Voor de meest recente samenvattingen en studiehulp zoek je hier op titel of auteur en kan je gebruik maken van het menu
JoHo: menu studiehulp & samenvattingen

 

Procederen bij dagvaarding in eerste aanleg

Voorbeeld Hoofdstuk (Je toegangsniveau is niet voldoende voor het gebruiken van de volledige samenvatting)
Voorbeeld Hoofdstuk (Je toegangsniveau is niet voldoende voor het gebruiken van de volledige samenvatting): 

A. De beginselen van het burgerlijk procesrecht

 

De fase die aan de overheidsrechtspraak voorafgaat, de preprocessuele fase

De overheidsrechter, zie artikel 7 Grondwet, is niet altijd de aangewezen partij voor het oplossen van een geschil. Er zijn verschillende manieren om een geschil te beslechten, zoals schikking, arbitrage, bindend advies of mediation. In acht moet worden genomen dat bij een afspraak binnen mediation te allen tijde de procesgang naar de overheidsrechter alsnog openstaat in tegenstelling tot bindend advies en arbitrage (zie artikel 1022 Rechtsvordering). Partijen kunnen reeds in een contract overeenkomen op welke wijze zij een (toekomstig) geschil behoren op te lossen. In dat geval kunnen zij de afspraak beter nakomen, willen zij het risico van een ontvankelijkheidverklaring ten overstaan van een rechter ontlopen. Als men vooraf geen afspraken heeft gemaakt, moet men de uiteenlopende (financiële) consequenties van de verschillende methoden van geschillenbeslechting tegen elkaar afwegen.

 

Voor het gerecht of een compromis

Een regeling in der minne heeft de voorkeur boven een rechterlijke procedure. In der minne worden ook andere belangen besproken die wellicht juridisch irrelevant zijn maar voor het geschil van groot belang. Beide partijen zullen deze belangen op tafel moeten leggen, een deel van die ‘open kaart’-gedachte is nu ook doorgevoerd binnen de juridische procedure. Dit om de slakkengang van het procederen tegen te gaan. Artikel 111 lid 3 Rechtsvordering geeft de substantiëringsplicht en bewijsaandrachtplicht: men moet voor de terechtzitting de gronden, verweren en bewijsmiddelen aandragen en kenbaar maken aan de wederpartij. Desalniettemin blijkt schikken vaak effectiever, zo ondersteund de Gedragsregel 3 voor Advocaten 1992 dit standpunt, als uit het sinds 2002 geldende burgerlijk procesrecht. De advocaat behoort zijn cliënt te wijzen op de voordelen van een schikking ten opzichte van een procedure. Wanneer men niet op tijd tot een schikking is gekomen, kunnen door de advocaten van beide partijen wel afspraken worden gemaakt over de procedure, in het licht van de onderhandelingen. Een eenstemmig verzoek tot uitstel aan de overheidsrechter ten behoeve van schikkingonderhandelingen zal in principe worden ingewilligd behoudens artikel 20 Rechtsvordering. Bij de vraag of een partij beter af is met een schikking dan een procedure, spelen de volgende zaken een rol: proceskans, kosten, energie/tijd, emoties, principes, psychische druk, commerciële belangen en de welgesteldheid van de wederpartij.

 

Bij het kostenaspect moet gekeken worden naar de complexiteit van de zaak, het financiële belang en of de cliënt wel dan niet over een rechtsbijstandverzekering beschikt die de kosten van bijstand bij het proces vergoedt. Hoe complexer de zaak, hoe meer tijd de advocaat aan de zaak kwijt is en aangezien hij een tijdsevenredig verschuldigd bedrag rekent, komt dat neer op meer kosten. Bovendien zijn de kosten van het voorbereiden van het proces doorgaans hoger. Daarom is het verstandig om bij een complexe zaak met een gering financieel belang, voor een schikking te kiezen.

Een schikking heeft geen kans van slagen als een partij graag jurisprudentie over een bepaalde juridische vraagstuk wil verkrijgen.

 

Maar als er sprake is van een commerciële relatie tussen de partijen, is het vaak wel weer verstandig om tot een schikking te komen, omdat de partijen in de toekomst misschien nog wel eens moeten samenwerken.

Of een partij een proceskans heeft hangt af van 2 factoren: de bewijslast (wie moet bewijzen) en de bewijsmiddelen (wat is het bewijs voorhanden en heeft deze voldoende bewijskracht). De proceskans hangt samen met procesrisico: zo zal de uitkomst van een rechterlijke procedure nooit voor beide partijen bevredigend zijn en zal een van de partijen verlies lijden.

 

Vaststellingsovereenkomst regelt de vorm van de schikking

Wanneer partijen voor een regeling in der minne hebben gekozen, leggen zij dit over het algemeen vast in een vaststellingsovereenkomst. Dit om alle onzekerheid omtrent hun onderlinge rechtsverhouding weg te nemen. De vaststellingsovereenkomst staat geregeld in art. 7:900 BW e.v. Hoewel het sluiten van deze overeenkomst in beginsel vormvrij is, moet de overeenkomst wel als het een nieuwe, afwijkende rechtstoestand tot stand brengt waarvoor bijzondere eisen gelden, aan dezelfde vereisten voldoen art. 7:901 BW.

 

Art. 7:902 BW stelt dat een vaststellingsovereenkomst ook geldig is als zij in strijd is met dwingend recht, zolang het maar niet in strijd komt met de goede zeden of openbare orde. Voor een schikking geldt evenals bij een gewone overeenkomst dat zij kan worden vernietigd op grond van bedrog, misbruik van omstandigheden, bedreiging en dwaling art. 3:44 BW en art. 6:228 BW ook kan zij worden ontbonden 6:265 BW.

Hoewel het niet vereist is, stelt men zich in een sterkere positie door de schikking contractueel vast te leggen in vorm van een akte als dat men de schikking d.m.v. eenzijdige verklaring vastlegt.

Wanneer de onderlinge afspraak niet wordt nagekomen, kan de grosse van de akte door de wederpartij ten uitvoer worden gelegd art. 430 Rv, waardoor een rechtszaak wordt vermeden.

 

Wanneer de schuldeiser binnen korte tijd geld wil zien, kan men de schikking aan een tijdstermijn verbinden, die als ontbindende voorwaarde functioneert. Als men tot een schikking is gekomen tijdens de rechtsprocedure, moet men verzoeken tot doorhaling van de zaak op de rol art. 246 Rv, wat op zichzelf nog geen rechtsgevolg doet ontstaan. Dit gebeurt pas wanneer men dit punt regelt in de vaststellingsovereenkomst.

Voorts moet men niet vergeten de kosten van het proces en de rente vast te stellen in de schikking, alsmede de consequentie van een niet tijdige betaling.

 

Wie beslecht het geschil na het mislukken van een schikking?

In beginsel zal geschillenbeslechting toekomen aan de overheidsrechter als een schikking niet te realiseren valt, blijkt uit art. 17 GW: niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekomt. Partijen kunnen echter bij overeenkomst anders bepalen (behoudens zaken van openbare orde zoals familierechtelijke zaken): een bindend adviseur of een arbiter (artikel 1020 jo. 2024 Rv). Zij kunnen dit vooraf zijn overeengekomen, maar partijen kunnen dit ook afspreken nadat het geschil is ontstaan. Ook kan er gebruik zijn gemaakt van een bindend advies clausule of arbitrage clausule in de algemene voorwaarden, waarbij de eerste clausule op de zwarte lijst van art. 6:236 sub n BW voorkomt en de arbitrage clausule slechts onder bepaalde omstandigheden onredelijk bezwarend zal zijn 6:233 sub a BW.

 

De voor- en nadelen van arbitrage

Een voordeel van arbitrage is dat het achter gesloten deuren plaats vind in tegenstelling tot het openbare proces, dit kan kunstig zijn voor bedrijven, te denken valt aan handelsrechtelijke geschillen. Partijen zijn daarnaast niet gebonden aan een zittingsplaats, deze komen zij overeen, artikel 1037 Rv. In het algemeen vindt arbitrage plaats in één instantie, tenzij partijen anders zijn overeengekomen, art. 1050 Rv. De arbiters worden door de partijen zelf aangewezen, hierdoor kunnen zij gebruikmaken van deskundigen die kennis hebben over het gebied waarop het geschil zich afspeelt (de arbiters hoeven dus niet per definitie juridisch geschoold te zijn). De procedureregels worden zelf door de partijen overeengekomen, waardoor de procedure eenvoudiger is dan bij de rechter, art. 1036 Rv. Bij geschillen op internationaal niveau heeft het als voordeel dat men kan kiezen voor een neutrale arbiter.

Een nadeel is dat in plaats van een vast bedrag aan griffiegeld, men loon betaald aan de arbiters die erg prijzig kan zijn. Om een vonnis van de arbiter ten uitvoer te kunnen leggen moet de voorzieningenrechter van de rechtbank verlof hebben verleent, dit noemt men exequatur art. 1062 Rv.

 

De voor- en nadelen van bindend advies

Bindend advies is een goedkope wijze van geschillenbeslechting, een voorbeeld hiervan zijn de consumentengeschillencommissies. Het is een informele wijze van geschillenbeslechting, er komt geen wettelijke regeling aan te pas. Een nadeel is dat een bindend advies geen vonnis is, dit staat de tenuitvoerlegging in de weg. Een bindend advies, artikel 7:900 BW, heeft de kracht van een overeenkomst. Dit is van belang, want als er verplichtingen uit het bindend advies niet worden nagekomen kan nakoming worden gevorderd bij de rechter.

 

Mediation naast rechtspraak

Bij deze alternatieve methode van geschillenbeslechting proberen de partijen zelf tot een oplossing te komen met hulp van een mediator die het proces in goede banen probeert te leiden. De mediator moet wel in het bezit zijn van erkend diploma en zich aan gedragsregels houden die Stichting Nederlands Mediation Instituut (NMI) heeft opgesteld. Mediation heeft de laatste tijd vooral succes in commerciële en familiezaken. Vooral als partijen een snelle oplossing willen en er geen principieel juridische belangen bij betrokken zijn, is deze vorm van bemiddeling een geschikte methode.

 

Bronnen van het burgerlijk procesrecht

De belangrijkste bronnen voor ons burgerlijk procesrecht zijn: Wetboek van burgerlijke Rechtsvordering, Wet op rechtelijke organisatie, procesreglementen (rolreglementen), tweetal verdragen van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht, Europese overeenkomst nopens het vestrekken van inlichtingen over buitenlands recht en enkele EU regelgeving. Daarnaast hebben de doctrine, jurisprudentie en –zo hier en daar- de gewoonte een aanvullende werking. Bovengenoemde zijn de rechtsbronnen van het burgerlijke procesrecht.

 

Regelgeving van de Europese Unie

Het EU regelgeving heeft een niet geringe invloed op het nationale privaatrecht en zo ook het burgerlijk procesrecht. Met de totstandkoming van het verdrag van Amsterdam hebben de Europese Commissie en de Europese Raad de mogelijkheid gekregen bij verordening, op grond van art. 65 en 67 van EG verdrag, regelgevend op te treden. Relevante verordeningen zijn: de EG Executieverordening, de EG Bewijsverordening en de herziene EG Betekeningsverordening (de herziene uit 2007 heeft de verouderde uit 2000 vervangen).

 

De EG Executieverordening is er om het EEX verdrag te vervangen. Art. 1 bepaalt het toepassingsgebied: handelszaken en burgerlijke zaken (lid 2 sluit onderwerpen als sociale zekerheid, familierecht, arbitrage en faillissement uit). De verordening is niet van toepassing op douane- en fiscale zaken. De verordening bevat regels omtrent de tenuitvoerlegging en erkenning van vonnissen in andere lidstaten en internationale bevoegdheid (de internationale rechtsmacht).

 

Bij de internationale bevoegdheid gaat het erom of de Nederlandse rechter bevoegd is een geschil met internationaal karakter te berechten, of terwijl, of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. De verordening geeft drie mogelijkheden. De eerste mogelijkheid stelt dat in beginsel de forum rei regel van toepassing is: krachtens art. 2 EEX-Vo. is de rechter bevoegd van het land waar de verweerder woonachtig is. De tweede mogelijkheid geeft uitzonderingen op de hoofdregel krachtens art. 2 EEX-Vo. Art. 5 - 7 EEX-Vo is het mogelijk om in de daar beschreven gevallen en onder de daar gestelde eisen een andere rechter dan de rechter van het land waar de verweerder woonachtig is te benaderen (alternatieve bevoegdheidsregels). Ten derde zijn er de bijzondere bevoegdheidsregels die betrekking hebben op o.a. de consumentenovereenkomsten art. 15-17 en de arbeidsovereenkomsten art. 18-21.

Het idee van vrije verkeer van vonnissen in het EU komt in de EG Executieverordening tot uiting. De regels omtrent de tenuitvoerlegging en erkenning van vonnissen gelden zowel voor internationale zaken, als voor nationale zaken. Art. 34 EEX-Vo stelt 4 limitatieve redenen op grond waarvan men erkenning kan weigeren. Schending van de bijzondere bevoegdheidsregels levert een weigeringgrond op.

Een exequatur is een verklaring van tenuitvoerlegging. Art. 38 EEX-Vo beschrijft de wijze van verkrijging. Het exequaturproces wordt ingeleid met een verzoekschrift (art. 278 Rv), in Nederland oordeelt vervolgens de voorzieningenrechter. Er staat beroep open genaamd een procedure op tegenspraak, hierin toetst men aan de gronden van weigering van art. 34, 35, 45 EEX-Vo. Er is eventueel cassatie mogelijk art. 44 EEX-Vo.

 

De EG Bewijsverordening is ter doelmatige bewijsverkrijging. Deze verordening ziet alleen op de samenwerking betreffend bewijsverkrijging tussen de rechterlijke instanties van de lidstaten. Zogenaamde fishing expeditions moeten worden voorkomen: het te verschaffen bewijs moet geen ander doeleinde hebben dan die van de voorgenomen procedure, art. 1 lid 2 EBewVO.

Er zijn twee mogelijkheden van verzoeken tot bewijslevering: men kan een gerecht in een andere lidstaat vragen een handeling te verrichten ter vergaring van het bewijs of men kan vragen zelf in die handeling te voorzien, art. 1 lid 1 EBweVO.

Beide verzoeken moeten worden uitgevoerd volgens het nationale recht van het land waar het aangezochte gerecht is gevestigd. Het eerste verzoek moet binnen negentig dagen zijn uitgevoerd. De verzoekende rechtelijke instantie kan eisen dat bewijsvergaring plaatsvindt middels communicatietechnologie art. 10 lid 4 EBewVo. De aangezochte rechtelijke instantie kan eventueel dwangmiddelen toepassen. Het tweede soort verzoek kan slechts plaatsvinden indien zij wordt uitgevoerd zonder dwangmiddelen en op vrijwillige basis art. 17 lid 2 EBewVo.

 

De EG Betekeningverordening is er om de verzending van zowel buitengerechtelijke als gerechtelijke stukken in handels en burgerlijke zaken te verbeteren om zo de kennisgeving en betekeningen te versnellen en te verbeteren. Volgens artikel 20 van de verordening gaat de verordening voor de multilaterale en bilaterale overeenkomsten die de lidstaten onderling gesloten hebben. Naar aanleiding van deze verordening is artikel 56 Rv toegevoegd (betreffende de uitbrenging van de dagvaarding aan een persoon met een woonplaats of verblijf buiten Nederland, maar binnen de EU).

 

Haagse verdragen

In 1893 is de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht opgericht, zij heeft als doel de harmonisering van de regels van internationaal privaatrecht. Belangrijk voor de dagvaardingsprocedure zijn het Rechtsvorderingverdrag 1954, het Betekeningsverdrag 1965 en het Bewijsverdrag 1970. Het laatst genoemde gedrag heeft binnen haar terrein voorrang op de voorgenoemde verdragen. Het Bewijsverdrag kent twee mogelijkheden ten opzichte van bewijsverschaffing buiten nationaal terrein. De eerste is doormiddel van een rogatoire commissie. Een rogatoire commissie is het verzoek van de betreffende rechter om assistentie bij de bewijsverschaffing tot de rechterlijke macht van het land waar het bewijs zich bevind.

De tweede mogelijkheid is diplomatieke of consulaire ambtenaren de benodigde onderzoekshandelingen te laten verrichten.

 

Regelgeving in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is vernieuwd in 2001. In Boek 1, Titel 2, art. 78-260 Rv staat de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg beschreven in één algemene regeling. Ook de termijnen zijn verder in overeenstemming, er zijn nu nog slechts drie algemene termijnen. Dit maakte het eenvoudiger.

Daarnaast hield de vernieuwing een deformalisering in. Om een trage rechtsgang tegen te gaan en niet-ontvankelijkheidverklaringen tegen te werken konden procesrechtelijke misstappen worden hersteld, slechts als het belang dat de norm beoogde geschonden was volgden er consequenties. Kenmerkend zijn de wisselbepalingen, art. 69, 70, 123, 124 en 281 Rv. Daarnaast is de mogelijkheid gecreëerd om bij kleine onjuistheden in beschikkingen, vonnissen en arresten deze te herstellen of aan te vullen art. 31 en 32 Rv. Ten slotte vond er een harmonisering van het burgerlijk procesrecht plaats. Dit heeft men gerealiseerd door meer systeem en eenheid te creëren in de termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen en dagvaardingen en overbodige onderscheidingen tussen de verzoekschriftprocedure en dagvaardingsprocedure op te doeken.

 

Regelgeving in het Burgerlijk Wetboek

De regels over rechtsvorderingen in Burgerlijk Wetboek 3, titel 11 art. 3:296-3:326 BW spelen een rol bij de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg. De terminologie moet in acht genomen worden. Met ‘vordering’ word de materiële/subjectieve aanspraak bedoeld, vorderingsrecht is het recht om die aanspraak te maken (ius agendi) en de rechtsvordering is de processuele handeling (demande). De rechtsvordering kent een verjaringstermijn. De hoofdregel ligt besloten in art. 3:306 BW en kent een verjaringstermijn van 20 jaar. De artikelen 3:307-3:311 geven in bepaalde situatie een kortere verjaringstermijn van 5 jaar. Extinctieve verjaring doet het vorderingsrecht teniet, maar laat het subjectieve recht in stand, wat niet het geval is bij verval. Er blijft na een succesvol beroep op verjaring, een natuurlijke verbintenis over. Een verjaringstermijn kan echter doormiddel van stuiting worden afgebroken. Vanaf het moment dat de verjaringstermijn is gestuit, gaat er een nieuwe verjaringstermijn lopen. Door het instellen van een eis, een erkenning of door een schriftelijke aanmaning kan een termijn wordt gestuit 3:316-318 BW.

 

Regelgeving in de Wet op de Rechtelijke Organisatie

De rechtbanken, gerechtshoven en de HR vormen krachtens art. 2 Wet RO de rechterlijke macht. Het kantongerecht is door de wet organisatie en bestuur terecht deel gaan uitmaken van de rechtbank, die over het algemeen alle civiele zaken in eerste aanleg afhandelt. Het hof handelt vervolgens het hoger beroep af. De sector kanton art. 47 Wet Ro vormt samen met nog vier ander bij het bestuur van de rechtbank aangewezen sectoren, de rechtbank art. 20 Ro. Ieder der gerechten beschikt over een bestuur art. 15 Wet Ro. Een voorzieningenrechter spreekt recht in het kort geding art. 50 Wet Ro. Met de Wet voor de rechtspraak is de Raad voor de rechtspraak ingesteld, die blijkens art. 91 o.a. als taak heeft de toekenning van budgetten, toezicht op het financiële beleid, de uniforme rechtstoepassing en waakt over de juridische kwaliteit (zie art. 94 jo. art 23 RO).

Doordat kanton nu bij de rechtbanken onder is gebracht als sector, functioneren de voormalige kantonhoofdplaatsen als nevenlocaties van de desbetreffende rechtbank. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen eventueel nog nevenzittingsplaatsen worden aangewezen (art. 41 lid 2 RO).

De hoofdplaats en nevenvestigingsplaats enerzijds (art.10 lid 1 RO) onderscheiden zich, wat betreft de openingsuren van de griffie van de, van de nevenzittingsplaats anderzijds (art. 10 lid 2 RO).

 

Regionale procedureregels betreffende de rolzitting

Elk gerecht kende rond 2000 zijn eigen regionale procedureregels omtrent de rolzitting, rolreglementen, een landelijk regeling bestond niet. Art. 35 Rv maakt het echter mogelijk om bij algemene maatregel van bestuur uniforme regels op te stellen betreffende: de termijn voor verrichten van proceshandelingen en beperkingen tot uitstel daarvoor (lid 1), nadere regels omtrent verloop van procedure en tot bevordering van eenheid en wijze van rechtspleging bij verschillende gerechten (lid 2). Van de bevoegdheid in art. 35 Rv is nog geen gebruik gemaakt, de oorzaak ligt vermoedelijk bij de komst van het landelijke rolreglement in oktober 2000. Ook schending van een procesreglement is een cassatiegrond, zie art. 79 lid 1 onder b Wet RO.

Het landelijk rolreglement is er om eenvormigheid te scheppen in de manier van procederen in civiele zaken bij alle rechtbanken en om de doorlooptijden van een civiele zaak terug te brengen.. In navolging hierop kwam sector kanton in 2001 ook met een Rolregeling Kantonsectoren, dat sinds de invoering van het vernieuwde Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, rolregeling Kantonsectoren RRK heet. De Hoge Raad bepaalde in zijn arrest van 28 juni 1996 dat een rolreglement als recht in de zin van art. 79 lid 1 onder b Wet RO kan worden beschouwd, indien het behoorlijk bekend gemaakt is. LRr en RRK voldoen hieraan en kunnen als recht in de zin van art. 79 Wet RO worden beschouwd.

 

Procederen bij de overheidsrechter

Men begint de procedure in eerste aanleg met een procesinleidend stuk. Dit kan een verzoekschrift of dagvaarding zijn. Art. 78 lid 1 Rv bepaalt dat titel 2 (dagvaardingsprocedure in eerste aanleg) slecht van toepassing is op zaken waarop niet ingevolge art. 261 Rv de derde Titel (verzoekschriftprocedure) noch een andere, bijzondere wettelijke regeling van toepassing is. De wetgever beschouwt de dagvaardingsprocedure als restprocedure. Door de wisselbepaling van art. 69 Rv leidt een onjuiste gekozen stuk ter inleiding van de procedure niet meer direct tot een niet-ontvankelijkheid. De rechter kan bevelen het stuk waarmee de procedure is ingeleid, te verbeteren of aan te vullen (lid 1) en kan bevelen dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor dagvaardingsprocedure resp. verzoekschriftprocedure (lid 2). Wanneer de partij het bevel niet opvolgt, loopt hij het risico van een niet ontvankelijkheidverklaring. De rechter kan eveneens besluiten het verzoek of de vordering te verwerpen.

Uit art. 69 lid 1 Rv blijkt dat de procedure aanhangig is vanaf de oorspronkelijke dag van indiening of dagvaarding. In de praktijk zal een onjuist gekozen stuk ter inleiding van de procedure zelden voorkomen.

 

Procederen in persoon en middels procureur

Art. 79 lid 1 Rv stelt dat partijen slechts in kantonzaken in persoon kunnen procederen. In de art. 93 Rv e.v. worden ‘kantonzaken’ verder gedefinieerd. Procureurzaken zijn zaken waarin partijen zich moeten doen bijstaan door een procureur (advocaatzaken). Het is de bedoeling dat de regels van Titel 2 Rv voor het grootste gedeelte zowel voor kantonzaken als voor procureurzaken gelden. Art. 83 lid 1 en 2 is echter een goed voorbeeld van een onderscheid dat gemaakt wordt tussen kantonzaken en procureurzaken.

 

Competentie in dagvaardingsprocedures

Welke rechter bevoegd is, speelt op 4 niveaus: 1. de bevoegdheid van de nationale rechter in internationale zaken 2. de absoluut bevoegde rechter: hoge raad, hof of rechtbank 3. de bevoegdheidsverdeling tussen de sector civiel en de sector kanton binnen de rechtbank 4. de relatieve bevoegdheid (geografisch bekeken)

 

Rechterlijke competentie op internationaal niveau

Als er geen verordeningen van de Europese Gemeenschap of verdragen gelden, is Boek 1, Titel 1, Afdeling 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing art. 1 Rv. Deze bepalen de competentie van de Nederlandse rechter.

 

In art. 2-7 Rv staan objectieve gronden voor rechtsmacht. Als eerste grond geeft art. 2 Rv de woonplaats van de gedaagde (forum rei) die ook in het EEX-, EVEX-verdrag en EG-Executieverordening als eerste rechtsmachtgrond geldt. In de art. 3-7 Rv staan de andere objectieve gronden voor rechtsmacht, die gelden afhankelijk van het punt van geschil, in art. 4 Rv gaat het bijvoorbeeld om de rechtsmacht m.b.t. echtscheiding. In art. 8 en 9 RV gaat het om de wil van de partijen men spreekt hier dan ook van subjectieve gronden voor rechtsmacht, in art. 8 gaat het bijvoorbeeld om de rechtsmacht die bij overeenkomst is bepaald. De rest van afdeling 1 bevat artikelen die de algemene regels van art. 2-9 RV aanvullen of er een uitzondering op maken. De regel “distributie bepaalt attributie” is terug te vinden in art. 10 Rv, hierdoor verdwijnt de kans dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft, terwijl er wel aanwijzingen bestaan die een dergelijke rechtsmacht wenselijk maken.

 

Absoluut competente rechter

De rechtbanken nemen in eerste aanleg kennis van alle burgerlijke zaken, behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen art. 42 Wet RO. Indien een zaak niet behoort tot de absolute bevoegdheid van de rechter, verklaart deze zich onbevoegd art. 72 Rv. De verklaring wordt uitgesproken bij vonnis, waarin de rechter verwijst naar een rechter bij wie de zaak wel tot zijn absolute competentie behoort, art. 73 Rv.

De procedure wordt, in stand waarin zij zich bij verwijzing bevindt, voortgezet voor de rechter naar wie de zaak is verwezen art. 74 lid 3.

 

Rechterlijke competentie op sector niveau

De kantonrechter behandelt zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste 5000 EU, er hangt een evaluatiewet die dit bedrag wil verhogen tot 25.000 EU, art 93 lid 1 sub a Rv. Daarnaast worden zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde (wederom met een beloop van ten hoogste 5000 EU) in behandeling genomen, art. 93 lid 1 sub b. Dit zijn de zogeheten ‘waardevorderingen’. De aardvorderingen, o.a. arbeidsovereenkomsten, huurovereenkomsten of wanneer de wet zo bepaalt, zijn te vinden in sub c en d van art. 93 Rv. Tenslotte behandelt de kantonrechter volgens art. 94 Rv ook nog meerdere vorderingen uit hoofde van art. 93 Rv waarvan het totale beloop niet meer is dan 5000 EU, het geval van een hoofdzaak en een zaak in vrijwaring waarvan er tenminste 1 een vordering betreft als bedoeld in art. 93 sub c of de of bij een eis in (re)conventie. Art. 71 Rv schept de mogelijkheid om de zaak die bij de verkeerde sector is aangebracht, op verlangen van partijen of ambtshalve, naar de juiste sector over te brengen. Krachtens art. 96 Rv kan een zaak die oorspronkelijk niet onder de sector kanton valt daar toch ondergebracht worden wanneer partijen in bepaald gevallen dit zijn overeengekomen.

 

 

Relatieve competente rechter

Tenzij de wet anders bepaalt (bij de verzoekschriftprocedure is art. 262 Rv van belang), is de rechter van de woonplaats van de gedaagde, bevoegd art. 99 Rv. Definitie van de woonplaats vindt men in art. 1:10 BW. Bij een procedure die wordt ingeleid met een dagvaarding geldt dat partijen onderling van de regels van relatieve competentie kunnen afwijken. Art. 110 Rv bepaalt dat het verweer dat rechter niet relatief bevoegd is, op straffe van verval van het recht, moet worden gevoerd in de eerste door hem genomen schriftelijke conclusie of mondelinge antwoord.

Wanneer wordt aangevoerd dat de rechter niet relatief bevoegd is, zorgt dit voor een bevoegdheidsincident. Als de rechter het bevoegdheidsincident goedkeurt, dan wordt de zaak naar een relatief bevoegde rechter verwezen.

Hier geldt wederom art. 74 lid 3 Rv: de procedure wordt, in stand waarin zij zich bij verwijzing bevindt, voortgezet door rechter naar wie de zaak is verwezen.

 

Meer openheid in het burgerlijk procesrecht

Meer openheid van zaken gedurende het civiele proces, wordt gecreëerd door verschillende bepalingen van het sinds 1 januari 2002 geldende Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: de waarheidsplicht art. 21 Rv, het bevel tot overleggen van bescheiden art. 22 Rv, de eis tot het aandragen van het bewijs en verweren art. 111 lid 3 Rv, verzoek of ambtshalve bevel tot openlegging van boeken, geschriften en bescheiden art. 162 Rv, inzage van bepaalde bescheiden (exhibitieplicht) art.843a Rv. Daarnaast kunnen informatieplichten die tijdens het proces gelden ook voortkomen uit andere regels, zoals de stelplicht. Wanneer men iets stelt moet men dit onderbouwen met gronden en zo ook de feiten stellen, art. 150 Rv geeft de bewijslast.

Uit de waarheidsplicht vloeit vanzelfsprekend voort dat men feiten volledig en naar waarheid aanvoert, dus niet achterhoudt of verdraait. Art. 21 Rv leidt slechts uitzondering wanneer er gewichtige redenen bestaan om dit niet te doen, als men bijvoorbeeld te maken heeft met vertrouwelijke informatie. Ook bij art. 22 Rv geldt dat men slechts tegen een bevel van de rechter tot overlegging van bescheiden kan weigeren, indien men hier gewichtige redenen voor heeft. De rechter kan het bevel middels een brief jegens de partijen kenbaar maken, hoewel het bevel gewoonlijk een tussenvonnis oplevert. Bij zowel art. 21 als 22 RV geldt dat de rechter bij niet naleving, de gevolgen kan verbinden die hij geraden acht.

Art. 111 lid 3 Rv noemt de substantiëringsplicht: de eis, dat het exploot van de dagvaarding de tegen de eis aangevoerde verweren en gronden daarvoor, bevat. Art.120 lid 1 Rv stelt weliswaar dat al hetgeen in deze afdeling is voorgeschreven op straffe van nietigheid in acht moet worden genomen, maar art. 111 lid 3 Rv wordt hiervan uitgesloten art.120 lid 4 Rv. Nietigheid van de dagvaarding, bij veronachtzaming van de substantiëringsplicht, wordt hier als een te zware straf gezien.

Het bevel tot openlegging van boeken, geschriften en bescheiden, kan slechts door de rechter worden bevolen als het geding al aanhangig is gemaakt. Ook een partij kan verzoeken om openlegging. In beginsel is dit rechterlijke bevel een tussenvonnis, waar hoger beroep tegen openstaat, gelijktijdig met het eindvonnis als de rechter niet anders bepaald art. 337 lid 2 Rv. Eerst krijgt de rechter inzage in de bescheiden, waarnaar hij beslist of de stukken ook voor de ogen van de wederpartij bestemd zijn. Bij art 162 Rv komt er geen derde in het spel, die verplicht wordt de onder hem berustende bescheiden te overleggen, maar beperkt het bevel tot openlegging zich tot de partijen. Dit artikel kan slechts ingeroepen worden door partijen in Nederland, in andere landen kunnen derden dit ook in het belang van de waarheidsvinding (disclosure of documents). Art. 3:15j geeft de preprocessuele mogelijkheid tot overlegging van de boekhouding.

 

Voor inzage in bescheiden moet volgens art. 843a Rv aan de volgende voorwaarde worden voldaan: het moet gaan om bepaalde bescheiden, het moet gaan om een rechtsbetrekking waarbij de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is en er moet een rechtmatig belang zijn bij inzake. De cursief gedrukte woorden vormen de drie kernvoorwaarden van het artikel. Dit omvat de exhibitieplicht. Door deze voorwaarden te stellen, sluit men de mogelijkheid van fishing expeditions (bescheiden verschaffen die niet bestemd zijn voor gebruik in een reeds aanhangige of voorgenomen procedure) uit. Dit alles behoudens de geheimhoudingsplicht van de betreffende persoon of gewichtige redenen (art. 843a sub 3 en 4 Rv). Er bestaat geen rechtmatig belang wanneer ook zonder de verstrekking van gegevens, een behoorlijke rechtspleging zou plaatsvinden. Met de term ‘rechtmatig belang’ doelt men op een bewijsbelang.

 

Stukken waarop men zich tijdens de procedure beroept

De stukken waarop men zich tijdens de procedure beroept, noemt men producties. Correspondentie, facturen, algemene voorwaarden, expertiserapporten, proces verbalen en contracten zijn daarvan voorbeelden. De producties kunnen worden meebetekend door de eisers tegelijkertijd met het uitbrengen van de dagvaarding. Ook na het betekenen van de dagvaarding kunnen producties nog in het geding worden gebracht, maar dit moet wel zo tijdig mogelijk gebeuren, om niet in strijd te komen met het beginsel van hoor en wederhoor art. 19 Rv. Daarnaast moet de wederpartij een afschrift van de productie worden gegeven, wanneer de productie aan de rechter wordt overlegd.

De partij moet bij overlegging van een productie, de relevantie van de productie aangeven en het gedeelte wat van belang is, anders kan de rechter genoodzaakt worden de productie niet mee te laten wegen. Art. 1.12 LRr zorgt ervoor dat een partij zijn wederpartij niet kan overdonderen met een erg late indiening van een productie in het geding: de partij die nog een productie in het geding wenst te brengen, deelt dit uiterlijk 2 weken voor de dag van de zitting aan de rechter mede. Gezien het beginsel van hoor en wederhoor (art. 9 Rv) kunnen zelfs deze 2 weken te kort zijn in het licht van de omvang van de producties en de tijd die de wederpartij heeft tot inzage.

 

Wanneer een partij een productie te laat heeft aangemeld, wordt deze in beginsel terzijde geschoven als de wederpartij bezwaar maakt, tenzij de rechter gezien de aard van het geschrift of ernst van het verzuim anders bepaald art. 1.5 LRr. Als een wederpartij door een late indiening van enig stuk, niet in staat is om zich er over uit te laten, kan zij hierop beroep doen tot aan het eindvonnis art. 85 lid 4 Rv. De rechter kan dit beroep inwilligen, waardoor de producties terzijde worden gesteld.

 

Stukken die zich niet voor kopiëring lenen dienen ter griffie te worden gedeponeerd art. 4.2. RRK. De griffie stelt vervolgens een akte van depot op. De rechter en wederpartij kunnen zich dan bij de griffie in kennis stellen van het stuk. De rechter moet de wederpartij ambtshalve, indien hem geen afschrift van het gedeponeerde stuk is verstrekt, inlichten over het feit dat het stuk behoort tot de tot hem overgelegde stukken van het geding art. 85 lid 4 Rv.

 

Bovendien is een partij ook verplicht een stuk ter griffie te deponeren als de wederpartij inzage in het stuk zelf verlangt art. 85 lid 2 Rv, bijvoorbeeld om te onderzoeken of een handtekening niet vervalst is.

In gedragsregel 12 voor Advocaten staat dat op correspondentie van de ene advocaat aan de andere, in rechte geen beroep mag worden gedaan, tenzij het belang van de cliënt dit bepaaldelijk vordert. De substantiëringsplicht van art. 111 lid 3 Rv is echter een wettelijke bepaling die van hoger orde is, waardoor er op de confraternele correspondentie wel in rechte een beroep op kan worden gedaan (dit in overleg met de advocaat van de wederpartij). Dit verhaal gaat niet op voor de verhouding tussen art. 111 lid 3 Rv en gedragsregel 13, waar mededelingen aan rechter over schikkingsonderhandelingen verboden worden geacht. De substantiëringsplicht is namelijk niet van toepassing op schikkingsonderhandelingen.

 

Bewijspositie

De bewijspositie is voor de procedure van groot belang. Als men een zwakke bewijspositie heeft, is het wellicht verstandig om niet te procederen. Krachtens de bewijsaandraagplicht van art. 111 lid 3 Rv moeten de partijen al bij exploot van de dagvaarding, voorafgaand aan het geding, de rechter van hun bewijspositie en bewijsmiddelen in kennis stellen. Partijen hebben een stelplicht, zij moeten stellen op welke feiten zij hun verweer of vordering baseren. Art. 24 Rv bepaalt dat de rechter de zaak beslist op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd. De rechter mag volgens art. 25 Rv wel ambtshalve de rechtsgronden aanvullen, maar niet de feitelijke gronden, die moeten de partijen zelf aan hun stellingen ten grondslag leggen. Dit blijkt ook uit art. 149 Rv: de rechter mag slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag leggen, die in het geding aan hem ter kennis zijn gekomen en die overeenkomstig de voorschriften van deze afdeling zijn komen vast te staan. De partij heeft geen stelplicht t.a.v. feiten die aan de rechter in het geding ter kennis zijn gekomen art. 149 lid 1 Rv, bijvoorbeeld een verklaring van een partij tijdens een pleidooi. Ook heeft zij geen stelplicht t.a.v. feiten van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels, zij behoeven geen bewijs art. 149 lid 2 Rv, evenals vaststaande feiten: feiten of rechten die door ene partij zijn gesteld en door wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist art. 149 lid 1 Rv. Tenslotte maakt gerechtelijke erkentenis bewijs overbodig. Hiervan is sprake als een partij een of meer stellingen van de wederpartij, uitdrukkelijk als de waarheid erkent art. 154 lid 1 Rv, deze erkentenis kan slechts worden herroepen, indien aannemelijk is dat zij door dwaling of niet in vrijheid is afgelegd art. 154 lid 2 Rv. Men kan deze vaststaande feiten alleen voorkomen met een voldoende gemotiveerde betwisting, een eenvoudige ontkenning voldoet hier niet aan. Tegenbewijs leveren staat vrij volgens art. 151 lid 2 Rv en vloeit tevens voort uit art. 6 EVRM. Partijen kunnen hiervan echter afwijken bij bewijsovereenkomst art. 153 Rv.

 

Een voorlopige bewijslevering zorgt ervoor dat bewijsmiddelen gebruikt kunnen worden voordat het geding is aangevangen of voordat er tussenvonnis is uitgesproken. Art. 186-193 Rv geven de mogelijkheid tot een voorlopig getuigenverhoor.

Art. 202-207 Rv geven de mogelijkheid tot een voorlopig bericht of verhoor van deskundigen of een voorlopige plaatsopneming en bezichtiging. Voorlopige bewijslevering dient om een beter beeld te creëren wat betreft te proceskansen en om er voor te zorgen dat er geen bewijsmiddelen verloren gaan, hiervan is bijvoorbeeld sprake bij bederfelijke goederen of een doodzieke getuige. Er moet rechtelijk verlof worden verleend om tot een voorlopige bewijslevering te komen. Bij verzoekschrift dient verlof te worden aangevraagd. De rechter bij wie het geding aanhangig is of de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van het geding kennis te nemen, moet zich over het verzoekschrift buigen art. 187 en art. 203 Rv. Het verzoek dat wordt gedaan tijdens het proces, moet door een van de procespartijen worden ingediend.

Het verzoek dat wordt gedaan voorafgaand aan het proces, moet door een belanghebbende worden ingediend art. 186 en art. 202 Rv. Art. 278 Rv vermeldt de algemene regeling wat betreft de inhoud van het verzoekschrift, art. 187 en art. 203 Rv vullen deze regeling aan in geval van een voorlopige bewijslevering. Tenzij de wederpartij onbekend is en behoudens gevallen van onverwijlde spoed, wordt op een verzoekschrift niet eerder beschikt dat nadat er een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden art. 187 lid 3 en art. 203 lid 3 Rv. De Hoge Raad heeft bepaald dat een verzoekschrift om voorlopige bewijslevering in beginsel wordt toegewezen, als het voldoende concreet en ter zake dienend is en niet in strijd komt met de goede procesorde of moet afstuiten op een zwaarwichtig bezwaar. Bij het verzoek om een voorlopig deskundigenonderzoek moeten de doorgaans hoge kosten worden afgewogen tegen het belang dat gediend wordt met het onderzoek.

 

De rechter beslist in de vorm van een beschikking. Er staat in beginsel geen hoger beroep open tegen een toewijzende beschikking art. 188 lid 2 en art. 204 lid 2 Rv. In de jurisprudentie zijn echter 3 uitzonderingen gemaakt: indien het artikel ten onrechte niet is toepast, indien het ten onrechte wel is toegepast en als er bij de toepassing van het artikel vormen zijn geschonden die van essentieel belang zijn. Wanneer er sprake is van een afwijzende beschikking, staat er wel een hogere voorziening open, hier gelden de algemene regels van art. 358-362 Rv. Art. 189 Rv en art. 205 Rv geven aan dat de bepalingen omtrent het getuigenverhoor van overeenkomstige toepassing zijn op het voorlopige getuigenverhoor/ deskundigenonderzoek.

 

De rechter kan, op verzoek van een der partijen of ambtshalve, na afloop van het voorlopig getuigenverhoor een verschijning van partijen bevelen (comparitie), teneinde een schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de rechter, de schikkings- of inlichtingencomparitie. Van de te geven inlichtingen of van de schikking kan een proces verbaal worden opgemaakt art. 87 en 88 Rv. Wanneer alle partijen bij de voorlopige bewijslevering, in welke vorm ook, aanwezig waren, hebben de daaruit voortkomende stukken een zelfde bewijskracht als wanneer zij tijdens het proces op de normale wijze waren uitgevoerd art. 192 Rv.

 

Bewijslastverdeling

De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit, art. 150 Rv, die de hoofdregel en uitzondering op de bewijslastverdeling bevat. Uit deze regel volgt dat de eiser in principe de door hem gestelde feiten moet bewijzen en dat de gedaagde de door hem betwiste feiten, niet hoeft te bewijzen. Met een processueel of feitelijk vermoeden kan de rechter de eiser tegemoet komen, zo’n vermoeden is weerlegbaar, tegenbewijs staat open. Voorbeelden van wettelijke vermoedens zijn: art. 6:237 BW (de bedingen worden vermoed onredelijk bezwarend te zijn) en art. 3:119 BW (bezitter wordt vermoed rechthebbende te zijn). Er worden in beginsel minder zware vereisten gesteld aan tegenbewijs als aan normaal bewijs. Tegenbewijs moet slechts aannemelijk maken dat het vaststaand aangenomen feit, onjuist is.

 

In de rechtspraak zijn uitzonderingen op de hoofdregel van art. 150 Rv ontwikkeld. Het eerste voorbeeld is verzwaarde stelplicht, de eiser moet van de gedaagde voldoende feitelijke informatie verkrijgen, zodat de eiser beter in staat is tot bewijslevering. Het tweede voorbeeld is afkomstig uit het ontslagrecht. De werkgever is, in geval van een ontslag op staande voet, de partij waarop de bewijslast van de dringende reden rust art. 7:677 BW. De meest ingrijpende uitzondering is de omkeringregel. Normaal gesproken is de benadeelde belast met de bewijslast van het causale verband tussen de schade van de benadeelde en de onrechtmatige gedraging, maar als de omkeringregel wordt toepast, rust deze taak op degene die wordt aangesproken. Er wordt dan een causaal verband tussen de schade en de gebeurtenis aangenomen, tenzij de partij die wordt aangesproken kan bewijzen dat de schade ook zonder de gebeurtenis zou zijn ingetreden. Onder bewijzen moet men hier verstaan, aannemelijk maken. De omkeringregel wordt alleen toegepast in gevallen waarin sprake is van schending van een norm die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade bij een ander te voorkomen en dit gevaar door de normschending in het algemeen aanmerkelijk wordt vergroot, aldus de Hoge Raad.

 

Het aanbieden van bewijs

Men spreekt van een bewijsaanbod wanneer een procespartij aan de rechter laat blijken dat hij zich bereidt voelt om bewijs aan te brengen, hetzij ten aanzien van een bepaalde stelling, hetzij ten aanzien van al haar stellingen. Het verrichten van een bewijsaanbod is van essentieel belang in de gevallen waarin bewijslevering alleen mogelijk is met medewerking van een rechter, bijvoorbeeld in het geval van bewijs door een deskundige, getuigen of bij gerechtelijke bezichtiging. Uit art. 166, art. 194 en art. 201 Rv blijkt dat de rechter ook ambtshalve bewijslevering kan bevelen, maar hij is hier niet toe verplicht.

 

Een aanbod getuigenbewijs is een bijzonder bewijsaanbod, omdat de rechter deze niet mag passeren als aan de vereisten van art. 166 Rv is voldaan. De vereisten zijn: dat de aangeboden feiten betwist zijn, ze tot de beslissing van de zaak kunnen leiden en dat het bewijsaanbod tijdig wordt ingediend. Het is niet altijd noodzakelijk dat men het bewijsaanbod specificeert, het kan soms ook impliciet uit bepaalde algemene bewoordingen of processtukken worden afgeleid. Een geconcretiseerd bewijsaanbod kan nadelig zijn als er geen voorbehoud is gemaakt, omdat de aanbiedende partij dan op zo’n manier de bewijslast naar zich toe kan trekken. Uit de jurisprudentie blijkt dat een aanbod tot tegenbewijs niet geconcretiseerd hoeft te worden en dat de rechter er ook zonder specificatie niet aan voorbij mag gaan.

 

Het voldoen aan de bewijsaandraagplicht

De bewijsaandraagplicht volgt uit art. 111 lid 3 Rv: de eiser moet de bewijsmiddelen en getuigen aandragen die ter staving dienen van de betwiste gronden van de eis. Maar ook de gedaagde moet in de conclusie van antwoord aangeven, welke bewijsmiddelen en getuigen ter staving dienen van de gronden van zijn verweer art. 128 lid 5 Rv. De bewijsaandraagplicht stimuleert een geding, dat in 1 schriftelijke ronde kan worden beslist. Art. 120 lid 4 en art. 128 lid 5 Rv geven de rechter de mogelijkheid de partijen te bevelen alsnog de ontbrekende gegevens te verstrekken. Uit deze artikelen blijkt ook dat het niet voldoen aan de bewijsaandraagplicht, niet gelijk tot nietigheid leidt. De memorie van toelichting stelt wel als eventuele sanctie, het buiten beschouwing laten van het bewijsmiddel vanwege de verstoring van de goede procesorde, in het geval dat de gedaagde in een te laat stadium door de eiser met het stuk wordt geconfronteerd. De rechter kan daarnaast bevelen, op grond van art. 22 Rv, dat de partijen de bepaalde stukken overleggen.

 

Voor toegang tot deze pagina kan je inloggen

 

Inloggen (als je al bij JoHo bent aangesloten met een abonnement)

   Aansluiten   (voor online toegang tot alle webpagina's)

 

Hoe het werkt

 

Lees hieronder meer over aansluiten bij JoHo

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

    JoHo abonnement met service-pakket (€20,- + €60,-)

    • Voor wie de boeksamenvattingen voor zijn of haar studie of studiegebied gratis thuisgestuurd wil krijgen
    • Voor wie gebruik wil maken van de basisservices voor zijn of haar vrijwilligersorganisatie of instelling die de JoHo doeleinden steunt
    • Voor wie gebruik wil maken van de emigratie- en expatservices

    JoHo donateur (WorldSupporter) worden

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Sluit je een abonnement af in de periode juli tot en met december, dan maak je in de eerste maanden gratis gebruik maken van je de voordelen & services bij je abonnement. Je abonnementsbijdrage geldt dan ook voor het volgende kalenderjaar.

     

    Aanmelden bij JoHo

     

    Study note: begrijpen

     

     

     

    Study note: te gebruiken bij
    JoHo: benodigd toegangsniveau
    • Member (donateur)