Staatsrecht I - B1 - Rechten - RUG - Oefenbundel

  Bundel

Sluit je aan bij JoHo om te kunnen inloggen en gebruik te maken van de tools en teksten
 

Aansluiten bij JoHo als abonnee of donateur

The world of JoHo footer met landenkaart

    Aansluiten bij JoHo met een JoHo abonnement

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

     of met een JoHo donateurschap

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Aanmelden & Aansluiten bij JoHo 

    De items van deze bundel
    Staatsrecht I - B1 - Rechten - RUG - Tentamen - voorjaar - 2014-2015

    Staatsrecht I - B1 - Rechten - RUG - Tentamen - voorjaar - 2014-2015

    Oefententamen 1  (voorjaar - 2014-2015)

    Wetgeving

    1 Hoe kan staatsrechtelijk gezien worden bewerkstelligd dat in Nederland een correctief wetgevingsreferendum wordt ingevoerd?


     

      1. Het volk kan dat zelf bij referendum bewerkstelligen;

      2. De Kamers kunnen dat bewerkstelligen door het correctief wetgevingsreferendum in hun Reglementen van Orde vast te leggen;

      3. Regering en Staten Generaal kunnen dat bewerkstelligen bij wet in formele zin;

      4. Alleen de Grondwetgever kan dat bewerkstelligen.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 8, paragraaf 9, pagina 146-147


     

    2 Welke functie vervullen vaste commissies van de Tweede Kamer?


     

      1. Zij zijn belast met de afhandeling en uitvoering van de besluiten die de Tweede Kamer plenair heeft genomen;

      2. Zij zijn belast met de voorbereiding van besluiten die door de Tweede Kamer plenair worden genomen;

      3. Zij besluiten namens de Tweede Kamer over alle aangelegenheden die betrekking hebben op het beleidsterrein van een individuele minister;

      4. Zij ondersteunen de minister in de verdediging van zijn beleid in de Tweede Kamer.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 8, paragraaf 5, pagina 14


     


     

    3 Kan een voorstel van wet dat door een lid van de Tweede Kamer aanhangig is gemaakt en dat tijdens de behandeling in de Eerste Kamer op grote politieke bezwaren stuit, worden ingetrokken om verwerping te voorkomen?


     

      1. Nee, dat is alleen mogelijk zolang het niet door de Tweede Kamer is aangenomen;

      2. Ja, maar alleen door de Tweede Kamer;

      3. Ja, maar alleen door degene die het voorstel aanhangig heeft gemaakt;

      4. Ja, zowel door de regering als door degene die het voorstel aanhangig heeft gemaakt.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 8, paragraaf 6, pagina 142-143


     

    4Is de regering bevoegd bij AMvB regels te stellen waarmee het strafrechtelijk verboden wordt om elektriciteit aan het net te onttrekken voor het opladen van auto’s?


     

      1. Nee, want de regering is een bestuursorgaan en dus nooit tot regelstelling bevoegd;

      2. Nee, het maken van dergelijke voorschriften is op grond van art. 89 lid 2 Grondwet voorbehouden aan de wetgever, die de bevoegdheid daartoe ook niet kan delegeren aan de regering;

      3. Ja, onder de voorwaarde dat de wetgever die bevoegdheid aan de regering heeft gedelegeerd;

      4. Ja, want de regering kan, net als de formele wetgever, zelf bepalen in welke gevallen zij overgaat tot het stellen van dergelijke regels.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 8, paragraaf 14, pagina 152


     

    5 Uit jurisprudentie blijkt dat algemeen verbindende voorschriften:


     

      1. voor zover vastgelegd bij wet in formele zin, door de rechter kunnen worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen;

      2. tenzij vastgelegd bij wet in formele zin, door de rechter kunnen worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen;

      3. voor zover vastgelegd bij wet in formele zin, niet door de wetgever kunnen worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen;

      4. voor zover vastgelegd bij wet in formele zin, niet door de rechter kunnen worden getoetst aan een ieder verbindende verdragsbepalingen.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 8, paragraaf 3, pagina 135-136


     


     

    6 Een van de voorwaarden die art. 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt aan beperking van de vrijheid van meningsuiting is dat de beperking ‘bij de wet voorzien’ moet zijn. Voldoet een algemene maatregel van bestuur (amvb) aan dat criterium?


     

      1. Ja, het begrip ‘wet’ heeft hier een ruimere betekenis dan alleen ‘wet in formele zin’;

      2. Ja, voor zover de amvb gebaseerd is op een wet in formele zin;

      3. Nee, tenzij de amvb voldoende duidelijk voor burgers is;

      4. Nee, alleen regelingen die door, of in samenspraak met een volksvertegenwoordiging zijn vastgesteld voldoen aan dit criterium.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 8 paragraaf 14, pagina 152


     


     

    7 Een burger meent dat het Nederlandse belastingstelsel drastisch veranderd moet worden. Na daartoe voldoende handtekeningen verzameld te hebben en aan de overige vormvoorschriften te hebben voldaan, dient hij een burgerinitiatief in bij de Tweede Kamer. Wat is rechtens?


     

      1. De Tweede Kamer moet het door het burgerinitiatief aanhangig gemaakte wetsvoorstel behandelen;

      2. Er moet een referendum over het voorstel worden gehouden;

      3. De Tweede Kamer moet beslissen of zij over dit onderwerp een parlementaire enquête zal houden;

      4. De Tweede Kamer hoeft initiatief niet inhoudelijk te behandelen.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 8, paragraaf 9, pagina 147


     


     

    De grondrechten

    8 De gemeenteraad van Delfzijl heeft een verordening vastgesteld die het strafbaar stelt om in het openbaar religieuze uitingen te doen. De geldigheid van de verordening komt vervolgens in een procedure bij de rechter aan de orde. Daarbij wordt o.a. gesteld dat de verordening in strijd is met de bepalingen van de Grondwet en het EVRM. Welke van de onderstaande beweringen is juist?


     

      1. De rechter kan de verordening op grond van art. 120 Gw niet toetsen aan de Grondwet en zal de verordening daarom in stand laten;

      2. De rechter kan de verordening op grond van art. 120 Gw niet toetsen aan de Grondwet en zal de verordening daarom op grond van art. 9 EVRM buiten toepassing laten;

      3. De rechter zal op grond van grondrechtelijke bepalingen van de Gw de verordening onverbindend verklaren wegens strijdigheid met onder meer art. 6 Gw;

      4. De rechter zal de verordening onverbindend verklaren, omdat de gemeenteraad niet bevoegd is om verordeningen door straffen te handhaven vast te stellen.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 14, paragraaf 7, pagina 265


     

    9 Een burger is gerechtigd een beroep te doen op het Europees Hof voor de Rechten

    van de Mens (EHRM) als onder meer voldaan is aan de voorwaarde dat:


     

      1. de burger zijn klacht eerst ter kennis heeft gebracht van het comité van ministers;

      2. het gaat om een rechtszaak die bij een nationale rechter aanhangig is, waarin de uitleg van het Europese grondrecht beslissend kan zijn voor de uitkomst;

      3. het grondrecht waarop hij een beroep doet eenieder verbindend is in de zin van art. 94 Grondwet;

      1. de burger eerst alle nationale rechtsmiddelen heeft aangewend en zijn klacht binnen zes maanden na de definitieve nationale beslissing heeft ingediend.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 14, paragraaf 3, pagina 256


     


     

    10 De wetgever stelt een Nieuwe Mediawet vast. Daarin wordt onder meer bepaald dat het Rijkscommissariaat voor de Media programma’s die bedoeld zijn voor uitzending op televisie van te voren screent. Uitsluitend live-uitzendingen mogen achteraf door het Rijkscommissariaat worden beoordeeld. Tot slot wordt geregeld dat het Rijkscommissariaat uitzending van een programma kan verbieden indien dat een aantasting vormt van de goede zeden of wanneer er in het programma strafbare feiten worden gepleegd, zoals het oproepen tot terroristische misdrijven. Is de Nieuwe Mediawet in overeenstemming met art. 7 Grondwet?


     

      1. Ja;

      2. Nee, toezicht door de overheid ter bescherming van de goede zeden in televisieprogramma’s is vooraf noch achteraf toegestaan;

      3. Nee, het is in strijd met de Grondwet om strafrechtelijke sancties te verbinden aan uitzending van televisieprogramma’s;

      4. Nee, de verplichte screening van televisieprogramma’s voorafgaand aan hun uitzending is in strijd met de Grondwet.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 14, paragraaf 8, pagina 281


     

    11 Ieder jaar voert de punnikvereniging van Weststellingwerf actie onder de noemer ‘Weerbaar Weststellingwerf’. Een week lang worden aan het begin en einde van een lokale winkelstraat demonstraties gehouden. Omdat de lokale winkeliers ieder jaar enorme verliezen lijden als gevolg van de actie besluit de burgemeester deze te verbieden, met het oog op de lokale economie. Is dit verbod in overeenstemming met de wet en de Grondwet?


     

      1. Ja, voorzover het verbod noodzakelijk is voor de bescherming van het belang van de lokale economie;

      2. Ja, voorzover het verbod geen betrekking heeft op de inhoud van de betoging;

      3. Nee, alleen de gemeenteraad kan een dergelijk verbod uitvaardigen;

      4. Nee, naar nationaal recht mag een verbod van een demonstratie niet worden gegeven ter bescherming van de lokale economie.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 14, paragraaf 8, pagina 290


     


     

    12 Een burger klaagt zijn buurman aan wegens schade aan zijn woning. In het daarop volgende proces wordt hij door de burgerlijke rechter evenwel in het ongelijk gesteld. Daarop meent de burger dat hij geen eerlijk proces in de zin van art. 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) heeft gehad. Onder meer zou de redelijke termijn zijn overschreden en zou informatie ten onrechte niet beschikbaar zijn gesteld. Is art. 6 EVRM op zijn rechtszaak van toepassing?


     


     

    1. Nee, art. 6 EVRM laat immers beperkingen van het recht op een eerlijk proces toe;

    2. Nee, art. 6 EVRM ziet niet op rechtszaken tussen burgers onderling;

    3. Ja, de staat moet ook in dit type rechtszaken tussen burgers onderling een eerlijk proces garanderen;

    4. Ja, de burger kan zijn buurman uiteindelijk voor het Europese Hof voor de Rechten van de Mens dagen.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 14, paragraaf 8, pagina 303


     

    13 De Rooms-Katholieke kerk vereist een strikt celibatair bestaan van de eigen priesters, hetgeen tot gevolg heeft dat gehuwde mannen de priesteropleiding niet kunnen volgen. Johan Reinders, Rooms-Katholiek in hart en nieren, is gehuwd en wil alsnog tot de Rooms-Katholieke priesteropleiding worden toegelaten. Kan hij met succes een beroep doen op de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb)?


     

      1. Ja, er is sprake van een verboden vorm van direct onderscheid in de zin van art 1 lid 1 sub b Awgb;

      1. Ja, onderscheid is uit kracht van art. 5 lid 1 sub f Awgb verboden bij het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding;

      2. Nee, de Awgb is niet van toepassing op rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen, noch het geestelijk ambt;

      3. Nee, ingevolge art. 5 lid 2 sub a Awgb kan de Rooms-Katholieke kerk eisen stellen aan de vervulling van een functie als priesterschap.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 14, paragraaf 8, pagina 272


     

    Decentralisatie (algemeen)

    14 Welke van de volgende staatsfuncties kent geen vorm van decentralisatie?


     

      1. Regelstelling;

      2. Bestuur;

      3. Belastingheffing;

      4. Rechtspraak.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 15, paragraaf 2, pagina 314

    15 Wanneer is volgens het boek in de verhouding tussen een lagere en een hogere regeling sprake van hetzelfde ‘onderwerp’ als bedoeld in de artikelen 121 en 122 Gemeentewet?


     

      1. Indien de geregelde materie zich richt op het publieke domein van de gemeente;

      2. Indien de geregelde materie overeen komt, maar het motief achter de regelingen verschilt;

      3. Indien zowel de geregelde materie als het achterliggende motief overeen komen;

      4. Indien beide regelingen dezelfde terminologie hanteren.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 15, paragraaf 7, pagina 321


     

    16De ‘Algemene Uitkering’ uit het Gemeentefonds als bedoeld in de Financiële Verhoudingswet is voor gemeentebesturen:


     

      1. vrij besteedbaar nadat gedeputeerde staten aan deze uitkering hun goedkeuring hebben verleend;

      2. geoormerkt volgens de in de uitkering genoemde verdeelmaatstaven;

      3. vrij besteedbaar, mits de begroting sluitend is;

      4. vrij besteedbaar, mits de lokale belastingcapaciteit volledig wordt benut.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 15, paragraaf 18, pagina 322-323


     

    Het begrip staat en historische ontwikkeling

    17 Het werk van Machiavelli kan beschouwd worden als een voorbeeld van de veranderingen in het politieke denken in de 16e eeuw. Dat komt omdat hij een van de eerste politieke denkers was die:


     

      1. de nadruk legt op de persoonlijke gezagsaanspraken van de vorst;

      2. een beroep doet op de goddelijke rechtvaardiging van het vorstengezag;

      3. het gezag van de vorst abstraheert van diens persoonlijke aanspraken daarop;

      4. een beroep doet op de klassieke oudheid ter rechtvaardiging van de gezagsaanspraken van de vorst.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 1, paragraaf 1, pagina 5


     

    18 De theorie van het maatschappelijk verdrag, zoals onder meer door Rousseau verdedigd, beoogt een oplossing te bieden voor de permanente spanning tussen:


     

      1. de bescherming van persoonlijke vrijheid en de noodzaak van overheidsdwang;

      2. de bescherming van de persoonlijke vrijheid en het respecteren van familieverbanden waarvan burgers deel uit maken;

      3. individuele gewetensvrijheid en de noodzaak van religieuze dwang door de staat;

      4. de bescherming van individuele vrijheid en de onvermijdelijkheid van slavernij.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 1, paragraaf 1, pagina 5


     


     

    19 Het land Excellentia kent een centraal overheidsgezag en vier bij de wet ingestelde regio’s. De regio’s krijgen van de centrale wetgever ten aanzien van zeer veel onderwerpen bevoegdheden tot wetgeving en bestuur overgedragen. Wel bestaat op de uitoefening van deze bevoegdheden repressief toezicht vanwege het centrale gezag. Excellentia moet worden beschouwd als een:


     

      1. federale staat;

      2. confederale staat;

      3. federale eenheidsstaat;

      4. gedecentraliseerde eenheidsstaat.


    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 1, paragraaf 4, pagina 18-19


     

    De Staten-Generaal

    20 Ten behoeve van verkiezingen van de Tweede Kamer is Nederland verdeeld in kieskringen. De uitslagen van alle stembureaus binnen een kieskring:


     

      1. bepalen het aantal zetels dat een partij namens de betreffende kieskring in de Tweede Kamer zal kunnen bezetten;

      2. bepalen welke kandidaten namens de betreffende kieskring in het orgaan waarvoor verkiezingen werden gehouden, een zetel zullen bezetten;

      3. worden bij de uitslagen van andere kieskringen opgeteld om te bepalen hoeveel zetels in totaal beschikbaar zullen zijn om te worden verdeeld over de verschillende deelnemende lijsten;

      4. worden bij de uitslagen van andere kieskringen opgeteld om te bepalen welk aandeel van de beschikbare zetels zal worden toegedeeld aan de verschillende deelnemende lijsten.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 5, paragraaf 6, pagina 78


     


     

    21 François Allemagne, een Algerijns staatsburger, heeft van 2007 tot en met 2011 rechtmatig verblijf in Nederland gehad. Na in het gehele jaar 2012 zijn verblijf in Algerije te hebben gehad, is hij op 1 januari 2013 teruggekeerd in Nederland. Hij heeft vanaf dat moment weer rechtmatig verblijf in Nederland gehad. Heeft hij actief en/of passief kiesrecht in de Nederlandse gemeente waarin hij verblijft als er op 15 maart 2015 gemeenteraadsverkiezingen worden gehouden? Voor die verkiezingen heeft François:


     

      1. actief noch passief kiesrecht;

      2. wel actief kiesrecht maar geen passief kiesrecht;

      3. wel passief kiesrecht maar geen actief kiesrecht;

      4. zowel actief als passief kiesrecht.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 5, paragraaf 3 en 4, pagina 74


     

    22 In antwoord op vragen van de Tweede Kamer geeft de minister van Veiligheid en Justitie schriftelijk inlichtingen over een verdachte van een strafbaar feit. In dit antwoord betitelt de minister de verdachte als "de grootste schurk van Nederland" en "iemand die de hoogste minachting verdient". De betrokkene voelt zich in zijn eer en goede naam aangetast en doet aangifte tegen de minister vanwege belediging. Kan vervolging tegen de minister worden ingesteld?


     

      1. Ja, want de vrijheid van meningsuiting van de minister wordt beperkt door diens verantwoordelijkheid volgens de wet;

      2. Ja, mits de opdracht tot vervolging op grond van art. 119 Grondwet wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij besluit van de Tweede Kamer;

      3. Ja, want de grondwettelijk gegarandeerde parlementaire onschendbaarheid geldt niet voor dergelijke schriftelijke kwalificaties;

      4. Nee, want de minister geniet voor zijn uitlatingen een grondwettelijk gegarandeerde parlementaire onschendbaarheid.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 5, paragraaf 2, pagina 73


     

    Financiën en buitenlands beleid

    23 De Rijksbegroting:


     

      1. wordt in de vorm van een reeks van voorstellen van wet ingediend en vastgesteld;

      2. kan tijdens de procedure van behandeling wel door de regering, maar niet door de Tweede Kamer worden gewijzigd;

      1. verplicht de regering tot het doen van de uitgaven die na vaststelling daarvan in die Rijksbegroting zijn opgenomen;

      2. machtigt de regering tot het innen van de belastingen die na vaststelling daarvan in die Rijksbegroting zijn opgenomen.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 11, paragraaf 2, pagina 190-191


     

    24 De Staten-Generaal zijn onder meer belast met de goedkeuring van verdragen. Deze goedkeuring:


     

      1. is niet vereist indien het verdrag stilzwijgend kan worden goedgekeurd;

      2. verplicht de regering het koninkrijk aan het verdrag te binden;

      3. leidt tot de definitieve vaststelling van de inhoud van het verdrag;

      4. kan stilzwijgend geschieden.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 11, paragraaf 3, pagina 196


     

    25 De regering sluit een verdrag dat bepalingen bevat die afwijken van de Grondwet. Bovendien bevat het verdrag bepalingen die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden. De regering wil het verdrag graag toepassen nog voordat het door de Staten-Generaal is goedgekeurd en voordat het in werking is getreden. Wat is in deze situatie juist?


     

      1. Voorlopige toepassing van het gehele verdrag kan plaatsvinden nadat de tekst is bekendgemaakt;

      2. Voorlopige toepassing van het gehele verdrag kan plaatsvinden nadat de tekst is bekendgemaakt en tevens is bekendgemaakt dat het verdrag voorlopig wordt toegepast;

      3. Het verdrag kan niet voorlopig worden toegepast;

      4. Het verdrag kan voorlopig worden toegepast indien en voor zover het belang van het Koninkrijk dat vordert.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 11, paragraaf 3, pagina 195


     

    Rechtsbescherming tegen de overheid

    26 De bevoegdheid van de bestuursrechter om te oordelen in een geschil waarbij een publiekrechtelijk orgaan is betrokken, is afhankelijk van:


     

      1. de hoogte van de vordering om schadevergoeding;

      2. het vermogensrecht waarin de eiser bescherming vraagt;

      3. het voorwerp van het geschil;

      4. de ontvankelijkheid van de eiser.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 13, paragraaf 6, pagina 237 t/m 239


     


     

    27 Welke bewering over administratief beroep is onjuist?


     

      1. Administratief beroep staat slechts open indien een wettelijk voorschrift dat bepaalt;

      2. Administratief beroep staat als definitieve vorm van geschilbeslechting slechts open in gevallen waarin beroep bij de bestuursrechter is uitgesloten;

      3. In administratief beroep kan niet alleen aan rechtmatigheid, maar ook aan doelmatigheid getoetst worden;

      4. Administratief beroep wordt ingesteld bij een ander orgaan dan het orgaan dat het besluit genomen heeft.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 13, paragraaf 4, pagina 230-231


     

    Decentralisatie (Provincie, gemeente en waterschap)

    28 Een gemeenteraad is na 5 jaar uitgekeken op de burgemeester en wil van hem af. Beschikt de raad over bevoegdheden om dat te realiseren?


     

      1. Nee, de burgemeester wordt benoemd en ontslagen bij Koninklijk Besluit;

      2. Nee, de beoordeling van het functioneren van de burgemeester is een exclusieve bevoegdheid van de Commissaris van de Koning, handelend als rijksorgaan;

      3. Ja, de raad is bevoegd via de Commissaris van de Koning een aanbeveling te doen om de burgemeester niet opnieuw te benoemen;

      4. Ja, de burgemeester wordt sinds de dualisering van het gemeentebestuur door de raad benoemd en ontslagen.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 16, paragraaf 12, pagina 343


     

    29 Welke grens stelt de Grondwet volgens het boek aan verdergaande dualisering van het decentraal bestuur?


     

      1. De erkenning van de lokale autonomie;

      2. De positie van de provinciale staten en de gemeenteraad als hoofd van het provincie- respectievelijk gemeentebestuur;

      3. De rechtstreekse verkiezing van de provinciale staten en de gemeenteraden;

      4. De zelfstandige belastingheffing door provincies en gemeenten.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 16, paragraaf 2, pagina 326-327


     

    De regering

    30 Tussen de staatssecretaris van Volksgezondheid en de minister van Financiën ontstaat verschil van inzicht over de te nemen maatregelen ter ontmoediging van het gebruik van tabak. Tot het geven van bindende aanwijzingen aan de staatssecretaris van Volksgezondheid is:


     

      1. de minister van Volksgezondheid bevoegd omdat zij in hiërarchische zin boven de op haar ministerie werkzame staatssecretaris is gesteld;

      2. de minister van Financiën bevoegd omdat alle ministers in hiërarchische zin boven de staatssecretarissen van de verschillende ministeries zijn gesteld;

      3. de minister-president bevoegd omdat hij verantwoordelijk is voor de eenheid van het regeringsbeleid;

      4. de minister zonder portefeuille bevoegd omdat deze minister onafhankelijk kan oordelen nu zij niet is belast met de leiding van een ministerie.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 4, paragraaf 10, pagina 67


     

    31 Is de politieke verantwoordelijkheid voor de benoeming van ministers verschoven, sinds de Tweede Kamer over de formatie de regie voert op grond van art. 139a Reglement van Orde van de Tweede Kamer?


     

      1. Nee, deze verantwoordelijkheid blijft berusten bij de minister-president van het demissionaire kabinet;

      2. Nee, deze verantwoordelijkheid blijft berusten bij de minister-president van het aantredende kabinet;

      3. Ja, deze is verschoven naar de informateur(s) en formateur(s) van het aantredende kabinet;

      4. Ja, deze is verschoven naar de Voorzitter van de Tweede Kamer.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 4, paragraaf 7, pagina 61


     

    Bestuur

    32 Het vaststellen van een inspraakverordening door de gemeenteraad kan worden gekenschetst als de uitoefening van:


     

      1. een autonome bevoegdheid;

      2. een bevoegdheid op basis van medebewind;

      3. een door de grondwetgever gedelegeerde bevoegdheid;

      4. een door de Provinciale Staten gedelegeerde bevoegdheid.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 10, paragraaf 6, pagina 182


     

    33 Naar Nederlands recht geniet een ambtenaar een minder omvattende vrijheid van meningsuiting dan andere burgers. In welke zin is een ambtenaar in deze vrijheid beperkt?


     

    1. Een ambtenaar mag enkel buiten diensttijd het overheidsbeleid bekritiseren;

    2. Een ambtenaar mag enkel in diensttijd het overheidsbeleid bekritiseren;

    3. Een ambtenaar moet zich onthouden van uitlatingen die tot gevolg hebben dat de goede vervulling van zijn functie in gevaar komt;

    4. Een ambtenaar kan zich in zijn verhouding tot de overheid niet beroepen op de vrijheid van meningsuiting.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 10, paragraaf 4, pagina 179


     


     

    De rechterlijke macht

    34. Waarom is het van belang te weten of een gerecht deel uitmaakt van de rechterlijke macht?


     

      1. Uitsluitend uitspraken van gerechten die behoren tot de rechterlijke macht zijn bindend;

      2. De Grondwet garandeert uitsluitend de onafhankelijkheid van de gerechten die behoren tot de rechterlijke macht;

      3. Geschillen waarbij publiekrechtelijke organen zijn betrokken kunnen uitsluitend worden voorgelegd aan gerechten die behoren tot de rechterlijke macht;

      4. Het zogeheten toetsingsverbod van art. 120 Grondwet geldt uitsluitend voor gerechten die behoren tot de rechterlijke macht.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 12, paragraaf 4, pagina 212


     

    De stadhouder

    35. In de Republiek der zeven verenigde Nederlanden vormde het stadhouderschap een belangrijk openbaar ambt. Wat was voorafgaand aan de totstandkoming van de Republiek de functie van deze stadhouders?


     

      1. Zij vertegenwoordigden de bevolking van de provincies bij de Staten-Generaal;

      2. Zij vertegenwoordigden de landsheer in de verschillende provincies;

      3. Zij vertegenwoordigden de steden aan het hof van de landsheer;

      4. Zij benoemden en ontsloegen de leden van de Staten-Generaal.


     

    Te vinden in Handboek van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 9, pagina 120 van de klapper


     

    Geschiedenis van de grondwet

    36. Wat was het karakter van de algehele grondwetsherziening van 1983?


     

      1. De Grondwet van 1983 was de eerste geheel nieuwe Grondwet sinds 1815;

      2. De grondwetsherziening van 1983 bracht de tekst en de systematiek van de Grondwet meer in overeenstemming met de geldende staatsrechtelijke opvattingen en de ontwikkelingen in de maatschappij en de rechtspraak;

      3. De grondwetsherziening van 1983 heeft de grondwet inhoudelijk en systematisch in overeenstemming gebracht met het in 1954 ingevoerde Statuut voor het Koninkrijk;

      4. De Grondwet van 1983 maakte een einde aan de mogelijkheid van ongeschreven constitutionele normen.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 2, paragraaf 2, pagina 24-25


     

    De motie

    37. Is een minister staatsrechtelijk gezien verplicht gevolgen te verbinden aan een motie die door de Tweede Kamer is aangenomen?


     

      1. Ja, een motie is altijd bindend voor degene tot wie de motie zich richt;

      2. Ja, mits de motie met algemene stemmen door de Tweede Kamer is aangenomen;

      3. Nee, tenzij de motie het karakter draagt van een motie van wantrouwen;

      4. Nee, want geen enkele rechtshandeling van de Tweede Kamer kan een minister tot iets verplichten.


    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 7, paragraaf 11, pagina 120


     

    De Nationale ombudsman

    38. Wie zijn belast met het doen van de voordracht, respectievelijk de benoeming van de Nationale ombudsman?


     

      1. De vice-president van de Raad van State, de president van de Hoge Raad en de president van de Algemene Rekenkamer doen een voordracht, de Tweede Kamer benoemt;

      2. De voorzitter van de Eerste Kamer doet een voordracht, de voorzitter van de Tweede Kamer benoemt;

      3. De Hoge Raad doet een voordracht, de regering benoemt;

      4. De Raad van State doet een voordracht, de Staten-Generaal benoemen.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 6, paragraaf 5 pagina 95


     

    De organen van het Koninkrijk

    39. De landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten hebben een zekere mate van zeggenschap ten aanzien van het bestuur en de wetgeving inzake voor hen relevante koninkrijksaangelegenheden. In enkele gevallen zijn de landen bevoegd een afgezant aan te wijzen die als lid van het desbetreffende orgaan aan de besluitvorming van dat orgaan kan deelnemen. Welk orgaan betreft het?


     

      1. De Staten-Generaal en de rijksministerraad;

      2. De Raad van State van het Koninkrijk en de Staten-Generaal;

      3. De Hoge Raad en de Tweede Kamer;

      4. De Raad van State van het Koninkrijk en de rijksministerraad.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 17, paragraaf 4, pagina 368


     

    De Europese Unie

    40. Op welke wijze kunnen de Staten-Generaal zeggenschap uitoefenen over bestuur en wetgeving van de Europese Unie?


     

      1. Door verantwoording te vragen aan de Raad en daarbij richtinggevende uitspraken te doen;

      2. Door gebruik te maken van de mogelijkheden die het Unierecht nationale parlementen biedt om toe te zien op de eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel;

      3. Door verantwoording te vragen aan de leden van de Commissie en daarbij richtinggevende uitspraken te doen;

      4. Door bij de parlementaire behandeling van voorstellen voor verordeningen en richtlijnen amendementen in te dienen en de vereiste instemming te onthouden.


     

    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 18, paragraaf 5, pagina 384-385

    Antwoorden op Oefententamen 1

    1. D

    2. B

    3. B

    4. C

    5. B

    6. A

    7. D

    8. C

    9. D

    10. D

    11. D

    12. C

    13. C

    14. D

    15. C

    16. C

    17. C

    18. A

    19. D

    20. D

    21. A

    22. D

    23. A

    24. D

    25. C

    26. C

    27. B

    28. C

    29. B

    30. A

    31. B

    32. A

    33. C

    34. B

    35. B

    36. B

    37. C

    38. A

    39. D

    40. B


     



     

    Staatsrecht I - B1 - Rechten - RUG - Tentamen - winter - 2014-2015

    Staatsrecht I - B1 - Rechten - RUG - Tentamen - winter - 2014-2015

    Oefententamen 2 (winter - 2014-2015)


     

    De grondrechten

    1. Wat is volgens het boek (Belinfante) kenmerkend voor de regeling van grondrechten in de Nederlandse Grondwet?

      1. De ruime toedeling van beperkingsbevoegdheden aan de wetgever;

      2. Het ontbreken van de mogelijkheid van delegatie aan lagere regelgevers met betrekking tot tal van grondrechtelijke onderwerpen;

      3. De afwijzing van het beginsel van bijzondere, tot de grondwettelijke clausulering herleidbare beperkingen op grondrechten;

      4. Het uitgangspunt dat, in geval van botsing van grondrechten, sociale grondrechten voorrang genieten op klassieke grondrechten.

      Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 14, paragraaf 3, pagina 257

      2. Diverse mensenrechtenverdragen voorzien in het toezicht op de naleving van de verdragsverplichtingen door de instelling van een onafhankelijke instantie. Welk van de onderstaande verdragen kennen de mogelijkheid van individueel klachtrecht bij zo’n toezichthoudende instantie?

      1. De Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake

      Burgerlijke en Politieke Rechten;

      1. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake

      Burgerlijke en Politieke Rechten;

      1. Het Europees Sociaal Handvest en de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens;

      2. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten.

         

      Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 14, paragraaf 3, pagina 256 en 259


       

      3. Wanneer aan een grondrecht horizontale werking wordt toegekend, leidt dit tot bescherming van:

        1. de overheid tegen burgers;

        2. burgers tegen de overheid;

        3. burgers tegen anderen dan de overheid;

        4. rechtspersonen tegen de overheid.


         

        Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 14, paragraaf 7, pagina 264

        4. De raad van de gemeente Kaag en Braasem vreest radicalisering van de lokale schakende jeugd. Daarom vaardigt hij een verordening uit waarin het de komende drie maanden verboden wordt schaaktijdschriften te verspreiden. Is dit verbod in overeenstemming met de Grondwet?

          1. Ja, indien het verbod noodzakelijk is in het licht van de openbare orde;

          2. Ja, voor zover het mogelijk blijft andere tijdschriften te verspreiden in Kaag en Braasem;

          3. Nee, tenzij het redelijkerwijs mogelijk blijft een ontheffing van het verbod te verkrijgen;

          4. Nee, dit verbod betreft de inhoud en is daarom ongrondwettig.


           

          Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 14, paragraaf 10, pagina 338

          5. Art. 7 lid 1 Grondwet onderscheidt zich in zoverre van art. 7 lid 3 Grondwet dat:

            1. lid 1 bescherming biedt aan het zogenaamde openbaringsrecht en lid 3 aan het zogenaamde verspreidingsrecht;

            2. de gemeente bij de regulering van het onder lid 1 gegarandeerde recht een rol kan spelen, hetgeen onder art. 7 lid 3 niet het geval kan zijn;

            3. lid 1 voorafgaande beperkingen ten aanzien van het gebruikte middel van verspreiding uitsluit die onder lid 3 wel mogelijk zijn;

            4. lid 1 voorafgaande beperkingen ten aanzien van het gebruikte middel van verspreiding toestaat die onder lid 3 niet mogelijk zijn.


             

            Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 14, paragraaf 4, pagina 261


             

            6. Het hippe technologiebedrijf MomCorp beoogt vooral moderne technologie aan ouderen te verkopen om zo de technologische achterstand die zij hebben op te heffen. Omdat er steeds meer jongeren in de winkels van het bedrijf kopen, vreest het dat ouderen zich er niet meer durven te vertonen. Daarom besluit het voortaan alleen nog klanten die 40 jaar of ouder zijn te bedienen, teneinde de sfeer in de winkels vriendelijk voor ouderen te houden. Wordt deze handelwijze door de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) verboden?

              1. Nee, er is hier geen sprake van een onderscheid dat door de Awgb wordt verboden;

              2. Nee, er is hier sprake van toelaatbare positieve discriminatie in de zin van art. 2 lid 3 Awgb;

              3. Nee, want de verkoop van producten door bedrijven wordt niet beschermd door de Awgb;

              4. Ja, de handelwijze is in strijd met art. 7 Awgb.

              Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 14, paragraaf 8, pagina 269-270


               

              7. De Grondwet spreekt van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Voor besluiten van volkenrechtelijke organisaties geldt dat zij:

                1. geen eenieder verbindende bepalingen kunnen bevatten;

                2. het Koninkrijk kunnen binden zonder voorafgaande goedkeuring door de Staten-Generaal;

                3. niet kunnen noodzaken tot afwijken van de Grondwet;

                4. geen voorrang kunnen hebben op nationaal-wettelijke voorschriften.

                De Staten-Generaal

                8. Bij het organiseren van verkiezingen voor volksvertegenwoordigingen kan volgens Belinfante worden gekozen tussen twee systemen, namelijk een meerderheidsstelsel en een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Het meerderheidsstelsel:

                1. leidt tot een versplinterde samenstelling van het parlement, terwijl een stelsel van evenredige vertegenwoordiging versplintering juist tegengaat;

                2. leidt tot een zetelverdeling die overeenkomt met de samenstelling van het kiezerscorps terwijl een stelsel van evenredige vertegenwoordiging kleine verschillen bij de stembus juist uitvergroot in de zetelverdeling;

                3. laat geen ruimte voor regionale spreiding van volksvertegenwoordigers terwijl een stelsel van evenredige vertegenwoordiging daarop juist is gebaseerd;

                4. maakt coalitiebesprekingen na de verkiezingen veelal overbodig, terwijl die bij evenredige vertegenwoordiging meestal noodzakelijk zullen zijn.


                 

                Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 5, paragraaf 6, pagina 76


                 

                9. Tot aan de Grondwetsherziening van 1848 werden leden van de Eerste Kamer:

                1. door de Koning benoemd en de leden van de Tweede Kamer rechtstreeks gekozen;

                2. door de Koning benoemd en leden van de Tweede Kamer gekozen door de leden van provinciale staten;

                3. rechtstreeks gekozen en leden van de Tweede Kamer door de Koning benoemd;

                4. gekozen door de leden van provinciale staten en leden van de Tweede Kamer rechtstreeks gekozen.


                 

                Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 5, paragraaf 1, pagina 70


                 

                10. Tammo Slopsema is bij de Tweede Kamer verkiezingen van maart 2015 kandidaat namens de nieuwe partij Schokkend Groningen (SG). Hij staat op de kieslijst op plaats 15. SG behaalt bij de Tweede Kamerverkiezingen in totaal 360.000 stemmen, goed voor precies 6 zetels in de Tweede Kamer. Op Tammo Slopsema worden 14.000 geldige stemmen uitgebracht, op de nummer 6 van de lijst, Omko Huts, 12.000 geldige stemmen. De vijf hoogste kandidaten hebben ieder zo’n 55.000 stemmen gekregen en alle andere kandidaten zijn bleven steken op maximaal 8.000 stemmen. Is Tammo Slopsema in de Tweede Kamer gekozen?

                1. Ja, want hij heeft de kiesdeler gehaald;

                2. Ja, want hij heeft een kwart van de kiesdeler gehaald;

                3. Ja, want hij heeft meer stemmen gehaald dan nummer 6;

                4. Nee.

                Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 5, paragraaf 6, pagina 78-88


                 

                11. Gemeenteraadslid Pijlstaart (Lokaal Eigenbelang) breekt met de fractie waarvan hij lid is. Wie beslist of hij lid van de gemeenteraad kan blijven?

                1. Pijlstaart zelf;

                2. De fractie Lokaal Eigenbelang;

                3. De gemeenteraad;

                4. De burgemeester, als voorzitter van de gemeenteraad.


                 

                Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 5, paragraaf 2, pagina 73


                 

                Decentralisatie (Provincie, gemeente en waterschap)
                12. De regering overweegt om Nederlanders die buiten Nederland wonen het actieve kiesrecht voor de Eerste Kamer te verlenen. Is hiervoor een wijziging van de Grondwet vereist?

                1. Nee;

                2. Ja, gelet op art. 4 Grondwet;

                3. Ja, gelet op art. 50 Grondwet;

                4. Ja, gelet op art. 55 Grondwet.

                Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 16, paragraaf 3, pagina 329


                 

                13. Juan Carlos de Borbon y Borbon is sinds 1 januari 2014 inwoner van de gemeente Stadskanaal. Hij heeft zowel de Mexicaanse als de Spaanse nationaliteit en voelt zich uitstekend thuis in de Veenkoloniën. Zozeer zelfs, dat hij overweegt actief te worden in de lokale politiek: bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2018 wil hij zich graag kandideren voor de gemeenteraad namens de door hem opgerichte politieke partij OS (Olé Stadskanaal). Is het voor Juan Carlos naar Nederlands recht mogelijk om zich in de raad van de gemeente Stadskanaal te laten kiezen?

                  1. Nee, want Juan Carlos is geen Nederlands staatsburger en alleen Nederlanders hebben het passief kiesrecht voor de gemeenteraden;

                  2. Ja, want Juan Carlos is vanwege zijn Spaanse nationaliteit Europees burger en heeft dus zowel het actief als het passief kiesrecht voor de gemeenteraad;

                  3. Ja, maar alleen voor een bestaande politieke partij, want als niet-Nederlander heeft hij niet het recht om een eigen politieke partij op te richten;

                  4. Nee, want hoewel Juan Carlos Europees burger is woont hij in maart 2018 nog geen vijf jaar in Nederland en mag hij het actieve en passieve kiesrecht dus nog niet uitoefenen.


                   

                  Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 16, paragraaf 10, pagina 337


                   

                  14. Wethouder Prul van de gemeente Reusel-De Mierden heeft festiviteiten en lokale cultuur in zijn portefeuille. Hij wil dat het college van burgemeester en wethouders een subsidie toekent aan de plaatselijke carnavalsvereniging, op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening. Tijdens de collegevergadering waarin dit besluit genomen wordt, heeft de burgemeester tevergeefs betoogd dat de subsidieverlening onrechtmatig is. Alle wethouders stemmen voor het besluit, terwijl alleen de burgemeester tegen stemt. Is de burgemeester verantwoording verschuldigd aan de raad voor de subsidietoekenning?

                    1. Nee, de burgemeester is geen verantwoording verschuldigd voor besluiten van de wethouders;

                    2. Nee, de burgemeester heeft immers tegen het besluit gestemd;

                    3. Nee, alleen wethouder Prul is verantwoording verschuldigd voor het besluit, aangezien de subsidie binnen zijn portefeuille valt;

                    4. Ja, alle leden van het college zijn verantwoording aan de raad verschuldigd voor het besluit subsidie toe te kennen.


                     

                    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 16, paragraaf 13, pagina 347


                     

                    15. Tammo Slopsema is inwoner van Loppersum en maakt zich grote zorgen over de gevolgen van de gaswinning voor het woongenot in zijn gemeente. Met name is hij van mening dat de gemeentelijke verordening voor de schadeafhandeling van gasbevingen tekort schiet en krenterig is opgezet. Van welke toetsing zal de rechter zich moeten onthouden als hem dat gevraagd zou worden?

                      1. De vraag of de regeling wel in overeenstemming is met algemene rechtsbeginselen;

                      2. De vraag of de regeling effectief is met het oog op de kosten van uitvoering ervan;

                      3. De verenigbaarheid van de regeling met art. 8 EVRM;

                      4. De verenigbaarheid van de regeling met art. 21 Grondwet.


                       

                      Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 16, paragraaf 14, pagina 348-349


                       

                      Rechtspraak

                      16. Voor de vraag naar de eventuele strijdigheid tussen een gemeentelijke verordening en een hogere regeling is de vraag of deze hetzelfde ‘onderwerp’ regelen in een aantal gevallen van groot belang. In welk van de onderstaande gevallen is er ruimte voor aanvulling door de gemeentelijke regelgever, ook al is er sprake van hetzelfde onderwerp?

                        1. Als de gemeentelijke verordening aan de hogere regeling vooraf gaat;

                        2. Als de gemeentelijke verordening uitputtend bedoeld is;

                        3. Als de hogere regeling uitputtend bedoeld is;

                        4. Als de hogere regeling niet uitputtend bedoeld is.


                         

                        Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 12, paragraaf 7, pagina 218


                         

                        17. Op welk van de onderstaande terreinen heeft de Raad voor de Rechtspraak geen taak?

                          1. De selectie van rechters;

                          2. Advisering over wetgeving inzake de inrichting en het functioneren van de rechtspraak;

                          3. De opsporing en vervolging van strafbare feiten;

                          4. Het bewaken van de rechtseenheid.


                           

                          Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 12, paragraaf 5, pagina 213


                           

                          18. Is het onder de huidige bepalingen van de Grondwet mogelijk om de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State tot de rechterlijke macht te laten behoren?

                            1. Ja, de wet kan de gerechten aanwijzen die tot de rechterlijke macht behoren;

                            2. Nee, want de Afdeling houdt zich niet bezig met burgerlijke en strafrechtspraak en alleen gerechten die zich daarmee bezig houden kunnen tot de rechterlijke macht behoren;

                            3. Ja, want de Raad van State is een door de Grondwet in het leven geroepen Hoog College van Staat, dat met rechtspraak is belast en dat zelf kan bepalen of het tot de rechterlijke macht behoort;

                            4. Nee, de Grondwet bepaalt welke gerechten tot de rechterlijke macht behoren.


                             

                            Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 12, paragraaf 4, pagina 213


                             

                            19. De regering is van mening dat er een speciaal tribunaal in het leven geroepen moet worden dat de financiële compensatie voor slachtoffers van de aardbevingsschade in de provincie moet gaan afwikkelen. Dit tribunaal moet over rechtsprekende bevoegdheden in de zin van de Grondwet gaan beschikken en zal bij wet worden ingesteld. Dienen de leden ervan voor het leven benoemd te worden?

                              1. Ja, omdat het tribunaal een orgaan met rechtspraak belast is;

                              2. Nee, tenzij het tribunaal bij de instellingswet bij de rechterlijke macht wordt ondergebracht;

                              3. Ja, omdat het tribunaal zal dienen te voldoen aan de eisen van art. 6 EVRM;

                              4. Nee, tenzij het tribunaal bij de instellingswet bij de Nationale Ombudsman wordt ondergebracht.


                               

                              Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 12, paragraaf 5, pagina 213


                               

                              De verhouding van parlement, ministers en Koning
                              20. Een belangrijk verschil in bevoegdheden tussen Eerste en Tweede Kamer is dat de Tweede Kamer:

                              1. de begroting van Buitenlandse Zaken kan wijzigen;

                              2. een minister kan interpelleren;

                              3. zichzelf kan ontbinden in geval van conflict;

                              4. over het recht van enquête beschikt.

                              Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 7, paragraaf 14, pagina 125


                               

                              21. De minister van Buitenlandse Zaken heeft met 98 landen onderhandeld over een Verdrag betreffende Recidivisme van Internationale Jihadisten. Uiteindelijk is de regering ontevreden over het onderhandelingsresultaat en besluit zij dat het Koninkrijk der Nederlanden geen partij zal worden bij het verdrag. Het verdrag wordt dan ook niet ter goedkeuring aan de Staten Generaal voorgelegd. Een aantal leden van de Eerste Kamer is daarmee niet tevreden en wil de minister van de Buitenlandse Zaken ter verantwoording roepen over de gang van zaken. Is de minister van Buitenlandse Zaken gehouden verantwoording aan de Eerste Kamer af te leggen over zijn bijdrage aan het onderhandelingsproces?

                              1. Nee, het Koninkrijk der Nederlanden is immers geen partij geworden bij het verdrag;

                              2. Ja, mits een vijfde van het aantal leden van de Eerste Kamer de minister ter verantwoording wenst te roepen;

                              3. Nee, tenzij het belang van de staat zich ertegen verzet dat verantwoording achterwege blijft;

                              4. Ja, dat het Koninkrijk der Nederlanden geen partij is geworden bij het verdrag doet daaraan niet af.

                              Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 7, paragraaf 6, pagina 108

                                22. Een Tweede Kamerlid dient de volgende motie in:

                                “De Kamer, gehoord de beraadslaging, gezien de uitslag van de verkiezingen voor provinciale staten, roept de regering op het roer om te gooien, en gaat over tot de orde van de dag.”

                                Namens de regering verklaart de minister-president de motie onaanvaardbaar. Tijdens de stemming over de motie door de Tweede Kamer zijn enkele Kamerleden van de coalitie afwezig wegens deelname aan een spelshow. Mede daardoor wordt de motie aangenomen. Wat is rechtens?

                                1. Gezien de tekst van de motie heeft aanneming van de motie geen rechtsgevolgen;

                                2. Als het kabinet niet opstapt is de Tweede Kamer bevoegd de ministers en staatssecretarissen te ontslaan;

                                3. De regering hoeft geen gevolgen aan de motie te verbinden aangezien moties geen rechtsgevolgen kunnen hebben;

                                4. Het kabinet moet zijn ontslag aanbieden aan de Koning, behoudens de mogelijkheid van ontbinding.

                                Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 7, paragraaf 11, pagina 120


                                 

                                23. In het geval een Tweede Kamerlid hardnekkig weigert beslissingen van de Voorzitter over de orde tijdens de plenaire vergadering te accepteren, kan het betreffende Kamerlid door de Voorzitter:

                                  1. slechts worden verzocht zich aan de vergaderorde te houden zonder dat daaraan sancties kunnen worden verbonden;

                                  2. worden uitgesloten van het Kamerlidmaatschap;

                                  3. voor het restant van de vergaderdag worden uitgesloten van het bijwonen van de vergadering;

                                  4. voor het restant van de maand worden uitgesloten van het bijwonen van de vergaderingen.


                                   

                                  De staat
                                  24. Welke van onderstaande lichamen c.q. organen behoort niet tot de overheid?

                                  1. De gemeente Assen;

                                  2. De Centrale Raad van Beroep;

                                  3. De Katholieke Universiteit Brabant (Tilburg University);

                                  4. Het waterschap Noorderzijlvest.

                                  Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 1, paragraaf 1, pagina 4


                                   

                                  25. Met verticale machtsverdeling binnen een staat wordt gedoeld op de spreiding van macht tussen:

                                    1. centrale overheid en lagere overheden;

                                    2. Koning en ministers;

                                    3. wetgever en rechter;

                                    4. parlement en regering.

                                    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 1, paragraaf 2, pagina 10

                                    26. De Friese gemeente Gjinjiltseradiel zit ook in 2015 weer in de financiële problemen. Al vaker is de gemeentelijke begroting onderworpen geweest aan provinciale goedkeuring en ook dit jaar dreigt een tekort. De regerende coalitie heeft echter in zijn bestuursakkoord beloofd de onroerende zaaksbelasting niet te zullen verhogen. Het college overweegt nu aan de raad voor te stellen bij autonome verordening een siervogelbelasting voor de ingezetenen in te voeren. Is de raad van de gemeente Gjinjiltseradiel bevoegd deze belasting in te voeren?

                                      1. Ja, daartoe is de raad bevoegd, omdat de eigen belastingen onder de autonome gemeentelijke bevoegdheden vallen;

                                      2. Ja, daartoe is de raad bevoegd, maar alleen indien het college van GS van Fryslân daarvoor toestemming geeft;

                                      3. Nee, daartoe is de raad niet bevoegd, daar er voor een dergelijke belasting geen wettelijke grondslag is;

                                      4. Nee, daartoe is de raad niet bevoegd, tenzij de minister van Financiën daarvoor toestemming verleent op grond van de Financiële verhoudingswet.


                                       

                                      Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 1, paragraaf 4, pagina 19


                                       

                                      De bronnen van het staatsrecht
                                      27. De Nederlandse Grondwet is van relatief geringe betekenis voor het staatsrecht vanwege:

                                      1. het ontbreken van normen die de verhouding tussen burgers en overheid reguleren;

                                      2. de onmogelijkheid om provinciale en gemeentelijke regelingen door rechters te laten toetsen aan de Grondwet;

                                      3. de geringe sturing die de Grondwet geeft aan de wetgever om invulling te geven aan het staatsrecht;

                                      4. de gedetailleerdheid van de bepalingen die weinig ruimte laat voor een dynamische ontwikkeling van staatsrechtelijke gewoonten.

                                      Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 2, paragraaf 3, pagina 27

                                      28. Het belang van de herziening van de Grondwet van 1917 is primair gelegen in:

                                        1. een versterking van de democratische grondslag van het openbaar bestuur;

                                        2. de introductie van vormen van directe democratie;

                                        3. de toekenning van het recht aan de Tweede Kamer om een formateur te benoemen;

                                        4. de erkenning van de voorrang van bepalingen van verdragen boven nationale wetgeving.


                                         

                                        Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 2, paragraaf 2, pagina 244

                                        29. Op 9 maart jl. traden zowel de minister van Veiligheid en Justitie als de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie af. Aan beiden werd door de Koning op dezelfde dag op de meest eervolle wijze het gevraagde ontslag verleend. Is het naar Nederlands staatsrecht noodzakelijk dat een staatssecretaris wordt ontslagen bij het vertrek van zijn minister?

                                          1. Ja, de staatsecretaris moet als ondergeschikte ambtsdrager ook worden ontslagen;

                                          2. Nee, weliswaar is het gebruik dat de staatsecretaris zijn ontslag aanbiedt, maar daarop hoeft geen ontslag te volgen;

                                          3. Ja, tenzij de ministerraad het door de staatssecretaris gevraagde ontslag weigert te verlenen;

                                          4. Nee, mits de Tweede Kamer zijn vertrouwen in de staatsecretaris nadrukkelijk uitspreekt.

                                          Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 2, paragraaf 3, pagina 27


                                           

                                          De Europese Unie

                                          30. De doorwerking van het EU-recht in de Nederlandse rechtsorde is volgens het Hof van Justitie gebaseerd op:

                                          1. de artikelen 93 en 94 van de Grondwet;

                                          2. de EU-verdragen;

                                          3. algemene beginselen van volkenrecht;

                                          4. het oordeel van de Nederlandse rechter of een concreet Europeesrechtelijk voorschrift naar zijn aard een ieder kan verbinden.

                                          Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 18, paragraaf 4, pagina 384

                                          31. Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie:

                                            1. heeft geen bindende status;

                                            2. heeft de strekking beperkingen aan te brengen op de bepalingen van het EVRM;

                                            3. richt zich tot EU-instellingen en lidstaten bij het ten uitvoer brengen van Unierecht;

                                            4. is van toepassing zowel binnen als buiten de werkingssfeer van het Unierecht.

                                            Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 18, paragraaf 7, pagina 391


                                             

                                            32. Sinds november 2014 is Frans Timmermans lid van de Europese Commissie. Hij is daartoe voorgedragen door de Nederlandse regering. Voor zijn handelen als lid van de Commissie is Timmermans verantwoording schuldig aan:

                                              1. de Nederlandse regering;

                                              2. de Nederlandse Staten-Generaal;

                                              3. de Europese Raad;

                                              4. het Europees Parlement

                                              Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 18, paragraaf 3, pagina 380-381


                                               

                                              Wetgeving

                                              33. De regering dient een wetsvoorstel in bij de Tweede Kamer. Door de Tweede Kamer wordt het in geamendeerde versie aanvaard. Daarop bespreekt en aanvaardt de Eerste Kamer het voorstel. Intussen is echter het kabinet gevallen en zijn er nieuwe Tweede Kamerverkiezingen geweest. Kort nadat de Eerste Kamer het voorstel heeft aanvaard komt het nieuwe kabinet tot de conclusie dat het geen voorstander van het wetsvoorstel is. De regering:

                                                1. is bevoegd het wetsvoorstel in te trekken;

                                                2. is bevoegd het aangenomen wetsvoorstel alsnog te wijzigen en vervolgens te bekrachtigen;

                                                3. is bevoegd het voorstel niet te bekrachtigen;

                                                4. kan niet voorkomen dat het voorstel van wet tot wet wordt verheven.

                                                Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 8, paragraaf 8, pagina 145


                                                 

                                                34. Welke bevoegdheid heeft de Eerste Kamer met betrekking tot een voorstel van wet dat door een lid van de Tweede Kamer bij de Tweede Kamer aanhangig is gemaakt en dat na aanneming door de Tweede Kamer bij de Eerste Kamer is ingediend? De Eerste Kamer kan het voorstel:

                                                  1. wijzigen;

                                                  2. intrekken;

                                                  3. verwerpen;

                                                  4. terugzenden naar de Tweede Kamer.

                                                  Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 8, paragraaf 7, pagina 143


                                                   

                                                  Rechtsbescherming tegen de overheid
                                                  35. Voor het instellen van hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank in sociale verzekeringszaken moet de burger zich in beginsel wenden tot:

                                                  1. Het gerechtshof;

                                                  2. De Centrale Raad van Beroep;

                                                  3. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State;

                                                  4. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.

                                                  Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 13, paragraaf 4, pagina 232


                                                   

                                                  36. Bij welke (rechterlijke) instantie kan een burger procederen tegen een overheidsbesluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift?

                                                    1. Tegen algemeen verbindende voorschriften staat geen beroep open;

                                                    2. Bij de bestuursrechter;

                                                    3. Bij de burgerlijke rechter;

                                                    4. Dat kan uitsluitend in administratief beroep.

                                                    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 13, paragraaf 8, pagina 245


                                                     

                                                    De Raad van State

                                                    37. De Raad van State hoeft niet gehoord te worden over:

                                                      1. ministeriële regelingen;

                                                      2. Algemene Maatregelen van Bestuur waarin geen bepalingen door straffen te handhaven zijn opgenomen;

                                                      3. voorstellen van wet die door een lid van de Tweede Kamer aanhangig zijn gemaakt;

                                                      4. verdragen die ter stilzwijgende goedkeuring worden overgelegd aan de Staten-Generaal.

                                                      Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 6, paragraaf 2, pagina 90


                                                       

                                                      Vernietiging
                                                      38. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden heeft op basis van een autonome verordening een subsidie toegekend aan de lokale carnavalsvereniging. Het besluit is evenwel onrechtmatig omdat het op een wijze tot stand is gekomen die zich niet verdraagt met nationale wetgeving. De regering neemt kennis van deze gang van zaken en wenst ertegen op te treden. Is zij hiertoe bevoegd?

                                                      1. Ja, voor zover zij tijdig bezwaar instelt bij de raad van de gemeenten Reusel-De Mierden;

                                                      2. Nee, alleen de wetgever is bevoegd op te treden tegen onrechtmatig genomen autonome besluiten;

                                                      3. Ja, zij is bevoegd het besluit te vernietigen wegens strijd met het recht;

                                                      4. Nee, het is aan Provinciale Staten om het besluit te vernietigen en een nieuw besluit te nemen.


                                                       

                                                      Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 15, paragraaf 5, pagina 319


                                                       

                                                      Buitenlands beleid

                                                      39. Parlementaire goedkeuring van internationale verdragen is:

                                                        1. in beginsel voor ieder verdrag vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen;

                                                        2. uitsluitend vereist voor rechtstreeks werkende verdragen;

                                                        3. uitsluitend vereist voor met de Grondwet strijdige verdragen;

                                                        4. slechts vereist als de kamers der Staten-Generaal zulks binnen een wettelijk bepaalde termijn expliciet aangeven.

                                                        Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 11, paragraaf 3, pagina 196


                                                         

                                                        De structuur van het koninkrijk

                                                        40. Stel dat de regering van Curaçao wenst dat een verdrag wordt gesloten met Venezuela. Wie is daar dan toe bevoegd?

                                                          1. De regering van Curaçao;

                                                          2. De regering van de Nederlandse Antillen;

                                                          3. De regering van het Koninkrijk;

                                                          4. De wetgever van het Koninkrijk.

                                                          Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 17, paragraaf 1, pagina 362

                                                          Antwoorden Oefententamen 2


                                                           

                                                          1. A

                                                          2. B&D

                                                          3. C

                                                          4. D

                                                          5. C

                                                          6. A

                                                          7. B

                                                          8. D

                                                          9. B

                                                          10. D

                                                          11. A

                                                          12. D

                                                          13. D

                                                          14. C

                                                          15. C

                                                          16. D

                                                          17. C

                                                          18. A

                                                          19. B

                                                          20. A

                                                          21. D

                                                          22. D

                                                          23. C

                                                          24. C

                                                          25. A

                                                          26. C

                                                          27. C

                                                          28. A

                                                          29. B

                                                          30. B

                                                          31. C

                                                          32. D

                                                          33. C

                                                          34. C

                                                          35. B

                                                          36. C

                                                          37. A

                                                          38. C

                                                          39. A

                                                          40. C


                                                           


                                                           

                                                          Staatsrecht I - B1 - Rechten - RUG - Tentamen - winter - 2013-2014

                                                          Staatsrecht I - B1 - Rechten - RUG - Tentamen - winter - 2013-2014

                                                          Oefententamen 3  (winter - 2013-2014)

                                                          De grondrechten

                                                          1. Art. 2, tweede lid van het Vierde Protocol bij het EVRM (dat door het Koninkrijk is geratificeerd, is gepubliceerd en in werking is getreden) bepaalt:

                                                            “Een ieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten.” Deze norm kan in de Nederlandse rechtsorde:

                                                              1. slechts worden toegepast voor zover dat verenigbaar is met een eenieder verbindende wettelijke bepaling;

                                                              2. slechts worden toegepast voor zover de wet de norm heeft omgezet in een eenieder verbindende bepaling;

                                                              3. worden gewijzigd door de wet waarbij het Vierde Protocol is goedgekeurd;

                                                              4. als verdragsnorm worden toegepast.

                                                            Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 14, paragraaf 3, pagina 257


                                                             

                                                            2. Een bijzondere school voor algemeen vormend lager onderwijs (een bijzondere basisschool) die aan alle wettelijke eisen voldoet heeft naar Nederlands staatsrecht:

                                                                1. naar dezelfde maatstaf als een openbare basisschool aanspraak op volledige financiering door de overheid;

                                                                2. naar dezelfde maatstaf als een openbare basisschool aanspraak op volledige financiering door de ouders van schoolgaande kinderen;

                                                                3. slechts aanspraak op financiering door de overheid indien in de gemeente waar de school is gevestigd onvoldoende capaciteit in het openbaar onderwijs beschikbaar is;

                                                                4. geen aanspraak op gedeeltelijke of volledige financiering door de overheid.

                                                              Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 14, paragraaf 8, pagina 269

                                                              3. In verband met de vraag naar de beperkingsmogelijkheden van grondrechten spreekt Belinfante van ‘algemene beperkingen’ van grondrechten. Dit zijn beperkingen van een grondrecht:

                                                                  1. door organen van de centrale overheid op grond van algemene beleidsregels;

                                                                  2. door een geheel buiten de sfeer van het grondrecht gelegen regeling, die als neveneffect heeft dat de uitoefening van het grondrecht wordt beperkt;

                                                                  3. die slechts toegestaan zijn op grond van algemene rechtsbeginselen;

                                                                  4. die neerkomen op het zodanig uithollen van grondrechten dat zij geen enkele bescherming meer bieden.

                                                                Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 14, paragraaf 7, pagina 266

                                                                4.. De regering dient een wetsvoorstel in dat onder meer het volgende voorstelt:

                                                                Art. 1. Aan de Gemeentewet wordt de volgende bepaling toegevoegd:
                                                                Het in het openbaar te koop aanbieden van boeken met een discriminatoire inhoud is slechts toegestaan met vergunning van het college van burgemeester en wethouders.

                                                                Art. 2. Aan het Wetboek van Strafrecht wordt de volgende bepaling toegevoegd:
                                                                Hij die een boek uitgeeft waarin de Holocaust wordt ontkend, wordt gestraft met zes maanden gevangenisstraf.

                                                                  Welke van deze voorschriften is in strijd met de interpretatie die volgens Belifante aan art. 7 lid 1 Grondwet wordt gegeven?

                                                                    1. Zowel art. 1 als art. 2 van het wetsvoorstel is daarmee in strijd;

                                                                    2. Art. 1 van het wetsvoorstel is daarmee in strijd, maar art. 2 niet;

                                                                    3. Art. 2 van het wetsvoorstel is daarmee in strijd, maar art. 1 niet;

                                                                    1. Art. 1, noch art. 2 van het wetsvoorstel is daarmee in strijd.

                                                                  Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 14, paragraaf 4, pagina 261

                                                                  5. Nederlandse burgers kunnen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens:

                                                                      1. de grondwettigheid van wetten laten beoordelen;

                                                                      2. opkomen tegen schendingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

                                                                      3. een klacht indienen tegen de Nederlandse staat wegens het niet-naleven van de bepalingen van het EVRM;

                                                                      4. een klacht indienen tegen een andere burger wegens het niet-naleven van de bepalingen van het EVRM.

                                                                    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 14, paragraaf 3, pagina 256

                                                                    6. Het verbieden van een demonstratie die zeer waarschijnlijk vijandige reacties van de omstanders bij de demonstratie zal uitlokken is:

                                                                      1. toegestaan zodra aangetoond kan worden dat de verwachte vijandelijke reacties zich daadwerkelijk zullen voordoen;

                                                                      2. toegestaan, indien degenen die verantwoordelijk zijn voor de vijandelijke reacties daarvoor strafrechtelijk worden vervolgd;

                                                                      3. niet toegestaan, tenzij het onmogelijk is voldoende andere maatregelen te nemen om de openbare orde te handhaven;

                                                                      4. in geen geval toegestaan, aangezien dat in strijd zou komen met de vrijheid van betoging.

                                                                    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 14, paragraaf 8, pagina 291

                                                                      7. Horizontale werking van grondrechten ziet op de werking van grondrechten tussen:

                                                                        1. burgers of privaatrechtelijke instellingen onderling;

                                                                        2. overheidsorganen of publiekrechtelijke instellingen onderling;

                                                                        3. burgers en de overheid;

                                                                        4. overheidsorganen in één en hetzelfde openbaar lichaam.

                                                                      Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 14, paragraaf 6, pagina 263


                                                                       

                                                                      De regering

                                                                      8. Behoudens het geval waarin een minister zijn ambt ter beschikking heeft gesteld en lid is van een van kamers van de Staten-Generaal, heeft een minister in die kamers:

                                                                          1. het recht om aan zowel de beraadslagingen als de stemmingen deel te nemen;

                                                                          2. het recht om aan de beraadslagingen deel te nemen, zij het dat hij dan in rechte vervolgd kan worden voor hetgeen hij tijdens de vergadering heeft gezegd;

                                                                          3. het recht om aan de beraadslagingen deel te nemen, maar niet aan de stemmingen;

                                                                          4. niet het recht om aan de beraadslagingen of de stemmingen deel te nemen.

                                                                        Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 4, paragraaf 8, pagina 62

                                                                        9. De staatsrechtelijke positie van een staatssecretaris verschilt van die van een minister zonder portefeuille doordat een staatssecretaris, anders dan de minister zonder portefeuille:

                                                                          1. Niet is belast met het beheer van een ministerie;

                                                                          2. In de ministerraad slechts stemgerechtigd is voor zover het zaken betreft waarbij hij uit hoofde van zijn ambt rechtstreeks is betrokken;

                                                                          3. Gebonden is aan de taakomschrijving die voor hem is vastgesteld door de op hetzelfde departement werkzame minister;

                                                                          4. Wordt benoemd en ontslagen bij besluit van de minster-president.

                                                                        Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 4, paragraaf 7, pagina 62

                                                                        10. De Tweede Kamer neemt een initiatiefwetsvoorstel aan op het gebied van Veiligheid en Justitie. De minister van Veiligheid en Justitie is zeer gekant tegen het wetsvoorstel en is voornemens de Kamer tijdens de beraadslaging te melden dat de regering het voorstel niet zal bekrachtigen. Is hij verplicht zijn voornemen in de ministerraad te bespreken?

                                                                            1. Ja, het standpunt van de regering over initiatiefwetsvoorstellen moet besproken worden in de ministerraad;

                                                                            2. Ja, tenzij de minister-president als voorzitter van de ministerraad de minister van Veiligheid en Justitie laat weten dat dit consulteren achterwege kan blijven;

                                                                            3. Nee, tenzij de Tweede Kamer een unaniem oordeel van de regering over het voorstel eist;

                                                                            4. Nee, de minister hoeft de ministerraad niet te consulteren nu het om een wetsvoorstel op het terrein van Veiligheid en Justitie gaat.

                                                                          Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 4, paragraaf 8, pagina 63

                                                                          11. Welk van de volgende uitspraken over de positie van de minister-president in de ministerraad is onjuist?

                                                                              1. De minister-president ziet toe op de totstandkoming van een samenhangend regeringsbeleid;

                                                                              2. De minister-president kan in overeenstemming met het gevoelen van de raad nadere schriftelijke aanwijzingen vaststellen inzake de werkwijze van de raad;

                                                                              3. De minister-president kan bindende aanwijzingen geven aan zijn collega-ministers;

                                                                              4. De minister-president ziet toe op de uitvoering van de besluiten van de raad.

                                                                            Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 4, paragraaf 9, pagina 66

                                                                            12. Hoe verloopt naar Nederlands staatsrecht de parlementaire besluitvorming over een wetsvoorstel tot benoeming van een regent die gedurende de minderjarigheid van de Koning het koninklijk gezag uitoefent?

                                                                                1. De Tweede en Eerste Kamer besluiten ieder voor zich met een gewone meerderheid;

                                                                                2. De Staten-Generaal besluiten in verenigde vergadering met een gewone meerderheid;

                                                                                3. De Tweede en Eerste Kamer besluiten ieder voor zich met een meerderheid van ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen;

                                                                                4. De Staten-Generaal besluiten in verenigde vergadering met een meerderheid van ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

                                                                              Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 4, paragraaf 4, pagina 57

                                                                              13. Voordat de minister van Veiligheid en Justitie naar Brussel vertrekt om deel te nemen aan een vergadering van de Raad die zal besluiten over een voorstel betreffende de privacy van de burgers van de Unie overlegt hij met de Tweede Kamer. De Kamer verzoekt hem bij motie voor het voorstel te stemmen. De minister doet dit, maar door weerstand bij ministers van andere lidstaten wordt het voorstel toch verworpen. De minister van Veiligheid en Justitie is over zijn stemgedrag tijdens de vergadering van de Raad:

                                                                                  1. alleen verantwoording verschuldigd aan de Tweede Kamer;

                                                                                  2. verantwoording verschuldigd aan de Tweede en de Eerste Kamer;

                                                                                  3. geen verantwoording verschuldigd aan de Tweede Kamer omdat hij overeenkomstig de wensen van de Kamer heeft gehandeld;

                                                                                  4. geen verantwoording verschuldigd aan de Tweede Kamer omdat zijn bijdrage aan de besluitvorming van de Raad buiten de reikwijdte van art. 42 Grondwet valt.

                                                                                Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 4, paragraaf 8, pagina 65

                                                                                Decentralisatie (Provincie, gemeente en waterschap)
                                                                                14. Er is sprake van een verstoorde verhouding tussen de burgemeester en de raad van de gemeente Hardinxveld-Giessendam. Kan de burgemeester tussentijds worden ontslagen?

                                                                                  1. Ja, de burgemeester kan worden ontslagen door de regering;

                                                                                  2. Ja, de burgemeester kan worden ontslagen door de raad;

                                                                                  3. Ja, de burgemeester kan worden ontslagen door de commissaris van de Koning;

                                                                                  4. Nee, de burgemeester wordt benoemd voor de termijn van zes jaar.

                                                                                Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 16, paragraaf 13, pagina 348

                                                                                15. Is de regering bevoegd een besluit dat de gemeenteraad van Groningen in autonomie heeft genomen te vernietigen omdat zij het een politiek onwenselijk besluit vindt?

                                                                                    1. Nee, de regering is alleen bevoegd gemeentelijke besluiten te vernietigen op grond van onrechtmatigheid;

                                                                                    2. Nee, dat zou in strijd zijn met de grondwettelijk gegarandeerde autonomie van de gemeente;

                                                                                    3. Ja, tenzij het college van burgemeester en wethouders van Groningen zich tegen die vernietiging verzet;

                                                                                    4. Ja, de regering kan het besluit van de gemeenteraad bij koninklijk besluit vernietigen.

                                                                                  Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 16, paragraaf 16 pagina 354

                                                                                  16. Om stemgerechtigd te zijn voor gemeenteraadsverkiezingen moet men aan verschillende eisen voldoen. Welk van de volgende eisen behoort daartoe?

                                                                                    1. Niet-Nederlandse onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie zijn stemgerechtigd mits zij rechtmatig in Nederland verblijven en ten minste vijf jaar onafgebroken ingezetene van Nederland waren;

                                                                                    2. Niet-Nederlandse onderdanen van andere staten dan lidstaten van de Europese Unie zijn stemgerechtigd mits zij rechtmatig in Nederland verblijven en ten minste vijf jaar onafgebroken ingezetene van Nederland waren;

                                                                                    3. Ingezetenen zijn stemgerechtigd mits zij ten minste vijf jaar onafgebroken ingezetene van de betreffende gemeente zijn geweest;

                                                                                    4. Ingezetenen zijn stemgerechtigd mits zij gerechtigd zijn de leden van de Tweede Kamer te kiezen.

                                                                                    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 16, paragraaf 10, pagina 337

                                                                                    17. Ter uitvoering van een wet die medebewind vordert van gedeputeerde staten doet gedeputeerde Eigenheimer bestedingen zonder die met de overige leden van gedeputeerde staten te overleggen. Later blijkt dat deze bestedingen onrechtmatig waren en dat de provincie financiële schade oploopt. Jegens wie is het college van gedeputeerde staten of een van zijn leden hiervoor politieke verantwoording schuldig?

                                                                                      1. Alleen gedeputeerde Eigenheimer is politieke verantwoording schuldig aan de provinciale staten;

                                                                                      2. Alleen de gedeputeerden zijn politieke verantwoording schuldig aan de provinciale staten;

                                                                                      3. Gedeputeerde staten en elk van zijn leden zijn politieke verantwoording schuldig aan de regering;

                                                                                      4. Gedeputeerde staten en elk van zijn leden zijn politieke verantwoording schuldig aan de provinciale staten.

                                                                                    Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 16, paragraaf 4, pagina 331

                                                                                    18. Wie stelt de gemeentelijke begroting vast?

                                                                                        1. het college van burgemeester en wethouders;

                                                                                        2. de gemeenteraad;

                                                                                        3. de burgemeester;

                                                                                        4. de wethouders.

                                                                                      Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 16, paragraaf 10, pagina 339


                                                                                       

                                                                                      De verhouding van parlement, ministers en Koning

                                                                                      19. Na een vertrouwensbreuk tussen de Tweede Kamer en de regering bieden alle bewindspersonen hun ontslag aan de Koning aan. De Koning zal al deze verzoeken niet onmiddellijk inwilligen omdat:

                                                                                        1. de regering, bij een ontslag van alle bewindspersonen zonder dat wordt voorzien in de benoeming van vervangers, geen besluiten meer kan nemen;

                                                                                        2. ontslag van ministers eerst mogelijk is nadat de Tweede Kamer overeenkomstig art. 16 Reglement van Orde van de Tweede Kamer voor ieder ministerie een nieuwe commissie heeft benoemd;

                                                                                        3. over ontslagverzoeken eerst het advies van de Raad van State moet worden ingewonnen;

                                                                                        4. een beslissing op het ontslagverzoek op grond van art. 4, tweede lid onder k jo. art. 9 Reglement van Orde voor de ministerraad pas na een week genomen kan worden.

                                                                                      Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 7, paragraaf 16, pagina 129

                                                                                      20. De grondwettelijke plicht van een minister tot het verschaffen van door een lid van de Staten-Generaal gevraagde inlichtingen geldt:

                                                                                          1. uitsluitend indien het verstrekken van inlichtingen in het belang van de staat is;

                                                                                          2. uitsluitend voor zover de inlichtingen gevraagd worden door het kamerlid dat ter zake verantwoordelijk is;

                                                                                          3. voor vragen van zowel leden van de Tweede Kamer als leden van de Eerste Kamer;

                                                                                          4. voor vragen tot het stellen waarvan door de betrokken Kamer verlof is verleend.

                                                                                        Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 7, paragraaf 6, pagina 107-108

                                                                                        21. De dualistische verhouding tussen regering en Staten-Generaal blijkt uit de regel dat:

                                                                                            1. ministers niet door de Staten-Generaal maar bij koninklijk besluit worden benoemd;

                                                                                            2. een bewindspersoon in wie het vertrouwen is opgezegd, zijn ontslag moet aanbieden aan de Tweede Kamer;

                                                                                            3. informateurs en formateurs worden benoemd door de Tweede Kamer;

                                                                                            4. door de kamers aangenomen moties bindend zijn voor de regering.

                                                                                          Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 7, paragraaf 7, pagina 109


                                                                                           


                                                                                           

                                                                                          Financiën, buitenlands beleid en defensie

                                                                                          22. Met de vaststelling van de begroting van een ministerie door de formele wetgever is:

                                                                                            1. de verantwoordelijke minister gemachtigd om de in de begroting vastgestelde bedragen uit te geven;

                                                                                            2. de verantwoordelijke minister verplicht om de in de begroting vastgestelde bedragen uit te geven;

                                                                                            3. de Algemene Rekenkamer verplicht om decharge te verlenen aan de verantwoordelijke minister;

                                                                                            4. de Raad van State gemachtigd om decharge te verlenen aan de verantwoordelijke minister.

                                                                                          Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 11, paragraaf 2, pagina 192

                                                                                          23. Stel dat de Nederlandse regering Amsterdam wil nomineren om gastheer te zijn voor de Olympische Zomerspelen van 2028. In haar contacten met het Internationaal Olympisch Comité, de organisatie die over toewijzing van de Spelen beslist, belooft de regering dat het IOC en zijn medewerkers voor de duur van de Spelen (drie weken) niet in rechte zullen kunnen worden vervolgd of aangesproken voor eventuele onrechtmatige gedragingen begaan tijdens de Spelen en de onmiddellijke voorbereidingen daarop. Om één en ander vast te leggen sluit de regering een verdrag met het IOC dat een geldigheidsduur heeft van zeven maanden. Voor dit verdrag is:

                                                                                            1. op grond van de art. 91, 112 en 113 Grondwet goedkeuring met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen in beide kamers van de Staten- Generaal vereist;

                                                                                            2. stilzwijgende goedkeuring vereist;

                                                                                            3. uitdrukkelijke goedkeuring vereist;

                                                                                            4. geen goedkeuring vereist.

                                                                                          Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 11, paragraaf 3, pagina 196

                                                                                          24. Het rechtsgevolg van het sluiten van een verdrag is dat:
                                                                                           

                                                                                            1. de tekst van het verdrag vaststaat;

                                                                                            2. de Staten-Generaal gehouden zijn het verdrag goed te keuren;

                                                                                            3. de regering gehouden is het verdrag te ratificeren;

                                                                                            4. het Koninkrijk der Nederlanden gebonden is aan het verdrag.

                                                                                          Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 11, paragraaf 3, pagina 195


                                                                                           


                                                                                           


                                                                                           

                                                                                          Rechtspraak

                                                                                          25. De rechter mag wetten in formele zin:

                                                                                              1. aan geen enkele rechtsnorm toetsen;

                                                                                              2. niet toetsen aan bepalingen van internationale verdragen die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden en aan de Grondwet;

                                                                                              3. toetsen aan bepalingen van internationale verdragen die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden;

                                                                                              4. toetsen aan bepalingen van internationale verdragen die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden, aan de Grondwet, aan het Statuut en aan algemene rechtsbeginselen.

                                                                                            Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 12, paragraaf 7, pagina 217

                                                                                            26. Rechters dienen onafhankelijk te zijn van:

                                                                                                1. de wet;

                                                                                                2. zowel de wet als de regering;

                                                                                                3. zowel de wet als de Staten-Generaal;

                                                                                                4. zowel de regering als de Staten-Generaal.

                                                                                              Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 12, paragraaf 4, pagina 212

                                                                                              27. De Grondwet waarborgt de onafhankelijkheid van alle leden van:

                                                                                                  1. de rechterlijke macht;

                                                                                                  2. alle met rechtspraak belaste gerechten;

                                                                                                  3. de rechterlijke macht voor zover zij niet met rechtspraak zijn belast;

                                                                                                  4. de rechterlijke macht die met rechtspraak zijn belast, alsmede de Procureur- Generaal bij de Hoge Raad.

                                                                                                Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 12, paragraaf 4, pagina 212-213


                                                                                                 


                                                                                                 

                                                                                                De staat

                                                                                                28. Onder een stelsel van “checks and balances” wordt door het boek Beginselen van het Nederlandse staatsrecht (Belinfante) verstaan:
                                                                                                 

                                                                                                  1. een zodanige toedeling van bevoegdheden dat elk overheidsorgaan bij uitsluiting van alle andere organen bevoegd is;

                                                                                                  2. de op overheidsorganen rustende verplichting verantwoording af te leggen aan de door burgers gekozen vertegenwoordiging;

                                                                                                  3. een zodanige toedeling van bevoegdheden dat overheidsorganen slechts een deel van het gezag kunnen uitoefenen en tot andere overheidsorganen in een relatie van afhankelijkheid en verantwoording staan;

                                                                                                  4. een door functionele en territoriale splitsing van bestuursbevoegdheden bewerkstelligd evenwicht tussen de centrale overheid en zelfstandige bestuursorganen.

                                                                                                Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 1, paragraaf 2, pagina 10

                                                                                                29. Machiavelli zocht de grondslag van het overheidsgezag in:

                                                                                                    1. het gegeven dat de vorst de vertegenwoordiger is van het goddelijk gezag;

                                                                                                    2. het gegeven dat de vorst bepaalde waarden en deugden als gerechtigheid en rechtschapenheid vertegenwoordigt;

                                                                                                    3. het feit of de vorst er in slaagt als orgaan en symbool succesvol te zijn in het scheppen van orde en vrede;

                                                                                                    4. een tussen vorst en onderdanen gesloten maatschappelijk verdrag.

                                                                                                  Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 1, paragraaf 1, pagina 5


                                                                                                   


                                                                                                   

                                                                                                  Geschiedenis


                                                                                                   

                                                                                                  30. Welke staatsorganen waren ten tijde van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden belast met de uitoefening van overheidstaken?

                                                                                                      1. De landsheer, de raadspensionaris en de Nationale Vergadering;

                                                                                                      2. De stadhouders, de Staten-Generaal en de Raad van State;

                                                                                                      3. De Koning, de Staten-Generaal en de Raad van State;

                                                                                                      4. De landvoogdessen, de Nationale Vergadering en het Uitvoerend Bewind.
                                                                                                         

                                                                                                    Te vinden in De ontwikkelingen van de staat in Nederland, Hoofdstuk 9, pagina 125-126 van de klapper

                                                                                                    31. De Staatsregeling voor het Bataafsche Volk (1798):

                                                                                                        1. berustte onder meer op de gedachte van volkssoevereiniteit;

                                                                                                        2. vestigde een federale staat;

                                                                                                        3. vormde de staatsrechtelijke grondslag voor het Koningrijk Holland;

                                                                                                        4. schafte de scheiding tussen kerk en staat af.
                                                                                                           

                                                                                                      Te vinden in De ontwikkelingen van de staat in Nederland, Hoofdstuk 10, pagina 131 van de klapper


                                                                                                       

                                                                                                      De Staten-Generaal

                                                                                                      32. In hoeverre leidt het Nederlandse stelsel van evenredige vertegenwoordiging, zoals dat geldt ten aanzien van de Tweede Kamerverkiezingen, tot het verloren gaan van uitgebrachte stemmen (in de zin van onbenut blijven)? Dit kiesstelsel kent:

                                                                                                          1. geen verlies van stemmen;

                                                                                                          1. in zoverre verlies van stemmen, dat alleen zetels aan lijsten worden toegekend die de kiesdeler hebben behaald;

                                                                                                          2. in zoverre verlies van stemmen, dat een kandidaat om verkozen te zijn ten minste 25% van de kiesdeler moet behalen;

                                                                                                          3. verlies van stemmen, nu personen die de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt niet mogen stemmen.

                                                                                                        Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 5, paragraaf 6, pagina 78

                                                                                                        33. De onafhankelijkheid van leden van de Tweede Kamer wordt onder andere gewaarborgd doordat zij:

                                                                                                            1. niet uit hun fractie kunnen worden verwijderd vanwege van die fractie afwijkend stemgedrag;

                                                                                                            2. niet uit de Tweede Kamer kunnen worden verwijderd vanwege van hun fractie afwijkend stemgedrag;

                                                                                                            3. niet in rechte kunnen worden aangesproken op wat zij in of buiten de vergaderingen van de Tweede Kamer hebben gezegd;

                                                                                                            4. tijdens vergaderingen van de Tweede Kamer slechts onderworpen zijn aan het Reglement van Orde van de Tweede Kamer.

                                                                                                          Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 5, paragraaf 2, pagina 73

                                                                                                          Rechtsbescherming tegen de overheid

                                                                                                          34. Een burger heeft een vergunning aangevraagd voor het bouwen van een dakkapel. Deze wordt door het bevoegde bestuursorgaan afgewezen. Na tevergeefs bezwaar te hebben gemaakt, staat er voor de burger beroep bij de bestuursrechter open. De burger besluit evenwel een vordering in te stellen bij de burgerlijke rechter, op grond van onrechtmatige daad. Op basis van de huidige jurisprudentie zal de burgerlijke rechter:

                                                                                                              1. beoordelen of het bestuursorgaan inderdaad een onrechtmatige daad gepleegd heeft;

                                                                                                              2. zichzelf bevoegd achten, maar de burger niet-ontvankelijk verklaren;

                                                                                                              3. zichzelf onbevoegd verklaren;

                                                                                                              4. de zaak terugverwijzen naar het bestuursorgaan.

                                                                                                            Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 13, paragraaf 8, pagina 242

                                                                                                            35. Welk rechterlijk college spreekt in hoogste instantie recht in sociale zekerheidszaken?

                                                                                                                1. de Hoge Raad;

                                                                                                                2. de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State;

                                                                                                                3. de Centrale Raad van Beroep;

                                                                                                                4. het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

                                                                                                              Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 13, paragraaf 3, pagina 227

                                                                                                              De Europese Unie


                                                                                                              36. De rechtbank Noord-Nederland wordt in een civielrechtelijke zaak geconfronteerd met een vraag die betrekking heeft op de juiste uitleg van het recht van de Europese Unie. Tegen de beslissing van de rechtbank zal geen rechtsmiddel openstaan. De uitleg van de Europeesrechtelijke bepaling in kwestie is niet evident en de rechtspraak erover is niet voldoende duidelijk om zeker te weten welke interpretatie in het voorliggende geval de juiste is. De rechtbank Noord-Nederland is nu:

                                                                                                                1. bevoegd maar niet verplicht een prejudiciële vraag aan het Europese Hof van Justitie te stellen over de juiste uitleg van de Europeesrechtelijke bepaling in kwestie;

                                                                                                                2. verplicht een prejudiciële vraag aan het Europese Hof van Justitie te stellen over de juiste uitleg van de Europeesrechtelijke bepaling in kwestie;

                                                                                                                3. bevoegd maar niet verplicht een prejudiciële vraag aan de Commissie te stellen over de juiste uitleg van de Europeesrechtelijke bepaling in kwestie;

                                                                                                                4. verplicht een prejudiciële vraag aan de Commissie te stellen over de juiste uitleg van de Europeesrechtelijke bepaling in kwestie.

                                                                                                              Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 18, paragraaf 3, pagina 382

                                                                                                              37. Ter naleving van het in het recht van de Europese Unie verankerde subsidiariteitsbeginsel zijn bijzondere bevoegdheden toegekend aan:

                                                                                                                  1. het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

                                                                                                                  2. de nationale rechterlijke colleges tegen wiens uitspraken geen rechtsmiddelen openstaan;

                                                                                                                  3. het Europees Parlement;

                                                                                                                  4. de nationale parlementen.

                                                                                                                Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 18, paragraaf 5, pagina 384

                                                                                                                De rijkswetgeving

                                                                                                                38. Naar aanleiding van de ramp het met cruiseschip Costa Concordia wenst de Koninkrijksregering nieuwe rijkswetgeving over de veiligheid van onder de vlag van het Koninkrijk varende cruiseschepen tot stand te brengen. Dit voornemen stuit op heftige weerstand van de autoriteiten en inwoners van Sint Maarten. De Koninkrijksregering toont zich echter vastberaden en brengt een voorstel van rijkswet in procedure. Welke mogelijkheden biedt het constitutionele recht van het Koninkrijk aan de autoriteiten op Sint Maarten om zich tegen de totstandkoming van de rijkswet te verzetten?

                                                                                                                    1. Door het voorstel van rijkswet te verwerpen kunnen de Staten van Sint Maarten voorkomen dat het rijkswetsvoorstel kracht van wet verkrijgt;

                                                                                                                    2. Door het voorstel van rijkswet niet te contrasigneren kan de regering van Sint Maarten voorkomen dat het rijkswetsvoorstel kracht van wet verkrijgt;

                                                                                                                    3. Door zich in de Raad van State van het Koninkrijk tegen het voorstel uit te spreken, kunnen de door Sint Maarten afgevaardigde Gevolmachtigde Minister en bijzondere gedelegeerden een bindend advies over het rijkswetsvoorstel uitbrengen;

                                                                                                                    4. Door zich in de Staten-Generaal tegen het voorstel uit te spreken, kunnen de door Sint Maarten afgevaardigde Gevolmachtigde Minister en bijzondere gedelegeerden hun bezwaren kenbaar maken.

                                                                                                                  Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 17, paragraaf 5, pagina 368

                                                                                                                  Bestuur

                                                                                                                  39. Belastinginspecteurs hebben op grond van door de wetgever uitgevaardigde belastingwetgeving diverse bevoegdheden. Dergelijke toekenning van bevoegdheden is een vorm van:

                                                                                                                  1. deconcentratie;

                                                                                                                  2. decentralisatie;

                                                                                                                  3. delegatie;

                                                                                                                  4. medebewind.

                                                                                                                  Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Hoofdstuk 10, paragraaf 5, pagina 181

                                                                                                                  De nationale ombudsman

                                                                                                                  40. De wettelijke taak van de Nationale ombudsman is het onderzoeken van:

                                                                                                                    1. de doelmatigheid van overheidshandelingen;

                                                                                                                    2. de rechtmatigheid van overheidshandelingen;

                                                                                                                    3. de behoorlijkheid van overheidshandelingen;

                                                                                                                    4. de behoorlijkheid en doelmatigheid van overheidshandelingen.

                                                                                                                  Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 6, paragraaf 5, pagina 95

                                                                                                                  Antwoorden Oefententamen 3: 2013-2014 (eerste kans)

                                                                                                                  1 D

                                                                                                                  2 A

                                                                                                                  3 B

                                                                                                                  4 B

                                                                                                                  5 C

                                                                                                                  6 C

                                                                                                                  7 A

                                                                                                                  8 C

                                                                                                                  9 C

                                                                                                                  10 A

                                                                                                                  11 C

                                                                                                                  12 B

                                                                                                                  13 B

                                                                                                                  14 A

                                                                                                                  15 D

                                                                                                                  16 B

                                                                                                                  17 D

                                                                                                                  18 B

                                                                                                                  19 A

                                                                                                                  20 C

                                                                                                                  21 A

                                                                                                                  22 A

                                                                                                                  23 D

                                                                                                                  24 A

                                                                                                                  25 C

                                                                                                                  26 D

                                                                                                                  27 D

                                                                                                                  28 C

                                                                                                                  29 D

                                                                                                                  30 B

                                                                                                                  31 A

                                                                                                                  32 A & B

                                                                                                                  33 B

                                                                                                                  34 B

                                                                                                                  35 C

                                                                                                                  36 B

                                                                                                                  37 D

                                                                                                                  38 D

                                                                                                                  39 A

                                                                                                                  40 C

                                                                                                                  Staatsrecht I - B1 - Rechten - RUG - Extra oefenvragen 2014-2015

                                                                                                                  Staatsrecht I - B1 - Rechten - RUG - Extra oefenvragen 2014-2015

                                                                                                                  Algemene oefenvragen Staatsrecht 1

                                                                                                                  De Staten-Generaal

                                                                                                                  1. Naar geldend staatsrecht worden Nederlanders door de Staten-­‐Generaal gerepresenteerd:

                                                                                                                    1. ongeacht of ze van hun kiesrecht gebruik hebben gemaakt;

                                                                                                                    2. voor zover ze van het kiesrecht gebruik hebben gemaakt bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer;

                                                                                                                    3. voor zover ze van het kiesrecht gebruik hebben gemaakt bij de verkiezingen voor zowel Provinciale Staten als de Tweede Kamer;

                                                                                                                    4. voor zover ze niet van het kiesrecht zijn uitgesloten.

                                                                                                                    2. Een parlementariër maakt tijdens een interview, dat wordt uitgezonden door een bekend televisieprogramma, enkele provocerende opmerkingen. Het Openbaar Ministerie (OM) overweegt de parlementariër te vervolgen wegens belediging (art. 266 WvSR). Is het OM naar Nederlands staatsrecht bevoegd om tot vervolging over te gaan?

                                                                                                                      1. Neen, parlementariërs genieten parlementaire onschendbaarheid;

                                                                                                                      2. Ja;

                                                                                                                      3. Ja, tenzij de parlementariër zich beroept op zijn parlementaire onschendbaarheid;

                                                                                                                      4. Neen, een parlementariër kan niet worden vervolgd voor zaken die hij ter sprake brengt in het kader van zijn functie als parlementariër.

                                                                                                                      3. Het verbod van last (art. 67, derde lid Grondwet) brengt mee dat leden van de Staten-­‐Generaal:

                                                                                                                      1. (behoudens wegens ambtsmisdrijven) niet in rechte aangesproken kunnen worden voor hun ambtsvervulling;

                                                                                                                      2. een met het ambt van Kamerlid onverenigbare betrekking mogen vervullen;

                                                                                                                      3. zich bij het uitoefenen van hun taken uitsluitend mogen laten leiden door het eigen partijprogramma;

                                                                                                                      4. ten behoeve van het bepalen van hun stemgedrag zich moeten verstaan met hun kiezers.

                                                                                                                      De Europese Unie

                                                                                                                      4. Is de Europese commissie voor zijn functioneren rechtens afhankelijk van het vertrouwen van het Europese Parlement?

                                                                                                                      1. Ja, maar slechts als college;

                                                                                                                      2. Ja, zowel het college als de afzonderlijke commissarissen;

                                                                                                                      3. Nee, tenzij de Voorzitter van de commissie in een concrete situatie expliciet om dat vertrouwen vraagt;

                                                                                                                      4. Nee.

                                                                                                                      5. Wat is de strekking van het subsidiariteitsbeginsel binnen de Europese Unie?

                                                                                                                      1. De Unie treedt alleen op indien daartoe een uitdrukkelijke grondslag bestaat in de EU-­‐ verdragen;

                                                                                                                      2. De Unie treedt, behoudens haar exclusieve bevoegdheid, alleen op als lidstaten dat niet of niet voldoende kunnen;

                                                                                                                      3. De Unie zet alleen die instrumenten in die de wetgeving van de lidstaten ongemoeid laten;

                                                                                                                      4. De Unie zet alleen die instrumenten in die de lidstaten het minste zullen kosten.

                                                                                                                      6. Indien grondwettelijke grondrechten botsen dan:

                                                                                                                      1. dient iedere rechter deze botsing van fundamentele rechten bij wijze van prejudiciële vraag voor te leggen aan de Hoge Raad;

                                                                                                                      2. dient iedere rechter deze botsing van fundamentele rechten bij wijze van prejudiciële vraag voor te leggen aan het EHRM;

                                                                                                                      3. is de volgorde van de grondrechten in de Grondwet voor de rechter maatgevend bij de beantwoording van de vraag welk recht voorrang heeft;

                                                                                                                      4. is de rechter vrij te bepalen hoe deze rechten zich tot elkaar verhouden, behoudens de afwegingen die de wetgever heeft gemaakt.

                                                                                                                      De geschiedenis van de Grondwet

                                                                                                                      7. In welk jaar na de Opstand wordt Nederland voor het eerst een monarchie?

                                                                                                                      1. a. 1648;

                                                                                                                      2. b. 1806;

                                                                                                                      3. c. 1813;

                                                                                                                      4. 1815.

                                                                                                                      De motie

                                                                                                                      8. Naar aanleiding van de voorgenomen introductie van de zogeheten wietpas interpelleert een lid van de Tweede Kamer de minister van Veiligheid en Justitie. De coalitiefracties steunen op hoofdlijnen het voornemen van de minister. Eén van die coalitiefracties dient tijdens de beraadslaging een motie in met het verzoek nog eens te onderzoeken of bij de introductie van de wietpas onderscheid kan worden gemaakt tussen toeristische gebieden en overige gemeenten. De minister ontraadt de motie, maar ziet er geen afkeuring van zijn beleid in. Ondanks de bezwaren van de minister wordt de motie aanvaard. Wat is naar Nederlands staatsrecht de positie van de minister van Veiligheid en Justitie? De minister is:

                                                                                                                        1. verplicht de motie uit te voeren;

                                                                                                                        2. niet verplicht de motie uit te voeren;

                                                                                                                        3. slechts verplicht de motie uit te voeren als de Kamer daarop staat;

                                                                                                                        4. niet verplicht de motie uit te voeren, tenzij de minister-­‐president hem hiertoe opdracht geeft.

                                                                                                                        Het bestuur van de buitenlandse betrekkingen

                                                                                                                        9. Wat is het rechtsgevolg indien 16 leden van de Eerste Kamer tijdig vragen om uitdrukkelijke goedkeuring van een verdrag dat ter stilzwijgende goedkeuring is voorgelegd?

                                                                                                                        1. Er is geen rechtsgevolg;

                                                                                                                        2. Het verdrag moet dan alleen in de Eerste Kamer uitdrukkelijk worden goedgekeurd;

                                                                                                                        3. Het verdrag moet dan in beide Kamers uitdrukkelijk worden goedgekeurd;

                                                                                                                        4. Als de Tweede Kamer bij meerderheid van stemmen het verzoek steunt, moet het verdrag in beide Kamers uitdrukkelijk worden goedgekeurd.

                                                                                                                        Bevoegdheden van de Raad van State

                                                                                                                        10. Wie is in welk geval verplicht advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State in te winnen?

                                                                                                                          1. De regering, als een wetsvoorstel wordt ingediend;

                                                                                                                          2. De Tweede Kamer, als een wetsvoorstel wordt ingediend;

                                                                                                                          3. De regering, als zij voornemens is een initiatief-­‐wetsvoorstel niet te bekrachtigen;

                                                                                                                          4. De regering, als zij voornemens is een algemene maatregel van bestuur vast te stellen.

                                                                                                                          De gemeenteraad

                                                                                                                          11. Sjef de Sleutelaere is 27 jaar oud en Belg, maar al wel 6 jaar woonachtig in Hulst (Zeeland). Als er een vacature is voor burgemeester in zijn woonplaats besluit hij te solliciteren. Maakt hij kans het ambt te mogen vervullen?

                                                                                                                            1. Nee, want de burgemeester moet Nederlander zijn;

                                                                                                                            2. Ja, want hij verblijft meer dan 5 jaren legaal in Nederland;

                                                                                                                            3. Nee, want als EU-­‐onderdaan heeft hij wel actief maar geen passief kiesrecht;

                                                                                                                            4. Ja, want als EU-­‐onderdaan heeft hij zowel actief als passief kiesrecht

                                                                                                                            Rechtsbescherming tegen de overheid

                                                                                                                            12. Frank Masmijer, uitbater van Kwalitaria Dinges, verneemt dat de minister van Volksgezondheid zeer onlangs op grond van zijn wettelijke bevoegdheid bij ministeriële regeling heeft bepaald dat de normen voor het gebruik van schoon frituurvet worden aangescherpt. Masmijer vreest door de strengere normen zijn frituurvet vaker te moeten vervangen en daardoor hogere kosten te moeten maken. Hij onderzoekt mogelijkheden om de rechtmatigheid van de nieuwe normen door de rechter te laten toetsen. De door Masmijer gewenste beoordeling van de rechtmatigheid van de nieuwe normen kan:

                                                                                                                              1. plaatsvinden door tegen de ministeriële regeling bezwaar te maken bij de minister waarna eventueel beroep op de bestuursrechter kan volgen;

                                                                                                                              2. plaatsvinden door tegen de ministeriële regeling bezwaar te maken bij de minister waarna eventueel administratief beroep op de regering kan volgen;

                                                                                                                              3. plaatsvinden door een vordering tegen de Staat in te stellen bij de burgerlijke rechter;

                                                                                                                              4. niet plaatsvinden.

                                                                                                                              Vernietiging

                                                                                                                              13. Spontane vernietiging van besluiten van het college van B&W is een bevoegdheid van:

                                                                                                                              1. de raad

                                                                                                                              2. de burgemeester;

                                                                                                                              3. de Commissaris van de Koning;

                                                                                                                              4. de regering.

                                                                                                                              Antwoorden op de algemene oefenvragen

                                                                                                                              1. A, Te vinden in Beginselen van het Nederlandse Staatsrecht, Hoofdstuk 5, paragraaf 1 , pagina 69.

                                                                                                                              2. B, Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 5, paragraaf 2 pagina 73

                                                                                                                              3. A, Te vinden in beginselen van het Nederlandse Staatsrecht, hoofdstuk 5, paragraaf 2 pagina 73

                                                                                                                              4. A, Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 18, paragraaf 3, pagina 379-380

                                                                                                                              5. B, Te vinden in beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 18, paragraaf 6, pagina 388

                                                                                                                              6. D, Te vinden in beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 18, paragraaf 7, pagina 390

                                                                                                                              7. B, Te vinden in Beginselen van het Nederlandse Staatsrecht, hoofdstuk 2, paragraaf 2, pagina 24 en te vinden in Handboek van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 10, pagina 133 van de klapper

                                                                                                                              8. B, Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 7, paragraaf 11, pagina 120

                                                                                                                              9. C, Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 11, paragraaf 3, pagina 195

                                                                                                                              10. D, Te vinden in beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 6, paragraaf 2 pagina 89

                                                                                                                              11. A,Te vinden in beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 16, paragraaf 10, pagina 337

                                                                                                                              12. C, Te vinden in Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, hoofdstuk 13, paragraaf 8, pagina 241-242

                                                                                                                              13. D

                                                                                                                              JoHo: bundel begrijpen

                                                                                                                                Hoe werkt een JoHo Bundel (pagina)

                                                                                                                              • Bundels zijn verzamelingen (vaak links) van pagina's rond een specifieke vraag of onderwerp
                                                                                                                              • Bundels werken als navigatietool

                                                                                                                              Welke soorten bundels zijn er?

                                                                                                                              Productbundels

                                                                                                                              • Verzekeringsbundels: verzameling van content rond verzekeringsadvies of verzekeringsaanbod
                                                                                                                              • Abonnementsbundels: verzameling van content rond advies of services voor JoHo abonnees en donateurs
                                                                                                                              • Shopbundels: verzameling van artikelen die besteld kunnen worden

                                                                                                                              Persoonlijke bundels

                                                                                                                              • op vrijwel elke pagina kun je onder de 'Footprints' de 'Add to my pages' optie vinden. Daar kun je pagina's toevoegen aan je eigen verzamelingen en bundels. Deze bundels met jouw bewaarde pagina's kun je vervolgens onderaan vrijwel elke pagina terugvinden als je bent ingelogd als JoHo donateur of abonnee.

                                                                                                                              Studiehulpbundels

                                                                                                                              • Boekbundels: verzameling van chapters die tezamen de samenvatting van een boek vormen
                                                                                                                              • Studiebundel: verzameling van content die hoort bij een specifiek vak of een studiefase

                                                                                                                              Themabundel

                                                                                                                              • Verzameling van content die behoort bij een topic en themapagina

                                                                                                                              Toolbundel

                                                                                                                              • Verzameling van content gericht op een specifiek proces of actie (bijvoorbeeld een vacature zoeken of een vak bestuderen)

                                                                                                                              Toolbundel voor abonnees

                                                                                                                              • Verzameling van content met toegang of services voor JoHo abonees
                                                                                                                              Footprint: achterlaten
                                                                                                                              Pagina bewaren in je bundels:

                                                                                                                              (Service voor ingelogde JoHo donateurs)