Voor de meest recente samenvattingen en studiehulp zoek je hier op titel of auteur en kan je gebruik maken van het menu
JoHo: menu studiehulp & samenvattingen

 

Samenvatting Televisiestudies

Voorbeeld Hoofdstuk (Je toegangsniveau is niet voldoende voor het gebruiken van de volledige samenvatting)
Voorbeeld Hoofdstuk (Je toegangsniveau is niet voldoende voor het gebruiken van de volledige samenvatting): 

Hoofdstuk 1

 

In Nederland worden op 2 oktober 1951 de eerste televisiebeelden uitgezonden onder supervisie van de Nederlandse Televisie Stichting (NTS). Eerder dat jaar hadden de NCRV, de VARA, AVRO en de KRO zich verenigd in de NTS. Deze uitzending wordt officieel de eerste genoemd, omdat deze werd verzorgd door de verzuilde omroepen die de rest van de ontwikkelingen van televisie ook verzorgde. Er waren echter al eerder experimenten gedaan door Philips in Eindhoven. Tijdens de eerste uitzending hadden nog maar zo’n vierhonderd huishoudens een televisie en dit aantal groeide pas in de jaren vijftig toen de uitzendtijd werd verbreed.

Het allereerste media-event vond plaats in 1962, genaamd Open het Dorp, waarbij geheel Nederland gekluisterd aan het beeld zat en er 21 miljoen gulden werd ingezameld.

 

In het boek Televisiestudies wordt er gekeken naar televisie vanuit een cultural-studies invalshoek, die zich met name richt op de televisie zelf en minder op de negatieve effecten die het kan hebben op anderen. Deze studie en anderen zijn ontstaan door het zestiende-eeuwse Verlichtingsdenken, waarbij wetenschappers de mens als autonoom handelend en denkend wezen beschouwden en de mens zagen als het middelpunt van alle betekenisgeving. In de cultural studies wordt dan ook het idee verworpen dat je weet wat de betekenis is van een medium zonder dit aan de gebruikers te vragen.

 

Ouder dan de cultural studies zijn de sociale wetenschappen die het ‘injectienaaldmodel’ gebruiken. Zonder veel onderzoek werd algemeen aangenomen dat de media als het ware bepaalde effecten, gemoedstoestanden en overtuigingen bij het publiek injecteert. Pas na de Tweede Wereldoorlog wordt er grondig onderzoek gedaan en komt Harald Laswell met het zender-boodschapper-ontvangermodel dat nog steeds dienst doet in de communicatiewetenschap. De communicatiewetenschap behoort tot de sociale wetenschappen door haar kwantitatieve en bestuurlijke onderzoeksbenadering. Er is maar weinig interesse in de betekenis van de mediatekst en zeker niet in de contexten waarin het medium zich bevindt.

 

In de jaren zestig ontstaat een roerige periode van maatschappelijke onrust. In deze periode verandert ook de vraag ‘Wat doen de media met de mensen?’ in ‘Wat doen de mensen met de media?’. Hieruit ontstaat het uses and gratifications model. Zo onstaat in de jaren zeventig de geesteswetenschappelijke cultuurkritiek. Door de omwentelingen in de jaren zestig en zeventig word de rol van de massamedia steeds duidelijker en verandert de academische blik op de massamedia. Het lineaire communicatieproces wordt vervangen door één die rekening houdt met het complexe samenspel tussen media en maatschappij. Ook verandert de academische blik op cultuur in het algemeen; de scheiding tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur verdwijnt langzaam.

 In de jaren zeventig begon Stuart Hall de cultural studies met zijn onderzoek naar jongerensubculturen in het Verenigd Koninkrijk. In het boek dat voortkwam uit het onderzoek, Resistance through rituals, worden de uitgangspunten van het cultural-studies-onderzoek besproken, namelijk:

  • De methode die dwars door de geestes- en sociale wetenscnhappen heen gaat.
  • De interesse in context van historische plaats en tijd.
  • De interesse in meningen van de mensen zelf, namelijk de ethnografische benadering.
  • De betrokkenheid van de onderzoekers.

In het onderzoek stond de notie dat de media werken in dienst van de machtigen en dat de publieksgroepen hier de dupe van zijn centraal. Onderzoek naar het publiek was er niet.

 

In 1980 kwam Stuart Hall met zijn encoding/decoding model die een revolutie bleek voor het televisieonderzoek. Het model gaat ervan uit dat er betekenis geproduceerd wordt bij zowel de producent als de ontvanger. Encoding gebeurt aan de kant van de producent die zijn boodschap/ideologie (onbewust) overbrengt. Deze beperkingen in de onderhandelingen noemt Hall ‘infrastructuur’, waaronder onder andere de informatie waartoe de producent toegang heeft en hun vooropleiding vallen. Een zelfde proces vindt plaats aan de kant van de ontvangers, wat decoding heet. De betekenis tussen producent en ontvanger kunnen hierdoor zeer verschillen.

Het model zorgde ervoor dat er ook onderzoek werd gedaan naar het actieve mediapubliek, die niet langer het eindpunt bleek te zijn in het communicatieproces, maar een onderdeel hiervan. Ook werd het communicatieproces niet meer gezien als simpel, maar als een onderhandelinsgsproces.

 

Het encoding/decoding model van Stuart Hall is voor buitenstaanders synoniem komen te staan voor de cultural studies. Voor deze revolutie had Raymond Williams echter al radicale ideeën. Zo zag Williams cultuur bijvoorbeeld als een whole way of life in plaats van dat cultuur gedefineerd was door producten zoals boeken en kunstwerken. Cultuur is volgens Williams het hele alledaagse leven en is een proces van betekenisgeving. In de jaren zeventig betrekt Williams ook de televisie in zijn opvatting en beschrijft het medium aan de hand van flows. Volgens Williams krijgt televisie op een andere manier betekenis dan ander media, omdat de ervaring fundamenteel anders is. Televisie presenteert zich namelijk aan de kijker in een stroom van beelden die soms wel en soms helemaal niets met elkaar te maken hebben. Hierdoor zijn de cultural studies een conextuele benadering geworden, waarin de onderzoeker volgens hem belangrijke contexten kan betrekken.
 

John Fiske en John Hartley kunnen worden gezien als de oprichters van de televisiestudies. Hun boek Reading television is namelijk het eerste boek dat televisie als cultureel medium serieus neemt. Zij zien de televisie als ‘bard’ van onze tijd, die op allerlei manieren verbonden is met onze maatschappij en cultuur. Televisie bestaat niet uit alleen maar informatie of amusement en de televisiestudies richten zich dan ook op de verschillende koppels van elementen in haar onderzoek. Deze koppels van elementen zijn:

 

  1. De rituele functie

Naast het feit dat televisie een hybride karakter heeft, heeft het volgens James Carey ook een rituele functie. Volgens Carey kijken we in het geval van televisie te veel naar de transmissiefunctie, terwijl televisie ook een rituele functie heeft vergelijkbaar met de kerk. Het is en wekelijks ritueel waar bestaande normen en waarden, idealen en ideeën in groepsverband worden herbevestigd; het versterkt hiermee ook de groepsbanden. Een voorbeeld hiervan is het journaal, waar veel mensen iedere avond naar kijken, of er nou belangrijk nieuws is of niet. Naast dit gevoel van verbondenheid bestaat er bij sommige programma’s ook uitsluiting. Zo zijn sommige programma’s alleen interessant als je voorkennis hebt of bekend met het programma. Uitsluiting kan ook plaatsvinden door programmeringstrategieën door horizontale programmering. Als iemand bijvoorbeeld ’s avonds laat geen televisie meer kijkt, loopt hij achter op de rest van het publiek die het wel ’s avonds gezien heeft.

 

  1. Bronnen

Bij het bestuderen van televisie zijn bronnen en verschillende benaderingen belangrijk. Een belangrijke bron is Fiske die heeft geprobeerd een groot aantal sociaal- en cultuurwetenschappelijke begrippen met elkaar te verbinden. Zo kwam hij op de drie begrippen polysemie, plezier en macht. Polysemie betekent veelbetekenendheid en het slaat op de tekens in de media, die geen inherente betekenis hebben. Hier komt ook het begrip macht bij kijken, aangezien de betekenis van tekens kan veranderen en hier strijd over wordt gevoerd. Het begrip plezier is een belangrijk wapen in deze strijd, doordat kijkers plezier kunnen ontlenen aan het meelezen of tegendraads lezen van een tekst.

 

  1. De filmwetenschap als bron

Veel ideeën ontleent Fiske aan de filmwetenschappen, die vanaf het begin van zijn bestaan ook en negatief imago had. Dit zorgde ervoor dat film pas na de Tweede Wereldoorlog film kritisch werd onderzocht. Met de auteurstheorie in de jaren vijftig wordt film geïntroduceerd als een Kunstvorm en verwerft het zich een plek binnen de cultuurwetenschappen. Hierna ontstonden er allerlei theorieën over het medium, ondermeer geleend uit de psychoanalyse en de structuralistische semiotiek. Fiske gebruikt hiervan enkele theorieën en onderzoekt televisie als een tekst, waardoor het behoort tot de geesteswetenschappen.

 

  1. Het feminisme als bron

Fiske is naast postmodern denker ook feministisch wat ervoor zorgt dat hij zich in zijn analyses niet alleen richt op klasse en etniciteit, maar ook sekse. Volgens Kim kan televisie niet los gezien worden van het feminisme en moet het onderscheiden worden van film om twee redenen:

  1. De gaze (blik) in films is mannelijk, terwijl televisie niet monopoliseert maar open staat voor een glance (terloops kijken).
  2. De theorie over de vrouwelijke kijker is in de filmtheorie nooit helemaal opgelost, omdat het plezier van het kijken als mannelijk wordt gezien. Volgens Kim richt de televisie zich juist op de vrouwelijke groep als consument.

 

  1. Klasse en distinctie: Bourdieu als bron

In de televisiestudies is het Marxisme ook erg belangrijk en dan voornamelijk het begrip klasse. In Nederland waren klasse minder belangrijk dan in bijvoorbeeld Engeland of Frankrijk, dus daarom houden we in de cultural studies de visie van de Franse Bourdieu aan. Bourdieu toonde in de jaren zeventig van de vorige eeuw aan dat klassenverschil niet allen te maken heeft met het bezit van de productiemiddelen of geld, maar ook met cultureel kapitaal. Ook binnen het cultureel erfgoed hebben sommige mensen ‘kapitaal’ bijvoorbeeld in de vorm van smaak, zoals je ziet in de kunstwereld. Bourdieu noemde dit mechanisme distinctie. Volgens Bourdieu horen hier ook culturele intermediairs bij, een nieuwe groep professionals die bemiddelen op het gebied van passend gedrag en smaak. Deze intermediairs bestaan in de televisiewereld ook, namelijk de televisiemakers, die hier de rol vervullen van het vertellen hoe te leven. Dit is goed terug te zien in make-overtelevisie.

 

  1. Foucault als bron

Zoals we al eerder noemde is plezier een belangrijke term, die Freud en Roland Barthes al gebruikten in de psychoanalyse en de structuralistische semiotiek. In de psychoanalyse staat plezier gelijk aan libido, seks en lust. Barthes werkt dit nog verder uit en kwam tot de begrippen plaisir en jouissance. Plaisir is hier conventioneel plezier en jouissance is het seksueel getinte, grensoverschrijdende plezier. Het idee dat plezier grensoverschrijdend kan zijn komt ook terug in de theorieën van Michel Foucault. Hij biedt een nieuwe manier aan van ‘subjectiviteit’. Onze subjectiviteit in het kijken en lezen komt in eerste instantie door onderwerping aan de macht van de instanties en de overheid. Daarnaast is onze subjectiviteit gebaseerd op de verleiding door de overheid en macht, dat ons het idee geeft iemand te zijn en er toe te doen. De televisie is en sterk medium dat dit verleiden bemiddelt. Er is dus niet alleen sprake van een vals bewustzijn, we werken hier zelf aan mee.

 

Er zijn acht theoretische uitgangspunten die de cultural studies kenmerkt:

 

  • Integraal geheel

Het communicatieproces wordt gezien als een integraal geheel. Bij het analyseren moet je naar alle aspecten kijken en deze ook met elkaar verbinden, dus productie en receptie etc. Hier past het encoding/decoding model van Stuart Hall goed bij.

 

  • Context

Cultuurproducten moeten altijd in de context van hun consumptie en productie bestudeerd worden, net als in de context van hun historische tijd en plaats. Betekenis hangt namelijk samen met betekenis en iets kan bijoorbeeld in de ene periode iets heel anders betekenen dan in een andere.

 

  • Kwalitatief onderzoek

Om de betekenis van media en cultuur te begrijpen, binnen de context van culturele processen en teksten, is kwalitatief onderzoek noodzakelijk. Kwantitatieve verbanden tussen uitingen en verschijnselen zijn niet genoeg. Kwantitatief onderzoek heeft bij tekstanalyse en publieksonderzoek de voorkeur.

 

  • Betrokkenheid

In de cultural studies bestaat er niet zo iets als objectiviteit. Uiteraard kun je afstand nemen, maar het is belangrijk dat je je bewust bent van het effect van je sekse, vooropleiding, sekse enzovoort op het onderzoek.

  • Machtsverschillen

In de betrokkenheid moet de onderzoeker niet de machtsverschillen uit het ook verliezen. Academici scharen zich al gauw aan de kant van de machtshebbers, waardoor een hoop buiten beeld blijft. Betrokkenheid leidt tot kracht en het zoeken naar objectiviteit een zwaktebod.

 

  • Beelden zijn geconstrueerd

Een wetenschapper in de cultural studies moet zich goed bewust zijn van het feit dat de beelden op televisie geconstrueerd zijn en dus niet de realiteit weergeven. Er worden op institutioneel, technisch en inhoudelijk vlak keuzes gemaakt over de manier van construeren.

 

  • Vervaging grens openbaar en privé

Televisie heeft gezorgd voor een vervaging van de grens tussen openbaar en privé. Daarom moet televisie gezien worden als een cultuur en hoe deze ontvangen worden in de maatschappij.

 

  • Televisie als integraal onderdeel van de besturingsmechanismen in onze maatschappij.

Televisie kan effect uitoefenen op het publiek, dit is echter niet eenzijdig. Het publiek kan zelf kiezen wat hier mee te doen. Zo draagt televisie bij aan regulering via governmentality.

 

Voor toegang tot deze pagina kan je inloggen

 

Inloggen (als je al bij JoHo bent aangesloten met een abonnement)

   Aansluiten   (voor online toegang tot alle webpagina's)

 

Hoe het werkt

 

Lees hieronder meer over aansluiten bij JoHo

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

    JoHo abonnement met service-pakket (€20,- + €60,-)

    • Voor wie de boeksamenvattingen voor zijn of haar studie of studiegebied gratis thuisgestuurd wil krijgen
    • Voor wie gebruik wil maken van de basisservices voor zijn of haar vrijwilligersorganisatie of instelling die de JoHo doeleinden steunt
    • Voor wie gebruik wil maken van de emigratie- en expatservices

    JoHo donateur (WorldSupporter) worden

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Sluit je een abonnement af in de periode juli tot en met december, dan maak je in de eerste maanden gratis gebruik maken van je de voordelen & services bij je abonnement. Je abonnementsbijdrage geldt dan ook voor het volgende kalenderjaar.

     

    Aanmelden bij JoHo

     

    Study note: begrijpen

     

     

     

    Study note: te gebruiken bij
    JoHo: benodigd toegangsniveau
    • Member (donateur)