Verbintenissenrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel

  Bundel

Sluit je aan bij JoHo om te kunnen inloggen en gebruik te maken van de tools en teksten
 

Aansluiten bij JoHo als abonnee of donateur

The world of JoHo footer met landenkaart

    Aansluiten bij JoHo met een JoHo abonnement

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

     of met een JoHo donateurschap

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Aanmelden & Aansluiten bij JoHo 

    De items van deze bundel
    Kribbebijter - Arrest
    De Globe/Provincie Groningen - Arrest

    De Globe/Provincie Groningen - Arrest

    De Globe/Provincie Groningen (HR 31-01-1997, NJ 1998, 704)

    Feiten

    Van der Tuin, ambtenaar bij de provincie Groningen, sluit een reisovereenkomst met De Globe, welke voorheen bekend is onder de naam De Slingerij. Enkele dagen vlak voor vertrek annuleert hij deze reis echter. Is er sprake van  onbevoegd handelen en daardoor onrechtmatigheid aan de zijde van de Provincie?

    De aansprakelijkheidsverzekeraar van de provincie Groningen, Aegon, stuurt in de loop van de afwikkeling van de schade een brief naar De Globe, waarin zij stelt de schade te vergoeden tot op het moment, dat 50% van de reis betaald diende te zijn.

    Procesverloop

    De Slingerij dagvaart de provincie Groningen voor de rechtbank Groningen, welke de vordering aan De Slingerij toewijst. Hierop gaat de provincie in hoger beroep bij het Hof Leeuwarden, welke het bestreden vonnis vernietigt. De Slingerij tekent vervolgens cassatie tegen dit vonnis aan.

    Rechtsregel

    Het onbevoegdelijk in naam handelen van een ander kan slechts als onrechtmatig worden aangemerkt indien het geschiedt op een wijze of gepaard gaat met omstandigheden, waaruit voortvloeit dat het optreden van de onbevoegde vertegenwoordigder in strijd is met hetgeen het maatschappelijk verkeer betaamt. Op het punt van de brief van Aegon casseert de HR, omdat Aegon hierdoor aansprakelijkheid erkende en dat zij slechts nog wilde onderhandelen of de mate van eigen schuld van De Globe. Derhalve wordt het proces verwezen naar het Hof Arnhem.

    Zaaknummer: 
    NJ 1998, 704
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 31 January, 1997
    Ontslagname - Arrest

    Ontslagname - Arrest

    Ontslagname (HR 15-11-2002, NJ 2003, 60)

    Casus

    Deze casus gaat over de ontslagname van een werknemer die geestelijk gestoord is. De werknemer en zijn gemachtigde beweren dat het ontslag vernietigbaar is, omdat de werknemer wegens een psychiatrische stoornis niet in staat was zijn wil te bepalen. De werkgever in kwestie heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd, verkerende in het vertrouwen dat de werknemer zijn ontslag heeft gewild. De werknemer beroept zich op art. 3:34 BW, in de veronderstelling dat er verband bestaat tussen de stoornis en het ontslag. De werkgever beroept zich op art. 3:35 BW, in de veronderstelling dat hij erop kon vertrouwen dat zijn werknemer ook werkelijk zijn ontslag gewild heeft, en daardoor de arbeidsovereenkomst inderdaad vernietigd is en er geen verdere betaling plaats hoeft te vinden. De feitelijke instanties moeten beoordelen of de werkgever op grond van art. 3:35 BW er vanuit mocht gaan dat de werknemer ontslag wilde nemen.

    Hoge Raad

    De werkgever verklaart dat hij niet had kunnen veronderstellen dat de werknemer onder invloed van een geestelijke stoornis zijn wil betuigde. Dit vertrouwensbegrip gaat in dit geval echter niet op. Het gaat hier om het naar objectieve maatstaven redelijkerwijze niet voorzienbare nadeel. Met andere woorden: aangezien de werkgever de wil van zijn werknemer toch al in twijfel trok, had hij er beter voor kunnen kiezen zijn werknemer niet te ontslaan, met name omdat hij daar toch geen nadeel van had ondervonden. De werkgever was verzekerd tegen dergelijke situaties waardoor hij in geen van beide gevallen in een nadelige situatie terecht was gekomen: wel of geen ontslag. De werknemer ondervond echter wel degelijk nadeel van zijn ontslag. De werkgever moet de bedragen die de werknemer is misgelopen daarom aan hem uitkeren. Kortom; als er geen nadeel bestaat voor de persoon die zich vol vertrouwen veronderstelde, bijvoorbeeld omdat diegene hierdoor geen hogere kosten zal maken, is de vertrouwensleer niet van belang.

    ECLI: 
    ECLI:NL:HR:2002:AF0585
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 15 November, 2002
    Centraal Bureau Bouwtoezicht BV/JPO Projecten BV - Arrest
    ING Bank/BERA Holding - Arrest

    ING Bank/BERA Holding - Arrest

    ING Bank/BERA Holding (HR 19-02-2010, NJ 2010, 115)

    Relevante wetgeving

    Artikel 3:61 BW.

    Rechtsvraag

    Mocht ING erop vertrouwen dat een volmacht was verleend tot het geven van betalingsopdrachten?

    Feiten

    BERA Holding is gevestigd in Suriname en in 1998 opgericht door A en B. A houdt sinds 1999 alle aandelen en is als enige bevoegd om BERA te vertegenwoordigen. In april 2003 heeft A een bankrekening geopend en daarvoor onder meer een handtekeningenkaart voor ING ondertekend. De bankafschriften worden echter telkens verzonden naar een vennootschap in Nederland, waar B zeggenschap heeft.

    ING heeft van oktober 2003 tot maart 2004 een aantal bedragen afgeschreven van de rekening van BERA, in opdracht van B en ten behoeve van zijn vennootschap in Nederland. A meldt in 2004 aan ING dat er wat mis zou zijn met bepaalde overboekingen en laat de afschriften naar Suriname sturen.

    Alle contacten werden onderhouden door B, waardoor ING ervan overtuigd was dat B bevoegd was om op te treden namens BERA. Maar na controle in het systeem werd duidelijk dat B nimmer bevoegd was en dat alleen A bevoegd was m.b.t. de rekening. Daarop vordert BERA dat ING in strijd met de overeenkomst heeft gehandeld door de bedragen over te maken. ING stelt echter dat B de schijn heeft gewekt dat deze over een toereikende volmacht beschikte.

    Artikel 3:61 BW bepaalt dat een volmacht uitdrukkelijk of stilzwijgend kan worden verleend. In dit geval gaat het om de vraag of ING een beroep kan doen op 3:61 lid 2 BW (bescherming na opgewerkt vertrouwen door de wederpartij).

    Hoge Raad

    Uiteindelijk oordeelde de Hoge Raad dat er ook sprake kan zijn van schijn van volmachtverlening als ING er gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de volmachtverlening op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van BERA komen. Hierbij speelden mee dat de bankafschriften naar B werden verstuurd en dat B ook het meest contact had met ING (A kwam nauwelijks in beeld en ging alleen mee als hij in Nederland was).

    Zaaknummer: 
    NJ 2010, 115
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 19 February, 2010
    Misverstand: Bunde/Erckens - Arrest

    Misverstand: Bunde/Erckens - Arrest

    Gemeente Bunde/Erckens (HR 17-12-1976, NJ 1977, 241)

    Casus

    Echtelieden Erckens verkochten een aantal percelen grond aan de gemeente Bunde. In de overeenkomst stond letterlijk dat: ‘de belastingschade, vallende op de bedrijfsschadevergoeding, welke laatste geacht wordt in de overeengekomen koopprijs mede te zijn begrepen, door de gemeente aan Erckens zal worden vergoed. De gemeente had onder de term belastingschade echter een meer beperkte betekenis toegekend (F 2.000,--) dan Erckens (meer dan F 50.000,-, want Erckens dacht ook dat de inkomstenbelasting onder het begrip viel). Erckens dachten dat al hun belastingschade onder het begrip viel, de gemeente rekende alleen op een zeer beperkte schadevergoeding.

    Rechtsvraag

    Valt de inkomstenbelasting in casu ook onder de te vergoeden belastingschade door de gemeente?

    Hoge Raad

    De Hoge Raad geeft in haar overweging een algemeen criterium om vast te stellen of er al dan niet ene overeenkomst tot stand is gekomen, als er sprake is van een misverstand: de vraag of al dan niet een overeenkomst tot stand is gekomen, hangt in beginsel af van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid.

    Na dit algemeen criterium geeft de Hoge Raad nog vier criteria die hier een rol bij kunnen spelen. Ten eerste kan er worden bezien welke betekenis meer voor de hand lag. Ten tweede kan worden bezien of de uitdrukking een vaststaande technische betekenis heeft, en zo ja of de partij die niet van deze betekenis is uitgegaan, deze betekenis wel kende. In de derde plaats kan er worden bezien of een partij zich heeft laten bijstaan door deskundige bijstand en de andere partij hierover heeft ingelicht Tot slot kan er worden bezien of de betekenis die een van de partijen aan de uitdrukking toekende zou leiden tot een resultaat dat niet goed zou rijmen met wat de overeenkomst probeerde te beogen. De Hoge Raad komt tot het oordeel dat de gemeente de inkomstenbelasting niet hoeft te betalen.

    Zaaknummer: 
    NJ 1977, 241
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 17 December, 1976
    Ermes c.s./ Haviltex - Arrest
    Pensioenfonds DSM/Fox - Arrest
    Esmilo/Mediq Apothekenbeheer - Arrest
    Saladin/HBU - Arrest
    Pseudovogelpest - Arrest

    Pseudovogelpest - Arrest

    Pseudovogelpest (HR 20-02-1976, NJ 1976/486)

    Casus

    Top BV verkocht zieke hennen aan van der Laan, met het gevolg dat in diens pluimvee-bedrijf duizenden kippen werden besmet en stierven. Top BV beriep zich op een beding dat zijn aansprakelijkheid beperkte tot het bedrag van de koopsom.

    Hoge Raad

    De HR overwoog in dit arrest als volgt:

    • 'dat immers, blijkens art. 1542 BW, de verkoper die goederen heeft geleverd waarvan het hem voor of bij de levering bekend was dat zij gebreken hadden die de koper niet behoefde te verwachten, niet met succes een beroep kan doen op een contractueel beding tot beperking of uitsluiting van zijn aansprakelijkheid voor de schade die als een voorzienbaar gevolg van de aanwezigheid van deze gebreken aan de koper wordt toegebracht; dat in het algemeen bekendheid met de gebreken bij degene die de verkoper in zijn bedrijf belast heeft met de leiding van de uitvoering van de desbetreffende verkoopcontracten, wat dit betreft gelijk gesteld moet worden met bekendheid bij de koper zelf;

    • dat - buiten deze gevallen van de koper bekende gebreken - zowel de bekendheid van het gebrek aan bij de uitvoering van het koopcontract betrokken - niet leidinggevende - ondergeschikten van de verkoper als het feit dat de verkoper of een persoon in zijn dienst een ernstig verwijt treft dat hij van het bestaan van de gebreken in de te leveren zaken onkundig was gebleven, in verband met de eisen van de goede trouw onder omstandigheden eveneens kan meebrengen dat de verkoper zich niet op de contractuele uitsluiting of beperking van zijn aansprakelijkheid voor de voorzienbare schadelijke gevolgen van deze gebreken kan beroepen; dat het antwoord of zulks het geval is, afhankelijk is van de waardering van tal van omstandigheden, zoals: de zwaarte van de schuld aan de zijde van de verkoper, de aard en de ernst van de voorzienbare schade, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen, de strekking van het beding (met name in hoeverre bij een beding tot beperking van aansprakelijkheid tot overeengekomen beperking in enige verhouding staat tot de omvang van de voorzienbare schade), het gedrag van de koper met betrekking tot de gebreken of de daardoor veroorzaakte schade;

    • dat, wat dat laatste betreft, het feit dat Van der Laan heeft nagelaten zich, voordat hij de hennen vervoerde, te vergewissen of de wettelijk voorgeschreven gezondheidsverklaring was verkregen, respectievelijk zelf een dergelijke verklaring aan te vragen, niet zonder meer - dat wil zeggen zonder afweging van alle relevante omstandigheden, waaronder de hiervoor genoemde bekendheid met de gebreken bij ondergeschikten van Top of ernstig verwijtbare onbekendheid met de gebreken aan de zijde van Top - meebrengt dat Top zich te goeder trouw kan beroepen op de contractuele beperking van haar aansprakelijkheid'.
    Zaaknummer: 
    NJ 1976/486
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 20 February, 1976
    Matatag/De Schelde - Arrest
    Van den Bos/Provincial - Arrest

    Van den Bos/Provincial - Arrest

    Van den Bos/Provincial (HR 29-09-1995, NJ 1996, 89)

    Onderwerp

    Rechtsverwerking

    Casus

    Van den Bos is in 1972 betrokken geraakt bij een verkeersongeval en hier gewond geraakt. In 1976 dagvaart hij Provincial (zijn verzekering) omdat zij uitbetaling weigerden. De zaak loopt nog als van den Bos in 1977 failliet raakt, de curator neemt de lopende zaak met Provincial niet over. Nadat het faillissement is opgeheven wordt, nadat de zaak lange tijd stil heeft gelegen, in 1986 het verval hiervan uitgeroepen. Van den Bos laat hierop lange tijd niks van zich horen totdat hij in 1989 Provincial opnieuw dagvaardt op basis van dezelfde gronden als in 1976.

    Provincial beroept zich op rechtsverwerking. rechtsverwerking houdt in dat iemand een recht wordt ontzegd,vanwege zijn houding ten opzichte van de wederpartij. Dit kan alleen doordat iemand zich gedraagt op een wijze die naar redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het betrokken recht.

    Hoge Raad

    In dit arrest onderscheidt de Hoge Raad twee gronden voor rechtsverwerking.

    1. Bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan; bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet meer geldend zal maken.

    2. Bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan; de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard als de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken.

    In casu oordeelt de HR dat Provincial er na zo'n lange tijd op mocht vertrouwen dat van den Bos zijn aanspraak niet meer geldend zal maken (rechtsoverweging 3.3).

    Zaaknummer: 
    NJ 1996, 89
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 29 September, 1995
    Geurtzen/Kampstaal - Arrest
    Endlich/Bouwmachines - Arrest

    Endlich/Bouwmachines - Arrest

    Endlich/Bouwmachines (HR 22-10-2004, NJ 2006, 597)

    Een ingebrekestelling heeft niet de functie om ‘het verzuim vast te stellen’, maar wel om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven.

    Voor zover vanwege spoedeisendheid van het herstel een schriftelijke ingebrekestelling met termijnstelling in overeenstemming met artikel 6:82 lid 1 BW niet mogelijk of niet zinvol is, de schuldeiser wel het in de betrokken situatie redelijkerwijs mogelijke zal moeten doen om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen om het gebrek in de geleverde prestatie te herstellen. Echter, wanneer de schuldenaar door hem niet bereikt kan worden, of, bereikt zijnde, niet in staat is of zich niet bereid toont om met de noodzakelijke spoed afdoende maatregelen te nemen, brengen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid mee dat het verzuim intreedt zonder dat een ingebrekestelling heeft plaatsgevonden. De schuldeiser zal de kosten van het langs een andere weg (doen) herstellen van het gebrek op de voet van artikel 6:74 lid 1 BW als schade op de schuldenaar kunnen verhalen.

    Zaaknummer: 
    NJ 2006, 597
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 22 October, 2004
    Pénzügyi Lízing/Schneider - Arrest

    Pénzügyi Lízing/Schneider - Arrest

    HvJ EU 9 november 2010, C-137/08; NJ 2011, 41 (Pénzügyi Lízing/Schneider)

    Casus

    Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitleg van Richtlijn 93/13/EEG (oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten; hierna: de richtlijn).

    Hof van Justitie van de Europese Unie

    Het Hof is ex artikel 267 VWEU bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over de uitleg van het begrip ‘oneerlijk beding’ als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de richtlijn en in de bijlage daarbij, alsmede de criteria die de nationale rechter kan of moet toepassen wanneer hij een contractueel beding toetst aan die richtlijn, met dien verstande dat het aan die rechter staat om, rekening houdend met die criteria, zich in het licht van de omstandigheden van het betrokken geval uit te spreken over de concrete kwalificatie van een bepaald contractueel beding.

    De nationale rechter is verplicht om ambtshalve ‘maatregelen van instructie’ te nemen teneinde te kunnen vaststellen of een in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument opgenomen (exclusief territoriaal forumkeuze)beding dat het voorwerp vormt van het aan hem voorgelegde geding, binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, en zo ja, ambtshalve te toetsen of een dergelijk beding eventueel oneerlijk is.

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Tuesday, 9 November, 2010
    First Data BV/KPN Hotspots Schiphol BV - Arrest
    Heesakkers/Voets - Arrest
    Mol c.s./Meijer Beheer - Arrest
    De Rooij/Van Olphen - Arrest

    De Rooij/Van Olphen - Arrest

    HR 23-12-2005 RVDW 2006, 17 (De Rooij/Van Olphen)

    Feiten

    De Rooij van Van Olphen een onroerende zaak gekocht te Bloemendaal. De Rooij was van plan het woonhuis te laten slopen en het perceel in twee percelen te laten verkavelen en daar vervolgens  twee geschakelde woonhuizen te laten bouwen. Voorafgaande aan de levering van de onroerende zaak wordt het gebied waarin de onroerende zaak ligt aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Aanvragen voor een sloop- of bouwvergunning  worden vanaf dat moment aangehouden in afwachting van een nieuw bestemmingsplan.

    De Rooij vordert  ontbinding van de koopovereenkomst stellende dat Van Olphen is tekortgeschoten in zijn uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, omdat de onroerende zaak niet voldeed aan hetgeen De Rooij op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Van Olphen heeft immers volgens De Rooij in art. 5.3 van de koopovereenkomst gegarandeerd dat het gekochte geschikt was voor gebruik als bouwperceel voor twee halfvrijstaande woonhuizen. Nu het gebied waarin de onroerende zaak ligt als beschermd dorpsgezicht is aangewezen heeft Van Olphen deze garantie niet waargemaakt.

    Hoge Raad

    De uitleg van de koopovereenkomst dient aan de hand van de Haviltex-maatstaf te geschieden. Hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld kan niet alleen beantwoord worden op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de in het contract opgenomen bepalingen. De taalkundige betekenis is niettemin bij de uitleg van het contract van groot belang. Maken partijen gebruik van een standaardakte waarin staat dat de verkochte zaak de feitelijke eigenschappen zal bezitten die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn, dan heeft "normaal gebruik" betrekking op wat daaronder naar gangbaar spraakgebruik wordt verstaan ten aanzien van de grond en van de zich daarop bevindende bebouwing ten tijde van de verkoop. In beginsel valt daaronder niet de sloop van de bebouwing gevolgd door het gebruik van de grond als bouwgrond. Het enkele feit dat daarnaast specifiek is opgenomen dat koper van plan is de onroerende zaak te gebruiken als bouwperceel, brengt niet zonder meer mee dat de overeenkomst zo uitgelegd dient te worden dat de verkoper ervoor instaat dat sloop van de zich op dat perceel ten tijde van de verkoop bevindende bebouwing mogelijk en geoorloofd zal zijn. Op de koper rust de stelplicht en bewijslast dat de verkoper bedoelde eigenschappen wel heeft willen garanderen of dat de koper daarop redelijkerwijs heeft mogen vertrouwen.

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 23 December, 2005
    Quelle AG/Bundesverband (Case C-404/06) - Arrest

    Quelle AG/Bundesverband (Case C-404/06) - Arrest

    Quelle AG/Bundesverband (HvJ EG 17-04-2008, zaak C-404/06)

    Feiten

    In de zomer van 2002 heeft het postorderbedrijf Quelle AG een fornuis geleverd aan een Duitse consument. Begin 2004 heeft zij vastgesteld dat het toestel een defect toonde. Aan de binnenzijde van de oven was namelijk de emaillaag losgekomen. Omdat het fornuis niet kon worden gerepareerd heeft zij het teruggestuurd naar Quelle, die het heeft vervangen door een nieuw toestel. Quelle eiste echter van de consument € 67,97 als vergoeding van de voordelen dat zij uit het gebruik van het aanvankelijk geleverde toestel had gehad. De Duitse consumentenorganisatie ‘Bundesverband’, vorderde namens de consument dat die vergoeding aan haar zou worden terugbetaald. Ook vorderde het dat Quelle AG ertoe veroordeeld moest worden om, in geval van vervanging van een defect goed, geen bedragen meer in rekening te brengen voor het gebruik van dat goed.

    Het Bundesgerichtshof (BGH) had geconcludeerd dat volgens Duits verbintenissenrecht de verkoper in geval van vervanging van een niet-conform goed recht heeft op een vergoeding ter compensatie van de voordelen die de koper uit het gebruik van dat goed tot aan de vervanging ervan door een nieuw goed heeft gehaald.

    Het BGH betwijfelde echter of de Duitse wet in overeenstemming was met de gemeenschapsrichtlijn 1999/44/EG betreffende garantie op consumptiegoederen. Daarom richtte het zich tot het Hof van Justitie om te vernemen of de artikelen van de richtlijn zich verzetten tegen de verplichting voor een consument om een vergoeding te betalen aan de verkoper die een niet-conform consumptiegoed heeft geleverd.

    Hof van Justitie

    Volgens de richtlijn is een verkoper jegens de consument aansprakelijk voor elk gebrek aan overeenstemming dat bestaat bij de levering van het goed. Als er sprake is van een gebrek dan heeft de consument het recht om van de verkoper het kosteloze herstel of vervanging van het goed te eisen behalve als dat onmogelijk of disproportioneel zou zijn.

    Het Hof geeft aan dat de plicht voor de verkoper om het goed kosteloos in overeenstemming te brengen, bedoeld is om de consument te beschermen tegen het risico van financiële lasten, dat hem zonder die bescherming ervan zou kunnen weerhouden zijn rechten geldend te maken. Het kosteloos in overeenstemming brengen beantwoordt overigens aan het doel van de richtlijn, namelijk een hoog niveau van consumentenbescherming waarborgen.

    Het Hof geeft aan dat de stelling onjuist is dat de richtlijn een algemeen beginsel bevat volgens welke de lidstaten in alle gevallen waarin zij dat wensen, rekening mogen houden met het gebruik dat de consument van het niet-conforme goed heeft gehad. De richtlijn geeft aan dat de wederzijdse teruggave van de ontvangen voordelen alleen geldt in het geval van ontbinding van de overeenkomst.

    Het Hof oordeelt dat de verkoper, anders dan de consument die de verkoopprijs wel reeds heeft betaald, zijn contractuele verbintenis niet correct uitvoert wanneer hij een niet-conform goed levert. Hij moet daarom instaan voor de gevolgen van de slechte uitvoering van zijn verbintenis. Zijn belangen worden echter beschermd door de verjaringstermijn van twee jaar en de mogelijkheid om vervanging van het goed te weigeren ingeval deze vorm van genoegdoening buiten verhouding is doordat zij voor hem onredelijke kosten meebrengt.

    Het Hof komt tot de conclusie dat de richtlijn in de weg staat aan een nationale regeling volgens welke de verkoper, in geval van levering van een niet-conform consumptiegoed, van de consument een vergoeding mag eisen voor het gebruik van het niet-conforme goed tot aan de vervanging ervan door een nieuw goed.

    Kern: een consument hoeft niet aan de verkoper van een consumptiegoed met een gebrek een vergoeding te betalen voor het gebruik dat hij van dat goed heeft gehad tot aan de vervanging ervan.

    Zaaknummer: 
    C-404/06
    Datum Uitspraak: 
    Tuesday, 17 April, 2007
    Van Dalfsen/Gemeente Kampen - Arrest

    Van Dalfsen/Gemeente Kampen - Arrest

    HR 14 november 2008, LJN: BF0407 (Van Dalfsen/Gemeente Kampen)

    Casus

    Van Dalfsen exploiteerde een restaurant en was voornemens het restaurant te verplaatsen. In het najaar van 2001 zijn Van Dalfsen en de gemeente Kampen (gemeente) derhalve in overleg getreden over de aankoop van een aan de gemeente toebehorend pand. Dit pand dateerde uit het jaar 1500 en had de status van rijksmonument. Na de renovatie (in 1991) was het pand bij de gemeente in gebruik als kantoorruimte. Vestiging van een restaurant in het pand zou een wijziging in het planologisch regiem en technische aanpassingen van het gebouw met zich meebrengen.

    Er was bij de eerdere renovatie (in 1991) reeds een statistische berekening gemaakt welke in het bezit was van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht in het bouwdossier omtrent het pand. Van Dalfsen wist tijdens de onderhandelingen niet van het bestaan van deze berekeningen. De gemeente vroeg aanvankelijk een bedrag van 1.300.000 gulden voor het pand. Van Dalfsen vond dit bedrag te hoog. Van Dalfsen heeft tijdens de onderhandelingen een nader onderzoek doen instellen door een architect naar de staat van het pand en de noodzaak en mogelijkheid van het aanbrengen van wijzigingen in het pand zodat het geschikt zou zijn om er een restaurant in te vestigen. Door Van Dalfsen is op 21 juni 2002 een aanvraag ingediend bij de gemeente voor een bouwvergunning voor de voorgenomen verbouwing van het pand. De architect heeft op de bouwvergunning vermeld: ‘dakconstructie c.q. vloeren controleren op toekomstige belastingen!’.

    De gemeente heeft Van Dalfsen per brief van 2 juli 2002 laten weten dat zijn bouwaanvraag niet aan de wettelijke eisen voldeed. Van Dalfsen en gemeente hebben uiteindelijk een koopovereenkomst gesloten ter zake van het pand, welke is neergelegd in een onderhandse akte van 16 december 2002. Van Dalfsen heeft begin januari 2003 de aannemer de opdracht gegeven om gebreken aan het pand te onderzoeken. Op 11 februari 2003 is de vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 verleend, waarna de aanhoudingsplicht voor de bouwvergunning kwam te vervallen en ook deze vergunning kon worden verleend op 31 maart 2003. Uiteindelijk heeft Van Dalfsen geweigerd mee te werken aan de eigendomsoverdracht van het pand. Van Dalfsen heeft in april 2003 het restaurant verplaatst naar een andere locatie. Hangende het onderhavige geding heeft de gemeente harerzijds de ontbinding van de koopovereenkomst ingeroepen en het pand (tezamen met twee andere panden) verkocht aan een derde voor een prijs van in totaal

    € 865.000,-- en geleverd bij notariële akte van 28 januari 2005.

    Rechtsvraag

    Bezat het door Van Dalfsen van de gemeente gekochte pand dat de gemeente in gebruik had als kantoorruimte en waarin Van Dalfsen het door hem geëxploiteerde restaurant wilde vestigen, de eigenschappen die Van Dalfsen op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten?

    NB. Daarbij gaat het in het bijzonder om de belastbaarheid van de vloer van de eerste verdieping waarvan is komen vast te staan dat deze in de staat waarin deze zich bevond, niet geschikt was voor het gebruik dat Van Dalfsen daarvan wilde maken.

    Rechtsregel

    Op zichzelf is juist het aan de klacht ten grondslag liggende uitgangspunt dat in het algemeen aan een koper, ook een onvoorzichtige koper, niet zal kunnen worden tegengeworpen dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de eigenschappen van het gekochte, wanneer de verkoper dienaangaande naar de in het verkeer geldende opvattingen een mededelingsplicht had maar heeft nagelaten de koper op de hoogte te stellen van bij de verkoper bekende feitelijke gegevens die relevant zijn voor de beantwoording van de vraag welke eigenschappen de koper met het oog op de beoogde bestemming van het gekochte mocht verwachten. Het Hof heeft dit uitgangspunt echter niet miskend en de motivering van zijn beslissing voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het Hof heeft immers aan zijn oordeel dat het bedoelde uitgangspunt in het onderhavige geval uitzondering lijdt de bijzondere omstandigheden van dit geval ten grondslag gelegd. Deze bijzondere omstandigheden kunnen als volgt worden samengevat.

    1. Zichtbaar was dat de houten steunbalken van de eerste verdieping sterk doorgebogen waren, waaruit mede in verband met de aard en de ouderdom van het pand had kunnen worden afgeleid dat de belastbaarheid van deze vloer wel eens te gering zou kunnen zijn voor het beoogde doel.

    2. Ook in de periode voor het sluiten van de koopovereenkomst werd Van Dalfsen bijgestaan door een deskundige. In het voorjaar van 2002 is Van Dalfsen regelmatig met een architect in het pand geweest. Hij is zich blijkens een op 21 juni 2002 aan de gemeente overlegde bouwtekening, waarop stond vermeld ‘Dakconstructie c.q. vloeren controleren op toekomstige belastingen’, bewust geweest van een mogelijk probleem met de belastbaarheid van de vloeren.

    3. In een bij Van Dalfsen bekende brief van 27 september 2002 van de welstands- en monumentencommissie is gewezen op de belasting van de balklagen (‘die nu al doorbuigen’) en is de vraag gesteld welke constructieve maatregelen hiervoor nodig zijn.

    4. De gemeente heeft voor de datum van de koopovereenkomst (16 december 2002) bij Van Dalfsen aangedrongen op het inleveren van constructieve berekeningen.

    Een en ander komt erop neer dat naar het oordeel van het hof de gemeente weliswaar de sterkteberekening uit 1991 bij de afdeling Bouw- en Woningtoezicht had moeten opvragen en aan Van Dalfsen had moeten geven, maar dat in het licht van hetgeen de gemeente overigens aan Van Dalfsen heeft medegedeeld en hetgeen bij Van Dalfsen al bekend was omtrent de beperkte belastbaarheid van de vloer van de eerste verdieping, in het onderhavige geval de gemeente desondanks zich erop mag beroepen dat Van Dalfsen ook zelf enig verder onderzoek had behoren te doen.

    Het Hof heeft naar het oordeel van de Hoge Raad geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met dat oordeel en evenmin met de daaraan verbonden conclusie dat de gemeente terecht heeft aangevoerd dat Van Dalfsen wist dat onzekerheid bestond over de constructieve geschiktheid van de bestaande situatie voor de beoogde functie van het pand en ten behoeve van de verbouwing zelf onderzoek had moeten doen en dat daarom de bedoelde onzekerheid in de koopovereenkomst van december 2002, toen voor onderzoek ruimschoots gelegenheid was geweest, is verdisconteerd. Een en ander is toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.

    LJN: 
    BF0407
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 14 November, 2008
    Ploum/Smeets en Geelen II - Arrest

    Ploum/Smeets en Geelen II - Arrest

    Ploum/Smeets en Geelen II (HR 25-03-211, LJN BP8991)

    Casus

    In deze zaak was de vraag aan de orde of de eiseres tot cassatie door de verweerster in cassatie, aan wie zij een perceel grond met daarop een tankstation heeft verkocht en geleverd, aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die de verweerster lijdt doordat de grond verontreinigd blijkt te zijn.

    Het Hof

    De Hoge Raad heeft bij zijn arrest van 23 november 2007 het arrest van het hof Den Bosch vernietigd en naar het hof Arnhem terugverwezen. Dat hof heeft het vonnis van de rechtbank onder verbetering van gronden bekrachtigd.

    Het hof Arnhem stelde dat de eiseres aansprakelijk was voor de schade die de verweerster had geleden doordat de grond verontreinigd bleek te zijn. Het hof oordeelde ten eerste dat het ervoor moet worden gehouden dat de eiseres tijdens de verkoop niet op de hoogte was van de bodemverontreiniging. Het oordeelde verder dat sprake was van non-conformiteit.

    Het hof oordeelde verder dat de verweerster binnen bekwame tijd in de zin van art. 7:23 lid 1 BW bij de eiseres had geklaagd. Het hof stelde ook dat de eiseres zich niet met succes kon beroepen een uitsluiting van de aanspraken (art. 7:21 BW). In cassatie gaat het dan verder over de onderzoeks- en klachtplicht van de koper.

    Hoge Raad

    Over de onderzoeks- en klachtplicht van de koper overweegt de Hoge Raad dat deze onderzoeks- en klachtplicht niet los kunnen worden gezien van de aard van de gekochte zaak en de overige omstandigheden van het geval. Dit geldt mede gezien het feit dat daarvan afhankelijk is wat de koper kan en moet doen om een eventueel gebrek te ontdekken en aan de verkoper een melding te maken van een waarschijnlijk vastgestelde tekortkoming.

    Naarmate de koper op grond van de inhoud van de koopovereenkomst en de verdere omstandigheden van het geval sterker erop mag vertrouwen dat de zaak beantwoordt aan de overeenkomst, zal van hem minder snel een (voortvarend) onderzoek mogen worden verwacht, omdat de koper in het algemeen mag afgaan op de juistheid van de hem in dit verband door de verkoper gedane mededelingen. De vereiste mate van voortvarendheid wat betreft de onderzoeksplicht van de koper hangt verder af van de ingewikkeldheid van het onderzoek.

    Als de koper op eenvoudig wijze kan (laten) vaststellen of een vermoed gebrek ook echt bestaat, zal dat onderzoek niet lang mogen duren. Als deze zekerheid alleen op langdurig of kostbaar onderzoek kan worden gebaseerd, of hiervoor medewerking van derden noodzakelijk is, dan moet de koper daar de nodige tijd voor worden gegund.

    Bij dit alles is in belangrijke mate mede in hoeverre de belangen van de verkoper al dan niet zijn geschaad. Als die belangen niet zijn geschaad, zal er niet spoedig voldoende reden zijn de koper een gebrek aan voortvarendheid te verwijten. In dit verband kan de ernst van de tekortkoming meebrengen dat een nalatigheid van de koper hem niet kan worden tegengeworpen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

    Kern

    Hoe voortvarend de koper verplicht is het gekochte te onderzoeken, hangt af van de ingewikkeldheid van het onderzoek. 

    LJN: 
    BP8991
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 25 March, 2011
    Coca-Cola/Duchateau (Kelderluik) - Arrest
    Staat/Shell - Arrest

    Staat/Shell - Arrest

    HR 30 september 1994, NJ 1996/196 m.nt. C.J.H. Brunner (Staat/Shell)     

    Rechtsvraag

    Is er in strijd met ongeschreven zorgvuldigheidsnormen gehandeld?

    Rechtsregel 

    De beantwoording van de vraag of er in strijd met ongeschreven zorgvuldigheidsnormen gehandeld is, hangt – in abstracto – ervan af of de dader anders heeft gehandeld dan hij had moeten doen teneinde geen schade toe te brengen aan een bepaald belang van een ander dat hij had behoren te ontzien, waartoe dan ook mede is vereist dat hij dat belang kende of had behoren te kennen.          

    Dergelijke normen strekken aldus uitsluitend ter bescherming van belangen van anderen waarop de dader bedacht moest zijn. Schendt hij een belang van een ander waarop hij niet bedacht behoefde te zijn, dan is niet voldaan aan het relativiteitsvereiste, zodat het mogelijk is te zeggen dat de dader niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens die ander. Men kan dan evenwel even goed, zo niet beter zeggen dat de dader (in zoverre) niet onrechtmatig heeft gehandeld. In dit opzicht bestaat een nauwe samenhang tussen onrechtmatigheid en relativiteitsvereiste.                

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Thursday, 27 June, 2013
    Pollemans/Hoondert - Arrest
    Baby Kelly (wrongful life) - Arrest
    Johanna Kruidhof - Arrest

    Johanna Kruidhof - Arrest

    HR 28 mei 1999, LJN ZC2912, NJ 1999, 564 (Johanna Kruidhof)

    Feiten

    Op 17 mei 1990 had de 11 jarige Johanna Kruidhof, op basisschool de Imenhof met haar klasgenote Marieke koffie- en theedienst verricht. Zij moesten dan voor de pauze in de keuken koffie en thee zetten voor de leerkrachten. Dit werd zonder toezicht van volwassenen gedaan. Een van de meisjes heeft een waterketel op het vuur gezet, en wel op de voorste gaspit. Toen Johanna vervolgens theezakjes uit het kastje boven het gaststel wilde pakken, vatte haar kleding vlam. Hierdoor liep zij over ongeveer 23% van haar lichaam brandwonden op. Hierdoor moest zijn maandenlang worden behandeld in het Brandwondencentrum. De ouders van Johanna moesten hiervoor veel vrije tijd en vakantiedagen opofferen voor de verpleging, bezoek aan artsen etc.

    De ouders van Johanna hebben toen vergoeding van de door Johanna geleden schade geëist van de gemeente. Deze is toegewezen en wordt verder niet betwist. De ouders hadden ook schadevergoeding geëist voor de vrije tijd en vakantiedagen die zij dus hadden moeten besteden aan het verzorgen van Johanna.

    Rechtbank en Hof

    De rechtbank en het hof oordeelden dat de gemeente Losser als exploitant van de basisschool, aansprakelijk was voor de schade van Johanna en wees daarom een vergoeding van 5000 gulden toe. De ouders van Johanna hadden namelijk vrije tijd moeten inzetten voor de verzorging en het herstel van hun kind n.a.v. het ongeluk. Verder oordeelde het hof dat door de zorg van de ouders de kosten voor een professionele hulpverlener bespaard waren.

    Hoge Raad

    In cassatie gaat het om de vraag of het verlies van vakantiedagen van de ouders en de tijd die is besteed aan de verpleging van Johanna, voor vergoeding in aanmerking moet komen.

    De Hoge Raad stelt dat als de ouders op redelijke gronden zelf de voor zorg en het herstel van het kind de noodzakelijke verpleging en verzorging op zich nemen en dit dus niet overlaten aan professionele hulpverleners, dan voldoen zij hiermee in natura aan een verplichting die eigenlijk rust op de aansprakelijke. In zo’n geval brengt de redelijkheid dan mee dat het de rechter vrijstaat bij het beantwoorden van de vraag of het kind vermogensschade heeft geleden en op welk bedrag deze schade kan worden begroot, te abstraheren van de omstandigheden dat die taken in feite niet door zulke hulpverleners worden vervuld, dat de ouders jegens het kind geen aanspraak op geldelijke beloning voor hun inspanningen kunnen doen gelden en dat zij in staat zijn die taken te vervullen zonder daarbij inkomsten te derven. Wat niet kan, is dat de rechter een hogere vergoeding toekent dan het bedrag van de bespaarde kosten van professionele hulp.

    De Hoge Raad verwierp de aanspraak op schadevergoeding wegens het verlies van vakantiedagen als gevolg van ziekenhuisbezoek. Deze vermogensschade kan niet als vermogensschade van het kind worden aangemerkt, omdat het niet door professionele hulp gedaan of vervangen had kunnen worden.

    LJN: 
    ZC2912
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 28 May, 1999
    Erven Van Hese/Koninklijke Schelde - Arrest
    Verhuizende zusjes Jansen - Arrest

    Verhuizende zusjes Jansen - Arrest

    Verhuizende zusjes Jansen (HR 12-05-2000, LJN AA5784; NJ 2001/300)

    Casus       

    Eiseres tot cassatie, Wendy Jansen, wordt door haar zus en tevens verweerster in cassatie, Monique Jansen, geholpen bij de verhuizing. Wendy gaat in een bovenwoning wonen, waardoor ze twee kasten naar boven moet tillen; hierbij helpt haar zus Monique haar. Wanneer ze de tweede kast naar boven willen brengen, glipt de kast bijna uit de handen van Wendy. Monique die de kast van onderen naar boven duwt, probeert de kast niet te laten vallen, waardoor ze een horizontale beweging maakt en de kast vervolgens naar boven duwt, zodat Wendy deze weer kan pakken. De kast komt echter verkeerd terecht en botst tegen de arm van Wendy aan. Haar arm zit bekneld tussen de kast, waardoor deze geamputeerd moet worden. Wendy spreekt Monique hier later op aan op grond van de onrechtmatige daad, omdat Monique volgens haar onrechtmatig heeft gehandeld.

    Hoge Raad

    De Hoge Raad stelt voorop dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van een gevaar dat aan een bepaald gedrag inherent is, dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden (vgl. Zwiepende tak).   

    De feitelijke toedracht van het ongeval laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat hier sprake is geweest van een ‘ongelukkige samenloop van omstandigheden’. De verweten gedraging maakte een ongeval als het onderhavige niet onder alle omstandigheden zodanig waarschijnlijk, dat de een zich naar de eisen van de haar jegens de ander betamende zorgvuldigheid daarvan had behoren te onthouden.     

    LJN: 
    AA5784
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 12 May, 2000
    Chan-a-Hung/Maalsté - Arrest
    Taxibus - Arrest

    Taxibus - Arrest

    Taxibus (HR 22-02-2002, LJN AD5356; NJ 2002/240)

    Casus

    De vijfjarige dochter van de eiseres in cassatie is aangereden door een taxibusje. Daarbij liep het kindje dermate ernstig letsel aan haar hoofd op, dat haar hersenen uit haar schedel zijn gevallen. De eiseres in cassatie heeft haar dochter in deze toestand op het wegdek aangetroffen. Deze omstandigheden hebben geleid tot ernstig geestelijk letsel van de moeder. Dit letsel bestond uit een constant herleven van de afschuwelijke beelden van haar dochtertje (posttraumatische stressstoornis). De moeder heeft hiervoor gedurende een aantal jaren zeer intensieve behandeling genoten, echter zonder resultaat. De moeder vordert van de WAM verzekeraar van de chauffeur zowel een materiële schadevergoeding (therapiekosten, kosten van medische expertise en buitengerechtelijke rechtsbijstand) als een bedrag wegens immateriële schade die zij heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de bestuurder. Ze stelt de bestuurder aansprakelijk voor het geestelijk letsel dat de ze heeft opgelopen door de schokkende confrontatie met het verminkte lichaam van haar dochter.

    Het Hof heeft de materiële schadevergoeding geheel toegewezen en wees m.b.t. de immateriële schade een vordering toe van 30.000 gulden (geëist was 100.000).

    Hoge Raad

    Nabestaanden hebben geen recht op schadevergoeding voor nadeel en verdriet dat zij ondervinden bij het verlies van een dierbare waarvoor een ander aansprakelijk is. Het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten te dezer zake in afwijking van het wettelijk stelsel zonder meer een vergoeding toe te kennen. Echter, indien er bij een overtreding van een veiligheids- of verkeersnorm een ernstig ongeval wordt veroorzaakt, handelt diegene niet alleen onrechtmatig tegen de persoon die daardoor gedood is, maar ook tegen degene die door het waarnemen van het ongeval of de directe ernstige gevolgen ervan in emotionele shock terecht is gekomen. Indien uit die emotionele shock geestelijk letsel voortvloeit en het een persoon betreft met wie een nauwe affectieve relatie bestaat, dan is de daardoor ontstane schade vergoedbaar op grond van art. 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW.

    De aard van de schade brengt met zich mee dat deze schade in het algemeen slechts voor vergoeding in aanmerking komt indien:

    1. De betrokkene rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden en;

    2. Deze confrontatie bij de betrokkene een hevige schok teweeg heeft gebracht, wat zich met name kan voordoen indien sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die door het ongeval is gedood of gewond geraakt.

    LJN: 
    AD5356
    Datum Uitspraak: 
    Thursday, 27 June, 2002
    Duwbak Linda - Arrest

    Duwbak Linda - Arrest

    Duwbak Linda (HR 07-05-2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO6012)

    Casus

    In de Maas ligt een baggerschip met duwbak aangemeerd. Op een nacht zijn het baggerschip en de duwbak gekapseisd, waarna het baggerschip en de duwbak beide zinken. Het gebeurde werd veroorzaakt door de slechte staat waarin de duwbak verkeerde: er was lekkage ontstaan als gevolg van corrosie van de bodemplaten. Een jaar voor dit ongeluk was de duwbak gecontroleerd door een deskundige, waarop de Staat een "Certificaat van onderzoek" afgaf dat 7 jaar geldig was. Het baggerbedrijf stelt de staat en de deskundige die het onderzoek verrichtte aansprakelijk omdat de duwbak in strijd met het geldende veiligheidsreglement is goedgekeurd. 

    Rechtsvraag

    Is hier voldaan aan het relativiteitsvereiste?

    Rechtsregel

    Bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan het in artikel 6:163 BW neergelegde vereiste dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, komt het aan op:

    • Het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht

    • Tot welke personen en

    • Tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt. 

    Hoge Raad

    De Hoge Raad oordeelt dat men dient te kijken naar het doel en de strekking van het overtreden veiligheidsreglement. Aan de hand hiervan kan men vervolgens bepalen of de bescherming van het overtreden veiligheidsreglement reikt tot het baggerbedrijf en de schade die zij geleden heeft. De Hoge Raad stelt dat het doel van het veiligheidsreglement is: het bevorderen van de scheepvaart in algemene zin. Individuele vermogensbelangen worden onder deze strekking dus niet beschermd. Er is niet aan het relativeitsvereiste voldaan. 

    ECLI: 
    ECLI:NL:PHR:2004:AO6012
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 7 May, 2004
    Nefalit/Erven Karamus - Arrest
    Hangmat - Arrest

    Hangmat - Arrest

    HR 8 oktober 2010, LJN BM6095; NJ 2011/465 (Hangmat)

    m.nt. T. Hartlief

    Casus     

    Op 13 juli 2005 is A een ongeval overkomen. Op die dag hing zij in de tuin bij haar woning een hangmat op aan een gemetselde pilaar. Toen zij in de hangmat lag, is de pilaar afgebroken en over haar heen gevallen. A zal door het ongeval haar armen en benen nooit meer kunnen gebruiken en is voor de rest van haar leven volledig afhankelijk van de hulp van derden. A en B waren ten tijde van het ongeval gezamenlijk eigenaar van de woning waar het ongeval is gebeurd. Zij hadden een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren afgesloten bij Achmea ten behoeve van hen beiden. A en B zijn op 24 augustus 2005 in het huwelijk getreden. A heeft Ben Achmea gedagvaard voor de rechtbank en gevorderd voor recht te verklaren dat B jegens haar aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval en voorts B en Achmea hoofdelijk te veroordelen haar schade te vergoeden. 

    Rechtbank

    In het bestreden tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat A jegens B en Achmea in beginsel terecht een beroep doet op de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW, maar dat dit beroep slechts kan leiden tot een aansprakelijkheid voor maximaal 50% van de schade nu A als medebezitter met een aandeel – in haar verhouding tot de medebezitter – van 50% in de opstal, dat deel van de schade zelf zal hebben te dragen. Hiertegen keren zich zowel het principale als het incidentele cassatieberoep.    

    Hoge Raad   

    Ter beantwoording van de vraag of artikel 6:174 BW uitsluitend een risicoaansprakelijkheid vestigt jegens derden, dat wil zeggen jegens personen die niet de hoedanigheid van (mede)bezitter van die opstal hebben, moet volgens de Hoge Raad in het bijzonder worden onderzocht of het relativiteitsvereiste aan vergoeding van de schade in de weg staat.  

    Of aan het in artikel 6:163 BW neergelegde relativiteitsvereiste is voldaan, hangt naar vaste rechtspraak ervan af wat het doel en de strekking is van de aansprakelijkheidsnorm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt. In aanmerking genomen dat de wetgever de door A bepleite aansprakelijkheid niet heeft uitgesloten, hangt de te maken keuze af van wat naar maatschappelijke opvattingen, in aanmerking genomen de belangen van de benadeelde, de bezitter en de aansprakelijkheidsverzekeraar, het meest redelijk moet worden geacht als reikwijdte van artikel 6:174 BW. Die keuze valt uit ten gunste van het standpunt van A, waarbij het volgende in aanmerking wordt genomen.      

    Het behoort tot de algemene doelstelling van de kwalitatieve aansprakelijkheid van artikel 6:174 BW dat op de benadeelden niet het risico wordt afgewenteld dat niet of niet eenvoudig kan worden bepaald en bewezen wie voor de door het gebrek veroorzaakte schade eventueel aansprakelijk kan worden gehouden op grond van de schuldaansprakelijkheid van artikel 6:162 BW. Deze beschermingsgedachte gaat evenzeer op voor de benadeelde medebezitter.

    Het behoeft geen betoog dat het belang van de benadeelde medebezitter, die zijn schade niet (eenvoudig) elders vergoed kan krijgen, om te worden beschermd door het aannemen van aansprakelijkheid van de (mede)bezitter en de daardoor geboden mogelijkheid van verhaal onder de aansprakelijkheidsverzekering van de andere medebezitter, een zwaarwegend belang is. Als vanouds wordt aan de benadeelde het recht gegeven zich voor schadevergoeding te wenden tot degene tot wiens vermogen het bouwwerk behoort. Met dit uitgangspunt strookt niet elke aanspraak jegens de bezitter aan de medebezitter te onthouden op de enkele grond dat deze opstal ook tot het vermogen van de medebezitter behoort. Het feit dat degene die als (enig) bezitter schade ondervindt als gevolg van een gebrek in de opstal niet zichzelf of zijn aansprakelijkheidsverzekeraar kan aanspreken en de eigen schade zelf moet dragen, is geen voldoende klemmende reden de benadeelde medebezitter geen enkele aanspraak jegens de andere bezitter(s) toe te kennen.      

    Een benadeelde derde kan voor de door hem als gevolg van het gebrek geleden schade iedere bezitter van de opstal, die tegenover hem hoofdelijk aansprakelijk is (zie artikel 6:180 lid 1 BW), voor het geheel aanspreken. In hun onderlinge verhouding zijn de bezitters in beginsel verplicht in de schuld en in de kosten bij te dragen voor het gedeelte van de schuld dat hun in hun onderlinge verhouding aangaat (zie artikel 6:10 lid 1 BW). Dit gedeelte moet in het algemeen worden gesteld op het gedeelte dat overeenkomt met ieders aandeel in de opstal. Dit heeft tot effect dat de schade in zo'n geval wordt gedragen door de bezitters gezamenlijk. Indien de medebezitter die schade lijdt ten gevolge van het gebrek geen enkele aanspraak zou hebben tegenover andere bezitters van de opstal, zou hij de schade volledig zelf moeten dragen en zouden de andere bezitters niets behoeven bij te dragen, hoewel ook zij in dezelfde relatie tot de gebrekkige opstal staan als de medebezitter die schade lijdt ten gevolge van het gebrek. Het is, vorenbedoeld uitgangspunt in aanmerking genomen, uit maatschappelijk oogpunt redelijker de schade van de benadeelde over alle bezitters te verdelen dan uitsluitend de benadeelde medebezitter de schade te laten dragen.

    Dat de onderhavige aanspraak zich binnen een samenlevingsverband afspeelt, vormt geen reden om een aanspraak van de medebezitter niet te honoreren. Ook in gevallen waarin aansprakelijkheid in samenlevingsverband wordt aanvaard, zoals in die waarin aanspraken tussen ouders en kinderen ontstaan, gelden in beginsel de gewone aansprakelijkheidsregels.

    De bezitters van een opstal plegen zich te verzekeren tegen de risico's van de in artikel 6:174 BW bedoelde aansprakelijkheid. Deze relatief eenvoudige verzekeringsmogelijkheid was ook voor de wetgever een niet onbelangrijk argument ten gunste van de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW. Door B en Achmea is niet concreet gemotiveerd aangevoerd dat in het geval een aanspraak van medebezitters op grond van artikel 6:174 BW wordt aangenomen, daardoor wezenlijk afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid tegen een relatief geringe premie de wettelijke aansprakelijkheid ter zake van schade door gebrekkige opstallen te verzekeren. Evenmin is voldoende aannemelijk geworden dat de vrees voor een onbeheersbare toename van claims als de onderhavige bewaarheid zal worden. In de polisvoorwaarden en door middel van de premiestelling zal de verzekeraar bovendien met de hier bedoelde aanspraken van medebezitters rekening kunnen houden.          

    LJN: 
    BM6095
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 8 October, 2010
    Hangmat II Dieren - Arrest
    Dijkdoorbraak Wilnis (2010) - Arrest

    Dijkdoorbraak Wilnis (2010) - Arrest

    HR 17 december 2010, LJN BN6236; NJ 2012/155 (Dijkdoorbraak Wilnis)

    m.nt. T. Hartlief

    Relevante artikelen

    Art. 6:174 lid 1 BW.

    Rechtsregel

    Bij de eisen als bedoeld in artikel 6:174 lid 1 BW gaat het om de eisen die men uit het oogpunt van veiligheid aan de desbetreffende opstal mag stellen. Daarbij spelen:

    • gedragsnormen,
    • veiligheidsvoorschriften en
    • de in het algemeen aan een bezitter of gebruiker van die zaak te stellen zorgvuldigheidsnormen een belangrijke rol.
      (de zogenaamde Kelderluik-factoren spelen dus in dit geval weldegelijk een rol.)

    De omstandigheid dat een opstal in algemene zin voldoet aan geldende veiligheids-voorschriften, staat niet in de weg aan het oordeel dat de opstal (niettemin) niet aan bedoelde eisen voldoet en derhalve ‘gebrekkig’ is in de zin van artikel 6:174 lid 1 BW. Het antwoord op de vraag of sprake is van een gebrekkige toestand hangt immers af van verschillende omstandigheden, waaronder:

    • de aard van de opstal (bijvoorbeeld een voor publiek toegankelijk gebouw of werk of een gesloten huis of werk op besloten terrein),
    • de functie van de opstal,
    • de fysieke toestand van de opstal ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar en
    • het van de opstal te verwachten gebruik door derden.

    Voorts dient in aanmerking te worden genomen:

    • de grootte van de kans op verwezenlijking van het aan de opstal verbonden gevaar alsmede
    • de mogelijkheid en bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen. 

    Daarbij kan voor het geval de aansprakelijkheid op een overheidslichaam rust mede betekenis toekomen aan

    • de hem toekomende beleidsvrijheid en
    • ter beschikking staande financiële middelen.          

    De gezichtspunten begrenzen de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW; de wetgever heeft immers een te ruime aansprakelijkheid van de bezitter willen voorkomen door bepaalde begrenzingen die in afdeling 6.3.1 aan aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad worden gesteld, ook te laten gelden voor de onderhavige aansprakelijkheid. Van een op de bezitter van een zaak rustende garantienorm is dan ook geen sprake.  

    Bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het derhalve aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn.

    Toegesneden op de onderhavige vraagstelling betekent het vorenstaande dat rekening moet worden gehouden met factoren als:   

    • de aard en bestemming van de kade (een publiek toegankelijke dijk);
    • de waarborgfunctie van de veendijk (bescherming van omwonenden tegen water);
    • de fysieke toestand van de kade ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar;
    • de naar objectieve maatstaven te beoordelen kenbaarheid van het gebrek en het daaraan verbonden gevaar van kadeverschuiving;
    • de bij de uitvoering van zijn publieke taak aan het Hoogheemraadschap toekomende beleidsvrijheid en
    • de financiële middelen die hem in dat verband ten dienste staan, een en ander mede gelet op de toenmalige stand van de wetenschap en de techniek en de daadwerkelijke (technische) mogelijkheid van het nemen van afdoende veiligheids-maatregelen.

    Het enkele feit van de kadeverschuiving zal in het algemeen voldoende zijn voor het aannemen van het vermoeden dat de kade (dijk) niet voldeed aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen, behoudens door de bezitter ervan te leveren tegenbewijs.

     De hierboven genoemde factoren kunnen in voorkomend geval in uiteenlopende richting wijzen, maar daarbij verdient aantekening dat:     

    • de aard,
    • de bestemming en
    • de waarborgfunctie van de kade zwaarwegende factoren zijn die kunnen meebrengen dat daartegenover aan andere omstandigheden minder gewicht toekomt of ertoe kunnen nopen dat aan de onderbouwing van stellingen met betrekking tot de niet-kenbaarheid van het gevaar van een kadeverschuiving strenge eisen worden gesteld.          

    Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het bij de beantwoording van de vraag of de kade voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen, niet aankomt op de toenmalige kennis over faalmechanismen en de toenmalige maatstaven voor belastingsituaties en dat de toenmalige stand van wetenschap en techniek en de financiële kaders waarbinnen het Hoogheemraadschap zijn beleidsdoelstellingen tracht te realiseren niet in de weg staan aan het aannemen van aansprakelijkheid voor de bezitter van de kade.  

    Anders dan het hof heeft geoordeeld, komt betekenis toe aan genoemde omstandigheden bij de beoordeling of de kade gebrekkig was. Het hof heeft bovendien blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het heeft geoordeeld dat voor de beantwoording van de vraag of de kade gebrekkig was, niet van belang is de stelling van het Hoogheemraadschap dat de kadeverschuiving zich heeft voorgedaan ten gevolge van specifieke en uitzonderlijke omstandigheden.      

    Ook een stelling van een dergelijke strekking kan immers van betekenis zijn voor het antwoord op de vraag of met betrekking tot de kade, gelet op de toenmalige stand van de wetenschap en de techniek, alle nodige veiligheidsmaatregelen waren getroffen. Daarbij verdient opmerking dat het oordeel van het hof dat onbekendheid van het gevaar op grond van de wet voor risico van het Hoogheemraadschap komt in het algemeen niet juist is voor een geval waarin het specifieke gevaar dat zich heeft verwezenlijkt naar de toenmalige stand van de wetenschap en de techniek niet bekend – en dus naar objectieve maatstaven niet kenbaar – was. 

    LJN: 
    BN6236
    Datum Uitspraak: 
    Thursday, 27 June, 2013
    Gynaecoloog - Arrest

    Gynaecoloog - Arrest

    Gynaecoloog (HR 23-11-2012, NJ 2012, 669)

    Casus

    Deze zaak betreft de vraag naar de aansprakelijkheid van de gynaecoloog die op 16 december 1993 de leiding had bij de bevalling van de moeder van betrokkene 3 voor het hersenletsel dat betrokkene 3 rond haar geboorte heeft opgelopen. De volgende feiten hebben zich voorgedaan. Op 16 september 1993 uur is de moeder met weeën opgenomen in het Kennemer Gasthuis. Er is een CTG van de foetus gemaakt, dat geen bijzonderheden toonde. Daarna werd in verband met pijnklachten een infuus ingebracht, waarlangs epidurale anesthesie werd toegepast. Toen bleek dat de epiduraal niet werkte. Vervolgens braken de vliezen, waarbij bleek dat het vruchtwater vers meconium bevatte en vanaf dat moment heeft door middel van een schedelelektrode CTG- bewaking van de hartslag van de foetus plaatsgevonden. Uit de CTG bleek een extreem lage pH- waarde. Betrokkene 3 is door middel van een tangverlossing geboren. Na de geboorte zijn bij betrokkene 3 de volgende afwijkingen vastgesteld: psychomotore retardie, schouderdystocie en Erbse parese links. De ouders vorderen in dit geding veroordeling van de gynaecoloog tot vergoeding van materiële en immateriële schade.

    Rechtbank

    Bij eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de antenatale asfyxie, de symptomatische hypoglycaemie en de huidige toestand van betrokkene 3. Daarmee oordeelde de rechtbank dat het verlangde tegenbewijs niet is geleverd en dat derhalve bewezen is dat de huidige toestand van [betrokkene 3] het gevolg is van de beroepsfout van de gynaecoloog. De rechtbank heeft de vordering op die grond toegewezen, waarna hoger beroep is ingesteld.

    Hoge Raad

    Het eerste onderdeel van het middel betoogt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat hier sprake is van een door de gynaecoloog overtreden specifieke norm, zoals vereist is voor de toepassing van de omkeringsregel. geen van de partijen heeft het standpunt ingenomen dat de norm deze beperkte strekking heeft zodat het hof, door aldus te oordelen, buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen is getreden. Het tweede onderdeel behelst onder meer de rechtsklacht dat het hof ten onrechte oordeelt dat het geen geldend recht is om voor de toepassing van de omkeringsregel de eis te stellen dat de kans op verwezenlijking van het (door de normovertreding in het leven geroepen) specifieke gevaar aanmerkelijk moet zijn vergroot. Ingevolge vaste rechtspraak strekt de omkeringsregel ertoe dat in bepaalde gevallen een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van art. 150 Rv in dier voege dat het bestaan van causaal verband (in de zin van conditio sine qua non-verband) tussen een onrechtmatige daad of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst - waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt - dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Gelet op het voorgaande heeft het hof terecht geoordeeld dat de voorwaarde dat het specifieke gevaar aanmerkelijk moet zijn vergroot, geen geldend recht is. De klacht stuit daarop af. De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden en de Hoge Raad verwerpt het beroep.

    LJN: 
    nvt
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 23 November, 2012
    De Rooyse Wissel/Hagens - Arrest
    Van de Steeg/Rabobank - Arrest
    Commissie/UK, Ontwikkelingsrisico - Arrest

    Commissie/UK, Ontwikkelingsrisico - Arrest

    Commissie/UK, Ontwikkelingsrisico (HvJ EG 29-05-1997, ECLI:NL:XX:1997:AD4744, NJ 1998/522)

    Feiten

    I.c. ging het om een niet-nakomingsprocedure van de Europese Commissie tegen het Verenigd Koninkrijk. Centraal stond de vraag of het Verenigd Koninkrijk artikel 7, sub e, van de richtlijn 85/374/EEG, oftewel het ontwikkelingsrisico-verweer, correct had geïmplementeerd in de nationale wetgeving: ‘the Consumer Protection Act’.

    De bepaling uit de richtlijn 85/374/EEG had als doel de wetgevingen van de lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken te harmoniseren. Artikel 7 onder (e) van de richtlijn staat de producent toe te bewijzen dat het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip dat het product in het verkeer werd gebracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken. Daarentegen vergt section 4 lid l onder (e) van de Britse Consumer Protection Act slechts dat de ontdekking van de producent in kwestie niet kon worden verwacht. De Consumer Protection Act stelde hiermee de ‘stand van de wetenschap en technische kennis’ gelijk aan de kennis van producenten van soortgelijke producten.

    De Europese Commissie kon zich niet vinden in de wijze waarop het Verenigd Koninkrijk de richtlijn had omgezet in nationale wetgeving. De Commissie meende dat de richtlijn alleen ruimte bood voor toepassing van het ontwikkelingsrisico-verweer met een zuiver objectieve toets.

    Hof van Justitie

    Het Europese Hof van Justitie heeft toen geoordeeld dat het ontwikkelingsrisico-verweer niet is bedoeld voor toetsing met een gesubjectiveerd karakter. Volgens het Hof moet artikel 7, sub e, van de richtlijn 85/374/EEG worden uitgelegd als: “de stand van de wetenschap en technische kennis zonder meer, daaronder inbegrepen het meest geavanceerde niveau op het tijdstip waarop het betrokken product in het verkeer werd gebracht”.

    Verder gaat de omstreden exoneratieclausule niet uit van de stand van de kennis waarvan de betrokken producent concreet of subjectief op de hoogte was of kon zijn, maar van de objectieve stand van de wetenschappelijke en technische kennis waarvan de producent wordt geacht op de hoogte te zijn.

    Kern: i.c. heeft het Europese Hof van Justitie duidelijkheid verschaft over de wijze waarop het bereik van ‘de stand van de wetenschap en technische kennis’ moet worden uitgelegd. Uit deze uitspraak volgt, dat de wetenschappelijke en technische kennis van het meest geavanceerde niveau beslissend is. M.a.w. de absolute onmogelijkheid (met inbegrip van de techniek en wetenschap met inbegrip van het meest geavanceerde niveau) om het gebrek te ontdekken.

    ECLI: 
    ECLI:NL:XX:1997:AD4744
    Datum Uitspraak: 
    Thursday, 29 May, 1997
    Schaatsongeval - Arrest

    Schaatsongeval - Arrest

    HR 28-03-2002, ECLI:NL:HR:2003:AF2680, NJ 2003/719 (Schaatsongeval)

    Feiten

    De eiser (Broere) en verweerder (Kegel) hebben op 29 november 1995 beiden deelgenomen aan het KNSB trainingsuur op de ijsbaan in Haarlem. Dit uur was alleen toegankelijk voor licentiehouders, en daarom waren er maximaal 250 schaatsers op de baan. Tijdens de training heeft Kegel, Broere van achteren geraakt, waardoor Broere is gevallen en met zijn achterhoofd en rug tegen het ijs is geslagen. Als gevolg daarvan is hij vier dagen in coma geraakt. Hij ondervindt blijvende gevolgen van het daarbij opgelopen letsel. Hij stelt Kegel aansprakelijk.

    Broere heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat Kegel in de specifieke omstandigheden van het geval meer risico heeft genomen dan redelijkerwijs verantwoord was door op volle snelheid de bocht in te gaan. Volgens de verweerder was dit specifieke KNSB-trainingsuur er juist voor het doen van dit soort snelheidsoefeningen, dat hij op aanwijzingen van zijn trainer handelde, dat aan de schaatssport eigen is dat bij de beoefening daarvan af en toe wordt gevallen en dat hij niet meer risico heeft genomen dan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord was.

    De vordering van Broere werd in alle instanties afgewezen. Het hof overwoog dat de Rechtbank de vordering terecht heeft getoetst aan de in de rechtspraak tot ontwikkeling gekomen maatstaven voor aansprakelijkheid in sport- en spelsituaties. In dit licht moet worden beoordeeld of de handelwijze van Kegel valt binnen de normale uitoefening van de schaatssport tijdens het (druk bezochte) KNSB-trainingsuur. Dat is inderdaad het geval. Zo is het hardrijders tijdens het trainingsuur niet verboden of zelfs ontraden om snelheid te ontwikkelen in de bochten van de baan. Dat staat ook in de geldende gedragsregels. Ook zijn valpartijen tijdens de trainingsuren aan de orde van de dag.

    Hoge Raad

    De zaak wordt aan de Hoge Raad voorgelegd. Naar constante rechtspraak van de Hoge Raad moet de vraag of een deelnemer aan een sport- of spelsituatie onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, minder spoedig bevestigend worden beantwoord dan het geval zou zijn geweest wanneer die gedraging niet in een sport- of spelsituatie zou hebben plaatsgevonden. De reden daarvan is dat de deelnemers aan die sport of dat spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten. Deze verhoogde drempel om aansprakelijkheid te kunnen aannemen, houdt niet op te gelden doordat (in dit geval) tijdens het KNSB-trainingsuur de ene schaatser doende is uit te rijden, terwijl de andere bezig is met een snelheidsoefening en zij op verschillende, door de KNSB daartoe aangewezen, gedeelten van de baan rijden. Ook dan beïnvloedt het feit dat beide rijders tijdens dat trainingsuur op dezelfde baan schaatsen, de verwachtingen die zij van elkaar mogen of moeten hebben, welke verwachtingen overigens mede afhankelijk zijn van de risico's die aan de schaatssport eigen zijn, het doel van dat trainingsuur en de verdere omstandigheden van het geval. Het onderdeel is mitsdien op een onjuiste rechtsopvatting gebaseerd.

    Kern: het hard door de bocht schaatsen in een KNSB-trainingsuur was niet onrechtmatig.

    ECLI: 
    NL:HR:2003:AF2680
    Datum Uitspraak: 
    Thursday, 28 March, 2002
    Maatzorg/Van der Graaf - Arrest

    Maatzorg/Van der Graaf - Arrest

    HR 12-12-2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129, NJ 2009/332 (Maatzorg, Van der Graaf)

    Feiten

    Van der Graaf werkte sinds 2002 bij Maatzorg. Als verzorgingshulp kwam zij bij hulpbehoevende cliënten en verplaatste zich per fiets van huis naar huis om cliënten te bezoeken. Begin 2003 is zij onder werktijd bij het fietsen van de ene hulpbehoevende naar de andere hulpbehoevende gevallen, als gevolg van gladheid op de openbare weg. Hierdoor heeft zij een ernstige scheenbeenfractuur opgelopen. Zij was zelf niet verzekerd. Van der Graaf heeft Maatzorg toen aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeluk en de schade die daaruit is ontstaan. Zij voert aan dat Maatzorg op grond van art. 7:658 BW, dan wel art. 7:611 BW, voor de schade aansprakelijk is.

    De kantonrechter en het hof wijzen de vorderingen toe. Het hof overweegt dat, hoewel het fietsen plaatsvond in de uitoefening van de werkzaamheden, dit niet binnen het gezagsgebied van de werkgever viel en daarom niet wordt beheerst door artikel 7:658 BW.

    Maatzorg had evenwel als goed werkgeefster (7:611 BW) een adequate voorziening moeten treffen voor ongevallen van haar werknemers in het verkeer of werknemers uitdrukkelijk moeten waarschuwen dat zulke voorzieningen niet getroffen waren en werknemers dit zelf geacht werden te doen. De werkgever gaat in cassatie.

    Hoge Raad

    Geldt art. 7:658 lid 2 BW als schade wordt geleden als gevolg van een (eenzijdig) verkeersongeval op de openbare weg? Heeft een werkgever een aanvullende zorglicht op grond van art. 7:611 BW als werknemers schade lijden ten gevolge van een ongeval als zij niet aan het gemotoriseerde verkeer maar als fietser of voetganger in de uitoefening van hun werk aan het verkeer deelnemen?

    De Hoge Raad stelt dat als een werknemer in de uitoefening van de werkzaamheden deelneemt aan het wegverkeer, de omvang van de zorgplicht van de werkgever (7:658 BW) beperkt is: “De werkgever heeft immers in de regel geen zeggenschap over de inrichting en daarmee samenhangende verkeersveiligheid van de openbare weg en daarnaast kan een groot aantal andere factoren bijdragen aan het ontstaan van verkeersongevallen, zonder dat de werkgever daarop door het treffen van maatregelen of het geven van aanwijzingen effectief invloed kan uitoefenen, afgezien van de veiligheid van het voertuig dat hij eventueel aan de werknemer ter beschikking heeft gesteld en het geven van onderricht, instructies en voorschriften die de veiligheid van de werknemer kunnen bevorderen.”

    Daarnaast stelt de Hoge Raad dat, als een werknemer die in de uitoefening van zijn werk door een verkeersongeval op de openbare weg schade lijdt en deze geen baat heeft bij de bescherming die art. 7:658 hem biedt, er voor de werkgever, naast zijn uit art. 7:658 lid 1 voortvloeiende zorgplicht, een aanvullende verplichting kan bestaan om voorzieningen te treffen teneinde de werknemer voor zulke schade schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door een behoorlijke verzekering ten behoeve van de werknemer. De Hoge Raad stelt dat geen rechtvaardiging bestaat om onderscheid te maken tussen werknemers die met een motorvoertuig aan het verkeer deelnemen en werknemers die met een ander voertuig, zoals een fiets, of te voet aan het verkeer deelnemen. Voor voetgangers en fietsers geldt namelijk ook het risico van schade ten gevolge van een verkeersongeval. Daarom moet een werkgever op grond van het goed werkgeverschap ook voor werknemers die als fietser of voetganger aan het verkeer deelnemen zorg dragen voor een behoorlijke verzekering. Ook deze risico’s zijn namelijk goed verzekerbaar tegen betaalbare premies.

    Kern: de aansprakelijkheid van de werkgever geldt ook als de werknemer in de uitoefening van zijn functie deelneemt aan het verkeer anders dan als bestuurder van een motorvoertuig, zoals fietser of voetganger (waarbij de werknemer juist erg kwetsbaar is). Het maakt daarbij geen verschil of sprake is van een meerzijdig of eenzijdig verkeersongeval.

    ECLI: 
    NL:HR:2008:BD3129
    M/V Communicatie, Van de Brink - Arrest

    M/V Communicatie, Van de Brink - Arrest

    HR 17/04/2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1996, AA 2009, 646 (M/V Communicatie, Van de Brink)

    Feiten

    Een 47-jarige werkneemster overkomt op vrijdagmiddag (op haar vrije dag) een skateongeval tijdens een rollerskate-workshop gehouden in de hal van het bedrijfspand van

    haar werkgever. Het ging hier om een (niet verplichte) personeelsactiviteit georganiseerd

    door haar werkgever. Voor de organisatie van de activiteit was een evenementenbureau ingeschakeld. Nog voor de activiteit begint valt de werkneemster ongelukkig. Hierdoor breekt zij haar pols en loopt ernstig letsel op (posttraumatische dystrofie). Zij stelt hiervoor haar

    werkgever aansprakelijk, op grond van het tekortschieten in de op hem rustende zorgplicht (artikel 7:658 BW) en subsidiair op grond van het tekortschieten in zijn verplichtingen als goed werkgever (artikel 7:611 BW).

    De kantonrechter wijst beide vorderingen af. Het hof oordeelt dat de schade niet is opgelopen in de uitoefening van de werkzaamheden en dat de primaire vordering daarom niet kan worden toegewezen. Het Hof oordeelt dat de werkgever echter wel schadeplichting is op grond van 7:611 BW, omdat o.a. de workshop wel aan het werk was gerelateerd (personeelsactiviteit in hal van kantoor), de werkgever de activiteit mede had georganiseerd en de activiteit risicovol is. De werkgever gaat in cassatie tegen het oordeel van het hof.

    Hoge Raad

    De Hoge Raad volgt voor beide aansprakelijkheidsgrondslagen het oordeel van het hof.

    De Hoge Raad oordeelt dat het uitgangspunt in de cassatieprocedure is dat geen aansprakelijkheid bestaat op grond van artikel 7:658 BW omdat (volgens het hof) géén sprake was van een ongeval dat plaatsvond in de uitoefening van de werkzaamheden.

    Met betrekking tot het goed werkgeverschap overweegt de Hoge Raad dat een werkgever die activiteiten organiseert waaraan een bijzonder risico op schade voor de deelnemende werknemers is verbonden, gehouden is ter voorkoming van die schade de redelijkerwijs van hem te verlangen zorg te betrachten. Gezien de door het hof aangehaalde omstandigheden is aan deze zorg- en preventieplicht in deze zaak niet voldaan.

    De werkgever is dus aansprakelijk voor de schadelijke gevolgen van het ongeval op grond van art. 7:611 BW juncto art. 6:74 BW. Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering van de werkneemster wordt toegewezen.

    Kern: de Hoge Raad stelt in dit arrest dat de werkgever de ‘redelijkerwijs van hem te verlangen zorg moet betrachten.’ Het gaat dan om een ‘zorg- en preventieplicht’.

    Een werkgever die voor zijn personeel een activiteit organiseert of doet organiseren

    waaraan een bijzonder risico op schade voor de deelnemende werknemers is verbonden, is

    op grond van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) gehouden de redelijkerwijs van hem te

    verlangen zorg te betrachten ter voorkoming van schade.

    ECLI: 
    NL:HR:2009:BH1996
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 17 April, 2009
    Vechtscheiding, onrechtmatige daad bij geestelijke of lichamelijke tekortkoming - Arrest

    Vechtscheiding, onrechtmatige daad bij geestelijke of lichamelijke tekortkoming - Arrest

    Hof - datum - vindplaats

    Hoge Raad (HR) 29/01/2016, ECLI:NL:HR:2016:147, RvdW 2016/221 (Vechtscheiding)

    Casus

    Partijen zijn gewezen echtgenoten. De man vordert veroordeling van de vrouw tot schadevergoeding omdat zij zowel de totstandkoming van het bindend advies over de afwikkeling van de huwelijk, waaronder de verkoop van de voormalige echtelijke woning, als de uitvoering daarvan langdurig heeft gefrustreerd, als gevolg waarvan de man schade heeft geleden, bestaande in extra (proces)kosten en een verminderde opbrengst van de woning. De vrouw verweert zich door te stellen dat zij, doordat de man tijdens hun huwelijk met een tractor op haar is ingereden, waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld en zij onder behandeling is geweest, dan wel door de daarop volgende “vechtscheiding”, niet in staat was haar belangen te behartigen. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft de vordering grotendeels toegewezen. In cassatie klaagt de vrouw dat het hof heeft miskend dat voor de toepassing van artikel 6:165 lid 1 BW sprake moet zijn van ‘een als een doen te beschouwen gedraging’ en dat de door het hof vastgestelde weigering van de vrouw niet als een doen in deze zin is te beschouwen.

    Hoge Raad

    De in artikel 6:165 lid 1 BW voorkomende beperking tot ‘een als een doen te beschouwen gedraging’ moet ruim worden opgevat en is niet beperkt tot actieve handelingen. Slechts gevallen van “zuiver nalaten” vallen buiten het toepassingsbereik ervan. Voor zover het hof de aansprakelijkheid van de vrouw heeft gebaseerd op het feit dat zij op diverse wijzen en tijdstippen heeft nagelaten de vereiste medewerking aan de totstandkoming of de uitvoering van het bindend advies te geven, heeft het hof dat kennelijk niet als een zuiver nalaten in zojuist bedoelde zin opgevat. Het hof heeft het (door hem aldus omschreven) “stelselmatig niet mee willen werken” stelselmatig niet mee willen werken van de vrouw mogen aanmerken als ‘een als een doen te beschouwen gedraging’ in de zin van artikel 6:165 lid 1 BW. Het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

    Conclusie

    De in artikel 6:165 lid 1 BW voorkomende beperking tot ‘een als een doen te beschouwen gedraging’ moet ruim worden opgevat en is niet beperkt tot actieve handelingen. Slechts gevallen van “zuiver nalaten” vallen buiten het toepassingsbereik ervan.

    Extra

    Vermeldenswaard is het oordeel omtrent de vergoeding van de kosten van juridische bijstand voor procedures die de man tegen de vrouw heeft moeten voeren in verband met de uitvoering van het bindend advies. De Hoge Raad acht het middel waarin wordt geklaagd dat het oordeel van het hof in strijd is met artikel 241 Rv jo. artikel 6:96 lid 2 BW gegrond. Nu de man niet aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat (ook) het procederen zelf als een onrechtmatige daad van de vrouw moet worden aangemerkt, kunnen de kosten van juridische bijstand voor procedures die de man tegen de vrouw heeft moeten voeren in verband met de uitvoering van het bindend advies, slechts ten laste van de vrouw worden gebracht binnen de grenzen van artikel 237-240 Rv en dus ook alleen bij de rechterlijke uitspraak in de desbetreffende procedures.

    ECLI: 
    NL:HR:2016:147
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 29 January, 2016
    Inbev/Van der Valk - Arrest

    Inbev/Van der Valk - Arrest

    HR 27-11-2015, ECLI:NL:HR:2015:3424 RvdW 2016/3 (Inbev/Van der Valk)

    Feiten

    Inbev Nederland N.V. (de eiseres tot cassatie) is huurder van een bedrijfsruimte. De huurovereenkomst bepaalt dat het gehuurde alleen als horecabedrijfsruimte mag worden gebruikt. Inbev heeft een gedeelte van het gehuurde aan een derde onderverhuurd. De verweerder in cassatie heeft de huurovereenkomst van de derde overgenomen en is in zijn plaats getreden. Hij wilde een Italiaans restaurant in het gehuurde exploiteren. Later blijkt dat, kort gezegd, het Italiaanse restaurant niet paste in het bestemmingsplan.

    De verweerder in cassatie heeft Inbev toen aansprakelijk gesteld voor de schade. Inbev heeft de huurder gedagvaard en gevorderd hem tot betaling van o.a. de achterstallige huur te veroordelen. De huurder stelde echter dat hij de overeenkomst had gesloten onder invloed van dwaling, en dat de verhuurder hem over de bestemming van het pand had moeten informeren.

    Het gerechtshof gaf de huurder gelijk. Verhuurder Inbev had, als grote professionele speler op de Nederlandse horecamarkt, op de hoogte moeten zijn van de bestemming van het pand en de mogelijke problemen bij een eventuele verbouwing van het pand. De verhuurder had de huurder daarover moeten informeren alvorens met hem een huurovereenkomst aan te gaan. De huurder had ook zelf onderzoek moeten doen naar de bestemming van het pand, maar dit woog voor het hof niet op tegen de waarschuwingsplicht van de verhuurder.

    In cassatie staat de vraag centraal of i.c. sprake is van dwaling nu Inbev niet vooraf bepaalde inlichtingen aan de verweerder heeft meegedeeld. De huurder stelt dat de verplichting van Inbev als professionele partij zo ver strekt dat op haar een onderzoeksplicht rust om vast te stellen wat zij ‘behoort te weten’ om dit dan mee te kunnen delen aan de huurder.

    Hoge Raad

    De Hoge Raad volgt de huurder niet in zijn standpunt en oordeelt: “In zijn algemeenheid mag een huurder van bedrijfsruimte niet ervan uitgaan dat met het oog op zijn belang door de professionele verhuurder bij de gemeente is nagegaan of eventuele verbouwingsplannen mogelijk problemen in verband met het bestemmingsplan opleveren.”

    De Hoge Raad overweegt dat als uitgangspunt geldt dat voor de wederpartij van de dwalende bezwaarlijk een gehoudenheid tot het verschaffen van inlichtingen met betrekking tot haar onbekende omstandigheden kan worden aangenomen. Van een ‘behoren in te lichten’ is in het algemeen alleen sprake als wederpartij van dwalende zelf van de juiste stand van zaken op de hoogte was. Hiervan is sprake als die wederpartij, bijvoorbeeld vanwege haar deskundigheid ten aanzien van de omstandigheid waaromtrent gedwaald wordt, geacht moet worden van de juiste stand van zaken op de hoogte te zijn. De huurder van bedrijfsruimte mag niet ervan uitgaan dat met het oog op zijn belang door de professionele verhuurder bij de gemeente is nagegaan of eventuele verbouwingsplannen mogelijk problemen in verband met het bestemmingsplan opleveren.
    De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst het geding naar een ander hof.

    Kern: volgens de Hoge Raad geldt een eigen verantwoordelijkheid bij de huurder voor bestemming en vergunningen. Van een verplichting om een wederpartij voor bepaalde feiten te waarschuwen is in het algemeen alleen sprake als je zelf van die feiten op de hoogte bent. Een waarschuwingsplicht kan ook bestaan als iemand, bijvoorbeeld vanwege zijn deskundigheid, geacht moet worden van de feiten op de hoogte te zijn. Het enkele feit dat de verhuurder in kwestie een grote professionele speler is op de Nederlandse horecamarkt vindt de Hoge Raad echter niet genoeg om aan te nemen dat zij op de hoogte had moeten zijn van de precieze bestemming van het pand, of dat zij de huurder had moeten waarschuwen.

    ECLI: 
    NL:HR:2015:3424
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 27 November, 2015
    Gemeente Stein/Driessen - Arrest

    Gemeente Stein/Driessen - Arrest

    HR 12-12-1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2524, NJ 1998, 208 (Gemeente Stein/Driessen)

    Feiten

    Het ging in deze zaak om een kraan die werd verhuurd door de gemeente Stein aan zand en

    grindhandel Driessen. De lastbegrenzer van de kraan was uitgeschakeld en de

    wielenbeveiliging was verwijderd. De kraan viel om met schade tot gevolg. Driessen spreekt de gemeente aan. De Gemeente beroept zich dan op de exoneratieclausule.

    De betrokken personen waren Van Mulken (die wethouder van Openbare Werken en

    Volkshuisvesting van de gemeente Stein was en daarna locoburgemeester) en

    Zeelenberg (directeur van het havenbedrijf). In de procedure werd duidelijk dat de wethouder wel een vermoeden had, dat het veiligheidsaspect onder druk kon komen te staan. Hij had echter nagelaten hier maatregelen tegen te nemen.

    Hoge Raad

    De Hoge Raad oordeelde dat een beroep op een exoneratieclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar geldt, als sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid, door de schuldenaar of met de leiding belastte werknemers. Hiervan was volgens de Hoge Raad sprake, omdat de wethouder en de havendirecteur hadden nagelaten om maatregelen te treffen die de veiligheidsvoorzieningen zouden herstellen. Het betoog van de gemeente Stein dat Driessen de feitelijke leiding tijdens de werkzaamheden had en een aansprakelijkheidsverzekering had afgesloten, deed aan het oordeel van de Hoge Raad niet af. Gemeente Stein had ook aangevoerd dat op Driessen een zorgplicht rustte bij het gebruiken van de kraan en daarbij wist of had moeten weten dat de lastbegrenzer was uitgeschakeld. Ook dit betoog ging niet op.

    De Hoge Raad stelt: "Indien in de organisatie van de Gemeente met leiding belaste personen, ondanks concrete aanwijzingen dat de veiligheidsvoorzieningen waren uitgeschakeld, hebben nagelatenmaatregelen te treffen die ertoe strekten de veiligheidsvoorzieningen weer te herstellen, is zulks als een zo grove vorm van onachtzaamheid aan te merken, dat toepassing van de exoneratieclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn."

    Kern: in het algemeen is een beroep op exoneratieclausule niet toegestaan, als de schade is veroorzaakt door opzet of bewuste roekeloosheid van de aansprakelijk gestelde partij.

    ECLI: 
    NL:HR:1997:ZC2524
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 12 December, 1997
    Provincie Noord-Holland c.s./Gemeente Amsterdam - Arrest

    Provincie Noord-Holland c.s./Gemeente Amsterdam - Arrest

    Provincie Noord-Holland c.s./Gemeente Amsterdam (HR 15-04-2016, ECLI:NL:HR:2016:660, NJ 2016, 236)

    Feiten

    Zes Gooise gemeenten en de provincie Noord-Holland hebben in 1932 de Stichting Gooisch Natuurreservaat (GNR) opgericht, om het natuurschoon in het Gooi “ten eeuwigen dage ongeschonden als natuurreservaat te behouden” (art. 2 van de statuten). In 1992 hebben de oprichters een overeenkomst gesloten waarin een verdeelsleutel met betrekking tot de bijdragen is vastgelegd ('de participantenovereenkomst'). De participantenovereenkomst is een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd en heeft geen opzeggingsmogelijkheid.

    De Gemeente Amsterdam heeft in 2011 (vanwege een beleidswijziging) de participantenovereenkomst schriftelijk opgezegd om zo niet meer gehouden te zijn aan de betalingen. De Gemeente Amsterdam vordert vervolgens een verklaring voor recht dat zij de participantenovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd en dat zij geen schadevergoeding verschuldigd is. Het hof oordeelt dat de participantenovereenkomst in beginsel opzegbaar is en dat de gemeente Amsterdam de overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. De provincie, de Gooise gemeenten en GNR stellen zich op het standpunt dat de overeenkomst niet kan worden opgezegd. Zij gaan in cassatie. De Hoge Raad moet zich dan buigen over de vraag of de participantenovereenkomst opzegbaar is.

    Hoge Raad

    De Hoge Raad overweegt dat een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd in beginsel opzegbaar is, ook als de wet en die overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging. Onder omstandigheden kan een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst echter niet-opzegbaar zijn, gelet op de bedoelingen van partijen. Dat laat overigens onverlet dat met een geslaagd beroep op de redelijkheid en billijkheid of onvoorziene omstandigheden (art. 6:248 en 258 BW) deze niet-opzegbare overeenkomst toch opgezegd zou kunnen worden.
    Wel is het zo dat degene die betoogt dat een zodanige overeenkomst niet opzegbaar is, de stelplicht en bewijslast heeft. Voor die stelplicht en bewijslast gelden geen verzwaarde eisen. Als het hof van een andere maatstaf is uitgegaan bij zijn overweging dat aan de uitleg die de Provincie en de Gooise gemeenten voorstaan 'hoge eisen moeten worden gesteld', berust zijn oordeel op een onjuiste rechtsopvatting.

    De Hoge Raad casseert en verwijst het geding terug naar het Hof Den Haag. Het Hof moet dan oordelen of de participantenovereenkomst al dan niet opzegbaar is.

    Kern: de Hoge Raad oordeelt dat een duurovereenkomst die is gesloten voor onbepaalde tijd, naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar kan zijn.

    ECLI: 
    ECLI:NL:HR:2016:660
    Datum Uitspraak: 
    Friday, 15 April, 2016
    Lansink/Ritsma - Arrest

    Lansink/Ritsma - Arrest

    HR 07-06-2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721, NJ 2014/99 (Lansink/Ritsma)

    Feiten

    Ritsma was in 1976 in dienst getreden bij Lansink als (onderhouds)schilder. Daarvoor had hij gewerkt als vrachtwagenchauffeur en (vanaf 1968) als schilder bij twee andere bedrijven. Per april 2000 is Ritsma arbeidsongeschikt geraakt voor zijn werk bij Lansink. Begin 2000 was namelijk een kwaadaardige tumor ontdekt in de nierbekken en een tumor in zijn longen. Nadien is hij overleden. Door de nabestaanden van Ritsma wordt een procedure gestart tegen Lansink. De nabestaanden van Ritsma betogen dat hij gedurende zijn dienstverband bij Lansink heeft gewerkt met producten die aromatische amines bevatten die in verband zijn gebracht met kanker. De werkgever zou aansprakelijk zijn omdat het geen toereikende bescherming heeft geboden. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en in hoger beroep zijn de vorderingen alsnog toegewezen.

    In deze zaak staat de vraag centraal of de ziekte van de schilder is veroorzaakt door blootstelling aan kankerverwekkende stoffen tijdens zijn werk. Is er causaal verband? Een door de kantonrechter benoemde deskundige heeft over deze vraag gerapporteerd, dat schilders 20% meer kans hebben op blaaskanker en 20 tot 50% meer kans op longkanker.

    Hoge Raad

    In de schilderzaak heeft de werkgever in cassatie wel succes met zijn klachten tegen het oordeel van het Hof dat de zorgplicht van art. 7:658 BW is geschonden. Hierbij speelt een rol dat in deze zaak de werkgever geen geschreven (arbo)normen had geschonden. Dit echter alleen is niet voldoende. Als er geen geschreven voorschriften zijn, dan moet worden beoordeeld of de werkgever in de betrokken periode naar ongeschreven maatstaven veiligheidsmaatregelen moest treffen om het bewuste gevaar te voorkomen. Daarom is van belang te weten of dat gevaar aan de werkgever bekend was of behoorde te zijn.

    Het hof had bij zijn uitspraak over de zorgplichtschending, vakliteratuur en publicaties uit de periode rond 1990 meegewogen. Op grond hiervan had de werkgever rekening moeten houden met “de gevaren verbonden aan blootstelling van gevaarlijke stoffen”. In cassatie wordt gesteld dat het hof is uitgegaan van een “te vaag en algemeen gevaar” en de Hoge Raad acht dit gegrond. Omdat het hof niet heeft aangegeven welke zorgplicht de werkgever dan zou hebben geschonden, is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd.

    Lansink had aangevoerd dat de kans dat de ziekte een andere oorzaak heeft dan de blootstelling aan de verf aanmerkelijk groter was dan de kans (17%) dat de ziekte wel door die blootstelling was veroorzaakt en dat de ziekte ook kon zijn veroorzaakt door het werk dat hij bij een eerdere werkgever had verricht. Volgens het hof waren dit echter geen omstandigheden die aan de werknemer zijn toe te rekenen. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel: “(…) Onder een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf komt wordt in een geval als het onderhavige verstaan een buiten de uitoefening van de werkzaamheden gelegen omstandigheid die aan de werknemer moet worden toegerekend, zoals roken, genetische aanleg, veroudering of van buiten komende oorzaken. Die laatste drie omstandigheden kunnen de werknemer weliswaar niet worden verweten, maar komen in de verhouding tot de werkgever voor zijn risico. Het hof heeft dit miskend.”

    Kern: dit arrest ziet op de ‘arbeidsrechtelijke omkeringsregel’ (art. 7:658 lid 2 BW). Als een werknemer aantoont dat hij bij zijn werk is bloot gesteld aan gevaarlijke stoffen en aannemelijk maakt dat zijn gezondheidsklachten door die blootstelling kunnen zijn

    veroorzaakt, wordt causaal verband aangenomen. Behalve als de werkgever bewijst dat hij maatregelen heeft getroffen om de schade te voorkomen. Er mag niet te snel causaal verband tussen de beroepsziekte en het werk worden aangenomen. Ook mag niet te snel worden aangenomen dat sprake is van een zorgplichtschending van werkgever.


     

    ECLI: 
    NL:HR:2013:BZ1721
    Wrongful birth - Arrest
    Doerga/Ymere - Arrest
    Vermogensrecht - Kennis & Studiegebied
    De crossroads van deze bundel
    Rechten & Rechtswetenschappen - Arrestenbundels
    Arrest & Jurisprudentie - Themabundel
    Recht & Bestuur: studie en kennis - Themabundel
    Arrest & Jurisprudentie: van samenvatting tot interpretatie
    Arbeidsrecht & Sociaal recht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Bestuursrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Burgerlijk procesrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Europees recht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Goederenrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Materieel Strafrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Ondernemingsrecht & Rechtspersonenrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Personenrecht, Familierecht, Huwelijksvermogensrecht, Erfrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Privaatrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Staatsrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Strafprocesrecht & Formeel Strafrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Verbintenissenrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Verzamelde jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens - Europees recht - Bundel
    Vermogensrecht - Topic Bundel
    Recht & Bestuur: werk & ontwikkeling - Themabundel
    Vermogensrecht - Kennis & Studiegebied
    Wat is goederenrecht en wat is vermogensrecht
    Wat is verbintenissenrecht, een rechtshandeling of bijvoorbeeld een overeenkomst?
    Uitgelichte samenvattingen rond Vermogensrecht
    Uitgelichte samenvattingen rond Goederenrecht
    Uitgelichte samenvattingen rond verbintenissenrecht
    Uitgelichte samenvattingen rond onroerend goedrecht & vastgoed
    Uitgelichte samenvattingen rond notarieel recht
    Goederenrecht - Vermogensrecht: de beste leerboeken samengevat - Bundel
    Verbintenissenrecht - Vermogensrecht: de beste leerboeken samengevat - Bundel
    Onroerend goedrecht & Vastgoed - Vermogensrecht: de beste leerboeken samengevat - Bundel
    Verbintenissenrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Goederenrecht: uitgelichte arrestsamenvattingen - bundel
    Verbintenissenrecht - Vermogensrecht: Printsamenvattingen van de beste leerboeken - Shopbundel
    Goederenrecht - Vermogensrecht: Printsamenvattingen van de beste leerboeken - Shopbundel
    JoHo: bundel begrijpen

      Hoe werkt een JoHo Bundel (pagina)

    • Bundels zijn verzamelingen (vaak links) van pagina's rond een specifieke vraag of onderwerp
    • Bundels werken als navigatietool

    Welke soorten bundels zijn er?

    Productbundels

    • Verzekeringsbundels: verzameling van content rond verzekeringsadvies of verzekeringsaanbod
    • Abonnementsbundels: verzameling van content rond advies of services voor JoHo abonnees en donateurs
    • Shopbundels: verzameling van artikelen die besteld kunnen worden

    Persoonlijke bundels

    • op vrijwel elke pagina kun je onder de 'Footprints' de 'Add to my pages' optie vinden. Daar kun je pagina's toevoegen aan je eigen verzamelingen en bundels. Deze bundels met jouw bewaarde pagina's kun je vervolgens onderaan vrijwel elke pagina terugvinden als je bent ingelogd als JoHo donateur of abonnee.

    Studiehulpbundels

    • Boekbundels: verzameling van chapters die tezamen de samenvatting van een boek vormen
    • Studiebundel: verzameling van content die hoort bij een specifiek vak of een studiefase

    Themabundel

    • Verzameling van content die behoort bij een topic en themapagina

    Toolbundel

    • Verzameling van content gericht op een specifiek proces of actie (bijvoorbeeld een vacature zoeken of een vak bestuderen)

    Toolbundel voor abonnees

    • Verzameling van content met toegang of services voor JoHo abonees
    Footprint: achterlaten
    Pagina bewaren in je bundels:

    (Service voor ingelogde JoHo donateurs)