Voor de meest recente samenvattingen en studiehulp zoek je hier op titel of auteur en kan je gebruik maken van het menu
JoHo: menu studiehulp & samenvattingen

 

Begrippenlijst Molecular Biology of the Cell

Voorbeeld Hoofdstuk (Je toegangsniveau is niet voldoende voor het gebruiken van de volledige samenvatting)
Voorbeeld Hoofdstuk (Je toegangsniveau is niet voldoende voor het gebruiken van de volledige samenvatting): 

1. Cellen en genomen
 


Begrip

Definitie

Aerobisch

Een reactie dat in of met moleculaire zuurstof plaats vindt.

Aminozuur

Een organisch molecuul dat een amino- (NH) en een zuurgroep (-COOH) bevat. Aminozuren dienen als bouwstenen voor eiwitten. 

Anaerobisch

Een reactie dat zonder moleculaire zuurstof plaats vindt.

Archaea

Een enkel cellig organisme zonder een celkern. Qua uiterlijk en metaboliek gelijk aan een bacterie, maar op moleculair niveau is het meer gelijk aan de genetische principes van eukaryoten.

Bacteriën

Het is een soort dat onder de groep bacteria, een van de drie groepen uit de boom des levens, valt. Het heeft geen celkern en behoort daarom tot de eukaryoten.

Chloroplast

Een organel dat voorkomt in groene algen en planten dat chlorofyl bevat. Het voert fotosynthese uit.

Cytoskelet

een systeem van eiwitdraden in het cytoplasma van een eukaryotische cel. Het geeft de cel vorm en de mogelijkheid om te bewegen. Voorbeelden zijn actine filamenten, microtubules en bemiddelende filamenten.

Diploïde

Een organisme dat een dubbel genoom bevat. Er zijn twee paar homologe chromosomen en daardoor zijn er twee kopieën van elk gen.

DNA replicatie

Een proces waarbij een kopie van een DNA molecuul wordt gemaakt

Enzym

Een eiwit dat een specifieke, chemische reactie katalyseert. Hierbij wordt de benodigde hoeveelheid energie verlaagt, zodat de reactie eerder en/of sneller kan verlopen.

Eukaryoten

Een organisme dat één of meerdere cellen met een aparte celkern bevat. Één van de drie takken van de boom des levens.

Fagocytose

Een proces waarbij ongewilde cellen worden opgeslokt door een cel. 

Gen

Een deel van het DNA dat wordt vertaald als één gebied. Het draagt genetische informatie en codeert voor een eiwit of een RNA molecuul.

Genduplicatie

Een deel of een heel gen wordt verdubbeld. Hierna kan het evolueren, een andere functie krijgen of onnodig zijn.

Genetische overtolligheid

De aanwezigheid van twee of meer gelijke genen met overlappende functies.

Genoom

De totale genetische informatie in een cel of organisme.

Haploïde

Het hebben van een enkele kopie van het genoom, één paar chromosoom. Voorbeelden zijn een spermacel, een eicel of een bacterie.

Homoloog

Één van twee of meer genen die gelijk zijn qua sequentie dat aanduidt dat ze van een gelijke voorouder afstammen.

Horizontale transfer

Is een proces waarbij genetisch materiaal tussen twee organismen wordt uitgewisseld, zonder dat er een familierelatie is tussen de twee.

Intercellulaire transfer

zie horizontale transfer

Meiose

Speciale soort van celdeling dat plaatsvindt tijdens seksuele reproductie. Het bevat twee succesvolle celkern delingen met maar één ronde zodat eruit een diploïde cel een haploïde cel ontstaat.

Mitochondria

Een membraanomlegen organel, zo groot als een bacterie, dat oxidatieve fosforlisatie uitvoert en produceert de meeste ATP (energie) in een eukaryotische cel.

Model organisme

Een soort dat voor een lange en intensieve tijd is bestuurd en dient als model voor het verkrijgen van fundamentele biologische principes.

Mutatie

Een erfelijke verandering in de nucleotide sequentie van een chromosoom.

mRNA (messenger RNA)

Een RNA molecuul dat de aminozuur sequentie voor een eiwit huishoudt. Een complementaire kopie wordt geproduceerd in eukaryotische cellen door RNA polymerase. Het wordt vertaald door een gekatalyseerde reactie in ribosomen.

Nucleotide

Een nucleoside met één of meerdere fosfaatgroepen, samengevoegd door esterbindingen aan suikers. DNA en RNA zijn polymeren van nucleotides.

Ortholoog

Genen of eiwitten van verschillende soorten die gelijk zijn in sequentie, omdat dat de genen zijn van een gelijke voorouder.

Paraloog

Genen of eiwitten die gelijk zijn in sequentie, omdat ze het resultaat zijn van genduplicatie in een voorouderlijk organisme. 

Plasma membraan

De omliggende wand van een levende cel.

Plasmide

Een smalle, circulair extra chromosomaal stukje DNA dat onafhankelijk repliceert van het genoom. Bewerkte plasmiden worden gebruikt als vectoren bij het klonen van DNA.

Polypeptide

Een lineair polymeer van aminozuren. Eiwitten zijn grote polypeptides.

Prokaryoten

Een enkel-cellig organisme zonder celkern.

Protist

Een enkel-cellige eukaryoot. Voorbeelden zijn protozoa, algen en gist.

Protozoa

Vrijlevende of parasitaire, nonfotosynthetische, enkel-cellige eukaryotische organismen. Ze leven op bacteriën of andere micro organismen.

Ribosomaal RNA (rRNA)

Een specifieke vorm van RNA moleculen die een deel van het ribosoom vormen en helpen bij de eiwitsynthese. 

RNA (ribonucleic acid)

Een polymeer dat gevormd wordt door covalent gebonden ribonucleotide monomeren.

Transcriptie

Het kopiëren van een streng DNA in een complementaire RNA sequentie door het enzym RNA polymerase.

Transfer RNA (tRNA)

Kleine RNA moleculen die worden gebruikt bij de eiwitsynthese als een adapter tussen mRNA moleculen en aminozuren. Elk type tRNA behoort tot een specifiek aminozuur.

Translatie

Het proces waarbij de sequentie van nucleotiden in een mRNA molecuul van aminozuren naar eiwitten worden vertaald.

Virus

Een deeltje dat RNA en DNA bevat in een eiwitjasje en in staat is om een gastheercel binnen te dringen en te gebruiken. Vervolgens wordt het virus vermeerderd en verspreid, met behulp van de gastheercel.

 

 

Voor toegang tot deze pagina kan je inloggen

 

Inloggen (als je al bij JoHo bent aangesloten met een abonnement)

   Aansluiten   (voor online toegang tot alle webpagina's)

 

Hoe het werkt

 

Lees hieronder meer over aansluiten bij JoHo

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

    JoHo abonnement met service-pakket (€20,- + €60,-)

    • Voor wie de boeksamenvattingen voor zijn of haar studie of studiegebied gratis thuisgestuurd wil krijgen
    • Voor wie gebruik wil maken van de basisservices voor zijn of haar vrijwilligersorganisatie of instelling die de JoHo doeleinden steunt
    • Voor wie gebruik wil maken van de emigratie- en expatservices

    JoHo donateur (WorldSupporter) worden

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Sluit je een abonnement af in de periode juli tot en met december, dan maak je in de eerste maanden gratis gebruik maken van je de voordelen & services bij je abonnement. Je abonnementsbijdrage geldt dan ook voor het volgende kalenderjaar.

     

    Aanmelden bij JoHo

     

    Study note: begrijpen

     

     

     

    Study note: te gebruiken bij
    Crossroad: relaties

    Belangrijkste begrippen bij het boek. Gebaseerd op de meest recente druk. Let op: Bevat hoofdstuk 1 t/m 7 en 15.

    JoHo: benodigd toegangsniveau
    • Member (donateur)