Voor de meest recente samenvattingen en studiehulp zoek je hier op titel of auteur en kan je gebruik maken van het menu
JoHo: menu studiehulp & samenvattingen

 

Samenvatting: Politiek in een veranderende wereld (Erk)

Voorbeeld Hoofdstuk (Je toegangsniveau is niet voldoende voor het gebruiken van de volledige samenvatting)
Voorbeeld Hoofdstuk (Je toegangsniveau is niet voldoende voor het gebruiken van de volledige samenvatting): 

Hoofdstuk 1: De ontwikkeling van politieke instituties

 

Vijf landen vergeleken

 

In het boek wordt de politieke situatie van vijf landen met elkaar vergeleken. Dit zijn Groot-Brittanië, Frankrijk, Duitsland, Italië en de VS. Vervolgens worden deze vergelijking gebruikt in een comperatieve analyse met de politieke situatie in Nederland en België. Door deze vergelijkingen kunnen belangrijke lessen geleerd worden, omdat men er op deze manier achter komt op welke vlakken al deze landen in politiek opzicht van elkaar verschillen en overeenkomen.

 

Groot-Brittanië, Frankrijk, Duitsland, Italië en de VS hebben elk bepaalde kenmerken, waardoor ze een goed onderwerp voor de casestudies vormen:

 

  • Groot-Brittanië is gekozen omdat het een stabiel land is en het een inclusief politiek systeem heeft.

  • Frankrijk wordt gebruikt omdat het in vele opzichte het tegenovergestelde is van Groot-Brittanië. Frankrijk is bijvoorbeeld een land dat gedreven wordt door politiek idealisme, ideologieën en ideeën. Deze nemen in Groot-Brittanië een veel minder prominente plaats in.

  • Italië & Duitsland worden meegenomen omdat het beide voorbeelden zijn van de gevormde natiestaat. Beide landen werden in de Tweede Wereldoorlog bezet, maar na de Tweede Wereldoorlog werd duidelijk dat Italië zeer instabiel bleef, terwijl Duitsland juist stabiliseerde.

  • De Verenigde Staten wordt in deze case stydie ook gekozen, omdat het in vele opzichte een uitzonderingsgeval is. In de VS bestaat bijvoorbeeld geen sterke linkse arbeiderspartij terwijl dit in alle andere (Europese) landen wel het geval is.

 

Twee revoluties

 

Het is belangrijk om de geschiedkundige ontwikkeling van een land te bestuderen omdat het vaak een verklaring biedt voor de huidige situatie van een land. Men kan het heden leren begrijpen/inzichtelijk maken door naar het verleden te kijken. Door het verleden onder de loep te nemen worden de politieke scheidslijnen van een land zeer duidelijk zichtbaar, en kan men zelfs een antwoord op de vraag vinden waarom in een bepaald land specifieke scheidslijnen belangrijk zijn en waarom die vaak niet zo heftig terugkomen in andere landen. Tevens kunnen we voor elk land algemene politieke patronen onderscheiden door de (politieke) geschiedenis van een land te onderzoeken. Het bestuderen en vergelijken van het verleden en het heden wordt ook wel vergelijkende politicologie genoemd.

Om een vegrelijking mogelijk te maken, zal bij elk van de vijf landen bij dezelfde punten worden stilgestaan:

 

  • De geschiedenis.

  • Het proces van natievorming.

  • De opkomst van de moderne staat.

  • De ontwikkeling van de constitutionele en institutionele structuren.

  • Op welke manier deze ontwikkeling heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van politieke

scheidslijnen.

 

Voor een vergelijkende politicologische studie zijn de twee revoluties van voor 1900 van groot belang omdat zij beide zorgde voor ingrijpende politieke veranderingen. Het gaat hierbij om:

 

  • De Franse Revolutie

  • De Industriële Revolutie

 

Als deze revoluties in hun historische context bekeken worden, kan worden geconcludeerd dat beide plaatsvonden in een tijd waarin de nieuw gevormde staten nog ernstig op zoek waren naar een bindende identiteit. Men wilde graag dat mensen uit een land hun persoonlijke identiteit ontleende aan hun collectieve identiteit.

 

Populaire/maatschappelijke legitimiteit is door de Fransen geïntroduceerd. Dit veranderde hoe men nadacht over het legitimeren van gezag. Voorheen was het feit dat de koning het gezag legitimeerde al genoeg, maar met het idee van populaire/maatschappelijke legitimiteit werd het gezag door de bevolking zelf gelimiteerd. Gezag lag niet meer bij de koning, maar bij de staat die de natie (het thuisland) moet beschermen. De bevolking dient zich te houden aan de wetten die de staat formuleert, maar het is wel zo dat de staat door de bevolking gekozen en goedgekeurd moet worden. Dit is een voorzichtige eerste stap naar democratische legitimiteit.

 

De staat werd de belangrijkste bron van legitimiteit, en daarom ging de staat een steeds hechtere band aan met zijn bevolking; er was sprake van een vermenging tussen staat en burgerschap. Voorbeelden hiervan zijn de invoering van de dienstplicht (burgers zouden zelf hun eigen land beschermen, in plaats van onbetrouwbare huurlingen) en het overnemen van taken van de kerk op het vlak van onderwijs en armenzorg. Dit was een ontwikkeling die jaren duurde, en waarin de staat steeds meer instellingen onder haar hoede nam.

 

De manier waarop mensen samenleefden veranderde drastisch door de industriële revolutie. Mensen uit verschillende gebieden kwamen door handel steeds meer met elkaar in contact. Bovendien bleven mensen niet langer generatie na geneatie op dezelfde plek wonen. Men verhuisde naar andere streken en landen op zoek naar werk en een leefbare omgeving. De toename van onderwijs en de drukpers had tot gevolg dat de taal die men sprak gestandaardiseerd werd, en dit ging ten koste van de lokaal gesproken dialecten. Bewoners in een land werden door deze ontwikkelingen steeds meer een bevolking met met een gedeelde nationale indentiteit.

 

Door de uitbreiding van het kiesrecht werden burgers steeds meer betrokken bij de staat. Tegelijkertijd werd het voor de staat op deze manier mogelijk om te bepalen wie er wel en niet mocht kiezen, en dus ook wie wel en wie geen volwaardig burger was. Het burgerschap werd dus door de staat gevormd. Het verschilde per land hoe men het burgerschap vorm gaf. In Frankrijk definieerde men het burgerschap aan de van territorialiteit (jus soli = het recht van de bodem), dus als je geboren was op Frans grondgebied, dan was je een Fransman. Duitsland deed precies het tegenovergestelde en definieerde het burgerschap door de bloedband (jus sanguinis wat ‘het recht van het bloed’ betekent).

 

Religie werd door de nieuw gevormde naties eerder als vijand dan als vriend beschouwd. Het Rooms-katholicisme werd in het bijzonder als een bedreiging gezien. Dit kwam vooral doordat de paus vaak plannen voor natievorming dwarsboomde, omdat hij graag zag dat burgers loyaal zouden blijven aan zijn gezag. Vooral Noord-Europa had moeite met deze ‘ultramontaanse’ houding, maar in Zuid-Europa begon men zich ook steeds meer te ergeren aan de macht van de kerk. De kerk zelf was – vanzelfsprekend - ook niet blij met deze teruglopende populariteit en zag met lede ogen toe hoe het onderwijs en de armenzorg seculariseerde. Er ontstond een strijd tussen diegene die de kerk wilden blijven volgen en diegene die een seculiere staat wilden hebben.

 

In dit soort conflicten maakt men soms zeer onwaarschijnlijke bondgenoten en in de strijd tussen kerk en staat was dit ook aan de orde. Liberalen en socialisten, beide voortgekomen uit de Franse Revolutie, die op bijna alle vlakken van mening met elkaar verschillen, gingen met elkaar de strijd tegen de kerk aan. Op dit vlak waren zij het namelijk wél met elkaar eens, beide kampen wilde niet meer terug naar een prerevolutionaire staatsinrichting waarin de kerk zeer veel macht in handen had.

 

Over het algemeen kan men dus stellen dat de staat bestond uit een groep liberalen en socialisten en in de andere hoek een kerkelijke blok dat bestond uit geestelijken en de adel. In deze hoek bevondt zich ook een deel van de lagere middenklasse en de arbeidersklasse. Arbeiders en mensen uit de lagere middenklasse werden afgeschrikt door het felle radicaal-linkse geluid.

 

Opkomst van politieke scheidslijnen

 

Binnen de vergelijkende politicologie wordt er vaak gesproken over het concept van politieke scheidslijnen. Politieke scheidslijnen laten zien wat er op een bepaald moment in een land aan de hand was. Scheidslijnen gaan vaak samen met conflict, maar dit is niet altijd het geval. Er is een verschil tussen een maatschappelijke en een politieke scheidslijn, en beide kunnen, maar hoeven dus niet, gepaard te gaan met conflict. Soms kunnen maatschappelijke scheidslijnen zich ontwikkelen tot politieke scheidslijnen (een duidend voorbeeld hiervan speelde in Canada waar voor zeer lange tijd Frans en Engelssprekende mensen tegenover elkaar stonden. Dit probleem is later ook een politieke scheidslijn geworden).

 

Politieke scheidslijnen kunnen voor orde zorgen en een goed begrip van deze scheidslijnen kunnen een verklaring bieden voor het politieke gedrag van de bevolking. In sommige gevallen zijn bepaalde scheidslijnen belangrijker dan anderen, in sommige gevallen lopen ze parallel en soms doorkruisen ze elkaar. Als scheidslijnen elkaar doorkruisen wordt dit ook wel ‘cross-cutting cleavages’ genoemd.

 

De Industriële Revolutie en de Franse Revolutie bepalen in grote mate welke scheidslijnen relevant zijn. De Industriële Revolutie is verantwoordelijk voor klasse als maatschappelijke en politieke scheidslijn. De Franse Revolutie is verantwoordelijk voor de scheidslijn tussen Kerk en staat en voor de scheidslijn tussen het centrum en de periferie. Het opkomende nationalisme zorgde er bovendien voor dat etniciteit een belangrijke scheidslijn werd.

Dus kort samengevat zijn klasse, religie en ook etniciteit zeer belangrijke scheidslijnen, per land verschilt echter hoe populair deze scheidslijnen zijn.

 

Als er door politieke scheidslijnen discussies oplaaien heeft met het vaak over ‘links’ en ‘rechts’. Deze termen vinden hun oorsprong in het Franse Parlement, want links van de parlementsvoorzitter zaten diegene die voor verandering waren en rechts zaten diegene die voor continuïteit waren. Het ligt allemaal niet zo simpel als het hier geschetst wordt, het is niet zo dat diegene die voor verandering waren altijd maar alles wilde veranderen, net zo min dat diegene die alles bij het oude wilde laten nooit iets wilde veranderen. Beide kanten waren vernieuwend aangezien ze beide wilde breken met het oude systeem waarin de adel bovenaan stond. Beide kanten wilden dus een ander systeem, daar waren ze het over eens, maar hoe dit andere systeem eruit moest komen te zien en hoe de staat ingericht moest worden, daarin verschillenden ze van mening.

 

Er zijn (extreem) linkse en (extreem) rechtse politieke partijen. Elke politieke partij kan op deze schaal ingedeeld worden. Linkse partijen zijn voor evenredige inkomensverdeling en een grotere rol van de staat in de economie. Rechtse partijen willen juist zo min mogelijke overheidsbemoeienis binnen de economie, zij willen de marktwerking zo vrij mogelijk laten zodat het zijn werk kan doen.

 

In het nieuwe politieke systeem waarin er een ‘links’ en ‘rechts’bestond moest men dus op een heel andere manier politiek bedrijven, en moesten ze kiezers werven. Want hoe meer kiezers je werft, des te groter de kans dat je wint en dat je de macht in handen krijgt. Een van de vele manieren om kiezers te werven was door het te hebben over educatie. Links wilde dat de overheid het onderwijssysteem verzorgde terwijl rechts de kerkelijke educatie wilde behouden.

 

De extreme tegenstelling tussen religieus en niet-religieus had ten gevolge dat de niet-religieuze kant ook een soort religie begon te prediken. Zij hadden een groot geloof in vooruitgang, het goede in de mens en het idee dat de progressieve ideeën vanuit de massa zouden komen.

 

Links had dus seculiere vooruitgangsidealen en vond dat deze centraal moesten staan. Er waren nogal wat arbeiders die moeite hadden om de kerk zo maar aan de kant te schuiven en sloten zich daarom aan bij gematigdere arbeiderspartijen. De linkse vleugel werd vooral gedomineerd door de stedelijke middenklasse, artsen, juristen, journalisten en diegene die werkten voor de staat (zoals leraren).

 

De politieke termen links en rechts staan voor twee verschillende levensbeschouwingen, waarin links voortkomt uit het moderne vooruitgangsdenken en rechts voortkomt uit het traditionalisme. De economische scheidslijnen die nu ons denken over links en rechts voor grote mate bepalen, komen pas later aan de orde.

 

De opkomst van de politieke partij

 

In de negentiende eeuw ontwikkelt de natiestaat zich steeds verder en begint deze steeds meer te lijken op de natiestaat die wij nu kennen. Men wist tegen deze tijd ook maar al te goed dat deze ontwikkeling niet altijd vredig zou verlopen. Het terreur tijdens de Franse Revolutie lag nog vers in het geheugen en men zag in dat verandering, hoe wenselijk deze ook is, kan leiden tot instabiliteit en anarchie.

 

Om dit soort situaties te voorkomen ging men intermediaire instituties oprichten die een brug zouden kunnen vormen tussen staat en burger. Het oprichten van politieke partijen of massapartijen is hier een voorbeeld van. De opkomst van massapartijen had te maken met de veranderende vormen van representatie, en met name de uitbreiding van het kiesrecht.

 

Een partij zorgde voor stabiliteit en continuïteit en de kans op anarchie werd steeds kleiner. Deze grote politieke partijen waren niet alleen maar politiek, deze partijen speelde ook een grote rol in het dagelijks leven (zij brachten kranten uit, organiseerden lezingen maar ook dansavonden etc.). Een partij bestond uit meer dan een aantal politieke standpunten, het vormde ook een politieke en sociale identiteit (zoals de verzuiling in Nederland aantoont).

 

Volgens Vladimir Key (1964) hebben politieke partijen drie functies:

  • Zij hebben verschillende taken in het electoraat.

  • Zij hebben een functie als organisatie.

  • Zij hebben plichten in de regering.

 

Door de komst van deze massapartijen en nieuwe politieke stromingen veranderden de politieke scheidslijnen en kwamen er nieuwe scheidslijnen bij. Deze gingen bijvoorbeeld over afkomst en postmaterialisme. Om de scheidslijnen en de oorzaak hiervan beter te begrijpen wordt er eerst kort ingegaan op de de verschillende ‘oude partijfamilies’. Dit waren de:

 

  • De liberalen

  • De conservatieven

  • De christendemocraten (deze linkse kant kunnen in communisten en sociaal-democraten onderverdeelt worden)

 

Toenadering en verwijdering tussen links en rechts

 

Belangrijk om op dit moment te onthouden is dat politieke scheidslijnen, partijstelsels en het verschil tussen links en rechts geen vaste betekenis hebben. Doelstellingen van partijen zijn in honderd jaar verandert, en begrippen zoals links en rechts betekenen ook niet meer hetzelfde als honderd jaar geleden.

 

Er hebben zich een aantal belangrijke ontwikkelingen voorgedaan die een grote impact hebben gehad op de inhoudelijke tegenstellingen tussen de linkse en rechtse partijen. Dit zijn:

  • De opkomst van de welvaartsstaat. Dit zorgde ervoor dat links en rechts wat dichter tot elkaar kwamen.

  • De sterke positie van de Sovjet-Unie en het begin van de Koude Oorlog. Hierdoor veranderde de verhouding of dynamiek tussen links en rechts. De communisten vormden op dat moment een zeer grote mondiale bedreiging en hierdoor ontwikkelde de nationale tegenstelling tussen socialisten en communisten zich tot een internationale tegenstellingen

  • De reactie op de luie houding van de overheid na de Grote Depressie. Door deze niet-actieve houding kreeg het gedachtegoed van John Maynard Keynes veel aanhang. Zijn idee was dat de overheid in een tijd van economische crisis ten eerste vooral geld moest uitgeven aan projecten om de economie te stimuleren en ten tweede dat de belastingen verlaagd moesten worden. In de periode van de wederopbouw (na de Tweede Wereldoorlog) is het model van Keynes dan ook voor een zeer groot deel gebruikt. Dat er dus meer overheidsbemoeienis kwam, was iets wat de linkse partijen altijd al een goed idee vonden, en de rechtse partijen die juist zo min mogelijk overheidsbemoeienis zouden willen hebben zagen nu ook wel in dat deze bemoeienis nou eenmaal moest. Deze hele situatie zorgde er dus voor de gematigde linkse en rechtste partijen dichter bij elkaar kwamen. Op dit punt sloten links en rechts een compromis maar in de jaren zeventig van de twintigste eeuw begon dit al af te brokkelen maar in de jaren negentig kwamen links en rechts juist weer meer tot elkaar.

 

Na de Tweede Wereldoorlog nam het traditionele stemgedrag per sociale klasse geleidelijk steeds meer af (een arbeider ging niet meer per definitie stemmen op een linkse partij, en een persoon uit de middenklasse stemde niet sowieso op een rechtse partij). Dit kwam omdat de rol van religie steeds minder groot werd en de tegenstellingen die door religie veroorzaakt werden vervaagden en dit was dus terug te zien in het stemgedrag.

 

De religieuze tegenstellingen die vanaf toen een minder grote rol speelden werden vervangen door tegenstellingen over postmaterialistische onderwerpen (zoals de vredesbeweging en het milieu). Het interessante is dat deze postmaterialistische onderwerpen niet verbonden zijn aan een bepaalde klasse, dus het stemgedrag van de burger ging sterk veranderen.

 

Postmaterialistische onderwerpen zorgde dus voor hele nieuwe scheidslijnen en een nieuwe stemcultuur. Naast de Postmaterialistische scheidslijnen waren er ook politieke scheidslijnen die gingen over leeftijd en gender.

 

Over het algemeen kan worden geconcludeerd dat burgers zich steeds meer verenigen op basis van losse onderwerpen die op dat moment voor hen belangrijk zijn. De politiek die eerder gedomineerd werd door scheidslijnen is vervangen door een ‘issue politiek’.

 

In de twintigste eeuw veranderde de politieke agenda en kwamen er steeds meer niet-economische onderwerpen op de agenda. Door deze verandering ontstonden twee nieuwe soorten politieke partijen:

 

  1. One-issue partij

  2. Catch-all partij

  3. Kartelpartij

verder ontstonden als gevolg van de veranderende politieke agenda twee nieuwe partijfamilies:

 

  1. De groene partijen

  2. Extreem rechtste partijen

 

De institutionele structuur van een land is verantwoordelijk voor de mate waarin en de manier waarop nieuwe ontwikkelingen zich in een land voordoen. Een onderdeel van de institutionele structuur is het kiesstelsel. Om het verschil tussen de vele kiesstelsels te zien, wordt er gekeken naar twee extreme kiesstelsels:

 

  • First-past-the-post systeem (ook wel Kiesstelsels met enkelvoudige districten genoemd) met meerdere districten. Dit systeem wordt nog steeds in Groot-Brittannië en de VS gehanteerd. Een variatie op dit kiesstelsel is ‘Single Transferable Vote (STV).

  • Volledig proportionele systeem met één kiesdistrict. Dit is het kiesstelsel in Nederland en vele andere landen hanteren een variant op dit kiesstelsel. Een variatie op dit kiesstelsel is ‘Mixed-Member proportional systems’.

 

 

Voor toegang tot deze pagina kan je inloggen

 

Inloggen (als je al bij JoHo bent aangesloten met een abonnement)

   Aansluiten   (voor online toegang tot alle webpagina's)

 

Hoe het werkt

 

Lees hieronder meer over aansluiten bij JoHo

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

    JoHo abonnement met service-pakket (€20,- + €60,-)

    • Voor wie de boeksamenvattingen voor zijn of haar studie of studiegebied gratis thuisgestuurd wil krijgen
    • Voor wie gebruik wil maken van de basisservices voor zijn of haar vrijwilligersorganisatie of instelling die de JoHo doeleinden steunt
    • Voor wie gebruik wil maken van de emigratie- en expatservices

    JoHo donateur (WorldSupporter) worden

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Sluit je een abonnement af in de periode juli tot en met december, dan maak je in de eerste maanden gratis gebruik maken van je de voordelen & services bij je abonnement. Je abonnementsbijdrage geldt dan ook voor het volgende kalenderjaar.

     

    Aanmelden bij JoHo

     

    Study note: begrijpen

     

     

     

    Study note: te gebruiken bij
    JoHo: benodigd toegangsniveau
    • Member (donateur)