Voor de meest recente samenvattingen en studiehulp zoek je hier op titel of auteur en kan je gebruik maken van het menu
JoHo: menu studiehulp & samenvattingen

 

Handboek Psychopathologie Deel I Basisbegrippen (Vandereyken, Hoogduin, & Emmelkamp)

Voorbeeld Hoofdstuk (Je toegangsniveau is niet voldoende voor het gebruiken van de volledige samenvatting)
Voorbeeld Hoofdstuk (Je toegangsniveau is niet voldoende voor het gebruiken van de volledige samenvatting): 

1. Van diagnosestelling tot behandeling van psychopathologie

 

De term psychopathologie is erg veelzijdig. In de Anglo-Amerikaanse literatuur wordt de term psychopathologie als verzamelbegrip voor pathologische verschijnselen gebruikt. In het boek wordt een overzicht gegeven van psychische stoornissen en psychopathologische processen.

 

De meest zuivere betekenis van psychopathologie is: wetenschap of studie van het geestelijk of psychisch lijden. Ook het begrip abnormal psychology heeft deze betekenis. Je kunt handboeken indelen naar een accentverschil in de beschrijving. Enerzijds is er de syndroombenadering; boeken waarbij psychopathologische verschijnselen als gegroepeerde entiteiten het vertrekpunt vormen voor onderzoek. Dit is in het boek het geval. Anderzijds is er de symptoombenadering; waarbij men uitgaat van algemene psychische processen en de varianten hiervan analyseert.

 

De psychiatrie wordt vaak gezien als toegepaste wetenschap. Dit heeft te maken met het feit dat vanuit een oud wetenschapsmodel de geneeskunde op twee pijlers rust, namelijk kennis en kunde. Deze zijn onafhankelijk van elkaar denkbaar. De psychopathologie moet worden bijgestuurd door de praktijk. Ook andersom wordt het beïnvloed; door middel van de praktijk kunnen hypothesen worden ontwikkeld. Wetenschap sluit veel kennis buiten, omdat persoonlijk contact met de patiënt ontbreekt. Er is lang een discussie gaande geweest over de psychopathologie, terug te zien in een tegenstelling tussen geesteswetenschappelijk en natuurwetenschappelijk denken. In tabel 1.1. op pagina 7 staan de kenmerken van twee methoden van kennis, namelijk Verstehen en Erklären, beschreven.

 

Basisbeginselen en achtergronden van psychopathologie

Psychopathologie steunt vooral op empirie. Er bestaan twee bronnen van kennis waarop een beroep kan worden gedaan bij de ontdekking naar menselijke verschijnselen, namelijk Verstehen (mee beleven van iets persoonlijks via empathie en introspectie, fenomeen ontleden volgens regels die binnen het individu geldig zijn; individualiserend) en Erklären (ontdekken en ontleden van iets gemeenschappelijks, fenomeen ontleden volgens regels die buiten het individu geldig zijn; generaliserend). Het is het best om Verstehen en Erklären als aanvulling op elkaar te zien in plaats van als twee tegengestelde concepten. Bij kiezen voor Verstehen of Erklären moet goed gekeken worden wat meer prioriteit heeft; op het individu gericht of meer generaliserend?
 

De psychopathologie komt veel methodologische problemen tegen, zo is het geen afgebakend begrip. Tevens is zowel het overzicht over als de communicatie tussen de verschillende leerscholen (biologisch, sociologisch, enz.) vaak problematisch. De taal in de psychopathologie is een ander probleem: vakjargon leidt tot verwarringen bij definities van begrippen en problemen.

 

De inhoud van de term pathologie verschilt door de geschiedenis heen. In de middeleeuwen werd het gezien als bezetenheid of een andere aandoening die met godsdienst te maken had. Daarna werden de verschijnselen meer in natuurwetenschappelijk context geplaatst, zo werd er gesproken van krankzinnigheid of geestesziekte. Een hoogtepunt in de medicalisering kwam in de 19e eeuw toen de geestesziekten een aparte plaats verwierven, door middel van een eigen classificatiesysteem van Kraepelin. Ook werd psychopathologie gelijkgesteld met hersenziekten door Griesinger. In het midden van de twintigste eeuw werd het bestaan van de stoornissen betwijfeld, waarmee het voortbestaan van de psychiatrie en psychopathologie werd bedreigd. Het bestaan van psychiatrische stoornissen kan worden verantwoord op basis van het belevingsargument, het historisch argument, het geografisch argument en het experimenteel argument. Tevens wordt een onderscheid gemaakt tussen pathogene elementen (noodzakelijk voor ontstaan van psychiatrische stoornissen; biologisch bepaalde kenmerken in het individu) en pathoplastische factoren (geassocieerd met individuele variaties van de stoornis; tijd- en plaatsgebonden). Er is een duidelijk verschil tussen normaal en gezond, maar de betekenis van deze begrippen wordt bepaald door het mensbeeld.

 

De definitie van een psychiatrische stoornis moet aan drie voorwaarden voldoen:

  1. Het betreft een abnormaal verschijnsel; het moet afwijken van de sociale norm of van wat in de cultuur als normaal gedrag geldt.
  2. Bovenstaande wordt een teken van een stoornis als het ongemak, lijden of bezorgdheid teweegbrengt bij het individu/de omgeving.
  3. Er wordt enkel van een stoornis gesproken wanneer de kenmerken ook bij anderen als storend worden ervaren en gezien kunnen worden binnen het begrippenkader van de psychopathologie.

> De conclusie tot een psychopathologie kan niet door één persoon worden getrokken.

 

De psychopathologie moet een taal ontwikkelen waarmee de stoornissen kunnen worden geordend. Hierbij wordt het voorbeeld van de geneeskunde aangehouden, oftewel het medisch model. Onderdelen hierbij zijn:
 

  • Descriptieve diagnose: beschrijving van karakteristieke eigenschappen.

  • Etiologische en pathogenetische diagnose: verkenning van de factoren die hebben geleid tot de stoornis of deze in stand houden, evenals onderzoek wat de werking is van die factoren.

  • Prognose: voorspelling van het verloop van de stoornis.

  • Therapie: interventie om de stoornis te laten verdwijnen of de patiënt te laten revalideren.

  • Preventie: actieplan ter voorkoming van de stoornis of restverschijnselen.

 

De term ‘ziekte’ verwijst in strikt biomedische zin naar het vóórkomen van een fysiologische stoornis in de mens met een specifiek ontstaan en verloop en een duidelijk beloop. Op deze manier kan men in de psychopathologie dus nauwelijks van ziekten spreken (slechts in enkele gevallen), want het is vaak zo met stoornissen dat zij op syndroomniveau voorkomen.

 

Bij het definiëren van ‘ziekte’ kan men daarnaast aandacht schenken aan de ziektebeleving (subjectief) en de ziekterol (behoefte aan erkenning en verwachting te zoeken naar genezing). Met betrekking tot deze psychologische en sociologische kenmerken is er bij psychopathologie ook sprake van ‘patiënten’ (in plaats van cliënten) en deze term wordt in het boek dan ook geprefereerd. De psychiatrische aandoening kan samen gaan met beperkingen in de mate van sociale aanpassing. Hierbij bestaan verschillende soorten beperkingen:

 

  • Intrinsieke beperkingen: verstoring van het sociaal functioneren

  • Secundaire beperkingen: reacties van de persoon zelf op zijn stoornis en de reactie van voor de persoon belangrijke anderen.

  • Extrinsieke beperkingen: sociale belemmeringen (oorzaak of gevolg) zoals lage economische status en relatieproblematiek.

 

Het diagnosticeren van psychopathologie

De term ‘diagnose’ kan zowel het proces van vaststelling van stoornissen als de conclusie van dit proces betekenen. Het verschil tussen diagnostiek en assessment is dat men bij diagnostiek een bepaalde stoornis wil benoemen en bij assessment de nadruk meer op onderzoek ligt.

 

Op elk gebied van de wetenschap bestaat een systeem om de bijbehorende elementen te classificeren (bijvoorbeeld de nosografie in de geneeskunde waarmee ziekten worden geclassificeerd). Maar meer is een classificatiesysteem een manier om te communiceren.

 

De neokraepeliaanse traditie streeft naar een perfecte categoriale classificatie van stoornissen. In de praktijk is dit echter lastig; veel stoornissen overlappen en concrete groepen maken waarin personen met maar één stoornis vallen en de rest erbuiten valt is moeilijk. In plaats daarvan wordt de dimensionale classificatie voorgesteld; hierbij gaat het in tegenstelling tot bij de categoriale classificatie niet om kwalitatieve verschillen (alles of niets) maar om kwantitatieve verschillen (meer of mindere mate van een eigenschap). Een voorbeeld hiervan is het circumplexmodel van Olson waarbij gezinnen worden ingedeeld aan de hand van de mate waarin zij enerzijds interne samenhang en anderzijds het vermogen om zich aan te passen laten zien.

 

In tabel 1.2. op bladzijde 15 staan verschillende soorten classificatie naast elkaar weergegeven.

 

In de psychopathologie wordt het categoriale systeem gehanteerd, waarop veel kritiek wordt geleverd. Zo is er het gevaar van mensen ‘in hokjes plaatsen’ en dat mensen vaak gestereotypeerd worden als hebbende een bepaalde stoornis, terwijl ze in feite maar enkele kenmerken volgens het ziektebeeld vertonen.

 

Een oplossing zou een prototypisch model kunnen zijn, waarin niet alle specifieke kenmerken van een bepaalde stoornis aanwezig hoeven te zijn maar personen van een bepaalde groep zo veel mogelijk kenmerken gemeen hebben. Het prototypisch systeem is dan ook flexibeler.

 

Met betrekking tot diagnostiek van psychiatrische stoornissen moet een onderscheid worden gemaakt tussen betrouwbaarheid en validiteit. Hoe lager de betrouwbaarheid, hoe lager de validiteit. Wanneer de betrouwbaarheid hoger is wil dit echter niet zeggen dat de diagnostische methode een hoge validiteit heeft. De validiteit kan onder andere worden ingedeeld in descriptieve validiteit (mate van homogeniteit van de verkregen informatie) en predictieve validiteit (voorspellende waarde van een diagnose).

 

De DSM-IV

Met een syndroom wordt een groep van symptomen bedoeld die vaak samen optreedt. Een symptoom is hierbij een ziekteteken. Met betrekking tot symptomen wordt een onderscheid gemaakt tussen hoofdsymptomen en bijsymptomen. Zo is bijvoorbeeld bij anorexia het hoofdsymptoom de wens mager te zijn en een bijsymptoom het uitblijven van de menstruatie (amenorroe).

 

In de jaren 60 en 70 van de twintigste eeuw waren vooral de psychoanalytische opvattingen overheersend. Later kwam er steeds meer behoefte aan een goed communicatiemiddel met betrekking tot de verschillende stoornissen. Zo’n middel of systeem moest wel aan twee essentiële classificatieprincipes voldoen: de ordening van stoornissen moest atheoretisch zijn en de indeling moest steunen op duidelijke criteria.

 

In 1980 ontstond zo de derde versie van de DSM, waarin voor het eerst een classificatiesysteem werd ingevoerd. Gelijk met de ontwikkeling van de verschillende edities van de DSM liepen de edities van de ICD. De DSM was zo vernieuwend vanwege het meerassige systeem dat werd ingevoerd. Vijf assen ontstonden, waarvan as I en II het meest gebruikt worden.

 

Op as I worden de klinische syndromen weergegeven en op as II enkel persoonlijkheidsstoornissen (hierbij is het onderscheid tussen normaal en abnormaal gedrag zeer arbitrair, waardoor er veel kritiek bestaat over deze as). Op as III wordt vervolgens de lichamelijke toestand van de patiënt aangegeven, mits relevant voor de eventuele stoornis op as I of II. Op as IV kunnen psychosociale problemen worden aangegeven, die vervolgens in tien categorieën kunnen worden onderverdeeld (zie pagina 19). Ten slotte wordt op as V een beoordeling gegeven van het algemene functioneren van de patiënt door middel van een cijfer (een GAF-score). Hierbij staat 100 voor een uitstekend functioneren en 1 voor een zeer slecht functioneren. Een overzicht van de verschillende scores en hun betekenis staat op bladzijde 20.
 

 

Het komt vaak voor dat men niet tot een diagnose kan komen op as I, II of III en soms worden meerdere stoornissen op een as gesitueerd (dubbele diagnose). Wanneer er te weinig aanwijzingen zijn voor een diagnose kan de term ‘voorlopig’ worden gebruikt. Onthouden moet worden dat de DSM een communicatiemiddel is en dat de patiënt als individu gezien moet blijven worden. Ook zou voorbij gegaan kunnen worden aan stoornissen die niet in de DSM staan, waardoor ze als ‘onbelangrijk’ kunnen worden gezien. Hierdoor is persoonlijke betrokkenheid van de clinicus nodig.

 

 

In de geneeskunde wordt gebruik gemaakt van een uitsluitingsdiagnose. Wanneer lichamelijke oorzaken zijn uitgesloten, wordt een beroep gedaan op de psychiatrie. Ook de psychiatrie maakt steeds meer gebruik van verscheidene onderzoeksmethoden.

 

 

Met psychopathometrie wordt het geheel van de instrumenten bedoeld welke worden gebruikt in de psychopathologie (bijvoorbeeld vragenlijsten en tests). Ook interviews die aansluiten bij de DSM zijn van zeer groot belang. Het gesprek is het belangrijkste middel om iets over de subjectieve beleving van de patiënt te weten te komen. Dit is vaak een diagnostisch interview met gerichte vragen waarvoor essentiële voorwaarden, zoals vertrouwelijkheid, gesteld worden.

 

 

Bij het diagnostisch interview kunnen anamnese (verzamelen van gegevens over het verleden van de patiënt) en beoordeling van de psychische toestand (evalueren van het psychisch functioneren) worden onderscheiden. In tabel 1.5. op bladzijde 25 staat een schema weergegeven van het diagnostisch interview.

 

Vóórkomen van psychopathologie

Epidemiologie is het onderzoek naar hoe vaak een stoornis in een bepaalde bevolking voorkomt. Ook worden de variaties in subgroepen, tijd en plaats meegewogen. Hierdoor wordt een beeld verkregen van welke factoren tot welke stoornis leiden en wat het beloop hiervan is.

 

Bij incidentie worden op een gegeven moment in een bepaald tijdsinterval alle gevallen geteld, zowel de al bestaande als de nieuwe gevallen.

 

Bij prevalentie wordt het aantal oude en nieuwe gevallen gedeeld door de totale populatiegroep. Men kan hierbij een onderscheid maken tussen verschillende vormen van prevalentie, zoals bijvoorbeeld lifetime prevalentie. Hierbij wordt het vóórkomen van stoornissen tijdens het hele leven van personen berekend. Bij het verloop van een stoornis zijn de termen acuut en chronisch van belang. De duur van het optreden van een bepaald kenmerk van een stoornis staat hierbij centraal. Voor chronisch bestaan geen strikte criteria; in de DSM staat chronisch voor verschijnselen die langer dan een jaar aanwezig zijn. De volgende varianten van een chronisch verloop kunnen voorkomen:

  • progressief; de toestand verslechterd geleidelijk

  • statisch; de toestand veranderd niet

  • intermitterend; perioden van herstel (remissie) worden afgewisseld met terugkomst van de stoornis

 

Hierover staat op bladzijde 27 een grafiek.

 

Meestal geldt dat symptomen minimaal zes maanden constant moeten voorkomen voor er over een diagnose kan worden gesproken.

 

Bij het onderzoek van een patiënt moet een breed gebied bestreken worden zodat eventuele comorbide stoornissen niet over het hoofd gezien worden. Net als bij een puzzel zijn meerdere stukjes nodig om de puzzel compleet te maken en te zien wat het voorstelt. Veel van de in het boek beschreven verschijnselen zijn mogelijke maar geen noodzakelijke tekenen van een stoornis. Stoornissen kunnen zich op veel gebieden voordoen, deze worden hieronder besproken.

 

Uitdrukking en motoriek

Lichaamshouding, beweging en mimiek

Stoornissen kunnen kwantitatief zijn, waarbij er een over- en onderactiviteit plaatsvindt, of kwalitatief van aard zijn, waarbij er geen activiteit plaatsvindt. Voorbeelden van overactiviteit zijn overdreven intensiteit van bewegingen of teveel spierspanning. Ook rusteloosheid, in het ergste geval agitatie, komt voor. Tevens komt het voor dat mensen niet stil op hun stoel kunnen blijven zitten, wat meestal een bijwerking van medicatie is. Bij onderactiviteit is een vertraagde, geringe of afwezige beweging het geval, evenals vervlakking van de mimiek (bij bijvoorbeeld depressieve patiënten of mensen met katatonische schizofrenie). Hiernaast is een extreme vorm van onderactivatie de stupor. Door een plotselinge verminderde spierspanning zakt men door de benen, wat kataplexie genoemd wordt. Ten slotte worden onder disactiviteit stoornissen ondergebracht in de vorm van de motoriek, vooral repetitief gedrag. Dit is vaak voorkomend bij mensen met een dwangstoornis. Ook katalepsie (geplaatst worden in een bepaalde houding) valt onder de categorie disactiviteit. Bij maniërisme lijken gebaren en houdingen heel gekunsteld. Tevens vallen echopraxie (nadoen van de bewegingen van een ander) en apraxie (onvermogen handelingen uit te voeren) onder deze categorie.

 

Spraak

Afasieën (groep spraakstoornissen) hebben een organische basis, terwijl in de psychopathologie de functionele spraakstoornissen van belang zijn. Het spreken kan heel snel gaan (logorroe), vertraagd zijn (bradyfasie), gedeeltelijk geremd (stotteren) of volledig geblokkeerd (mutisme). Sommige mensen geven telkens net het verkeerde antwoord (Ganser-syndroom) of praten om een onderwerp heen (Vorbeireden). Ook kunnen zelfbedachte woorden worden gebruikt of woorden door elkaar gehusseld worden, er kan wijdlopig of overmatig gedetailleerd gesproken worden, of zinnen voortdurend worden herhaald (perseveratie).

 

Bewustzijn

Een belangrijk onderdeel van het bewustzijn is het kunnen toeschrijven van bepaalde ervaringen aan de eigen persoon. De bewustzijnstoestand wordt afgewisseld met de slaap. De drie gebieden waarop hierbij een stoornis kan ontstaan worden hieronder besproken.

 

Stoornissen in helderheid en aanspreekbaarheid

Wanneer er een vermoeden is dat de helderheid en aanspreekbaarheid van een persoon is verstoord, wordt gekeken naar de mate waarin prikkels tot de persoon doordringen (bijvoorbeeld door middel van het reactievermogen). Tijdens een manie of het gebruik van drugs is er een verhoogd bewustzijn. Er zijn verschillende vormen van een verlaagd bewustzijn, zoals wanneer een persoon zich als in een droom voelt (schemertoestand/beneveling), wanneer een persoon heel slaperig is (somnolentie), wanneer een persoon in een slaaptoestand verkeert en lastig is wakker te krijgen, de normale reflexen blijven hierbij aanwezig (sopor), wanneer een persoon bewustzijnsverlies heeft en niet kan worden gewekt maar nog wel reageert op licht en pijn (subcoma) en ten slotte de hoogste graad van bewustzijnsverlies: de coma. Hierbij treedt ook geen lichtreflex van de pupil op. Wanneer gesproken wordt van bewustzijnsverruiming worden er veel meer prikkels dan normaal geregistreerd. Bij bewustzijnsvernauwing staat de persoon voor een bepaald soort prikkels open en lijken andere stimuli niet door te dringen. Wanneer iemand in een delirium verkeerd ervaart hij/zij gestoorde aandacht, desoriëntatie, verwardheid in denken en spreken, hallucinaties, motorische onrust en heftige affecten.

 

Stoornissen in aandacht of opmerkzaamheid

De aandacht bestaat uit waakzaamheid en vasthoudendheid (volgehouden aandacht), ook wel concentratie. Van verhoogde aandacht is vooral sprake bij angst (selectieve aandacht voor mogelijk bedreigende stimuli), met als extreem gevolg een attention overload. Verminderde aandacht komt voor in toestanden van verlaagd bewustzijn, maar ook bij normaal bewustzijn in de vorm van bijvoorbeeld concentratiemoeilijkheden, snelle verstrooibaarheid of dagdromerij.

Stoornissen in oriëntatie

Desoriëntatie is vaak een bijeffect van stoornissen in andere functies, waarbij het vermogen tot oriëntatie vaak beïnvloed wordt door hoe iemand zich voelt. Wanneer iemand in de war is, is het hoogstwaarschijnlijk het geval dat de oriëntatie van die persoon faalt. Het is dan ook van groot belang om de oriëntatie van een patiënt te onderzoeken om zo een mogelijke hersendisfunctie op te kunnen sporen.

 

Zelfbeleving

De onderdelen van de zelfbeleving zijn het zelfbeeld en de lichaamservaring. Stoornissen op deze gebieden worden hieronder besproken.

 

Met het zelfbeeld wordt de vertrouwdheid met het eigen zelf bedoeld. Het zelfbeeld kan worden opgedeeld in verschillende componenten, welke enkel duidelijk naar voren komen wanneer er een stoornis in de betreffende component is:

  • Een stoornis in het besef te leven, wat ik-vitaliteit genoemd wordt. Hierbij bestaat het gevoel dood te gaan, het gevoel dat de wereld ten onder gaat, het gevoel dat lichaamsdelen afsterven of een onsterfelijkheidswaan.

  • Een stoornis in het besef zelf de handelende persoon te zijn, wat ik-activiteit genoemd wordt. Hierbij bestaat bijvoorbeeld het gevoel beïnvloed te worden door vreemde krachten (beïnvloedingswaan) of de persoon reageert niet op de omgeving.

  • Een stoornis in het ervaren van het zelf als een geheel, wat de ik-consistentie genoemd wordt. De persoon heeft het gevoel uit elkaar te vallen of ervaart dissociatie.

  • Een stoornis in het vermogen een onderscheid te maken tussen ik en niet-ik, wat ik-afgrenzing genoemd wordt. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in het gevoel hebben dat er een grote afstand bestaat tussen zichzelf en anderen.

  • Ten slotte kan een stoornis in het besef dezelfde persoon te blijven door de tijd heen ontstaan, wat ik-identiteit genoemd wordt. Hierbij twijfelt iemand aan zijn eigen identiteit, ervaart meerdere identiteiten of denkt de persoon een kopie van iemand anders te zijn.

 

Het onderscheid met een onwerkelijkheidsgevoel en persoonlijkheidsstoornissen is hierbij van belang, waarbij het bij de persoonlijkheid gaat om een langdurig patroon van interactie tussen de omgeving en jezelf.

 

Met de lichaamsbeleving hangen delen van de hersenen nauw samen, waardoor een defect in een bepaald deel van de hersenen ervoor kan zorgen dat een persoon bepaalde delen van het lichaam niet meer ervaart. Dit is bijvoorbeeld het geval bij fantoompijn; iemand voelt pijn in een lichaamsdeel dat geamputeerd is. Een verstoorde lichaamsbeleving kan zowel in een psychotische (schizofrenie) als in een niet-psychotische toestand voorkomen (hypochondrie, somatoforme stoornissen, anorexia-nervosa).

 

Waarneming

Met de waarneming wordt bedoeld dat we de dingen zowel extern als intern (in het lichaam) voor ‘echt’ aan nemen. De gewaarwording lijkt veel op waarneming maar met gewaarwording worden de sensorische ervaringen bedoeld, meestal via de zintuigen. Wanneer men spreekt over waarneming wordt daarmee aangeduid dat de ervaringen worden gegroepeerd tot bepaalde configuraties zoals beelden en figuren in de omgeving. Met agnosieën worden sensorische stimuli bedoeld die slechts percepten blijven voor de persoon; de koppeling tussen een bepaald waargenomen object/gebeurtenis en de betekenis ervan gaat verloren bij de persoon. Dit is het geval bij visuele agnosie, waarbij een object wel gezien wordt maar iemand niet weet wat het voorstelt. Drie stoornissen met betrekking tot de waarneming worden hieronder besproken.

 

Sensorische vervormingen

Vervorming in de sensorische waarneming kunnen kwantitatief of kwalitatief van aard zijn. Zo kan er kwantitatief een verhoogde gevoeligheid voor prikkels zijn (bijvoorbeeld als iemand snel huilt), maar ook een verlaagde gevoeligheid komt voor. Bij een kwalitatieve verstoring zijn de sensaties vervormd. Iemand ziet bijvoorbeeld bepaalde cijfers in een kleur voor zich; het cijfer wordt aan een kleur gekoppeld, wat synesthesie genoemd wordt.

 

Illusies en hallucinaties

Er is discussie gaande rond het punt of een hallucinatie gerekend mag worden tot één van de waarnemingsstoornissen. Bij een hallucinatie is er namelijk geen echte waarneming. Wellicht vallen hallucinaties eerder onder de denkstoornissen. Hallucinaties kunnen zich op zeer veel gebieden voordoen, zoals bijvoorbeeld reuk-, smaak of tasthallucinaties, maar ook hallucinaties die gaan over de eigen organen komen voor. Een specifieke vorm van hallucinatie is heautoscopie. Hierbij neemt iemand zichzelf van buitenaf waar.

 

Het verschil met een hallucinatie is dat bij er bij een illusie een object is dat reëel is. Het object wordt goed herkend maar er worden eigenschappen toegevoegd die niet bij het object horen. Een illusie kan dus als een misinterpretatie gezien worden en een hallucinatie niet. Bij illusies spelen verwachtingen een grote rol; wat verwacht wordt te zien wordt daarom ook sneller gezien. Wanneer er sprake is van een waanwaarneming is er geen illusie maar krijgen in eerste instantie juiste waarnemingen nieuwe betekenissen, welke passen in waanopvattingen. Bij een waan wordt echter de waan niet aangepast wanneer informatie tegenstrijdig aan de waanopvatting zich voordoet. Bij een illusie is dit wel het geval.

 

Denken en geheugen

Achtereenvolgens worden hier formele denkstoornissen, inhoudelijke denkstoornissen en stoornissen van het geheugen en de intelligentie besproken.

 

Met formele denkstoornissen worden stoornissen in het verloop van denken bedoeld. Er kunnen nieuwe woorden worden gecreëerd, abstracte begrippen worden door de persoon enkel concreet begrepen of dingen worden te letterlijk genomen. Ook magische gedachten, waarbij de persoon een kinderlijke denkstijl aanneemt en veel fantaseert, komen voor. Met betrekking tot het verloop van denken kan iemand heel snel denken, vertraagd of zelfs geblokkeerd in het denken zijn. Hierbij komt ook perseveratie voor, waarbij bepaalde gedachten zonder doel vaak worden herhaald.

 

De inhoudelijke denkstoornissen worden onderverdeeld in obsessies, overwaardige ideeën en wanen.

  • Obsessies staan bekend als dwanggedachten. Ze dringen zich aan de persoon op van binnenuit, maar worden door de persoon als egodystoon ervaren (als niet tot zichzelf behorend). Soms gaan dwanggedachten gepaard met dwanghandelingen, zoals bijvoorbeeld vaak handenwassen (dwanghandeling) uit de angst besmet te raken (dwanggedachte).

  • Overwaardige ideeën daarentegen worden als egosyntoon (als wel tot zichzelf behorend) beschouwd en de persoon verzet zich dan ook niet tegen deze ideeën. De denkbeelden zitten tussen de dwangideeën en de waanachtige ideeën in, wat het geval is bij dysmorfofobie. Men hecht een buitensporige (overwaardige) waarde aan een bepaald idee en de persoon beseft dit ook deels.

  • Wanen zijn foute overtuigingen die niet te corrigeren zijn. Ze hebben bepaalde kenmerken, namelijk dat de opvattingen duidelijk in strijd zijn met de realiteit, dat de gedachten door de persoon zelf als de waarheid worden gezien, dat de inhoud van de overtuiging niet overeenkomt met de cultuur waar de persoon deel van uitmaakt en dat de overtuiging alleen door de persoon zelf wordt geloofd.

 

Wanneer er enige vorm van twijfel bij de persoon bestaat wordt de opvatting geen waan genoemd maar en waanachtig idee. Verder is de inhoud van wanen ook op te delen in verschillende groepen. De eerste groep wanen gaat over de persoon zelf (de persoonlijkheid en het voortbestaan van de wereld), de tweede groep wanen is gericht op het eigen lichaam (hypochondrie) en de derde groep wanen is gericht op de omgeving (achtervolgingswaan, ontrouwwaan).

 

Stoornissen van geheugen en intelligentie

Het geheugen kan kwantitatief of kwalitatief verstoord zijn. Hierbij gaat het geheugen kwantitatief over het algemeen achteruit. Bij retrograde amnesie kan men zich bijvoorbeeld geen dingen meer herinneren van voor het ongeluk. Bij anterograde amnesie kan men geen nieuwe informatie meer opslaan en vergeet nieuw geleerde informatie daardoor steeds. Wanneer kwalitatief verstoringen in het geheugen optreden kunnen niet gebeurde gebeurtenissen door de persoon worden verzonnen om bijvoorbeeld gaten in het geheugen op te vullen. De persoon zelf gelooft ze echter wel. Tevens kunnen mensen herkend worden die nooit eerder gezien zijn of er kan gedacht worden dat een gebeurtenis al eens eerder is meegemaakt (déjà vu).
 

Een stoornis in de intelligentie, ook wel achterstand genoemd, heeft verschillende niveaus uitgedrukt in het IQ. Iemand is licht verstandelijk beperkt bij een IQ van 50-70, matig verstandelijk beperkt bij een IQ van 35-50, ernstig verstandelijk beperkt bij een IQ van 20-35 en diep verstandelijk beperkt bij een IQ van lager dan 20. Een laag IQ kan aangeboren zijn maar ook optreden bij bijvoorbeeld dementie.

 

Gevoelens en verlangen

Bij gevoelens en verlangens zijn stemmingen en emoties van belang. Een stemming verwijst naar een gemoedstoestand van een bepaalde duur en heeft geen betrekking op een specifieke gebeurtenis. Wanneer men spreekt over een emotie is dit meestal in reactie op een bepaalde ervaring. De emotie is meestal vrij kort en intens.

 

Men kan in het gevoelsleven een storing ervaren wanneer iemand onder- of overgevoelig is voor bepaalde emoties. Iemand heeft een overgevoeligheid wanneer bijvoorbeeld gevoelens zonder beheersing wordt geuit. Maar ook het omgekeerde is mogelijk zoals affectieve vervlakking, wat vaak voorkomt bij depressies. Soms treedt affectdiscordantie op, waarbij een bepaald gevoel niet past bij een bepaalde situatie. Met betrekking tot de inhoud van de stemming of de emotie kunnen sommige emoties storend zijn voor de omgeving maar niet voor de persoon zelf, zoals bij een manie. De realiteit wordt door de persoon anders beleefd. Gevoelens die ook voor de persoon zelf storend zijn, zijn bijvoorbeeld angst en depressie. Ook combinaties van agressiviteit en depressiviteit komen voor, waarbij de persoon humeurig en snel geïrriteerd is.

 

Stoornissen in verband met verlangen en wil

Wanneer over een verlangen gesproken wordt wil dit zeggen dat iemand een oorspronkelijke drift heeft naar iets maar dat deze wordt gereguleerd door de sociale omgeving. Iemand maakt hierbij dus een overwogen beslissing om een doel te bereiken. Met het hebben van een wil wordt bedoeld dat de persoon bewust de voor- en nadelen van een keuze overwogen heeft. Het gewenste doel is hierbij niet gemakkelijk te bereiken vanwege onder andere sociale consequenties. In verband met stoornissen op het gebied van verlangens en wil wordt vaak verslaving of bijvoorbeeld kleptomanie genoemd. Hierbij wordt impulsief gehandeld omdat de drang naar het middel groot is en spijt wordt over het algemeen pas achteraf gevoeld.

 

Diagnosestelling

Er wordt tot het diagnosticeren van een syndroom gekomen door gebruik te maken van de DSM. Men kijkt hierbij naar de symptomen en de samenhang hiertussen maar ook speelt ervaring met de verschillende stoornissen een rol. Een systematische aanpak verdient hierbij de voorkeur. Om tot een beslissing over een syndroom te komen (diagnosticeren) zijn bepaalde regels voorhanden, zoals de begrippen spaarzaamheid en rangorde. Men moet bij spaarzaamheid waar mogelijk zoeken naar één diagnose. Slechts wanneer niet alle geobserveerde symptomen onder deze ene diagnose vallen, mogen meerdere diagnosen worden toegevoegd. Tevens moet volgens een bepaalde rangorde te werk worden gegaan. Als er symptomen zijn die bij meerdere diagnosen horen, krijgt de diagnose van de hogere rangorde voorrang. De hoofdstukken in het boek zijn ook volgens deze rangorde opgesteld. De eerste vraag die wordt gesteld bij het opstellen van de rangorde is: “Is er een organische oorzaak voor de stoornis?”. De stoornissen met een organische oorzaak vallen dan ook in groep 1. Groep 2 in de rangorde zijn de psychotische syndromen. Kenmerken van psychotisch gedrag volgens de DSM-IV zijn wanen en hallucinaties, ernstige verstoring van de logische gedachtegang en katatoon of ander ernstig ontregeld gedrag. De derde groep staat in de tekst niet aangegeven, maar de vierde groep bevat de stemmingsstoornissen. Op bladzijde 51 van het boek staat de beslisboom weergegeven voor het stellen van diagnosen op as I van de DSM.

 

Verklarende theorieën voor psychopathologie

Tot een eenduidige beschrijving van een stoornis komt men niet, vanwege de verschillende zienswijzen van de classificatiesystemen. Om bepaalde gedragingen van personen te begrijpen, wordt altijd gezocht naar een oorzaak of een verklaring. Een theorie, waarbij ideeën een gesystematiseerd geheel vormen, kan hierbij uitkomst bieden. Ook modellen spelen een grote rol. Deze vormen de organiserende matrix van de theorie.

 

Bij de hermeneutica maakt men gebruik van de teleologie om gedragingen te interpreteren. De gedragingen worden gezien als doelgericht. Het empirisme steunt op de logica en het positivisme. Aanhangers van deze stroming beweren dat alles, en dus ook mensen, terug te voeren zijn tot observeerbare eenheden. Bij de psychopathologie zijn beide stromingen van toepassing, afhankelijk van de situatie. Drie denkmodellen komen voort uit de stromingen:

  • Als eerste model bestaat het lineair-causaal model. De verbanden van de eenheden van een verschijnsel worden als een oorzaak-gevolgrelatie gezien.

  • Ten tweede is er het circulair interactie- of systeemmodel. Dit model plaatst het gedrag in een systeem. Hierbinnen beïnvloeden de delen elkaar.

  • Ten slotte bestaat het holistisch model. Dit model ziet een bepaald gedrag/ bepaalde gebeurtenis als een deelaspect.

 

Binnen de psychopathologie wordt getracht om verschillende modellen te combineren. In het boek komen in elk hoofdstuk de theoretische, empirische, en de praktische relevantie van de theorieën aan bod. Verklaringen voor stoornissen worden gezocht op voorbeschikkende (kwetsbaarheid), uitlokkende en in stand houdende factoren.

 

Hulpverlening

In de hoofdstukken van het boek worden richtlijnen gegeven over de hulpverlening bij de desbetreffende stoornis, maar er wordt niet dieper op in gegaan. Met therapie wordt in het boek het hulpverleningsproces bedoeld dat voortkomt uit de ontmoeting tussen de hulpverlener en de patiënt. Deze ontmoeting is in elk geval uniek, is maatschappelijk bepaald, wordt vormgegeven door de culturele achtergrond en wordt bepaald door het hulpverleningsmodel van de maatschappij waarin de personen leven. In de hulpverlening staan verschillende aspecten centraal, zoals het relationeel (kenmerken van de hulpverlener) en functioneel (kennis en deskundigheid) aspect en de therapeutische attitude (het als hulpverlener ervan bewust zijn dat hij/zij een bijdrage levert aan de relatie met de patiënt).

 

Een patiënt wordt beoordeeld door de ogen van de hulpverlener. Door het mechanisme van selectieve perceptie (de ‘bril’ van de hulpverlener) ontstaan een aantal valkuilen. Bij overexclusie wil de hulpverlener alleen een bepaalde groep patiënten met een bepaalde stoornis behandelen. Ook willen hulpverleners vaak alleen de aantrekkelijkere patiënten behandelen en worden de minder aantrekkelijke patiënten doorverwezen naar een andere instantie. Het tegenovergestelde is overinclusie. Hierbij stuurt de hulpverlener aan op zijn eigen werkwijze en denkt hiermee iedereen te kunnen genezen.

 

Het proces van hulpverlening doorloopt verschillende stappen. De eerste stap is de probleemverkenning, waarin een kennismaking en een verheldering van de klacht plaatsvindt. Eventueel aanvullend onderzoek is nodig om tot een diagnose te komen. Ook wordt gekeken of de patiënt geschikt is voor de hulp waarvoor hij is aangemeld. De tweede stap is de probleemontleding. De informatie die is verkregen van de patiënt wordt hier verder aangevuld. Verschillende hypothesen worden opgesteld en getoetst. In de laatste stap, de probleemoplossing, vindt de interventie plaats. Deze stappen staan in figuur 1.3 op bladzijde 57 schematisch weergegeven.

 

Voor toegang tot deze pagina kan je inloggen

 

Inloggen (als je al bij JoHo bent aangesloten met een abonnement)

   Aansluiten   (voor online toegang tot alle webpagina's)

 

Hoe het werkt

 

Lees hieronder meer over aansluiten bij JoHo

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

    JoHo abonnement met service-pakket (€20,- + €60,-)

    • Voor wie de boeksamenvattingen voor zijn of haar studie of studiegebied gratis thuisgestuurd wil krijgen
    • Voor wie gebruik wil maken van de basisservices voor zijn of haar vrijwilligersorganisatie of instelling die de JoHo doeleinden steunt
    • Voor wie gebruik wil maken van de emigratie- en expatservices

    JoHo donateur (WorldSupporter) worden

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Sluit je een abonnement af in de periode juli tot en met december, dan maak je in de eerste maanden gratis gebruik maken van je de voordelen & services bij je abonnement. Je abonnementsbijdrage geldt dan ook voor het volgende kalenderjaar.

     

    Aanmelden bij JoHo

     

    Study note: begrijpen

     

     

     

    Study note: te gebruiken bij
    Crossroad: relaties

    Uitgebreide samenvatting van het boek, gebaseerd op de meest recente druk.

    JoHo: benodigd toegangsniveau
    • Member (donateur)