  Chapter 

Wetenschap bestudeert samenhangende verschijnselen uit de werkelijkheid op een empirische en systematische manier.

Kernpunten

  • Wat zijn de belangrijkste kenmerken van wetenschap?

  • Het verschil tussen ontologische en epistemologische uitspraken.

  • Wat wordt met empirie bedoeld?

  • De drie wetenschappelijke referentiekaders binnen de sociale wetenschappen.

  • De verschillen en gelijkenissen tussen de empirisch-analytische, interpretatieve en kritisch emancipatoire invalshoeken van onderzoek.

1.2. Definities en kenmerken van wetenschap

Omdat iedereen wel een bepaald beeld heeft van wat nu precies wetenschappelijk onderzoek is, is het belangrijk over de volgende vraag na te denken: Wat maakt een onderzoek wetenschappelijk? Wetenschapsgebieden zijn zo verschillend dat het lastig is om een en dezelfde definitie te geven. Hieronder volgt een aantal relevante, kenmerkende eigenschappen waardoor wetenschappelijk onderzoek zich onderscheidt van de rest. Ten eerste komen we zo terecht bij de drang naar kennis. Collectief punt van de nagevolgde kennis is dat ze niet uit losse feitjes bestaat en samen kan worden gebracht in een theorie; een beschrijving van samenhangende verschijnselen uit de werkelijkheid. Ten tweede hebben we een ander belangrijk punt van onderscheiding is dat wetenschap empirisch is. Empirische uitspraken zijn kort gezegd uitspraken op basis van zintuiglijke waarneming. Het laatste punt is dat van de systematische benadering. Hierop onderscheidt wetenschap zich van pseudowetenschap; vakgebieden die pretenderen wetenschappelijk te zijn maar niet aan de regels voldoen waar wetenschap zich door laat kenmerken (bijvoorbeeld spirualiteit). Deze regels streven er naar wetenschap zich zo te laten ontpoppen dat er zo min mogelijk een waardekaartje aan de uitkomsten gehangen kan worden. Dit houdt in dat de persoonlijke voorkeuren van de wetenschapper niet naar voren mogen komen in de uitkomsten, en dus ook dat het onderzoek niet in een bepaalde richting geduwd mag worden om expres op bepaalde uitslagen te komen. Bovenstaand doet voorkomen alsof binnen alle wetenschap volledige gelijkenis bestaat over onderzoeksmethoden. Dit is natuurlijk niet het geval, er zijn verschillende manieren waarop de essentie van wetenschap geïnterpreteerd kan worden. Hieronder worden de verschillende gehanteerde invalshoeken, de drie paradigma’s, besproken.

1.3. Verschillende referentiekaders

De sociale wetenschappen bestuderen zowel het handelen en gedrag van mensen in individuele context met hun beïnvloedende factoren (gedragswetenschappers) als de mens die fungeert als ‘spil’ in hun sociale omgeving en hoe deze omgeving het gedrag beïnvloedt (maatschappijwetenschappers). Onderzoek wordt op verschillende manieren uitgevoerd: kwantitatief (in cijfers) of kwalitatief (beelden, vormen en geluiden). Wanneer wetenschappers het met elkaar eens zijn over wat wetenschap is en hoe het uitgevoerd moet worden en waar theorieën aan dienen te voldoen noemt men dit in de wetenschapsfilosofie een wetenschappelijk paradigma, een gedeelde opvatting.

De wijze waarop een onderzoek wordt opgezet is deels afhankelijk van de ontologische overtuigingen van de wetenschapper. Hiermee worden de sociale verbanden binnen een samenleving bedoeld die een rol spelen in sociale processen. Als onderzoekers uitspraak doen voer het bestaan van een bepaald sociaal verband, dan doen ze een uitspraak over een verband wat in de werkelijkheid aanwezig is. Dit zijn ontologische uitspraken. Ontologie houdt zich bezig met deze verbanden en hoe de sociale werkelijkheid in elkaar steekt. Naast de ontologie is ook de epistemologie van invloed op hoe wetenschappers hun onderzoek uitvoeren. Epistemologie is namelijk de kennisleer en geeft weer hoe kennis vergaard zou moeten worden. Dus de epistemologische waarden van de onderzoeker bepalen voor een ander deel hoe het onderzoek opgezet is. Samenvattend houdt ontologie zich bezig met wat er in de werkelijkheid aanwezig is, en epistemologie met hoe je kennis kunt opdoen uit die werkelijkheid. Inmiddels zijn er drie wetenschappelijke paradigma’s ontstaan. En wel als volgt: het empirisch analytische, het interpretatieve, en het kritisch analytische. De kenmerken worden hier onder beschreven.

Empirisch analytisch paradigma/referentiekader

Dit paradigma is voornamelijk voortgevloeid uit de methodiek van de natuurwetenschappen. In de sociale wetenschappen heeft men dit overgenomen vanwege haar mate van succes. Empirisch analytische benaderingen laten zich kenmerken door herhaalbaarheid van onderzoek en controleerbaarheid van situaties. Tevens hebben de sociale wetenschappen het positivisme overgenomen uit de natuurwetenschappen. Positivisme gaat uit van positieve ontwikkelingen in de wetenschap waar kennis steeds verder wordt ontdaan van waarden van onderzoekers en religieuze opvattingen, en er uiteindelijk alleen maar feiten zijn die kunnen worden getoetst op waarheid. Het empirisme sluit aan bij het positivisme omdat het zegt dat kennis gebaseerd moet zijn controleerbare feiten. Die basis van controleerbaarheid kan in de sociale wetenschap wel eens frictie geven, omdat wat waar onderzoek naar gedaan wordt vaak onder de oppervlakte ligt. Denk aan psychosen of mate van integratie, twee zaken die niet direct te observeren zijn. Dit valt dan empirisch te maken door te kijken naar bijvoorbeeld cijfers van zelfdoding. Tussen 1920 en 1940 werden positivisme en empirisme aangevuld met logisch, dus logisch empirisme/ positivisme. In deze stromingen worden waarnemingen beschreven in logisch opgebouwde, samenhangende uitspraken. Dit is ook de betekenis van analytisch.

Het verschil tussen empirische en empirisch analytische uitspraken zijn dat empirische uitspraken waarneembaar zijn, in dit geval door zintuigen. Empirisch analytische uitspraken zijn uitspraken waarin Wetten naar voren komen. Dus uit een algemene uitspraak kan worden voorspeld hoe het is specifieke gevallen zal gaan. Empirisch analytische onderzoekers zijn dus voortdurend op zoek naar nomothetische kennis: kennis waar wetten in te herkennen zijn. Deze wetten moeten tevens te veralgemeniseren zijn. Van hetgeen dat onderzocht wordt (individuen, groepen maatschappijen etc.), worden altijd een aantal kenmerken ofwel variabelen beschreven. Empirisch analytische onderzoekers richten zich alleen op meetbare variabelen (leeftijd, afstand, geslacht etc.). Omdat de onderzochte onderwerpen worden gereduceerd tot waarden in variabelen wordt deze stroming ook wel reductionisme genoemd.

Empirisch analisten vinden het belangrijk dat de onderzoeksresultaten geen persoonlijke invloeden van de onderzoekers door laten schemeren. Vandaar ook dat de onderzoekers proberen zich zo neutraal mogelijk op te stellen tijdens het onderzoek, wat inhoudt dat ze alleen kijken en observeren, niet participeren. Ze bekijken het onderzoek als het ware vanuit de derde persoon. Binnen sociale wetenschappen blijkt het vaak moeilijk eigen invloeden te beperken. Men hoopt dit te beperken door herhaling van onderzoek door andere wetenschappers. Wat wel geaccepteerd wordt is het onderzoek een kant op sturen vanuit een eigen overtuiging door bijvoorbeeld de vragen in een enquête er op aan te passen. Zolang er maar niet over de antwoorden gelogen, verzwegen of bij verzonnen wordt. Het streven naar overeenkomst binnen de wetenschap noemt men intersubjectiviteit. Wetenschappers hopen hierdoor dat de wetenschap zo min mogelijk vertekend is. In empirisch analytisch onderzoek wordt vaak gebruik gemaakt van experimenten en de enquête. Verder is het zo dat empirisch analytisch onderzoek vaak in statistieken uitgedrukt wordt; vandaar dat het kwantitatief onderzoek wordt genoemd.

Interpretatief paradigma/referentiekader

Deze manier van wetenschapsbenadering is ontstaan als een reactie op het empirisme en het soort antwoorden dat gegeven werden door de natuurwetenschappelijk georiënteerde manier van wetenschapsbedrijving. De kritiek hierop is dat de verbanden die gevonden worden door empirisch analytici geen antwoord geven op de waarom vraag die overal boven hangt. Als we bijvoorbeeld weten dat er een verband bestaat tussen maatschappelijke afkomst en maatschappelijk gedrag betekent dit nog niet dat we kunnen verklaren waarom bepaalde mensen bijvoorbeeld delinquent gedrag vertonen of juist niet. Het is dus zo dat we nog geen begrip hebben van de situatie, en de aanhangers van dit paradigma wijzen er op dat we, omdat we als sociaal wetenschappers mensen onderzoeken, we naar begrip moeten streven. Daarom proberen deze onderzoekers de wereld zo te zien als degenen die zij onderzoeken omdat dit essentieel is voor het begrip waaróm mensen reageren zoals ze reageren of zich manifesteren zoals zij doen. Ook binnen deze zienswijze van wetenschap vinden aanhangers dat sociale wetenschappen empirisch moeten zijn. Alleen er bestaat wat hen betreft een verschil in de waarneming. In de natuurwetenschappelijke manier is men alleen geïnteresseerd in de directe zintuigelijke waarneming, in de interpretatieve benadering probeert men de situatie te begrijpen wat mensen beweegt. Er wordt op deze manier geprobeerd een theorie op te stellen over het verschijnsel. De interpretatieve onderzoeksopvatting is iets wat voortkomt uit de hermeneutiek en de fenomenologie. Hermeneutiek staat voor het uitleggen van teksten door taalwetenschappers. De interpretatieve onderzoekers proberen mensen op dezelfde wijze te benaderen, namelijk van binnenuit en geplaatst in een bepaalde context. In de fenomenologie is men vooral opzoek naar achterliggende oorzaken. In de lijn van deze twee klassieke theorieën probeert sociaal wetenschappelijk onderzoek de mens van binnenuit te begrijpen en de wezenlijke verschijnselen van de innerlijke personen uit te leggen.

Nu komen we terecht bij het verschil tussen de interpretatieve en de empirische analytische invalshoek. De empirisch analisten zoeken zoals gezegd naar nomothetische kennis (kennis waarin wetten zijn te herkennen). Ze gaan opzoek naar wetten die voor veel gevallen opzoek. De interpretatieven zoeken daarentegen naar idiografische kennis; kennis die het unieke beschrijft. Binnen de sociale wetenschap worden concrete zaken als personen, gezinnen, groepen hierbij beschreven. Ze gaan dus na waarom specifieke gevallen tot stand komen, waarom bijvoorbeeld een specifieke groep probleemgedrag vertoont. Het contrast of de contradictie zit hier dus in dat de ene stroming zoekt naar de algemene verbanden in wetmatigheden voor bijvoorbeeld probleemgedrag onder groepen jongeren, terwijl de andere stroming wil weten waarom deze groepen jongeren zo gevoelig zijn voor vertoning van probleemgedrag. In tegenstelling tot de empirisch analisten reduceren interpretatieve onderzoekers hun subjecten niet tot cijfers en variabelen. Omdat interpretatieve onderzoekers zich vooral richten op de gehele context in plaats van vooraf gestelde variabelen wordt dit referentiekader holistisch genoemd (holo = geheel (Grieks)). Dit holisme houdt overigens niet in dat er niet naar verschillen en overeenkomsten tussen individuen en groepen wordt gekeken. Een ander verschil met de empirisch analytische benadering omvat waarden. De empirisch analytici zijn zoals gezegd voor onderzoek dat vrij van waarden is. De interpretatieve methode daarentegen is juist voorstander van waardenverheldering. Dit houdt in dat je jezelf bewust moet maken van de waarden en normen die je hebt, en rekening moet houden met het feit dat dit je onderzoek kan beïnvloeden. Meestal gaat interpretatieve methode richting kwalitatief onderzoek; de onderzoekers doen mee in de onderzochte situatie en proberen de situatie vanuit de eerste persoon te bekijken. De inbreng van de onderzoekers is daardoor groot in zowel dataverzameling als in de analyse daarvan. Dit houdt overigens in dat ze ook zeer kritisch moeten reflecteren op hun eigen onderzoek.

Kritisch emancipatoir paradigma/ referentiekader

Dit referentiekader komt voort uit het marxisme en laat veel maatschappelijke betrokkenheid zien. Het draait hierbij om de bevrijding van de sociale overheersing en de emancipatie daarvan. Emancipatoir heeft hier twee betekenissen: Maatschappijkritisch: vooral gezien als kapitalistisch en patriarchaal. Daarnaast wetenschapskritisch: met name op de empirisch analytische invalshoek welke als standaardopvatting van de wetenschap wordt gezien. Een veelvoorkomende uiting van onderzoek is hier het actieonderzoek. Dit houdt in dat de onderzoekers participatief zijn en samen met de onderzochten een lering meemaken gedurende het onderzoek. Belangrijk hierbij zijn empowerment en wederkerige adequaatheid. Empowerment streeft verhoging van grip op eigen leven en omstandigheden na voor de onderzochten. Wederkerige adequaatheid komt neer op voortdurende reflectie van beide partijen door met elkaar te blijven communiceren gedurende het onderzoek.

De kennis is met name gericht op het bevrijden en helpen van minderheden, en dus sterk waardengebonden. De wetenschappers willen niet alleen kennis leveren, maar ze willen ook weten wat er me gebeurt. Verder houdt dit ook in dat de onderzoekers niet alleen bij het onderzoek betrokken zijn, maar ook met de onderzochten en de opdrachtgevers. Een van de kenmerken is dat dat de onderzoekers huiverig en kritisch zijn tegenover de invloed van machtsstructuren binnen de maatschappij, omdat de traditionele manieren van onderzoek vaak niet de minst machtigen ten behoeve zijn. Een voorbeeld van actieonderzoek is peer-research, hierbij werven deelnemers (bijvoorbeeld dakloen) andere deelnemers en verzamelen zelf data. Ze discussiëren met beleidsmakers e.d., dit wordt als empowerment gezien. Ondanks dat de onderzochten bij het onderzoek betrokken worden betekent dit natuurlijk niet dat er niet volgens bepaalde methodologische regels gewerkt moet worden. Er ontstaat wel enige wrijving tussen de doelen die bereikt willen worden en de methodes die worden gebruikt. Zo kan men zich bijvoorbeeld afvragen of de onderzochten even goed data kunnen verzamelen als professionele onderzoekers. Misschien dat men het in dergelijke gevallen belangrijker vindt dat de onderzochten onderzoeksvaardigheden leren om zo meer grip op hun leven te krijgen.

De bovenstaande paradigma’s werden in het verleden vaak strikt gescheiden gehouden, tegenwoordig worden deze verschillen wat nuchterder (pragmatisch) bekeken en worden de verschillende paradigma’s zelfs gecombineerd. Deze manier van mixed method onderzoek combineert voordelen van de verschillende invalshoeken, waardoor ze minder gebonden zijn aan een enkele methode wanneer de onderzoeksvragen beantwoord worden. Dit neemt niet weg dat er nog steeds verschillen zijn in opvatting tussen onderzoekers over hoe de wetenschap bedreven moet worden.

Crossroads

 Crossroads

  • Crossroads lead you through the JoHo web of knowledge, inspiration & association
  • Use the crossroads to follow a connected direction

 

Footprint toevoegen
 
   
Hoe werkt een JoHo Chapter?

 JoHo chapters

Eigen aantekeningen maken?

Zichtbaar voor jezelf en bewaren zolang jij wil

Memberservice: Make personal notes

Ben je JoHo abonnee dan kun je je eigen notities maken, die vervolgens in het notitieveld  worden getoond. Deze notities zijn en blijven alleen zichtbaar voor jouzelf. Je kunt dus aantekeningen maken of bijvoorbeeld je eigen antwoorden geven op vragen