  Chapter 

Hoe ziet de geschiedenis van dit onderzoek er uit?

Veel mensen denken dat psychologen zich alleen bezighouden met het behandelen van mensen met mentale problemen. Dat is voor een deel waar, maar het is ook zo dat psychologen onderzoeken uitvoeren om meer te weten te komen over het gedrag en de mentale processen van mensen. Al eeuwen zijn mensen bezig met het verklaren van gedrag. Aristoteles en Boeddha stelden bijvoorbeeld op systematische wijze vragen over waarom mensen zich op bepaalde manieren gedragen. Vroeger werd het verklaren van menselijk gedrag echter niet op wetenschappelijke wijze gedaan. De verklaringen waren vooral speculatief. Het was dan ook onmogelijk om de validiteit van de verklaringen te toetsen, met als gevolg dat de accuraatheid en de juistheid van de verklaringen ook niet getoetst kon worden. Verklaringen werden namelijk vaak gegeven op basis van bijvoorbeeld religieuze dogma’s. De wetenschappelijke psychologie is ontstaan in de laatste 25 jaar van de 19e eeuw. Door wetenschappers als Wundt, James, Watson en Hall begon men in te zien dat psychologische vraagstukken beantwoord kunnen worden met wetenschappelijke methoden die ook gebruikt worden in bijvoorbeeld de biologie of de natuurkunde.

Welke soorten onderzoeken zijn er?

Onderzoekers maken onderscheid tussen twee onderzoekssoorten die gebruikt worden voor verschillende doeleinden:

  1. ‘Basic research’: dit soort onderzoek wordt uitgevoerd om psychologische processen beter te begrijpen. Het is in dit verband niet van belang of deze kennis meteen toepasbaar is. Het primaire doel is dan ook het vergroten van de kennis over een psychologisch proces.

  2. ‘Applied research’: dit soort onderzoek wordt uitgevoerd om oplossingen te vinden voor bepaalde problemen in plaats van onze algemene kennis over bepaalde processen te vergroten. Soms worden psychologen bijvoorbeeld ingehuurd om problemen op de werkvloer op te merken en deze op te lossen. In dit verband gaat het er dus om dat problemen worden begrepen en weggewerkt.

  3. Sommige wetenschappers spreken naast deze soorten onderzoek ook nog van een derde onderzoekssoort, namelijk ‘evaluation research’ (ook wel ‘program evaluation’ genoemd). Dit soort onderzoek is erop gericht om met behulp van wetenschappelijke onderzoeksmethoden de effecten van programma’s op gedrag te begrijpen.
    Denk in dit verband bijvoorbeeld aan nieuwe schoolprogramma’s die worden toegepast. Het is van belang dat onderzocht wordt in hoeverre deze programma’s effectief zijn.

Welke doel kan zo'n onderzoek hebben?

Soms is het lastig om op basis van het design van een wetenschappelijk onderzoek te bepalen of deze ‘basic’ of ‘applied’ van aard is. Daarnaast sluiten beide onderzoekssoorten elkaar niet uit. ‘Basic research’ kan op den duur toepasbaar zijn en ‘applied research’ kan ervoor zorgen dat we meer kennis krijgen over een fenomeen. Ook is het vaak zo dat het oplossen van problemen (‘applied research’) pas gedaan kan worden wanneer er voldoende kennis over een fenomeen bestaat (‘basic research’). Het belangrijkste verschil tussen ‘basic’ en ‘applied’ research ligt in de bedoeling van de onderzoeker. Uit het onderzoek zelf is het vaak moeilijk af te lezen. Of er nou sprake is van ‘applied’ of ‘basic’ research, onderzoek heeft altijd drie doelen:

  1. Beschrijving (‘description’): sommige onderzoeken worden vooral uitgevoerd om gedragspatronen, gedachten of emoties te beschrijven. Denk in dit verband aan bijvoorbeeld opiniepeilingen die net voor de verkiezingen worden gehouden. Ontwikkelingspsychologen houden zich bijvoorbeeld bezig met het beschrijven van leeftijdsgerelateerde veranderingen in gedrag.

  2. Voorspelling (‘prediction’): in dit geval proberen wetenschappers gedrag te voorspellen. Soms proberen psychologen bijvoorbeeld aan de hand van scores op gestandaardiseerde testen te voorspellen wat de academische prestaties van mensen zullen zijn. Het is van belang dat dit soort testen kritisch geanalyseerd worden en voldoen aan allerlei statistische voorwaarden. De voorspelling wordt aan de hand van verschillende andere data geanalyseerd, om er zeker van te zijn dat de voorspelling juist is. Hieruit kun je afleiden dat bij het voorspellen van gedrag ook gebruik wordt gemaakt van beschrijving (‘description’).

  3. Verklaring (‘explanation’): veel wetenschappers vinden dat verklaring het belangrijkste doel is van wetenschappelijk onderzoek. Wetenschappers hebben namelijk pas echt het gevoel dat ze een fenomeen begrijpen als ze deze kunnen verklaren. We kunnen bijvoorbeeld beschrijven hoeveel gevangenen na hun vrijlating weer de fout ingaan, maar uiteindelijk willen we echter kunnen verklaren waarom sommige ex-gevangenen na hun vrijlaten wel de fout ingaan, terwijl dat niet geldt voor andere ex-gevangenen.

Wat wordt bedoeld met volkspsychologie?

In tegenstelling tot bijvoorbeeld de natuurwetenschappen, houden de gedragswetenschappen zich vaak bezig met het onderzoek naar verschijnselen die we allemaal kennen.

De gemiddelde persoon weet bijvoorbeeld niets over atomen, maar wel veel over het geheugen, vooroordelen, slaap en emotie, omdat hij of zij ervaring heeft met deze verschijnselen. Dit zorgt ervoor dat veel mensen denken dat bevindingen uit de gedragswetenschappen vaak logisch zijn en dat ze dat zelf ook wel hadden kunnen bedenken. Dit is echter niet altijd waar. Bovendien is het ook niet zo dat iets automatisch waar is wanneer bijna iedereen het gelooft.  Wetenschappers hebben daarnaast veel onderzoeken uitgevoerd waaruit blijkt dat veel van onze volkspsychologie niet klopt. Een voorbeeld is dat veel mensen denken dat hele intelligente mensen vaak vreemder zijn dan de gemiddelde mens. Uit onderzoek blijkt juist dat hele intelligente mensen vaak beter aangepast zijn aan hun omgeving dan andere mensen. Een ander voorbeeld is dat veel mensen denken dat de grootste verschillen tussen mannen en vrouwen biologisch van aard zijn. Dit blijkt niet waar te zijn; de rol van socialisatie is ook ontzettend groot. Het is verder van belang om stil te staan bij het feit dat volkspsychologie ervoor kan zorgen dat wetenschappers niet oordeelvrij aan een onderzoek beginnen. Wetenschappers vertrouwen vaak op algemene kennis (volkspsychologie) als het gaat om het verklaren van gedrag, gedachten en emoties. Als de volkspsychologie met betrekking tot een fenomeen onjuist is, dan kan dit ervoor zorgen dat wetenschappers psychologische processen op onjuiste wijze verklaren.

Waarom is onderzoek in de gedragswetenschappen belangrijk?

Het is voor ons van belang om meer te leren over het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. Dit heeft vier redenen:

  1. Kennis zorgt ervoor dat mensen onderzoeken kunnen begrijpen die van belang zijn voor hun eigen beroep. Dit is van belang omdat we steeds up to date moeten zijn met betrekking tot nieuwe bevindingen. Leraren moeten bijvoorbeeld begrijpen waarom sommige onderwijsmethoden effectief zijn, terwijl andere dat niet zijn.

  2. Kennis over onderzoeksmethoden zorgt er daarnaast voor dat we wetenschappelijke bevindingen in onze dagelijkse leven beter kunnen analyseren. Als we bijvoorbeeld een auto willen kopen, dan kunnen we meerdere wetenschappelijke onderzoeken lezen die de voor- en nadelen van een auto beschrijven. Het is van belang dat we deze bevindingen goed en kritisch kunnen analyseren.

  3. Een derde voordeel is dat kennis over onderzoeksmethoden kritische denkers van ons maakt. Wetenschappers stellen kritische vragen, proberen alternatieve mogelijkheden en verklaringen te bedenken, hun methoden te verbeteren en sterk bewijs te vinden.

  4. Een laatste voordeel is dat kennis over onderzoeksmethoden ervoor zorgt dat iemand een expert kan worden. Niet alleen op het gebied van onderzoeksmethodologie, maar ook op het gebied van specifieke onderwerpen. Zo kunnen mensen eerdere onderzoeken in hun onderzoeksveld lezen en begrijpen, leren hoe ze data moeten verzamelen en resultaten op een correcte manier interpreteren.

Hoe ziet de wetenschappelijke methode er uit?

Een methode is wetenschappelijk wanneer het aan drie criteria voldoet:

  1. Empirisme: het gebruik van observatie om conclusies over de wereld te trekken. Het is echter wel noodzakelijk dat empirisme systematisch van aard is. Wetenschappers structureren hun observaties op systematische manier zodat ze valide conclusies kunnen trekken.

  2. Verificatie (‘public verification’): hiermee wordt bedoeld dat de onderzoeksresultaten van de ene onderzoeker moet kunnen worden geobserveerd, gerepliceerd en geverifieerd (bevestigd) door andere onderzoekers. Dit zorgt ervoor dat andere onderzoekers kunnen zien dat datgene dat door de ene onderzoeker bestudeerd is ook echt bestaat en observeerbaar is. Daarnaast zorgt dit proces ervoor dat het onderzoek verbeterd kan worden; andere onderzoekers kunnen fouten ontdekken in het werk van een onderzoeker, zodat deze fouten verbeterd kunnen worden. Vaak gaat verificatie door middel van het publiceren van artikelen in wetenschappelijke tijdschriften. Replicatie gaat niet alleen fouten tegen, het maakt het ook mogelijk voor onderzoekers om verder te bouwen op het onderzoek van anderen en dit onderzoek mogelijk uit te breiden.

  3. Oplosbare problemen (‘solvable problems’): de wetenschap houdt zich alleen bezig met oplosbare problemen. De vraag of engelen bestaan is bijvoorbeeld niet wetenschappelijk, omdat er geen manier is om engelen op een empirische en systematische manier te bestuderen. Dit betekent niet dat engelen niet bestaan, maar wel dat hier niet door middel van de wetenschappelijke methode uitspraken over gedaan kunnen worden.

Welke taken heeft een wetenschapper?

De wetenschappers richten zich op twee verschillende taken:

  1. Het ontdekken en vastleggen van nieuwe verschijnselen, patronen en relaties die ze opmerken. Soms is het echter niet mogelijk om op basis van een hypothese een onderzoek uit te voeren, omdat er nog geen theorie bestaat over het verschijnsel dat bestudeerd wordt. Dit kan ervoor zorgen dat er onvoldoende informatie over het verschijnsel aanwezig is om een theorie te ontwikkelen. In dat geval is het beter om een onderzoek te ontwerpen om  een verschijnsel te beschrijven in plaats van hypotheses over het verschijnsel te testen.

  2. Het ontwikkelen en evalueren van verschijnselen die ze opmerken. Als ze eenmaal de verschijnselen geïdentificeerd hebben die verklaard moeten worden, richten ze zich op het ontwikkelen van theorieën om de patronen te kunnen verklaren en het uitvoeren van onderzoek om de theorieën te kunnen toetsen.

Wat is de rol van theorieën en modellen?

Een theorie bestaat uit een set van proposities die de relaties tussen een aantal concepten probeert uit te leggen. Met de contingency-theory probeert Fiedler bijvoorbeeld een verband te leggen tussen concepten als leiderschapseffectiviteit, taak- versus relatiegerichte leiders, leider-volgerrelaties, taakstructuur en macht. Wetenschappelijke theorieën zijn alleen valide wanneer zij worden gesteund door empirische bevindingen. Dit betekent dat een theorie consistent moet zijn met de feiten die door wetenschappers ontdekt worden. Een goede theorie voldoet aan de volgende eisen:

  1. Een goede theorie stelt een causale relatie voor. Het beschrijft dus hoe één of meer variabelen leiden tot een bepaalde cognitieve, emotionele, gedrags- of fysieke reacties.

  2. Een goede theorie is samenhangend in de zin van duidelijk, eenvoudig, logisch en consistent.

  3. Een goede theorie maakt gebruik van een aantal concepten en processen om een verschijnsel te beschrijven.

  4. Een goede theorie genereert toetsbare, falsificeerbare hypotheses om de theorie te kunnen toetsen

  5. Een goede theorie lost een bestaande theoretische vraag op.

Onderzoekers gebruiken de begrippen ‘model’ en ‘theorie’ vaak door elkaar. Een theorie is echter iets anders dan een model. Een model beschrijft alleen hoe concepten gerelateerd aan elkaar zijn, terwijl een theorie ook beschrijft hoe en waarom concepten gerelateerd aan elkaar zijn. Een model is dus vooral beschrijvend van aard, terwijl een theorie zowel beschrijvend als verklarend van aard is.

Hoe zien onderzoekshypothesen er uit?

Wetenschappers besteden hun tijd vooral aan het testen van theorieën en modellen om te ontdekken of deze wel echt op een juiste manier gedrag beschrijven en verklaren. Mensen kunnen vaak wel verklaringen voor gebeurtenissen vinden nadat deze plaatsgevonden hebben. Dit soort verklaringen wordt ook wel post hoc-explanations genoemd – verklaringen die worden gegeven nadat het feit heeft plaatsgevonden. Wetenschappers zijn hier zeer sceptisch over.

Wanneer een theorie achteraf verschijnselen kan verklaren, zegt dit bijna niets over de accuraatheid van de theorie. Wanneer een theorie van tevoren kan voorspellen wat er zal gaan gebeuren, zegt dit wel veel over de juistheid van de theorie. Om deze reden bedenken wetenschappers hypothesen voordat ze data verzamelen (‘a priori’). Theorieën zijn te breed om direct te testen. Daarom worden ze altijd op een indirecte manier getest. Dit gebeurt via hypothesen.

  • Een hypothese is een voorstel dat op logischerwijze volgt uit een theorie.

  • Bij het afleiden van een hypothese van een theorie wordt er gebruik gemaakt van deductie. Dit is een proces waarbij er van een algemeen voorstel (de theorie) een specifiek voorstel (de hypothese) afgeleid wordt. De wetenschapper laat zich in dit proces leiden door de vraag wat ontdekt zou worden als de theorie daadwerkelijk zou kloppen. Hypothesen hebben daarom eigenlijk een  ‘als-A-dan-B’ vorm.

  • Soms ontstaat een hypothese niet door middel van deductie, maar door middel van inductie. In dat geval wordt een hypothese afgeleid van een verzameling feiten. Hypothesen die alleen gebaseerd zijn op eerder geobserveerde resultaten worden ook wel empirische generalisaties genoemd. Een hypothese moet altijd zo geformuleerd worden dat deze te testen is en ontkracht (‘gefalsifieerd’) kan worden. De psychoanalyse van Freud wordt bijvoorbeeld bekritiseerd, omdat het niet mogelijk is om hypothesen uit deze theorie af te leiden die daadwerkelijk getest (en dus ook gefalsifieerd) kunnen worden. Het is bijvoorbeeld onmogelijk om hypothesen over het onderbewuste te bedenken, omdat deze niet getest kunnen worden.

  • Sommige onderzoeken zijn sterker en beter ontworpen dan andere onderzoeken waardoor ze sterker bewijs voor een hypothese (en dus een theorie) geven. Daarnaast is het zo dat hoe meer verschillende (meet)methoden er gebruikt worden om een theorie te testen (‘methodological pluralism’) in verschillende experimenten, hoe meer vertrouwen wetenschappers hebben in hun bevindingen.

  • Soms zijn er twee tegenstrijdige theorieën over een verschijnsel. De wetenschappers ontwerpen dan een onderzoek waarmee ze beide theorieën tegelijkertijd kunnen testen. Doordat de twee theorieën tegenstrijdig zijn, kan het nooit zo zijn dat beide theorieën juist zijn. Als de ene theorie juist is, is de andere (tegenovergestelde) theorie automatisch onjuist. Deze methode wordt ook wel ‘strategy of strong inference’ genoemd. Resultaten van deze methode leiden namelijk tot sterkere conclusies over de relatieve waarde van de tegengestelde theorieën. Methoden die maar één theorie testen, leiden tot minder sterke conclusies.

Welke soorten definities zijn van belang?

Om een hypothese te kunnen testen en eventueel de falsifiëren (ontkrachten), moet deze duidelijk geformuleerd zijn. Als een onderzoeker bijvoorbeeld onderzoek doet naar de effecten van honger op onze aandacht, dan moet hij of zij deze begrippen wel goed kunnen definiëren. Wetenschappers maken gebruik van twee soorten definities: (1) conceptuele definities en (2) operationele definities:

  • De conceptuele definitie van een woord is de definitie die we in een woordenboek zouden kunnen terugvinden. Honger is in dit verband bijvoorbeeld ‘het verlangen naar eten’.

  • Een operationele definitie laat zien hoe een concept gemeten kan worden in een onderzoek. Een operationele definitie zet een abstracte, conceptuele definitie om in concrete, situatiespecifieke termen. We kunnen in een onderzoek bijvoorbeeld zeggen dat iemand honger heeft als hij of zij twaalf uur niets gegeten heeft. Er kunnen meerdere operationele definities bedacht worden voor hetzelfde concept. Operationele definities zijn noodzakelijk, omdat wetenschappers elkaars bevindingen door middel van deze definities kunnen repliceren. Het gebruiken van deze definities dwingt onderzoekers om hun concepten duidelijk te beschrijven en eventuele ambiguïteit te omzeilen.

Hoe wordt ergens bewijs voor gevonden?

Omdat theorieën alleen indirect door middel van hypothesen getest kunnen worden, zijn theorieën nooit te bewijzen. Wetenschappers zeggen dan ook nooit dat een theorie bewezen is, maar alleen dat een theorie ondersteund is. Theorieën kunnen niet bewezen worden. Hypothesen kunnen wel bewezen worden, maar dat een hypothese bewezen is, betekent niet gelijk dat de theorie die erbij hoort ook waar is.

Een voorbeeld is dat een moord is gepleegd en we een theorie aan het bedenken zijn over wie de dader is. De moord is gepleegd op een strandfeest. Stel je voor dat Piet een verdachte is. Als Piet de moordenaar is, dan moet hij dus wel op het strandfeest aanwezig geweest zijn (dit is een hypothese die een ‘als-A-dan-B’ vorm aanneemt). Vervolgens blijkt inderdaad dat hij aanwezig was bij het feest. Betekent dit dat hij de moordenaar is, omdat de hypothese bevestigd is? Uiteraard niet. We kunnen een theorie (‘Piet is de moordenaar’) dus niet bewijzen door de hypothesen die eruit voortvloeien te bevestigen (‘Piet was op het strandfeest’).

Bewijzen dat een hypothese niet waar is, is wel een logisch valide operatie. Als is bewezen dat Piet niet op het strandfeest was, kan Piet logischerwijs niet de moordenaar zijn. In het dagelijks leven gaat dit echter vaak anders. Het gebruik van verkeerde meettechnieken kan er bijvoorbeeld toe leiden dat de hypothese wordt afgewezen terwijl de theorie wel klopt, en vice versa. Het ontkrachten van een hypothese (‘Piet was niet op het strandfeest’) hoeft dus niet perse te betekenen dat de theorie (‘Piet is de moordenaar) onwaar is. Dat we denken dat Piet niet op het feest was, kan komen doordat we fouten hebben gemaakt en zijn alibi bijvoorbeeld onwaar is. Dit is een voorbeeld van een fout in de meettechnieken. Omdat meettechnieken niet optimaal zijn, wordt een theorie nooit meteen afgewezen omdat een onderzoek geen bewijs voor de theorie heeft kunnen vinden.

De conclusie is dus dat we een theorie nooit kunnen bewijzen, maar ook nooit kunnen bewijzen dat een theorie niet klopt. De wetenschap ontwikkelt zich doordat er veel bewijs wordt geleverd voor een theorie, omdat er bijvoorbeeld tientallen studies zijn die deze ondersteunen. Hoe meer studies de hypothesen ondersteunen, hoe groter de kans is dat de theorie die bij die hypothesen hoort, klopt. De wetenschap kun je ook zien in termen van filters. Eerst bedenkt men een heleboel verschillende mogelijke verklaringen voor een verschijnsel. Vervolgens worden door middel van onderzoek de plausibele verklaringen behouden en verder getest, terwijl de niet plausibele verklaringen worden afgewezen. Hoe meer er gefilterd wordt, hoe minder potentiële verklaringen er overblijven.

Wetenschappelijke onderzoeken die door andere onderzoekers gelezen zijn en in tijdschriften zijn gepubliceerd, zijn in ieder geval acceptabel. Andere wetenschappers kunnen vervolgens aan de gang met het repliceren van de bevindingen die gepubliceerd zijn.

Null findings zijn resultaten die laten zien dat bepaalde variabelen niet gerelateerd zijn aan een gedrag. Deze resultaten leveren weinig informatie omdat ze een theorie niet ondersteunen. Het kan zijn dat de data het onderzoek niet bevestigen door redenen die niets te maken hebben met de validiteit van een bepaalde hypothese. Dit maakt null findings niet informatief. Wanneer onderzoeken die null findings bevatten niet worden gepubliceerd, wordt dit vaak het file-drawer probleem genoemd. Hierdoor gebeurt het vaak dat onderzoekers een design opzetten om een theorie te testen, terwijl deze theorie al vele malen een null finding heeft opgeleverd. Al deze null findings zijn niet gepubliceerd, wat als gevolg heeft dat onderzoekers in de toekomst niet weten dat “hun” onderzoek al eens eerder is uitgevoerd.

Wat wordt verstaan onder het wetenschappelijke filter?

Je kunt wetenschap ook zien in termen van de zogenaamde ‘wetenschappelijke filter’. Stel je een buis voor die naar beneden toe steeds smaller wordt. Deze buis bestaat uit een aantal lagen, met tussen elke laag een filter. De bovenste laag bestaat uit alle ongefilterde ideeën, gewoontes, gedachten, etc. die in de onderzoeker opkomen. Daarna volgen 4 filters:

  1. In de eerste filter kijkt de onderzoeker welke ideeën wel en niet uitgevoerd kunnen worden. De onderzoeker laat hierbij ideeën afvallen waarvan hij of zij heeft geleerd (in trainingen of educatie) dat deze niet mogelijk zijn. Ook denkt de onderzoeker hierbij aan zijn of haar professionele reputatie. De ideeën die door filter 1 komen zijn niet noodzakelijk valide, maar zeker ook niet duidelijk onjuist.

  2. De tweede filter bestaat uit de onderzoeker zelf. In dit stadium bepaalt de onderzoeker welke ideeën het waard zijn om te onderzoeken. Als een onderzoek kan leiden tot een interessant resultaat en wetenschappelijke publicatie, zal de onderzoeker dit waarschijnlijk door willen zetten. Maar als de kans groot is dat het onderzoek tot null findings zal leiden, zal de onderzoeker het onderwerp niet verder onderzoeken.

  3. Filter 3 bestaat uit peer review: andere onderzoekers controleren het onderzoek. Zij verwijderen of verbeteren onderzoek dat een slechte methodologie heeft. Ook worden onderzoeken die niet nuttig zijn voor de wetenschappelijke gemeenschap in deze fase verwijderd. Het is echt niet zo dat deze filter al het onderzoek verwijdert dat niet noodzakelijk is. De filter verwijdert voornamelijk errors.

  4. De laatste filter bestaat uit het gebruik, replicatie en toevoeging door anderen. Alleen als een theorie deze filter doorstaat, maakt het deel uit van de gevestigde wetenschappelijke literatuur.

Als een theorie alle 4 de filters heeft doorstaan, betekent dit niet dat de theorie automatisch waar is. Wetenschappers spreken zelden over hun theorie als ‘de enige waarheid’. Door middel van de wetenschappelijke filter en door steeds nieuwe hypothesen te testen kunnen we slechts dichter bij de waarheid komen. Het blijft echter onzeker of onze bevindingen wel echt de enige waarheid bevatten.

Welke onderzoekstechnieken zijn er?

Wetenschappers kunnen gebruikmaken van vier soorten onderzoekstechnieken om hypothesen te testen:

  1. Beschrijvend onderzoek (‘descriptive research’): bij dit soort onderzoek worden de gedragingen, gedachten en gevoelens van een groep individuen beschreven. Ontwikkelingspsychologen proberen bijvoorbeeld het gedrag van kinderen van verschillende leeftijden te beschrijven. In de klinische psychologie worden verder onderzoeken uitgevoerd om de prevalentie, symptomen en ernst van bepaalde psychologische problemen te beschrijven.
    Beschrijvend onderzoek vormt de basis voor alle andere onderzoeksmethoden.

  2. Correlationeel onderzoek (‘correlational research’): bij dit soort onderzoek wordt de relatie tussen variabelen bestudeerd. Een voorbeeld is een onderzoek naar de relatie tussen zelfvertrouwen en verlegenheid. Er wordt in zo’n geval een correlatie berekend tussen variabelen. Met correlationele onderzoeken kunnen echter geen uitspraken gedaan worden over oorzaak-gevolgrelaties. We weten bijvoorbeeld niet of weinig zelfvertrouwen verlegenheid veroorzaakt of omgekeerd.

  3. Experimenteel onderzoek (‘experimental research’): in dit geval wordt een variabele gemanipuleerd (de onafhankelijke variabele) om te bekijken of dit veranderingen in gedrag veroorzaakt (de afhankelijke variabele). Als dit inderdaad het geval is, dan kunnen we concluderen dat de onafhankelijke variabele hier de oorzaak van is. Het belangrijkste aan een experiment is dat een variabele wordt gemanipuleerd.

  4. Quasi-experimenteel onderzoek (‘quasi-experimental research’): van deze onderzoekstechniek wordt gebruikgemaakt als wetenschappers een variabele niet kunnen manipuleren. Denk in dit verband bijvoorbeeld aan sekse of leeftijd. De wetenschapper onderzoekt dan de effecten van een variabele of gebeurtenis die op natuurlijke wijze voorkomt en niet gemanipuleerd kan worden. Quasi-experimenten geven niet zo veel zekerheid als echte experimenten.

Welke rol spelen dieren in deze onderzoeken?

De meeste onderzoeken in de psychologie worden uitgevoerd met mensen, maar het komt ook voor dat dieren worden gebruikt om meer te weten te komen over psychologische variabelen. Het gaat vaak om muizen, ratten en duiven. Het voordeel van dieronderzoeken is dat zeer gecontroleerde onderzoeken kunnen worden uitgevoerd en dat veel omgevingsinvloeden kunnen worden geëlimineerd. Deze twee zaken zijn vaak niet mogelijk bij onderzoeken waaraan mensen deelnemen. Daarnaast worden medicijnen op dieren getest, wanneer men het risico niet wil lopen bij mensen. Door dieronderzoeken weten we nu veel meer over bijvoorbeeld honger, dorst en seksueel gedrag. Ook hebben we hierdoor veel geleerd over zicht, reuk, smaak, gehoor en lijn. Daarnaast weten we door dieren meer over processen als klassieke en operante conditionering. Tenslotte weten we veel over de werking van de hersenen door dieronderzoeken.

Crossroads

 Crossroads

  • Crossroads lead you through the JoHo web of knowledge, inspiration & association
  • Use the crossroads to follow a connected direction

 

Footprint toevoegen
 
   
Hoe werkt een JoHo Chapter?

 JoHo chapters

Eigen aantekeningen maken?

Zichtbaar voor jezelf en bewaren zolang jij wil

Memberservice: Make personal notes

Ben je JoHo abonnee dan kun je je eigen notities maken, die vervolgens in het notitieveld  worden getoond. Deze notities zijn en blijven alleen zichtbaar voor jouzelf. Je kunt dus aantekeningen maken of bijvoorbeeld je eigen antwoorden geven op vragen