  Chapter 

Ontwikkelingspsychologie kan gedefinieerd worden als de discipline die poogt om de veranderingen die aanwezig zijn in de gedachten, het gedrag, de redenering en het functioneren van een persoon onder invloed van de biologische, individuele en omgevingsfactoren te omschrijven en te verklaren. Ontwikkelingspsychologen bestuderen de ontwikkeling van kinderen en de ontwikkeling van alle mensen gedurende het hele leven vanuit verschillende perspectieven.

Het nieuwgeboren kind is een hulpeloos wezen met beperkte communicatiemogelijkheden en weinig vaardigheden. Als het kind 18 tot 24 maanden oud is, is dit veranderd. Het kind heeft relaties gevormd met anderen, heeft veel geleerd over de wereld en staat op het punt om grote stappen te zetten wat betreft de taalontwikkeling. Als het kind de adolescentie bereikt, is het een volwassen, denkend individu wat actief zijn best doet om zich aan te passen aan de maatschappij waarin het leeft. Het is makkelijk om te denken dat het kind zich enkel ontwikkelt doordat het ouder wordt, maar ouder worden op zich voegt niets toe aan de ontwikkeling. Het is de rijping en veranderingen die ontstaan door ervaringen die zorgen voor de verschillende stadia in de ontwikkeling. Een voorbeeld hiervan is de pubertijd: ondanks dat het begin beïnvloed kan zijn door de omgeving zoals bijvoorbeeld het dieet van iemand, zijn de veranderingen die gebeuren veelal genetisch bepaald. Het is echter altijd belangrijk om te kijken naar de verschillende factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling zoals deze plaatsvindt.

De aannames en ideeën die we hebben over de menselijke natuur beïnvloeden hoe we onze eigen kinderen opvoeden en hoe we de resultaten van studies naar kinderen interpreteren. De volkse theorieën over de ontwikkeling van kinderen reflecteren vaak wat psychologen onderzoeken. Het doel hiervan is om wat mensen geloven te plaatsen op een wetenschappelijke basis. Zo hebben we bijvoorbeeld allemaal ideeën over hoe kinderen zouden moeten worden opgevoed. Deze ideeën komen naar voren uit onze eigen opvoeding, onze ervaring met leeftijdsgenoten, de ideeën van onze ouders, de media en veel andere bronnen. Deze ideeën beïnvloeden vaak hoe we onze eigen kinderen opvoeden en worden vaak overgedragen van generatie op generatie. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillende manieren waarop kinderen zich kunnen hechten aan hun verzorgers en deze hechtingsstijlen zijn vaak continu en stabiel binnen verschillende generaties.

Psychologen en anderen die onderzoek doen naar de ontwikkeling van kinderen hebben verschillende visies op deze ontwikkeling. De manier waarop ontwikkeling wordt gedefinieerd en de gebieden van ontwikkeling waar onderzoekers naar kijken zorgen ervoor dat ze verschillende methoden van onderzoek gebruiken. Er zijn twee verschillende manieren waarop naar de ontwikkeling gekeken wordt door psychologen met verschillende visies op de wereld. De manier waarop naar de wereld gekeken wordt, ook bekend onder de naam paradigma is een filosofisch systeem van ideeën dat ertoe dient om een set van wetenschappelijke theorieën en daaraan gelinkte wetenschappelijke methoden te ordenen.

Twee verschillende visies die geformuleerd zijn door psychologen zijn een organismisch wereldbeeld en een mechanistisch wereldbeeld. Volgens het organismische wereldbeeld is een persoon een biologisch organisme dat van nature actief is en continu in interactie is met de omgeving en daardoor helpt bij het vormen van zijn eigen ontwikkeling. Dit wereldbeeld benadrukt de interactie tussen rijping en ervaring die leidt tot de ontwikkeling van nieuwe interne, psychologische structuren voor het verwerken van input vanuit de omgeving. Een voorbeeld van een theoreticus die dit wereldbeeld aanhing, is Piaget. In hoofdstuk 2, 9 en 16 wordt verder ingegaan op zijn visie. Hij suggereerde dat de cognitieve ontwikkeling plaatsvindt in verschillende fasen en dat het redeneren van het kind in een bepaalde fase kwalitatief anders is van dat in eerdere en latere fasen. Het doel van ontwikkelingspsychologen binnen dit wereldbeeld is te bepalen wanneer verschillende psychologische fasen aanwezig zijn en welke variabelen, processen en/of wetten de verschillen tussen fasen bepalen en wat zorgt voor de overgang tussen de fasen.

Volgens het mechanistische wereldbeeld kan er naar een persoon gekeken worden alsof het een machine is (zoals een computer), die van nature passief is totdat hij gestimuleerd wordt door de omgeving. Menselijk gedrag is volgens hen herleidbaar tot gewoonten die geleerd zijn in de omgeving en door eerdere ervaringen. Volgens dit beeld wordt de frequentie van gedrag groter als iemand ouder wordt door verschillende leerprocessen en kunnen ze minder worden als iemand ouder wordt als ze niet langer functioneel zijn of leiden tot negatieve gevolgen. De taak van de ontwikkelingspsycholoog is om de omgevingsfactoren te bestuderen of te kijken naar leerprincipes die bepalen op welke manier een organisme reageert op stimulatie en die resulteren in toename, afname of veranderingen in gedrag. Volgens dit wereldbeeld is het kind passiever in plaats van actief wat betreft het vormen van zijn eigen ontwikkeling. Dit wereldbeeld representeert de visie van de behavioristen waar dieper op in zal worden gegaan in hoofdstuk 2.

Manieren waarop ontwikkeling kan worden onderzocht

Ontwikkelingspsychologen hebben verschillende strategieën waarmee gekeken kan worden naar de ontwikkeling. Deze verschillende manieren kunnen onderverdeeld worden in twee brede, intergerelateerde categorieën. Designs waarmee we kunnen kijken naar leeftijd gerelateerde veranderingen in gedrag en de geassocieerde onderzoeksmethoden die worden gebruikt om informatie te verzamelen over ontwikkeling.

Bij alle studies die gedragsveranderingen beschrijven waarbij leeftijd een rol speelt, wordt altijd gebruik gemaakt van een cross-sectioneel design of een longitudinaal design. Er wordt hier gekeken naar de sterke en minder sterke kanten van deze designs. Er worden verschillende voorbeelden gegeven. Daarnaast is er een derde benadering, het sequentiële design, die vaak een gedeeltelijke oplossing geeft voor de beperkingen die een andere onderzoeksmethode heeft.

Bij een cross-sectioneel design worden mensen van verschillende leeftijden eenmaal getest, allemaal op een verschillend punt op de x-as. De x—as is de horizontale as van een grafiek en deze staat voor de leeftijd in jaren. Dit is de meest toegepaste onderzoeksmethode door ontwikkelingsonderzoekers omdat het de minste tijd in beslag neemt en een snelle benadering geeft van veranderingen die optreden naarmate iemand ouder wordt. Echter, het beschrijft enkel leeftijdsverschillen. Er is geen manier om de continuïteit of discontinuïteit van verschillende processen aan te geven (zoals stabiliteit van persoonlijkheid, plotselinge veranderingen in taalontwikkeling of productie) omdat er enkel een gemiddelde wordt genomen van verschillende individuen van dezelfde leeftijd.

Bij een longitudinaal design worden mensen verschillende malen getest als ze ouder worden. Deze methode is krachtig omdat er gekeken wordt naar de individuele ontwikkeling van iemand op verschillende momenten, waardoor gekeken kan worden naar veranderingen binnenin het individu en naar verschillen tussen personen in de fasen. Er zijn verschillende typen longitudinale designs en ze kunnen langere tijd in beslag nemen. Nadelen van deze designs zijn de kosten die de designs met zich mee brengen met betrekking tot verschillende aspecten. Ze kosten veel tijd en het is lastig om herhalende bezoeken te plannen bij dezelfde kinderen. Ook kan er veel sprake zijn van uitval. Als bijvoorbeeld kinderen die een taak lastig vinden, stoppen met het meedoen aan de studie is er sprake van selective survivorship wat wil zeggen dat de kinderen die meedoen aan het onderzoek dan geen goede representatie zijn van de kinderen in een gemeenschap waardoor de resultaten minder goed generaliseerbaar zullen zijn. Een ander groot probleem is de tijd die het kost om een studie af te ronden. Dit is ook afhankelijk van het tijdspad waarnaar gekeken wordt. Als er bijvoorbeeld gekeken wordt naar het functioneren op IQ testen tussen iemands 20e en 80e levensjaar, duurt het 60 jaar om een studie af te ronden. Na al dat werk, kan het nog steeds zo zijn dat de resultaten enkel gelden voor een gedeelte van de onderzochte leeftijdscohorten. Ten slotte kan er ook een effect zijn van het herhaald testen van kinderen op de uitkomst van het onderzoek, dat wil zeggen dat kinderen die herhaaldelijk worden onderzocht mogelijk beter worden in het uitvoeren van een taak simpelweg omdat ze hier meer ervaring mee hebben. Daardoor is de data mogelijk geen goede weerspiegeling van de normale ontwikkeling als er niet regelmatig wordt geoefend.

Een combinatie van procedures die steeds populairder worden, staat bekend als het microgenetisch model. Ontwikkelingspsychologen kijken voornamelijk naar verandering en de oorzaken en consequenties hiervan. Echter, veel onderzoek zorgt enkel voor een snapshot van veranderingen zonder dat het proces van verandering wordt omschreven. Microgenetische methoden onderzoeken verandering als het plaatsvindt en kijken naar individuele kinderen die herhaaldelijk worden onderzocht, over het algemeen binnen een korte periode. Deze methode biedt gedetailleerde informatie over een individu of individuen in een verschillende periode waarbij o.a. gekeken kan worden naar theory of mind, geheugen, analogisch redeneren, het gebruik van strategieën, bewuste en onbewuste processen etc.

Over het algemeen proberen onderzoekers zowel longitudinaal en cross-sectioneel data te verzamelen bij een bepaald onderwerp. Over het algemeen verwachten we vergelijkbare resultaten te krijgen en meestal is dit het geval. Echter, dit gebeurt niet altijd en de twee designs kunnen soms heel afwijkende resultaten geven. Er worden hieronder twee gevallen van conflicterende resultaten besproken: ten eerste wordt gekeken naar de lengte van tijd tussen de metingen en ten tweede naar cohort effecten.

Als er een studie wordt ontwikkeld waarbij gekeken wordt naar de ontwikkeling, moet worden bepaald welke intervallen worden gebruikt op de x-as, oftewel, op welke leeftijden kinderen getest worden of hoe vaak testen worden herhaald. Als er gekeken wordt naar kinderen, is het gewoon om hen maandelijks of tweewekelijks te onderzoeken binnen een longitudinale studie, afhankelijk van wanneer de verwachting is dat er een verandering zal optreden in gedrag. Het overgangspunt voor veranderingen in gedrag afhankelijk van leeftijd kan worden geschat aan de hand van cross-sectionele data. Terwijl dit in de meeste gevallen toepasbaar is, zijn er soms verschillende leeftijden waarop kinderen worden getest bij deze testen die kunnen resulteren in verschillende ontwikkelingsfuncties die berekend worden. Een interessant voorbeeld hiervan is fysieke groei, die meestal wordt gezien als een continue, toenemende groeicurve. Uit onderzoek is echter gebleken dat bij kleine kinderen sprake kan zijn van een “groei burst” waarbij kinderen ineens een centimeter groeien en daarna weer een periode niet. Als er niet gekeken wordt naar individuele groei, zou dus verwacht kunnen worden dat er sprake is van een continue curve terwijl dit bij individuele kinderen niet het geval blijkt te zijn.

Een ander serieus design probleem, dat in het bijzonder relevant is voor studies waarbij gekeken wordt naar een grote leeftijdsrange, betreft cohort effecten. Dit betekent dat er veranderingen zijn binnen generaties in een eigenschap waar onderzoek naar wordt gedaan. Een cohort is een groep mensen die allen een gemeenschappelijke ervaring delen. Hieronder worden een paar voorbeelden genoemd van zulke effecten. Ten eerste leeftijd: de gemiddelde leeftijd van een Westerse 20-jaar oude man is van 1.52m rond 1900 gestegen naar 1.83 meter rond 2007. Dit komt door verbeteringen in het eten van mensen waardoor het leven in de baarmoeder en daarna gezonder is geworden. Daarnaast zijn er verschillen waargenomen in attitudes, vrijetijdsbesteding en alledaags leven. Ook qua intelligentie kan gesteld worden dat intelligentie, zoals gemeten door IQ-testen, veranderd is gedurende de afgelopen jaren.

Een mogelijke manier om onderzoek te doen naar de verschillende bevindingen die voort kunnen komen uit longitudinaal en cross-sectioneel designs, is door het gebruik van sequentiële of leeftijd cohorten designs. Deze studies bevatten een combinatie van designs en zijn vrij zeldzaam, voornamelijk doordat ze veel tijd en geld kosten. Dit design wordt uitgelegd aan de hand van een voorbeeld: de intelligentie is in dit voorbeeld gemeten a.d.h.v. een intelligentietest. Volwassen in vijf verschillende leeftijdsgroepen hebben deze test tweemaal gedaan. Zo is er voldaan aan het cross-sectionele en het longitudinale deel van de test. De resultaten laten twee effecten zien. Er is een cohort effect wat resulteert vanuit het testen van verschillende volwassenen op verschillende leeftijden rond ongeveer dezelfde tijd: oudere volwassenen deden het minder goed. Daarnaast is er het longitudinale effect waar blijkt dat dezelfde individuen het iets beter doen bij de tweede test dan bij de eerste. Dus, IQ-scores hebben de afgelopen generaties een groei laten zien, een fenomeen wat beter bekend staat als het Flynn effect. Echter, als dezelfde individuen gedurende langere tijd worden getest, blijven hun scores relatief stabiel. Oftewel, intelligentie neemt niet af naarmate men ouder wordt, maar de omgeving zorgt voor betere scores bij nieuwe generaties. Op het Flynn effect wordt later verder ingegaan.

De designs die zijn besproken zijn altijd voorzien van een of meerdere onderzoeksmethoden om te ontwikkeling te onderzoeken. Ontwikkelingspsychologen hebben verschillende methoden ontwikkelt om dit te doen, de belangrijkste daarvan zijn observationele studies, experimentele methoden, psychologische testen en correlationele studies.

De simpelste vorm van observationele studies zijn case studies. Dit houdt in dat er herhaaldelijk wordt geobserveerd bij dezelfde persoon. Deze observaties zijn meestal bij kinderen en worden gedaan door ouders of verzorgers die dicht bij het kind staan. Deze worden vaak baby biografieën genoemd. Hierin kunnen zowel verschillende onderdelen van de ontwikkeling worden beschreven of het kan zich vooral richten op een bepaald aspect van de ontwikkeling. Case studies geven veel informatie en zijn een bron van ideeën en inzicht. Echter, ze hebben veel zwakheden en nadelen. Er kan bijvoorbeeld moeilijk gegeneraliseerd worden op basis van wat geobserveerd is bij één persoon. Daarnaast zit er vaak geen systeem in de observaties en worden observaties vaak pas opgeschreven nadat ze zijn gedaan. Er zijn echter ook sterke punten van een case study te beschrijven: er kan een gedetailleerd verslag worden gemaakt van kleine veranderingen in het gedrag doordat ze het kind goed kennen en daarnaast kunnen de observaties leiden tot theorieën over de ontwikkeling van het kind die op een gestandaardiseerde wijze kunnen worden getest.

Time sampling is een observatiemethode waarbij individuen gedurende een bepaalde periode worden geobserveerd. Gedurende frequente intervallen in deze periode worden er notities gemaakt, over het algemeen door een observator maar soms ook door de persoon zelf, of bepaald gedrag wel of niet voorkomt. Zo kan een onderzoeker een kind gedurende 20 minuten observeren en elke 30 seconden gedurende een interval van 5 seconden aangeven of een kind speelt met anderen, alleen speelt, niet speelt, agressief is, etcetera. Zo is er een onderzoek geweest waarbij leerlingen een timer kregen die zeven keer per dag afging. OP dat moment moesten de leerlingen aangeven wat ze aan het doen waren en wat hun affect status was, oftewel of ze boos, blij, etcetera waren. Het doel van time sampling is om een idee te krijgen van hoe frequent verschillend gedrag voorkomt tijdens de geobserveerde periode. Echter, er zijn twee beperkingen van deze methode. Ten eerste krijgt de onderzoeker wellicht geen duidelijk beeld van de hoeveelheid tijd die wordt besteed aan bepaald gedrag, zo kan er veel gedrag zijn wat niet wordt gesignaleerd op momenten dat niet genoteerd wordt. Daarnaast kan veel gedrag niet voorkomen of gemist worden tijdens de observatie.

Een alternatieve methode is event sampling. Hierbij is geen last van de problemen die bij time sampling voorkomen. Dit is een procedure waarbij onderzoekers actief een bepaalde gebeurtenis (event) selecteren die zij willen onderzoeken. Deze gebeurtenis wordt vervolgens geobserveerd, gewoonlijk gedurende de hele tijd waarin de gebeurtenis plaatsvindt (dus niet d.m.v. intervallen) op een continue basis. Daardoor wordt deze manier van observeren ook continue sampling genoemd en is het de meest gebruikte observatiemethode in het onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen. Ondanks dat deze methoden lijken op een longitudinaal design is hun doel om gegevens te verzamelen op systematische wijze en niet om verandering te observeren.

De grootste ontwikkelingspsycholoog aller tijden, Jean Piaget, onderzocht de ontwikkeling van zijn drie kinderen gedurende hun kindertijd. Vanuit zijn onderzoek is de klinische methode naar voren gekomen, dit is een combinatie van observatie en een gestructureerd experiment.

De meerderheid van onderzoeken naar het gedrag van kinderen en hun ontwikkeling zijn experimenteel. Gedrag en ontwikkeling vindt niet plaats zonder oorzaak. Het doel van de onderzoeker is om causale relaties aan te tonen tussen rijping, ervaring en leren en gedrag. Het essentiële aspect van experimentele technieken is controle. Een situatie is geconstrueerd waarin de onderzoeker controle heeft over de causale variabelen die van invloed zijn op het gedrag waarnaar gekeken wordt. Een van deze factoren, beter bekend als de onafhankelijke variabele, is een constante factor. Het gedrag dat wordt gemeten is de afhankelijke variabele. Als het onderzoek goed gaat, zijn veranderingen in het gedrag (de afhankelijke variabele) veroorzaakt door de gecontroleerde factor (onafhankelijke variabele). Een voorbeeld van een onderzoek waarbij gebruik wordt gemaakt van deze techniek is een gestructureerde observatie. Bij deze onderzoeksmethode wordt de onafhankelijke variabele systematisch gecontroleerd en aangepast waarbij de onderzoeker het gedrag van het kind (in reactie op de variabele) observeert.

Psychologische testen kunnen gedefinieerd worden als instrumenten voor de kwantitatieve beoordeling van een psychologisch kenmerk (of kenmerken) van een persoon. De ontwikkelingspsycholoog heeft verschillende testen tot zijn beschikking om het psychologische functioneren op verschillende leeftijden te onderzoeken. Daar vallen testen van motorische ontwikkeling, persoonlijkheidsontwikkeling, motivatie, lezen, etcetera onder. Zulke testen zijn over het algemeen gestandaardiseerd op basis van grote steekproeven van kinderen in de juiste leeftijdsgroepen waardoor normen konden worden gesteld voor leeftijd en sekse.

Een specifieke test hangt af van de leeftijd waarvoor hij bedoeld is en wat er wordt gemeten met de test. Testen die onderzoek doen naar de ontwikkeling van kinderen bestaan meestal uit een observatie van het kind wanneer het kind geconfronteerd wordt met verschillende standaardsituaties: kunnen ze alleen staan, kunnen ze een toren maken van 5 blokken, et cetera. Als kinderen ouder dan 2 jaar zijn, maken testen steeds meer gebruik van taal en geven instructies aan kinderen op verbale wijze. Dus in intelligentietesten, kan er aan kinderen gevraagd worden om problemen op te lossen, de betekenis van woorden te geven, et cetera.

Testen van vaardigheden en intelligentie worden accurater naarmate kinderen ouder worden wat betreft het voorspellen van later gedrag (bijvoorbeeld presteren op school). Echter, pogingen om de persoonlijkheid van een volwassene te voorspellen vanuit persoonlijkheidsonderzoek op jonge leeftijd zijn niet erg succesvol gebleken. Er zijn een aantal uitzonderingen: kinderen die verlegen zijn of brutaal zijn dit vaak ook nog als volwassene. Daarnaast is gebleken dat een kind wat vecht met andere kinderen vaak ook een adolescent is die als andere kinderen als agressief wordt gezien. Agressie is een persoonlijkheidskenmerk wat als meest continu wordt gezien. Persoonlijkheid is echter een term die extreem moeilijk is om te definiëren en persoonlijkheidskenmerken zijn moeilijk om te meten. Een probleem met het meten van persoonlijkheid is dat de belangrijkste persoonlijkheidskenmerken, zoals extraversie, introversie, sociaal zijn, etcetera, sociaal van aard zijn en kunnen variëren afhankelijk van de verschillende omgevingen waar individuen zich in bevinden. Dus ondanks dat er wat stabiliteit lijkt te zijn bij bijvoorbeeld verlegen of brutale kinderen, kunnen zij ander gedrag vertonen in andere sociale settingen. Daarnaast wordt de persoonlijkheidsontwikkeling beïnvloedt door levenservaringen: ene adolescent zal anders worden behandeld dan een kind van 7.

Ontwikkelingspsychologen gebruiken veel verschillende testen. Testen worden regelmatig gebruikt in klinische en educatieve beoordelingen om inzicht te krijgen in een individueel kind en te kijken hoe dit kind presteert in vergelijking tot kinderen van dezelfde leeftijd en hetzelfde geslacht. Een ander gebruiksmoment is als groepen kinderen worden geselecteerd om deel te nemen aan een experiment en later om de resultaten van het experiment te evalueren. Bij dit onderzoek is er een experimentele groep, waarbij een experiment wordt uitgevoerd om te kijken wat het effect is, en een controle groep waarbij geen experiment wordt uitgevoerd zodat de resultaten van beide groepen met elkaar vergeleken kunnen worden en gekeken is of een experiment (bijvoorbeeld een leesmethode) succesvol is geweest.

Een correlatie coëfficiënt is een statistische waarde tussen +1 en -1 die een indicatie geeft van de mate waarin twee variabelen aan elkaar gerelateerd zijn. Een waarde dichtbij +1 is een hoge positieve relatie wat zegt dat de twee variabelen sterk gerelateerd zijn. Een voorbeeld van zo’n relatie is tussen gewicht en lengte: langere mensen wegen vaak meer. Daarnaast zijn er ook correlaties die dichtbij 0 liggen wat duidt op een minimale correlatie. Zo is lengte niet gecorreleerd aan academisch presteren. Een correlatie coëfficiënt wat dicht ligt bij -1 is een hoge negatieve correlatie wat zegt dat de variabelen omgekeerd gecorreleerd zijn. Er zijn niet veel voorbeelden van deze correlatie, een mogelijk voorbeeld zou kunnen zijn de relatie tussen televisie kijken en schoolcijfers: hoe meer televisie wordt gekeken, hoe lager de cijfers. Er zijn over het algemeen twee typen correlationele studies die van belang zijn binnen de ontwikkelingspsychologie: voorspellende en gelijktijdige.

Bij een gelijktijdige correlationele studie is er interesse in de relatie tussen variabelen die gemeten worden op hetzelfde moment. Een voorbeeld hiervan is om te onderzoeken hoeveel de IQ-scores van een tweeling overeenkomen. In deze studie worden intelligentietesten gegeven aan de tweelingen en als de correlatie hoog is, betekent dit dat als het IQ van de ene hoog is de kans groot is dat het IQ van de andere ook hoog is.

Een voorspellende correlationele studie is een studie waarbij interesse is in kijken naar of individuen naarmate tijd vordert veranderen wat betreft een specifieke eigenschap. Bijvoorbeeld: wordt een slim kind van 5 ook een slimme persoon als hij 20 is. Correlatiestudies zijn belangrijk doordat zij aangeven welke soort eigenschappen of psychologische kenmerken over het algemeen samen gaan (gelijktijdige correlatie) en welke eigenschappen later gedrag voorspellen (voorspellende correlatie).

Een uitdagende taak voor ontwikkelingspsychologen is het begrijpen van de hersenontwikkeling en de relatie tussen deze ontwikkeling en de ontwikkeling van cognitieve, sociale en motorische vaardigheden. Om hier onderzoek naar te doen, wordt gebruik gemaakt van neuro-ontwikkelingsstudies. Hierbij wordt gebruik gemaakt van selectieve methoden. Een voorbeeld van zo’n methode is een marker taak. Dit is een methode die ontworpen is om gedrag uit te lokken waarvan de neurale basis bekend is. Vaak is deze neurale basis ontdekt door onderzoek bij dieren. Zo is er bijvoorbeeld veel bekend over de neurale basis van de visus door experimenten met apen. Uit onderzoek is gebleken dat een specifiek gedeelte van het visuele systeem, genaamd het mediale temporale gebied (MT) bij apen ook zo werkt in het menselijk brein en dat ontwikkeling van dit gebied en de relaties van dit gebied met andere hersengebieden verantwoordelijk is voor het begin van het volgen van objecten.

Er zijn verschillende manieren waarop hersenactiviteit bij zowel dieren als mensen in kaart gebracht kan worden. Deze beeldende technieken kunnen onderverdeeld worden in technieken die activiteit in het hoofd meten en technieken die activiteit vanaf de hoofdhuid meten. Metingen vanaf de hoofdhuid worden gedaan met electroden die elektrische activiteit meten die wordt voortgebracht door neuronen. Een voorbeeld daarvan is een elektro-encefalogram, of een EEG. De EEG wordt meestal uitgevoerd als de hersenactiviteit moet worden gemeten tijdens een specifieke gebeurtenis, genaamd een gebeurtenis-gerelateerd potentiaal (ERP). Het kan bij deze methode lastig zijn om enkel te kijken naar specifieke hersengebieden omdat alle activiteit wordt gemeten aan het oppervlak. Om toegang te hebben tot diepe structuren, zoals de gebieden die gaan over geheugen of emotie, is deze wijze niet heel betrouwbaar.

Twee beeldende technieken zijn beter te gebruiken bij het meten van corticale hersengebieden: positron emissie tomografie (PET) en functional magnetic resonance imaging (fMRI). Een PET-scan werkt door het meten van de bloedstroom in het lichaam. De bloedstroom wordt gevolgd naar regio’s waar veel activiteit is. Bij PET moet iemand worden geïnjecteerd met radioactief materiaal waardoor deze methode minimaal wordt gebruikt bij kinderen. De fMRI meet ook de bloedstroom maar maakt geen gebruik van radioactief materiaal. Er wordt gebruik gemaakt van een magnetisch veld. Er zijn echter enkele nadelen van de fMRI: deze methode is erg duur en iemand moet gedurende langere periode erg stil liggen. Daarnaast wordt het magnetisch veld geproduceerd door een apparaat wat erg veel herrie maakt. Er wordt van deze methode weinig gebruik gemaakt bij hele kleine kinderen maar bij kinderen vanaf 5 jaar lijkt er een toename te zijn in het gebruik.

Psychologen hebben verschillende onderzoeksstrategieën en methoden voor het observeren, classificeren, testen en bestuderen van de ontwikkeling van kinderen. Er zijn geen vaststaande regels voor het bepalen welke methode gebruikt zou moeten worden bij een specifiek onderzoek en deze beslissing zal afhangen van verschillende overwegingen: het probleem wat wordt onderzocht, de beschikbaarheid van de participanten, individuele voorkeur van de onderzoeker etcetera.

Zoals we hebben gezien zijn observationele studies ideaal voor het stellen van vragen over de verschillende fasen en aspecten van de ontwikkeling van kinderen. Zulke studies kunnen vaak leiden tot vragen en theorieën en ze zijn vaak belangrijk in het opstellen van een hypothese over aspecten van de ontwikkeling. We moeten altijd onthouden dat het kind een vast repertoire van gedragingen heeft die voorkomen in een natuurlijke setting. We kunnen concluderen dat observationele studies perfect zijn voor het bestuderen van het gedrag en de ontwikkeling van het kind in de natuurlijke context. Een vaak gebruikt argument tegen het gebruik van experimenten is dat ze vaak plaatsvinden in een sterk gecontroleerde en onnatuurlijke setting. Terwijl experimentele studies veel vertellen over het gedrag in zulke settingen gebeurt het soms dat experimentele bevindingen weinig invloed hebben op gebeurtenissen in het echte leven. Er wordt vaak gesteld dat veel experimentele studies een gebrek hebben aan ecologische validiteit. Toch kan er veel geleerd worden van experimentele studies, zelfs als de experimentele setting ver af staan van het echte leven. Ook is het duidelijk dat observationele studies minder krachtig zijn dan experimentele studie als het gaat om het begrijpen van de oorzaken van de ontwikkeling of in het testen van hypothesen. Een goed gecontroleerd experiment stelt ons in staat om precieze beweringen te doen over oorzaak en gevolg. De mate van controle die nodig is, is vaak niet eenvoudig verkregen in een natuurlijke setting en experimenten worden vaak uitgevoerd in een laboratorium. Een laboratorium heeft in zo’n setting vaak geen bijzondere eigenschappen, het kan bijvoorbeeld een stille ruimte zijn in een school of het kan een kamer zijn die ontworpen is met een doel en waar expres bepaalde spullen staan. Experimenten stellen ons in staat om wegen van onderzoek te verkennen die niet makkelijk kunnen worden onderzocht door enkel gebruik te maken van observaties.

Verder dan gezond verstand: het belang van bewijs voor onderzoek

Soms als psychologen hun onderzoek publiceren, volgens er reacties als ‘wat een zonde van het geld, iedereen weet dat mensen zich zo gedragen’. Zulke opmerkingen nemen aan dat algemene observaties van gedrag een adequate vervanging is van gecontroleerde observaties en experimenten. Echter, observaties die elke dag gedaan worden van menselijk gedrag en ‘volkstheorieën’ over de ontwikkeling zijn onbetrouwbaar en onze indrukken en interpretaties van gedrag zijn zich vaak onbewust van wat hierop van invloed is. Daarnaast zijn er vaak verschillende tegenstrijdige ‘aannames’ door mensen over gedrag en ontwikkeling en goed onderzoek is nodig om te kiezen welke aanname de ‘juiste’ is of om te laten zien dat alle aannames niet kloppen. Een voorbeeld van een aanname die niet klopt is de catharsis hypothese. Deze hypothese stelt dat het kijken naar agressie op televisie ervoor zorgt dat kinderen minder agressief worden en dat hun gevoel ten opzichte van agressie verandert. Onderzoek heeft echter laten zien dat het kijken naar agressie zorgt voor meer agressie bij kinderen.

In het laatste deel van de twintigste eeuw en aan het begin van de eenentwintigste eeuw hebben onderzoekers hun enorme hoeveelheid kennis toegepast op de uitvoering van sociaal beleid wat ervoor bedoeld is om het welzijn van kinderen te verbeteren en hen te helpen om hun volledige potentiaal te behalen. Dit is een wereldwijde poging waar verschillende internationale organisaties deel van zijn. Er zijn implicaties wat betreft sociaal beleid voor specifieke onderdelen van de ontwikkeling maar andere programma’s zijn ontworpen voor vroege interventie en hebben als doel om de eerste sociale en cognitieve afwijkingen die komen door verwaarlozing en armoede in de vroege kindertijd te voorkomen. Ook zijn er programma’s om pesten op scholen te verminderen en het effect op de kinderen die gepest worden te verminderen. Daarnaast zijn er programma’s om autisme, dyslexie en vele andere stoornissen vroeg op te sporen. Een voorbeeld van een algemeen programma in de VS is Head Start (een variant daarop is Sure Start in Engeland). Dit is een programma met vijf componenten: voorschoolse verrijking van het onderwijs, screening van de gezondheid, onderwijs over voeding en warme maaltijden, sociale diensten en onderwijs aan de ouders van de kinderen.

Er zijn veel gebieden waar onderzoek kan bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen. Het voornaamste punt is dat onderzoek niet enkel een opsomming is van informatie: het heeft een praktisch doel namelijk om de ontwikkeling van het kind beter te begrijpen om zo te zorgen voor betere aandacht voor de behoeften van kinderen en hun familie.

Ontwikkelingsfuncties: groei en verandering

Van de data die ontwikkelingspsychologen verzamelen, analyseren en interpreteren is het mogelijk om een aantal ontwikkelingsfuncties te omschrijven. Dit betekent de manier waarop mensen normaal gesproken groeien en veranderen naar mate ze ouder worden. Ontwikkelingsfuncties worden gepresenteerd in grafieken. Over het algemeen wordt de meting van gedrag op de y-as laten zien en wordt de x-as gebruikt voor leeftijd of tijd. De praktische waarde van zulke functies is dat ze ons toestaan om ongewone ontwikkelingspatronen te signaleren en hierop in te spelen met behandeling als dit nodig en wenselijk is. De theoretische waarde is dat de data gebruikt kan worden om hypothesen te evalueren. De menselijke ontwikkeling is erg complex en verschillende aspecten van de ontwikkeling groeien en veranderen op verschillende manieren. Er zijn vijf meest voorkomende functies waarvan hieronder voorbeelden gegeven zullen worden.

Een veel voorkomende functie is de continue functie (toenemend vermogen). Dit is wellicht de meest voorkomende functie waarbij we beter worden in een vaardigheid als we ouder worden. Een voorbeeld is dat als we langer worden we in de kindertijd ook meer gaan wegen. Een ander voorbeeld is intelligentie: als kinderen ouder worden, worden ze over het algemeen ook intelligenter.

Een andere veelvoorkomende functie is de continue functie (afnemend vermogen). Dit betekent dat we in sommige dingen minder goed worden als we ouder worden. Een voorbeeld hiervan is de perceptie van spraak in de vroege kindertijd (zie hoofdstuk 10).

Een andere functie die voorkomt is de discontinue (stap-) functie. Deze functie betekent dat de ontwikkeling plaatsvindt in verschillende fasen waarbij elke nieuwe fase kwalitatief anders is van de vorige fasen. Het is makkelijk om verschillende fasen in het menselijk leven te onderscheiden zoals de babytijd, voorschoolse tijd, kindertijd, adolescentie, volwassenheid et cetera. Er zijn veel fasen te vinden in de ontwikkeling.

Twee andere typen van ontwikkelingsfuncties zijn omgekeerde en rechtopstaande U-gevormde functies. Ook deze functie komt veel voor in het leven. Een voorbeeld hiervan is de ontwikkeling van gezichtsscherpte: bij de geboorte kunnen baby’s niet goed details zien, dit is een vaardigheid die zich daarna snel ontwikkelt en weer afneemt in de latere fase van het elven. Omgekeerde U-gevormde functies kunnen ook gevonden worden in kortere perioden.

Rechtopstaande U-gevormde functies komen ook veel voor in de ontwikkeling: we worden beter in onze vroege jaren, stabiliseren of nemen af in de volwassenheid en worden slechter als we ouder worden.

Het kan nuttig zijn om meer dan een ontwikkelingsfunctie in dezelfde grafiek te laten zien. Mogelijke causale relaties kunnen op deze wijze in kaart worden gebracht.

De menselijke ontwikkeling is enorm complex en bestaat uit verschillende facetten. Het is daardoor niet verrassend dat er veel manieren zijn om de ontwikkeling te bestuderen en veel verschillende typen van ontwikkelingsfuncties zijn ontstaan vanuit het onderzoek doordat onderzoekers proberen te begrijpen op welke manier kinderen groeien en veranderen.

Lees of zoek verder »
Crossroads

 Crossroads

  • Crossroads lead you through the JoHo web of knowledge, inspiration & association
  • Use the crossroads to follow a connected direction

 

Footprint toevoegen
 
   
Hoe werkt een JoHo Chapter?

 JoHo chapters

Dit chapter is gebundeld in:
Eigen aantekeningen maken?

Zichtbaar voor jezelf en bewaren zolang jij wil

Memberservice: Make personal notes

Ben je JoHo abonnee dan kun je je eigen notities maken, die vervolgens in het notitieveld  worden getoond. Deze notities zijn en blijven alleen zichtbaar voor jouzelf. Je kunt dus aantekeningen maken of bijvoorbeeld je eigen antwoorden geven op vragen