Voor de meest recente samenvattingen en studiehulp zoek je hier op titel of auteur en kan je gebruik maken van het menu
JoHo: menu studiehulp & samenvattingen

 

Exceptional Learners: introduction to special Education

Voorbeeld Hoofdstuk (Je toegangsniveau is niet voldoende voor het gebruiken van de volledige samenvatting)
Voorbeeld Hoofdstuk (Je toegangsniveau is niet voldoende voor het gebruiken van de volledige samenvatting): 

1: Oriëntatie op uitzonderlijkheid en speciaal onderwijs

 

Misopvattingen


Mythe

Feit

Openbare scholen mogen ervoor kiezen om geen onderwijs te bieden voor sommige studenten met beperkingen.

Elke school moet vrij, openbaar onderwijs bieden voor elke student, ongeacht een beperkende conditie.

De oorzaken van de meeste beperkingen zijn bekend, maar weinig is bekend over hoe individuen geholpen moeten worden om hun beperkingen te overkomen of te compenseren.

In de meeste gevallen zijn de oorzaken van beperkingen onbekend, maar er is progressie voor veel beperkingen in het bepalen waarom beperkingen voorkomen. Er is meer bekend over de behandeling van de meeste beperkingen dan over hun oorzaken.

Mensen met beperkingen zijn net zoals ieder ander mens.

Ten eerste zijn twee mensen niet exact hetzelfde. Mensen met beperkingen zijn unieke individuen, net zoals ieder ander. In de meeste gevallen zijn de meeste van hun vermogens net zoals die van de gemiddelde persoon die geen beperking heeft. Een beperking is echter wel een karakteristiek dat niet gedeeld wordt door de meeste mensen. Het is belangrijk dat beperkingen erkend worden voor wat ze zijn, maar individuen met beperkingen moeten gezien worden als personen met verschillende vermogens, andere karakteristieken die ze delen met de meerderheid van de mensen.

Een beperking is een handicap.

Een beperking is een onvermogen om iets te doen, een gebrek aan een specifieke capaciteit. Een handicap is echter een nadeel dat is opgelegd aan een individu. Een beperking kan wel of niet een handicap zijn, afhankelijk van de omstandigheden. Het onvermogen om te lopen is bijvoorbeeld niet een handicap bij het leren lezen, maar kan een handicap zijn bij het spelen van een balspel. Soms zijn handicaps onnodig opgelegd aan mensen met beperkingen. Een leerling die bijvoorbeeld niet kan schrijven met een pen, maar wel met een typemachine/computer zou onnodig gehandicapt worden zonder computer.

 

Oriëntatie op uitzonderlijke leerlingen en speciaal onderwijs.

De studie naar uitzonderlijke leerlingen (exceptional learners) is de studie van verschillen. Dit is dus de studie van manieren waarop deze uitzonderlijke leerlingen verschillen van het gemiddelde. Een uitzonderlijke leerling heeft mogelijk problemen of speciale talenten wat betreft zien, denken, spreken, horen, socialisatie of bewegen. Vaak is er sprake van een combinatie van speciale vaardigheden of beperkingen. Momenteel zijn er meer dan 6 miljoen uitzonderlijke leerlingen geïdentificeerd in scholen in de VS. Tot voor kort hadden professionals (en leken) de neiging om te focussen op de verschillen tussen uitzonderlijke en niet-uitzonderlijke leerlingen. Dit leidde bijna tot uitsluiting van de kenmerken waarop alle individuen overeenkomen. Exeptional learners zijn namelijk niet anders op alle gebieden. Ze zijn namelijk op meerdere manieren gelijk dan ongelijk aan ‘gewone’ kinderen. Tegenwoordig is er meer aandacht voor overeenkomsten in karakteristieken, behoeften en manieren van leren. Hierdoor is het onderzoek naar uitzonderlijke leerlingen complexer geworden en wordt er kritisch gekeken naar gegevens die eerst als feiten werden gezien.

Veel mensen met een beperking hebben mogelijkheden die niet herkend worden omdat hun beperking de focus van aandacht is. We moeten de beperkingen van deze kinderen bestuderen om te leren hoe we hen kunnen helpen hun mogelijkheden op school te maximaliseren. We moeten dus zowel naar de overeenkomsten als de verschillen kijken.

 

Er is een belangrijk onderscheid tussen een beperking en een handicap. Een beperking (‘impairment’) is het onvermogen of verminderde capaciteit om iets te doen. Een handicap is een nadeel wat is opgelegd aan een individu. Een beperking kan wel of niet een handicap zijn, afhankelijk van de omstandigheden. Een handicap kan dus wel of niet veroorzaakt zijn door een beperking. Blindheid is bijvoorbeeld geen handicap in het donker. Dan is de persoon die kan zien gehandicapt. Andere mensen kunnen mensen die verschillend zijn van zichzelf een handicap opleggen door te stereotyperen.

 

Een ander belangrijk onderscheid is tussen onvermogen (inability) en beperking (disability). Een beperking is een subset van onvermogen. Alle beperkingen zijn het onvermogen om iets te doen. Echter, niet elk onvermogen is een beperking. Een beperking is het onvermogen om iets te doen dat de meeste mensen met een typische ontwikkeling, kans of instructie wel kunnen. Een beperking is een beduidend verschil tussen wat de persoon kan en wat we verwachten dat de meesten kunnen, rekening houdend met hun leeftijd, kansen en instructie. Dat een 70-jarige bijvoorbeeld geen 10 kilometer kan rennen is een onvermogen, maar geen beperking. De gemiddelde 70-jarige kan namelijk wel een afstond lopen, maar geen 10 kilometer rennen. Het onvermogen van een volwassene om te lezen is ook geen leesbeperking als hij of zij nooit leesinstructie heeft gehad.

 

De educatieve definitie van een uitzonderlijke leerling.

Uitzonderlijke leerlingen zijn diegene die speciaal onderwijs nodig hebben om hun volledige mogelijkheden te bereiken. Zij hebben speciaal onderwijs nodig omdat zij verschillen van de meeste studenten. Ze kunnen een intellectuele beperking (ID), leer- of aandachtsbeperkingen, emotionele of gedragsstoornissen, fysieke beperkingen, communicatiestoornissen, autisme, traumatisch hersenletsel, verzwakt gehoor, verzwakt zicht of speciale gaven of talenten hebben. Volgens de federale wetgeving mogen scholen deze uitzonderlijke leerlingen pas identificeren als geschikt voor speciaal onderwijs, wanneer onderzoek uitwijst dat ze niet in staat zijn om behoeftebevredigende vooruitgang te maken in het reguliere schoolprogramma zonder speciale diensten die in hun buitengewone behoeften voorzien.

 

Twee concepten die belangrijk zijn voor deze educatieve definitie van uitzonderlijke leerlingen zijn de diversiteit van karakteristieken en de behoefte aan speciaal onderwijs. Uitzonderlijke leerlingen verschillen van de meeste/typische/gemiddelde individuen op een bepaalde manier die relevant is voor hun onderwijs. Hun specifieke educatieve, relevante verschillen vragen om instructie die verschilt van wat de meeste/typische/gemiddelde leerlingen nodig hebben. Maar leerlingen met uitzonderingen zijn een buitengewoon diverse groep in vergelijking tot de algemene populatie, en relatief weinig generalisaties gelden voor alle uitzonderlijke leerlingen. Daarnaast kunnen uitzonderingen sterk variëren in oorzaak, mate en effect op onderwijsprogressie, en effecten kunnen sterk variëren afhankelijk van de leeftijd, sekse en levensomstandigheden van een individu. Een uitzonderlijke leerling kan representatief zijn voor uitzonderlijke leerlingen op een bepaalde manier, maar niet representatief zijn op andere gebieden.

De typische student met speciale educatie is er niet één met duidelijke, visuele beperkingen. Vaak betreft het een student met primair academische, sociale of gedragsproblemen. Vaak worden de problemen ook niet opgemerkt door een leraar, totdat ze een langere periode met het kind hebben gewerkt. Dit soort kinderen krijgt pas speciale educatie wanneer aangetoond kan worden dat zij zonder deze hulp niet in staat zijn voortuitgang te boeken.

 

De prevalentie van uitzonderlijke leerlingen.

Prevalentie is het percentage van de populatie of het aantal individuen met een bepaalde uitzonderlijkheid. Precieze schattingen van de prevalentie zijn afhankelijk van de mogelijkheid om het aantal mensen die een bepaalde uitzonderlijkheid hebben in een bepaalde populatie te tellen. Factoren als vaagheid van definities, frequente veranderingen in definities en de rol van scholen bij het bepalen van uitzonderlijkheid maken het moeilijk om met grote zorgvuldigheid en zekerheid vast te stellen wat het aantal uitzonderlijke leerlingen is. Het aantal studenten wat speciaal onderwijs kreeg groeide gestaag tot meer dan 6 miljoen aan het begin van de 21e eeuw. De meeste leerlingen die speciaal onderwijs volgen zijn tussen de 6 en 17 jaar, hoewel jongeren tussen de 18 en 21 jaar steeds vaker geïdentificeerd worden met een beperking. Kinderen in de schoolleeftijd en jongeren in de vroege tienerjaren zijn echter het grootste gedeelte.

Het percentage van de populatie in speciaal onderwijs geïdentificeerd met een beperking is sterk veranderd in de afgelopen decennia. Het aantal studenten dat geïdentificeerd is als hebbende een leerbeperking is bijvoorbeeld meer dan verdubbeld sinds het midden van de jaren ’70.

 

Sommige beperkingen komen relatief vaak voor (hoge frequentie). Dit worden high-incidence beperkingen genoemd. Leerbeperkingen, communicatiestoornissen (spraak en taal), emotionele stoornissen en milde ID komen veel voor. Zichtbeperkingen, blindheid, doofheid en ernstige ID zijn relatief zeldzaam. De identificatie van autisme of autistische spectrum stoornis (ASS) is sterk gestegen. Dit wordt mogelijk veroorzaakt door verbeterde identificatieprocedures en de identificatie van mildere gevallen van autisme, en niet door een epidemie. Ook de identificatie van het aantal personen met traumatisch hersenletsel (traumatic brain injury, TBI) en orthopedische beperkingen stijgt. De toename van identificatie van het aantal personen met TBI wordt zowel veroorzaakt door betere diagnoses als door een daadwerkelijke toename van hersenletsels en letsel aan het ruggenmerg. De toename van orthopedische beperkingen wordt veroorzaakt door meer overleving van kinderen geboren met ernstig fysiek trauma en overleving van kinderen betrokken bij ongelukken door betere medische zorg. De toename van gehoor- en zichtbeperkingen kan komen door een verbeterde diagnose van deze beperkingen.

 

De definitie van speciaal onderwijs.

Speciaal onderwijs is een speciaal ontworpen instructie die tegemoet komt aan de ongebruikelijke behoeften van een uitzonderlijke student en kan speciale materialen, onderwijstechnieken of faciliteiten omvatten. Visuele beperkingen vragen om leesmateriaal wat groot of in braille is afgedrukt. Studenten met gehoorbeperkingen hebben gehoorapparaten of instructies in gebarentaal nodig. Mensen met fysieke beperkingen hebben wellicht speciale uitrustingen nodig, en zij met EBD hebben mogelijk kleinere en meer gestructureerde klassen nodig. Studenten met speciale talenten hebben professionelere leerkrachten nodig. Gerelateerde diensten zoals speciaal vervoer, psychologische beoordeling, fysieke en beroepstherapie, medische behandeling en begeleiding, kunnen nodig zijn voor effectief speciaal onderwijs. Het enige, meest belangrijke doel van speciaal onderwijs is het vinden en benutten van de vermogens van uitzonderlijke leerlingen. Het beste en hervormd regulier onderwijs vervangt speciaal onderwijs niet en kan speciaal onderwijs ook niet vervangen voor leerlingen met de ernstigste vormen van een beperking.

 

De geschiedenis en oorsprong van speciaal onderwijs.

Er zijn altijd uitzonderlijke leerlingen geweest, maar er is niet altijd speciaal onderwijs geweest. Vroeg in de 19e eeuw werden de eerste systematische pogingen ondernomen om ‘idiote’ en ‘krankzinnige’ kinderen te onderwijzen (kinderen met ID en EBD). Kinderen werden in het pre-revolutionaire tijdperk beschermd tegen en afgeschermd van een gemene wereld waar zij niet bij pasten en waarin zij niet met waardigheid konden overleven, als ze al konden overleven. Met de ideeën van democratie, individuele vrijheid en gelijkheid ontstond er een verandering. De eerste leiders probeerden uitzonderlijke mensen te normaliseren en probeerden hen menselijke waardigheid te verlenen die zij vermoedelijk misten. Huidige onderzoeksmethoden voor uitzonderlijke kinderen zijn direct te herleiden tot technieken gevonden aan het begin van de 18e eeuw.

 

De meeste bedenkers van speciaal onderwijs waren Europese artsen en psychologen. Dit waren voornamelijk jonge, ambitieuze mensen die de wijsheid van de bestaande autoriteiten betwistten. Het begin van het speciale onderwijs ligt bij Jean-Marc-Gaspard Itard (1775-1838). Deze Franse arts met aanzien wat betreft ziekten van het oor en het onderwijs voor dove studenten gaf aan het begin van de 19e eeuw les aan een 12 jarige jongen, die naakt en wild in de bossen van Frankrijk had geleefd (‘The Wild boy of Avyron’). Itard ging door met de behandeling, hoewel zijn mentor (Pinel) dacht dat het niet succesvol zou zijn. Pinel vond de jongen een hopeloze idioot. De jongen bleef wel beperkingen houden, maar zijn gedrag verbeterde aanzienlijk door geduldige, systematisch, educatieve procedures. Er zijn een aantal voor die tijd revolutionaire ideeën van Itard, Séguin (student van Itard) en hun volgelingen die de fundering vormen door het huidige speciale onderwijs:

 

  • Individuele instructie: de karakteristieken van het kind, in plaats van voorgeschreven academische inhoud, bepalen de basis van onderwijstechnieken.

  • Een zorgvuldig gerangschikte serie educatie taken: van wat het kind kan naar meer complex.

  • Nadruk op stimulatie en het aanwakkeren van het bewustzijn van het kind: het kind meer bewust maken van en responsief aan onderwijskundige stimuli.

  • Zorgvuldige regeling van de omgeving van het kind: de structuur van de omgeving en de ervaring hiervan van het kind leiden op een natuurlijke wijze tot leren.

  • Onmiddellijke beloning voor een goede prestatie: gewenst gedrag bekrachtigen.

  • Onderwijzen in functionele vaardigheden: ervoor zorgen dat het kind zo zelfvoorzienend en productief mogelijk is in het alledaagse leven.

  • Elk kind moet zoveel mogelijk onderwezen worden, omdat elk kind in een bepaalde mate kan verbeteren.

 

Een van de grootste tegenstellingen binnen het onderwijs van uitzonderlijke leerlingen is de mate waarin natuur en omgeving (nature vs. nurture) bijdragen aan hoe het kind wordt. Men vraagt zich af wat toegeschreven kan worden aan biologische factoren zoals genen en andere fysieke aspecten, en wat kan worden toegeschreven aan omgevingsfactoren als kansen, aanmoediging en onderwijs. Dit is een oud, maar nog steeds controversieel idee. Deze nature-nurture controversie is deels ontstaan door het werk van Itard aan het begin van de 19e eeuw. Nu wordt aangenomen dat sprake is van een genen-omgeving interactie, niet additief. Er is dus niet sprake van een optelsom, maar van een interactie.

 

Normalisatie, deïnstitutinalisatie en inclusie
Een van de vele ideeën van de 20e eeuw over speciaal onderwijs is normalisatie, waarbij de maatschappij de barrières van deelname van mensen met beperkingen in het normale leven afbreekt. Dit leidde tot het sluiten van instituties en het opnemen van uitzonderlijke leerlingen in de gewone klaslokalen en scholen. Normalisatie is nog steeds een doel van speciaal onderwijs en andere aspecten van het omgaan met beperkingen. Normalisatie was één van de ideeën die leidde tot deïnstitutionalisatie in de late 20e eeuw. Rond 1960/1970 werden pogingen gedaan om mensen uit de instituten te halen en om ze in nauwer contact met de samenleving te brengen. Dit leidde ertoe dat meer kinderen met beperkingen in hun families opgroeiden en dat veel instituten gesloten werden, ongeacht de aard van de problemen die mensen hadden. Tegenwoordig komen kleine faciliteiten in de nabije omgeving veel voor. Er moet echter nog steeds veel gedaan worden om de kwaliteit van leven van sommige mensen met beperkingen die niet meer in een instituut verblijven te verbeteren. Velen van hen zijn namelijk dakloos of zitten in de gevangenis.

 

Misschien wel het meest controversiële idee wat voortkwam uit het idee van normalisatie is inclusie. Inclusie/integratie van uitzonderlijke leerlingen in normale klaslokalen met hun niet-uitzonderlijke leeftijdgenoten werd controversieel onder ouders en anderen in de late 20e eeuw, en is nog steeds een onderwerp van discussie. De inclusie controversie werd aangescherpt in de 21e eeuw vanwege de hogere verwachtingen voor alle studenten.

 

Het onderzoek van psychologen naar leren en hun voorstelling van het wel of niet behalen van succes op school door middel van testen in de 20e eeuw had grote gevolgen voor de groei van het speciaal onderwijs. Het hielp om de aandacht te richten op kinderen met speciale behoeften. Er kwam een groeiend besef van onder andere leraren dat veel studenten iets extra's nodig hebben naast de normale schoolervaringen. Elizabeth Farrel zag de ontwikkeling van speciaal onderwijs als haar beroep. Haar doel en die van haar collega's was dat elke student passend onderwijs kreeg en daarbij ook de gerelateerde gezondheids- en sociale diensten die nodig zijn voor optimaal leren op school. In 1922 begon Farrell met een groep andere speciaal onderwijsleraren de ‘Counsil for Exceptional Children (CEC), wat nog steeds de primaire professionele organisatie achter het speciaal onderwijs is.

Het huidige speciaal onderwijs is een professioneel veld met zijn oorsprong in verschillende academische disciplines naast professioneel onderwijs, met name geneeskunde, psychologie, sociologie en sociaal werk.

 

Individuen, ouders en organisaties
Over de jaren is veel progressie zichtbaar, mede door collectieve bijdragen van ouders en professionals. Sinds het begin van de 19e eeuw werden al professionele groepen georganiseerd. Pas na 1950 kwamen er ook effectieve nationale ouderorganisaties op. Hierbij komen ouders van uitzonderlijke kinderen samen en richten zich op zaken die speciale aandacht nodig hebben. Deze hebben over het algemeen drie functies:

  • Het zorgt voor een informele groep van en voor ouders die elkaars problemen en behoeften begrijpen en die elkaar kunnen helpen met angsten en frustraties.

  • Het zorgt voor informatie over diensten en potentiële bronnen.

  • Het zorgt voor structuur voor het verkrijgen van de nodige diensten voor hun kinderen.

 

Wetgeving en ligitatie
Wetgeving (het maken van wetten) en ligitatie (het beschermen van iemand zijn rechten onder de wet) hebben grote rollen gespeeld in hoe studenten met beperkingen geïdentificeerd en opgeleid worden. Deze rollen zijn vaak wederkerig, waarbij de één de ander beïnvloedt en vice versa. De wet IDEA (Individuals with Disabilities Education Atc) verzekert dat alle kinderen en jongeren (3-21 jaar) met beperkingen het recht hebben op toepasselijke publiekelijke educatie, ongeacht de aard of mate van beperking. Een andere wet is de Americans with Disabilities Act (ADA) die de rechten van individuen met beperkingen representeert om niet gediscrimineerd te worden. Deze wetten samen zorgen ervoor dat publiekelijke schoolsystemen alle kinderen en jongeren met beperkingen moet identificeren en hen speciale educatie moeten verzorgen.
 

Ligitatie kan nodig zijn voor twee redenen; (1) omdat speciale educatie niet wordt gegeven, terwijl de ouders van het kind van mening zijn dat hun kind dit wel nodig heeft, of (2) omdat studenten wel speciale educatie krijgen, terwijl hun ouders denken dat het niet nodig is.

 

Redenen voor optimisme
Het werkveld van speciale educatie kent meerdere uitdagingen, die het een dynamisch veld maken. We blijven optimistisch voor de toekomst van deze studenten omdat er zoveel leraren en andere professionals zijn die zich ervoor willen inzetten en er steeds meer belangrijke bevindingen worden gedaan.
 

In hoofdstuk 5 wordt het vinden van causale factoren voor het Down syndroom bijvoorbeeld bediscussieerd. Dit is een conditie die resulteert in een groot aantal kinderen die geclassificeerd worden met matige intelligentie en ontwikkelingsbeperkingen. Zo is de incidentie van retinopathie (aantasting van het netvlies) bij prematuriteit, ooit een leidende oorzaak van blindheid, sterk gedaald sinds bekend is dat het blindheid kan veroorzaken. De methabolische stoornis phenylketonuria (PKU) is jaren geleden ontdekt. Nu worden pasgeborenen kort na geboorte routinematig getest op PKU, zodat dit type intellectuele beperking voorkomen kan worden. Meer recent is het gen dat verantwoordelijk is voor cystic fibrosis geïdentificeerd. Dit is een erfelijke conditie die gekenmerkt wordt door chronische ademhalings- en spijsverteringsproblemen. Vooruitgang in medicijnbehandelingen bieden potentie voor het genezen van spierdystrofie. Spierdystrofie is ook een erfelijke stoornis die gekarakteriseerd wordt door progressieve degeneratie van de spieren. Wetenschappelijke vooruitgang zorgt voor een toename in de mogelijkheid van medicatie of gentherapieën om verschillende condities te voorkomen of te verbeteren. Artsen kunnen nu operaties uitvoeren om identificeerbare afwijkingen/fouten bij een foetus voor de geboorte (in utero) te verbeteren, waardoor sommige condities volledig voorkomen worden. Een voorbeeld van een dergelijke conditie is hydrocephalus, een toenemende vloeistof rond de hersenen die mentale of fysieke beperkingen kan veroorzaken als dit niet verholpen wordt.

 

Voor toegang tot deze pagina kan je inloggen

 

Inloggen (als je al bij JoHo bent aangesloten met een abonnement)

   Aansluiten   (voor online toegang tot alle webpagina's)

 

Hoe het werkt

 

Lees hieronder meer over aansluiten bij JoHo

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

    JoHo abonnement met service-pakket (€20,- + €60,-)

    • Voor wie de boeksamenvattingen voor zijn of haar studie of studiegebied gratis thuisgestuurd wil krijgen
    • Voor wie gebruik wil maken van de basisservices voor zijn of haar vrijwilligersorganisatie of instelling die de JoHo doeleinden steunt
    • Voor wie gebruik wil maken van de emigratie- en expatservices

    JoHo donateur (WorldSupporter) worden

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Sluit je een abonnement af in de periode juli tot en met december, dan maak je in de eerste maanden gratis gebruik maken van je de voordelen & services bij je abonnement. Je abonnementsbijdrage geldt dan ook voor het volgende kalenderjaar.

     

    Aanmelden bij JoHo

     

    Study note: begrijpen

     

     

     

    Study note: te gebruiken bij
    JoHo: benodigd toegangsniveau
    • Member (donateur)