalente attitude creëren.
  • Wanneer mensen te maken krijgen met overtuigende boodschappen, besteden ze hier vaak weinig aandacht aan. Door oppervlakkige kenmerken van de boodschap kan een attitudeverandering worden bewerkstelligd. Denk hierbij aan evaluatieve conditionering, het “mere exposure effect”, en overtuigingsheuristieken.
  • Wanneer mensen wel zorgvuldig nadenken over overtuigende boodschappen, is het de systematische (en niet de oppervlakkige) verwerking die de attitudeverandering teweeg kan brengen. Denk hierbij aan metacognitie. Een attitudeverandering die zo tot stand komt is vervolgens moeilijker te veranderen dan een attitudeverandering ten gevolge van oppervlakkige verwerking.
  • Volgens meerdere theorieën, waaronder het “elaboration likelihood model” (ELM), zijn mensen alleen geneigd om informatie systematisch te verwerken wanneer ze zowel de motivatie als de cognitieve capaciteit bezitten om dit te doen. De motivatie is hoog wanneer de boodschap persoonlijke relevantie heeft. De cognitieve capaciteit is beschikbaar wanneer mensen de vaardigheid beschikken tot systematisch verwerken en niet worden afgeleid.
  • Boodschappen die passen bij iemand zijn motivatie en capaciteit zijn het meest overtuigend. Vaak gebruiken mensen een combinatie van oppervlakkige en systematische verwerking, wat zorgt voor een interessante wisselwerking tussen cues en inhoud.
  • Mensen beschermen hun attitudes door inconsistente informatie te negeren, herinterpreteren of weerstaan. Het is makkelijker om overtuigende boodschappen te weerstaan als je eerder te maken hebt gehad met dergelijke argumenten, en/of van tevoren gewaarschuwd bent. Veel mensen overschatten hun vaardigheid om overtuigende boodschappen te kunnen weerstaan.

Hoofdstuk 8

  • Gedrag is een belangrijk deel informatie waarop mensen hun attitudes baseren. Wanneer gedrag verandert, kunnen attitudes ook veranderen. Wanneer er oppervlakkig wordt verwerkt (en het mensen dus ontbreekt aan de motivatie of capaciteit) kunnen attitudes worden gebaseerd op associaties met acties, of conclusies van acties. Denk hierbij aan de “voet-tussen-de-deur” techniek.
  • Wanneer vrijwillig gekozen acties in strijd zijn met belangrijke attitudes, ontstaat er cognitieve dissonantie. Deze dissonantie kan ertoe leiden dat je acties onderneemt om je attitude weer te laten overeenkomen met het gedrag. Denk hierbij aan het “onvoldoende rechtvaardiging” effect, het “effort justification” effect, of het “post-decisional regret” effect. Dit soort attitudeverandering vereist systematische verwerking, maar is wel langdurig van aard.
  • Attitudes kunnen direct invloed hebben op gedrag. Attitudes kunnen percepties vertekenen, waarbij attitudeconsistente informatie sneller opgemerkt wordt en attitudeconsistent gedrag waarschijnlijker wordt. Via intenties kunnen attitudes ook indirect invloed uitoefenen op het gedrag.
  • Attitudes zullen eerder invloed uitoefenen op het gedrag wanneer de attitude toegankelijk is en wanneer deze sterk correspondeert met het gedrag (de juiste attitude op het juiste moment). De toegankelijkheid kan verhoogd worden door zorgvuldige overweging, zelfbewustzijn, of frequent gebruik.
  • Impliciete attitudes voorspellen ongecontroleerde gedragingen beter, terwijl expliciete attitudes gecontroleerd gedrag beter voorspellen.
  • Soms zijn attitudes niet genoeg om het gedrag te sturen. Het gedrag zal eerder attitudes representeren wanneer mensen geloven dat ze controle hebben over hun gedrag.

Hoofdstuk 9

  • Door interactie en communicatie tussen groepsleden gaan hun gedachtes, gevoelens en gedragingen steeds meer op elkaar lijken.
  • Er zijn twee types sociale normen: “descriptive” normen en “injunctive” normen.
  • Conformiteit gebeurt voornamelijk vanwege twee redenen: omdat mensen geloven dat de groep gelijk heeft, en omdat ze willen dat de groep hen accepteert/goedkeurt. Meestal is er sprake van privéconformiteit aan groepsnormen. Soms is er echter sprake van enkel publiekelijke conformiteit.
  • Privéconformiteit vindt plaats omdat we verwachten dat we de wereld op dezelfde manier zien als anderen (denk aan het “false consensus effect”). Dit geeft ons zekerheid.
  • Een groep kan informationele invloed hebben en/of normatieve invloed.
  • Mensen zijn geneigd om het eens te zijn met referentiegroepen.
  • Bij groepsdiscussies is er vaak sprake van groepspolarisatie. Soms is oppervlakkige verwerking hier verantwoordelijk voor. Wanneer mensen systematisch verwerken, werken de posities en argumenten van de anderen samen om zo de groepsnorm te polariseren.
  • Meerderheidsargumenten zijn vaak meer in aantal, worden meer besproken, lijken overtuigender, en worden overtuigender gebracht. Hierdoor is de positie van de meerderheid vaak overtuigender.
  • Soms wordt een consensus niet valide bereikt. Dit is het geval wanneer er sprake is van afhankelijkheid van andermans standpunten, vervuiling van de consensus door gedeelde biases, en/of publiekelijke conformiteit. Pluralistische onwetendheid kan het gevolg zijn. Wanneer deze factoren omzeild worden, werken de behoefte aan beheersing en verbondenheid samen om wel een valide consensus te bereiken.
  • Groepsdenken kan vermeden worden door ervoor te zorgen dat 1) alternatieven niet zomaar van tafel worden geschoven, 2) door onafhankelijk te zijn van andermans posities, en 3) door privéconformiteit.
  • Om een minderheidsboodschap overtuigend te laten zijn, moet de minderheid een alternatieve consensus opperen, consistent blijven, een goede balans vinden tussen gelijkenissen en verschillen in vergelijking tot de meerderheid, en systematische verwerking stimuleren.
  • Meerder- en minderheidsgroepen beïnvloeden elkaar via dezelfde processen. Beiden kunnen voldoen aan de behoefte aan beheersing en verbondenheid, beiden kunnen een heuristische of systematische verwerking van het bewijs bevorderen, en beiden kunnen publiekelijke conformiteit of privéconformiteit bewerkstelligen.
  • De beste manier om een consensus te bereiken is door normen te bevorderen waarbij kritisch groepsdenken centraal staat.

Hoofdstuk 10

  • Normen moeten geactiveerd zijn voordat ze gedrag kunnen sturen. Ze kunnen geactiveerd worden door directe reminders, cues uit de omgeving, of observaties van andermans gedrag. In het geval van deindividualisatie zijn het vooral de groepsnormen die snel worden geactiveerd.
  • Eén van de meest voorkomende sociale normen is de norm van wederkerigheid. Aangezien het maken van concessies hier ook onder valt, verklaart dit deels de effectiviteit van de “voet-tussen-de-deur” strategie. Een andere veelvoorkomende sociale norm is de norm van sociale wederkerigheid. Deze maakt mensen vooral gevoelig voor de “low-ball” techniek.
  • De norm van gehoorzaamheid aan autoriteiten is het best bekend in het kader van Milgram’s studie uit 1961.
  • Attitudes en normen werken normaliter samen om zo gedrag te kunnen beïnvloeden. Welke van de twee meer invloed heeft hangt af van hun relatieve toegankelijkheid.

Hoofdstuk 11

  • Opwinding (“arousal”) door de aanwezigheid van anderen kan de prestatie positief of negatief beïnvloeden. Wanneer het makkelijk, goed getraind gedrag betreft, leidt de aanwezigheid van anderen vaak tot een verbetering van de prestatie. Wanneer het een ongeoefende taak of een complexe taak betreft, wordt de prestatie negatief beïnvloed door andermans aanwezigheid. Dit patroon heet de sociale facilitatie.
  • De opwinding is het gevolg van twee mogelijke oorzaken: we worden geëvalueerd door anderen, of we worden door hen afgeleid.
  • Leden binnen face-to-face groepen delen zowel taak inter-afhankelijkheid als sociale inter-afhankelijkheid. Zulke groepen gaan vaak door meerdere fases in hun relatie.
  • Om doelen te bereiken moeten groepen hun motivatie behouden en gecoördineerd blijven. “Social loafing” moet ontweken worden. Communicatie binnen de groep en gedeelde emoties kunnen de groepsprestatie beïnvloeden. Het ontwikkelen van een gedeelde sociale identiteit is waarschijnlijk het belangrijkste. Soms kan het tegenovergestelde van “social loafing” plaatsvinden: sociale compensatie.
  • Effectief leiderschap verbetert de taakprestatie en behoudt de sociale inter-afhankelijkheid. De manieren waarop leiders dit doen verschilt van situatie tot situatie. Denk hierbij aan de “contingency theories of leadership”.
  • Soms zorgt stereotyperend denken ervoor dat de beste leiders in een groep niet als leider aangewezen worden.

Hoofdstuk 12

  • Het nadeel bij het bestuderen van aantrekkingskracht, relaties en liefde, is dat dit onderzocht moet worden in niet-experimentele onderzoeken, waardoor er ambiguïteit blijft bestaan over de causale relaties tussen variabelen. Ook hebben de meeste studies zich gefocust op romantische relaties tussen (jonge) heteroseksuele stelletjes in individualistische culturen.
  • Onze perceptie van fysieke aantrekkelijkheid, die ons signalen afgeven van genetische gezondheid en toegang tot bronnen, is behoorlijk overeenkomstig tussen culturen. Andere kenmerken die mensen aantrekkelijker maken zijn afhankelijk van ervaring, blootstelling en verwachtingen.
  • Gelijkenissen kunnen de aantrekkingskracht versterken. Mensen voelen zich ook aangetrokken tot degenen met wie ze positieve interacties hebben. Interacties maken mensen vertrouwt, bieden mogelijkheden tot nabootsing en aanpassing en helpen mensen in het voldoen aan zowel hun behoefte aan beheersing als verbondenheid.
  • De meeste relaties beginnen als uitwisselingsrelaties. Zelfonthullingen bieden de mogelijkheid tot sympathieke, steunende reacties. In een hechte relatie is er sprake van inter-afhankelijkheid op zowel cognitief, gedragsmatig en affectief niveau. De gedragsmatige inter-afhankelijkheid uit zich in de omslag van een uitwisselingsrelatie naar een gemeenschappelijke relatie.
  • Intimiteit en toewijding zijn belangrijke kenmerken die de relatie in stand houden.
  • Mensen hebben verschillende hechtingstijlen die invloed hebben op hun hechte relaties.
  • De sociale context van een romantische relatie, vooral of het voor korte of lange duur is, bepaalt de kwaliteiten die mensen zoeken in hun sekspartner. Net als andere plezierige gezamenlijke activiteit kan seks een relatie versterken, maar het kan ook een onderwerp van conflict zijn.
  • Relaties kunnen bedreigd worden, omdat inter-afhankelijkheid onvermijdelijk leidt tot conflicten, en omdat externe factoren, sociale normen en de werkelijke of waargenomen aanwezigheid van rivalen problemen kunnen opleveren. Mensen hebben verschillende patronen van accommodatie in hoe ze omgaan met conflicten of negatief gedrag van een partner.
  • Er zijn veel bronnen die constructieve accommodaties promoten, waaronder een veilige hechtingsstijl, een grote mate van toewijding, idealisatie van de partner, en positieve overtuigingen over de relatie.

Hoofdstuk 13

  • Agressie is vaak het gevolg van conflicten of onverenigbare doelen. Er zijn twee typen agressie: vijandige agressie en instrumentale agressie.
  • Agressie kan moeilijk experimenteel te onderzoeken zijn, omdat mensen zich vaak niet agressief willen gedragen wanneer ze geobserveerd worden. Onderzoekers gebruiken verschillende technieken om dit probleem te omzeilen.
  • Veel factoren kunnen aanzetten tot agressie. Soms is een behoefte aan beheersing de reden tot agressie. Potentiële beloningen maken dit type agressie waarschijnlijker, terwijl kosten of risico’s het onwaarschijnlijker maken. Soms is een waargenomen provocatie zoals een bedreiging aan de eigenwaarde of bedreiging van verbondenheid een trigger. Denk ook aan de frustratie-agressie theorie. Ook normen, het zien van agressief gedrag bij anderen en cues die de toegankelijkheid van agressie gerelateerde gedachtes promoten, kunnen agressie waarschijnlijker maken.
  • Groepen zijn over het algemeen competitiever en agressiever dan individuen.
  • Groepsconflicten komen vaak door strijd voor materiële bronnen (volgens de realistische conflict theorie) of sociale beloningen (zoals respect en eigenwaarde).
  • Groepen in conflict hechten vaak veel meer belang aan sociale beloningen dan aan materiële beloningen.
  • Volgens de relatieve deprivatie theorie gebruiken zowel individuen als groepen sociale vergelijkingen om acceptabele niveaus van bronnen te bepalen,.
  • Als het conflict verder escaleert is de kans groot op “reactieve devaluatie” op voorstellen van de out-group.
  • Het verminderen van agressie en conflict kan onder andere door het promoten van niet-agressie gerelateerde normen, het minimaliseren of verwijderen van cues die agressie promoten, en het bevorderen van een zorgvuldige interpretatie van (en identificatie met) anderen.
  • Het bereiken van een oplossing door middel van onderhandeling vereist wederzijds begrip en vertrouwen. Wanneer de discussie niet productief is, door bijvoorbeeld cultuurverschillen, kan een derde partij worden ingeschakeld.
  • Conflictoplossing kan ook bevorderd worden door groepen te laten samenwerken in het bereiken van “superordinate” doelen.
  • Onder de juiste omstandigheden kan conflict verminderd worden door samenwerkende inter-groep interactie.

Hoofdstuk 14

  • Gedrag wat bedoeld is om iemand anders te helpen kan verschillende vormen aannemen (bijvoorbeeld helpen, maar ook samenwerking).
  • Prosociaal gedrag kent meerdere motieven, zoals altruïsme of egoïsme.
  • Het bieden van hulp is vooral afhankelijk van de mate waarin de hulpgever de ander als hulpbehoeftig ziet (de hulp is nodig) en/of als hulp verdienend. Bij deze laatste zijn mensen eerder geneigd om mensen te helpen die zelf niet verantwoordelijk zijn voor hun leed, en die dus de hulp verdienen.
  • De vaardigheid en motivatie om aandacht te besteden aan iemand zijn/haar behoeftes beïnvloedt de perceptie of de hulp wel nodig is.
  • Soms helpen mensen omdat sociale normen of het gedrag van anderen hen doet denken dat helpen het juiste is om te doen. Echter, de aanwezigheid van andere potentiële helpers kan leiden tot een diffusie van verantwoordelijkheid. Terwijl sommige normen hulpgedrag tegenwerken, zijn andere normen, zoals de norm van sociale verantwoordelijkheid, juist pro- hulpgedrag.
  • Evolutionaire principes suggereren dat sommige vormen van hulpgedrag, zoals wederkerig hulpgedrag of het helpen van eigen nageslacht, natuurlijk geselecteerd zijn omdat ze de kans op overleving vergroten. Bij mensen zijn er echter cognitieve en sociale processen die dergelijke biologische driften beïnvloeden.
  • Hulpgedrag kan bevorderd worden wanneer de helper potentiële beloningen waarneemt, maar kan ook de kop ingedrukt worden wanneer er risico’s of kosten zijn verbonden aan het hulpgedrag. Dergelijke beloningen en risico’s kunnen ook emotioneel van aard zijn.
  • Twee theorieën die dieper ingaan op het waarom (mensen hulpgedrag vertonen) zijn het “negative-state relief” model en het “empathy-altruism” model.
Sluit je aan bij JoHo om te kunnen inloggen en gebruik te maken van de tools en teksten
 

Aansluiten bij JoHo als abonnee of donateur

The world of JoHo footer met landenkaart

    Aansluiten bij JoHo met een JoHo abonnement

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

     of met een JoHo donateurschap

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Aanmelden & Aansluiten bij JoHo 

    Crossroad: Volgen uit de selectie

    JoHo & Partnernieuws

    Partners: verzekering kiezen
     
    Regel jij via JoHo je reis- of zorgverzekering bij een duurzame of gespecialiseerde partner?
     
     
     
     

    JoHo: chapters begrijpen

    Hoe werkt een JoHo Chapter?

     

    Wat vind je op een JoHo Chapter pagina

    •   JoHo Chapters zijn tekstblokken en hoofdstukken rond een specifieke vraag of een deelonderwerp

    Crossroad: volgen

    • Via een beperkt aantal geselecteerde webpagina's kan je verder reizen op de JoHo website

    Crossroad: kiezen

    • Via alle aan het chapter verbonden webpagina's kan je verder lezen in een volgend hoofdstuk of tekstonderdeel.

    Footprints: bewaren

    • Je kunt deze pagina bewaren in je persoonlijke lijsten zoals: je eigen paginabundel, je to-do-list, je checklist of bijvoorbeeld je meeneem(pack)lijst. Je vindt jouw persoonlijke  lijsten onderaan vrijwel elke webpagina of op je userpage
    • Dit is een service voor JoHo donateurs en abonnees.

    Abonnement: nemen

    • Hier kun je naar de pagina om je aan te sluiten bij JoHo, JoHo te steunen en zelf en volledig gebruik te kunnen maken van alle teksten en tools.

    Abonnement: checken

    • Hier vind je wat jouw status is als JoHo donateur of abonnee

    Aantekeningen: maken

    • Dit is een service voor wie bij JoHo is aangesloten. Je kunt zelf online aantekeningen maken en bewaren, je eigen antwoorden geven op tests, of bijvoorbeeld checklists samenstellen.
    • De aantekeningen verschijnen direct op de pagina en zijn alleen voor jou zichtbaar
    • De aantekeningen zijn zichtbaar op de betrokken webpagine en op je eigen userpage.

    Prints: maken

    • Dit is een service voor wie bij JoHo is aangesloten.  Wil je een tekst overzichtelijk printen, gebruik dan deze knop.
    JoHo: footprint achterlaten