Voor de meest recente samenvattingen en studiehulp zoek je hier op titel of auteur en kan je gebruik maken van het menu
JoHo: menu studiehulp & samenvattingen

 

Samenvatting Crime and the Life Course (Benson)

Voorbeeld Hoofdstuk (Je toegangsniveau is niet voldoende voor het gebruiken van de volledige samenvatting)
Voorbeeld Hoofdstuk (Je toegangsniveau is niet voldoende voor het gebruiken van de volledige samenvatting): 

1. Levenslooptheorie

In de levensloopbenadering speelt vooral de diversiteit in levensloop van mensen een grote rol. Waarom groeit het ene kind op tot dokter en het andere tot crimineel terwijl ze onder dezelfde omstandigheden zijn opgegroeid? Deze benadering probeert die diversiteit te begrijpen. Hierbij wordt ook gebruik gemaakt van ideeën en empirische observaties uit andere disciplines als biologie, psychologie, sociologie en geschiedenis. Het is dus eerder een manier van denken over en bestuderen van het menselijk leven en de ontwikkeling ervan dan dat het een gedetailleerde theorie is. De levensloop verwijst ook niet alleen naar de periode tussen geboorte en dood. Het refereert aan een opeenvolging van leeftijdgerelateerde fasen die gewoonlijk van elkaar gescheiden worden door normatief gedefinieerde overgangen. Normaal gesproken zijn ze ook zo geordend dat de ene gebeurtenis volgt op of voorafgaat aan de ander (vanuit normatief gezichtspunt gaat trouwen vooraf aan kinderen krijgen, ongeacht de vaak omgekeerde realiteit). De levensloop kan dus beschreven worden als een stel onderling verbonden trajecten (trajectories) in het leven van een persoon. Een traject is hier een reeks verbonden stadia binnen een bepaald gedrags- of ervaringsdomein. Denk bijvoorbeeld aan een ‘opleidingstraject’; een traject dat gewoonlijk door de basisschool, middelbare school en hoger onderwijs loopt. Elk diploma/afstuderen markeert een overgang (transition) van het ene stadium naar het andere. Deze trajecten worden door levenslooponderzoekers doorgaans op drie gebieden onderzocht, namelijk biologisch, psychologisch en sociaal. Trajecten binnen deze drie verschillende gebieden hebben een wederkerig effect op elkaar. De biologische overgang van puberteit kan bijvoorbeeld belangrijke gevolgen hebben voor psychologische en sociale trajecten.

De levensloopbenadering zoals we die nu kennen heeft vier leidende principes die gebruikt worden bij onderzoek en theoretische analyse. Deze vier principes zijn:

  1. Historische tijd en plaats

  2. Timing

  3. Verbonden levens

  4. Human agency

Historische tijd en plaats

De historische tijd en plaats waarin we leven heeft een immens effect op onze individuele ontwikkeling en levensloop. Het maakt zeker uit waar en wanneer je geboren bent en waar en wanneer je leven zich afspeelt. Snelle sociale veranderingen (vb. oorlog, economische crises) kunnen ons leven verstoren en de timing en richting van belangrijke sociale gebeurtenissen veranderen. Denk bijvoorbeeld aan soldaten in Irak of Afghanistan die met fysieke en/of psychologische wonden thuiskomen die een vergaand effect op hun huwelijk zouden kunnen hebben. Zonder de oorlog zouden die effecten er niet geweest zijn. Er zijn ook sociale en historische veranderingen die minder zichtbaar zijn en langzamer evolueren maar net zulke grote effecten teweeg kunnen brengen. Een voorbeeld is de verschuiving van platteland naar stad, van de agrarische sector naar de industriële sector. Dit heeft vooral effect gehad op het stadium van adolescentie. Voorheen ging een man op zijn zestiende het land op om te werken, trouwde men jong en begon jong aan kinderen. Nu is veel werk technischer van aard en vergt het meer training en onderwijs, wat weer gevolgen heeft voor de leeftijd waarop men trouwt en kinderen krijgt. Op die manier is geleidelijk een gat ontstaan tussen de leeftijd waarop men fysiek volwassen wordt en de leeftijd waarop men sociaal volwassen wordt (de zogenaamde maturity gap). Dit alsmaar wijder wordende gat is een belangrijke factor in de groei en veranderende patronen van jeugdcriminaliteit.

Timing

De manier waarop individuele en sociale gebeurtenissen levenspatronen beïnvloeden is afhankelijk van hoe oud men is op dat moment. Dit wordt ook wel het levensstadiumprincipe (life stage principle) genoemd. Voor iemand die op zijn 13e gearresteerd wordt voor een bepaalde ernstige overtreding heeft dat compleet andere gevolgen voor de toekomst dan voor iemand die op zijn 25e gearresteerd wordt. Ook het effect van preventieve en correctieve maatregelen is afhankelijk van de leeftijd waarop ze worden toegepast. Het principe van timing betreft dus de effecten van zowel ongeplande gebeurtenissen (arrestatie) als geplande interventies (preventieve/correctieve maatregelen) die in de levensloop voorkomen.

Verbonden levens

Onze individuele levens zijn verbonden met de levens van anderen in de zin dat veranderingen en gebeurtenissen in de levens van de mensen om ons heen impact kunnen hebben op onze eigen levenstrajecten. Als een ouder tot een gevangenisstraf veroordeeld zou worden heeft dat ongetwijfeld een sterk negatieve impact op de psychologische en sociale ontwikkeling van het kind.

Human agency

Er is geen duidelijke betekenis van het begrip ‘agency’ in relatie tot de levensloopbenadering. Eén interpretatie is dat dit het vermogen is controle over ons eigen leven uit te oefenen. Wij fungeren dan als tussenpersoon die bewust dingen teweegbrengt door onze eigen handelingen. Individuen stellen hun eigen levensloop samen door het maken van keuzes. Door het maken van een bepaalde studiekeuze begrijpen we dat hierdoor sommige carrièremogelijkheden geopend en anderen gesloten worden. De keuze om niet te studeren maar drugsdealer te worden plaatst dat individu weer op een heel ander traject. Het concept van dit soort ‘levenskeuzes’ begrijpen we allemaal tot een bepaald niveau. Onderzoekers willen hier echter een dieper begrip van. Zij willen namelijk het waarom van deze keuzes weten. Ze willen kunnen voorspellen wie welke keuzes zal maken. Levensloopcriminologen hebben al veel achtergrondfactoren kunnen identificeren die de keuzes voor het wel of niet verwikkeld raken in criminaliteit beïnvloeden. Enkele voorbeelden zijn drugsgebruik, huwelijk, platonische relaties, persoonlijke karaktertrekken en spiritualiteit. Toch is er nog niets ontwikkeld dat in de buurt komt van een allesomvattende verklaring. Het lijkt niet echt mogelijk het waarom van keuzes te begrijpen. Ondanks de onduidelijkheid rond het begrip ‘agency’ speelt het een grote rol in de heersende theoretische benaderingen in levensloopcriminologie.

De opkomst van levensloopcriminologie

De oorsprong van de levensloopbenadering voor criminaliteit kan getraceerd worden tot aan het begin van de twintigste eeuw. In die periode begonnen sociologen met longitudinale studies naar onder andere problemen in de Amerikaanse samenleving. Deze studies namen een levensloopbenadering aan. Ook Amerikaanse criminologen zagen in dat longitudinale studies een hoop inzicht in hun onderzoeksmaterie konden geven. In de jaren 30 werden twee belangrijke longitudinale studies naar delinquenten begonnen, de Crime Causation Study (Glueck & Glueck, 1950) en de Cambridge-Somerville Youth Study (Powers & Witmer, 1951). Beide studies overspanden meerdere decennia en dienen als theoretische en empirische voorbeelden voor hedendaags longitudinaal onderzoek naar carrières in criminaliteit. Een belangrijk keerpunt in criminologisch onderzoek in Amerika was in de jaren ‘60 in Philadelphia met een geboortecohortstudie (Wolfgang, Figlio & Thorsten Sellin, 1972). Deze studie was belangrijk omdat het ontzettend gedetailleerde data gaf over de longitudinale opeenvolging van overtredingen in dit cohort. Ook werd door middel van deze studie duidelijk dat maar een klein groepje individuen verantwoordelijk is voor de meerderheid van serieuze overtredingen. Juist deze individuen – wie zijn ze, waar komen ze vandaan, wat moet er met ze gebeuren, etc. – spelen een hoofdrol in de levensloopcriminologie.

De publicatie van een tweedelig rapport over ‘carrièrecriminelen’ en ‘criminele carrières’ in 1986 markeert een ander belangrijk punt in de criminologie. Een criminele carrière wordt beschreven als de longitudinale opeenvolging van overtredingen gepleegd door een individuele overtreder en wordt gekenmerkt door vier sleutelaspecten. Het aspect van participatie onderscheidt hen die zich ten minste één keer in hun leven met criminaliteit inlaten van hen die dat nooit doen. Huidige participatie onderscheidt hen die zich met criminaliteit inlaten tijdens een specifieke periode van hen die zich tijdens die periode niet met criminaliteit inlaten. De aanvangsleeftijd geeft het begin van een criminele carrière aan. Het eindpunt van een criminele carrière wordt aangegeven met de term desistance (stoppen met crimineel gedrag). Frequentie verwijst naar het cijfer (lambda λ) van criminele activiteiten van een individu, dat wil zeggen het aantal overtredingen gepleegd door dit individu tijdens een bepaalde tijdsperiode. Frequenties verschillen per persoon en per tijdsperiode. Verschillen in λ worden geassocieerd met demografische karakteristieken zoals leeftijd, ras en geslacht en andere factoren zoals aanvangsleeftijd en drugsgebruik. Individuen met een jongere aanvangsleeftijd, bijvoorbeeld, hebben vaak een hogere λ-waarde dan zij die later beginnen. Een belangrijke vraag voor levenslooponderzoekers is welke gebeurtenissen of levensloopkenmerken de individuele overtredingscijfers beïnvloeden. De ernst van de gepleegde overtredingen verschilt ook per overtreder. Escaleert de ernst van de gepleegde overtredingen bij sommige overtreders naarmate hun carrière vordert? Zo ja, wat onderscheidt hen die escaleren van hen die dat niet doen? Als overtreders het einde van hun criminele carrière naderen, de-escaleren hun overtredingen dan of blijft het gelijk door hun hele carrière heen tot het punt van desistance? Zijn overtreders over het algemeen gespecialiseerd in bepaalde soorten overtredingen of zijn het generalisten die zich inlaten met een breed scala aan soorten overtredingen? Dit zijn allemaal vragen waar levenslooponderzoekers zich mee bezig houden. Een laatste belangrijk aspect is de (carrière)duur van criminele carrières. Een consistente bevinding is dat criminele carrières over het algemeen kort zijn met een beginpunt halverwege de tienerjaren en een eindpunt in de late tienerjaren of begin twintig. Er zijn natuurlijk individuen die doorgaan tot ver in de dertig en zelfs nog langer. Onderzoekers zijn vooral geïnteresseerd in de relatie tussen duur, ernst en frequentie, en of er überhaupt een relatie is.

De levensloopbenadering kent ook een aantal beperkingen. Een belangrijke beperking heeft te maken met de conceptualisering van criminaliteit. In de Verenigde Staten richt het overgrote deel van criminologisch onderzoek zich op alledaagse ‘straatcriminaliteit’ en op de overtreders die dat soort criminaliteit begaan. Dit is criminaliteit dat door de FBI jaarlijks geïndexeerd wordt in de Uniform Crime Report (onder andere moord, verkrachting, beroving, vernieling, mishandeling, etc.). Door de focus op dit soort overtredingen en overtreders worden anderen snel over het hoofd gezien (denk bijvoorbeeld aan witteboordencriminelen) en zo ontstaat er dus een scheef beeld van criminele carrières.

Belangrijke theoretische concepten

TRAJECTEN EN OVERGANGEN

Zoals eerder gezegd is een traject een reeks verbonden stadia binnen een bepaald gedrags- of ervaringsdomein. Trajecten worden gekarakteriseerd door een aantal dimensies die consequenties hebben voor hoe een individu zich ontwikkelt. Deze zijn aanvang (entrance), succes en timing. Wat betreft aanvang kunnen individuen beschreven worden aan de hand van de trajecten die ze wel en niet aanvangen (niet iedereen krijg kinderen dus niet iedereen begint aan een ouderschapstraject). Eenmaal aan een traject begonnen kunnen er verschillende maten van succes zijn wat betreft het voltooien van de typische taken of activiteiten waaruit het traject bestaat (afstuderen versus vroegtijdig school verlaten). Ook belangrijk in de trajecten is timing. In elke samenleving zijn er geaccepteerde tijden voor individuen om een bepaald traject te beginnen of te beëindigen en bepaalde overgangen te maken. Een adolescent verlaat gewoonlijk het ouderlijk huis aan het eind van de tienerjaren of begin twintigerjaren. Mensen die veel eerder of veel later vertrekken maken de overgang dan niet op de ‘juiste’ leeftijd. Dat kan weer gevolgen hebben voor andere gedragstrajecten.

CUMULATIEVE CONTINUITEIT EN ZELFSELECTIE

Cumulatieve continuïteit heeft te maken met de manier waarop gedrag op een bepaald moment in het leven invloed heeft op mogelijkheden en gedrag later in het leven. In relatie tot criminaliteit betreft het een dynamisch proces waarin delinquent gedrag op een bepaald moment in de tijd gevolgen heeft voor de waarschijnlijkheid dat het delinquente gedrag doorgaat op latere momenten. Het proces van cumulatieve continuïteit leidt uiteindelijk tot cumulatieve benadeling (cumulative disadvantage) waarbij de opeenstapeling van negatieve ervaringen en mislukkingen het moeilijk maken voor een individu om te slagen in het leven.

Zelfselectie refereert aan de neiging van personen om ervaringen te selecteren die consistent zijn met interne eigenschappen of aanleg die al vroeg in het leven vastgesteld zijn. Statistisch gezien betekent het dat de correlatie tussen delinquent gedrag op het ene moment en delinquent gedrag op een later moment niet causaal is (geen oorzaak-gevolgrelatie). Beide overtredingen worden veroorzaakt door de interne eigenschappen van het individu. Er is geen sprake van cumulatieve continuïteit.

ONTOGENESE

Ontogenese betreft de opeenvolging van gebeurtenissen die betrokken zijn bij de ontwikkeling van een individueel organisme, van bevrucht ei tot volwassen individu. De dwaling hierbij (ontogenetic fallacy) is het toewijzen van ontwikkelingsresultaten enkel en alleen aan het ontvouwen van persoonlijke eigenschappen terwijl het in feite de wisselwerking tussen de eigenschappen en de omgeving is die de resultaten produceert.

COHORTEN, SOCIALE EN HISTORISCHE LEEFTIJD

Een cohort is een groep individuen die dezelfde gebeurtenis meemaakt binnen hetzelfde tijdsinterval, meestal is deze gebeurtenis de geboorte. Leeftijdscohorten kunnen met elkaar vergeleken worden om zogenaamde cohorteffecten (cohort effects) te observeren. Dit cohorteffect is bijvoorbeeld aanwezig wanneer leden van verschillende cohorten significant verschillen in bepaalde eigenschappen. Het cohorteffect is van belang voor de levensloopbenadering omdat ze de waarschijnlijke aanwezigheid aantonen van grootschalige historische invloeden op de structuur van de levensloop.

Sociale leeftijd verwijst naar de normen en verwachtingen die mensen op verschillende leeftijden treffen. Er zijn ‘juiste’ leeftijden voor bepaalde grote levensgebeurtenissen zoals trouwen en een carrière beginnen. Wanneer zo’n overgang buiten de ‘juiste’ leeftijd plaatsvindt heeft dat normatieve en demografische gevolgen. Historische leeftijd heeft te maken met het cohort waarin iemand zich bevindt. Leeftijd kan verschillende betekenissen hebben. 10 jaar oud zijn in 2013 is heel anders dan 10 jaar oud zijn in 1943. Historische en sociale leeftijd zijn verbonden in de zin dat betekenissen en gevolgen van gebeurtenissen kunnen verschillen afhankelijk van wanneer ze historisch gezien meegemaakt worden.

LONGITUDINALE ONDERZOEKSOPZET

Er zijn twee verschillende longitudinale onderzoeksopzetten die vaak gebruikt worden binnen het levenslooponderzoek: prospectief en retrospectief. De prospectieve opzet volgt gewoonlijk over langere tijd een bepaald leeftijdscohort. Aan de start van het onderzoek worden basisgegevens verzameld en op periodieke intervallen daarna worden nieuwe gegevens verzameld. Deze data worden voornamelijk verzameld door middel van interviews met de proefpersonen, maar kunnen ook verzameld worden via ouders, leraren en officiële (strafrechtelijke) instanties. Het voordeel van deze opzet is dat gegevens vrij snel nadat het gebeurd is verzameld kunnen worden, voordat ze vervormd zijn door retrospectieve re-interpretatie van de proefpersoon. Het nadeel van deze opzet is dat vooral bij een jonge leeftijdscohort van tevoren niet duidelijk zal zijn hoeveel proefpersonen er terecht zullen komen in criminaliteit. Het gevolg van het vinden van maar een klein aantal serieuze overtreders reduceert de statistische kracht van het onderzoek en maakt het moeilijk voor onderzoekers conclusies te trekken. Om dit te voorkomen kan een grotere selectie onderzocht worden maar dit is vaak weer te duur. Een andere oplossing is te kiezen uit een ‘hoog risicoselectie’ (high-risk sample), waar de proefpersonen door hun achtergrond en omstandigheden een hoger overtredingscijfer hebben dan normaal. Wat vaak gebeurt, is dat een hoog risicoselectie en een gewone selectie samengevoegd worden in een studie. De retrospectieve opzet kijkt terug in plaats van vooruit. Meestal wordt gebruik gemaakt van wat oudere proefpersonen die geselecteerd zijn op basis van onderzoekscriteria. Een duidelijk nadeel is het probleem van vergeetachtigheid en re-interpretatie van gebeurtenissen. Onderzoekers proberen dit te corrigeren door gebruik te maken van de interviewtechniek life history calendar. Het grote voordeel van retrospectieve studies is dat ze onderzoekers toestaan steekproeven te doen die hun onderzoeksvragen tegemoetkomen. Ze kunnen bijvoorbeeld steekproeven doen die de juiste aantallen serieuze overtreders bevatten voor hun statistische analyses.

 

Voor toegang tot deze pagina kan je inloggen

 

Inloggen (als je al bij JoHo bent aangesloten met een abonnement)

   Aansluiten   (voor online toegang tot alle webpagina's)

 

Hoe het werkt

 

Lees hieronder meer over aansluiten bij JoHo

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

    JoHo abonnement met service-pakket (€20,- + €60,-)

    • Voor wie de boeksamenvattingen voor zijn of haar studie of studiegebied gratis thuisgestuurd wil krijgen
    • Voor wie gebruik wil maken van de basisservices voor zijn of haar vrijwilligersorganisatie of instelling die de JoHo doeleinden steunt
    • Voor wie gebruik wil maken van de emigratie- en expatservices

    JoHo donateur (WorldSupporter) worden

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Sluit je een abonnement af in de periode juli tot en met december, dan maak je in de eerste maanden gratis gebruik maken van je de voordelen & services bij je abonnement. Je abonnementsbijdrage geldt dan ook voor het volgende kalenderjaar.

     

    Aanmelden bij JoHo

     

    Study note: begrijpen

     

     

     

    Study note: te gebruiken bij
    Crossroad: relaties

    Uitgebreide samenvatting van het boek. Gebaseerd op de meest recente druk.

    JoHo: benodigd toegangsniveau
    • Member (donateur)