Abonneebundel met oefenvragen van Beginselen van het Nederlandse staatsrecht - Belinfante - 18e druk

  Bundel

De items van deze bundel
Keuzewijzer voor samenvattingen van Beginselen van het Nederlandse staatsrecht van Belinfante et al. - 19e druk

Keuzewijzer voor samenvattingen van Beginselen van het Nederlandse staatsrecht van Belinfante et al. - 19e druk

Samenvattingen van Beginselen van het Nederlandse staatsrecht - Belinfante et al.

 

Boeksamenvattingen te gebruiken bij de 19e druk van Beginselen van het Nederlandse staatsrecht

 Online: samenvatting in chapters

 Online: oefenvragen in chapters

 Print: samenvatting in chapters per post

 Print: samenvatting in chapters aan de balie

Inhoud van samenvattingen van Beginselen van het Nederlandse staatsrecht

Boeksamenvattingen: inhoudsopgave van de samenvattingen

  • De geprinte samenvattingen bevatten de volgende hoofdstukken:
    • Wat is staatsrecht? - Chapter 1
    • Wat zijn de bronnen van het staatsrecht? - Chapter 2
    • Hoe werkt het staatsrecht? - Chapter 3
    • Hoe functioneert de Europese Unie? - Chapter 4
    • Waaruit bestaat de regering? - Chapter 5
    • Wat houdt de Staten-Generaal in? - Chapter 6
    • Welke adviesorganen zijn er en welke functies hebben zij? - Chapter 7
    • Hoe is de verhouding tussen het parlement, de ministers en de Koning? - Chapter 8
    • Hoe komt wetgeving tot stand? - Chapter 9
    • Hoe verloopt herziening van de Grondwet? - Chapter 10
    • Hoe is de bestuurlijke macht geregeld in Nederland? - Chapter 11
    • Hoe zijn de financiën, het buitenlands beleid en defensie geregeld? - Chapter 12
    • Hoe is de rechtspraak georganiseerd? - Chapter 13
    • Wat zijn de grondrechten? - Chapter 14
    • Hoe is het beginsel van decentralisatie vormgegeven? - Chapter 15
    • Hoe zijn de provincies, gemeenten en waterschappen geregeld? - Chapter 16
    • Wat is de structuur van het Koninkrijk? - Chapter 17

Samenvattingen bij de vorige druk

JoHo.org

  • TentamenTests in chapters bij de 18e druk
  • BulletPoints in chapters bij de 18e druk

JoHo WorldSupporter.org

Gerelateerde samenvattingen & studiehulp bij Beginselen van het Nederlandse staatsrecht

 Alternatieven: boeksamenvattingen & gerelateerde samenvattingen (voor JoHo abonnees)

Kennis- en studiegebieden: samenvattingen per studiegebied (voor JoHo abonnees)

TentamenTickets bij Beginselen van het Nederlandse staatsrecht

TentamenTickets: Tips & Tricks bij het bestuderen van het boek

Dit boek biedt een overzicht van de belangrijkste leerstukken van het Nederlandse staatsrecht.

Daarnaast komen de belangrijkste ontwikkelingen naar voren die zich daarin de afgelopen jaren hebben voorgedaan.

Tevens wordt er aandacht besteed aan de grondslagen van het Nederlandse staatsbestel, de verhouding regering-parlement, het proces van wetgeving en grondwetsherziening, rechtspraak en rechtsbescherming, de grondrechten, decentralisatie, de structuur van het Koninkrijk en de invloed van de Europese integratie op het Nederlandse staatsrecht. Het boek is geschikt als inleidend studieboek in het wetenschappelijk onderwijs en als leerboek in het hoger beroepsonderwijs.

Wat is het staatsrecht? - Tentamens 1

Wat is het staatsrecht? - Tentamens 1

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

Nederland is een democratische rechtsstaat, wat betekent dat al het staatsrecht is gecodificeerd in de Grondwet.

  1. Correct
  2. Niet correct

Vraag 2

Welke van de onderstaande stellingen is onjuist wat betreft bestuurlijk toezicht?

  1. Bij uitoefening van repressief toezicht is goedkeuring van een orgaan van een hoger lichaam vereist voor de inwerkingtreding van besluiten van een orgaan van een lager lichaam.
  2. Besluiten van een organen van lagere lichamen kunnen door de regering uitsluitend worden vernietigd wegens strijdigheid van die besluiten van organen met het recht of het algemeen belang.
  3. De regering kan op eigen initiatief besluiten van organen van lagere lichamen schorsen dan wel vernietigen.
  4. De bevoegdheid besluiten vooraf goed te keuren, kan uitsluitend worden uitgeoefend wanneer deze bij of krachtens de wet aan een orgaan van een hoger lichaam is verleend.

Vraag 3

De schrijvers van het boek Beginselen van het Nederlandse staatsrecht onderscheiden naast het legaliteitsbeginsel nog drie beginselen die kunnen worden gezien als voorwaarden voor het bestaan van een rechtsstaat, welke drie?

  1. Machtsverdeling, rechterlijke controle en democratie.
  2. Rechterlijke controle, grondrechten en machtsverdeling.
  3. Delegatie, machtsverdeling en grondrechten.
  4. Grondrechten, rechterlijke controle en soevereiniteit.

Vraag 4

In welk van de onderstaande gevallen is sprake van gezag, zoals door de schrijvers van het boek Beginselen van het Nederlandse staatsrecht wordt gedefinieerd?

  1. Een overvaller bedreigt een winkelier in de Kalverstraat om geld uit de kas te krijgen.
  2. Een politieke groepering blokkeert de ingang van een winkel om aandacht te krijgen voor de hoge voedselprijzen.
  3. Een politieagente beboet een fietser zonder licht op een donkere avond.
  4. De Minister van Infrastructuur & Milieu knipt een lintje door en opent daarmee een grote snelweg.

Vraag 5

Waaruit vloeit de macht van de vorst volgens de theorie van het maatschappelijk of sociaal contract voort?

  1. Uit de positie van de vorst als plaatsvervanger van God, wat maakt dat hij boven de wet staat.
  2. Uit de documenten waarin het natuurrecht is gecodificeerd, zoals de Magna Carta en de Blijde Incomste.
  3. Uit de instemming van de individuele burgers, die hun vrijheid willen beperken in ruil voor bescherming van de vorst.
  4. Uit de aanstelling van de vorst door de adel, die op grond van onderling geldende afspraken militaire diensten aan de vorst levert.

Vraag 6

De politieagent die onbevoegd een fietser een bekeuring geeft oefent gezag uit.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 7

De vrijheid van een staat om de eigen organisatie en de eigen verhouding van gezagsdragers tot onderdanen te regelen, noemt men soevereiniteit.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 8

Welk van de onderstaande grondwetsartikelen kan niet worden beschouwd als een uitdrukking van het legaliteitsbeginsel?

  1. Artikel 16 Grondwet.
  2. Artikel 89 lid 2 Grondwet.
  3. Artikel 104 Grondwet.
  4. Artikel 119 Grondwet.

Vraag 9

De natuurrechtelijke leer van het maatschappelijk contract gaat uit van:

  1. Absolute contractsvrijheid;
  2. Het bestaan van individuele vrijheidsrechten of mensenrechten;
  3. De vorst die regeert bij ‘gratie Gods’;
  4. Adellijke privileges waar de vorst rekening mee dient te houden.

Vraag 10

De casus in de zaak Westland (ABRvS 2 maart 2011, JB 2011, 99) laat een voorbeeld zien van:

  1. Preventief bestuurlijk toezicht;
  2. Mandaatverlening;
  3. Repressief bestuurlijk toezicht;
  4. Delegatie.

Vraag 11

De overgang van een klassiek-liberale naar een sociale rechtsstaat heeft onder andere gezorgd voor:

  1. Een afname van overheidsinmenging in de vrijheden van individuen;
  2. Een afname van gedelegeerde regelgeving;
  3. De mogelijkheid voor de rechter om wetten in formele zin te toetsen aan sociale grondrechten;
  4. Een toename van gedelegeerde regelgeving.

Vraag 12

Volgens Rousseau's theorie van het 'contrat social' is het uitoefenen van overheidsgezag gebaseerd op vrijwillige aanvaarding daarvan door de burger.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 13

Een volksinitiatief houdt in dat een groep burgers de mogelijkheid krijgt om aan de regering te verzoeken om een bindend referendum te houden en dit referendum bij voldoende steun onder de kiesgerechtigden zelfs kan afdwingen.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 14

In een wetenschappelijk rapport uit 2010 komt de volgende passage voor:

“Opgemerkt moet worden dat in Nederland………………………slechts in formele zin wordt nageleefd, doordat de door regering en Staten-Generaal gemaakte wet nauwelijks inhoudelijke regels bevat, maar de bevoegdheid deze vast te stellen delegeert aan lagere instanties, zoals de regering of individuele ministers.”

Welk van de onderstaande begrippen hoort thuis op de open plaats in het bovenstaand citaat?

  1. Het legaliteitsbeginsel
  2. Het principe van directe democratie
  3. Het vertrouwensbeginsel
  4. De handhaving van politieke verantwoordingsplicht

Vraag 15

Lees het nu volgende nieuwsbericht uit NRC Handelsblad van 4 juni 2009:

“Politici die kritiek leveren op de rechter moeten in hun toonzetting in elk geval respect voor de positie van de rechter uitdrukken.”

Dit zei de president van de Hoge Raad, Geert Corstens, gisteren bij de presentatie van het jaarverslag. Corstens signaleert dat politici steeds vaker openlijke kritiek hebben op de rechtspraak. Onlangs lieten minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) en de Amsterdamse burgemeester Cohen weten ongelukkig te zijn met vonnissen voor geweld tegen agenten. Volgens Corstens moeten politici de rechter niet alleen respecteren maar dat respect ook actief uitdragen. [..]

  • (1) Geef een argument, samenhangend met de eisen van de democratische rechtsstaat, dat de hierboven weergegeven stelling van de heer Corstens onderbouwt.

  • (2) Geef een argument, samenhangend met de eisen van de democratische rechtsstaat, dat tegen deze stelling van de heer Corstens kan worden ingebracht.

Vraag 16

Door welk fenomeen in de 20ste eeuw is er een toename van met name lagere regelgeving ontstaan?

  1. De overgang van een klassiek-liberale rechtsstaat naar een sociale rechtsstaat.
  2. De opkomst van het idee van de machtenscheiding.
  3. Het mogelijk worden van delegatie en mandaat.
  4. Het verdwijnen van de Eerste Kamer.

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

Vraag 1

Welke van onderstaande lichamen c.q. organen behoort niet tot de overheid?

  1. De gemeente Assen;
  2. De Centrale Raad van Beroep;
  3. De Katholieke Universiteit Brabant (Tilburg University);
  4. Het waterschap Noorderzijlvest.

Vraag 2

Met verticale machtsverdeling binnen een staat wordt gedoeld op de spreiding van macht tussen:

  1. Centrale overheid en lagere overheden;
  2. Koning en ministers;
  3. Wetgever en rechter;
  4. Parlement en regering.

Vraag 3

De minister van Buitenlandse Zaken heeft met 98 landen onderhandeld over een Verdrag betreffende Recidivisme van Internationale Jihadisten. Uiteindelijk is de regering ontevreden over het onderhandelingsresultaat en besluit zij dat het Koninkrijk der Nederlanden geen partij zal worden bij het verdrag. Het verdrag wordt dan ook niet ter goedkeuring aan de StatenGeneraal voorgelegd. Een aantal leden van de Eerste Kamer is daarmee niet tevreden en wil de minister van de Buitenlandse Zaken ter verantwoording roepen over de gang van zaken. Is de minister van Buitenlandse Zaken gehouden verantwoording aan de Eerste Kamer af te leggen over zijn bijdrage aan het onderhandelingsproces?

  1. Nee, het Koninkrijk der Nederlanden is immers geen partij geworden bij het verdrag;
  2. Ja, mits een vijfde van het aantal leden van de Eerste Kamer de minister ter verantwoording wenst te roepen;
  3. Nee, tenzij het belang van de staat zich ertegen verzet dat verantwoording achterwege blijft;
  4. Ja, dat het Koninkrijk der Nederlanden geen partij is geworden bij het verdrag doet daaraan niet af

Overige oefenvragen

Vraag 1

Wat is de definitie van een staat?

Vraag 2

Wat waren de ideeën van Montesquieu?

Vraag 3

Wat houdt het legaliteitsbeginsel in?

Vraag 4

Wat houdt de verantwoordingsplicht in?

Vraag 5

Wat zijn de belangrijkste vormen van verantwoordingsplicht van en controle op overheidsorganen?

Vraag 6

Wat is een referendum?

Vraag 7

Wat is een burgerinitiatief?

Vraag 8

Wat is een volksinitiatief?

Vraag 9

Art 81 Gw geeft aan dat "wetten tot stand komen door de regering en de Staten Generaal gezamenlijk". Welk systeem herken je hier in terug?

  1. Het systeem van de constitutionele monarchie.
  2. Het systeem van de Trias Politica.
  3. Het systeem van de ‘checks and balances’.
  4. Het systeem van de verzorgingsstaat.

Vraag 10

Wat zijn de kenmerken van een staat?

  1. Grondgebied, onafhankelijke rechtspraak, gezag.
  2. Gezag, Trias Politica, onafhankelijke rechtspraak.
  3. Een gemeenschap van mensen, gezag, grondgebied.
  4. Democratie, een gemeenschap van mensen, gezag.

Vraag 11

Wat wordt verstaan onder staatssoevereiniteit?

  1. Dat de ene staat juridisch in hoger aanzien staat dan de andere.
  2. Dat een staat zelfbeschikkingsrecht toekomt.
  3. Dat een staat zelfstandig een oorlog kan beginnen met een andere staat.
  4. Dat een staat zelf zijn grondgebied kan vaststellen.

Vraag 12

In hoeverre speelt erkenning door andere staten een rol om daadwerkelijk als ‘staat’ aangemerkt te kunnen worden?

Vraag 13

Waarom is gezagsuitoefening binnen een staat/gemeenschap onvermijdelijk?

En welk gevaar kleeft er aan die gezagsuitoefening door het bestuur?

Vraag 14

In hoeverre differentieert de taak van de uitvoerende macht van vandaag de dag zich van de leer van Montesquieu?

Vraag 15

Welke twee grondregels voor een democratisch staatsbestel liggen aan onze staatsrechtelijke praktijk ten grondslag?

Vraag 16

Geldt het legaliteitsbeginsel voor alle overheidshandelingen?

Vraag 17

Waarom is verantwoordingsplicht of controle zo’n belangrijke aanvulling op het legaliteitsbeginsel?

Vraag 18

Voor rechters geldt geen verantwoordingsplicht tegenover andere staatsorganen. Hoe is er voor gezorgd dat zij toch in zekere zin gecontroleerd worden?

Vraag 19

Geldt de politieke verantwoordingsplicht voor ministers en staatssecretarissen alleen voor hun eigen doen en nalaten?

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. B

2. A

3. C

4. C

5. C

6. B

7. A

8. D

9. B

10. C

11. D

12. A

13. A

14. A

15. (A) Een van de volgende argumenten kan worden genoemd:

  • Het vloeit voor uit de, tot de rechtsstaat behorende, eis van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht dat politici (behorend tot de uitvoerende macht en/of wetgevende macht) in hun toonzetting respect tonen voor de positie van de onafhankelijke rechter [anders komt de vrije oordeelsvorming van de rechter te zeer onder druk te staan].

  • Het vloeit voor uit de, tot de rechtsstaat behorende, eis van de scheiding der machten dat politici, behorend tot de wetgevende en/of uitvoerende macht, in hun toonzetting respect tonen voor de positie van de onafhankelijke rechter [anders komt de vrije oordeelsvorming van de rechter te zeer onder druk te staan].

  • Het is belangrijk voor het goed functioneren van de rechtsstaat dat politici, behorend tot de uitvoerende macht en/of wetgevende macht, in hun toonzetting het belang van een onafhankelijke rechterlijke macht, als kernelement van de rechtsstaat, actief uitdragen.

(B) Een van de volgende argumenten kan worden genoemd:

  • Politici hebben vrijheid van meningsuiting (een van de grondrechten die in onze rechtsstaat gelden). Zij hebben het recht hun eigen woorden en toonzetting te kiezen (behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet). Ook het geven van een mening over een uitspraak van een rechter valt onder die vrijheid. Door hun mening te geven leveren de politici een bijdrage aan een maatschappelijk debat.

  • Veel politici (zij het niet alle) zijn democratisch gekozen. Het is belangrijk voor het functioneren van de democratie, een kernelement van de democratische rechtsstaat, dat democratisch gekozen politici hun mening kunnen uitspreken als vertolking van de mening van de kiezers, ook als die mening een uitspraak van de rechter betreft.

  • Het is, gelet op de onafhankelijke positie van de rechterlijke macht, passend dat politici zich niet uitspreken over een zaak die nog onder de rechter is. Maar zodra een uitspraak onherroepelijk is geworden, hebben (gekozen en niet-gekozen) politici het recht om over deze uitspraak hun mening te geven. Aldus leveren zij een bijdrage aan een maatschappelijk en politiek debat.

16. A

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

1. C

2. A

3. D

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. De staat is een organisatie die met voorrang boven andere organisaties effectief gezag uitoefent over een gemeenschap van mensen op een bepaald grondgebied. De gemeenschap heeft een gemeenschappelijke cultuur en is een rechtsgemeenschap. Haar grondwaarden zijn neergelegd in door dwang te handhaven leefregels. Erkenning door andere staten is geen formeel vereiste.

2. Montesquieu stelde dat er in iedere samenleving sprake moest zijn van drie machten; de wetgevende macht, de uitvoerende macht en de rechtsprekende macht. Die machten dienen verspreid te zijn over de samenleving, op die manier houden zij elkaar in evenwicht. De wetgevende macht moest volgens dit idee in handen zijn van het volk, de uitvoerende macht in handen van de koning en de rechtsprekende macht in handen van onafhankelijke rechters. Vandaag de dag is de uitvoerende macht meestal in handen van de regering. Machten hoefden niet zozeer strikt gescheiden zijn, maar eerder evenwichtig verdeeld.

3. Geen bevoegdheid zonder grondslag in wet of Grondwet.

4. Niemand kan een bevoegdheid uitoefenen zonder verantwoording schuldig te zijn of zonder dat op die uitoefening controle bestaat.

5. Politieke verantwoordingsplicht, Ambtelijke ondergeschiktheid, Bestuurlijk toezicht, Strafrechtelijke verantwoordelijkheid, Beroep, Burgerlijke rechter, Rechterlijke toetsing van wetgeving.

6. Een referendum betreft het voorleggen van een vraag met betrekking tot wetgeving of een te nemen besluit aan de kiesgerechtigden in een land of een bepaald gebied.

7. Een burgerinitiatief betreft het recht van burgers om onderwerpen of concrete voorstellen te plaatsen op de agenda van een volksvertegenwoordigend orgaan. Dit orgaan moet hierover vervolgens een standpunt innemen.

8. Een volksinitiatief betreft het recht van burgers op een volksstemming over een door burgers opgesteld voorstel. Er is sprake van twee varianten: de radicale (of: rechtstreekse) waarbij de volksstemming plaatsvindt zonder tussenkomst van de volksvertegenwoordiging en de gematigde. Hierbij vindt de volksstemming plaats na verwerping van het voorstel door de volksvertegenwoordiging. Bij een volksinitiatief kan het laatste woord aan de kiezers zijn omdat het voorstel aan een bindend referendum wordt onderworpen.

9. C

10. C

11. B

12. Dit is geen formeel vereiste. Het is wel een belangrijke aanwijzing dat de staat effectief gezag uitoefent.

13. Wil de gemeenschap, die de staat vormt, kunnen voortbestaan, dan moeten er voortdurend beslissingen genomen worden. Hiervoor is een bestuur nodig. Wanneer het bestuur alle machtsmiddelen krijgt, kan deze in feite doen wat het zelf wil.

14. De regering voert niet alleen meer de wetten uit maar moet vandaag de dag ook veel beslissingen zelf nemen (zelfstandige bevoegdheid).

15. 

  • Geen bevoegdheid zonder grondslag in wet of Grondwet
  • Niemand kan een bevoegdheid uitoefenen zonder verantwoording schuldig te zijn of zonder dat op die uitoefening controle staat

16. Nee, een dergelijk stelsel is in het positieve recht nog niet gerealiseerd (denk hierbij bijvoorbeeld aan overheidssubsidies).

17. Omdat het handelend orgaan rekenschap af moet kunnen leggen waarom het zijn bevoegdheid al of niet heeft uitgeoefend en waarom juist op die manier.

18. De rechter wordt door een hogere rechter gecontroleerd. Er wordt dan gecontroleerd waarom hij in het concrete geval een bepaalde straf heeft opgelegd. De regering heeft, mits daarbij bepaalde vormen worden in acht genomen, het recht van gratie van straffen.

19. Nee, het gaat hierbij ook om het functioneren van ambtelijke diensten die aan het bestuursorgaan ondergeschikt zijn.

Wat zijn de bronnen van het staatsrecht? - Tentamens 2

Wat zijn de bronnen van het staatsrecht? - Tentamens 2

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

Welk van de onderstaande wetten is geen organieke wet?

  1. De Provinciewet.
  2. De Wet op de Raad van State.
  3. De Dienstenwet.
  4. De Kieswet.

Vraag 2

De Nederlandse Grondwet is een ‘rigid constitution’. Dat wil zeggen dat:

  1. De Grondwet alle belangrijke staatsrechtelijke regels duidelijk codificeert;
  2. De Grondwet moeilijker te wijzigen is dan een gewone wet;
  3. De Grondwet een stelsel van strikte constitutionele toetsing voorschrijft door de onafhankelijke rechterlijke macht;
  4. De Grondwet slechts een beperkte selectie van de daadwerkelijk geldende staatsrechtelijke regels bevat.

Vraag 3

De Nederlandse Grondwet wordt wel een ‘rigide’ Grondwet genoemd. Licht toe waarom de Grondwet een inflexibel karakter heeft.

Vraag 4

Binnen het Nederlandse constitutionele recht, met name het recht inzake het functioneren van het parlementaire stelsel, komen enkele regels voor die niet zijn gecodificeerd. Een belangrijke reden voor het niet codificeren van die regels is gelegen in:

  1. Het rigide karakter van de Nederlandse Grondwet;
  2. De opkomst van het fenomeen van de kaderwetgeving en de delegatie van regelgevende bevoegdheid door de wetgever in formele zin;
  3. De attributie van regelgevende bevoegdheid aan de regering in artikel 89 lid 1 Grondwet;
  4. Het feit dat Nederland een tweekamerstelsel kent.

Vraag 5

Het rigide karakter van onze Grondwet draagt bij aan het bestaan van het fenomeen van ongeschreven staatsrechtelijke regels.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 6

De verplichting voor de ministers om de Kamers uit eigen beweging te informeren is niet in artikel 68 Grondwet neergelegd, maar vormt een uitvloeisel van de ministeriële verantwoordelijkheid van artikel 42, tweede lid, Grondwet.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 7

Welk fenomeen heeft in de 20e eeuw gezorgd voor een toename van met name lagere regelgeving?

  1. De delegatie van bestuursbevoegdheden.
  2. De versterking van klassieke grondrechten.
  3. De overgang van een klassiek-liberale rechtsstaat naar een sociale rechtsstaat.
  4. Het belangrijker worden van de idee van machtenscheiding.

Vraag 8

Wat is de positie van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer (RvO TK) in de hiërarchie van regelgeving?

  1. Het RvO TK staat boven de provinciale verordening maar lager dan de algemene maatregel van bestuur.
  2. Het RvO TK is een algemene maatregel van bestuur.
  3. Het RvO TK heeft een hogere status dan een algemene maatregel van bestuur, maar een lagere status dan een wet in formele zin.
  4. Het RvO TK is geen algemeen verbindend voorschrift en heeft geen plaats in de hiërarchie.

Vraag 9

Indien in een wetsartikel de zinsnede ‘bij of krachtens algemene maatregel van bestuur’ voorkomt, dan duidt dit op:

  1. Mandatering van een bestuursbevoegdheid.
  2. Mandatering van een regelgevende bevoegdheid.
  3. Delegatie van een bestuursbevoegdheid.
  4. Delegatie van een regelgevende bevoegdheid.

Vraag 10

De herziening van de Grondwet in 1848 was in het bijzonder van belang vanwege:

  1. De strafrechtelijke ministeriele verantwoordelijkheid werd ingevoerd.
  2. De koning met deze wijziging onschendbaar werd.
  3. De politieke verantwoordingsplicht van minister aan de koning werd toen pas in de Grondwet opgenomen.
  4. Er kwam toen een plicht voor de regering om via ministers verantwoording af te leggen over het gevoerde beleid.

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

Vraag 1

De Nederlandse Grondwet is van relatief geringe betekenis voor het staatsrecht vanwege:

  1. Het ontbreken van normen die de verhouding tussen burgers en overheid reguleren;
  2. De onmogelijkheid om provinciale en gemeentelijke regelingen door rechters te laten toetsen aan de Grondwet;
  3. De geringe sturing die de Grondwet geeft aan de wetgever om invulling te geven aan hetstaatsrecht;
  4. De gedetailleerdheid van de bepalingen die weinig ruimte laat voor een dynamische ontwikkeling van staatsrechtelijke gewoonten.

Vraag 2

Op 9 maart jl. traden zowel de minister van Veiligheid en Justitie als de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie af.

Aan beiden werd door de Koning op dezelfde dag op de meest eervolle wijze het gevraagde ontslag verleend.

Is het naar Nederlands staatsrecht noodzakelijk dat een staatssecretaris wordt ontslagen bij het vertrek van zijn minister?

  1. Ja, de staatsecretaris moet als ondergeschikte ambtsdrager ook worden ontslagen;
  2. Nee, weliswaar is het gebruik dat de staatsecretaris zijn ontslag aanbiedt, maar daarop hoeft geen ontslag te volgen;
  3. Ja, tenzij de ministerraad het door de staatssecretaris gevraagde ontslag weigert te verlenen;
  4. Nee, mits de Tweede Kamer zijn vertrouwen in de staatsecretaris nadrukkelijk uitspreekt.

Overige oefenvragen

Vraag 1

Wat zijn de bronnen van het staatsrecht?

Vraag 2

Op welke wijze is de Grondwet van betekenis voor het Nederlandse staatsrecht?

Vraag 3

Wat is ongeschreven recht?

Vraag 4

Wat betekent de term "bij of krachtens de wet"?

Vraag 5

Wat is een algemene maatregel van bestuur (amvb)?

Vraag 6

Wat is het belang van internationaal recht voor ons Nederlandse staatsrecht?

Vraag 7

Noem enkele bronnen van staatsrecht.

  1. De Grondwet, de media, de gewoonterecht.
  2. Het Statuut, jurisprudentie, organieke wetten.
  3. Jurisprudentie, organieke wetten, het Burgerlijk Wetboek.
  4. Reglementen, het Statuut, economische voorspellingen.

Vraag 8

Welke grondwetsherziening legde de grondslag voor ons huidige parlementaire stelsel en welk belangrijk staatsrechtelijk beginsel introduceerde deze grondwetsherziening?

Vraag 9

Wie vormen in Nederland de wetgever in formele zin en waar in de Grondwet is dat terug te vinden?

Vraag 10

Wat is de betekenis van het woord ‘wet’ in onze Grondwet?

Vraag 11

Kan een lagere regelgever automatisch regels uitvaardigen indien de Grondwet delegatie van regelgevende bevoegdheid toestaat?

Vraag 12

Wanneer is er sprake van ongeschreven staatsrecht? 

Vraag 13

Welke ongeschreven staatsrechtelijke regel staat centraal in ons parlementaire stelsel?

Vraag 14

Wat zijn organieke wetten? Geef voorbeelden.

Vraag 15

Welk VN-orgaan kan voor de lidstaten bindende besluiten nemen?

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. C

2. B

3. Dat de Nederlandse Grondwet inflexibel/rigide is, blijkt uit het feit dat zij moeilijk te wijzigen is (1 punt voor een algemene omschrijving van het inflexibele/rigide karakter van de Grondwet waarbij verwezen wordt naar de zware wijzigingsprocedure). Wijziging geschiedt in twee lezingen (0,5 punt; géén punt voor de enkele opmerking dat de Kamer ontbonden dient te worden, dit an sich maakt de Grondwet immers niet rigide), waarbij in tweede lezing een tweederdemeerderheid vereist is (0,5 punt). Zie art. 137 Grondwet (0,5 punt).

4. A

5. A

6. A

7. C

8. D

9. D
10. A

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

1. C

2. B

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. Bronnen van het staatsrecht zijn:

  • De Grondwet

  • Gewoonterechtelijke regels

  • Geschreven regelingen in de vorm van wetten of algemeen maatregelen van bestuur

  • Internationaal recht

2. De Grondwet bevat, naast onvolledigheden, ook regels die zeer belangrijk zijn voor het staatsrecht. Deze regels zorgen ervoor dat de staatsorganisatie van onze parlementaire monarchie geregeld wordt. 

3. Recht dat niet door de wetgever of de rechter in het leven is geroepen, maar wel algemeen als geldend recht wordt erkend. Gewoonterecht is een voorbeeld hiervan.

4. De term "bij of krachtens de wet" betekent dat de wetgever aan een lagere wetgever mag delegeren maar ook kan besluiten van delegatie af te zien.

5. Een algemene maatregel van bestuur (AMvB) is een besluit van de regering waarin regels uit een wet verder worden uitgewerkt. 

6. Vrijwillige bindingen hebben internationale en bovennationale organisaties tot leven geroepen die delen van de staatstaak hebben overgenomen. Terugtreden uit sommige bindingen kan grote schade met zich meebrengen door de verstrengeling van belangen.

7. B

8. De grondwetsherziening van 1848. De machtenscheiding van Montesquieu met haar driedeling in wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht werd geintroduceerd.

9. De regering en de Staten-Generaal samen. Dit is geregeld in art. 81 GW.

10. Hier wordt de formele wet bedoeld, het besluit vastgesteld door regering en Staten-Generaal samen en in het Staatsblad bekend gemaakt (art. 88 GW en 3 sub a Bekendmakingswet).

11. Nee, het is aan de formele wetgever om uit te maken of, in hoeverre en aan wie deze delegatie zal plaatsvinden.

12. Er is pas sprake van een ongeschreven rechtsregel als er behalve een staatkundige praktijk ook een rechtsovertuiging bij de betrokkenen bestaat dat zij volgens die praktijk behoren te handelen.

13. De vertrouwensregel/vertrouwensnorm. Deze houdt in dat het kabinet waaraan of de minister aan wie het parlement het vertrouwen heeft opgezegd, zijn ontslag moet aanbieden.

14. Wetten tot uitvoering van een grondwettelijke opdracht om een materie bij de wet te regelen.

  • Art. 75 lid 1: de inrichting, samenstelling en bevoegdheden van de Raad van State worden door de wet geregeld (Wet op de Raad van State).
  • Art. 132: de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede van de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen (Provinciewet).
  • Ook: Gemeentewet, Kieswet, Algemene wet bestuursrecht

15. De Veiligheidsraad.

Hoe werkt het staatsrecht? - Tentamens 3

Hoe werkt het staatsrecht? - Tentamens 3

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

Elke Nederlander heeft:

  1. Actief kiesrecht
  2. Passief kiesrecht
  3. Zowel actief als passief kiesrecht.
  4. Geen van bovenstaande mogelijkheden is juist

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

Vraag 1

Juan Carlos de Borbon y Borbon is sinds 1 januari 2014 inwoner van de gemeente Stadskanaal. Hij heeft zowel de Mexicaanse als de Spaanse nationaliteit en voelt zich uitstekend thuis in de Veenkoloniën. Zozeer zelfs, dat hij overweegt actief te worden in de lokale politiek: bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2018 wil hij zich graag kandideren voor de gemeenteraad namens de door hem opgerichte politieke partij OS (Olé Stadskanaal). Is het voor Juan Carlos naar Nederlands recht mogelijk om zich in de raad van de gemeente Stadskanaal te laten kiezen?

  1. Nee, want Juan Carlos is geen Nederlands staatsburger en alleen Nederlanders hebben het passief kiesrecht voor de gemeenteraden;
  2. Ja, want Juan Carlos is vanwege zijn Spaanse nationaliteit Europees burger en heeft dus zowel het actief als het passief kiesrecht voor de gemeenteraad;
  3. Ja, maar alleen voor een bestaande politieke partij, want als niet-Nederlander heeft hij niet het recht om een eigen politieke partij op te richten;
  4. Nee, want hoewel Juan Carlos Europees burger is woont hij in maart 2018 nog geen vijf jaar in Nederland en mag hij het actieve en passieve kiesrecht dus nog niet uitoefenen.

Overige oefenvragen

Vraag 1

Hoe wordt het grondgebied van een staat bepaald?

Vraag 2

Waarin verschilt de rechtspositie van Nederlanders met die van vreemdelingen in Nederland?

Vraag 3

Aan welke voorwaarden moeten vreemdelingen voldoen om in Nederland toegelaten te worden?

Vraag 4

Voor wie is de verblijfsvergunning asiel bedoeld?

Vraag 5

Hoe kan het Nederlanderschap worden verkregen?

Vraag 6

Hoe kan het Nederlanderschap worden verloren?

Vraag 7

Welke van de onderstaande stellingen is juist?

I Nederlanders kunnen Nederland worden uitgezet.

II Nederlanders kunnen worden uitgeleverd aan een andere staat.

  1. Stelling I is juist, stelling II is onjuist.
  2. Stelling I is juist, stelling II is juist.
  3. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.
  4. Stelling I is onjuist, stelling II is onjuist.

Vraag 8

Mazen, Syrisch staatsburger uit Damascus, wil gaan trouwen en samenwonen met zijn Nederlandse vriendin Eefje in Nederland.

Wat voor een soort document moet hij hiertoe allereerst aanvragen bij de ambassade in Damascus?

  1. Een verblijfsvergunning asiel.
  2. Een verblijfsvergunning regulier.
  3. Een machtiging tot voorlopig verblijf.
  4. Hij hoeft geen document aan te vragen.

Vraag 9

Welke van de onderstaande stellingen is juist?

I De gemeenschap van een land wordt gevormd door mensen die daartoe behoren vanwege hun afstamming of die op eigen verzoek de nationaliteit van de staat hebben verkregen.

II De gemeenschap van een land wordt gevormd door allen die zich op dat moment in dat land bevinden.

  1. Stelling I is juist, stelling II is onjuist.
  2. Stelling II is onjuist, stelling I is juist.
  3. Stelling I en II zijn beide onjuist.

Vraag 10

De Nederlandse rechtsregels gelden in beginsel alleen op het Nederlandse territorium. Door welk volkenrechtelijk uitgangspunt komt dat? Bestaan hier ook uitzonderingen op?

Vraag 11

In hoeverre missen vreemdelingen in Nederland bepaalde politieke rechten die Nederlanders wel hebben? Verschilt dat wanneer het EU-burgers betreft?

Vraag 12

Wat is het ‘koppelingsbeginsel’?

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. C

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

1. B

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. De staat wordt territoriaal bepaald door zijn grenzen waarbinnen het gezag uitoefent, ten opzichte van alle menselijk handelen dat aan dat gezag onderhevig is.

2. Nederlanders hebben rechten die vreemdelingen in Nederland missen. Enkele van de verschillen in rechtspositie zijn:

  • Kiesrecht (zie wel art. 130 GW inzake gemeenteraden).
  • Alle Nederlanders zijn in openbare dienst benoembaar (art. 3 GW), echter zie art. 45 VWEU, discriminatie op grond van nationaliteit is verboden, met uitzondering betrekkingen in overheidsdienst.
  • Uitlevering van verblijvers in Nederland mag enkel bij verdrag (art. 2, lid 3 GW).
  • Misdrijven door Nederlanders gepleegd in het buitenland kunnen volgens het Nederlandse strafrecht worden beoordeelt.
  • Er is recht op bijstand (art. 20, lid 3 GW).

3. Artikel 3 Vreemdelingenwet. Men moet over de nodige identiteitspapieren en middelen voor verblijf en terugreis beschikken. Ook zal hij in bepaalde gevallen een visum of een machtiging tot voorlopig verblijf moeten kunnen tonen. Van het visumvereiste kan op grond van internationale afspraken afgeweken worden.

4. De verblijfsvergunning asiel is bedoeld voor ‘verdragsvluchtelingen’ evenals voor personen die in vergelijkbare situaties verkeren en hun naaste familieleden. De definitie van vluchteling volgens de verdragsteksten is iemand die zich buiten zijn land bevindt ‘uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging’.

5. Dat kan op drie manieren:

  • Verkrijging van rechtswege
  • Door optie
  • Door naturalisatie

6. In art. 14-16A van de Rijkswet is het verlies van Nederlanderschap geregeld. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer het recht van het land van oorsprong verlies van nationaliteit niet mogelijk maakt, zoals in Marokko. Verder gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit, door het afleggen van een verklaring van afstand en door meer dan tien jaar verblijf in het buitenland (buiten de Europese Unie) van iemand met dubbele nationaliteit tijdens zijn meerderjarigheid. Dit gebeurt niet wanneer hij in die periode een verklaring betreffende het bezit van het Nederlanderschap of een paspoort heeft aangevraagd en verkregen.

7. C

8. C

9. A

10. Het staatsrecht werkt alleen op het grondgebied waar geen ander staatsgezag gevestigd is. Binnen dat gebied oefent de staat gezag uit ten opzichte van alle menselijk handelen dat aan dat gezag onderhevig is. Ook als inwoners buiten het grondgebied verblijven, blijft er een band bestaan tussen de staat en de inwoners.

11. Vreemdelingen hebben geen actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen van de tweede kamer. Wel hebben ze actief en passief kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen. Hiervoor moeten ze echter wel minstens vijf jaar (legaal) ingezetene van Nederland zijn. EU-burgers hoeven aan deze vijf jaar regel niet te voldoen (op grond van het Europese recht).

12. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, geen aanspraak kan maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen van de zijde van de overheid.

Wat houdt de regering in? - Tentamens 4

Wat houdt de regering in? - Tentamens 4

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

Welke van de onderstaande opmerkingen is juist?

  1. Het kabinet bestaat uit de Koning en de ministers.
  2. In de vergaderingen van de ministerraad mag een staatssecretaris meebeslissen als zijn minister afwezig is.
  3. De minister-president zit de vergaderingen van de ministerraad voor en kan zelfstandig beslissen of een bepaald onderwerp op de agenda van die vergaderingen komt te staan.
  4. De ministers worden door de Koning benoemd en ontslagen, deze koninklijke besluiten worden niet voorzien van een ministerieel contraseign.

Vraag 2

Wie van de onderstaande personen maakt in grondwettelijke zin geen deel uit van de Nederlandse regering?

  1. Koning Willem-Alexander, omdat sinds de Grondwet van 1848 de ministers staatsrechtelijk verantwoordelijk zijn.
  2. Minister-president Rutte. Hij is als premier wel voorzitter van de ministerraad, maar zelf geen lid.
  3. De Minister voor Immigratie en Asiel, omdat hij een zogenoemde minister zonder portefeuille is en is ondergebracht bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
  4. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Hij heeft als staatssecretaris namelijk geen stemrecht in de ministerraad.

Vraag 3

Welke van de volgende organen kunnen in het staatsrechtelijk taalgebruik als synoniemen beschouwd worden?

  1. Kabinet en ministerraad.
  2. Kabinet en regering.
  3. Kroon en regering.
  4. Ministerraad en regering.

Vraag 4

Welk van de onderstaande opmerkingen is juist?

  1. De regering is belast met de wetgevende macht.
  2. Het kabinet bestaat uit de staatssecretarissen en de Koning.
  3. De Eerste Kamer mag wijzigingen aanbrengen in wetsvoorstellen, de Tweede Kamer mag wetsvoorstellen alleen goed- of afkeuren.
  4. De minister-president zit de vergaderingen van de ministerraad voor.

Overige oefenvragen

Vraag 1

Wat is de een regering en waaruit bestaat deze?

Vraag 2

Wat is een koninklijk besluit?

Vraag 3

Wanneer kan een regentschap in werking treden?

Vraag 4

Wat zijn de taken van de ministerraad en hoe wordt deze samengesteld?

Vraag 5

Wat zijn de centrale taken van de minister-president?

Vraag 6

Wat doet een staatssecretaris?

Vraag 7

Wat is een algemene maatregel van bestuur (AMvB) en waarin verschilt deze met een klein KB?

Vraag 8

Welke twee taken vervult de Koning in ons staatsbestel? Wat is zijn positie?

Vraag 9

Heeft de minister altijd de leiding over een ministerie?

Vraag 10

Wat zijn de twee belangrijkste rollen van de minister-president?

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. C

2. D

3. C

4. D

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. De regering is het centrale bestuur van ons land en bestaat uit de Koning en de ministers.

2. Een koninklijk besluit is een besluit van de regering. Hoewel de koning als eerste het besluit ondertekent, is hij niet zelf verantwoordelijk voor het besluit.

3. Er zijn een aantal redenen waarom het regentschap in werking kan treden:

  • wanneer de Koning buiten staat geraakt het koninklijk gezag uit te oefenen;

  • wanneer de regerende Koning krachtens een wet tijdelijk het koninklijk gezag heeft neergelegd;

  • wanneer na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.

4. De ministerraad is de vergadering van alle ministers onder leiding van de minister-president. Alle ministers (ook die zonder portefeuille) maken deel uit hiervan en hebben hierin stemrecht. Staatssecretarissen hebben alleen toegang als zij zijn uitgenodigd. In de ministerraad wordt overlegd over het algemene regeringsbeleid. 

5. Hij is voorzitter van de ministerraad. Hij coordineert het regeringsbeleid. Als 'primus inter pares' heeft de Minister-President formeel geen bijzondere macht, maar hij heeft een bijzondere positie als 'gezicht' van de regering en lid van de Europese Raad. 

6. Deze ondersteunt een minister bij het politiek leiden van een ministerie. Deze krijgt dan een specifiek beleidsterrein onder de hoede, maar de minister blijft medeverantwoordelijk. Een staatssecretaris is verantwoording verschuldigd aan het parlement. 

7. Een AMvB is een besluit van de regering, waarin de inhoud van een wet nader is uitgewerkt. Een AMvB wordt vastgelegd in de vorm van een Koninklijk Besluit. Een AMvB moet eerst voor advies naar de Raad van State (Afdeling advisering) voordat hij wordt gepubliceerd. Een AMvB wordt bekend gemaakt in het Staatsblad. Een Klein (of gewoon) Koninklijk Besluit regelt onder andere de benoeming van een burgemeester of minister, en de verlening van een Koninklijke onderscheiding. Hiervoor hoeft geen advies te worden gevraagd bij de Raad van State. In sommige gevallen wordt wel de ministerraad bij het besluit betrokken. Een Klein Koninklijk Besluit wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

8. De Koning is in de eerste plaats het staatshoofd van het Koninkrijk der Nederlanden (hij symboliseert de eenheid van ons land, zowel in buiten- als binnenland). In tweede plaats is hij lid van de regering. Hij neemt een constitutionele positie in.

9. Nee, er bestaan ook ministers zonder portefeuille. Zij kunnen organisatorisch ondergebracht zijn op een ander ministerie, zonder aan het hoofd daarvan te staan.

10. 

  • Hij is voorzitter van de ministerraad.
  • Hij vertegenwoordigt het kabinet.
Wat houdt de Staten-Generaal in? - Tentamens 5

Wat houdt de Staten-Generaal in? - Tentamens 5

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

Vrouwen kunnen sinds 1917 worden verkozen in de Tweede Kamer.

  1. Correct
  2. Niet correct

Vraag 2

Welke functie mag een lid van de Eerste Kamer niet tegelijkertijd bekleden met zijn lidmaatschap van de Eerste Kamer?

  1. Gemeentraadslid.
  2. Voorzitter van de Eerste Kamer.
  3. Voorzitter van de Tweede Kamer.
  4. Kantonrechter.

Vraag 3

De leden van de Eerste Kamer vertegenwoordigen de provincies op landelijk niveau. De Eerste Kamer wordt immers gekozen door de leden van de provinciale staten.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 4

Welke van de onderstaande opmerkingen over het Nederlandse kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging is juist?

  1. Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging werkt – meer dan een meerderheidsstelsel – de vorming van stabiele meerderheidskabinetten in de hand.
  2. Sinds de invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging is het aantal politieke partijen dat in de Tweede Kamer wordt vertegenwoordigd relatief hoog.
  3. Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging is ingevoerd bij de grondwetsherziening van 1983, daarvoor had Nederland een meerderheidsstelsel met kiesdistricten.
  4. Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging is in 1917 ingevoerd op voorspraak van de conservatieve en confessionele fracties in het parlement, in ruil voor hun instemming met de door de socialisten en liberalen voorgestane invoering van algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen.

Vraag 5

Een kandidaat kan slechts in de Tweede Kamer worden gekozen indien op hem/haar voldoende stemmen zijn uitgebracht om de kiesdeler te halen.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 6

Het lidmaatschap van de Tweede Kamer is verenigbaar met het lidmaatschap van de Raad van State.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 7

Wat is geen aspect van het huidige Nederlandse kiesstelsel voor de Tweede Kamerverkiezingen?

  1. De mogelijkheid om op basis van voorkeursstemmen gekozen te worden in de Tweede Kamer.
  2. Het lijstenstelsel.
  3. Het bestaan van diverse kiesdistricten.
  4. Het bestaan van een kiesdeler.

Vraag 8

Het kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging is in de Grondwet verankerd en maakt als zodanig deel uit van de Nederlandse constitutie.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 9

In het bij Tweede Kamerverkiezingen geldende kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging:

  1. Kan alleen een stem op een partij uitgebracht worden, niet op een persoon;
  2. Heeft het uitbrengen van een voorkeurstem geen enkele betekenis;
  3. Komen restzetels doorgaans bij partijen, die de meeste zetels behalen;
  4. Is er geen sprake van restzetels.

Vraag 10

Welk van de onderstaande opmerkingen met betrekking tot de Eerste Kamer is juist?

  1. De Eerste Kamer is samengesteld op basis van evenredige vertegenwoordiging.
  2. De Eerste Kamer mist het enquêterecht.
  3. De Eerste Kamer moet ontbonden worden voordat behandeling van een wetsvoorstel tot grondswetswijziging in tweede lezing kan plaats vinden.
  4. De parlementaire onschendbaarheid van artikel 71 Grondwet geldt niet voor leden van de Eerste Kamer.

Vraag 11

Wat is een aspect van het huidige Nederlandse kiesstelsel met betrekking tot het kiezen van de Tweede Kamer?

  1. Het hebben van districten.
  2. Het ontbreken van een kiesdeler.
  3. Het lijstenstelsel.
  4. Het zwarte potlood.

Vraag 12

Welk van de beweringen over de (mede)wetgevende bevoegdheid van de Tweede Kamer is juist?

  1. Een amendementvoorstel wordt alleen aangenomen als hij door precies dertig leden wordt gesteund.
  2. Amendementen kunnen alleen ingediend worden wanneer een wet van kracht is.
  3. Amendementen kunnen door een of meerdere leden van de Tweede Kamer gedaan worden.
  4. De Tweede Kamer kan aan de Eerste Kamer opdragen amendementen aan te brengen aan een wetsvoorstel.

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

Vraag 1

Naar geldend staatsrecht worden Nederlanders door de Staten-Generaal gerepresenteerd:

  1. Ongeacht of ze van hun kiesrecht gebruik hebben gemaakt;
  2. Voor zover ze van het kiesrecht gebruik hebben gemaakt bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer;
  3. Voor zover ze van het kiesrecht gebruik hebben gemaakt bij de verkiezingen voor zowel Provinciale Staten als de Tweede Kamer;
  4. Voor zover ze niet van het kiesrecht zijn uitgesloten.

Vraag 2

Het verbod van last (art. 67, derde lid Grondwet) brengt mee dat leden van de Staten-Generaal:

  1. (Behoudens wegens ambtsmisdrijven) niet in rechte aangesproken kunnen worden voor hun ambtsvervulling;
  2. Een met het ambt van Kamerlid onverenigbare betrekking mogen vervullen;
  3. Zich bij het uitoefenen van hun taken uitsluitend mogen laten leiden door het eigen partijprogramma;
  4. Ten behoeve van het bepalen van hun stemgedrag zich moeten verstaan met hun kiezers.

Vraag 3

Bij het organiseren van verkiezingen voor volksvertegenwoordigingen kan volgens Belinfante worden gekozen tussen twee systemen, namelijk een meerderheidsstelsel en een stelsel van evenredige vertegenwoordiging.

Het meerderheidsstelsel:

  1. Leidt tot een versplinterde samenstelling van het parlement, terwijl  een stelsel van evenredige vertegenwoordiging versplintering juist tegengaat;
  2. Leidt tot een zetelverdeling die overeenkomt met de samenstelling van het kiezerscorps terwijl een stelsel van evenredige vertegenwoordiging kleine verschillen bij de stembus juist uitvergroot in de zetelverdeling;
  3. Laat geen ruimte voor regionale spreiding van volksvertegenwoordigers terwijl een stelsel van evenredige vertegenwoordiging daarop juist is gebaseerd;
  4. Maakt coalitiebesprekingen na de verkiezingen veelal overbodig, terwijl die bij evenredige vertegenwoordiging meestal noodzakelijk zullen zijn.

Vraag 4

Erik Zeil is bij de Tweede Kamer verkiezingen van maart 2015 kandidaat namens de nieuwe partij Grijpgraag Groningen (GG).

Hij staat op de kieslijst op plaats 15. GG behaalt bij de Tweede Kamerverkiezingen in totaal 360.000 stemmen, goed voor precies 6 zetels in de Tweede Kamer.

Op Erik Zeil worden 14.000 geldige stemmen uitgebracht, op de nummer 6 van de lijst, Bert Braam, 12.000 geldige stemmen. De vijf hoogste kandidaten hebben ieder zo’n 55.000 stemmen gekregen en alle andere kandidaten zijn bleven steken op maximaal 8.000 stemmen. Is Erik Zeil in de Tweede Kamer gekozen?

  1. Ja, want hij heeft de kiesdeler gehaald;
  2. Ja, want hij heeft een kwart van de kiesdeler gehaald;
  3. Ja, want hij heeft meer stemmen gehaald dan nummer 6;
  4. Nee.

Overige oefenvragen

Vraag 1

Wat is het verschil tussen de Eerste en Tweede Kamer?

Vraag 2

Hoe wordt het kiesrecht gerechtvaardigd?

Vraag 3

Welke twee soorten kiesstelsels bestaan er?

Vraag 4

Welke problemen kunnen zich voordoen bij evenredige vertegenwoordiging?

Vraag 5

Van welk staatsorgaan worden de leden via getrapte verkiezingen gekozen?

  1. De Tweede Kamer.
  2. De Provinciale Staten.
  3. De Eerste Kamer.
  4. De regering

Vraag 6

Welke argumenten bestaan er voor en tegen het bestaan van de Eerste Kamer?

Vraag 7

Welke waarborgen zijn er voor de onafhankelijkheid van de (leden van de) Tweede Kamer?

Vraag 8

Welke twee problemen vloeien voort uit ons kiesstelsel, gelet op de verhouding kiezer-gekozene en de samenstelling van het kabinet?

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. A

2. C

3. B

4. B

5. B

6. B

7. C

8. A

9. C

10. A

11. C

12. C

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

1. A

2. A

3. D

4. D

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. De leden van de Eerste Kamer worden indirect gekozen (Tweede Kamer). De wetgevende taak van de Eerste Kamer houdt in dat zij wetsvoorstellen die de Tweede Kamer heeft aangenomen, ook moet goedkeuren. Enkel daarna kan een wetsvoorstel een wet worden. Zij kan geen wijzigingen aanbrengen in een wetsvoorstel (Tweede Kamer wel), ze kan het voorstel alleen goedkeuren of verwerpen. De Eerste Kamer mag de regering controleren, maar maakt hier weinig gebruik van.

2. Men rechtvaardigt het algemeen kiesrecht door te stellen dat het bestuur door deskundigen moet worden onderworpen aan de controle van de gewone burger. Deze burger kan niet oordelen over de deskundigheid van de bestuurders maar kan wel nagaan of deze deskundigheid voor een redelijk doel gebruikt wordt. Op deze wijze is het algemeen kiesrecht een essentieel element in het stelsel van ‘checks and balances’.

3. Men kan de kiesstelsels in twee algemene groepen indelen:

  • Het meerderheidsstelsel waarbij in onafhankelijke districten een kandidaat bij meerderheid gekozen wordt;

  • Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging.

4. 

  • Restzetels

  • Aantal zetels per lijstengroep

  • Voorkeursstemmen

  • Gerrymandering

  • Politieke partijen

  • Kiezers hebben geen directe invloed op de samenstelling van het kabinet

5. C

6. 

Voor:

  • Het is nuttig dat een ander college nog eens overweegt wat de Tweede Kamer besloten heeft (Kamer van revisie).
  • De leden van de eerste kamer kunnen naast hun lidmaatschap, ook gewoon in hun eigen maatschappelijke werkkring blijven.

Tegen:

  • De Eerste kamer denkt minder politiek.
  • De taak van de Eerste Kamer verschilt nauwelijks meer van de taak van de Tweede Kamer.

7. 

  • De kamer bepaalt zelf of iemand al dan niet als gekozen moet worden beschouwd. Zij onderzoekt de geloofsbrieven en beslist de geschillen welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen (art. 58 GW).
  • De parlementaire onschendbaarheid (art. 71 GW). De Staten-Generaal en ministers en staatssecretarissen mogen niet vervolgd worden voor hetgeen zij in de vergadering hebben gezegd of haar schriftelijk hebben overgelegd. Ook als die uitlating een strafbaar feit oplevert, kunnen zij niet ter zake voor de rechter worden vervolgd. Het is uitsluitend aan de voorzitter om met de hem ter beschikking staande middelen de orde in de vergadering te bewaren.

8. 

Ons kiesstelsel heeft een onpersoonlijk karakter. De kiezer stemt in ons stelsel primair op een partij, niet op een persoon. Hij laat zich leiden door de persoon van de lijstaanvoerder of het programma, maar de kandidaten die lager op de lijst staan, zijn voor hem in het algemeen onbekend. De kiezers hebben geen directe invloed op de samenstelling van het kabinet. Welke coalitie uiteindelijk aan het bewind komt wordt door onderhandelingen tussen fractieleiders beslist.

Wat zijn de functies van de Raad van State, Algemene Rekenkamer, Nationale Ombudsman en vaste College van Advies? - Tentamens 6

Wat zijn de functies van de Raad van State, Algemene Rekenkamer, Nationale Ombudsman en vaste College van Advies? - Tentamens 6

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

De Raad van State adviseert zowel over een wetsvoorstel ingediend door de regering als over een wetsvoorstel ingediend door een lid van de Tweede Kamer.

  1. Correct
  2. Niet correct

Vraag 2

De Nationale ombudsman doet onderzoek naar klachten van burgers over zowel onbehoorlijk overheidsoptreden als over uitspraken van nationale rechters, zonder dat hij zelf een juridisch bindend oordeel kan geven.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 3

Wat is geen taak van de Raad van State?

  1. Rechtspreken in bestuursrechtelijke zaken.
  2. Adviseren over wetsvoorstellen.
  3. Onderzoeken van ontvangsten en uitgaven van het Rijk.
  4. Onderzoeken van geschillen van bestuur.

Vraag 4

Welke van de onderstaande opmerkingen over de Nationale ombudsman is juist?

  1. De Nationale ombudsman kan alleen een onderzoek instellen naar aanleiding van een ingediend verzoekschrift en niet uit eigen beweging.
  2. In de Algemene wet bestuursrecht is geen beperking aangebracht ten aanzien van de personen die een verzoekschrift kunnen indienen bij de Nationale ombudsman.
  3. De competentie van de Nationale ombudsman strekt zich wel uit tot gedragingen van ministers en daaraan ondergeschikte ambtenaren, maar niet tot de organen van openbare lichamen.
  4. Het vereiste dat het betrokken bestuursorgaan op de hoogte moet zijn gebracht van de bezwaren die bestaan tegen de gedraging waarover geklaagd wordt, geldt niet in een procedure bij de Nationale ombudsman.

Vraag 5

Welke van de onderstaande opmerkingen over de bevoegdheden van de Nationale ombudsman is juist?

  1. De Nationale ombudsman kan, indien hij een bepaalde gedraging van een bestuursorgaan als onbehoorlijk beoordeelt, een schadevergoeding toekennen aan de benadeelde belanghebbenden.
  2. De Nationale ombudsman kan, zowel op verzoek van een klager op eigen initiatief, een onderzoek instellen naar bepaalde gedragingen van bestuursorganen.
  3. Om gedegen onderzoek te kunnen doen naar de gedragingen van bestuursorganen beschikt de Nationale ombudsman onder meer over de bevoegdheid om woningen te betreden, zo nodig zonder toestemming van de bewoner.
  4. De Nationale ombudsman kan over gedragingen van bestuursorganen en hun ambtenaren een rapport uitbrengen met aanbevelingen welke het betreffende bestuursorgaan verplicht is uit te voeren.

Vraag 6

Welke stelling over de nationale ombudsman is niet juist?

  1. Het betrokken bestuursorgaan hoeft niet door de nationale ombudsman op de hoogte gebracht te worden van de bezwaren.
  2. De nationale ombudsman kan alleen een onderzoek instellen op eigen initiatief, niet op verzoek.
  3. De competentie van de Nationale Ombudsman strekt zich uit tot gedragingen van ministers en daaraan ondergeschikte ambtenaren, maar niet tot de organen van openbare lichamen.
  4. In de algemene wet bestuursrecht is geen beperking aangebracht ten aanzien van de personen die een verzoekschrift kunnen indienen bij de nationale ombudsman.

Vraag 7

Een taak van de Raad van State is:

  1. Adviseren over wetsvoorstellen.
  2. Het controleren of opgelegde straffen worden nageleefd.
  3. Het maken van wetsvoorstellen.
  4. Het veroordelen van verdachten.

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

Vraag 1

De Raad van State hoeft niet gehoord te worden over:

  1. Ministeriële regelingen;
  2. Algemene Maatregelen van Bestuur waarin geen bepalingen door straffen te handhaven zijn opgenomen;
  3. Voorstellen van wet die door een lid van de Tweede Kamer aanhangig zijn gemaakt;
  4. Verdragen die ter stilzwijgende goedkeuring worden overgelegd aan de Staten-Generaal.

Overige oefenvragen

Vraag 1

Wat is de functie van de Raad van State?

Vraag 2

Wat is de Algemene Rekenkamer?

Vraag 3

Wie behoren er tot de Hoge Colleges van Staat?

Vraag 4

Wie is de Nationale ombudsman? Wat zijn de bevoegdheden van de Nationale ombudsman?

Vraag 5

Wat zijn de bevoegdheden en taken van de Raad van State?

Vraag 6

Is de Raad van State slechts een adviesorgaan van de regering?

Vraag 7

De Algemene Rekenkamer voert zowel een rechtmatigheids- als een doelmatigheidscontrole uit. Leg uit.

Vraag 8

Welk voordeel en welk nadeel kleeft er aan het bestaan van (talrijke) vaste colleges van advies?

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. A

2. B 

3. C

4. B

5. B

6. C, de competentie van de Nationale Ombudsman strekt zich uit tot gedragingen van ministers en daaraan ondergeschikte ambtenaren, maar niet tot de organen van openbare lichamen.

7. A

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

1.A

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. De Raad van State is onafhankelijk adviseur van de regering over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van Nederland. 

2. Dit is een onafhankelijk orgaan dat controleert of de uitgaven van de Nederlandse rijksoverheid rechtmatig en doelmatig zijn.

3. Eerste Kamer, Tweede Kamer, Raad van State, Algemene Rekenkamer, Nationale Ombudsman, Kanselarij der Nederlandse Orden 

4. Wat de Nationale ombudsman wel en niet mag, is vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. De benoeming van de Nationale ombudsman is geregeld in de wet Nationale ombudsman en de onafhankelijkheid van het orgaan staat vastgelegd in de Grondwet, hoofdstuk 4, artikel 78a.

De Nationale ombudsman doet onderzoek naar aanleiding van klachten van burgers, maar het orgaan mag ook een onderzoek starten op eigen initiatief. De Nationale ombudsman kent veel bevoegdheden:

  • Overheidsinstanties en getuigen moeten meewerken aan zijn onderzoek (getuigen mogen zelfs thuis opgehaald worden waar nodig).
  • Bijna de hele overheid is het werkterrein van de ombudsman (de ministeries + onderdelen, bestuursorganen zoals het UWV, DUO, SVB, politie, waterschappen, provincies, veel gemeenten).
  • Sinds 2012 kan de ombudsman ook klachten over de lokale besturen op Bonaire, Sint Eustasius en Saba behandelen. 
  • Behandelt geen klachten over beleid, of over de inhoud van wetten, alleen over gedragingen (manier waarop iets uitgevoerd wordt).
  • Als je als burger bezwaar kan maken/in beroep kan gaan, kan de ombudsman in de meeste gevallen niks doen.
  • Overheidsinstanties waarover de klachten gaan bepalen zelf wat het gevolg is van het oordeel van de Nationale ombudsman.

5. 

  • Advies in zaken van wetgeving (art 73, lid 1 GW). Alle wetsvoorstellen en alle ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur en voorstellen tot goedkeuring van verdragen worden ter overweging aangeboden aan de afdeling advisering van de Raad van State, die advies uitbrengt.
  • Advies bij bestuursgeschillen (Art. 73, lid 2 GW): De Raad of een afdeling van de Raad is belast met het onderzoek van de geschillen van bestuur die bij koninklijk besluit worden beslist en draagt de uitspraak voor.
  • Rechtspraak in bestuursgeschillen: Op grond van de Algemene wet Bestuursrecht is beroep doen tegen overheidsbesluiten bij de rechtbank mogelijk. Hoger beroep kan bij de Raad van State worden ingesteld.
  • Uitoefening van het koninklijk gezag: In gevallen waarin het koninklijk gezag zou moeten worden uitgeoegend door een regent, terwijl een regent ontbreekt, oefent de Raad van State (art. 38 GW) het koninklijk gezag uit.
  • Advies over ontwerpvernietigingsbesluiten (art. 17, lid 3, Wet op de Raad van State): Als de regering gebruik wil maken van een wettelijk bevoegdheid tot vernietiging van een besluit van een lager bestuursorgaan, moet eerst het advies van de Afdeling advisering worden gevraagd.
  • Overige adviestaken: De regering kan de Afdeling advisering horen in alle gevallen waarin de regering het dienstig oordeelt en kan deze afdeling ook op eigen initiatief adviezen aan de regering geven. Bovendien kunnen minister en elk der kamers van de Staten-Generaal vragen om voorlichting in aangelegenheden van wetgeving en bestuur.

6. Nee, zie art. 73, lid 3 GW. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft een rechtsprekende taak.

7. Doelmatigheid gaat erover dat de juiste hoeveelheid geld wordt ingezet om de beoogde resultaten te bereiken. Doeltreffendheid heeft betrekking op de vraag of het met het beleid beoogde resultaat ook daadwerkelijk wordt behaald.

8. Het kan voor de regering erg nuttig zijn als gespecialiseerde adviescolleges zich kunnen uitspreken over deelonderwerpen van het regeringsbeleid. Een wildgroei van adviescolleges heeft echter het bezwaar dat de scheidslijn tussen deskundigen en belanghebbenden niet altijd duidelijk is te trekken. Belangenorganisaties kunnen op deze manier een grote invloed op het overheidsbeleid verkrijgen te koste van de volksvertegenwoordiging.

Hoe is de verhouding tussen het parlement, de ministers en de Koning? - Tentamens 7

Hoe is de verhouding tussen het parlement, de ministers en de Koning? - Tentamens 7

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

De procedure voor het vormen van een nieuw kabinet kan alleen worden veranderd als er tweederdemeerderheid van de Tweede Kamer ermee instemt.

  1. Correct
  2. Niet correct

Vraag 2

Wilma Mansveld had kritische rapporten over het functioneren van ProRail aanvankelijk niet aan de Tweede Kamer gestuurd, waardoor de Kamer pas in een laat stadium op de hoogte raken van de problemen. De Tweede Kamer is ontevreden over deze gang van zaken en neemt een motie jegens Mansveld waarin staat dat de Kamer teleurgesteld is in het handelen van de staatssecretaris en haar aanmoedigt de Tweede Kamer in de toekomst beter op de hoogte te brengen. Dient de staatssecretaris volgens geldend staatsrecht af te treden na het aannemen van de motie?

  1. Nee, want de staatssecretaris dienst slechts af te treden als zij aangenomen motie zelf interpreteert als een motie van wantrouwen.
  2. Ja, want de staatssecretaris dient altijd af te treden als de Tweede Kamer een motie jegens de staatssecretaris aanneemt, ongeacht wat de inhoud van de motie is.
  3. Nee, want de staatssecretaris dienst slechts af te treden als een Tweede Kamer de begroting van haar ministerie verwerpt.
  4. Dat hangt af van het oordeel van de minister-president. De staatssecretaris dient slechts af te treden, als de minister-president van oordeel is dat de staatssecretaris het algemeen belang heeft geschaad.

Vraag 3

Welke stelling klopt niet?

  1. Wanneer een kabinet zijn ontslag heeft aangeboden, houdt de Koning dit ontslag in beraad totdat een nieuw kabinet is gevormd.
  2. De informateur leidt de onderhandelingen met de betrokken fractievoorzitters van de Tweede Kamer over de vorming van een nieuw kabinet.
  3. Na de informatieprocedure benoemt de Koning een formateur, die het uiteindelijke kabinet zal samenstellen.
  4. De kabinetsformatie is beëindigd met het afleggen van de regeringsverklaring in de Tweede Kamer.

Vraag 4

Welke van de onderstaande stellingen is correct?

  1. Het houden van een parlementaire enquête kan worden afgedwongen door een minderheid van een van beide kamers.
  2. De regering moet haar goedkeuring verlenen aan een besluit tot het houden van een parlementaire enquête.
  3. Het houden van een parlementaire enquête is wel geregeld in het Reglement van Orde van Tweede Kamer, maar niet in Reglement van Orde van de Eerste Kamer.
  4. Een parlementaire enquête wordt uitgevoerd door een commissie van de Kamer.

Vraag 5

Voor de invoering van het contraseign was de Koning verantwoording verschuldigd aan de Tweede Kamer en sinds de invoering zijn de ministers verantwoording verschuldigd aan de Tweede Kamer.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 6

Tegenwoordig wordt de Koning tijdens een kabinetsformatie geadviseerd door de voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer, door de vice-president van de Raad van State en door alle fractievoorzitters uit de Tweede Kamer.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 7

Het recht van parlementaire enquête kan in de Tweede Kamer wel en in de Eerste Kamer niet door een minderheid worden uitgeoefend.

  1. Dit is juist. 
  2. Dit is onjuist.

Vraag 8

Welk(e) van de onderstaande stellingen over de inlichtingenplicht van de ministers en staatssecretarissen is/zijn juist?

Stelling I: De ministers en staatssecretarissen zijn verantwoording verschuldigd aan de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Dit betekent dat zij de leden van beide Kamers inlichtingen moeten verstrekken, tenzij dit kwetsend is voor bepaalde betrokkenen.

Stelling II: Op grond van de inlichtingenplicht hebben leden van zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer het recht van interpellatie.

  1. Beide stellingen zijn juist.
  2. Beide stellingen zijn onjuist.
  3. Alleen stelling I is juist.
  4. Alleen stelling II is juist.

Vraag 9

Volgens de vertrouwensregel of vertrouwensnorm heeft het Nederlandse parlement de mogelijkheid haar vertrouwen in een bewindspersoon of het gehele kabinet op te zeggen. Dat kan met een zogeheten motie van wantrouwen. Vanwege het primaat van de rechtstreeks gekozen Tweede Kamer is de vertrouwensregel in de praktijk echter vooral een controlemiddel van dit orgaan en zal de Eerste Kamer er om die reden niet snel gebruik van maken.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 10

De codificatie in de Grondwet van de politieke ministeriële verantwoordelijkheid in 1848 betekende tegelijkertijd de vestiging van de vertrouwensregel.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 11

De grondwetsherziening van 1848 is in het bijzonder van belang vanwege:

  1. Het feit dat de onschendbaarheid van de koning in de Grondwet werd vastgelegd, want vóór 1848 was de Koning namelijk niet onschendbaar;
  2. De politieke verantwoordingsplicht van ministers aan de Koning die toen in de Grondwet werd opgenomen;
  3. De invoering van een plicht voor de regering om via de ministers verantwoording af te leggen aan de volksvertegenwoordiging over het gevoerde beleid;
  4. De strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid werd ingevoerd, hetgeen onder meer tot uiting kwam in de grondwettelijke plicht tot medeondertekening van koninklijke besluiten door een minister.

Vraag 12

Welk van de onderstaande parlementaire rechten kan niet door een minderheid van de Tweede Kamer worden afgedwongen?

  1. Het recht van interpellatie.
  2. Het schriftelijk vragenrecht.
  3. Het recht van enquête.
  4. Het recht om een motie in te dienen.

Vraag 13

Welke van de onderstaande opmerkingen over de positie van de koning in het staatsbestel is onjuist?

  1. De koning is voorzitter van de Raad van State.
  2. De koning is lid van de regering.
  3. De koning kan geen rechtsgeldige besluiten nemen zonder medewerking van een minister of staatssecretaris.
  4. De koning neemt koninklijke besluiten.

Vraag 14

Welke van de onderstaande parlementaire rechten c.q. machtsmiddelen heeft geen grondwettelijke basis?

  1. De motie
  2. Het begrotingsrecht
  3. Het mondelinge vragenrecht
  4. Het recht van interpellatie

Vraag 15

Welke van de onderstaande opmerkingen over de Eerste kamer is onjuist?

  1. De voorzitter van de Eerste Kamer kan weigeren schriftelijke vragen van een lid van de kamer door te sturen naar de verantwoordelijke bewindspersoon.
  2. Een enquêtecommissie van de Eerste Kamer kan de minister-president dagvaarden om als getuige voor de commissie te verschijnen.
  3. Ministers dienen in de Eerste Kamer te verschijnen om mondelinge vragen van kamerleden te beantwoorden in het vragenuurtje op dinsdagmiddag.
  4. Als de Eerste Kamer een interpellatie houdt, dient de betrokken bewindspersoon in de Kamer aanwezig te zijn om de mondelinge vragen te beantwoorden.

Vraag 16

De Eerste Kamer beschikt over zowel wetgevende als controlerende bevoegdheden. Welk van de onderstaande bevoegdheden heeft de Eerste Kamer niet?

  1. Het schriftelijk vragenrecht.
  2. Het begrotingsrecht.
  3. Het recht van initiatief.
  4. d. Het recht van interpellatie.

Vraag 17

Het huidige artikel 42 lid 2 Grondwet stamt uit 1848, in de jaren daarvoor was de Koning derhalve niet ‘onschendbaar’.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 18

Als het gaat om dualistische verhoudingen binnen het parlementaire stelsel, treedt in de laatste decennia de tegenstelling tussen regering en Tweede Kamer minder op de voorgrond dan de tegenstelling tussen regering en regeringsfracties enerzijds en oppositiefracties anderzijds.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 19

Met een motie van wantrouwen kan het Nederlandse parlement het vertrouwen in een bewindspersoon of het gehele kabinet opzeggen. Aangezien de Tweede Kamer direct door de bevolking gekozen is, wordt de motie van wantrouwen in de praktijk niet veel gebruikt en geldt het meer als een controlemiddel.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 20

Welke van de onderstaande opmerkingen over de positie van de koning is onjuist?

  1. De koning is de voorzitter van de Tweede Kamer.
  2. De koning is de voorzitter van de Raad van State.
  3. De koning kan geen besluiten nemen zonder medewerking van een minister of staatssecretaris.
  4. De koning moet wetten ondertekenen.

Vraag 21

Kenmerkend voor het Nederlandse staatsbestel is dat niet alle essentiële constitutionele rechtsregels in de Grondwet zijn opgenomen. De vertrouwensregel vormt hiervan het bekendste voorbeeld. Leg uit wat de vertrouwensregel inhoudt, wanneer deze regel is ontstaan, en waarom deze regel altijd buiten de Grondwet is gehouden.

Vraag 22

De vertrouwensregel is niet vermeld in de Grondwet maar maakt wel deel uit van de Nederlandse constitutie.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

Vraag 1

Naar aanleiding van de voorgenomen introductie van de zogeheten drugspas interpelleert een lid van de Tweede Kamer de minister van Veiligheid en Justitie.

De coalitiefracties steunen op hoofdlijnen het voornemen van de minister.

Eén van die coalitiefracties dient tijdens de beraadslaging een motie in met het verzoek nog eens te onderzoeken of bij de introductie vande drugsas onderscheid kan worden gemaakt tussen toeristische gebieden en overige gemeenten.

De minister ontraadt de motie, maar ziet er geen afkeuring van zijn beleid in.

Ondanks de bezwaren van de minister wordt de motie aanvaard. Wat is naar Nederlands staatsrecht de positie van de minister van Veiligheid en Justitie? De minister is:

  1. Verplicht de motie uit te voeren;
  2. Niet verplicht de motie uit te voeren;
  3. Slechts verplicht de motie uit te voeren als de Kamer daarop staat;
  4. Niet verplicht de motie uit te voeren, tenzij de minister-president hem hiertoe opdracht geeft.

Vraag 2

Tot aan de Grondwetsherziening van 1848 werden leden van de Eerste Kamer:

  1. Door de Koning benoemd en de leden van de Tweede Kamer rechtstreeks gekozen;
  2. Door de Koning benoemd en leden van de Tweede Kamer gekozen door de leden van provinciale staten;
  3. Rechtstreeks gekozen en leden van de Tweede Kamer door de Koning benoemd;
  4. Gekozen door de leden van provinciale staten en leden van de Tweede Kamer rechtstreeks gekozen.

Vraag 3

Een Tweede Kamerlid dient de volgende motie in: “De Kamer, gehoord de beraadslaging, gezien de uitslag van de verkiezingen voor provinciale staten, roept de regering op het roer om te gooien, en gaat over tot de orde van de dag.” Namens de regering verklaart de minister-president de motie onaanvaardbaar. Tijdens de stemming over de motie door de Tweede Kamer zijn enkele Kamerleden van de coalitie afwezig wegens deelname aan een spelshow. Mede daardoor wordt de motie aangenomen. Wat is rechtens?

  1. Gezien de tekst van de motie heeft aanneming van de motie geen rechtsgevolgen;
  2. Als het kabinet niet opstapt is de Tweede Kamer bevoegd de ministers en staatssecretarissen te ontslaan;
  3. De regering hoeft geen gevolgen aan de motie te verbinden aangezien moties geen rechtsgevolgen kunnen hebben;
  4. Het kabinet moet zijn ontslag aanbieden aan de Koning, behoudens de mogelijkheid van ontbinding.

Vraag 4

Een belangrijk verschil in bevoegdheden tussen Eerste en Tweede Kamer is dat de Tweede Kamer:

  1. De begroting van Buitenlandse Zaken kan wijzigen;
  2. Een minister kan interpelleren;
  3. Zichzelf kan ontbinden in geval van conflict;
  4. Over het recht van enquête beschikt

Overige oefenvragen

Vraag 1

Wat houdt de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid in?

Vraag 2

Hoe ligt de verhouding tussen de Koning en de ministers?

Vraag 3 

Hoe ligt de verhouding tussen de regering en de Staten-Generaal?

Vraag 4

Hoe verloopt een kabinetsformatie?

Vraag 5

Wat is de functie van de informateur en de formateur?

Vraag 6

Wat is een extraparlementair kabinet?

Vraag 7

Wanneer is sprake van een kabinetscrisis?

Vraag 8

Wat is het gevolg van een motie van wantrouwen?

Vraag 9

Wanneer kan de Kamer worden ontbonden?

Vraag 10

Welk van de onderstaande alternatieven geeft de juiste volgorde van een wetsvoorstel dat conform art. 82 lid 1 Grondwet is ingediend door of vanwege de Koning?

  1. Regering dient wetsvoorstel in bij Tweede Kamer – Tweede Kamer neemtwetsvoorstel aan – Eerste Kamer neemt wetsvoorstel aan – ministerraadstelt wetsvoorstel vast – contraseign onder wet – Koning voegt Koninklijke Boodschap toe – publicatie wet in Staatsblad
  2. Ministerraad stelt wetsvoorstel vast – regering dient wetsvoorstel in bijTweede Kamer – Tweede Kamer neemt wetsvoorstel aan – Eerste Kamer neemt wetsvoorstel aan – Koning voegt Koninklijke Boodschap toe –contraseign onder wet – publicatie wet in Staatsblad
  3. Ministerraad stelt wetsvoorstel vast – Koning voegt Koninklijke Boodschaptoe – contraseign onder wet – regering dient wetsvoorstel in bij Eerste Kamer – Eerste Kamer neemt wetsvoorstel aan – Tweede Kamer neemtwetsvoorstel aan – publicatie wet in Staatsblad.
  4. Ministerraad stelt wetsvoorstel vast – Koning voegt Koninklijke Boodschaptoe – regering dient wetsvoorstel in bij Tweede Kamer - Tweede Kamerneemt wetsvoorstel aan – Eerste Kamer neemt wetsvoorstel aan – contraseign onder wet – publicatie wet in Staatsblad.

Vraag 11

Uit de ministeriële verantwoordingsplicht vloeide het parlementaire stelsel voort. Wat houdt dit in?

Vraag 12

Op welke manier kan het parlement een gebrek aan vertrouwen in het kabinet tot uitdrukking brengen?

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. B

2. A

3. C

4. D

5. B

6. B

7. B

8. D

9. A

10. B

11. C

12. C

13. D

14. A

15. C

16. C

17. B

18. A

19. A

20. A
21. De vertrouwensregel houdt in dat een minister of het kabinet als geheel zijn ontslag aan de Koning dient aan te bieden/dient op te stappen zodra blijkt dat de Tweede Kamer geen vertrouwen meer heeft in de betreffende minister dan wel het kabinet (1 punt voor een goede uitleg van de vertrouwensregel waarbij iets wordt gezegd over ontslag/opstappen, Tweede Kamer (of volksvertegenwoordiging/parlement) en het opzeggen van vertrouwen).

Het bestaan van de vertrouwensregel is definitief vast komen te staan tijdens de Luxemburgse kwestie, tussen 1866 en 1868 (0,5 punt voor het noemen van de Luxemburgse kwestie óf een juist jaartal). Bij de laatste grondwetsherziening heeft de grondwetgever er bewust voor gekozen de vertrouwensregel niet te codificeren, opdat deze regel flexibel blijft. Met andere woorden, door het ‘buiten de Grondwet houden’ van de vertrouwensregel wordt de ontwikkeling van deze regel niet bemoeilijkt (1 punt; géén punt voor de opmerking dat het niet nodig was om de vertrouwensregel te codificeren omdat deze algemeen bekend is/gewoonterecht is geworden).

22. A

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

1. B

2. B

3. D

4. A

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. De strafrechtelijk ministeriële verantwoordelijkheid is in 1983 uit de Grondwet verdwenen maar geldt nog steeds en is opgenomen in art. 355 en 356 van het Wetboek van Strafrecht. Dit betekent concreet dat een minister die een koninklijk besluit mee ondertekent, terwijl hij weet dat dit in strijd is met de wet of Grondwet, strafrechtelijk kan worden vervolgd. 

2. Uit art. 42 van de Grondwet blijkt dat de Koning onschendbaar is en dat de ministers verantwoordelijk zijn. Hoewel Koning en ministers goed moeten samenwerken is er geen verantwoordingsplicht van de ministers aan de Koning. Wel is in de Grondwet opgenomen dat bepaalde staatsrechtelijke rechtshandelingen alleen kunnen worden uitgevoerd door de Koning en één of meer ministers en/of staatssecretarissen.

Wat betreft koninklijke besluiten moet de Koning zijn handtekening plaatsen onder het door de minister geformuleerde voorstel waarna de minister zijn handtekening zet. Wanneer de Koning dit zou weigeren komt er geen besluit tot stand.  

3. Ministers en staatssecretarissen zijn verantwoording schuldig aan de Staten-Generaal. Dit is dus in laatste instantie het beslissende orgaan. HIn ons land kennen we het dualisme van regering en volksvertegenwoordiging. Regering en Staten-Generaal hebben daarin ieder een eigen verantwoordelijkheid - de een is niet boven de ander gesteld. De regering is het aangewezen orgaan om het initiatief tot wetgevende en bestuurlijke maatregelen te nemen. De volksvertegenwoordiging is juist typisch een controleorgaan. Uiteindelijk zal de wil van het parlement prevaleren boven die van de regering. 

4. Tijdens de kabinetsformatie treedt de Koning persoonlijk en alleen op en neemt hij beslissingen die niet onder de ministeriële verantwoordelijkheid vallen. Deze periode is in strijd met de tweede grondregel: geen bevoegdheid zonder verantwoordelijkheid.

  • 1. Een kabinetsformatie begint wanneer het zittende kabinet zijn ontslag heeft aangeboden en daarmee ‘demissionair’ geworden is. Meestal wordt het ontslag niet direct door de Koning aanvaard en wordt dit in beraad gehouden (men blijft doen wat in voor het Koninkrijk noodzakelijk geacht wordt).
  • 2. De Koning nodigt de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer, de vice-president van de Raad van State en alle fractievoorzitters uit de Tweede Kamer uit om hem van advies te dienen over de samenstelling van het te vormen kabinet en de benoeming van een informateur of formateur.
  • 3. Art. 139a RvO TK bepaalt dat uiterlijk een week na de installatie van de nieuwe Tweede Kamer deze een plenaire zitting plant over de verkiezingsuitslag. Het doel hiervan is het aanwijzen van een of meerdere informateurs en formateurs.
  • 4. Ook in de nieuwe procedure vinden tijdens de kabinetsformatie onderhandelingen plaats tussen de fractievoorzitters uit de Tweede Kamer die betrokken worden bij de vorming van het nieuwe kabinet. Deze onderhandelingen worden gevoerd onder leiding van de informateur of de formateur.
  • 5. Naar aanleiding van het eindrapport van de formateur, dat aan de Tweede Kamer wordt overlegd, benoemt en ontslaat de Koning bewindslieden.
  • 6. Tenslotte stelt het nieuwe kabinet een regeringsverklaring op waarin ze verantwoording aflegt voor de benoeming van het kabinet en de kabinetsformatie. Ook wordt hierin het programma van het kabinet beschreven.

5. De taak van de informateur is het instellen van een onderzoek naar de mogelijkheden voor een te vormen kabinet. De formateur krijgt de opdracht een kabinet te vormen.

6. Men gebruikt deze term wanneer er geen regeerakkoord is overeengekomen en de binding tussen kabinet en parlementaire meerderheid zwak of zelfs niet aanwezig is.

7. Een kabinetscrisis is een situatie waarin het hele kabinet dreigt te "vallen", of zijn ontslag aanbiedt. 

8. Wanneer de Tweede Kamer een motie van wantrouwen aanneemt moet, volgens ongeschreven staatsrecht, degene tot wie de motie is gericht zijn ontslag aanbieden.

9.

  • Wanneer behoefte bestaat aan vervroegde verkiezingen met daarop aansluitend een nieuwe kabinetsformatie;

  • Bij grondwetsherziening.

10. D

11. Dat wanneer blijkt dat een minister of een kabinet door een uitspraak van het parlement niet langer van het vertrouwen van de volksvertegenwoordiging geniet, er ontslag dient plaats te vinden. De minister of het kabinet wordt vervangen door een minister of een kabinet waarin de volksvertegenwoordiging wel vertrouwen stelt (vertrouwensnorm).

12. Verwerping van de begroting, motie van wantrouwen, verwerping van een onder verantwoordelijkheid van een minister ingediend wetsvoorstel.

Hoe is de wetgevende macht geregeld in Nederland? - Tentamens 8

Hoe is de wetgevende macht geregeld in Nederland? - Tentamens 8

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

De regering kan een door haar ingediend wetsvoorstel dat door de Tweede Kamer is geamendeerd altijd intrekken, zolang het nog niet is aangenomen door de Staten-Generaal.

  1. Correct
  2. Niet correct

Vraag 2

Artikel 89 lid 1 Gw:

  1. Attribueert een regelgevende bevoegdheid
  2. Delegeert een regelgevende bevoegdheid

Vraag 3

Bij mandaat is het bestuursorgaan niet langer verantwoordelijk voor de wijze waarop de gemandateerde taak wordt uitgevoerd, terwijl het bestuursorgaan bij delegatie wel verantwoordelijk blijft voor de uitoefening van een gedelegeerde bevoegdheid.

  1. Correct
  2. Niet correct

Vraag 4

Welke stelling is niet correct?

  1. Een wet in formele zin treedt in werking nadat hij is ondertekend door de regering.
  2. Een wet in formele zin wordt vastgesteld door de regering en de Staten-Generaal samen.
  3. Een wet in materiële zin kan geen zuiver intern voorschrift zijn.
  4. Een wet in materiële zin die onbevoegd is vastgesteld is onverbindend.

Vraag 5

Een zelfstandige algemene maatregel van bestuur kan worden vastgesteld op grond van artikel 89 lid 1 Grondwet.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 6

De vereniging van Frisdranken, Waters en Sappen is niet tevreden over de belastingverhoging op water en sap die laatst is aangekondigd door de regering. De vereniging wil de kwestie door middel van een burgerinitiatief, art. 132 a van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer, op de agenda van de Tweede Kamer krijgen. Dit burgerinitiatief zal echter niet zijn toegestaan omdat het belastingen betreft.

  1. Correct
  2. Niet correct

Vraag 7

Artikel 89 lid 1 van de Grondwet vormt een bijna letterlijke codificatie van het Meerenberg-arrest (HR 13 januari 1879, W 1879, 4330). In dit arrest stelde de Hoge Raad immers voor het eerst vast dat de Koning (tegenwoordig: regering) zelfstandige algemene maatregelen van bestuur kan uitvaardigen, omdat anders realisering van de verzorgingsstaat onmogelijk zou zijn.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 8

Welk van de onderstaande opmerkingen met betrekking tot de algemene maatregel van bestuur is juist?

  1. Een algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld door de Staten-Generaal en de regering tezamen.
  2. Een algemene maatregel van bestuur kan geen algemeen verbindende voorschriften bevatten.
  3. Een algemene maatregel van bestuur is altijd een koninklijk besluit, maar niet elk koninklijk besluit is een algemene maatregel van bestuur.
  4. Een algemene maatregel van bestuur kan alleen worden vastgesteld op grond van delegatie.

Vraag 9

In Beginselen van het Nederlandse staatsrecht wordt opgemerkt dat het legaliteitsbeginsel in de Nederlandse praktijk slechts in formele zin wordt nageleefd.

Welke van de onderstaande opmerkingen hierover is juist?

  1. Dit wordt veroorzaakt door het veelvuldig uitvaardigen van zelfstandige algemene maatregelen van bestuur door de regering.
  2. Dit is het gevolg van het feit dat de wetgevende macht in Nederland gevormd wordt door regering en Staten-Generaal gezamenlijk.
  3. Dit is het gevolg van de grootschalige decentralisatieoperaties waarbij regelgevende bevoegdheden worden toebedeeld aan de gemeenteraad en provinciale staten.
  4. Dit wordt veroorzaakt door het veelvuldig delegeren van regelgevende bevoegdheid door de wetgever in formele zin aan bestuursinstanties.

Vraag 10

Tijdens een werkgroepbijeenkomst van het vak Inleiding staats- en bestuursrecht wordt het begrip ‘wetgeving in materiële zin’ behandeld.

  • Student X merkt op dat wetten in materiële zin slechts tot stand kunnen komen door samenwerking tussen regering en Staten-Generaal.

  • Student Y stelt dat wetten in materiële zin ook zelfstandig kunnen worden vastgesteld door de regering, in de vorm van algemene maatregelen van bestuur.

  • Student Z meent dat wetten in materiële zin zelfs kunnen worden vastgesteld door een individuele minister, mits hem de bevoegdheid daartoe door een wet of algemene maatregel van bestuur is gedelegeerd. Wie van hen heeft/hebben gelijk?

  1. Alleen student X.
  2. Student Y en student Z.
  3. Student X en student Y.
  4. Alleen student Z.

Vraag 11

Welke van de onderstaande opmerkingen over algemene maatregelen van bestuur (amvb’s) is onjuist?

  1. Het is voor de regering slechts mogelijk om een bepaald onderwerp te regelen in een amvb, indien er een wet in formele zin is die aan de regering de bevoegdheid delegeert om over dat onderwerp algemeen verbindende voorschriften uit te vaardigen.
  2. De Raad van State geeft advies over ontwerp-amvb’s.
  3. Als in een amvb voorschriften staan waarin een strafbaar feit wordt geformuleerd, dan mag de maximaal voor dat feit op te leggen straf niet in die amvb staan; deze moet in een wet in formele zin vermeld staan.
  4. Amvb’s worden bekendgemaakt in het Staatsblad.

Vraag 12

Welke van de onderstaande opmerkingen over algemene maatregelen van bestuur (amvb’s) is onjuist?

  1. De Raad van State geeft advies over ontwerp-amvb’s.
  2. Als in een amvb voorschriften staan waarin een strafbaar feit wordt geformuleerd, dan mag de maximum voor dat feit op te leggen straf niet in die amvb staan; deze moet in een wet in formele zin vermeld staan.
  3. Amvb’s worden bekendgemaakt in het Staatsblad.
  4. De regering kan een bepaald onderwerp slechts regelen in een amvb, indien er een wet in formele zin is die aan de regering de bevoegdheid delegeert om over dat onderwerp algemeen verbindende voorschriften uit te vaardigen.

Vraag 13

Niet alleen de regering kan wetsvoorstellen indienen. Als de Tweede Kamer een voorstel van wet indient, en dit voorstel door zowel de Tweede als de Eerste Kamer wordt aanvaard, dan:

  1. Treedt het wetsvoorstel direct na de aanvaarding door de Eerste Kamer automatisch in werking;
  2. Is voor de inwerkingtreding bekrachtiging door de regering en publicatie in het Staatsblad noodzakelijk;
  3. Kan de regering de wet nog amenderen alvorens deze in het Staatsblad wordt gepubliceerd en in werking treedt;
  4. Kan de regering door middel van een novelle afdwingen dat de wet niet in werking zal treden totdat de bekrachtiging door de koning heeft plaatsgevonden.

Vraag 14

De Trias Politica (of de scheiding der machten) van Montesquieu vindt in het hedendaagse Nederlandse staatsrecht nog altijd strikte toepassing.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 15

Volgens de Nederlandse Grondwet is uitsluitend de formele wetgever bevoegd om beperkingen aan grondrechten te stellen; daarbij heeft de formele wetgever heeft niet de mogelijkheid om die beperkingsbevoegdheid te delegeren, aangezien het woord 'wet', dat in alle grondwettelijke beperkingsclausules voorkomt, gelezen moet worden als 'wet in formele zin'.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 16

Als de regering een wetsvoorstel indient bij de Staten-Generaal kan zowel de Tweede Kamer als de regering wijzigingen aanbrengen in het wetsvoorstel, namelijk tot het moment dat de Tweede Kamer over het wetsvoorstel heeft gestemd.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 17

Binnen het Nederlandse staatsbestel heeft zich sinds het ontstaan van het Koninkrijk langzaam een democratisch systeem van ‘checks and balances’ ontwikkeld. Daarbij vonden diverse malen belangrijke constitutionele ontwikkelingen plaats, zonder dat de tekst van de Grondwet werd aangepast.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 18

Een minister kan bevoegdheden niet delegeren aan ambtenaren die werkzaam zijn in zijn departement, maar hij kan wel bevoegdheden mandateren.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 19

Een algemene maatregel van bestuur mag niet door een rechter aan de Grondwet getoetst worden.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 20

Geen term om delegatie aan te geven in een bepaling is:

  1. Hierbij delegeer ik
  2. Bij of krachtens de wet
  3. Regelen/regels
  4. Uit kracht van een wet

Vraag 21

Een ministeriële regeling die algemeen verbindende voorschriften bevat is een voorbeeld van wetgeving in materiële zin.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

Vraag 1

Wie is in welk geval verplicht advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State in te winnen?

  1. De regering, als een wetsvoorstel wordt ingediend;
  2. De Tweede Kamer, als een wetsvoorstel wordt ingediend;
  3. De regering, als zij voornemens is een initiatief-wetsvoorstel niet te bekrachtigen;
  4. De regering, als zij voornemens is een algemene maatregel van bestuur vast te stellen.

Vraag 2

Welke bevoegdheid heeft de Eerste Kamer met betrekking tot een voorstel van wet dat door een lid van de Tweede Kamer bij de Tweede Kamer aanhangig is gemaakt en dat na aanneming door de Tweede Kamer bij de Eerste Kamer is ingediend? De Eerste Kamer kan het voorstel:

  1. Wijzigen;
  2. Intrekken;
  3. Verwerpen;
  4. Terugzenden naar de Tweede Kamer

Vraag 3

De regering dient een wetsvoorstel in bij de Tweede Kamer. Door de Tweede Kamer wordt het in geamendeerde versie aanvaard. Daarop bespreekt en aanvaardt de Eerste Kamer het voorstel. Intussen is echter het kabinet gevallen en zijn er nieuwe Tweede Kamerverkiezingen geweest. Kort nadat de Eerste Kamer het voorstel heeft aanvaard komt het nieuwe kabinet tot de conclusie dat het geen voorstander van het wetsvoorstel is. De regering:

  1. Is bevoegd het wetsvoorstel in te trekken;
  2. Is bevoegd het aangenomen wetsvoorstel alsnog te wijzigen en vervolgens te bekrachtigen;
  3. Is bevoegd het voorstel niet te bekrachtigen;
  4. Kan niet voorkomen dat het voorstel van wet tot wet wordt verheven

Overige oefenvragen

Vraag 1

Wat is het verschil tussen een wet in formele zin en een wet in materiële zin?

Vraag 2

Het verschil tussen attributie en delegatie is dat bij attributie een nieuwe bevoegdheid wordt gecreëerd en aan een orgaan wordt toegekend en dat bij delegatie een bestaande bevoegdheid wordt overgedragen. Klopt dit?

Vraag 3

Het verschil tussen delegatie en mandaat is dat alleen bij mandaat de bevoegdheid in eigen naam en onder eigen verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend. Klopt dit?

Vraag 4

Wat houdt een beleidsregel in?

Vraag 5

Wanneer mag noodrecht worden toegepast?

Vraag 6

Welke van de onderstaande stellingen is juist?

I: Wetten in formele zin kunnen geen wetten in materiële zin zijn.

II: Een Algemene Maatregel van Bestuur is afkomstig van de regering.

  1. Stelling I is juist, stelling II is onjuist.
  2. Stelling I is juist, stelling II is juist.
  3. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.
  4. Stelling I is onjuist, stelling II is onjuist.

Vraag 7

Wat is geen voorwaarde waaraan een burgerinitiatief moet voldoen?

  1. Het voorstel mag niet gaan over vrijheidsstraffen.
  2. Het voorstel mag niet gaan over een onderwerp dat de laatste twee jaar in de Tweede Kamer aan de orde is geweest.
  3. Het voorstel mag niet gaan over de Grondwet, de belastingen of de begrotingswetten.
  4. Het voorstel mag niet indruisen tegen in ons land diep gewortelde normenen waarden.

Vraag 8

Welk soort besluit wordt ook wel een ‘koninklijk besluit’ genoemd?

  1. Een Algemene Maatregel van Bestuur.
  2. Een wetsvoorstel ingediend door de regering.
  3. Een ministerieel besluit.
  4. Een wet in formele zin.

Vraag 9

Stel dat een Tweede Kamermeerderheid een amendement aanneemt, maar dat de verantwoordelijke minister besluit dit amendement niet te aanvaarden. Wat voor gevolgen heeft dit voor de minister?

  1. Geen. Een amendement betreft immers slechts een toelichting op een wetsvoorstel.
  2. In een dergelijke situatie beslist de Eerste Kamer of de minister gerechtigd is om het amendement naast zich neer te kunnen leggen.
  3. De minister kan een amendement niet zomaar naast zich neerleggen. Hij moet het bewuste wetsvoorstel intrekken of kan zelf besluiten om af te treden.
  4. De minister kan een beroep doen op zijn parlementaire onschendbaarheid, waardoor hij het amendement niet hoeft door te voeren.

Vraag 10

Welke van de onderstaande stellingen is juist?

I Wetten in formele zin kunnen geen wetten in materiële zin zijn.

II Wetten in materiële zijn algemeen verbindende voorschriften.

  1. Stelling I is juist, stelling II is onjuist.
  2. Stelling I is juist, stelling II is juist.
  3. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.
  4. Stelling I is onjuist, stelling II is onjuist.

Vraag 11

Bij het ophalen van haar paspoort worden er bij Yfke vingerafdrukken afgenomen.

Als Yfke aan de medewerker van de gemeente vraagt waarom dit moet, zegt de medewerker dat dit moet op grond van de Paspoortwet. Yfke wil dan ook graag weten wat het doel en de achtergrond is van deze wet.

Waar kan ze deze info het beste vinden?

  1. In de Memorie van Antwoord.
  2. In de Memorie van Toelichting.
  3. In een novelle van de Eerste Kamer.
  4. In het Staatsblad

Vraag 12

Waarom kent Nederland geen zuiver systeem van machtenscheiding?

Vraag 13

Wie vormt/vormen in Nederland de wetgevende macht (op nationaal niveau)? En hoe noemt men de wetten die door hen tot stand zijn gebracht?

Vraag 14

Is het advies van de Raad van State over een wetsvoorstel bindend?

Vraag 15

Wanneer is een amendement ontoelaatbaar?

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. A

2. A

3. B

4. A

5. A

6. A

7. B

8. C

9. D

10. B

11. A

12. D

13. B

14. B

15. B

16. A

17. A

18. A

19. B

20. A

21. A

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

1. D

2. C

3. C

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. Wet in formele zin zegt iets over de totstandkoming van de wet. Bij een wet in formele zin gaat het over een gezamenlijk besluit van de regering en de Staten-Generaal, volgens een procedure die is vastgelegd in artikel 82 van de Grondwet. De regering en de Staten-Generaal zijn hier de formele wetgever.

Een wet in materiële zin is een besluit van een daartoe bevoegd orgaan welk algemeen verbindende voorschriften bevat. Het zegt iets over de inhoud van de wet en is een gebod of voorbod voor burgers.

Alle besluiten van regering en Staten-Generaal via de grondwettelijke procedure worden gezien als wetten in formele zin. Omdat ze meestal algemeen verbindende voorschriften bevatten zijn het vaak tevens wetten in materiële zin. Een wet in formele zin die tevens een wet in materiele zin is, is bijvoorbeeld de wet op de ruimtelijke ordening, deze bevat namelijk bindende gedragsregels. De begrotingswet is geen wet in materiele zin maar wel een wet in formele zin,. De wet is afkomstig van de regering en staten generaal maar bevat geen regels voor burgers.

Naast de formele wetten van regering en parlement gezamenlijk bestaan er nog meer wetten in materiële zin, zoals bijvoorbeeld de AMvB's en gemeentelijke verordeningen.

2. Ja, dat klopt. 

3. Nee. Het verschil tussen delegatie en mandaat is juist dat alleen bij delegatie de bevoegdheid in eigen naam en onder eigen verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend.

4. Het zijn regels omtrent de uitoefening van bestuursbevoegdheden die dit bestuursorgaan toekomen of onder verantwoordelijkheid daarvan worden uitgeoefend.

5. In welke gevallen sprake is van een noodsituatie, waarin een formeel onbevoegd orgaan wetsbesluiten mag nemen, hangt af van de omstandigheden. Oorlog, onbereikbaarheid van het parlement en de noodzaak om een regeling te treffen, leveren sowieso noodsituaties op. Uitzonderlijke spoed of dringende noodzaak om parlementaire publiciteit te mijden kunnen eventueel ook noodsituaties opleveren. 

6. C

7. A

8. A

9. C

10. C

11. B

12. In het Nederlandse stelsel zijn op allerlei manier ‘checks and balances’ ingebouwd. Soms is samenwerking van bepaalde organen vereist. Controle achteraf op het bestuur kan soms door de rechter en altijd door het parlement gebeuren. Het stelsel is dus gecompliceerder dan het systeem van de zuivere machtenscheiding.

13. De regering en de Staten-Generaal samen vormen de wetgevende macht (art. 81 GW). Zo’n wet wordt ook wel een ‘wet in formele zin’ genoemd.

14. Nee, maar aangezien de adviezen van de Afdeling advisering zoveel verschillen van alle al eerder gekregen adviezen commissies (zij dragen niet het stempel van eenzijdige deskundigheid of van eenzijdig belang), zal de minister niet snel de suggesties en advisering links laten liggen.

15. Wanneer het een strekking heeft, tegengesteld aan die van het voorstel van wet, of indien er tussen de materie van het amendement en die van het voorstel geen rechtstreeks verband bestaat.

Hoe wordt de Grondwet herzien? - Tentamens 9

Hoe wordt de Grondwet herzien? - Tentamens 9

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

Stel er is een wetsvoorstel tot wijziging van de Grondwet ingediend bij de Tweede Kamer. Wat moet er gebeuren, en in welke volgorde, voordat kan worden overgegaan tot de tweede lezing van dit wetsvoorstel?

  1. Aanname door een gekwalificeerde meerderheid van de Twee en Eerste Kamer; bekendmaking van het wetsvoorstel; ontbinding van de Tweede Kamer.
  2. Aanname door een normale meerderheid van de Tweede en Eerste Kamer; ontbinding van de Tweede Kamer; bekendmaking van het wetsvoorstel.
  3. Aanname door een normale meerderheid van de Tweede en Eerste Kamer; bekendmaking van het wetsvoorstel; ontbinding van de Tweede en Eerste Kamer.
  4. Aanname door een normale meerderheid van de Tweede en Eerste Kamer; bekendmaking van het wetsvoorstel; ontbinding van de Tweede Kamer.

Vraag 2

Een van de gedachten achter de grondwetsherzieningsprocedure is dat het volk de kans krijgt zich middels zijn actieve kiesrecht uit te spreken over een voorgestelde grondwetsherziening. Beschrijf op welk moment van de herzieningsprocedure dit kiesrecht kan worden uitgeoefend en aan welke eisen iemand moet voldoen om van dit recht gebruik te kunnen maken?

Vraag 3

Welke van de volgende stellingen over de procedure tot wijziging van de Nederlandse Grondwet is juist?

  1. De behandeling van een eerste-lezingsvoorstel door de Tweede en Eerste Kamer geschiedt op dezelfde wijze als bij een gewoon wetsvoorstel.
  2. Indien een voorstel tot herziening van de Grondwet in eerste lezing de status van wet verwerft en is bekendgemaakt, dienen de Tweede en Eerste Kamer te worden ontbonden.
  3. Een grondwetsherziening is in de praktijk dikwijls voorwerp van discussie in de verkiezingsstrijd.
  4. De behandeling in tweede lezing door de Tweede en Eerste Kamer geschiedt op dezelfde wijze als de behandeling in eerste lezing.

Vraag 4

Welke stelling of de wijzigingsprocedure van de Grondwet is juist?

  1. Beide kamers dienen ontbonden te worden tussen de eerste en tweede lezing van een wijzigingsvoorstel.
  2. Wanneer er verkiezingen worden gehouden tussen twee lezingen dan staat deze in het teken van de Grondwetswijziging.
  3. In de tweede lezing kan de kamer niet meer amenderen en moet er met een speciale meerderheid voor de wijziging gestemd worden.
  4. Beide kamers moeten in beide lezingen de grondwetswijziging aanvaarden met een gewone meerderheid.

Overige oefenvragen

Vraag 1

Welk belangrijk recht mist de Tweede Kamer in de tweede lezing van een Grondwetswijziging?

  1. Recht van afkeuring.
  2. Recht van amendement.
  3. Vragenrecht.
  4. Recht van interpellatie.

Vraag 2

Wat is het belang van overgangsrecht bij een grondwetsherziening?

Vraag 3

Wanneer moet een grondwet gewijzigd kunnen worden?

Vraag 4

Wat betekent constitutioneel transitoir recht?

Vraag 5

Waarom is het mogelijk gemaakt om in tweede lezing een grondwetsherzieningsvoorstel alsnog te splitsen?

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. D

2. Dit kiesrecht kan worden uitgeoefend tussen de twee lezingen in. De Tweede Kamer wordt ontbonden en bij de daaropvolgende Tweede Kamerverkiezingen kan de burger zich over de op handen zijnde Grondwetsherziening uitspreken door op de partij/politicus te stemmen die zijn visie op deze wijziging vertegenwoordigt. (1 punt voor een antwoord waaruit blijkt dat het gaat om een verkiezing van de Tweede Kamer die tussen de twee lezingen/midden in de grondwetsherzieningsprocedure plaatsvindt). Om zijn stem te kunnen uitbrengen dient iemand (op de dag van de kandidaatstelling) Nederlander te zijn (0,5 punt) en de leeftijd van achttien jaar te hebben bereikt (0,5 punt). Zie art. 54 Grondwet óf art. B1 Kieswet (0,5 punt).

3. A

4. C

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. B

2. Dit moet er voor zorgen dat regelingen die in strijd zijn met de herziene Grondwet bij inwerkingtreding ervan niet direct vervallen.

3. Wanneer feitelijke verhoudingen en levensbeschouwelijke visies in de samenleving veranderen moet ook een grondwet mee veranderen. Anderzijds is een grondwet toch ook bedoeld als een stabiliteit bevorderende factor. Dit betekent dat wijzigingen niet te snel en te vaak plaats moeten vinden. Dit wordt gewaarborgd door een zwaardere wijzigingsprocedure voor de Grondwet dan die van de gewone wetten.

4. Dat is het zogenoemde overgangsrecht.

5. Het is voorgekomen dat grondwetsherzieningen in de tweede lezing strandden omdat zij, naast algemeen toegejuichte voorstellen, ook een element bevatten waartegen in de tweede kamer bezwaar bestond.

Hoe is de bestuurlijke macht geregeld in Nederland? - Tentamens 10

Hoe is de bestuurlijke macht geregeld in Nederland? - Tentamens 10

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

In Nederland bestaan verschillende zelfstandige bestuursorganen. Welke van de onderstaande stellingen over zbo's klopt niet?

  1. De minister kan leden van zbo's benoemen en ontslaan.
  2. De minister kan beleidsregels vaststellen inzake de taakuitoefening van zbo's.
  3. Zbo's zijn hiërarchisch ondergeschikt aan de minister.
  4. Zbo's verstrekken desgevraagd inlichtingen aan de minister.

Vraag 2

Zelfstandige bestuursorganen zijn buiten de departementale organisatie geplaatst en niet hiërarchisch ondergeschikt aan een minister. Toch kunnen ministers controle uitoefenen op het functioneren van zelfstandige bestuursorganen.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 3

De tweede grondregel uit uw studieboek Beginselen van het Nederlandse staatsrecht luidt dat een orgaan geen bevoegdheid kan hebben zonder verantwoordingsplicht. Dit geldt ook voor de rechterlijke macht. Welk van de navolgende grondwetsbepalingen biedt een grondslag voor controle op het functioneren van de rechterlijke macht?

  1. Artikel 5 Grondwet.
  2. Artikel 17 Grondwet.
  3. Artikel 117 Grondwet.
  4. Artikel 121 Grondwet.

Vraag 4

Welk van de onderstaande stellingen over de verlening van mandaat is onjuist?

  1. Een bestuursorgaan dat een bevoegdheid heeft gemandateerd, blijft verantwoordelijk voor de manier waarop die bevoegdheid wordt uitgeoefend.
  2. Een bestuursorgaan kan een bevoegdheid niet aan ambtenaren mandateren.
  3. Een bestuursorgaan kan een gegeven mandaat intrekken.
  4. Een bestuursorgaan kan een bevoegdheid blijven uitoefenen na het mandateren daarvan.

Vraag 5

Voor het nemen van welke van de volgende besluiten is geen grondslag in de wet of Grondwet vereist?

  1. Het besluit van het College van B&W van de gemeente Voorschoten om ritalin aan het drinkwater toe te voegen.
  2. Het besluit van de Minister van Infratrucstuur & Milieu om de hoogte van de verkeersboetes voor max. 10 km te hard rijden op snelwegen te verhogen
  3. Het besluit van de gemeenteraad van Leiden om een belasting op het bezit van cavia's in te voeren.
  4. Het besluit van de Minister-president om zijn ambtswoning, het Catshuis, groen te verven.

Vraag 6

Een minister kan de bevoegdheid tot het nemen van bepaalde categorieën besluiten wel mandateren aan ambtenaren die op zijn departement werkzaam zijn, maar hij kan die bevoegdheid niet aan die ambtenaren delegeren.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 7

Zelfstandige bestuursorganen (zbo’s):

  1. Vallen onder direct gezag van een minister, het gaat hier immers om organisaties die overheidstaken uitvoeren;
  2. Zijn niet hiërarchisch ondergeschikt aan een minister;
  3. Zijn onderworpen aan directe parlementaire controle, want in een democratische rechtsstaat is het immers logisch dat de volksvertegenwoordiging alle onderdelen van de overheid nauwgezet controleert;
  4. Vallen onder de directe verantwoordelijkheid van de minister, want als er iets fout gaat binnen de overheid moet de volksvertegenwoordiging altijd iemand verantwoordelijk kunnen houden, ook al heeft diegene persoonlijk geen schuld.

Vraag 8

Een van de staatsrechtelijke knelpunten rondom het bestaan van een grote hoeveelheid zelfstandige bestuursorganen (zbo’s) is de aantasting van de ministeriële verantwoordelijkheid en van de mogelijkheden tot controle door het parlement. Daarom is tegenwoordig wettelijk vastgelegd dat zbo’s alleen om bepaalde redenen kunnen worden opgericht. Eén van die redenen is de behoefte aan onafhankelijke oordeelsvorming op grond van specifieke deskundigheid.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 9

Welke onderstaande opmerking over zelfstandige bestuursorganen is juist?

  1. Zij vallen onder het gemeentebestuur en zijn dus verantwoordelijkheid schuldig aan de burgemeester.
  2. Zijn niet hiërarchisch ondergeschikt aan de minister.
  3. Vallen onder de koning, zij voeren namelijk overheidstaken uit.
  4. Oprichting is niet aan regelgeving gebonden.

Overige oefenvragen

Vraag 1

Wie nemen plaats in het parlement?

Vraag 2

Wat houdt de loyaliteitsplicht in?

Vraag 3

Wat is het verschil tussen decentralisatie en deconcentratie?

Vraag 4

Wat betekent medebewind?

Vraag 5

Wat betekent autonomie?

Vraag 6

Wat is het verschil tussen territoriale en functionele decentralisatie?

Vraag 7

Wat houdt de decentralisatiegedachte in?

Vraag 8

Waarvoor is de Wet openbaarheid van bestuur van belang?

Vraag 9

Waarom is het tegenwoordig niet meer correct om het bestuur aan te duiden als de uitvoerende macht?

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. C

2. A

3. D

4. B

5. D

6. A

7. B

8. A

9. B

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. In Nederland bestaat het parlement uit de Eerste en de Tweede Kamer, samen ook wel Staten-Generaal genoemd. 

2. De ambtenaren dienen de minister - ongeacht of hun persoonlijke politieke opvatting met die van de minister overeenkomt.

3. Wanneer de wet een bestuurstaak niet opdraagt aan een orgaan van een zelfstandig openbaar lichaam maar aan een ambtenaar, spreekt men over deconcentratie. Wanneer de wet aan bestuursorganen van provincies of gemeenten een taak opdraagt is het decentralisatie. 

4. Provincies en gemeenten hebben een tweeledige bestuurstaak:

  • Uitvoering van wetten, voor zover die aan provinciale of gemeentelijke organen is opgedragen;

  • Bestuur van de huishouding van provincie of gemeente.

In beide gevallen gaat het om decentralisatie van het bestuur. Bij medebewind gebeurt dit op grond van een speciale wettelijke bepaling die een beperkte taak aan provincie of gemeente opdraagt (bijv. uitvoering van de Wet Milieubeheer) 

5.  Bij autonomie is de decentralisatie in een grondwetsregel te vinden die van meer algemene strekking is (bijvoorbeeld het beheer van wegen).

6. Bij territoriale decentralisatie worden bepaalde taken die eerst centraal werden uitgevoerd doorgegeven aan in verschillende gebiedsdelen bestaande organisaties en bij functionele decentralisatie worden bepaalde taken die eerst op centraal niveau werden uitgeoefend doorgegeven aan organisaties die zich op een specifieke taak concentreren. 

7. De decentralisatiegedachte betekent dat het bestuur niet vanuit een centraal punt maar juist door plaatselijk of functionele belanghebbenden onder eigen verantwoordelijkheid en met eigen onafhankelijke bestuursorganen wordt uitgevoerd. 

8. Wanneer de burger in staat wil zijn de besluitvorming te begrijpen en zijn mening tijdig vóór de besluitvorming naar voren wil brengen is het noodzakelijk dat reeds in het voorstadium van de besluitvorming adviezen en andere relevante overheidsdocumenten openbaar zijn. Daartoe is de Wet openbaarheid van bestuur, de Wob, opgesteld die regels geeft ter uitvoering van het verdrag van Aarhus van 1998, betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden.

9. Dit is geen gelukkig gekozen term omdat de taak van de administratie veel ruimer is dan slechts de uitvoering van wetsopdrachten. De term miskent de altijd ergens bestaande en vaak zeer ruime beslissingsbevoegdheid van de overheid.

Wat is er geregeld omtrent de financiën, het buitenlands beleid en de defensie? - Tentamens 11

Wat is er geregeld omtrent de financiën, het buitenlands beleid en de defensie? - Tentamens 11

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

Stel u bent werkzaam als ambtenaar bij de gemeente Den Haag en houdt zich onder andere bezig met de beoordeling van aanvragen voor gehandicaptenparkeerkaarten. U weet dat de Nederlandse regering in 2007 het IVRPH heeft ondertekend, maar dat zij dit verdrag nog niet heeft geratificeerd. In een gesprek met uw leidinggevende zegt deze daarover: Voor ons maakt het allemaal niets uit, het bestuur is pas aan de bepalingen uit het IVRPH gehouden zodra de rechter heeft bepaald dat deze 'een ieder verbindend' zijn. Heeft hij gelijk?

  1. Nee want zodra de regering een verdrag heeft geratificeerd zijn de drie staatsmachten eraan gebonden.
  2. Ja want als de regering een verdrag heeft geratificeerd is enkel het volk eraan gebonden.
  3. Nee want zodra de regering een verdrag heeft ondertekend zijn de drie staatsmachten eraan verbonden.
  4. Ja want het bestuur is alleen gebonden aan verdragsbepalingen die 'een ieder verbindend' zijn.

Vraag 2

Artikel 120 Grondwet bepaalt dat de rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten in formele zin en verdragen. Dit betekent onder andere dat het feit dat een wet in formele zin in strijd is met de Grondwet voor de rechter geen reden mag zijn om de wet niet toe te passen.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 3

Stel: Nederland heeft een nieuw sociaalzekerheidsverdrag met Marokko gesloten. Op grond van dit verdrag worden de uitkeringen van Marokkaanse Nederlanders in Marokko beperkt. De Stichting Marokkaanse Nederlanders stelt dat het verdrag hierdoor in strijd is met de artikelen 1 en 20 van de Grondwet. Bij de rechter voert de stichting aan dat het verdrag daarom met tweederdemeerderheid had moeten worden goedgekeurd, gelet op artikel 91 lid 3 Grondwet. Dit is niet gebeurd. Hoe luidt het oordeel van de rechter?

  1. De rechter zal oordelen dat hij de Grondwet niet mag toetsen aan het verdrag.
  2. De rechter zal oordelen dat hij de goedkeuringswet niet mag toetsen aan het verdrag.
  3. De rechter zal oordelen dat hij de totstandkomingsprocedure van de goedkeuringswet niet mag toetsen aan de Grondwet.
  4. De rechter zal oordelen dat hij het verdrag buiten toepassing moet laten.

Vraag 4

In de dualistische opvatting vormen het internationale recht en het nationale recht afzonderlijke rechtssferen. 

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 5

Volgens de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen:

  1. Kan het Koninkrijk zonder goedkeuring van de Staten-Generaal aan een verdrag worden gebonden in het geval dat het verdrag een geheim of vertrouwelijk karakter draagt;
  2. Worden verdragen bekendgemaakt in het Staatsblad dat wordt uitgegeven door de minister van Veiligheid en Justitie;
  3. Wordt het verdrag aan stilzwijgende of uitdrukkelijke goedkeuring onderworpen, als het verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet of tot zodanig noodzaken;
  4. Wordt uitdrukkelijke goedkeuring geacht te zijn verleend wanneer ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers te kennen heeft gegeven af te zien van stilzwijgende goedkeuring van het verdrag.

Vraag 6

Volgens het Spoorwegstaking-arrest (HR 30 mei 1986, NJ 1986, 688):

  1. Zijn sociale grondrechten, net als de klassieke grondrechten, naar hun aard aan te merken als ‘een ieder verbindend’;
  2. Is het voor de vraag of een verdragsbepaling al dan niet ‘een ieder verbindend’ is bepalend wat de verdragspartijen hieromtrent beoogd hebben bij de opstelling van het verdrag;
  3. Is het al dan niet ‘een ieder verbindend’ zijn van een verdragsartikel iets waarover de rechter geen bindende uitspraak kan doen, omdat dit oordeel is voorbehouden aan de wetgever.
  4. Kan artikel 6 lid 4 van het Europees Sociaal Handvest als ‘een ieder verbindend’ worden aangemerkt, omdat de inhoud van deze bepaling zich ervoor leent om als objectief recht binnen de nationale rechtsorde te worden toegepast.

Vraag 7

De Nederlandse regering onderhandelt over de verdragstekst en ondertekent een verdrag. Voordat Nederland als staat gebonden wordt aan een verdrag moet het verdrag echter altijd eerst door de Staten-Generaal worden geratificeerd.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 8

Stel: de rechtbank Rotterdam wordt geconfronteerd met een zaak waarin een appellant een beroep doet op een artikel uit het Internationaal verdrag inzake economische sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties. De rechtbank vraagt zich af of dit artikel als ‘een ieder verbindend’ in de zin van art. 93 en 94 Grondwet moet worden beschouwd. Aan welke van de onderstaande uitspraken zou de rechtbank hiervoor relevante criteria kunnen ontlenen?

  1. HvJ EG 15 juli 1964, zaak 6/64 (Costa/Enel).
  2. HR 14 april 1989, NJ 1989/469 (Harmonisatiewet).
  3. HR 27 januari 1961, NJ 1963/248 (Prof. Van den Bergh).
  4. HR 30 mei 1986, NJ 1986/688 (Spoorwegstaking).

Vraag 9 

Welke van onderstaande uitspraken over de goedkeuring van verdragen is juist?

  1. Een geheim verdrag behoeft noch uitdrukkelijk noch stilzwijgend door de Staten-Generaal te worden goedgekeurd.
  2. Indien de Tweede Kamer een verdrag met tweederde meerderheid heeft goedgekeurd behoeft het betrokken voorstel niet aan de Eerste Kamer voorgelegd te worden.
  3. Indien de Tweede Kamer niet, maar een voldoende aantal leden van de Eerste Kamer wel uitdrukkelijke goedkeuring van een verdrag verlangt, behoeft het betrokken voorstel niet aan de Tweede Kamer te worden voorgelegd, maar wel aan de Eerste Kamer.
  4. Een uitdrukkelijk goedgekeurd verdrag gaat boven een stilzwijgend goedgekeurd verdrag.

Vraag 10

Wat is de juiste volgorde van de verschillende fasen in de totstandkoming van een verdrag?

  1. 1. ondertekening, 2. parlementaire goedkeuring, 3. inwerkingtreding, 4. bekrachtiging (ratificatie)
  2. 1. parlementaire goedkeuring, 2. bekrachtiging (ratificatie), 3. ondertekening, inwerkingtreding.
  3. 1. bekrachtiging (ratificatie), 2. ondertekening, 3. inwerkingtreding, 4. parlementaire goedkeuring.
  4. 1. ondertekening, 2. parlementaire goedkeuring, 3. bekrachtiging, 4. inwerkingtreding.

Vraag 11

Indien een verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuringsprocedure is onderworpen, kan de Tweede Kamer tijdens de behandeling van de goedkeuringswet wijzigingen aanbrengen in de tekst van het verdrag. De Eerste Kamer kan dit niet.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 12

In Nederland werken verdragsbepalingen altijd rechtstreeks door, dit hoort bij de dualistische leer ten aanzien van de doorwerking van internationaal recht. Wij hanteren dus de dualistische leer in Nederland.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 13

Artikel 120 van de Grondwet verbiedt, in samenspraak met de jurisprudentie, onder andere:

  1. Het toetsen van de Grondwet aan verdragen.
  2. Het toetsen van wetten in formele zin aan de Grondwet en het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.
  3. De competentie van de Nationale Ombudsman strekt zich uit tot de gedragingen van ministers en daaraan ondergeschikte ambtenaren, maar niet tot de organen van openbare lichamen.
  4. In de algemene wet bestuursrecht is geen beperking aangebracht ten aanzien van de personen die een verzoekschrift kunnen indienen bij de Nationale Ombudsman.

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

Vraag 1

Wat is het rechtsgevolg indien 16 leden van de Eerste Kamer tijdig vragen om uitdrukkelijke goedkeuring van een verdrag dat ter stilzwijgende goedkeuring is voorgelegd?

  1. Er is geen rechtsgevolg;
  2. Het verdrag moet dan alleen in de Eerste Kamer uitdrukkelijk worden goedgekeurd;
  3. Het verdrag moet dan in beide Kamers uitdrukkelijk worden goedgekeurd;
  4. Als de Tweede Kamer bij meerderheid van stemmen het verzoek steunt, moet het verdrag in beide Kamers uitdrukkelijk worden goedgekeurd.

Vraag 2

De Grondwet spreekt van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Voor besluiten van volkenrechtelijke organisaties geldt dat zij:

  1. Geen eenieder verbindende bepalingen kunnen bevatten;
  2. Het Koninkrijk kunnen binden zonder voorafgaande goedkeuring door de Staten-Generaal;
  3. Niet kunnen noodzaken tot afwijken van de Grondwet;
  4. Geen voorrang kunnen hebben op nationaal-wettelijke voorschriften

Vraag 3

Parlementaire goedkeuring van internationale verdragen is:

  1. In beginsel voor ieder verdrag vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen;
  2. Uitsluitend vereist voor rechtstreeks werkende verdragen;
  3. Uitsluitend vereist voor met de Grondwet strijdige verdragen;
  4. Slechts vereist als de kamers der Staten-Generaal zulks binnen een wettelijk bepaalde termijn expliciet aangeven.

Overige oefenvragen

Vraag 1

Hoe wordt de begroting vastgesteld?

Vraag 2

Wat is de rol van de Minister van Financiën?

Vraag 3

Waar is de grondslag van het buitenlands beleid te vinden?

Vraag 4

Hoe ziet de procedure van verdragssluiting eruit?

Vraag 5

Waarom hecht de Grondwet grote waarde aan de ontwikkeling van verdragen?

Vraag 6

Wat is het verschil tussen de dualistische leer en de monistische leer?

Vraag 7

Wat is de functie van de Wet BBBG?

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. A

2. A

3. C

4. A

5. A

6. D

7. B

8. D

9. A

10. D

11. B

12. B

13. B

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

1. C

2. B

3. A

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. Bij wet;  Op de derde dinsdag van september, of op een eerder bij de wet te bepalen tijdstip, worden door of vanwege de Koning de voorstellen van algemene begrotingswetten voor het komende jaar bij de Tweede Kamer ingediend. 

2. De Minister van Financiën moet toezicht houden op de uitvoering van de begrotingen (art. 39) en op de financiële administraties van de ministeries (art. 41) en moet daartoe regels vaststellen (art. 37, 38). Daarnaast moet hij bij de vakministers informatie inwinnen en inzage vragen. In het kader van zijn toezichthoudende functie moet hij begrotingsartikelen aanwijzen ten laste waarvan geen verplichtingen mogen worden aangegaan voordat hij daarmee heeft ingestemd.

3. Sinds 1953 bevat de Grondwet een bepaling die luidt: 'De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde'. Deze bepaling is nu in art. 90 te vinden.

4.  De procedure ziet er als volgt uit: een verdrag wordt na afloop van de onderhandelingen door of namens de regering ondertekend. Bij de ondertekening wordt een voorbehoud van parlementaire goedkeuring gemaakt. Dit voorbehoud is niet nodig wanneer een verdrag een bekrachtigingsclausule bevat, want dan kan de volkenrechtelijke binding pas beginnen na die bekrachtiging (ratificatie) door de regering.

Wanneer in het eerste geval niet binnen dertig dagen na de overlegging van het verdrag een van de kamers de wens te kennen geeft dat tot uitdrukkelijke goedkeuring zal worden overgegaan, is het verdrag stilzwijgend goedgekeurd. Wanneer de wens tot uitdrukkelijke goedkeuring wordt uitgesproken, dan geschiedt goedkeuring 'bij de wet', dat wil zeggen dat daartoe de hiervoor beschreven procedure voor de totstandkoming van wetten gevolgd moet worden. De regering kan overigens ook zelf voor uitdrukkelijke goedkeuring kiezen door rechtstreeks een goedkeuringswet in te dienen. Wanneer de goedkeuring is verleend wordt het verdrag bindend.

5. De Grondwet hecht grote waarde aan de ontwikkeling van verdragen en dat is niet voor niets. Bij verdrag kan namelijk aan volkenrechtelijke organisaties wetgeving, bestuur en rechtspraak over Nederlandse burgers worden opgedragen en daarbij kan eventueel van de Grondwet worden afgeweken.

6. Art. 93 regelt dat 'een ieder verbindende' bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, deze verbindende kracht zullen hebben, nadat zij zijn bekendgemaakt. De internationale rechtsorde gaat uit van een scheiding tussen de internationale en nationale rechtsorde. Het eerder aangehaalde art. 93 stelt tegenover deze ‘dualistische’ leer een monistische opvatting die de internationale en nationale rechtsorde als één geheel beschouwd. Verdragen en besluiten van internationale organisaties kunnen de burgers rechtstreeks rechten geven of verplichtingen opleggen, ook zonder dat een nationale wet de inhoud ervan overneemt. Voorwaarde hiervoor is dat het verdrag of besluit is bekendgemaakt.

7. De Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag, de Wet BBBG, heeft geen betrekking op de uitoefening van een militaire taak, maar verleent aan burgerlijke autoriteiten buitengewone bevoegdheden met betrekking tot de handhaving van de openbare orde en veiligheid. 

Hoe is de rechterlijke macht geregeld in Nederland? - Tentamens 12

Hoe is de rechterlijke macht geregeld in Nederland? - Tentamens 12

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

Leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast kunnen door de Tweede Kamer der Staten-Generaal disciplinair worden ontslagen.

  1. Correct
  2. Niet correct

Vraag 2

Stel je voor: De gemeenteraad van Utrecht besluit na de Pegida-demonstratie van begin deze maand geen enkele demonstratie meer toe te staan voor de duur van één jaar. Het algemene verbod om te demonstreren wordt opgenomen in de gemeentelijke verordening 'Voorkoming overlast demonstraties'. Volgens de Stichting Demonstratievrijheid Nul komt dit verbod in strijd met bestaand hoger recht. U dient als rechter hierover te oordelen. Welk antwoord geeft het meest volledige beeld van uw toetsingsmogelijkheden.

  1. De verordening kan worden getoetst aan de Wet openbare manifestaties.
  2. De verordening kan worden getoetst aan de Wet openbare manifestaties en het EVRM.
  3. De verordening kan worden getoetst aan de Wet openbare manifestaties, het Statuut en het EVRM.
  4. De verordening kan worden getoetst aan de Wet openbare manifestaties, de Grondwet, het Statuut en het EVRM.

Vraag 3

In het arrest Prof. van den Bergh (HR 27 januari 1961, NJ 1963, 248) oordeelde de Hoge Raad dat het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet met zich brengt dat de rechter de inhoud van een wet in formele zin niet mag toetsen aan de Grondwet, maar wel de wijze waarop de wet tot stand is gekomen.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 4

Conform de jurisprudentie van de Hoge Raad verbiedt artikel 120 Grondwet de rechter onder andere:

  1. Het toetsen van wet- en regelgeving aan ongeschreven fundamentele rechtsbeginselen;
  2. Het toetsen van verdragen aan wetten in formele zin;
  3. Het toetsen van wetten in formele zin aan de Grondwet en het Statuut voor het Koninkrijk;
  4. Het toetsen van de Grondwet aan verdragen.

Vraag 5

De Harmonisatiewet had onder meer tot gevolg dat voor bepaalde studenten met terugwerkende kracht hun recht om ingeschreven te zijn werd beperkt. De Landelijke Studenten Vakbond spande een kort geding aan tegen de Staat. De President van de Rechtbank oordeelde dat hij de Harmonisatiewet aan het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden mocht toetsen, in casu aan art. 43, waarin de rechtszekerheid wordt genoemd. In een procedure van sprongcassatie bij de Hoge Raad tegen dit vonnis van de Rechtbank, werd door de landsadvocaat gesteld dat de rechter hiertoe niet bevoegd was, mede gezien art. 120 Grondwet.

De Hoge Raad oordeelde omtrent het toetsingsrecht van de rechter, dat de rechter de formele wet:

  1. Aan het Statuut mag toetsen, maar niet aan het ongeschreven rechtszekerheidsbeginsel;
  2. Niet aan het Statuut mag toetsen, maar wel aan het ongeschreven rechtszekerheidsbeginsel;
  3. Zowel aan het Statuut als aan het ongeschreven rechtszekerheidsbeginsel mag toetsen;
  4. Noch aan het Statuut, noch aan het ongeschreven rechtszekerheidsbeginsel mag toetsen.

Vraag 6

Stel: Door de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Veiligheid en Justitie wordt een wetsvoorstel ingediend om artikel 120 Grondwet aan te passen en toetsing van wetten aan de klassieke grondrechten mogelijk te maken.

Schrijf een opstel van 1 à 1,5 pagina (250-350 woorden) waarin u:

  • ingaat op de inhoud/betekenis van het toetsingsverbod;

  • enkele argumenten voor en tegen het toetsingsverbod noemt;

  • antwoord geeft op de vraag of er grote veranderingen te verwachten zijn van de

  • voorgestelde grondwetsherziening voor de grondrechtenbescherming in het algemeen;

  • aangeeft of het nu zittende kabinet tijdens haar zittingsperiode kans zal zien de voorgestelde grondwetsherziening te realiseren.

Voorzie uw opstel van een titel, maak duidelijk wat de centrale vraag is en zorg ervoor dat een en ander logisch uitloopt in een slotconclusie. Schrijf uw opstel in goedlopende zinnen en niet in telegramstijl. Maak in uw opstel gebruik van de begrippen die u in het studiemateriaal bent tegengekomen.

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

Vraag 1

Een parlementariër maakt tijdens een interview, dat wordt uitgezonden door een bekendtelevisieprogramma, enkele provocerende opmerkingen. Het Openbaar Ministerie (OM) overweegt de parlementariër te vervolgen wegens belediging (art. 266 WvSR).

Is het OM naarNederlands staatsrecht bevoegd om tot vervolging over te gaan?

  1. Nee, parlementariërs genieten parlementaire onschendbaarheid;
  2. Ja;
  3. Ja, tenzij de parlementariër zich beroept op zijn parlementaire onschendbaarheid;
  4. Nee, een parlementariër kan niet worden vervolgd voor zaken die hij ter sprake brengt in het kader van zijn functie als parlementariër.

Vraag 2

De regering is van mening dat er een speciaal tribunaal in het leven geroepen moet worden dat de financiële compensatie voor slachtoffers van de aardbevingsschade in de provincie moet gaan afwikkelen.

Dit tribunaal moet over rechtsprekende bevoegdheden in de zin van de Grondwet gaan beschikken en zal bij wet worden ingesteld.

Dienen de leden ervan voor het leven benoemd te worden?

  1. Ja, omdat het tribunaal een orgaan met rechtspraak belast is;
  2. Nee, tenzij het tribunaal bij de instellingswet bij de rechterlijke macht wordt ondergebracht;
  3. Ja, omdat het tribunaal zal dienen te voldoen aan de eisen van art. 6 EVRM;
  4. Nee, tenzij het tribunaal bij de instellingswet bij de Nationale Ombudsman wordt ondergebracht.

Vraag 3

Tammo Slopsema is inwoner van Loppersum en maakt zich grote zorgen over de gevolgen van de gaswinning voor het woongenot in zijn gemeente. Met name is hij van mening dat de gemeentelijke verordening voor de schadeafhandeling van gasbevingen tekort schiet en krenterig is opgezet.

Van welke toetsing zal de rechter zich moeten onthouden als hem dat gevraagd zou worden?

  1. De vraag of de regeling wel in overeenstemming is met algemene rechtsbeginselen;
  2. De vraag of de regeling effectief is met het oog op de kosten van uitvoering ervan;
  3. De verenigbaarheid van de regeling met art. 8 EVRM;
  4. De verenigbaarheid van de regeling met art. 21 Grondwet.

Vraag 4

Is het onder de huidige bepalingen van de Grondwet mogelijk om de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State tot de rechterlijke macht te laten behoren?

  1. Ja, de wet kan de gerechten aanwijzen die tot de rechterlijke macht behoren;
  2. Nee, want de Afdeling houdt zich niet bezig met burgerlijke en strafrechtspraak en alleen gerechten die zich daarmee bezig houden kunnen tot de rechterlijke macht behoren;
  3. Ja, want de Raad van State is een door de Grondwet in het leven geroepen Hoog College van Staat, dat met rechtspraak is belast en dat zelf kan bepalen of het tot de rechterlijke macht behoort;
  4. Nee, de Grondwet bepaalt welke gerechten tot de rechterlijke macht behoren.

Vraag 5

Bij welke (rechterlijke) instantie kan een burger procederen tegen een overheidsbesluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift?

  1. Tegen algemeen verbindende voorschriften staat geen beroep open;
  2. Bij de bestuursrechter;
  3. Bij de burgerlijke rechter;
  4. Dat kan uitsluitend in administratief beroep.

Vraag 6

Op welk van de onderstaande terreinen heeft de Raad voor de Rechtspraak geen taak?

  1. De selectie van rechters;
  2. Advisering over wetgeving inzake de inrichting en het functioneren van de rechtspraak;
  3. De opsporing en vervolging van strafbare feiten;
  4. Het bewaken van de rechtseenheid.

Vraag 7

Voor de vraag naar de eventuele strijdigheid tussen een gemeentelijke verordening en een hogere regeling is de vraag of deze hetzelfde ‘onderwerp’ regelen in een aantal gevallen van groot belang. In welk van de onderstaande gevallen is er ruimte voor aanvulling door de gemeentelijke regelgever, ook al is er sprake van hetzelfde onderwerp?

  1. Als de gemeentelijke verordening aan de hogere regeling vooraf gaat;
  2. Als de gemeentelijke verordening uitputtend bedoeld is;
  3. Als de hogere regeling uitputtend bedoeld is;
  4. Als de hogere regeling niet uitputtend bedoeld is.

Overige oefenvragen

Vraag 1

Wie staat/staan aan het hoofd van het Openbaar Ministerie?

  1. De Hoofdofficier van Justitie
  2. De Hoge Raad.
  3. Het College van advocaten-generaal.
  4. Het College van procureurs-generaal. 

Vraag 2

In welke delen kan de rechtspraak verdeeld worden?

Vraag 3

Wat houdt het toetsingsverbod in?

Vraag 4

Hoe kan controle worden gehouden op rechterlijke uitspraken?

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. B

2. D

3. B

4. C

5. D

6. In het essay zou aandacht besteed moeten worden aan de volgende punten:

  • Het toetsingsverbod houdt in dat wetten in formele zin niet aan de Grondwet getoetst mogen worden. Het toetsingsverbod geldt dus slechts voor wetten in formele zin en niet voor lagere wetgeving. Uit art. 120 Grondwet vloeit ook voort dat wetten in formele zin niet aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan ongeschreven rechtsbeginselen getoetst mogen worden.

    • Vindplaats: HR 14 april 1989 (Harmonisatiewet)

  • Het verbod van toetsing geldt voor zowel de inhoud van de wet in formele zin als de wijze van totstandkoming van de wet in formele zin, ook de totstandkomingswijze mag niet door de rechter aan de grondwet getoetst worden; zie HR-arrest Prof Van den Bergh.

    • Vindplaats: HR 27 januari 1961 (Prof. Van den Bergh)

  • Argumenten tegen het toetsingsverbod:

    • De rechter beslist steeds een concreet geschil en is meer dan de wetgever geneigd vanuit de positie van de individuele burger te denken; dus rechterlijke toetsing is beter voor de individuele rechtsbescherming van de burger.

    • De kwaliteit van wetgeving laat soms te wensen over omdat in het parlement vooral politieke motieven de boventoon voeren in de discussie over wetgeving.

    • Grondwettelijke problemen worden veelal pas duidelijk in de praktijk van de wetstoepassing, de wetgever kan die niet allemaal tevoren voorzien, zodat rechterlijke toetsing een nuttige aanvulling vormt.

    • Door constitutionele toetsing wordt de invloed van de grondwettelijke normen op wetgeving, bestuur en rechtspraak vergroot, waardoor de Grondwet meer reliëf krijgt.

  • Argumenten voor het toetsingsverbod:

    • De rechter is niet democratisch gelegitimeerd en hoeft aan niemand verantwoording af te leggen.

    • De beraadslagingen van de rechter vinden in het geheim plaats.

    • Belangrijke beslissingen zouden dan door een zeer klein aantal personen (rechters) genomen worden en niet door representatief samengestelde organen.

    • De kwaliteit van wetgeving kan ook goed worden bewaakt in het totstandkomingsproces, door bijvoorbeeld de Raad van State en de Eerste Kamer.

  • Van onderstaande argumenten hoeven er slechts twee te worden genoemd:

  • Toetsing van wetgeving aan de grondwettelijke grondrechten zal waarschijnlijk geen aardverschuiving met zich brengen, sinds 1953 kan de rechter namelijk wetten reeds toetsen aan een ieder verbindende verdragsbepalingen en in diverse verdragen zijn min of meer dezelfde grondrechten gegarandeerd als in de Grondwet. Er wordt dus al getoetst aan die grondrechten.

  • Bovendien wordt lagere wetgeving al gewoon getoetst aan de grondwettelijke grondrechten (want het toetsingsverbod ziet niet op lagere wetgeving). Er is veel meer lagere wetgeving dan wetgeving in formele zin, dus de meeste regels in Nederland worden al lang aan de Grondwet getoetst.

  • Op sommige punten kan toetsing aan de Grondwet echter iets toevoegen aan de verdragstoetsing, namelijk daar waar de Grondwet andere grondrechten beschermd dan de verdragen of specifieker eisen stelt aan bepaalde grondrechtenbeperkingen dan de verdragen doen.

Het kabinet zal er in ieder geval niet in slagen om de grondwetsherziening geheel af te ronden, want voor grondwetsherziening geldt een zwaardere procedure die inhoudt dat de behandeling van het grondwetswijzigingsvoorstel plaatsvindt in twee lezingen. Tussen beide lezingen moet de Tweede Kamer worden ontbonden en moeten er verkiezingen plaatsvinden. Na die verkiezingen moet een nieuw kabinet derhalve het wetsvoorstel in tweede lezing door de Staten-Generaal geleiden. Vindplaats: art. 137 Gw.

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

1. B

2. B

3. B

4. A

5. C

6. C

7. D

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. D

2. Strafrechtspraak, burgerlijke rechtspraak, bestuursrechtspraak.

3. De bevoegdheden om een onderwerp bij wet of verdrag te regelen wordt beperkt door de grenzen zoals die in de Grondwet zijn vastgelegd. Art. 120 bepaalt dat de rechter wetten en verdragen niet mag toetsen op al dan niet overeenstemming met de Grondwet. Dit betekent dat de rechter een wet dus ook mag toepassen wanneer zij, naar zijn mening, in strijd is met de Grondwet. 

4. Hoger beroep en openbaarheid.

Hoe is de rechtsbescherming tegen de overheid geregeld? - Tentamens 13

Hoe is de rechtsbescherming tegen de overheid geregeld? - Tentamens 13

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

Welke van de onderstaande opmerkingen over de voorlopige voorziening is onjuist?

  1. De voorlopigevoorzieningprocedure kan worden beschouwd als een soort van bestuursrechtelijk kort geding.
  2. Voor het aanvragen van een voorlopige voorziening geldt de connexiteitseis, die inhoudt dat de vraag om een voorlopige voorziening altijd moet samenhangen met het maken van bezwaar of het instellen van beroep.
  3. Aangezien het instellen van bezwaar of beroep geen schorsende werking heeft, kan een voorlopige voorziening niet bestaan uit schorsing van het aangevochten besluit.
  4. Degene die verzoekt om een voorlopige voorziening moet eerst griffierechten betalen.

Vraag 2

Welke van de onderstaande stellingen over het maken van bezwaar is/zijn juist?

I Indien een besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (welke is geregeld in afdeling 3.4 van de Awb), hoeft alvorens bij de rechtbank beroep tegen dat besluit kan worden ingesteld geen bezwaar te worden gemaakt.

II Voor het maken van bezwaar geldt ingevolge de Awb in beginsel een termijn van zes weken.

  1. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
  2. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
  3. Beide stellingen zijn juist.
  4. Beide stellingen zijn onjuist.

Vraag 3

Welke van de onderstaande beginselen van behoorlijk bestuur is niet in de Algemene wet bestuursrecht gecodificeerd?

  1. Het vereiste van een kenbare motivering.
  2. Het vereiste van een deugdelijke motivering.
  3. Het verbod van misbruik van bevoegdheid (détournement de pouvoir).
  4. Het vertrouwensbeginsel.

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

Vraag 1

Tom Top, uitbater van cafetaria Het Kippetje, verneemt dat de minister van Volksgezondheid zeer onlangs op grond van zijn wettelijke bevoegdheid bij ministeriële regeling heeft bepaald dat de normen voor het gebruik van schoon frituurvet worden aangescherpt. Tom vreest door de strengere normen zijn frituurvet vaker te moeten vervangen en daardoor hogere kosten te moeten maken. Hij onderzoekt mogelijkheden om de rechtmatigheid van de nieuwe normen door de rechter te laten toetsen. De door Tom gewenste beoordeling van de rechtmatigheid van de nieuwe normen kan:

  1. Plaatsvinden door tegen de ministeriële regeling bezwaar te maken bij de minister waarna eventueel beroep op de bestuursrechter kan volgen;
  2. Plaatsvinden door tegen de ministeriële regeling bezwaar te maken bij de minister waarna eventueel administratief beroep op de regering kan volgen;
  3. Plaatsvinden door een vordering tegen de Staat in te stellen bij de burgerlijke rechter;
  4. Niet plaatsvinden.

Vraag 2

Voor het instellen van hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank in sociale verzekeringszaken moet de burger zich in beginsel wenden tot:

  1. Het gerechtshof;
  2. De Centrale Raad van Beroep;
  3. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State;
  4. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.

Overige oefenvragen

Vraag 1

Wat is een beschikking?

Vraag 2

Wat zijn de belangrijkste beginselen van behoorlijk bestuur (abbb)?

Vraag 3

Welke stadia kunnen in een beroepszaak worden onderscheiden?

Vraag 4

Wat is een besluit?

Vraag 5

Wat zijn de doelstellingen van de verplichte bezwaarschriftprocedure?

Vraag 6

Wanneer kan een voorlopige voorziening worden getroffen?

Vraag 7

Op welke terreinen is er nog een taak voor de burgerlijke rechter weggelegd?

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. C

2. C

3. D

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

1. C

2. B

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. Een schriftelijke, concrete beslissing van een bestuursorgaan dat een publiekrechtelijke rechtshandeling bevat.

2. De belangrijkste zijn:

  • Het verbod van ‘détournement de pouvoir’, de overheid mag een bevoegdheid niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor ze gegeven is (art. 3:3 AwB);

  • Het verbod van willekeur (art. 3:4 lid 1 AwB);

  • Het zorgvuldigheidsbeginsel (art. 3:2 AwB);

  • Het motiveringsbeginsel (art. 3:46 AwB);

  • Het rechtszekerheidsbeginsel;

  • Het gelijkheidsbeginsel (art. 1 GW);

  • Het beginsel van ‘fair play’ ( art. 2:4 AwB).

3. Men kan de volgende stadia onderscheiden: 

  • De bezwaarprocedure,

  • Het beroep bij de rechtbank

  • Het hoger beroep

4. Het besluit wordt in art. 1:3 omschreven als een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Hierdoor zijn rechtshandelingen naar burgerlijk recht en feitelijk handelen uitgesloten.

In het tweede lid van art. 1:1 wordt een aantal organen, personen en colleges uitgezonderd en daarvan zijn de belangrijkste:

  • de formele wetgever,

  • de kamers van de Staten-Generaal,

  • alle onafhankelijke rechters,

  • de Raad van State en anderen.

De eisen voor een besluit zijn:

  • beslissing

  • schriftelijk

  • afkomstig van bestuursorgaan

  • publiekrechtelijk

  • rechtshandeling

5. Met het invoeren van het vereiste van de verplichte bezwaarschriftprocedure worden drie doelstellingen nagestreefd:

  • De heroverweging van het besluit op grond van het bezwaarschrift verbetert de kwaliteit van het bestuur,

  • De verplichte heroverweging is dienstbaar aan de rechtsbescherming van de burger,

  • De bezwaarschriftprocedure zal het aantal beroepen op de administratieve rechter verminderen omdat de heroverweging ertoe kan leiden dat de belanghebbende hetzij tevreden gesteld wordt hetzij van zijn ongelijk overtuigd raakt.

6.  Een voorlopige voorziening kan worden aangevraagd wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld of, daaraan voorafgaand, bezwaar of administratief beroep. 

7. 

  • Schadevergoeding

  • Besluiten die uitgezonderd zijn in de Awb

  • Feitelijk handelen van bestuursorganen

  • Onrechtmatige rechtspraak

  • Verdragsuitsluiting

Wat is de rol van grondrechten en welke worden er onderscheiden? - Tentamens 14

Wat is de rol van grondrechten en welke worden er onderscheiden? - Tentamens 14

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens stelt ten aanzien van de beperking van mensenrechten eisen aan de omvang en evenredigheid van die beperkingen, waar de grondwettelijke beperkingsclausules dit niet doen.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 2

Op grond van art. 9 lid 2 Gw kan de regering in een algemene maatregel van bestuur beperkingen stellen aan het recht tot vergadering en betoging ter bescherming van gezondheid, mits de formele wetgever de bevoegdheid om beperkingen te stellen heeft gedelegeerd aan de regering.

  1. Correct
  2. Niet correct

Vraag 3

Om zijn 'positieve verplichtingen' na te komen, dient de staat zich te onthouden van inmenging in de vrijheden van de burgers.

  1. Correct
  2. Niet correct

Vraag 4

Welke stelling is juist als het gaat om de rol van de overheid in de klassiek-liberale rechtsstaat (ook wel nachtwakersstaat genoemd)?

  1. In een nachtwakersstaat beschermt de overheid gelijke kansen voor burgers door hen een bestaansminimum te garanderen.
  2. In een nachtwakersstaat waarborgt de overheid dat de burgers sociale voorzieningen, zoals onderwijs en huisvesting, kunnen gebruiken.
  3. In een nachtwakersstaat is de taak van de overheid beperkt tot het nemen van maatregelen ter bescherming van arme burgers.
  4. In een nachtwakersstaat beschermt de overheid burgers door zich zoveel mogelijk te onthouden van inmenging in hun vrijheidsrechten.

Vraag 5

Als de rechter beoordeelt of een beperking van een in artikel 8 EVRM neergelegd recht gerechtvaardigd is, gaat hij na of deze beperking 'in een democratische samenleving noodzakelijk' is. Dat wil zeggen dat de rechter bekijkt of de beperking:

  1. Bij wet is voorzien
  2. Proportioneel is
  3. Een ieder verbindend is
  4. Directe werking heeft.

Vraag 6

In artikel 6 lid 2 Gw staat:

  1. Een procedurevoorschrift en een doelcriterium.
  2. Een procedurevoorschrift en een proportionaliteitseis.
  3. Een competentievoorschrift en een proportionaliteitseis.
  4. Een competentievoorschrift en een doelcriterium.

Vraag 7

Welke stelling over het Europese hof voor de Rechten van de Mens is niet correct?

  1. De uitspraak van het EHRM in een zaak is bindend voor de staat die partij is bij die zaak.
  2. Het EHRM doet uitspraak op basis van individuele klachten.
  3. Een klacht bij het EHRM is slechts ontvankelijk indien de nationale rechtsmiddelen reeds zijn uitgeput.
  4. In geval van onduidelijkheden over de uitlegging van het EVRM dient de hoogste nationale rechter prejudiciële vragen te stellen aan het EVRM.

Vraag 8

Artikel 6 lid 1 Grondwet bepaalt dat de vrijheid van godsdienst door de formele wetgever mag worden beperkt en dat deze beperkingsbevoegdheid mag worden gedelegeerd aan lagere organen.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 9

Het discriminatieverbod in artikel 1 Grondwet verbiedt iedere ongelijke behandeling op grond van bijvoorbeeld godsdienst, levensovertuiging of geslacht.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 10

Uit het stelsel van de Grondwet volgt dat als een verdragsbepaling niet een ieder verbindend is, deze bepaling pas interne werking heeft in de nationale rechtsorde wanneer deze bepaling is omgezet in een nationale wet.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 11

Het EVRM is een belangrijk mensenrechtenverdrag. Het verdrag:

  1. Omvat met name sociale fundamentele rechten;
  2. Kan door de Nederlandse rechter worden gebruikt om wetgeving te toetsen;
  3. Bevat fundamentele rechten die in geen geval beperkt mogen worden;
  4. Is gesloten in het kader van de Europese Unie.

Vraag 12

Welk van de onderstaande stellingen is juist?

  1. De klassieke grondrechten zijn gericht op prestaties van de overheid.
  2. Het recht op vrijheid van geweten is een klassiek grondrecht.
  3. Het stakingsrecht kan niet direct voor de rechter worden ingeroepen.
  4. Sociale grondrechten zijn grondrechten die werken tussen burgers onderling.

Vraag 13

Welk van de onderstaande grondrechten is direct juridisch afdwingbaar bij de rechter?

  1. Artikel 10, lid 1 Grondwet.
  2. Artikel 19, lid 1 Grondwet.
  3. Artikel 22, lid 1 Grondwet.
  4. Artikel 23, lid 1 Grondwet.

Vraag 14

Stel: u bezoekt een theatervoorstelling en het is ontzettend saai. Bij de zoveelste artistiek verantwoorde stilte, staat u op en roept u luidkeels: ‘brand!’ Uw grap loopt echter uit de hand, er ontstaat paniek, er raken mensen gewond en u wordt uiteindelijk strafrechtelijk vervolgd. Ten overstaan van de strafrechter beroept u zich op uw vrijheid van meningsuiting. Wat zal de rechter doen?

  1. De rechter zal uw vrijheid van meningsuiting afwegen tegen de veiligheid van de overige theaterbezoekers.
  2. De rechter zal het recht op de vrijheid van meningsuiting in uw geval onverbindend achten.
  3. De rechter zal onderzoeken of sprake is van een gerechtvaardigde beperking van uw vrijheid van meningsuiting.
  4. De rechter zal oordelen dat uw kreet niet binnen de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting valt.

Vraag 15

Eén van de onderwerpen die centraal stond in de zogenoemde ‘Schoolstrijd’, welke leidde tot de grondwetsherziening van 1917, was de invoering van algemeen kiesrecht.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 16

Volgens artikel 120 van de Grondwet mag de rechter wetten en verdragen niet aan de Grondwet toetsen. Dit wordt ook wel aangeduid als het ‘toetsingsverbod’. Desondanks biedt de Grondwet rechters wél de mogelijkheid wetten aan bepaalde bepalingen van verdragen te toetsen.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 17

Artikel 2 lid 1 Grondwet staat toe dat nadere voorschriften omtrent het Nederlanderschap kunnen worden neergelegd in een algemene maatregel van bestuur.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 18 

Stel, het bestuur van een linksradicale vereniging uit Oss is van plan een persconferentie te houden bij één van de bestuursleden thuis. De burgemeester verwacht ordeverstoringen. De Wet Openbare Manifestaties geeft de burgemeester de bevoegdheid om:

  1. De persconferentie van tevoren verbieden, indien de vereiste kennisgeving niet tijdig is gedaan;
  2. De agenda van de persconferentie van tevoren te controleren om oproepen tot geweld te voorkomen;
  3. De bijeenkomst te beëindigen indien zich wanordelijkheden voordoen;
  4. Te eisen dat hij tevoren op de hoogte wordt gesteld van de plaats en het tijdstip van de bijeenkomst.

Vraag 19

Georges vraagt zich af in hoeverre het voor de overheid mogelijk is een gerechtvaardigde inbreuk op zijn in artikel 8 EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven te maken. Aan welke van de volgende eisen hoeft daarbij niet te worden voldaan?

  1. De inbreuk dient proportioneel te zijn.
  2. De inbreuk dient te zijn neergelegd in een wet in formele zin.
  3. De inbreuk dient een van de in artikel 8 lid 2 EVRM genoemde doelen te dienen.
  4. De inbreuk dient noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving.

Vraag 20

Welke stelling over inmenging in de uitoefening van de vrijheid van drukpers op basis van de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is juist?

  1. Het EVRM eist dat een inmenging in de uitoefening van de vrijheid van drukpers een grondslag heeft in een wet in formele zin.
  2. De Grondwet eist dat een beperking van de vrijheid van drukpers voldoet aan de proportionaliteitseis.
  3. De Grondwet staat de wetgever niet toe een stelsel van voorafgaand toezicht op de inhoud van drukwerk in te voeren.
  4. Het EVRM staat de wetgever niet toe een stelsel van voorafgaand toezicht op de inhoud van drukwerk in te voeren.

Vraag 21

Welk van de onderstaande opmerkingen over de grondwettelijke grondrechten is juist?

  1. De Grondwet bevat een systeem van hoofdzakelijk algemene grondrechtenbeperkingen.
  2. Bij de totstandkoming van hoofdstuk 1 van de Grondwet, in 1983, is uitgesproken dat de grondwettelijke grondrechten ook effect kunnen hebben in de horizontale verhoudingen tussen burgers onderling.
  3. Inperking van de grondwettelijke grondrechten door regels opgenomen in een provinciale of gemeentelijke verordening is toegestaan, aangezien zowel gemeenten als provincies over een eigen autonome verordenende bevoegdheid beschikken.
  4. De in de Grondwet opgenomen sociale grondrechten zijn op zodanige wijze geformuleerd dat zij zich goed lenen voor toepassing door de rechter in individuele zaken.

Vraag 22

Wil een beperking op een door het EVRM beschermd grondrecht toelaatbaar zijn, dan dient aan een aantal eisen voldaan te zijn. Welke van de onderstaande eisen behoort daar niet toe?

  1. De beperking dient noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving.
  2. De beperking moet dienen ter bescherming van één of of meer van de in het betreffende EVRM-artikel aangeduide belangen.
  3. De beperking moet in een redelijke verhouding staan tot het met die beperking nagestreefde doel.
  4. De beperking moet gebaseerd zijn op een wet, dat wil zeggen een regeling door de nationale, parlementaire, wetgever.

Vraag 23

Artikel 120 Grondwet houdt in dat de rechter in Nederland wetten in formele zin en verdragen niet aan de Grondwet mag toetsen. In de jurisprudentie is echter een belangrijke uitzondering op dit toetsingsverbod geformuleerd, namelijk dat toetsing van formele wetten aan het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden en aan ongeschreven rechtsbeginselen wel is toegestaan.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 24

De beperkingsclausule van de godsdienstvrijheid in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bevat een proportionaliteitseis. De grondwettelijke beperkingsclausule van dit recht bepaalt slechts dat de wetgever bevoegd is de uitoefening van de godsdienstvrijheid in te perken, zonder daarbij aan te geven hoe ver die beperking mag gaan.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 25

Veel van de rechten die zijn neergelegd in het EVRM mogen slechts beperkt worden als dit ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’ is. Dit betekent dat een beperking van die rechten:

  1. In een redelijke verhouding moet staan tot het daarmee te dienen doel;
  2. Moet zijn neergelegd in een wet in formele zin;
  3. Gericht moet zijn op de bescherming van de openbare orde;
  4. De democratische legitimatie ervan ten goede moet komen.

Vraag 26

Welk van de onderstaande Grondwetsbepalingen biedt de formele wetgever de mogelijkheid om de bevoegdheid tot het beperken van een grondrecht te delegeren aan een lagere wetgever?

  1. Artikel 6 lid 1 Grondwet.
  2. Artikel 8 Grondwet.
  3. Artikel 10 lid 1 Grondwet.
  4. Artikel 13 lid 1 Grondwet.

Vraag 27

Welke van de onderstaande opmerkingen over klassieke en sociale grondrechten is juist?

  1. Net als de klassieke grondrechten zijn de sociale grondrechten doorgaans bij de rechter afdwingbaar.
  2. Hoewel de klassieke grondrechten in de eerste plaats gericht zijn op overheidsonthouding, vloeien er in bepaalde gevallen ook, net als bij de sociale grondrechten, inspanningsverplichtingen voor de overheid uit voort.
  3. De klassieke grondrechten zijn voor het grootste deel gecodificeerd in de Grondwet, terwijl de sociale grondrechten slechts in enkele internationale en Europese verdragen te vinden zijn.
  4. Waar de klassieke grondrechten zich vooral richten op de bescherming van de individuele vrijheid tegen inmenging door de overheid, is het belang van de sociale grondrechten vooral gelegen in hun betekenis voor de horizontale verhoudingen tussen burgers.

Vraag 28

Er is in Nederland nog altijd een tekort aan donororganen. Daarom wordt in de Tweede Kamer met een zekere regelmaat gediscussieerd over orgaandonatie. Tijdens een van die discussies wordt gewezen op de betekenis van het grondrecht op onaantastbaarheid van het lichaam. Als de Kamer besluit een regeling te treffen inzake de orgaandonatie dan kan dit volgens artikel 11 Grondwet geregeld worden:

  1. Alleen in een formele wet en alleen in het belang van de volksgezondheid;
  2. In zowel een formele wet als in lagere regelgeving en alleen in het belang van de volksgezondheid;
  3. In zowel een formele wet als in lagere regelgeving en voor elk belang;
  4. Alleen in een formele wet en voor elk belang.

Vraag 29

Artikel 8 EVRM bepaalt onder meer dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven en zijn familie- of gezinsleven.

Wat kan de Nederlandse rechter doen, indien hij constateert dat een nationale wettelijke bepaling in strijd is met artikel 8 EVRM?

  1. De rechter kan niets doen: weliswaar werkt het EVRM op grond van het monistisch stelsel door binnen de Nederlandse rechtsorde, maar artikel 8 EVRM heeft geen rechtstreekse werking.
  2. De rechter dient het Europese Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg in een prejudiciële procedure om advies te vragen.
  3. De rechter kan de nationale wettelijke bepaling buiten toepassing laten wegens strijd met een 'een ieder verbindende' verdragsbepaling.
  4. De rechter kan niets ondernemen, aangezien de in artikel 8 EVRM opgenomen rechten niet in de Grondwet voorkomen.

Vraag 30

Het kabinet heeft in het regeerakkoord vastgelegd dat er in deze kabinetsperiode in totaal 18 miljard Euro bezuinigd dient te worden. Eén van de bezuinigingsmaatregelen die de regering daarbij voor ogen heeft is een verhoging van de eigen bijdrage die de burgers moeten betalen in de kosten van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand. De minister van Veiligheid en Justitie kondigt in de Tweede Kamer aan dat de regering het voornemen heeft op basis van artikel 35 lid 2 van de Wet op de rechtsbijstand een algemene maatregel van bestuur op te stellen waarin de hoogte van de eigen bijdragen wordt verdubbeld. De Wet op de rechtsbijstand is niet opgenomen in uw wettenbundels; in artikel 35 lid 2 van deze wet staat echter dat de hoogte van de eigen bijdragen bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld.

Een Tweede Kamerlid van één van de oppositiepartijen windt zich vreselijk op over dit voornemen van de regering en stelt tijdens het Kamerdebat daarover dat een dergelijke beperking van het recht op gefinancierde rechtshulp bij algemene maatregel van bestuur ingevolge artikel 18 Grondwet sowieso niet is toegestaan, omdat een regeling met betrekking tot het recht op rechtsbijstand alleen bij wet in formele zin gegeven mag worden.

De stelling van het betreffende Kamerlid is:

  1. Juist.
  2. Onjuist.

Vraag 31

De klassieke grondrechten vergen van de overheid dat deze op een aantal terreinen regels stelt om de uitoefening van deze rechten te realiseren, terwijl dit bij de sociale grondrechten niet het geval is, aangezien de wetgevende maatregelen geen bijdrage kunnen leveren aan de realisering van deze rechten.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 32

Voor gedetineerden, ambtenaren en andere personen die in een bijzondere rechtsverhouding tot de overheid staan, gelden de uitgangspunten die bij de totstandkoming van de grondwetsherziening van 1983 zijn vastgelegd niet. Dat wil zeggen dat hun grondrechten ook beperkt kunnen worden op andere wijzen en op andere gronden dan aangegeven in de grondwettelijke beperkingsclausules.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 33

José werkt full time bij een landelijke bank, waar ze vaak overuren moet werken. Wanneer ze kapot van de stress bij de huisarts aanklopt, blijkt dat het harde werken haar gezondheid heeft aangetast en ze een half jaar niet kan werken. José wil de overheid aansprakelijk stellen voor de schade die ze hierdoor lijdt en beroept zich daarbij op artikel 11, aanhef en lid 1, uit Deel II van het Europees Sociaal Handvest (ESH). Kan José zich voor de Nederlandse rechter met succes op dit artikel beroepen?

  1. Nee, want alleen het Europese Hof voor de rechten van de Mens is bevoegd om het Europees Sociaal Handvest uit te leggen.
  2. Nee, want artikel 11, aanhef en lid 1 van het Europees Sociaal Handvest is niet een ieder verbindend.
  3. Ja, want Nederland heeft op grond van artikel 93 van de Grondwet een gematigd monistisch stelsel.
  4. Ja, want artikel 120 van de Grondwet maakt het mogelijk om te toetsen aan internationale verdragen.

Vraag 34

In 2010 bracht de Staatscommissie Grondwet advies uit over mogelijke aanpassingen in de Grondwet. Een van de onderwerpen waar deze commissie zich over had gebogen was de wijze waarop de beperking van grondrechten in Nederland is geregeld en de verhouding van de grondwettelijke beperkingssystematiek gehanteerd in diverse mensenrechtenverdragen, waaronder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Stel: U bent beleidsmedewerker op het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en er is net een nieuw kabinet aangetreden. De nieuwe minister van BZK is geen jurist, maar kunsthistoricus, en wil – ter voorbereiding van de kabinetsreactie op het rapport van de Staatscommissie, die nog vastgesteld moet worden – een beknopte notitie waarin hem wordt uitgelegd welke verschillen er zijn tussen de eisen die de Grondwet stelt aan de beperking van grondrechten en de eisen die een verdrag als het EVRM daaraan stelt.

Schrijf een essay van 1 à 1,5 pagina (250-350 woorden) waarin u:

  • uitlegt wie op basis van de Grondwet bevoegd is tot beperking van de grondrechten en welke typen beperkingsclausules we in de Grondwet tegenkomen;

  • aangeeft in hoeverre het EVRM in vergelijking met de Grondwet andere of extra eisen stelt met betrekking tot de beperking van de in dat verdrag opgenomen grondrechten en

  • enkele redenen geeft waarom in de Nederlandse rechtspraak grondrechtenbeperkende regelgeving veel vaker aan het EVRM wordt getoetst dan aan de Grondwet.

Voorzie uw essay van een titel, maak duidelijk wat het onderwerp is en zorg ervoor dat een en ander voor de minister een duidelijk en logisch overzicht biedt. Schrijf uw essay in goed lopende zinnen en niet in telegramstijl. Maak in uw essay gebruik van de begrippen die u in de studiestof bent tegengekomen.

Voor dit essay kunt u maximaal 10 punten verdienen: max. 8 punten voor de behandeling van de genoemde aandachtspunten en ten slotte 2 punten voor de structuur en opbouw van het essay en een correct taalgebruik.

Vraag 35

De heer Tuinman, als ambtenaar werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), heeft heimelijk een grote hekel aan Roma (zigeuners). Als de heer Tuinman op een kwade dag een krantenartikel leest over de uitzetting van Roma in Frankrijk, laat hij zijn schroom varen. Hij schrijft een opruiende ingezonden brief voor een landelijk dagblad, waarin hij zich in zeer boude, negatieve bewoordingen over Roma uitlaat en voorstelt om ‘het Franse voorbeeld te volgen’. Tuinman ondertekent de brief met zijn naam en functie. Zijn brief wordt echter niet geplaatst. Tuinman belt daarop de krantenredactie. Tegenover de hoofdredacteur stelt hij onder meer dat het niet-plaatsen van zijn brief in strijd is met het grondwettelijk censuurverbod (art. 7 lid 1 Grondwet).

  • (A) Met betrekking tot de werking van grondrechten wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen verticale en horizontale werking van grondrechten. Leg uit welk van deze twee soorten in de bovenstaande casus aan de orde is.

In het telefoongesprek weet Tuinman de hoofdredacteur over te halen de brief toch te plaatsen. Enkele dagen later verschijnt deze in de krant. Als de chef van de heer Tuinman bij de IND de brief onder ogen krijgt, wordt Tuinman op staande voet ontslagen. Tuinman vecht zijn ontslag daarop aan bij de bestuursrechter. Tegenover de rechtbank stelt hij onder meer dat zijn ontslag een ontoelaatbare inbreuk op zijn door art. 7 Grondwet beschermde vrijheid van meningsuiting inhoudt.

  • (B) Kan de heer Tuinman zich als ambtenaar op art. 7 Grondwet beroepen, en zo ja in hoeverre? [In uw antwoord hoeft u niet in te gaan op de vraag of het beroep ook kans van slagen heeft.] (2 punten)

De heer Tuinman is tevens lid van de gemeenteraad in zijn woonplaats, namens de partij Lokaal Belang. In de gemeente is een groot woonwagenkamp gevestigd, alwaar een heel actieve Vereniging voor Roma-belangen zijn hoofdkwartier heeft.

Tijdens een raadsvergadering doet Tuinman het voorstel om een gemeentelijke verordening op te stellen waarin het in stand houden van een vereniging ‘die opkomt voor de belangen van zigeuners’ wordt verboden, omdat volgens hem ‘algemeen bekend is dat zigeuners op grote schaal de openbare orde verstoren’.

Geen van de andere fracties in de raad steunt evenwel zijn voorstel. De burgemeester stelt tijdens de raadsvergadering dat het in het licht van de grondwettelijk gewaarborgde verenigingsvrijheid onmogelijk is om in een gemeentelijke verordening een bepaling van deze strekking op te nemen.

  • (C) Leg uit of de burgemeester gelijk heeft.

Vraag 36

De beruchte groep volleybalhooligans wil een bijeenkomst houden op de Dam in Amsterdam. Deze groep staat bekend als een criminele organisatie en is zeer gevaarlijk. De burgemeester verwacht een gewelddadige tegendemonstratie van concurrent volleybalhooligans. Om dit te voorkomen kan de burgemeester de bijeenkomst preventief verbieden, met als rechtsgrond van de Wet openbare manifestaties.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 37 

Artikel 120 van de Grondwet houdt in dat Nederlandse rechters de grondwet niet aan wetten in formele zin en verdragen niet aan de Grondwet mag toetsen.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 38

Wanneer er ernstige wanordelijkheden zijn dan kan de burgemeester besluiten om tijdelijk af te wijken van voorschriften die bij de Grondwet zijn gesteld.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 39

Welk(e) van de onderstaande stellingen is/zijn onjuist?

I. In tegenstelling tot het EVRM bevat het burgerlijk wetboek geen sociale grondrechten.

II. Zowel onthoudingsverplichtingen als positieve verplichtingen volgen uit het EVRM.

  1. Beide stellingen zijn juist.
  2. Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist.
  3. Beide stellingen zijn onjuist.
  4. Stelling 1 is onjuist, stelling 2 is juist.

Vraag 40

Jos heeft het idee dat de overheid een inbreuk heeft gemaakt op het in art. 8 EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het prive-, familie- en gezinsleven. Aan welk vereiste hoeft de overheid niet te voldoen om een gerechtvaardigde inbreuk gemaakt te hebben?

  1. De inbreuk dient te zijn neergelegd in een wet in formele zin.
  2. De inbreuk moet een doel dienen wat in art. 8 EVRM is neergelegd.
  3. De inbreuk is noodzakelijk voor het goed functioneren van een democratische samenleving.
  4. De inbreuk dient proportioneel te zijn.

Vraag 41

De burgemeester van de gemeente Breezand heeft advies nodig met betrekking tot het gedrag van één van de leden van de gemeenteraad, de heer De Vries. De Vries is voorzitter van de 65+ partij binnen de gemeente. In het dorp heeft een roeivereniging zich gevestigd. De Vries heeft zich meerdere malen tijdens bijeenkomsten zeer negatief uitgelaten over de roeivereniging. Wanneer andere leden van de gemeenteraad tegen zijn uitlatingen ingingen werden zij belachelijk gemaakt en bespot door De Vries. Een poging tot bemiddeling door de burgemeester heeft herhaaldelijk geen zin gehad, omdat De Vries zich beroept op vrijheid van meningsuiting.

Tijdens de laatste gemeentelijke vergadering heeft De Vries het idee opgeworpen om de roeivereniging, evenals het jaarlijkse verenigingsfeest te verbieden. Dit idee is via de lokale media ook bij de roeivereniging terechtgekomen, die daarover zeer boos zijn geworden. Zij hebben aangegeven een demonstratie uit te zullen voeren, voorafgaand aan de eerstvolgende gemeentelijke vergadering. Volgens de politie is er een kans op wanordelijkheden tijdens de demonstratie. Met extra politie-inzet zal de demonstratie zeer waarschijnlijk in de hand te houden zijn.

De burgemeester is ten einde raad na al deze ontwikkelingen en heeft een goed juridisch advies nodig. Hierin moeten onder andere de volgende vragen die hij heeft beantwoorden worden:

  • Kan de burgemeester De Vries vanwege de herhaaldelijke misdragingen juridisch vervolgen of hem de toegang tot de raadsvergaderingen ontzeggen?

  • Zijn er grondwettelijke argumenten die voorkomen dat het voorstel van De Vries opgenomen zal worden in de verordening.

  • Kan de burgemeester de verordening ongedaan laten maken, wanneer de meerderheid van de raad de verordening goed heeft gekeurd?

  • Welke wettelijke mogelijkheden heeft de burgemeester om de demonstratie van de leden van de roeivereniging eventueel te verbieden? Let hierbij op bepalingen over demonstratievrijheid uit het EVRM.

Vraag 42

Welk(e) van de onderstaande stellingen is/zijn juist?

I. In tegenstelling tot het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bevat de Nederlandse Grondwet geen sociale grondrechten.

II. Uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens volgen voor de verdragsstaten zowel onthoudingsverplichtingen als zogenoemde ‘positieve’ verplichtingen.

  1. Beide stellingen zijn juist.
  2. Beide stellingen zijn onjuist.
  3. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
  4. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.

Vraag 43

Een op handen zijnde grondwetsherziening is de toevoeging van het recht op een eerlijk proces. Hoewel dit recht momenteel niet in de Grondwet is te vinden, is de staat er al wel aan gebonden. Waar is dit recht wel te vinden en zou opneming in de Nederlandse Grondwet wel of geen meerwaarde hebben, en waarom?

Vraag 44

Het hoger beroep van Pechthout wordt door de hoger-beroepsrechter ongegrond verklaard. De rechter meent dat geen sprake is van een schending van de vrijheid van meningsuiting of van de betogingsvrijheid, zoals die beschermd worden door art. 7 en 9 Grondwet en art. 10 en 11 EVRM. Pechthout ziet in deze gang van zaken ‘een bevestiging van het feit dat rechters in Nederland niet onpartijdig en onafhankelijk zijn’. Hij wil een klacht indienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Tegen wie zal die klacht dan gericht moeten zijn?

  1. Tegen de burgemeester van Leiden.
  2. Tegen de gemeente Leiden.
  3. Tegen de rechterlijke instantie die in hoger beroep het beroep van Pechthout ongegrond verklaarde.
  4. Tegen de Staat der Nederlanden.

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

Vraag 1

Indien grondwettelijke grondrechten botsen dan:

  1. Dient iedere rechter deze botsing van fundamentele rechten bij wijze van prejudiciële vraag voor te leggen aan de Hoge Raad;
  2. Dient iedere rechter deze botsing van fundamentele rechten bij wijze van prejudiciële vraag voor te leggen aan het EHRM;
  3. Is de volgorde van de grondrechten in de Grondwet voor de rechter maatgevend bij de beantwoording van de vraag welk recht voorrang heeft;
  4. Is de rechter vrij te bepalen hoe deze rechten zich tot elkaar verhouden, behoudens de afwegingen die de wetgever heeft gemaakt.

Vraag 2

Het hippe technologiebedrijf MomCorp beoogt vooral moderne technologie aan ouderen te verkopen om zo de technologische achterstand die zij hebben op te heffen.

Omdat er steeds meer jongeren in de winkels van het bedrijf kopen, vreest het dat ouderen zich er niet meer durven te vertonen. Daarom besluit het voortaan alleen nog klanten die 40 jaar of ouder zijn te bedienen, teneinde de sfeer in de winkels vriendelijk voor ouderen te houden.

Wordt deze handelwijze door de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) verboden?

  1. Nee, er is hier geen sprake van een onderscheid dat door de Awgb wordt verboden;
  2. Nee, er is hier sprake van toelaatbare positieve discriminatie in de zin van art. 2 lid 3 Awgb;
  3. Nee, want de verkoop van producten door bedrijven wordt niet beschermd door de Awgb;
  4. Ja, de handelwijze is in strijd met art. 7 Awgb.

Vraag 3

Art. 7 lid 1 Grondwet onderscheidt zich in zoverre van art. 7 lid 3 Grondwet dat:

  1. Lid 1 bescherming biedt aan het zogenaamde openbaringsrecht en lid 3 aan het zogenaamde verspreidingsrecht;
  2. De gemeente bij de regulering van het onder lid 1 gegarandeerde recht een rol kan spelen, hetgeen onder art. 7 lid 3 niet het geval kan zijn;
  3. Lid 1 voorafgaande beperkingen ten aanzien van het gebruikte middel van verspreiding uitsluit die onder lid 3 wel mogelijk zijn;
  4. Lid 1 voorafgaande beperkingen ten aanzien van het gebruikte middel van verspreiding toestaat die onder lid 3 niet mogelijk zijn.

Vraag 4

Wanneer aan een grondrecht horizontale werking wordt toegekend, leidt dit tot bescherming van:

  1. De overheid tegen burgers;
  2. Burgers tegen de overheid;
  3. Burgers tegen anderen dan de overheid;
  4. Rechtspersonen tegen de overheid.

Vraag 5

Diverse mensenrechtenverdragen voorzien in het toezicht op de naleving van de verdragsverplichtingen door de instelling van een onafhankelijke instantie.

Welk van de onderstaande verdragen kennen de mogelijkheid van individueel klachtrecht bij zo’n toezichthoudende instantie?

  1. De Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten;
  2. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten;
  3. Het Europees Sociaal Handvest en de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens;
  4. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten.

Vraag 6

Wat is volgens het boek (Belinfante) kenmerkend voor de regeling van grondrechten in de Nederlandse Grondwet?

  1. De ruime toedeling van beperkingsbevoegdheden aan de wetgever;
  2. Het ontbreken van de mogelijkheid van delegatie aan lagere regelgevers met betrekking tot tal van grondrechtelijke onderwerpen;
  3. De afwijzing van het beginsel van bijzondere, tot de grondwettelijke clausulering herleidbare beperkingen op grondrechten;
  4. Het uitgangspunt dat, in geval van botsing van grondrechten, sociale grondrechten voorrang genieten op klassieke grondrechten.

Overige oefenvragen

Vraag 1

Op dit moment verblijven een aantal illegalen in de St-Joseph kerk te Amsterdam.

Worden deze groep mensen ook beschermd door het in de Grondwet verankerde discriminatieverbod?

  1. Nee, illegalen kunnen nooit een beroep doen op grondrechten uit de Grondwet.
  2. Nee, illegalen kunnen wel een beroep doen op enkele grondrechten uit de Grondwet, maar niet op het discriminatieverbod.
  3. Ja, het discriminatieverbod geldt ook voor illegalen.
  4. Ja, vanwege het feit dat ze onderdak hebben gevonden in de St-Josephkerk hebben ze het recht om niet gediscrimineerd te worden.

Vraag 2

Piet wil naar de rechter stappen omdat hij meent dat zijn grondrecht genoemd in artikel 5 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) is geschonden.

Tot welke rechterlijke instantie dient hij zich in eerste instantie te wenden?

  1. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
  2. De nationale rechter.
  3. Het Europees Hof van Justitie.
  4. De tuchtrechter.

Vraag 3

Na twee jaar werkloos thuis te hebben gezeten, besluit Jan de Nederlandse overheid voor de rechter te dagen omdat zij volgens hem te weinig doet om meer werkgelegenheid in Nederland te creëren (art. 19 Grondwet).

Heeft zijn beroep kans van slagen bij de rechter?

  1. Ja, deze plicht is opgenomen in de Grondwet en ook de overheid dient zich te houden aan de Grondwet.
  2. Ja, het recht op voldoende werkgelegenheid is een sociaal grondrecht en dat kun je afdwingen bij de rechter.
  3. Nee, het recht op voldoende werkgelegenheid is een sociaal grondrecht en dat kun je niet afdwingen bij de rechter.
  4. Nee, Daan doet een beroep op een artikel uit de Grondwet. De rechter mag hier niet aan toetsen i.v.m. het toetsingsverbod.

Vraag 4

Kun je van klassieke grondrechten zeggen dat ze de macht van de overheid beperken?

  1. Nee, klassieke grondrechten vergroten juist de macht van de overheid.
  2. Ja, klassieke grondrechten hebben een beperkende werking voor de overheid.
  3. Nee, klassieke grondrechten beperken alleen de macht van burgers ten opzichte van elkaar.

Vraag 5

Wat is het verschil tussen klassieke en sociale grondrechten?

Vraag 6

Wat houdt het EVRM in?

Vraag 7

Wat is het verschil tussen horizontale en verticale werking van grondrechten?

Vraag 8

Welke beperkingen ten aanzien van grondrechten bestaan er?

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. A

2. A

3. B

4. D

5. B

6. D

7. A

8. B

9. B

10. B

11. B

12. B

13. A

14. D

15. A

16. A

17. B

18. C

19. B

20. C

21. B

22. D

23. B

24. A

25. A

26. C

27. B

28. C

29. C

30. B

31. B

32. B

33. B

34. 

In het essay zou aandacht besteed moeten worden aan de onderstaande punten:

De Grondwet wijst in de eerste plaats de wetgever in formele zin aan als de instantie die bevoegd is om grondrechtenbeperkende regels vast te stellen (0,5 punt). De meeste grondrechtenartikelen in de Grondwet geven de wetgever echter de mogelijkheid om die beperkingsbevoegdheid (deels) te delegeren aan lagere wetgevers (0,5 punt). Dit blijkt uit de bekende termen: ‘bij of krachtens de wet’, ‘de wet stelt regels’ of het gebruik van een vorm van het werkwoord ‘regelen’ (0,5 punt).

Onze Grondwet kent drie typen beperkingsclausules:

  • competentievoorschriften: wie mag het grondrecht beperken? (0,5 punt)

  • doelcriteria: met welk doel mag het grondrecht worden beperkt? (0,5 punt) en

  • procedurevoorschriften: met inachtneming van welke procedure mag het grondrecht worden beperkt? (0,5 punt).

In het EVRM wordt naast competentievoorschriften en doelcriteria ook gebruik gemaakt van beperkingsclausules in de vorm van een noodzakelijkheids- en proportionaliteitstoets (‘noodzakelijk in een democratische samenleving’) (1 punt). Bovendien bestaat er een verschil in het gehanteerde wetsbegrip. Onze Grondwet verstaat onder ‘wet’: een wet in formele zin. Het EVRM hanteert daarentegen een materieel wetsbegrip. Onder ‘wet’ in de zin van het EVRM wordt iedere kenbare juridische norm verstaan (dus ook ongeschreven (rechters) recht, beleidsregels e.d.). Dit is een zeer ruim wetsbegrip (1 punt).

Het belang van het EVRM in de rechtspraak is zoveel groter dan het belang van de Grondwet omdat rechterlijke toetsing van wetten in formele zin aan de Grondwet niet is toegestaan (0,5 punt) op grond van art. 120 GW (0,5 punt). Op grond van art. 93/94 GW (0,5 punt) kan de rechter wetten wel toetsen aan een ieder verbindende verdragsbepalingen (0,5 punt).

Daarnaast geeft de noodzakelijkheids- en proportionaliteitstoets die in de EVRM-beperkingsclausules is opgenomen de rechter ook veel meer aanknopingspunten voor een beoordeling van grondrechten beperkende wetgeving. De Grondwet stelt geen inhoudelijke eisen aan de omvang van een grondrechtenbeperking die in een wet in formele zin is neergelegd. De formele wetgever is bevoegd en hoe ver de wetgever het grondrecht wil beperken is aan de wetgever. Het EVRM eist echter dat de wetgever bij het beperken van grondrechten niet verder gaat dan noodzakelijk en dat er een evenredige verhouding is tussen de grondrechteninperking en het doel dat daarmee wordt nagestreefd (1 punt).

Bij het essay worden ten slotte maximaal 2 punten toegekend indien het geschreven is in foutloos Nederlands, geen stijl- en schrijffouten bevat en voorzien is van een logische structuur.

35.

(A) Het gaat hier om horizontale werking, want Tuinman beroept zich op een grondrecht in een geschil met een andere private persoon/onderneming. (Er is hier geen sprake van een geschil met de overheid, dus geen ‘verticale’ relatie.)

(B) Ja. Naar de huidige rechtsopvatting gelden grondrechten in beginsel onverkort voor personen die ten opzichte van de overheid in een bijzondere rechtsverhouding staan, zoals ambtenaren. Wel kunnen op grondslag van de grondwettelijke beperkingsclausules of clausuleringen voor deze personen in een speciale wet meer en andere beperkingen worden vastgesteld dan voor burgers in het algemeen gelden [zie bijv. art. 125a Ambtenarenwet of art. 15 lid 4 Grondwet].

(C) Artikel 8 Grondwet garandeert de verenigingsvrijheid. Volgens dit artikel is beperking van dit grondrecht slechts mogelijk door de wetgever in formele zin (‘bij de wet’), dus niet d.m.v. een gemeentelijke verordening (De burgemeester heeft dus gelijk.).

36. B

37. B

38. B

39. D

40. D

41. Artikel 26 lid 3 Gem. w. (0,5 punt) biedt de burgemeester de mogelijkheid om een raadslid dat de orde verstoord het verder verblijf in de vergadering te ontzeggen en hem zo nodig – als hij niet vrijwillig de zaal verlaat – te laten verwijderen. Vervolging voor beledigende uitlatingen tijdens een raadsvergadering is niet mogelijk o.g.v. de onschendbaarheid van raadsleden krachtens art. 22 Gem. w. toekomt voor uitingen die tijdens vergaderingen gedaan worden. De door De Vries voorgestelde verordening tast de verenigingsvrijheid aan. Deze is gegarandeerd in artikel 8 GW. o.g.v. dit artikel mag de verenigingsvrijheid slechts worden ingeperkt door een wet in formele zin. Er is geen delegatie van die inperkingsbevoegdheid mogelijk, dus de gemeente mag geen verordeningen maken die een inperking van de verenigingsvrijheid inhouden.

Mocht de raad de door De Vries voorgestelde verordening toch vaststellen dan kan de burgemeester dit besluit o.g.v. artikel 273 Gem. w. binnen twee dagen via de Gedeputeerde Staten ter kennis brengen aan de Minister van Binnenlandse Zaken en voordragen voor vernietiging. De regering kan vervolgens het raadsbesluit bij Koninklijk Besluit vernietigen vanwege strijd met de Grondwet.

O.g.v. artikel 5 WOM kan de burgemeester de demonstratie verbieden in drie gevallen:

  • Als de vereiste kennisgeving niet is gedaan;

  • Als de bij die kennisgeving vereiste gegevens niet zijn verstrekt.

  • Als één van de belangen van artikel 2 WOM dat vordert.

Die belangen van artikel 2 WOM zijn: de bescherming van de gezondheid, het belang van het verkeer en de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De EVRM-bescherming van de demonstratievrijheid brengt echter met zich dat de inbreuk op die vrijheid altijd proportionele moet zijn, d.w.z. in redelijke verhouding moet staan tot het nagestreefde doel. Hieruit vloeit voort dat de burgemeester niet bij een geringe dreiging van wanordelijkheden direct mag overgaan tot een verbod.

42. D

43. Het recht op een eerlijk proces is te vinden in art. 6 van het EVRM (1 punt; 0,5 punt voor het enkel noemen van het EVRM; alternatief kan worden genoemd art. 14 IVBPR; géén punt wordt toegekend voor een verwijzing naar de UVRM, omdat dit document geen bindend karakter heeft). Betoogd kan worden dat dit geen meerwaarde zal hebben: immers, de Nederlandse rechter kan nu ook al toetsen aan art. 6 EVRM, nu dit artikel een ieder verbindend is (1 punt; géén punt voor de opmerking dat het recht op een eerlijk proces nu ook al bindend is, dit betekent namelijk nog niet dat iemand er voor de rechter een beroep op kan doen, en opname in de Grondwet kan dan wel degelijk een meerwaarde hebben). Zie art. 93 Grondwet (0,5 punt). Alternatief kan betoogd worden dat, ook al kan de rechter nu al aan dit recht toetsen, opname in de Grondwet symbolische waarde kan hebben, omdat het van belang is dit fundamentele recht ook in onze Grondwet te verankeren (maximaal 1 punt voor een goede toelichting op het belang van het opnemen van dergelijke fundamentele rechten in de Nederlandse Grondwet, ook al staan deze al in het EVRM).

44. D

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

1. D

2. A

3. C

4. C

5. B en D

6. A

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. C

2. B

3. C

4. B

5. Klassieke grondrechten betreffen de burgerlijke en politieke rechten. Bijvoorbeeld het kiesrecht, vrijheid van meningsuiting, recht op privacy, godsdienstvrijheid en het discriminatieverbod. Sociale grondrechten betreffen de economische, sociale en culturele rechten. Bijvoorbeeld het recht op huisvesting, sociale zekerheid, gezondheidszorg en onderwijs. Deze laatste categorie is meestal niet afdwingbaar 

Sociale grondrechten zijn meestal niet afdwingbaar bij de rechter, klassieke grondrechten zijn dit wel. Een burger kan bijvoorbeeld een kort geding aanspannen als een gemeente zonder goede redenen een demonstratie wenst te verbieden.

6. Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is een Europees verdrag waarin de mensen- en burgerrechten van alle inwoners van de aangesloten landen zijn vastgelegd. Dit verdrag biedt burgers van de aangesloten landen de mogelijkheid om de eerbiediging, of gebrek daaraan, van hun rechten en fundamentele vrijheden bij de rechter te laten toetsen. Zij kunnen hiervoor een procedure starten bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg.

7. De grondwet beschermt burgers tegen de overheid , in principe gelden grondrechten daarom tussen burger en overheid. Dit fenomeen heet verticale werking - dus van hoog naar laag. Burgers kunnen zich ook onderling op grondrechten beroepen, dit is horizontale werking. Wel is niet elk recht daar even geschikt voor. Zo zou een burger een ander bijvoorbeeld niet in het kiesrecht kunnen belemmeren.

8. De grondslag van de beperking is gelegen in het liberale gedachtegoed dat de vrijheid van de een wordt beperkt door de vrijheid van de ander. Bij de meeste in onze Grondwet opgenomen grondrechten is er dan ook de mogelijkheid opgenomen om het grondrecht te beperken bij formele wet. Een voorbeeld is Artikel 8 (recht van vereniging) van de Nederlandse Grondwet. Hier staat: "(..). Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde." Bij artikel 6 van de Nederlandse Grondwet staat bijvoorbeeld: behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Dus de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging kan beperkt worden in het Wetboek van Strafrecht. Alleen de strafrechter mag toetsen of iemand strafbaar is, ondanks het feit dat hij zich op dit grondrecht beroept.

De meeste grondrechten kunnen worden beperkt in het belang van de openbare orde. Zo mag de vrijheid van vereniging in artikel 8 worden ingeperkt als het criminele organisaties betreft. Een ander voorbeeld is het brief- en telefoongeheim van artikel 13, welk worden beperkt als iemand verdacht wordt van een strafbaar feit.

Wat houdt decentralisatie in? - Tentamens 15

Wat houdt decentralisatie in? - Tentamens 15

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

Een anterieure gemeentelijke verordening die hetzelfde onderwerp bestrijkt als een hogere regeling komt van rechtswege te vervallen.

  1. Correct
  2. Niet correct

Vraag 2

Als aan besturen van de centrale overheden, de bevoegdheid tot regeling en bestuur van de 'huishouding' van provincie of gemeente wordt overgelaten, is er sprake van:

  1. Delegatie
  2. Medebewind
  3. Autonomie
  4. Centralisatie

Vraag 3

Indien de Gemeentewet verplichtingen oplegt aan een gemeentebestuur, dan spreekt men van medebewind.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 4

Preventief toezicht tast de autonomie van decentrale overheden meer aan dan repressief toezicht.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 5

Met betrekking tot de taken en bevoegdheden die worden uitgeoefend door het provincie- en gemeentebestuur wordt wel onderscheid gemaakt tussen autonome taken en medebewindstaken. Welke van de onderstaande taken kan worden gezien als een medebewindstaak?

  1. Het opstellen van een inspraakvordering door de Provinciale Staten, op grond van artikel 147 Provinciewet.
  2. Het verrichten van periodiek onderzoek door het college van burgemeester en wethouders naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het door het college gevoerde bestuur, op basis van artikel 213a Gemeentewet.
  3. Het vaststellen van een belastingverordening door de gemeenteraad, op grond van artikel 216 Gemeentewet.
  4. Het vaststellen van een bestemmingsplan door de gemeenteraad, conform artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening.

Vraag 6

In Nederland geldt voor openbare lichamen en hun bestuursorganen een hiërarchische verhouding. Dit betekent dat een orgaan van een hoger lichaam altijd preventief toezicht kan houden op besluiten van besturen van organen van lagere lichamen.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 7

Op het moment dat een posterieure gemeentelijke verordening hetzelfde onderwerp regelt als een hogere regeling, dan:

  1. Komt deze verordening van rechtswege te vervallen;
  2. Komt deze verordening te vervallen als de hogere regeling hetzelfde motief heeft;
  3. Mag deze verordening de hogere regeling in beginsel aanvullen, tenzij zij daarmee in strijd is;
  4. Mag deze verordening de hogere regel aanvullen, zelfs wanneer die hogere regeling uitputtend is bedoeld.

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

Vraag 1

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden heeft op basis van een autonome verordening een subsidie toegekend aan de lokale carnavalsvereniging.

Het besluit is evenwel onrechtmatig omdat het op een wijze tot stand is gekomen die zich niet verdraagt met nationale wetgeving.

De regering neemt kennis van deze gang van zaken en wenst ertegen op te treden. Is zij hiertoe bevoegd?

  1. Ja, voor zover zij tijdig bezwaar instelt bij de raad van de gemeenten Reusel-De Mierden;
  2. Nee, alleen de wetgever is bevoegd op te treden tegen onrechtmatig genomen autonome besluiten;
  3. Ja, zij is bevoegd het besluit te vernietigen wegens strijd met het recht;
  4. Nee, het is aan Provinciale Staten om het besluit te vernietigen en een nieuw besluit te nemen.

Vraag 2

De Friese gemeente Gjinjiltseradiel zit ook in 2015 weer in de financiële problemen. Al vaker is de gemeentelijke begroting onderworpen geweest aan provinciale goedkeuring en ook dit jaar dreigt een tekort. De regerende coalitie heeft echter in zijn bestuursakkoord beloofd de onroerende zaaksbelasting niet te zullen verhogen. Het college overweegt nu aan de raad voor te stellen bij autonome verordening een siervogelbelasting voor de ingezetenen in te voeren. Is de raad van de gemeente Gjinjiltseradiel bevoegd deze belasting in te voeren?

  1.  Ja, daartoe is de raad bevoegd, omdat de eigen belastingen onder de autonome gemeentelijke bevoegdheden vallen; 
  2. Ja, daartoe is de raad bevoegd, maar alleen indien het college van GS van Fryslân daarvoor toestemming geeft;
  3. Nee, daartoe is de raad niet bevoegd, daar er voor een dergelijke belasting geen wettelijke grondslag is;
  4. Nee, daartoe is de raad niet bevoegd, tenzij de minister van Financiën daarvoor toestemming verleent op grond van de Financiële verhoudingswet.

Overige oefenvragen

Vraag 1

"Een krachtige en dienstverlenende overheid vraagt een duidelijke afbakening van taken en verantwoordelijkheden tussen en binnen bestuurslagen. Het overbrengen van een groot aantal taken van het Rijk naar gemeenten maakt meer maatwerkmogelijk en vergroot de betrokkenheid van burgers. Gemeenten kunnen de uitvoering van de taken beter op elkaar afstemmen en zo meer doen voor minder geld. Hiertoe biedt het Rijk hen ruime beleidsvrijheid." (Regeerakkoord Kabinet-Rutte-Asscher)

Welk kenmerk van de organisatie van de Nederlandse eenheidsstaat herken je hierin?

  1. ‘Checks and balances’.
  2. Decentralisatie.
  3. Intergouvernementalisme.
  4. Legaliteitsbeginsel.

Vraag 2

Wat is functionele decentralisatie?

Vraag 3

Geef een voorbeeld van een functioneel gedecentraliseerd lichaam.

Vraag 4

Van welke vorm van decentralisatie (territoriaal of functioneel) is sprake bij waterschappen?

Vraag 5

Als de Gemeentewet het gemeentebestuur verplicht om een verordening vast te stellen (oftewel, om regels te maken), is dan sprake van ‘autonomie’ of van ‘medebewind’?

Vraag 6

Op welke gronden kan een besluit worden vernietigd?

Vraag 7

Waar is de vernietigingsbevoegdheid geregeld?

Vraag 8

Waar in de Grondwet vindt men de regels omtrent decentralisatie?

Vraag 9

Waarom spreekt men van ‘spontane vernietiging’?

Vraag 10

Benoem het verschil tussen algemene en specifieke uitkeringen.

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. A

2. C

3. B

4. A

5. D

6. B

7. C

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

1. C

2. C

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. B

2. Het toekennen van bevoegdheden tot regeling en bestuur aan organen van publiekrechtelijke lichamen die op het gehele grondgebied van het Rijk voor een bepaalde tak van werkzaamheid wetgevende en bestuursbevoegdheid uitoefenen.

3. Openbare lichamen voor beroep en bedrijf (art. 134 GW) en de andere openbare lichamen die dit artikel op het oog heeft. Bijvoorbeeld de in de Wet op bedrijfsorganisatie geregelde bedrijfslichamen.

4. Hier is sprake van een tussenvorm (art. 133, GW). Zij oefenen een publiekrechtelijke taak op een bepaald onderdeel van overheidszorg uit,  maar op een bepaald, territoriaal beperkt gebied.

5. Autonomie, omdat het in de Gemeentewet staat. Stond het in een andere wet of in een lagere regeling op grond van een andere wet, dan was het antwoord medebewind.

6. Wegens strijd met het recht of het algemeen belang (art. 132, lid 4, GW)

7. Art. 132, lid 4 GW , art. 10:35 Awb , art. 271 Provinciewet en art. 278 Gemeentewet

8. In hoofdstuk 7 van de Grondwet (art. 123 – 136).

9. Omdat de regering het besluit tot schorsing dan wel vernietiging op eigen initiatief kan uitoefenen.

10. De algemene uitkering komt ten goede aan de algemene middelen van de provincies en de gemeenten (art. 6). De specifieke uitkering is bedoeld voor de bestrijding van specifiek aangeduide kosten, zoals – bij gemeenten – bijstand, sociale woonvoorziening en onderwijs.

Welke rol vervullen de provincie, gemeente en waterschap? - Tentamens 16

Welke rol vervullen de provincie, gemeente en waterschap? - Tentamens 16

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

In geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, kan de burgemeester een noodverordening uitvaardigen, mits de inhoud daarvan niet afwijkt van wetten in formele zin of de Grondwet.

  1. Correct
  2. Niet correct

Vraag 2

Welke van de onderstaande stellingen is juist?

  1. Wethouders zijn lid van de gemeenteraad
  2. Wethouders worden benoemd door de gemeenteraad
  3. Een wethouder kan niet tegelijkertijd lid zijn van de provinciale staten
  4. Wethouders worden benoemd door de burgemeester

Vraag 3

Er wordt wel betoogd dat de democratische legitimatie van de Eerste Kamer minder sterk is dan die van de Tweede Kamer. Dit zou komen doordat:

  1. De Eerste Kamer minder leden telt dan de Tweede Kamer
  2. De Eerste Kamer wordt gekozen door provinciale staten.
  3. De Eerste Kamer geen recht van amendement heeft.
  4. De Eerste Kamer geen recht van initiatief heeft.

Vraag 4

De gemeente Almere had deze zomer last van nudisme. In de zomermaanden ontving de gemeente veel klachten van inwoners over Duitse toeristen die naakt recreëerde. De gemeente Almere neemt dit zeer serieus en neemt in de gemeentelijke verordening het volgende op:

'Het is in de maanden juni, juli en augustus verboden naakt te zwemmen binnen de gemeentegrenzen van Almere'.

Kan deze bepaling in stand blijven?

  1. Ja, want de toevoeging 'binnen de gemeentegrenzen van Almere' is in overeenstemming met de territoriale grens.
  2. Nee, want de bepaling is ook van toepassing op personen die niet in Almere wonen.
  3. Ja, want de verbodsbepaling dient het algemeen belang van de inwoners van Almere.
  4. Nee, want de bepaling reguleert ook gedragingen waaraan elk openbaar karakter ontbreekt.

Vraag 5

De burgemeester is voorzitter van zowel de gemeenteraad als het college van burgemeester en wethouders.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 6

Welk van de onderstaande stellingen over de gemeenteraad is onjuist?

  1. De raad is het hoogste orgaan van de gemeente.
  2. De raad kan het college van burgemeester en wethouders ontslag verlenen.
  3. De raad kan een bestuurscommissie instellen.
  4. De raad benoemt de wethouders.

Vraag 7

De gemeente Assen heeft regelmatig te kampen met grote overlast van aanplakbiljetten van grote commerciële bedrijven. Vrijwel elk openbaar gebouw in de stad wordt regelmatig beplakt. Het kost de gemeente veel geld om de openbare ruimte van de stad enigszins schoon te houden. De gemeenteraad besluit daarom bij gemeentelijke verordening een aanplakverbod in de APV van Assen op te nemen. De verbodsbepaling luidt als volgt: ‘Het is verboden buiten de daarvoor aangewezen plaatsen op of aan een bouwwerk binnen de grenzen van de gemeente Assen, een drukwerk, spandoek, aanplakbiljet of ander geschrift aan te brengen of te bevestigen, dan wel letters, cijfers, woorden of afbeeldingen aan te brengen of te bevestigen.’

Deze verbodsbepaling in de APV:

  1. Is onverbindend, omdat de verordening de benedengrens van de wetgevende bevoegdheid van de gemeenteraad overschrijdt;
  2. Is onverbindend, omdat de verordening de zijgrens van de wetgevende bevoegdheid van de gemeenteraad overschrijdt;
  3. Is verbindend, aangezien de reikwijdte van de bepaling is beperkt tot de territoriale grenzen van de gemeente Assen;
  4. Is verbindend, omdat het motief van de gemeenteraad voor het opstellen van de verbodsbepaling (tegengaan van overlast van aanplakbiljetten) legitiem is.

Vraag 8

Handhaving en openbare orde behoren tot de taken van de burgemeester. Welk van de onderstaande stellingen hierover is juist?

  1. De burgemeester kan in het geval van een ramp een bevel geven dat afwijkt van de Grondwet.
  2. De burgemeester kan in het geval van ernstige wanordelijkheden alleen bevelen geven aan de inwoners van zijn gemeente.
  3. De burgemeester kan bij oproerige bewegingen een burger die zijn bevelen niet opvolgt voor maximaal 24 uur opsluiten.
  4. De burgemeester kan indien door gedragingen in een woning de openbare orde rond de woning wordt verstoord deze woning sluiten.

Vraag 9

Welk van de onderstaande opmerkingen over het gemeentebestuur is juist?

  1. Binnen het gemeentebestuur hebben wethouders geen zelfstandige wettelijke bevoegdheden.
  2. De burgemeester is voorzitter van het college van B&W, maar heeft daarbinnen geen stemrecht.
  3. Aangezien de burgemeester benoemd wordt door de regering, is de invloed van de gemeenteraad op die benoeming zeer gering.
  4. Wethouders kunnen aanwezig zijn bij vergaderingen van de gemeenteraad en daarbij meestemmen over de onderwerpen die ter stemming worden gebracht.

Vraag 10

Een gemeentelijke verordening:

  1. Kan onder bepaalde omstandigheden een hogere regeling aanvullen, zelfs als de hogere regeling betrekking heeft op hetzelfde onderwerp als de verordening;
  2. Moet door de rechter onverbindend worden verklaard indien zij hetzelfde onderwerp heeft als een hogere regeling, maar een ander motief;
  3. Kan na een onverbindendverklaring door de rechter op grond van de leer van de splitsbare wilsverklaring worden gesplitst in een geldig en een ongeldig deel;
  4. Kan alleen door de rechter onverbindend worden verklaard als zij in strijd is met een hogere regeling.

Vraag 11

Tegenwoordig hebben veel wetten het karakter van 'kaderwetgeving'. Dit betekent dat de wetgever in formele zin zelf nauwelijks inhoudelijke normen stelt, maar de bevoegdheid tot inhoudelijke normstelling delegeert aan lagere regelgevers. Hierdoor kan er een zekere spanning met het legaliteitsbeginsel ontstaan. Welk van de onderstaande alternatieven geeft deze spanning juist weer?

  1. Op grond van de door middel van delegatie verkregen bevoegdheid tot inhoudelijke normstelling kunnen lagere regelgevers zelf nieuwe regelgevende bevoegdheden creëren.
  2. Het legaliteitsbeginsel vereist dat er voor elk overheidsoptreden een wettelijke grondslag bestaat. Indien een regelgevende bevoegdheid wordt gedelegeerd aan een lager bestuursorgaan, ontbreekt die wettelijke grondslag.
  3. Doordat de wetgever in formele zin zich in veel gevallen beperkt tot kaderwetgeving, is er van de oorspronkelijke gedachte van het opleggen van verplichtingen aan burgers op basis van formele, democratische gelegitimeerde, wetgeving weinig meer over.
  4. Het legaliteitsbeginsel houdt in dat overheidsoptreden in overeenstemming met het recht geschiedt. Doordat de echte normstelling veel door de lagere regelgevers geschiedt, kan de rechterlijke controle hierop in het gedrang komen.

Vraag 12

Anterieure gemeentelijke verordeningen die hetzelfde onderwerp regelen als een hogere regeling kunnen zonder rechterlijke tussenkomst hun verbindende kracht verliezen.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 13

Hieronder staan een paar opmerkingen over het gemeentebestuur, welke opmerking is onjuist?

  1. De gemeenteraad bepaalt welke taak een wethouder krijgt.
  2. Het college van burgemeester en wethouders voert de besluiten van de gemeenteraad uit.
  3. De burgemeester wordt benoemd door de regering.
  4. Het college van burgemeester en wethouders benoemd en ontslaat ambtenaren.

Vraag 14

Wanneer een posterieure gemeentelijke verordening en een hogere regeling een bepaling bevatten over hetzelfde onderwerp, dan:

  1. Dan vervalt de gemeentelijke verordening van rechtswege.
  2. Dan wordt de gemeentelijke verordening ongeldig verklaard.
  3. Dan mag de gemeentelijke verordening de hogere regeling aanvullen, mits er geen sprake is van strijd.
  4. Dan vervangt de gemeentelijke verordening de hogere regeling en wordt de hogere regeling ongeldig verklaard.

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

Vraag 1

Jean is 27 jaar oud en Belg, maar al wel 6 jaar woonachtig in het Zuiden van ons land. Als ereen vacature is voor burgemeester in zijn woonplaats besluit hij te solliciteren. Maakt hij kans het ambt te mogen vervullen?

  1. Nee, want de burgemeester moet Nederlander zijn;
  2. Ja, want hij verblijft meer dan 5 jaren legaal in Nederland;
  3. Nee, want als EU-onderdaan heeft hij wel actief maar geen passief kiesrecht;
  4. Ja, want als EU-onderdaan heeft hij zowel actief als passief kiesrecht.

Vraag 2

Spontane vernietiging van besluiten van het college van B&W is een bevoegdheid van:

  1. De raad;
  2. De burgemeester;
  3. De Commissaris van de Koning;
  4. De regering

Vraag 3

De regering overweegt om Nederlanders die buiten Nederland wonen het actieve kiesrecht voor de Eerste Kamer te verlenen. Is hiervoor een wijziging van de Grondwet vereist?

  1. Nee;
  2. Ja, gelet op art. 4 Grondwet;
  3. Ja, gelet op art. 50 Grondwet;
  4. Ja, gelet op art. 55 Grondwet.

Vraag 4

De raad van de gemeente Kaag en Braasem vreest radicalisering van de lokale schakende jeugd.

Daarom vaardigt hij een verordening uit waarin het de komende drie maanden verboden wordt schaaktijdschriften te verspreiden.

Is dit verbod in overeenstemming met de Grondwet?

  1. Ja, indien het verbod noodzakelijk is in het licht van de openbare orde;
  2. Ja, voor zover het mogelijk blijft andere tijdschriften te verspreiden in Kaag en Braasem;
  3. Nee, tenzij het redelijkerwijs mogelijk blijft een ontheffing van het verbod te verkrijgen;
  4. Nee, dit verbod betreft de inhoud en is daarom ongrondwettig.

Vraag 5

Wethouder Prul van de gemeente Reusel-De Mierden heeft festiviteiten en lokale cultuur in zijn portefeuille. Hij wil dat het college van burgemeester en wethouders een subsidie toekent aan de plaatselijke carnavalsvereniging, op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening.

Tijdens de collegevergadering waarin dit besluit genomen wordt, heeft de burgemeester tevergeefs betoogd dat de subsidieverlening onrechtmatig is. Alle wethouders stemmen voor het besluit, terwijl alleen de burgemeester tegen stemt. Is de burgemeester verantwoording verschuldigd aan de raad voor de subsidietoekenning?

  1. Nee, de burgemeester is geen verantwoording verschuldigd voor besluiten van de wethouders;
  2. Nee, de burgemeester heeft immers tegen het besluit gestemd;
  3. Nee, alleen wethouder Prul is verantwoording verschuldigd voor het besluit, aangezien de subsidie binnen zijn portefeuille valt;
  4. Ja, alle leden van het college zijn verantwoording aan de raad verschuldigd voor het besluit subsidie toe te kennen.

Overige oefenvragen

Vraag 1

De burgemeester van Tilburg is van plan een betoging te verbieden van de ultralinkse groepering “joy to the world”, uit angst dat er rellen uitbreken. De kans op rellen is groot, nu verschillende groeperingen via Twitter hebben opgeroepen om – desnoods met geweld – op te treden tegen de groepering “joy to the world”. Kan de burgemeester de betoging op grond van de Grondwet verbieden?

  1. Nee, dit kan niet. Dit kan pas als er daadwerkelijk rellen uitbreken.
  2. Nee, dit kan niet. De burgemeester heeft geen wettelijke grondslag voor zo’n verbod.
  3. Ja, dit kan. De beperking is toegestaan op grond van de Grondwet, ter voorkoming van wanordelijkheden.
  4. Ja, dit kan. Maar alleen als dit noodzakelijk is in een democratische samenleving

Vraag 2

Wat zijn provincies?

Vraag 3

Wat zijn de belangrijkste bevoegdheden van het provinciale bestuur?

Vraag 4

Wat zijn de gedeputeerde staten?

Vraag 5

Wat zijn de taken van de commissaris van de Koning?

Vraag 6

Welke commissies worden onderscheiden in de Gemeentewet?

Vraag 7

Wie stelt de gemeentelijke verordeningen vast?

Vraag 8

Wat zijn waterschappen?

Vraag 9

Wat zijn publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties?

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. B

2. B

3. B

4. D

5. A

6. B

7. A

8. D

9. A

10. A

11. C

12. A

13. C

14. C

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

1. A

2. D

3. D

4. D

5. D

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. C

2. Provincies zijn regionale rechtsgemeenschappen die slechts bevoegdheden hebben voor zover de centrale overheid die niet aan zich heeft getrokken.

3. De bevoegdheden van het provinciale bestuur zijn:

  • Het instellen van Statencommissies die besluitvorming van provinciale staten kunnen voorbereiden en met gedeputeerde staten of de commissaris kunnen overleggen.

  • Het instellen van bestuurscommissies en daaraan eigen bevoegdheden overdragen.

  • Het instellen van adviescommissies.

4. Het dagelijks bestuur van de provincie ligt in handen van gedeputeerde staten dat bestaat uit de commissaris van de Koning, die voorzitter is, en gedeputeerden. Door de dualisering van het provinciale bestuur is de combinatie van lidmaatschap van provinciale staten en van gedeputeerde staten verboden. De gedeputeerden worden benoemd door provinciale staten die vrij is gedeputeerden ook van buiten provinciale staten te kiezen. Wanneer iemand gekozen wordt die zitting heeft in de provinciale staten moet deze wel eerst zijn lidmaatschap daarvan opgeven.

5. De commissaris van de Koning heeft een aantal taken:

  • een coördinerende taak,

  • hij bevordert de samenwerking met andere provincies en andere overheden,

  • hij bewaakt de kwaliteit van procedures betreffende burgerparticipatie en de afhandeling van bezwaarschriften en klachten,

  • hij brengt jaarlijks een burgerjaarverslag uit over de provinciale dienstverlening en de burgerparticipatie,

  • hij bevordert een goede behartiging van de provinciale aangelegenheden,

  • hij vertegenwoordigt de provincie in en buiten rechte,

  • hij wordt geïnformeerd over de uitkomsten van de college-onderhandelingen en kan zijn mening over het ontwerp-collegeprogramma kenbaar maken,

  • hij moet besluiten van het provinciebestuur, die, naar zijn oordeel voor vernietiging in aanmerking komen, bij de Minister van Buitenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties signaleren.

Zijn taak als rijksfunctionaris is gebaseerd op art. 126 van de Grondwet. Dit houdt in dat bij wet kan worden bepaald dat de commissaris wordt belast met de uitvoering van een door de regering te geven ambtsinstructie.

6. De gemeentewet onderscheidt drie soorten commissies:

  • raadscommissies – bereiden besluitvorming van de raad voor

  • bestuurscommissies – oefenen bevoegdheden uit voor de raad, het college van B&W of de burgemeesters die zijn gedelegeerd

  • andere commissies (meestal adviescommissies)

7. Volgens art. 127 van de Grondwet stelt de gemeenteraad, behoudens bij de wet of door hemzelf krachtens de wet te bepalen uitzondering, de gemeentelijke (posterieure) verordeningen vast.

8. Een waterschap is een overheidsorganisatie, net zoals de Rijksoverheid, de provincies en de gemeenten. Een waterschap zorgt voor het waterbeheer in een bepaald gebied.

9. Een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie is in ons ondernemingsrecht een bij wet ingestelde vereniging van producenten of ondernemers. Er wordt onderscheid gemaakt tussen productschap en bedrijfschap.

De publiekrechtelijke organisaties kennen verplicht lidmaatschap en kunnen bindende voorschriften uitvaardigen.

Welke structuur heeft het Koninkrijk? - Tentamens 17

Welke structuur heeft het Koninkrijk? - Tentamens 17

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

Regels over aangelegenheden van het Koninkrijk die gelden in Aruba, Sint Maarten of Curaçao, worden bij rijkswet vastgesteld.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 2

Welk van de onderstaande stellingen over het Koninkrijk der Nederlanden is juist?

  1. In de normenhiërarchie staat de Grondwet hoger dan het Statuut.
  2. Regelgeving die van toepassing is op het Europese deel van Nederland is in beginsel ook van toepassing op Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
  3. De wetgever van het Koninkrijk bestaat uit de Koninkrijksregering en het rijksparlement.
  4. Het Statuut bevat enkel regels over de verhoudingen binnen het Koninkrijk en geen regels over de interne zaken van elk van de landen binnen het Koninkrijk.

Vraag 3

De regering kan pas een wetsvoorstel indienen bij de Tweede Kamer, nadat:

  1. Een staatscommissie het wetsvoorstel heeft voorbereid;
  2. Het wetsvoorstel is behandeld in de ministerraad;
  3. De Koning het wetsvoorstel heeft bekrachtigd;
  4. Een meerderheid van de Tweede Kamer hiermee heeft ingestemd.

Vraag 4

Aangezien rijkswetten gelden voor alle landen van het Koninkrijk, moet een wetsvoorstel tot wijziging van een rijkswet ter stemming worden gebracht in de parlementen van alle landen van het koninkrijk en kan de Koning zo’n wetsvoorstel pas bekrachtigen als die parlementen het wetsvoorstel hebben goedgekeurd.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 5

Op welke wijzen kan de Gevolmachtigde Minister van Aruba, Curaçao of Sint Maarten invloed uitoefenen op de totstandkoming van een rijkswet?

  1. De Gevolmachtigde Minister kan op de totstandkoming van een rijkswet geen invloed uitoefenen.
  2. De Gevolmachtigde Minister kan de totstandkoming van een rijkswet eenzijdig blokkeren.
  3. De Gevolmachtigde Minister kan een initiatiefwetsvoorstel voor een rijkswet indienen.
  4. De Gevolmachtigde Minister kan aan de Tweede Kamer het voorstel doen om het wetsvoorstel voor een rijkswet te amenderen.  

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

Vraag 1

Stel dat de regering van Curaçao wenst dat een verdrag wordt gesloten met Venezuela. Wie is daar dan toe bevoegd?

  1. De regering van Curaçao;
  2. De regering van de Nederlandse Antillen;
  3. De regering van het Koninkrijk;
  4. De wetgever van het Koninkrijk.

Overige oefenvragen

Vraag 1

Waaruit bestaat het Koninkrijk der Nederlanden

Vraag 2

Hoe wordt het Koninkrijk der Nederlanden vertegenwoordigd?

Vraag 3

Wat zijn rijkswetten?

Vraag 4

Welke belangrijke verandering heeft recent in het Statuut plaatsgevonden?

Vraag 5

Wat zijn algemene maatregelen van rijksbestuur?

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. A

2. B

3. B

4. B

5. D

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

1. C

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. Het Koninkrijk der Nederlanden omvat sinds 10 oktober 2010 vier landen: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

2. De Kroon van het Koninkrijk wordt gedragen door de erfelijke Koning der Nederlanden. De Koning is staatshoofd van het Koninkrijk. Hij voert de regering over het Koninkrijk en over de landen afzonderlijk. In Aruba, Curaçao en Sint Maarten vertegenwoordigt een gouverneur de Koning als staatshoofd van het Koninkrijk in diens uitoefening van de regering over het land. 

3. De term rijkswet wordt gebruikt voor een wet die, anders dan de meeste wetten, geldt voor het gehele koninkrijk. 

4. Al enige tijd bestond zowel bij de Nederlandse Antillen als bij Nederland grote ontevredenheid over de bestaande bestuurlijke verhoudingen. Sint Maarten, Bonaire en Curaçao hadden een behoefte aan grotere zelfstandigheid. De kleinere eilanden hadden de wens minder afhankelijk te zijn van de grotere eilanden. In 2005 zijn er nieuwe afspraken gemaakt. Op 10 oktober 2010 is het Statuut bij rijkswet in werking getreden.

De eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben een staatsrechtelijke positie gekregen binnen het Nederlandse staatsbestel. In het Statuut is de mogelijkheid voor de eilanden gecreëerd om af te wijken van het Europese beleid.

5. Ter uitvoering van rijkswetten kunnen algemene maatregelen van rijksbestuur worden afgekondigd. Zij worden op dezelfde manier vastgesteld als de Nederlandse maatregelen van bestuur. In de plaats van de Nederlandse ministerraad komt de ministerraad van het Koninkrijk en in de plaats van de Raad van State komt de Raad van State van het Koninkrijk.

Wat is de rol van de Europese Unie? - Tentamens 18

Wat is de rol van de Europese Unie? - Tentamens 18

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Vraag 1

De raad van Europa is onderdeel van de Europese Unie.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 2

Welke stelling klopt?

  1. Uit art. 17 VEU volgt dat de Europese Commissie een onafhankelijk orgaan is en geen instructies accepteert van de regeringen van de EU-lidstaten.
  2. Uit art. 15 VEU volgt dat de Europese Raad bestaat uit de staatshoofden en regeringsleiders van de EU-lidstaten en wetgevende taken uitoefent.

Vraag 3

Een lid van de Europese Commissie vertegenwoordigt op Europees niveau zijn lidstaat.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 4

Welk van de onderstaande opmerkingen over de Europese Unie is juist?

  1. De Europese Unie vormt een intergouvernementeel samenwerkingsverband.
  2. De Europese Unie heeft geen direct gekozen parlement.
  3. De Europese Unie is van oorsprong een mensenrechtelijk samenwerkingsverband.
  4. De Europese Unie is voor de uitbreiding van haar bevoegdheden afhankelijk van de lidstaten.

Vraag 5

In de sfeer van het EU-recht is een prejudiciële vraag:

  1. Een vraag van een EU-rechter aan een nationale rechter met als doel informatie in te winnen over een nationaal rechtssysteem, opdat het Hof van Justitie van de EU rekening kan houden met de specifieke nationale context;
  2. Een instrument om de uniforme toepassing van het EU-recht in de verschillende lidstaten te garanderen, zodat het logisch is dat nationale rechters telkens verplicht zijn zo’n vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de EU bij toepassing van EU-recht;
  3. Een vraag van een nationale gerechtelijke instantie aan het Hof van Justitie van de EU over onder andere de uitleg van de EU-verdragen;
  4. Een vraag van een nationale rechterlijke instantie aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over onder andere de uitleg van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Europees Sociaal Handvest.

Vraag 6

De positie van de nationale rechter bij de toepassing van het EU-recht verschilt van die bij de toepassing van het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) in die zin dat:

  1. Het EU-recht doorwerkt via de artikelen 93 en 94 van de Grondwet en het EVRM een eigen rechtsorde vormt en doorwerkt buiten deze artikelen om;
  2. De nationale rechter bij onduidelijkheid over de uitleg van een bepaling uit het EVRM het Europese Hof voor de Rechten van de Mens om een oordeel moet vragen, terwijl een vergelijkbare mogelijkheid niet bestaat bij het EU-recht.
  3. De burgers voor de nationale rechter rechtstreeks een beroep kunnen doen op bepalingen van EU-recht, maar niet op bepalingen uit het EVRM;
  4. De lagere nationale rechter op grond van artikel 267 van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie bevoegd is vragen over de uitleg van het EU-recht voor te leggen aan het Hof van Justitie van de EU, terwijl een vergelijkbare mogelijkheid voor het EVRM niet bestaat.

Vraag 7

Bepalingen van de verdragen betreffende de Europese Unie hebben in Nederland verbindende kracht omdat een daartoe strekkende bepaling in de Grondwet te vinden is.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Vraag 8

Als Nederland uit de Europese Unie stapt is ons land volledig soeverein.

  1. Dit is juist.
  2. Dit is onjuist.

Open vragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

Let op: de antwoorden op deze vragen zijn verspreid over de hoofdstukken te vinden. 

Vraag 1

De democratische rechtsstaat van Nederland kan niet meer los worden gezien van de internationale juridische ontwikkelingen en daarnaast ook de verdragen. Onderwerpen zoals grondrechtenbescherming, economische samenwerking en milieubescherming zijn opgenomen in verdragen. De vergaande invloed van deze verdragen leidt tot de vraag wat de rol van het parlement is bij de totstandkoming hiervan.

In februari 2015 diende Joost Taverne van de VVD een initiatiefwetsvoorstel in tot het veranderen van de Rijkswet, namelijk goedkeuring en bekendmaking verdragen (Zie hiervoor Kamerstukken II 2014/15, 34 158 (R 2048) nr. 2). Met dit voorstel beoogt men de mogelijkheid van stilzwijgende goedkeuringen van verdragen met een ieder verbindende bepalingen te laten vervallen. Onder meer door art. 6 Rijkswet aan te vullen met het volgende:

'Indien een verdrag bepalingen bevat die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden als bedoeld in art. 93 Gw, wordt dit verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring onderworpen. '

Het doel van deze toevoeging is de democratische legitimatie bij het sluiten, wijzigen en opzeggen van verdragen te vergroten.

Stel u het volgende voor: U bent een student en daarnaast ook werkzaam als medewerker van Tweede Kamerlid Valerie Lutjes, lijsttrekker van PDV (Partij van Democratie en Volksinvloed). Mevrouw Lutjes heeft wel oren naar dit nieuwe wetsvoorstel, maar weet niet (vanwege een gebrekkige juridische kennis) of dit mogelijk is en/of correct. Daarom vraagt ze u aan de hand van deze vragen om de juridische aspecten uit te leggen:

  1. Wat houdt het legaliteitsbeginsel in en waarom is het gezien dit beginsel van belang dat niet enkel de regering maar ook de Staten-Generaal betrokken zijn bij de totstandkoming van verdragen?

  2. Hoe geschiedt ‘uitdrukkelijke goedkeuring’ van een verdrag en wanneer is dit naar huidig recht in elk geval vereist?

  3. Welke opties heeft de Tweede Kamer om invloed uit te oefenen op de inhoud van een verdrag en waarin verschillen deze van de mogelijkheden die de Tweede Kamer heeft om invloed uit te oefenen op de inhoud van een wetsvoorstel?

  4. Wie beslist in laatste instantie of een verdragsbepaling ‘een ieder verbindend’ is en wat maakt een bevestigend antwoord op deze vraag uit voor de rechtspositie van individuen?

Vraag 2

In dit vak is veel aandacht besteed aan de belangrijke functie die de grond- en mensenrechten vervullen binnen de rechtsstaat. Centrale onderwerpen daarbij zijn de verschillende categorieën van grondrechten en de wijze waarop beperkingen kunnen worden gesteld aan de uitoefening van grondrechten.

Schrijf een opstel van 250-350 woorden waarin u:

  • aangeeft wat de verschillen zijn tussen klassieke en sociale grondrechten, zowel wat betreft het karakter van de rechten als wat betreft de afdwingbaarheid voor de rechter;

  • schetst welke instantie de Grondwet aanwijst als eerstverantwoordelijke voor de inperking van grondrechten en welke methoden van grondrechtenbeperking in de Grondwet worden gehanteerd (verwijs daarbij naar voorbeelden);

  • uiteenzet in hoeverre de Grondwet delegatie van de bevoegdheid om grondrechten te beperken toelaatbaar acht;

  • duidelijk maakt in hoeverre een mensenrechtenverdrag zoals het EVRM andere beperkingsclausules kent – en dus andere eisen stelt aan de inperking van een grondrecht – dan de Grondwet.

Voorzie het opstel van een titel, maak duidelijk wat het onderwerp is en zorg ervoor dat het geheel een duidelijk en logisch overzicht biedt. Schrijf uw opstel in goed lopende zinnen en niet in telegramstijl. Maak in uw opstel gebruik van de begrippen die u in de studiestof bent tegengekomen en verwijs telkens naar de relevante wetsbepalingen.

Voor dit opstel kunt u maximaal 10 punten verdienen: voor elk genoemd aandachtspunt maximaal 2,5 punten. Het opstel wordt ook beoordeeld op structuur en opbouw en op een correct taalgebruik (voor taalkundige gebreken kunnen maximaal 2 punten van het totaal van 10 worden afgetrokken).

Oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

Vraag 1

Is de Europese commissie voor zijn functioneren rechtens afhankelijk van het vertrouwen van het Europese Parlement?

  1. Ja, maar slechts als college;
  2. Ja, zowel het college als de afzonderlijke commissarissen;
  3. Nee, tenzij de Voorzitter van de commissie in een concrete situatie expliciet om dat vertrouwen vraagt;
  4. Nee.

Vraag 2

Wat is de strekking van het subsidiariteitsbeginsel binnen de Europese Unie?

  1. De Unie treedt alleen op indien daartoe een uitdrukkelijke grondslag bestaat in de EU-verdragen;
  2. De Unie treedt, behoudens haar exclusieve bevoegdheid, alleen op als lidstaten dat niet of niet voldoende kunnen;
  3. De Unie zet alleen die instrumenten in die de wetgeving van de lidstaten ongemoeid laten;
  4. De Unie zet alleen die instrumenten in die de lidstaten het minste zullen kosten.

Vraag 3

Sinds november 2014 is Frans Timmermans lid van de Europese Commissie. Hij is daartoe voorgedragen door de Nederlandse regering.

Voor zijn handelen als lid van de Commissie is Timmermans verantwoording schuldig aan:

  1. De Nederlandse regering;
  2. De Nederlandse Staten-Generaal;
  3. De Europese Raad;
  4. Het Europees Parlement.

Vraag 4

Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie:

  1. Heeft geen bindende status;
  2. Heeft de strekking beperkingen aan te brengen op de bepalingen van het EVRM;
  3. Richt zich tot EU-instellingen en lidstaten bij het ten uitvoer brengen van Unierecht;
  4. Is van toepassing zowel binnen als buiten de werkingssfeer van het Unierecht.

Vraag 5

De doorwerking van het EU-recht in de Nederlandse rechtsorde is volgens het Hof van Justitie gebaseerd op:

  1. De artikelen 93 en 94 van de Grondwet;
  2. De EU-verdragen;
  3. Algemene beginselen van volkenrecht;
  4. Het oordeel van de Nederlandse rechter of een concreet Europeesrechtelijk voorschrift naar zijn aard een ieder kan verbinden.

Overige oefenvragen

Vraag 1

Waartoe dient het stellen van een prejudiciële vraag door de nationale rechter aan het Hof van Justitie van de Europese Unie?

  1. Omdat Europees rechtelijke vraagstukken altijd aan de Europese rechter dienen te worden voorgelegd.
  2. Om een strijdige bepaling uit een nationale wet te toetsen aan het Europese recht.
  3. Om te voorkomen dat de verschillende nationale rechters het Europese recht verschillend uitleggen of toepassen.
  4. Om - nadat nationaal de rechtsmiddelen zijn uitgeput - toch nog een rechtsgang naar het Hof van Justitie van de Europese Unie te hebben. 

Vraag 2

Wat is het kenmerk van verordeningen van de Europese Unie?

  1. Zij hebben een algemene strekking en zijn verbindend in al hun onderdelen en zijn rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
  2. Zij zijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd zijn, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen.
  3. Zij zijn verbindend in al hun onderdelen. Indien de adressaten worden vermeld, is het alleen voor hen verbindend.
  4. Zij zijn niet verbindend. 

Vraag 3

Hoe is de Europese Unie ontstaan?

Vraag 4

Wat is de belangrijkste instelling van de EU?

Vraag 5

Waarin kan het Europees recht verdeeld worden?

Vraag 6

Wat is een verordening?

Vraag 7

Wat is een richtlijn?

Vraag 8

Wat is een beschikking?

Vraag 9

Uit welke rechterlijke instanties bestaat het Hof van Justitie?

Vraag 10

Wat zijn prejudiciële vragen?

Vraag 11

Welke vijf vrijheden zijn verankerd in het Europese recht?

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1. B

2. A

3. B

4. D

5. C

6. D

7. B

8. B

Antwoordindicatie open vragen bij het eerstejaarsvak Beginselen van de Democratische Rechtsstaat aan de UL

1.

  1. Het legaliteitsbeginsel houdt in dat er geen overheidsbevoegdheid is zonder grondslag in de wet of Grondwet (1 punt voor een goede omschrijving van het staatsrechtelijke legaliteitsbeginsel waarbij het belang van wettelijke grondslag voor overheidshandelen genoemd moet worden; geen punten worden toegekend voor het noemen/omschrijven van artikel 16 Grondwet/het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel).

    Omdat wetten in formele zin worden gemaakt door regering en Staten-Generaal, garandeert dit betrokkenheid van de volksvertegenwoordiging bij machtsuitoefening door de overheid (1 punt voor een goede uitleg van het legaliteitsbeginsel waarbij wordt verwezen naar de democratische legitimatie/invloed van de volksvertegenwoordiging). In lijn met het belang van democratische legitimatie is het belangrijk dat de Staten-Generaal invloed hebben op het tot stand komen van verdragen, en dat dit niet alleen aan de uitvoerende macht wordt overgelaten (0,5 punt voor een goede link tussen democratische legitimatie en de rol van de Staten-Generaal bij verdragen).

  2. Uitdrukkelijke goedkeuring wordt verleend bij wet (0,5 punt). Zie artikel 4 Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen (0,5 punt). Dit is naar huidig recht vereist indien binnen dertig dagen na een daartoe strekkende overlegging van een verdrag aan de Staten-Generaal door of namens een van de kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de kamers de wens daartoe te kennen wordt gegeven (0,5 punt) en wanneer verdragen bepalingen bevatten die afwijken van de Grondwet of tot zodanig afwijken noodzaken (0,5 punt). Zie artikel 5, eerste lid Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen (of artikel 124/125 Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal) en artikel 6, eerste lid Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen (of artikel 91, derde lid Grondwet) (0,5 punt ).

  3. Gedurende een onderhandelingsfase kan de Tweede Kamer middels haar controlebevoegdheden invloed uitoefenen op de inhoud en tekst van een verdrag (0,5 punt; in plaats hiervan kan 0,5 punt worden toegekend voor het noemen en omschrijven van artikel 1 eerste lid Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, mits daarbij de link wordt gelegd met de controlemogelijkheden die hierdoor ontstaan). De Tweede Kamer kan verdragen echter niet amenderen/de Tweede Kamer kan een verdrag alleen goed- of afwijzen (1 punt). Dit is anders bij voorstellen van wet, die de Tweede Kamer wel kan amenderen (0,5 punt). Zie artikel 84 lid 1 Gw of artikel 96 e.v. Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (0,5 punt).

  4. De nationale rechter bepaalt in laatste instantie of een verdragsbepaling een ieder verbindend is (0,5 punt). Zie een van de volgende arresten: HR Spoorwegstaking of Rookverbod (0,5 punt). Als een bepaling een ieder verbindend is, kunnen individuen zich er voor de rechter op beroepen (1 punt voor een goede omschrijving waarin zowel de rechter als het individuele beroep worden genoemd). Zie artikel 93 Grondwet (0,5 punt).

2.

Klassieke grondrechten richten zich in de eerste plaats op overheidsonthouding (creëren een vrijheidssfeer voor het individu waar de overheid zich niet in moet mengen) (1 punt). Sociale grondrechten vergen echter veeleer een inspanning van de overheid om op een bepaald terrein actief op te treden door bepaalde voorzieningen te treffen. (1 punt)

Doordat de sociale grondrechten niet heel precies aangeven hoe ver die inspannings- of zorgverplichting van de overheid nu precies gaat zijn deze rechten, anders dan de klassieke rechten, minder goed afdwingbaar door middel van rechterlijke procedures. (0,5 punt)

Uit het systeem van de Grondwet vloeit voort dat de formele wetgever het eerstaangewezen orgaan is om de grondrechten in te perken. In de meeste grondrechtenartikelen wordt aangegeven dat zij door middel van een wet kunnen worden ingeperkt (1 punt). Daarnaast wordt, bijvoorbeeld in artikel 9 lid 2, in de grondwettelijke beperkingsclausules doorgaans aangegeven met het oog op welk doel de wetgever het betreffende recht mag beperken (doelcriteria, term hoeft niet per se genoemd, mag ook worden omschreven) (1 punt). In sommige grondwetsartikelen, artikelen 12 en 13, komt men daarnaast nog procedurevoorschriften tegen: de procedure die gevolgd moet worden op het moment dat een bepaald recht wordt ingeperkt (0,5 punt), bijvoorbeeld bij binnentreden in een woning (inperking huisrecht) moet altijd een verslag worden gemaakt.

Uit de tekst van de grondwettelijke grondrechtenartikelen kan worden afgeleid of de Grondwet toelaat dat de wetgever in formele zin de bevoegdheid on het betreffende recht in te perken mag delegeren (0,5 punt). Als men in die tekst een vorm van het werkwoord “regelen” (0,5 punt), de term “regeling” (0,5 punt) of de term “bij of krachtens de wet” (0,5 punt) tegenkomt geeft dit aan dat delegatie door de wetgever in formele zin aan een lagere regelgever is toegestaan (0,5 punt).

Het belangrijkste verschil tussen de grondwettelijke beperkingsclausules en die in het EVRM is dat in die laatste de eis is opgenomen dat de beperking “noodzakelijk in een democratische samenleving” moet zijn (0,5 punt). Deze eis houdt (a) een noodzakelijkheidsvoorwaarde (0,5 punt) en (b) een evenredigheidsvoorwaarde /proportionaliteitsvoorwaarde in (0,5 punt). Dit betekent dat (a) de beperking moet worden ingegeven door een dringende maatschappelijke noodzaak (0,5 punt) en (b) de beperking in een redelijke verhouding moet staan tot het doel dat met de beperking wordt nagestreefd (0,5 punt).

De uitsplitsing naar noodzakelijkheidsvoorwaarde en proportionaliteitsvoorwaarde hoeft niet te worden gemaakt voor het behalen van het volle aantal punten. Een gedegen toelichting op de zinsnede “noodzakelijk in een democratische samenleving” en een gemotiveerde vertaalslag daarvan naar, in ieder geval, proportionaliteit/evenredigheid is wel vereist. Voor het antwoord dat de bepalingen in de Gw en het EVRM een verschillend wetsbegrip kennen en een juiste toelichting daarop wordt maximaal 1,5 punt toegekend.

Antwoordindicatie oefenvragen bij het eerstejaarsvak Staatsrecht I aan de RUG

1. A

2. B

3. D

4. C

5. B

Antwoordindicatie overige oefenvragen

1. C

2. A

3. De Europese Unie is ontstaan uit drie verdragen: het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) van 1951, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) van 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG), ook uit 1957. De achterliggende gedachte was dat vormen van economische samenwerking en het wegnemen van belemmeringen voor het economisch verkeer tussen Europese staten de kans op een militair conflict op Europees grondgebied zou verkleinen.

4. In verdragen zijn bepalingen weggelegd betreffende het institutionele kader van de EU. Er zijn zeven instellingen: het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Europese Commissie, het Hof van Justitie, de Europese Centrale Bank en de Rekenkamer. Bepalingen omtrent deze instellingen zijn te vinden in het VEU en het EU-Werkingsverdrag. De Europese Raad is de belangrijkste instelling. Hij is samengesteld uit de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten en de voorzitter van de Commissie, en de voorzitter van de Europese Raad. De taak van deze instelling is het geven van nodige impulsen voor de ontwikkeling van de Unie en het vaststellen van de algemene politieke beleidslijnen (art. 15 VEU).

5. Het EU-recht kan verdeeld worden in het primaire recht dat in de Verdragen is neergelegd, en het secundaire recht, dat door de instellingen op grond van de Verdragen wordt gevormd. 

6. Verordeningen bevatten regels die direct gelden in alle lidstaten van de Europese Unie (rechtstreekse werking). Ze hebben dus een vergelijkbare status als nationale wetten in de lidstaten. In geval van strijdigheid gaat de verordening boven de nationale wet.

7. Richtlijnen bevatten doelstellingen waar alle lidstaten van de Europese Unie aan moeten voldoen. Hoewel het beoogde resultaat vaststaat, staat hoe een lidstaat daar aan moet voldoen niet vast. Zij mag zelf bepalen hoe ze de richtlijn uitwerkt. Daarbij is er ruimte om rekening te houden met de specifieke situatie in het land.

8. De beschikking is een type bindend besluit van de Europese Unie, dat sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon niet meer wordt toegepast. Het bevatte regels voor individuele burgers, organisaties of lidstaten. Degenen voor wie de regels gelden, moesten afzonderlijk in de beschikking worden genoemd. Hij is nu opgegaan in het besluit.

9. Sinds het Verdrag van Lissabon omvat het Hof van Justitie en Gerecht een Hof, een Gerecht en gespecialiseerde rechtbanken. 

10. Een prejudiciële vraag is een rechtsvraag van een rechter aan een hoger gerecht over de uitleg van een rechtsregel.

11. In het Europese recht zijn vijf vrijheden verankerd:

  • het vrije verkeer van goederen,

  • het vrije verkeer van werknemers

  • het vrije verkeer van diensten

  • het vrije verkeer van kapitaal

  • de vrijheid van vestiging voor ondernemingen en personen.

Geprinte TentamenTests van Beginselen van het Nederlandse staatsrecht - Belinfante et al. - 19e druk
Beginselen van het Nederlands staatsrecht van Belinfante - Boek & JoHo's
JoHo: bundel begrijpen

  Hoe werkt een JoHo Bundel (pagina)

  • Bundels zijn verzamelingen (vaak links) van pagina's rond een specifieke vraag of onderwerp
  • Bundels werken als navigatietool

Welke soorten bundels zijn er?

Productbundels

  • Verzekeringsbundels: verzameling van content rond verzekeringsadvies of verzekeringsaanbod
  • Abonnementsbundels: verzameling van content rond advies of services voor JoHo abonnees en donateurs
  • Shopbundels: verzameling van artikelen die besteld kunnen worden

Persoonlijke bundels

  • op vrijwel elke pagina kun je onder de 'Footprints' de 'Add to my pages' optie vinden. Daar kun je pagina's toevoegen aan je eigen verzamelingen en bundels. Deze bundels met jouw bewaarde pagina's kun je vervolgens onderaan vrijwel elke pagina terugvinden als je bent ingelogd als JoHo donateur of abonnee.

Studiehulpbundels

  • Boekbundels: verzameling van chapters die tezamen de samenvatting van een boek vormen
  • Studiebundel: verzameling van content die hoort bij een specifiek vak of een studiefase

Themabundel

  • Verzameling van content die behoort bij een topic en themapagina

Toolbundel

  • Verzameling van content gericht op een specifiek proces of actie (bijvoorbeeld een vacature zoeken of een vak bestuderen)

Toolbundel voor abonnees

  • Verzameling van content met toegang of services voor JoHo abonees
De crossroads van deze bundel
Abonneebundel met online chaptersamenvattingen van Beginselen van het Nederlandse staatsrecht - Belinfante - 18e druk
Keuzewijzer voor samenvattingen van Beginselen van het Nederlandse staatsrecht van Belinfante et al. - 19e druk
Wat is staatsrecht? - Chapter 1 (18)
Wat zijn de bronnen van het staatsrecht? - Chapter 2 (18)
Hoe werkt het staatsrecht? - Chapter 3 (18)
Wat houdt de regering in? - Chapter 4 (18)
Wat houdt de Staten-Generaal in? - Chapter 5 (18)
Wat zijn de functies van de Raad van State, Algemene Rekenkamer, Nationale Ombudsman en vaste College van Advies? - Chapter 6 (18)
Hoe is de verhouding tussen het parlement, de ministers en de Koning? - Chapter 7 (18)
Hoe is de wetgevende macht geregeld in Nederland? - Chapter 8 (18)
Hoe wordt de Grondwet herzien? - Chapter 9 (18)
Hoe is de bestuurlijke macht geregeld in Nederland? - Chapter 10 (18)
Wat is er geregeld omtrent de financiën, het buitenlands beleid en de defensie? - Chapter 11 (18)
Hoe is de rechterlijke macht geregeld in Nederland? - Chapter 12 (18)
Hoe is de rechtsbescherming tegen de overheid geregeld? - Chapter 13 (18)
Wat is de rol van grondrechten en welke worden er onderscheiden? - Chapter 14 (18)
Wat houdt decentralisatie in? - Chapter 15 (18)
Welke rol vervullen de provincie, gemeente en waterschap? - Chapter 16 (18)
Welke structuur heeft het Koninkrijk? - Chapter 17 (18)
Wat is de rol van de Europese Unie? - Chapter 18 (18)
Beginselen van het Nederlandse staatsrecht - Belinfante - BulletPoints
Abonneebundel met oefenvragen van Beginselen van het Nederlandse staatsrecht - Belinfante - 18e druk
Geprinte samenvatting van Beginselen van het Nederlandse staatsrecht - Belinfante et al. - 19e druk
Beginselen van het Nederlands staatsrecht van Belinfante - Boek & JoHo's
Toegang: tot deze pagina
  • Iedereen
Crossroad: begrijpen

 Crossroads

  • Crossroads lead you through the JoHo web of knowledge, inspiration & association
  • Use the crossroads to follow a connected direction

 

Footprint: achterlaten
Pagina bewaren in je bundels:

(Service voor ingelogde JoHo donateurs)

Footprint: begrijpen

 Footprints

  • Leave footprints on the site by adding pages to your own bundles or use the comment options
  • Check the JoHo tips and advice chapters