Voor de meest recente samenvattingen en studiehulp zoek je hier op titel of auteur en kan je gebruik maken van het menu
JoHo: menu studiehulp & samenvattingen

 

Geschiedenis van het strafrecht in Europa

Voorbeeld Hoofdstuk (Je toegangsniveau is niet voldoende voor het gebruiken van de volledige samenvatting)
Voorbeeld Hoofdstuk (Je toegangsniveau is niet voldoende voor het gebruiken van de volledige samenvatting): 

Rechtsgeschiedenis: tijdslijn

 


27 v Chr.

Begin Romeinse keizertijd

Archaïsche periode van het Romeinse Recht

 

  • Majesteitsschennis wordt bestraft;

  • Tijd van de lijfeigenen, de onvrijen, en de vrijen.

 

Tortuur in het Romeinse Recht:

  • Men was primair op zoek naar de materiële waarheid;

  • Beperkt tot het ondervragen van slaven als getuigen in publieke strafzaken, omdat zij niet op hun woord geloofd konden worden en hun verklaringen dus niet rechtsgeldig waren;

  • Vanaf de 2e eeuw mochten slaven ook op deze wijze in civiele zaken optreden als getuigen;

  • Als zij zelf een delict hadden gepleegd werden zij gestraft door de Pater Familias;

  • Vrije Romeinen mochten eerst niet aan tortuur worden onderworpen;

  • In de 2e eeuw mocht dit wel bij de laagste klasse van burgers en bij zeer ware delicten, bijv. Majesteitsschennis;

  • Later mocht het bij steeds meer delicten en burgers, er ontstond een tweedeling tussen de Honestiores, bij wie tortuur enkel bij majesteitsschennis mocht, en de Humiliores;

  • In de Digesten stond geschreven dat niet teveel waarde aan verklaringen onder tortuur gehecht mocht worden, omdat het een wankel middel was;

  • Passieve onovererfelijkheid;

4e eeuw

Eind 4e eeuw: Germaanse Visigothen worden opgenomen in het Romeinse Rijk

344-407

Kerkvader Chrysostomus: Nemo tenetur-regel

381

Christendom wordt staatsgodsdienst

438

Codex Theodosianus

476

Val van het Romeinse Rijk

 

Heidense Germanen kregen meer macht

 

De Germaanse cultuur was verre van primitief qua techniek, letterkunde (bewerkingen van Bijbelse verhalen/OT van de kerkvaders).

 

Veel juridische informatie over hen blijkt uit de Saksenspiegel:

Zij hadden geen geleerd recht, maar ongeschreven gewoonterecht en kende dus grote onzekerheid. Zij loste dit op d.m.v irrationele bewijsmiddelen, zoals godsoordeel en gerechtelijk tweekamp, m.b.v. schermen en schilden. God werd geacht vroeg of laat tussen beiden te komen. Men kon dus vertrouwen op Godsoordelen. Grenzend aan de Godsoordelen zijn de Salomonsoordelen/Iudicia Rusticorum (boerenoordeel). Vaak tussenoplossingen: 50/50. Lag een solidariteitsgedachte aan ten grondslag. Voorbeelden op p. 41 onderaan.

 

Soms waren er ook eedhelpers, die ongemotiveerd meezwoeren met een partij (hun hand er a.h.w. voor in het vuur willen steken) of zwoeren dat zijn eed rein was. De rechter, die ons vrij onbekend is, i.v.m. met het gebrek aan bronnen, stelde voortdurend de vraag wie moest worden toegelaten tot het bewijs en wat de kracht van dit bewijs dan was. Eigenlijk was er geen sprake van bewijslast, maar juist van bewijsvoorrang! Wie mag bewijs leveren? Dit hing af van geloofwaardigheid, wat weer samen hing met stand en status. Onder voorwaarden had de verdachte ook de mogelijkheid tot zuiverings- of onschuldseed. Als de verdachte meineed pleegde, werd hij rechteloos, hij mocht dan nooit meer de onschuldseed zweren! Het voordeel van de twijfel dat de verdachte tijdens dit proces had, was dus enorm groot…Er werd zelfs nadrukkelijk geen gebruik gemaakt van rationele bewijsmiddelen, bijv. getuigen die zich aanboden, omdat dit een belediging naar de rechter en partijen toe was. Er werd ook gebruik gemaakt van voorsprekers, deze voerden het woord en adviseerden over het recht. Zij waren niet partijdig en dus niet de voorlopers van de hedendaagse advocaat. Vaak eindigde het proces met een tweetongig vonnis, waarin werd bepaald welk bewijs werd toegelaten en wat de uitslag was. Hierbij ging het niet om het vinden van de materiële waarheid, maar om het vinden van iemands beste waarheid. Partijen waren dominus litis. Geen klager, geen rechter. De toeschouwers zijn de ommestand. Bij een gescholden oordeel wordt hen geen instemming gevraagd.

 

Bij de leengerechten berechtten de vazallen onder voorzitterschap van de leenheer.

 

Je kon iemands oordeel schelden, vals verklaren. De rechter mocht dit niet. In praktijk gebeurde dit wel eens, als hij op de stoel van de schout ging zitten (letterlijk).

Dit kon onder twee voorwaarden:

  • Je was minstens van dezelfde stand als degene wiens oordeel je schold;

  • Je moest met een tegenoordeel komen.

De rechter vond en schold geen oordeel. Na het oordeel schelden rees een nieuw conflict dat uiteindelijk tot aan het hoogste gerecht bij de keizer kon komen. Desgewenst kon het worden opgelost met een gerechtelijk tweekamp, waar elke partij 6 helpers had.

 

Germanen hanteerden het personaliteitsbeginsel. Elke stam heeft zijn eigen recht en rechtsspraak vindt plaats in een ding: een bijeenkomst van de hele stam. Het hele volk mag voorstellen doen en de voorzitter is uitgerust met ban: de bevoegdheid om bevelen te verstrekken en te versterken met een boete (heet ook ban). Iedere vrije volwassene was dingplichtig. (dingplicht werd in de Middeleeuwen afgeschaft, toen kwam er ook een vast college van schepenen) Het recht was dus gemeenschapsrecht dat slechts overruled kon worden door geboden van legeraanvoerders.

 

Romeinen hanteerden het territorialiteitsbeginsel en daardoor werd na de overwinning van de Romeinen receptie van het Romeinse recht door niet Romeinen, zoals de Germanen, mogelijk.

 

Territorialisering was nodig om van oer accusatoir naar hyper inquisitoir over te gaan en geschiedde op tal van manieren:

  1. Op een gegeven moment werden dingplicht en grondbezit gekoppeld. Wie dingplicht verzuimt, verliest zijn grondbezit;

  2. Men was ook dingplichtig bij de geestelijke rechter. Zo kregen de bisdommen al gauw territoriale grenzen;

  3. de territorialisering werd ook bevorderd door het Tiendrecht van Karel de Grote. Geografische grenzen waren handig om te reguleren wie er nog geld moest afdragen.

  4. In het feodale leenrecht vormde de heer met zijn leenmannen/vazallen een eigen rechtsgebied: leenhof. De meest omvattende feodale rechtskring was het Rijk zelf. Familiaalle vazallen van één heer.

506

Lex Romana Visigothorum, overwegend gebaseerd op de Codex Theodosianus uit 438 (puur Romeins Recht). Hierover zegt Hans Doré het volgende:

  • Het effect van het R.R. op deze wet is veel groter dan op de andere leges Barbarorum. Dit komt omdat de Visigothen al vrij vroeg (4e eeuw) opgenomen waren in het Romeinse Rijk. Meest opvallend was de Romeinse tortuurgewoonte, die in de Lex Romana Visigothorum voorkwam, terwijl tortuur van vrijen geheel in strijd is met Germaanse opvattingen.

  • Er zijn ook genoeg kenmerken die niet terug te voeren zijn op het R.R.

  • Het was dan ook een combinatie van inquisitoir en accusatoir;

  • De Lex Romana Visigothorum bevat verschillende codices van verschillende vorsten;

  • De oudste is de Codex Euricianus van Koning Euric (466-484);

  • Vete en eigenrichting zijn verboden;

  • Er werd hoofdzakelijk op klacht van de gelaedeerde geprocedeerd;

  • In sommige uitzonderingen kon de rechter echter ex officio optreden;

  • Er was een sanctie tegen Calumnia (vals klagen/beschuldigen): namelijk dat de leugenaar de straf van de beschuldigde moest ondergaan, bovendien: beklaagde onterecht overleden=klager ook dood;

  • Passieve onovererfelijkheid;

  • Voornaamste bewijsmiddelen waren: getuige, schriftelijk bewijs en bekentenis en…….als dat niet lukte……de onschuldseed! (typisch Germaans)

  • Tortuur van vrijen was aan enkele voorwaarden gebonden:

    • Stand van de accusator en de beklaagde;

      Als een lagere een hogere beschuldigde, mocht in principe geen tortuur gebruikt worden. Alleen gewoon bewijs en als dit nergens toe leidde de onschuldseed. Tortuur vond dus voornamelijk plaats op aanvraag van de klager!

  • Ernst van het delict;

    Als de zaak meer dan 500 solidi betrof.

  • Waarborgen tegen misbruik van tortuur:

    • De accusator moest een inscriptio opstellen ondertekend door drie getuigen;

    • Als de beklaagde onder tortuur onschuldig bleek, werd de klager als slaaf aan hem overgedragen;

    • Was de toedracht door de accusator of iemand anders aan de beklaagde bekend gemaakt of was de toedracht publiekelijk bekend gemaakt, dan was tortuur niet toegestaan;

    • De bekentenis van de beklaagde moest in grote mate overeenstemmen met de klacht van de accusator;

    • De calumnia sanctie;

    • Als de rechter onterecht toestemming voor de tortuur had gegeven (bijv. door omkoping) of te ver was gegaan met de tortuur en de verdachte overleed, dan stond de rechter ook de dood te wachten.

      Door deze waarborgen zal tortuur zelden zijn toegepast.

529-534

(volgens Martinage)

 

527-565

(volgens Doré)

Justianus: hoogchristelijke Byzantijnse keizer, haalde God bij het recht.

Instituten: verzameling opiniërende, adviserende uitspraken van de oude heidense Romeinse juristen

Digesten: bewerking van een leerboekje van de 2e eeuw na Christus

Codex: verzameling van Keizerlijke wetgeving

 

Door het uitgeven van deze wetten als eigen, voortaan exclusief bindende wetgeving greep Justianus naar de macht.

 

 

R.R. was voornamelijk privaatrecht.

Het Romeinse strafrecht had primitieve barbaarse straffen, waaronder de doodstraf, bijv. kruisiging, Christenen voor de wilde dieren gooien, gladiatoren zonder opleiding, onthoofding, verbranding, verdrinking in een zak, ontneming van het burgerschap, bijv. slavernij en dwangarbeid in de mijnen. Er was sprake van een bewust uitgewerkte klassenjustitie, die bestond uit Honestiores (de eerzamere lieden) en Humiliores (de nederige lieden). Deze laatste werden veel makkelijker op de pijnbank gelegd.

 

R.R. was hyper-inquisitoir. Het delict majesteitsschennis werd gebruikt als instrument voor keizerlijke willekeur. Berechting van ketters, ook als die per ongeluk onschuldig waren. Berechting van hekserij: majesteitsschennis jegens God.

Romeins Strafrecht: Libri terribiles: angstaanjagende boeken.

Let op: veel straffen waren waarschijnlijk slechts fictief!

Bijv. Philips Wielant: Graaf Floris werd levend in tonnen met spijkers gerold en daarna onthoofd en in vieren gesneden, zie plaatje p.9 WB.

Bijv. de stier van tiran Phalaris: de maker, Perilaus, moest zelf als proefkonijn (en als enige) in de stier. De fluitjes in de neusgaten zouden zijn gejammer omzetten in mooie melodieën. Dit bleek slechts een fabeltje te zijn.

 

R.R. had vooral na de Romeinse tijd grote invloed. Werd namelijk pas achteraf door wetgeving gedekt.

554

Justianus roept hereniging van het hele Rijk (Oost en West) uit.

555

Justianus overlijdt

558

De Scandinavische Langobarden, de meest naaste buren van de Romeinen, vallen Italië binnen. Ze leerden van alles over de Romeinse cultuur: het schrift, het Latijn, het wonen in de steden, werden christelijk. Zij waren van belang voor:

  • De optekening van het feodale recht;

  • De ontwikkeling van het notariaat;

  • Verwetenschappelijking van het rechtsbedrijf;

  • Exclusiviteitsclausule: elke recht dat buiten de wetten zelf om gevonden wordt, wordt uitgesloten van geldigheid.

  • Hun gewoonterecht bleef overwegend Germaans; de Romeinen hechtten veel minder waarde aan gewoonterecht.

  • Intermediair tussen Justianus en de glossatoren.

(Justinianus was hun voorbeeld)

681

Definitieve versie van Lex “Barbara”Visigothorum/Liber Iudiciorum voor de Germaanse onderdanen.

 

Het recht van de Germaanse stammen wordt opgetekend, maar hierbij ook verbasterd (o.a. door Germaanse rechtstermen, die moeilijk te begrijpen waren) en verchristelijkt (kwam o.a. door Karel de Grote).

 

Karel de Grote moest de stammen wel het behoud van hun eigen recht gunnen, maar daarnaast, om de leemten op te vangen, kwam er steeds meer universeel recht. Gewoonte en wet, dat puur fungeerde als bewijsmiddel) waren minstens gelijkwaardige bronnen van recht. Alleen bij de Langobarden ging wet altijd boven de gewoonte (uitz.). Voor het toepassen van dit gewoonterecht bleef de koning de instemming van het stamhoofd nodig hebben. Bij het maken van het Rijksrecht trad de koning als wetgever op. Het feodale leenrecht was Rijksrecht. De koning bekommerde zich om de minder bedeelden.

9e eeuw

  • Een onder tortuur verkregen bekentenis was geen geldige bekentenis. De bekentenis moest vrij en spontaan gegeven zijn.

  • In het Rijk der Franken nam men al aan dat twee tot drie keer per jaar biechten noodzakelijk was en dat nakoming hiervan gecontroleerd moest worden door bisschoppen tijdens wroegbijeenkomsten.

866

Paus Nicolaas: eerste grote kerkvorst: goddelijk en menselijk recht verbiedt tortuur

1066

Slag bij Hastings: Willem van Normandie verovert Engeland

Hiervoor leefde het eiland net als het continent nog volgens het gewoonterecht. De koningen probeerden wel uniform koningsrecht te introduceren gebaseerd op bijbelse leer, maar de rechtspraak bleef een plaatselijke aangelegenheid. Koningsgerechten gingen wel het land door, ter controle, en paste daarbij het plaatselijke gewoonterecht toe. Langzamerhand begon hij steeds meer zijn eigen recht toe te passen en werd dit: the law common to the wholde realm.

12e eeuw

12e-eeuwse Renaissance: bleef beperkt tot bepaalde universitaire elite en wetenschappen.

Einde van de 12e eeuw: receptie van het Romeinse Recht in heel West Europa, m.u.v. Scandinavië en Engeland). Analyse van herontdekte digesten → eerste universiteitsstudie Rechten in Bologna, gesticht door de keizer, later ook aan andere universiteiten → werd snel bruikbaar in de praktijk.

De wetgeving van Justianus kreeg een nieuwe naam: Corpus Iuris Civilis en werd als geldend keizerrecht behandeld. Hierin stond o.a. dat de Keizer (de -Roomse- koning) zelf niet aan wetten gebonden is. Later gold dit ook voor de paus en de lagere vorsten (een koning). In de 13e eeuw wordt het CIV aangevuld met opgetekend feodaal recht door de Langobarden: Libri Feudorum.

 

Het Corpus Iuris Civilis kreeg ook een tegenhanger: Corpus Iuris Canonici, het kerkelijke recht (bijv. decreten van Gratianus). Dit kende ook godsoordelen. Maar de kerk wilde zich langzamerhand distantiëren ervan. Vuurproef moest bijv. altijd buiten de kerk. In het nieuwe testament wordt de gerechtelijke tweekamp niet meer aangenomen.

Er ontstond Geleerd Recht: Ius commune (gemeen recht): mengsel van aan de universiteiten verwerkt R.R. en het overal geldende kerkelijke recht.

 

Joden werden d.m.v. tortuur gedwongen zich te bekeren: Let op: dit was dus een zeer vroege vorm van tortuur!

 

Engeland kreeg eigen Common Law: common lawyers werden opgeleid in de praktijk: Inns of Court, waar men beide rechten studeerde en benutte in de Prerogative Courts, waaronder de beruchte Star Chamber (koninklijk strafgerecht), die jurisdictie over majesteitsschennisdelicten had.

Engeland bleef grotendeels gespaard voor gerechtelijke tortuurpraktijken.

 

Hoge middeleeuwen

 

tijd van nieuw HIËRARCHISCH denken:

 

Tot stand komen en ontwikkeling van een nieuwe, echte overheid door:

  • Territorialisering;

  • Verambtelijking;

  • Professionalisering en verschriftelijking van het rechtsbedrijf;

    • In de vorm van boeken

    • In de praktijk (bijv. door notaris en gerechtssecretaris)

      De Kerk liep natuurlijk voorop!

  • Bureaucratisering en centralisering van het bestuur;

  • Bureaucratisering en centralisering van regelgeving;

  • Bureaucratisering en centralisering van rechtsbedeling;

  • Receptie van Romeins recht;

  • Nieuwe stand van academische juristen.

 

Deze nieuwe overheid:

  • Ging over rechtsbedeling;

  • Bepaalde zelf de vonnissen;

  • Ging steeds meer zelf opsporen;

  • Ging oor- en ooggetuigen verhoren (eindelijk!);

  • Houdt zittingen binnen in plaats van in de open lucht;

  • Schaft dingplicht af;

  • Stelt een rechter in moderne zin aan, die zelf zijn oordeel vindt;

Soms wordt het proces pro forma nog wel accusatoir gespeeld, ter bekrachtiging van de resultaten die uit het opsporingsonderzoek gekomen zijn. Het oordeel dat door de schepen opgelezen werd, was gewoon het eindoordeel dat de rechter had gevonden.

  • Bepaalde zelf steeds meer de inhoud van het objectieve recht;

Dit recht wordt steeds vaker opgeschreven en zodoende ontstaat een wetboek.

  • Hield zich meer bezig met materiële belangen;

  • Maakt haar ambtenaren tot verlengstuk van de vorst;

  • Stelde notarissen aan die sommige juridische zaken zelf bindend kon vastleggen in oorkonden (voluntaire jurisdictie).

1140

Gratianus schrijft zijn decreet, Concordia Discordantium Canonum, eerste bouwsteen van het Corpus Iuris Canonici

1189-1216

Paus Innocentius III

  • Liep voorop bij verschriftelijking van de juridische rechtspraktijk;

  • Biecht werd gejuridiceerd;

  • Recht werd verbiechtelijkt.

1199

Paus Innocentius III: decretale `Vergentis`.

1215

Paus Innocentius III:

  • Definitief verbod van alle godsoordelen

  • Verbod van gerechtelijke tweekamp

  • Basis van het inquisitoire proces wordt gelegd, o.a. door

  • Oproepen topt kruistochten binnen de Christenheid

  • Ketterij is erger dan majesteitsschennis

  • Invoering van algemene periodieke, juridische biechtplicht:

Geheime bekentenis,

Geen publiek uitstotingsritueel,

Geen openbare boeteverrichting.

 

Burgers waren verplicht eenmaal per jaar bij hun parochiepriester te biechten en eventueel de boetedoening te verrichten teneinde met Pasen met eerbied het sacrament van de eucharistie te verkrijgen. De burger die dit niet doet, mag nooit meer in de kerk komen en krijgt ook geen christelijke begrafenis, tenzij hij op grond van een goede reden toestemming heeft gekregen van de priester. De priester mag natuurlijk de zonden van die biechtende met niemand delen! Dit op straffe van ontzetting uit het ambt en verbanning naar een klooster voor eeuwige boetedoening.

Boetedoening ging altijd gepaard met excommunicatie (verbanning uit de Kerk). De ergste vorm hiervan heet anathema en reikt tot ver na de dood. De zondebok kon nog gered worden door zich voor de dood weer te laten bekeren. De milde vorm van excommunicatie is een tijdelijke verbanning inclusief ontzegging van commune. Daarnaast kon de biechtende ook een boete krijgen. Deze burgers moesten zich aan het begin van de 40 dagen vasten voor Pasen bij de bisschop melden, die hem mededeelde hoe hij moest vasten. Soms moest de zondaar hier ook aalmoezen aan de kerk afstaan.

Bij deze biechtplicht stonden zowel de individuele toewijding aan de kerk, als het collectieve welzijn centraal. Als iemand dus wist dat een ander zonde gepleegd had, moest hij hem de gelegenheid bieden om onder vier ogen te biechten, zodat hij zich op tijd kon bekeren. Dit moest volgens het NT. Als de zondaar dan nog geen spijt toonde, moest hij zich wroegen tijdens een openbare wroegbijeenkomst. Als hij dan nog halsstarrig bleef, werd hij zonder pardon uitgestoten. Als hij wel berouw toonde, kreeg hij passende boetedoening.

± 1215

Saksenspiegel kwam in het Latijn: optekening op initiatief van een particulier, de ridder Eike van Repgow, die zelf eerst Schepen was, in twee delen, het land- en leenrecht. Werd ontvangen alsof het door de overheid uitgevaardigde wetgeving was. Concurreerde met overheidsbepalingen, die ook in deze tijd opkwamen.

 

In zijn beroemde Tweezwaardenleer pleitte van Repgow voor een scheiding van Kerk en staat: “geef de Keizer wat de Keizer toekomt en God wat God toekomt.”

Wel kreeg de Paus een koningsban (waar de bevelsmacht van de koning aan verbonden is) voor in geval zijn geestelijke sancties niks uithaalden of niet afschrikten. Samenwerking bleek ook eruit dat degene die in de kerkban was gedaan ook voor het wereldlijk recht vogelvrij werd verklaard en omgekeerd.

Wetgeving, bestuur en rechtspraak liepen nog wel door elkaar. Ook kent de Saksenspiegel echte wetgeving, maar de rol van de ‘overheid’ blijft passief.

 

Een ander metafoor dat gebruikt werd, was die van de Twee Opperste Hemellichamen. Hierin in de Paus de zon en de keizer de maan. Het verschil met de zwaardenmetafoor uit de Saksenspiegel is dat bij de laatste de keizer en paus ten dienste van het recht staan. Bij het zonnemetafoor is het juist andersom: recht als instrument van overheidsgezag. De paus en keizer staan hier dus wel boven het recht.

1224-1230

Saksenspiegel: beste kernbron van Germaans gewoonterecht met oer accusatoir karakter.

 

Proces wordt vertaald naar de volkstaal in “het boek”.

 

De rechter (in oude zin, dus tijdens de Germanen) zei: Vind mij een oordeel! Bij onenigheid werd er gestemd: democratie in de rechtszaal! Alleen ten overstaan van de koning mocht een dilemma tussen oordeelvinders ook fysiek worden uitgevochten, bij een lagere rechter mocht dit niet. In principe kon iedere onbescholden (nooit met succes aangeklaagde) dingplichtige oordeel vinden, maar het schepencollege (alleen mannen!!)was door Karel de Grote speciaal ingesteld om oordeel te vinden en mochten dit niet weigeren. Zij hadden een koningsban, waarmee de betreffende rechter vertegenwoordiger werd van de koning. De rechter voegt deze ban toe aan het eindoordeel. Als hij dit weigert te doen, kan hij zijn functie kwijtraken o.g.v. rechtsweigering. De rechter kon niet ambtshalve oordeel vragen; er moest een voorzet zijn gegeven door anderen via de voorspreker. De rechter moest wel zorgen dat de orde in de rechtszaal gehandhaafd bleef en dat het vonnis uitgevoerd werd; hij moest beschikken over managementkwaliteiten. Het aantal schepenen varieerde nog al, maar meestal 12.

Let op: deze gang van zake kwam niet zo voor bij het kerkelijke gerecht. Daar was de rechter al rechter in moderne zin.

De verstekprocedure in de Saksenspiegel:

  • Als de beklaagde wegbleef van de terechtzitting werd hij bij verstek in de gerechtsban gedaan: een voorlopige ban, voorban, slechts geldig in het gebied van het lagere gerecht. Deze kon nooit levensbedreigend zijn. Vanaf dit moment was de veroordeelde vogelvrij. De door de overheid geboden bescherming ter handhaving van de algemene vrede kan hij niet meer genieten. Als hij gevonden wordt voordat hij zich zelf aanmeldt, wordt hij meteen ter dood veroordeeld. Degene die zelf naar het gerecht komt om te pleiten tegen zijn gerechtsban kan de rechter om vrijgeleide vragen.

  • Na de gerechtsban volgde de rijksban. De ban werd uitgebreid naar het hogere gerecht en zo uiteindelijk tot het gehele rijk. Soms kreeg de verdachte huisarrest, zodat in de rest van het gebied de vrede bewaard kon worden.

  • Na de rijksban volgde de superban. De dader werd hier totaal rechteloos en verloor al zijn vermogen naar land- en leenrecht. Deze kon hij nimmer terugkrijgen! De vredeloosheid werd hier onbeperkt, de overheid stelde zich steeds actiever tegen de dader op. Ook hier was nog wel de mogelijkheid zich aan de ban te ontrekken, al werden de voorwaarden steeds zwaarder.

 

Burgers kregen opstandsplicht jegens onrecht aangedaan door bijv. de koning. Hiermee werd de overheidsmacht gerelativeerd. Dit gold niet jegens de Keizer!! Die was immers boven het recht verheven.

1229

Concilie van Toulouse: voorbereiding op de inquisitie

  • Ketterjacht als algemeen verschijnsel;

  • Elke parochiepriester wees een aantal ‘vervolgers’aan, die op zoek moesten naar de ketters in de gemeente;

  • Straffen op ketterij werden nader vastgelegd;

  • Opsporingsmethoden gaan veel verder, met soms geheime processen;

  • Pauselijke inquisiteurs hadden de complete berechting van ketters in eigen hand;

  • Van het accusatoire stelsel was weinig meer over.

1231

Paus Gregorius IX:

  • erkent doodstraf als passend voor ketters;

  • Namen van getuigen hoeven niet meer aan verdachten worden verteld;

  • Schreef het Liber Extra, 2e bouwsteen van Corpus Iuris Canonici.

1252

  • Thomas van Aquino, theoloog, doceert in Parijs

  • Konrad van Marburg begint zijn ketterstrijd. Wie ketterij niet wil afzweren, wordt al bij voorbaat geacht ketter te zijn. Dit kan gezien worden als een voorspel van de Inquisitie. De ketterinquisitie ontwikkelt zich deze eeuw en vanaf ongeveer 1260 wordt deze ook gericht op tovenarij en waarzeggerij: op de heksen dus;

  • Paus Innocentius IV geeft toestemming voor tortuur bij ketterprocessen

± 1260

Paus Innocentius IV geeft toestemming aan inquisiteurs om elkaar dispensatie te geven van het verbod om bloed te laten vloeien bij verhoor op de pijnbank van ketterverdachten.

14e eeuw

  • Wetgeving tegen en vervolging van bedelaars, werklozen en zwervers: bedreigingen tegen de openbare orde

  • Tijd van Philips van Leiden: theoloog, afgestudeerd in het kerkelijk recht:

    • treedt op als fervent voorstander van rechters in moderne zin;

    • Is absoluut tegen het feodaal systeem met zijn accusatoire processen;

    • Ervaring vond hij veel belangrijker dan een juristendiploma;

    • Hoger beroep moest worden ingevoerd;

    • Appelrechters moeten wel juristen zijn.

  • Dit hoger beroep kwam er, maar heel anders dan nu. Het hogere gerecht bepaalde alleen welke van de twee botsende oordelen het juiste was en veranderde daar verder niks aan. Het bleef dus een vonnis in eerste instantie.

  • Wel konden rechters van een dochterstad bij hogere rechters in hun moederstad rechtsbelering gaan halen: voorlichting over het eigen gewoonterecht. Bij het bepalen van het definitieve oordeel in zo een lager gerecht werd deze rechtsbelering dan meegenomen: een soort kader.

  • Hoge rechters interpreteerden en werkten veel met “het boek”, de Saksenspiegel. Wat hierin stond werd bindend verklaard.

 

 

TIJD VAN NIEUWER HIËRARCHISCH DENKEN

  • Heersers werden steeds machtiger

  • Zij werden daarbij geholpen door juristen

  • Hierdoor kreeg het volk steeds meer een hekel aan de juristerij

  • En was het ontevreden over de inquisitoire processen.

  • Rechters gaan actief op zoek naar de materiële waarheid

  • En vragen niet meer aan anderen wat het recht wil

  • Rechters worden nu geacht het recht te kennen

  • Zij staan recht tegenover de verdachte en zijn dus politie, OM en rechter in één

  • Schepenen doen vaak geheim gerechtelijk vooronderzoek

  • Men kende geheime schriftelijke procedures

  • Tortuur vierde daarbij hoogtij

  • Bewijsrecht werd ver ontwikkeld met behulp van een puntensysteem

  • Partijen waren niet meer de heersers van het geschil

  • De grens tussen dagelijkse zonden (waarvan men kon worden schoongewassen in het vagevuur) en doodzonden (gestraft met een enkeltje hel) werd misbruikt. Mensen moesten aflaat betalen om te voorkomen dat zij naar de hel gingen.

  • Veel delicten werden naar de publieke sfeer getrokken

  • Grote intolerantie jegens ketters, heidenen en joden

  • Tijd waarin ook de wereldlijke gerechten zich actief met heksenprocessen gingen bezighouden. Bekentenissen kwamen vanzelf, door tortuur.

± 1315

Saksenspiegel wordt van een glosse voorzien door Johan von Buch, waarin staat dat de Saksenspiegel overeenstemt met de Corpora Iuris van Justinianus. Ook komt er een procesrechtelijk werk bij: Richtsteig Lehnrechts. Hieruit bleek dat het procesrecht dat de Saksenspiegel hanteerde extreem accusatoir was.

15e eeuw

Behoefte aan grote rechtszekerheid: redactie gewoonterecht door overheid, niet zo strikte toepassing als nu, meer indicator voor lagere rechters.

Taak van de rechter was nu gericht op zowel herstel op lokaal niveau als op algemene ordehandhaving, algemeen belang en preventie

Belang van gewoonterecht loopt terug.

 

Delicten tegen politiek gezag (verraad) staan bovenaan de hiërarchie. Daaronder volgen delicten tegen religieuze orde, tegen de morele orde (overspel, zedendelicten), tegen de natuur (seks met dieren), tegen particulieren en vermogensdelicten (vnl. diefstal).

1450

Uitvinding boekdrukkunst

1487

Malleus Maleficarum: heksenhamer, gericht tegen vrouwen.

16e eeuw

Ancien Regime:

  • Centrale overheden krijgen geleidelijk meer greep op wetgeving en strafjustitie, met soms een duidelijke verscherping van repressie tot gevolg

  • Institutionalisering en professionalisering van rechterlijke organisatie

  • Aandacht voor verstoring van religieuze en maatschappelijke orde

  • Majesteitsschennis (van de eerste -tegen koning, zijn naasten en de staat- en tweede -tegen ministers, leger etc.- orde) werd het zwaarst gestraft. Voor regicide (koningsmoord) zijn geen verzachtende omstandigheden, alle getuigenissen worden aanvaard. Het proces kan zelfs nog tegen iemand lijk worden gevoerd, want de dood bevrijdt de dader niet van de misdaad.

 

Ketter- en heksenprocessen: religieuze delicten. Heksenprocessen verbreiden zich vanuit Duitsland, ook veel voorkomend in Frankrijk. Straf: brandstapel

 

Nog steeds strijd tegen bedelarij en landloperij

 

Folteringpraktijken (pijnbank, tortuur) zijn binnen bepaalde grenzen –door de wet gesteld- volledig rechtvaardig

1515-1558

Keizer Karel V: lijkt op Karel de Grote, bemoeit zich met kerk en reformatie

Ruime toepassing van menselijke majesteitsschennis.

1532

Karel V: Constitutio Criminalis Carolina voor de Duitse gewesten: regels op het gebied van strafprocedure en bestraffing van delicten. Vrij volledige wetgeving, combinatie van geleerd recht en rechtstradities. Oudste en meest invloedrijke codificatie van strafprocesrecht in de 16e eeuw.

  • Tortuur werd gefatsoeneerd en gelegaliseerd: foltering als bewijstechniek, ook fictieve tortuur, de tortuur begon met dreigen.

  • Verharding van repressie: lijf- en mensonterende straffen.

  • Doodstraffen: brandstapel (kookdood), verdrinking in een zak, spietsing

 

Oer accusatoir proces werd weer hervat. Oordeel werd gevraagd door de rechter, de voorzitter (de Schout) van het college van oordeelvinders (de Schepenen).

De rechter opent het proces en vraagt: “wie moet nu het woord krijgen?”

College antwoordt.

De burger antwoordt en vraagt naar het rechterlijke oordeel.

College velt oordeel.

Rechter beaamt.

Maar ondertussen….was de verdachte al in het geniep gemarteld en had hij naar aanleiding hiervan bekend. Dit systeem is dus hypocriet pro forma accusatoir.

Rechter hoefde zelfs geen BPR te kennen, maar moest wel orde in de rechtszaal houden. Irrationele bewijsmiddelen waren heel normaal.

1548

Karel V: Formula Reformationis

Bedoeld voor instructies voor het visiteren.

 

Renaissance II

1580

Jean Bodin schreef een verhandeling over demonen, ivm hekserij

1598

Edict van Nantes: waarborgde relatieve tolerantie tegenover Protestanten in Frankrijk.

17e eeuw

Ancien Regime

Strafjustitie moet machtigen binnen het Rijk bestrijden, de schatkist van de soeverein spekken en zijn gezag veilig stellen.

 

Benefit of clergy wordt voor verschillende delicten, waaronder diefstal, afgeschaft. Hierdoor werd de doodstraf vaker toegepast.

 

Repressie van delicten tegen politiek-religieuze orde bereikt hoogtepunt met de verspreiding van de Hervorming, godsdienstoorlogen en expansiedrang van Katholicisme en Protestantisme. Ook secularisatie komt op.

 

Vervolging van Katholieken in Engeland, van Protestanten in Frankrijk: wie het niet eens was met de heersende religie en politiek kon worden vervolgd.

Goddelijke majesteitsschennis/ godslaster/ heiligschennis

Straffen hiervoor: galeistraffen (dwangarbeid), verbeurdverklaringen, ballingschap, doodstraf

 

Nieuwe Tijd: tweede golf heksenvervolgingen (Zuidoost Duitsland, Zweden, Oostenrijk)

 

Bigamie/ overspel/ abortus: meer liberale tendens

 

Nog steeds strijd tegen bedelarij en landloperij

 

Folteringpraktijken beginnen al terug te lopen, doodstraffen worden minder en ‘milder’ dan tijdens en in de Carolina: vaak onthoofding na foltering. Radstraf bestaat nog wel.

Grote opkomst van galeistraffen (incl. geseling en brandmerken) en andere uitsluitingsstraffen

1614

Rituale Romanum: schrijft voor het eerst de biechtstoel voor (eerst alleen voor vrouwen)

1651/1666

Lodewijk de XIV in Frankrijk: katholiek

1677

Brandstapel wordt onder Karel II tijdens de Restauratie afgeschaft

1685

Herroeping Edict van Nantes: leidde tot strafbaarstelling meer protestanten

1689

Bill Of Rights: Anglo-Amerikaans, verbod van te wrede en onbruikbare straffen

1698

  • De Paus geeft dan eindelijk opdracht om een onderzoek te doen naar de wenselijkheid van de verplichte eed om te zweren dat de verdachte op alle vragen naar waarheid zou antwoorden (met dreiging met excommunicatie). Uit het onderzoek komt dat dit een vorm van psychische tortuur is, de kans op meineed vergroot en dus niet wenselijk is;

18e eeuw

Verlichting:

  • oorsprong in Engeland, bij o.a. Locke

  • Europese beweging

  • Steunde op rede en mens

  • Bevordert humanisering van strafbeleid; mildere wetgeving

  • Strafbeleid met grotere zekerheid

  • Depenalisering van handelingen (vermindering van strafbare feiten)

  • Rechtvaardig, gematigd strafrecht

  • Rechters gaven door andere interpretatie lichtere straffen

  • Individuele handelingsvrijheid, vrijheid van meningsuiting en geweten

  • Afschaffing van bepaalde instellingen

  • Wetgeving werd vollediger

Vaak liepen rechters al voor hierop, zonder dat de wetten nog aangepast waren.

Het ging nu vaak om het veiligstellen van de burgerij en hun eigendom.

De gevolgen van de Verlichting verschilden van land tot land.

De Verlichting kon echter lang niet op ieders steun rekenen. Traditioneel gezinde juristen vonden de uitgangspunten van de verlichting niet toepasbaar in de praktijk: er was geen plaats voor gevoelens en menslievendheid in het strafrecht, zware straffen en dwangmiddelen waren absoluut noodzakelijk om de orde te handhaven, verdediging van het geloof was een must, de menselijke justitie stond immers in dienst van God.

 

Gevolg: alternatieve hervormingsvoorstellen:

J. Bentham:

  • niet gebaseerd op rechten van de mens, wel op sociale nutstheorie

  • Tegenstander van onnodig wrede straffen

  • Weinig geloof in verbetering van veroordeelden

  • Verdedigde de doodstraf

  • Geen voorstander van deportatie

  • Grote invloed op penitentiaire hervormingen, begin van de 19e eeuw

(o.a. voortdurend toezicht, bezoekmogelijkheden)

 

Derde golf heksenvervolgingen: Polen, Hongarije, Portugal

De heksenvervolging was na de middeleeuwen het hevigst.

 

Nog steeds kreeg het menselijke leven in het strafrecht minder aandacht dan de eigendom van goederen. (bijvoorbeeld diefstal > moord)

 

Meer aandacht voor behoeftige armen, fysiek gehandicapten, bedelaar, landloperij. Arbeidsbekwame bedelaars wordt dwangarbeid binnen hospitaals opgelegd.

 

Reformistische expirimenten:

  • Tortuur werd tegen het eind van de 18e eeuw in verschillende landen afgeschaft. Zowel de voorbereidende tortuur als de preliminaire tortuur, net voor de terechtzitting, om eventuele namen van medeplichtigen te krijgen.

  • Ook de algemene verbeurdverklaring verdwijnt in sommige landen uit het strafrecht omdat zij niet strookt met het personaliteitsbeginsel.

  • Doodstraf werd ook beperkt.

Deze radicale hervormingen waren maar van korte duur.

 

Pogingen tot codificatie:

Oostenrijk: Constitutio Criminalis Theresiana (Maria-Theresa)

  • Codificatie van bestaande wetgeving en praktijk.

  • Niet veel beter dan de Carolina: nog steeds wreed bestraffingsysteem, op de pijnbank na, ook pas 8 jaar na inwerkingtreding van de Theresiana…

  • Erkende hekserij en arbitragemacht van rechters.

  • Haaks op het legaliteitsbeginsel; strak en bureaucratisch.

  • Josephina (Jozef II), goed voorbeeld van Verlichtingscodificatie

  • Ook in andere landen, Toscanië, Spanje, Portugal.

 

Bewaarmaatregel werd steeds meer als echte straf gebruikt.

 

Steeds meer deportatie van criminelen naar de Nieuwe Wereld

1725

Rome schaft de eed waarin verdachte moet zweren naar waarheid te antwoorden af omdat dit psychische tortuur en onbetrouwbaar is. Beide zijn nu uit den boze.

1748

Montesquieu: L’esprit des lois (onder invloed van Thoyras)

  • Nadruk op voordelen van preventie

  • Meer proportionele straffen

  • Doodstraf slechts in welomschreven gevallen

  • Kritiek op ongelijkheid van straffen naargelang de sociale status van veroordeelde

  • Tegen arbitraire macht van rechters en verbeurdverklaring

  • Voor alternatieve straffen (niet veel animo voor)

1754

Verlicht despoot Frederik de Grote schaft tortuur af in Pruissen

1764

Beccaria (vader van het moderne strafrecht): Over misdaden en straffen (anoniem, groot succes in Europa, geïnspireerd door Montesquieu)

  • Afwijzing boetedoening en goddelijke wraak

  • Straffen moeten beperkt worden volgens het beginsel van sociaal nut

  • Bestraffing moet matig, zeker en snel

  • Preventie heeft voorrang op repressie

    Het doel van straffen is volgens Beccaria niet meer de vergelding (wraak), maar zowel generale preventie als speciale preventie: het tot inkeer brengen van de misdadiger.

  • Gelijkheidsbeginsel

  • Legaliteitsbeginsel:

    Beccaria gaat uit van de leer van het maatschappelijk verdrag. Alleen op grond van dit verdrag heeft de soeverein recht om te straffen. De misdaden en straffen moeten echter wel van te voren vast gelegd zijn, zodat de burger zeker weet dat hij instemt met het maatschappelijk verdrag.

  • Anti doodstraf (abolitionist), wel twee uitzonderingen mogelijk

  • Groot tegenstander van tortuur

1777

Voltaire: abolitionist, had ook kritiek op huidig strafrechtssysteem

1789

Franse Revolutie: introduceerde de beginselen van het moderne strafrecht

Vrijheid, gelijkheid en broederschap!

Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Staatsburger

1790

Hervorming van de rechterlijke macht:

  • Invoering van niet-juridisch geschoolde rechters als Juge de Paix (soort vrederechters);

  • Dit was opgenomen in de Wet op de rechterlijke organisatie, ondertekend door de koning die toen nog uitvoerende macht had;

  • Deze rechter werd bijgestaan door bijzitters;

  • Deze rechter had een dubbele taak:

    • Voorkomen van procederen door conciliatiepogingen

    • Een rechterlijk oordeel vormen en uitspreken

  • Deze rechter mag in bagatel zaken zijn eigen gevoel van redelijkheid en billijkheid laten spreken en hoeft hierbij het recht niet te raadplegen;

  • Als de conciliatiepogingen niet slaagden, mochten zij de zaak afdoen naar normale rechters.

 

Voorlopers van de mediators?

 

Een verklaring voor de invoering van deze vrederechters kan liggen in de afschuw die het volk van de juristerij had gekregen. Met ging nu uit van een ideale samenleving en vertrouwde op civisme, burgerdeugd. Vrijheid, gelijkheid en broederschap!

1791

Déclaration des droits de l’homme et du citoyen

 

Wetboek voor Revolutionair Strafrecht (gevolgd door decreten)

Codificatie van tendensen van de 18e eeuw

  • De natie is soeverein

  • Individuen zijn vrij en krijgen garanties hiervoor gebaseerd op natuurrecht en de menselijke waardigheid, o.a. de lichamelijke integriteit.

  • Individuen hebben stemrecht en zo wordt het volk vertegenwoordigd

  • Gelijkheid van straffen voor staatsburgers

  • Personaliteitsbeginsel

  • Proportionaliteitsbeginsel

  • Drie categorieën strafbare feiten: overtredingen, wanbedrijven en misdaden

  • Opkomst van de gevangenisstraf: heropvoedende rol en afschrikkende werking

  • Geen levenslange straffen: bevordert hoop voor vrijlating: verbetering gedrag

  • Wetboek regelde organisatie van gevangenissen

  • Bescherming van openbare instellingen die door de Grondwetgever waren ingevoerd.

1793-1804

  • In deze periode bestond er geen universitaire opleiding tot jurist meer;

  • Rechterlijke organisatie werd afgeschaft;

  • Nieuwe rechters van de volksgerechten worden gekozen in plaats van aangesteld;

  • Rechters waren er om te bemiddelen;

  • Advocatenstand werd opgeheven, immers geen gelijkheid;

1796

Vrederechter wordt in Nederland ingevoerd

1798

Grondwet voor de Bataafse Republiek schaft tortuur af

19e eeuw

Overheersend liberalisme: penalisering en depenalisering:

  • Belang van publieke delicten liep terug

  • Afschaffing tal van persdelicten in sommige landen

  • Meer respect voor godsdienstvrijheid in sommige landen

  • Legalisering prostitutie in sommige landen

  • Belang van de doodstraf liep terug (Toscanië liep voorop met afschaffen): abolitionistsche beweging als gevolg van: humanitaire ideeën, justitie-ideaal van het strafrecht, publicatie van criminele statistieken

  • Bestrijding alcoholisme

 

Positief-wetenschappelijke, rationele benadering

Criminologie en andere wetenschappen helpen het strafrecht ontwikkelen

 

Grote codificatiebeweging:

  • Legaliteitsbeginsel gestalte geven

  • Door nationaliteitsbesef: men wilde eigen nationale wetboeken

  • Verschillen tussen Common Law en continentale rechtssystemen vervaagden

 

Codificatiebeweging verliep in drie stadia:

  1. begin van de 19e eeuw

    strenge strafwetboeken, geïnspireerd door vrij radicaal utilisme

    reactie tegen de te milde ideeën uit de Verlichtingstijd en tegen de Revolutie

    1. legaliteitsbeginsel

    2. morele verantwoordelijkheid (aansprakelijkheid van het individu)

    3. proportionele bestraffing

  2. midden van de 19e eeuw

    • gematigde wetboeken en hervormingen

    • utilitaristische gedachte inzake bestraffing, maar ook rechtvaardigheidsgedachte

    • gevangenissen die steeds voller raakten: hervorming gevangenisstraf

  3. einde van de 19e eeuw: meeste codificeringen

    • Groot respect voor menselijke waardigheid: meer op de delinquent en op preventie gerichte strafwetgeving, rehabilitatie maatregelen

    • Vooruitgang van de wetenschap, positivistische stroming

    • In Engeland kwam een ander evenwicht tussen Statute Law en Common Law

    • Opheffing van de driedeling in strafbare feiten: scherp onderscheid was namelijk onmogelijk. Veel wetgevers gaven de voorkeur aan een tweedeling:

    • misdrijven en overtredingen.

    • Minder repressief strafbeleid (vb. m.b.t. medeplichtigheid, poging)

    • Ontwikkeling schulduitsluitingsgronden

 

Penitentiaire hervormingen

  • Gevangenisstraf wordt hoofdstraf

  • Criminogene effecten van opsluiting?

  • Individualisering van gevangenisregime, heropvoeding.

  • Slechte bezigheidstherapie

  • Ontwikkeling jeugddelinquentie: strafaanpassing

  • Fysieke straffen (kastijding met de stok) kwamen nog steeds vaak voor (jeugd)

  • Opkomst (multi-) recidivist

  • Twee experimenten in de Verenigde Staten: in Philadelphia (dag en nacht in de cel) en New York (Auburn systeem: overdag in groep, met elkaar praten is niet mogelijk, ’s nachts alleen)

  • Eind 19e eeuw: invoering proefperiode en voorwaardelijke invrijheidstelling

1810

Wetboek van Napoleon: Code Penal

(Keizer Lodewijk Napoleon Bonaparte)

  • Reactie op wetboek van 1791

  • Nadruk op raison d’etat en het nutsbeginsel

  • Eerste zorg: staatsveiligheid

  • Strenge straffen, doodstraf, lijfstraf, poging, medeplichtigheid

  • Verdeling van delicten op basis van de aard van de straf:

  1. misdaden: lijf- en onterende straffen

  2. wanbedrijven: correctionele straffen

  3. overtredingen: politiestraffen

  • Verdere onderverdeling naar aard van de goederen en/of belangen

  • Maximum en minimum straffen (in Nederland alleen maximumstraffen + grote beoordelingsruimte voor de rechter)

  • Elementair stelsel van verzachtende omstandigheden

1811-1813

Nederland ingelijfd bij het keizerrijk van Napoleon, waar de Napoleontische codificatie van kracht was.

1813

  • Invoering Beiers Stafwetboek

  • Het hoogste rechtscollege, Cour de Cassation, beslist dat ook de vrederechters niet zo maar naar redelijkheid en billijkheid mogen oordelen en dat ook zij zich aan het recht moeten houden.

1827

Bentham doet aanval op zwijgrecht dat in Common Law erkend was

1832

Hervormingswet: herziening van Franse Code Penal

  • Brandmerken en halsbeugels worden afgeschaft

  • Stelsel van verzachtende omstandigheden

  • Aantal nieuwe delicten: vb. bescherming van minderjarigen tegen seksuele misdrijven

1838

Nederlands Wetboek van Strafvordering

  • Verdachten zijn nog steeds tot antwoorden verplicht;

  • Geen tortuur;

1848

Revolutiejaar: fundamentele veranderingen in Europa

1850

Invoering strafregister: werd voor ieder individu genoteerd of hij wel eens veroordeeld was geweest. Voor iedereen werd dit genoteerd in het register van zijn/haar geboorteplaats. Dit voorstel is aangenomen in de omzendbrief.

1851

Cellulair regime voor gevangenissen wordt ingevoerd

1854

  • Nederland schaft lijfstraffen af

  • Burgerlijke dood wordt afgeschaft

1870

Nederland schaft doodstraf af

1881

  • Uitvaardiging Nederlands strafwetboek

  • Weinig verwantschap met wetboek van 1810

1886

Aanpassing Wetboek Sv:

  • zwijgrecht voor verdachte wordt ingevoerd;

  • verdachte is niet langer verplicht mee te werken aan zijn eigen veroordeling.

1889

Oprichting Internationale Unie voor Strafrecht

20e eeuw

In de tweede helft: uitwerking maatregelen voor jeugddelinquentie

 

Internationale verdragen over het strafrecht worden gesloten

1905

Om vrederechter te worden, worden nu ook diploma’s en een stage vereist.

 

 

Voor toegang tot deze pagina kan je inloggen

 

Inloggen (als je al bij JoHo bent aangesloten met een abonnement)

   Aansluiten   (voor online toegang tot alle webpagina's)

 

Hoe het werkt

 

Lees hieronder meer over aansluiten bij JoHo

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

    JoHo abonnement met service-pakket (€20,- + €60,-)

    • Voor wie de boeksamenvattingen voor zijn of haar studie of studiegebied gratis thuisgestuurd wil krijgen
    • Voor wie gebruik wil maken van de basisservices voor zijn of haar vrijwilligersorganisatie of instelling die de JoHo doeleinden steunt
    • Voor wie gebruik wil maken van de emigratie- en expatservices

    JoHo donateur (WorldSupporter) worden

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Sluit je een abonnement af in de periode juli tot en met december, dan maak je in de eerste maanden gratis gebruik maken van je de voordelen & services bij je abonnement. Je abonnementsbijdrage geldt dan ook voor het volgende kalenderjaar.

     

    Aanmelden bij JoHo

     

    Study note: begrijpen

     

     

     

    JoHo: benodigd toegangsniveau
    • Member (donateur)