  Chapter 

Mensen straffen elkaar

Pijn en leed, mensen brengen elkaar dat toe van minder tot meer, van bewust tot onbewust en van licht tot ernstig. Een voorbeeld hiervan is een tik geven aan een kind die kattenkwaad uithaalt. Hierin zien wij de behoefte om bepaalde gedragsnormen in eigen kring nageleefd te zien en deze eigenhandig te vergelden. Tot op zekere hoogte zijn deze reacties ‘normaal’ en vallen deze acties buiten het strafrecht.

Daarentegen is het een ander verhaal wanneer deze reacties escaleren, denk aan een vader die zijn kind mishandelt, de buurman die een stalker neerschiet of de vriendengroep die bushokjes vernielt. Deze reacties gaan te ver en deze handelingen komen dan ook in de sfeer van het officiële publiekrechtelijke strafrecht terecht. De overheid neemt als het ware het recht tot straffen over om zo de eigenrichting en het eigen rechter spelen tegen te gaan.

Niet alle delicten vloeien zó duidelijk uit een bestaande verhouding tussen mensen voort (relationele context), bijvoorbeeld bij een roofoverval van een supermarkt, in dronkenschap een fietser doodrijden of de invoer van drugs. De criminologie en de forensische psychiatrie hebben ons echter toch geleerd dat geen enkel delict los kan worden gezien uit de relationele context waarin degene die het delict pleegt thuishoort (denk aan een ziekelijke behoefte aan luxe, erbij te horen of een ongelukkig huwelijk).

Het is onmogelijk om in één zin een voor ieder bevredigende karakteristiek te geven van het strafrecht, want deze raakt niet alleen de samenleving, maar ook de menselijke tragiek die ons allen aangaat. Daarom houdt het strafrecht zich bezig met het verklaren van delinquent gedrag in het algemeen als samenlevingsverschijnsel. Hoe meer gedragswetenschappelijke informatie beschikbaar komt over afwijkend en delinquent gedrag, over de betekenis die aan de verschillende soorten gedrag moet worden toegekend en ook over de functie van het strafrecht in de samenleving, hoe meer moeite het soms kost om ‘alles begrijpen is alles vergeven’ te weerstaan en om bij het officiële vertrekpunt van het strafrecht te beginnen, dat wil zeggen bij de technische definitie ervan.

Aan de andere kant is het strafrecht door zijn kanaliserende functie onmisbaar als maatschappelijk instituut. De toepassing van de regels wordt door regels beheerst. We onderscheiden het formele strafrecht en het materiële strafrecht. Het formele strafrecht schrijft de procedure voor, waarlangs het materiële recht dient te worden gehandhaafd.

Het materiële strafrecht kan gedefinieerd worden als het geheel van rechtsvoorschriften dat aangeeft voor welke gedragingen straf behoort te worden toegepast en waarin de straf hoort te bestaan. Het formele strafrecht (ook wel strafprocesrecht) kan worden gedefinieerd als het geheel van voorschriften dat aangeeft hoe het strafrecht op concrete feiten moet worden toegepast

Meerzijdige benaderingswijzen van het strafrecht

Strafrechtelijk systeem, maatschappij en de individuele justitiabel

Het strafrechtelijk systeem als geheel (opsporingsbevoegdheden, processuele dwangmiddelen en vergaande straffen) kan impact hebben op de menselijke vrijheid. Het strafrecht beschikt over een uitgebreid repressief instrumentarium en kan de indruk wekken dat het strafrecht zich uitsluitend met immorele gedragen bezighoudt. Dit is niet zo, je hebt namelijk ook de lichte overtredingen.

Afgezien van het feit dat vooral de klassieke misdrijven zeer zeker de strafbaarstelling van immoreel gedrag op zich zelf inhouden, laat de wetgever ook wel eens ruimte over in haar wetten, zodat de rechter ruimte krijgt om de toepasselijkheid van een wetsbepaling op de concrete gedragingen, naar regels van moraal en fatsoen in te kleuren. Zie bijvoorbeeld artikel 239 Sr. ‘schennis van eerbaarheid’. De wetgever heeft hier in feite het te bestraffen onrecht afhankelijk gesteld van de naar plaats en tijd heersende opvattingen en heeft een open delictsomschrijving gecreëerd. In het geval van een dergelijke open delictsomschrijving is het dus aan de rechter om een waardeoordeel te vellen die de reikwijdte van de wettekst ten aanzien van een concrete gedraging bepaalt.

De straf neemt een bijzondere plaats in. Straf is een door de overheid toegebrachte leed op grond van normschending en dus uit op vergelding zonder veel perspectief te bieden voor herstel. Hier ligt een belangrijk verschil met de civielrechtelijke straffen, ook deze zullen als minder aangenaam, en leed toevoegend gezien worden, maar ze zijn niet uitsluitend punitief bedoeld. Het strafrecht is het ‘ultimum remedium’, het uiterste redmiddel. De wetgever mag zich alleen beroepen op het strafrecht wanneer de sancties van alle andere rechtsgebieden ontoereikend zijn. In ons recht wordt het strafrecht zo veelvuldig gebruikt dat het meer geldt als ‘primum remedium’.

Het is moeilijk om het strafrecht volgens strikt objectieve maatstaven op zijn zinvolheid en zijn rechtvaardigheidsgehalte te benaderen (denk aan het recidiveren van gedetineerden of het feit dat een onevenredig groot deel van de gedetineerden afkomstig is uit de maatschappelijk lager gesitueerde onder de bevolking).

Er zijn verschillende benaderingswijzen denkbaar die elk een eigen visie hebben op het spanningsveld van maatschappelijke orde, recht en individu:dit spanningsveld primair benaderen vanuit het strafrechtelijk systeem:

  • Dit spanningsveld primair benaderen vanuit de rechtspositie van de burger als justitiabele.

  • Dit spanningsveld primair benaderen vanuit het maatschappelijk welzijn van de burger.

Elk van deze benaderingswijzen drukt bepaalde waarden uit, die samen kunnen worden beschouwd als kenmerkend voor een beschaafd strafrecht dat een rechtsstaat betaamt.

Van een beschaafd strafrecht is sprake wanneer het strafrechtelijk systeem naast zijn:

  • Fundamentele functie van misdaadbestrijding om de maatschappij zoveel mogelijk ordelijk, veilig en waard om in te leven wil maken.

  • Daarnaast de beginselen van de rechtsstaat huldigt die de uitoefening van strafrechtelijke bevoegdheden en de toepassing van sancties – als het strafrechtelijk instrumentarium – aan rechtswaarborgen binden.

  • Tenslotte het belangrijke uitgangspunt geldt dat het strafrecht in het belang van het algemeen welzijn als een uiterst middel (ultimum remedium) dient te worden aangewend te midden van andere rechtsgebieden en sanctiesystemen.

Het strafrecht heeft naast zijn criminaliteit bestrijdende functie ook een belangrijke rechtsbeschermende functie en moet tegelijkertijd zo min mogelijk het welzijn van de mens schaden. Hierna worden de zojuist aangeduide benaderingswijzen besproken.

Primaat van de wet en van het wettelijk systeem

In deze eerste benadering geldt het primaat van de strafwet. Het primaat van de wet is langs voorgeschreven wet een tot stand gebrachte weerspiegeling van wat onder samenlevingsgenoten leeft. De individu moet aan de wet gehoorzamen nu deze regels en voorschriften in dienst van de maatschappelijke orde staan. Maatschappelijke veranderingen komen pas in de wet door middel van een wetswijziging. Hier ligt ook de leer van de machtenscheiding duidelijk ten grondslag, want de rechter zal de wet zo strikt mogelijk naar de woorden, bedoeling en het systeem van de wet moeten interpreteren. Ook zal hij zich zo veel mogelijk moeten informeren over de effecten van zijn beslissingen, om zo doelmatig te kunnen beslissen binnen de grenzen van zijn bevoegdheid.

Deze zienswijze noemt men legistisch . Het streven om de rechtsorde en de sociale orde zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen, brengt met zich mee dat het met het toepassen van strafrecht notoir onrecht moet worden vermeden. Een goed voorbeeld hiervan zijn de buitenwettelijke strafuitsluitingsgronden.

In deze zienswijze is ook zeker plaats voor de bescherming van de individu, men veronderstelt dat deze zienswijze ligt verankerd in de strafwet zelf, dus op positiefrechtelijke wijze. Daarnaast is in deze zienswijze het rechtskarakter van het strafrecht verdisconteerd in het wettelijk systeem, waarmee het strafrecht zijn beveiligende en ordende functies uitoefent. Bij het overtreden van een strafwet wordt zowel de rechtsorde als de sociale orde geschonden. Handhaving van de strafwet is een primaire eis zowel van het recht als van de samenleving. In de ogen van Enschedé moet het strafrecht worden gezien als een stuursysteem dat bevoegdheden verleent aan de gerechtelijke autoriteiten. Deze bevoegdheden vormen een uitzondering op datgene wat in principe tussen burgers verboden is. De wet dient dus ook strikt te worden gehanteerd. Er wordt hier ook wel gesproken van de instrumentele functie van het strafrecht.

Individuele rechtspositie van de burger

Er wordt veel waarde gehecht aan de individu-beschermende functie van het strafrecht. De overheid verkeert in een machtspositie ten opzichte van de individuele burger, daarom is het van belang dat de rechten van de individu optimaal worden gerespecteerd. Er zijn ook strafrechtsgeleerden die het rechtskarakter van het strafrecht niet primair aan de ordende misdaad-bestrijdende functie verbinden, maar juist aan de individu-beschermende functie. Er wordt er hier van uitgegaan dat misdaadbestrijding weliswaar een maatschappelijke noodzaak op zichzelf is, maar in juridisch opzicht minder problematisch dan de noodzaak om daarmee onvermijdelijk gepaard gaande machtsuitoefeningen aan juridische normen, geworteld in juridische rechtsbeginselen en rechtsregels te onderwerpen. Het verschil is de mate waarin de optimale individuele vrijheid in de laatste zienswijze vooropstaat: het recht is primair betrokken op de positie van de individu als zwakkere tegen de overheid. Het normeren van het overheidsoptreden zorgt voor een verhoging van de kwaliteit van de rechtsorde en vergroting van de pluriforme leefbaarheid van de samenleving. De rechtsorde heeft in deze gedachtegang van het recht van de orde, maar die van de orde van het recht.

Het algemeen en individueel welzijn

Er zijn vele bezwaren tegen het strafrecht aan te voeren en die ook de diepere redenen vormen om het strafrecht als ‘ultimum remedium’ te beschouwen en te hanteren. Strafrecht ‘snijdt in eigen vlees’: de rechtsgoederen die het strafrecht juist wil beschermen (fysieke en psychische vrijheid en integriteit, persoonlijk vermogen en eigendom) kunnen legaal door het strafrecht worden gebruikt, dit kan bijvoorbeeld door middel van dwangmiddelen en sancties. Bijvoorbeeld een huiszoeking, inbeslagneming, aanhouding, voorlopige hechtenis, geldboete of het gevangennemen. Aan dit alles kunnen veel psychische, sociale en/of juridische schade het gevolg zijn.

Sommige ingrepen door de overheid kunnen zwaardere implicaties hebben dan wat er met het dwangmiddel wordt beoogd. Een vrijheidsstraf ontneemt in het algemeen meer van de burger dan de enkele fysieke vrijheidsbeneming, deze vrijheidsstraf heeft namelijk ook sociale en psychische gevolgen. Dit wordt ook wel de stigmatiserende functie van het strafrecht genoemd. Dit was reden om na te denken over de methode van handelen, zodat er op een minder traditionele, alternatieve wijze zou worden gesanctioneerd.

Deze gedachtegang is de motor geweest om het repressieve strafrechtelijke optreden te vermijden of te verzachten (Hulsman), dan wel dit te vervangen door een andere reactie. Een belangrijke taak van het strafrecht was dan ook om een zo rationeel mogelijke conflictoplossing tussen daders en slachtoffers te bevorderen, namelijk door bemiddeling (mediation), of door middel van een schadevergoeding, in ieder geval het liefst zonder gebruikmaking van repressie.

De mediation-praktijk heeft ook in Nederland ingang gevonden. Hierbij wordt in het geval van een minder ernstig delict niet naar vergelding, maar naar het schadeloos stellen van slachtoffers gestreefd. Hierbij wordt gedoeld op het ‘herstelrecht’. Repressie is echter onvermijdelijk wanneer het gaat om gevaarlijke daders (soms psychisch gestoorden) die zich in staat tonen tot gewelds- of levensmisdrijven.

Voor deze mensen zal de vrijheidbenemende straf, noodzakelijk zijn. Er dient volgens Hulsman wel zoveel mogelijk aan de resocialisatie en heropvoeding van de gedetineerden worden gedaan. Hij was dan ook een groot voorstander van de gedragsbeïnvloeding als doel van het strafrecht.

In deze benadering wordt in alle daarvoor in aanmerking komende gevallen een niet-strafrechtelijke oplossing gezocht en geprefereerd, denk aan welzijnsvoorzieningen, of hulporganisaties voor verslaafden. Echter kan ook door middel van sociale controle en door toezicht in het eigen milieu, op scholen of werk in de buurt veel conflicten en problematische gebeurtenissen worden voorkomen (preventie).

Bij dit alles moet wel gelet worden op het feit dat de zorg, hulp of opname die voor de strafrechtelijke repressie in de plaats komt, ook elementen van machtsuitoefening kent. In de praktijk wordt dit vaak in de vorm van een voorwaarde voor het schorsen van de voorlopige hechtenis gerealiseerd. De verdachte moet daaraan dan vrijwillig voldoen, de enige keuze die hij in feite heeft, is om de geboden kans aan te grijpen of niet. Indien niet, dan volgen alle strafrechtelijke gevolgen van dien.

Volgens deze welzijn georiënteerde denkwijze zou het strafrechtelijk beleid zich moeten richten op decriminalisering, wat betekent dat bepaalde strafbare feiten uit het strafrecht moeten worden geschrapt. Die strafbare feiten zouden eventueel ter regulering naar een ander handhavingssysteem, zoals het bestuursrecht of civiel recht moeten worden overgeheveld. Denk aan strafbare feiten, waarvan de strafwaardigheid aan veranderende maatschappelijke inzichten onderhevig is geraakt, zoals het bordeelverbod dat werd opgeheven en vervangen door een gemeentelijk vergunningsstelsel om een bordeel als een bedrijf te mogen exploiteren.

Ook kunnen bepaalde beperkingen opgenomen worden in het vervolgingsbeleid, wat in de richtlijnen van de OM wordt neergelegd. Er kan ook worden gestreefd naar zinvollere straffen dan de klassieke vermogens en vrijheidsstraffen, bijvoorbeeld taakstraffen.

Het zo veel mogelijk vermijden van schadelijke effecten van straffen door alternatieve straffen of bestuurlijke sancties op te leggen is als het ware complementair aan decriminalisering en wordt depenalisering genoemd.

Het strafproces voor slachtoffers

De rol van het slachtoffer in het strafproces heeft de afgelopen jaar 25 jaar een gedaantewisseling ondergaan. Slachtoffers zijn tegenwoordig veel meer dan slechts een getuige (bewijsbron). Slachtoffers hebben spreekrecht: zij mogen zich over alles, waaronder ook de straftoemeting, uitlaten. Het OM heeft in dit kader een belangrijke rol ter waarborging van de rechten van slachtoffers: slachtoffers moeten op de hoogte worden gehouden van de zittingen en met raad en daad worden bijgestaan. Er zijn echter ook vragen gerezen, bijvoorbeeld wie het slachtoffer is en of het strafproces van een twee- in een driepartijenproces is veranderd.

Er zijn verscheidene visies op het strafrecht: 1) het strafrecht van de gerechtelijke autoriteiten, zij dienen gehoorzaam te zijn aan de de wet en de burgers aan hen, en 2) het strafrecht van de advocatuur (voorop staat de juridische argumentatie ten behoeve van het individu in een daarop ingestelde procedure), en 3) het strafrecht van de hulpverlener en gedragsdeskundige (gedragsbeïnvloeding en conflictoplossing).

Optiek van dit boek

Duidelijk is geworden dat het onmogelijk is om op een objectieve, neutrale wijze het strafrecht te benaderen. Er zijn teveel waarden in het geding. Niet alleen in de literatuur (theoretische beschouwingen van auteurs), maar ook in de jurisprudentie van de Hoge Raad valt een doorslaggevende overweging aan te wijzen die gebaseerd is op een keuze, die niet waardevrij is. De keuze van optiek in dit boek wordt ter informatie in deze paragraaf nader toegelicht.

Allereerst is het uitgangspunt dat strafrecht in elke samenleving onmisbaar is. Het spoort mensen aan zich te onthouden van strafrechtelijke gedragingen en wie dit negeert, krijgt een (rechtvaardige) sanctie. Hierdoor zal de algemene maatschappelijke rechtvaardigheid worden bevorderd. Echter kan strafrecht in sociaal opzicht onrechtvaardige uitwerkingen hebben. De lagere maatschappelijke groeperingen maken zich doorgaans schuldig aan makkelijk op te sporen strafbare feiten (bijvoorbeeld diefstal), terwijl de hogere maatschappelijke groeperingen, vaak door de stapeling van rechtspersonen moeilijk op te sporen te zijn. Het recht schept voor bepaalde veranderingen en ontwikkelingen ruimte voor creatieve potenties. Zo werd bijvoorbeeld de strafuitsluitingsgrond noodweer verruimd, waardoor er meer onder noodweer kon vallen. Er moet in onze visie wel veel waarde worden gehecht aan de rechtszekerheid van de burger (art. 1 Sr), daarom zijn creatieve verruimingen door de rechter alleen toelaatbaar als deze ten gunste van de justitiabele werken.

Dat strafrecht onmisbaar is, betekent niet dat het geschikt is om zonder onderscheid in veel voorkomende gevallen van nood en wangedrag te worden aangewend. Als een beroep op het strafrecht onvermijdelijk is, dan zijn wij er voor om de betreffende strafbepalingen zo beperkt mogelijk in aantal en reikwijdte te laten blijven, zodat de vervolging zich zoveel mogelijk zal concentreren op de noodzakelijke gevallen.

De schrijvers van dit boek zijn van mening dat er veel aandacht moet worden besteed aan de rechtspositie van de justitiabelen. Vaak komen tal van elementen van het strafrecht in het geding en daarom kan dit ook op kritische beoordeling rekenen van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Art. 3 EVRM houdt een verbod van marteling en van onmenselijke behandeling in, wat waakt tegen detentiesituaties waarin er onmenselijk wordt gehandeld met betrekking tot de gedetineerden. Het bestuursstrafrecht bevindt zich tussen het strafrecht en bestuursrecht, wat inhoudt dat een groot aantal wetten van de strafoplegging niet meer wordt toebedeeld aan de rechterlijke macht, maar aan het bestuur.

Tevens heeft het OM de bevoegdheid om zelfstandig straffen op te leggen, de zogenaamde strafbeschikkingen.

Rol van overheid en individu bij de strafrechtspleging

Strafrecht publiekrecht

Dat het strafrecht publiekrecht is komt onder meer tot uiting in de omstandigheid dat aan de benadeelde burger geen vervolgingsrecht toekomt. Er komt hierin geen wijziging door de versterkte positie van het slachtoffer. Het strafrecht krijgt zelfs een sterker publiek karakter, omdat een klacht van de benadeelde partij als voorwaarde voor vervolgbaarheid van een aantal delicten op zijn retour is, zoals in art. 245 Sr.

Wie spelen een rol bij de strafrechtspleging?

Strafrechtspleging kent de volgende fasen: opsporing, vervolging en berechting van de strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen.

Tijdens het verloop van het strafproces ontmoeten we achtereenvolgens de volgende personen/organen:

  • Opsporingsambtenaren

Zoals politieambtenaren, die belast zijn met de opsprong van strafbare feiten, dit is hun justitiële politietaak. De niet-justitiële, de preventieve politietaak, bestaat uit het zorgen voor orde, rust en veiligheid.

  • Leden van het Openbaar Ministerie

Hiertoe behoren andere de OvJ’s, de zogenaamde openbare aanklagers. Het OM wordt bestuurd door het College van P-G’s en ressorteert onder de uitvoerende macht (Minister van Veiligheid en Justitie). Op het OM rust onder andere de taak om als representant van de gemeenschap te waken voor het algemene belang door degenen die verdacht worden van een strafbaar feit te dagvaarden voor de rechter. Het OM wordt wel de staande magistratuur genoemd en de rechterlijke macht de zittende magistratuur.

  • De raadsman

Deze komt in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure op voor de belangen van de verdachte. Met zo vroeg mogelijk wordt bedoeld: in de opsporingsfase, zie art. 27 lid 1 Sv.

  • De reclasseringsfunctionaris

Deze kan worden ingeschakeld van de fase van de inverzekeringstelling tot ver na de veroordeling (bij bijvoorbeeld een gratieverzoek).

  • De rechter

Deze is een lid van de onafhankelijke rechterlijke macht. In het hele proces treden in de verschillende fasen verschillende rechters op. De rechter-commissaris kan de bewaring (veertien dagen) van de verdachte bevelen. De raadkamer, bestaande uit één of die rechters, behandelt de vorderingen van het Om en de verzoeken van onder andere de verdachte. Er bestaan enkelvoudige en meervoudige kamers. In de meervoudige kamers geschiedt de collegiale uitspraak en in de eerste spreekt de alleensprekende rechter recht.

  • De griffier

Deze heeft onder andere tot taak om alles wat voorvalt en besproken wordt op te tekenen in een proces-verbaal.

  • De burger

Deze kan aangifte doen van een begaan strafbaar feit. Dit is iets anders dan de zogenaamde klacht. De klacht is een aangifte met verzoek tot vervolging. Bij de zogenaamde klachtdelicten, zoals belediging, kan het OM alleen vervolgen wanneer de betrokkene dit wenst; het kan immers ook in zijn belang zijn indien niet wordt vervolgd.

  • Het ministerie van Veiligheid en Justitie

Deze houdt een deel van het apparaat van de strafrechtspleging in stand, zoals bijvoorbeeld het gevangeniswezen. Ook het beheer over de politie berust bij dit ministerie.

  • De Raad voor de Rechtspraak

Dit is het overkoepelend bestuur van de bovenstaande rechterlijke colleges (en tevens van de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven). De Raad verdeelt en verzorgt de financiën en bevordert de kwaliteit van de rechtspraak.

Ad 2

Het OM is als volgt georganiseerd: bij de rechtbank door de officieren van Justitie en bij het gerechtshof door de advocaten-generaal. Het OM is belast met het vervolgen van strafbare feiten. Er zijn drie manieren waarop een vervolging begint: a) dagvaarden, b) het vorderen van onderzoekshandeling door de RC, en c) het vorderen van de voorlopige hechtenis. Overige vervolgingsdaden zijn bijvoorbeeld: het instellen van een rechtsmiddel, het vorderen van verlenging van tbs en het vorderen van een voorlopige maatregel in het economisch verkeer. Het OM heeft het vervolgingsmonopolie. Voor het OM geldt geen vervolgingsplicht, er kan geseponeerd worden. In Nederland geldt het zogenaamde opportuniteitsprincipe. De officier van Justitie is dominus litis, de heer en meester van het rechtsgeding, dit brengt met zich mee dat hij van vervolging mag afzien.

Een beslissing tot niet-vervolging kan ook afkomstig zijn van de rechter. Dit kan voorkomen wanneer de zaak al eerder onherroepelijk is berecht of wanneer deze verjaard is. Het OM wordt dan niet-ontvankelijk verklaard. Er is dan niet voldaan aan de voorwaarden voor vervolgbaarheid. Ook na veroordeling kan het zo zijn dat het materiële strafrecht niet wordt toegepast, bijvoorbeeld als de veroordeelde is verdwenen of overleden is. In die situaties ontbreken de voorwaarden voor uitvoerbaarheid.

Ad 5

De volgende instanties zijn belast met de rechterlijke uitspraak in strafzaken:

  • Rechtbanken, het gaat om alleensprekende rechters (enkelvoudige kamer) of een college van drie rechters (meervoudige kamer).

  • Vier gerechtshoven.

  • de Hoge Raad der Nederlanden.

De gerechten hebben elk hun eigen competentie.

De onder 1 en 2 genoemde rechters worden ook wel feitenrechters genoemd; zij beslissen over de feiten én over het daarop toepasbare recht. De Hoge Raad beoordeelt slechts of de feitenrechters het recht juist op de feiten hebben toegepast. Het Parket bij de Hoge Raad is belast met de wetenschappelijke advisering.

De onafhankelijkheid, welke bedoeld is als garantie voor een niet-politiek gebonden uitspraak, blijkt uit het volgende:

  • Hij is onafzetbaar, hij wordt voor zijn hele leven benoemd door de Kroon.

  • Zijn rechtspositie is geregeld bij de wet (art. 117 Gw)

Formeel gezien bestaat er geen hiërarchische verhouding tussen de rechterlijke colleges en ook niet tussen de leden van een college onderling, dit neemt echter niet weg dat de lagere rechter zich wel richt naar de rechtspraak van de hoger. Specialisatie is bij ons wel een bekend en zeer oud verschijnsel, denk aan de kinderrechter.

We onderscheiden twee verschillende procestypen: in het adversair procestype is de rechter lijdelijk, hij is niet zelf op zoek naar de materiële waarheid. De rechter geeft hier een beslissing nadat de partijen met elkaar in een proces op faire wijzen hebben gestreden over de waarheid van de gestelde feiten. Deze gestelde feiten zijn niet altijd de waarheid. Dit zien we vooral in het burgerlijk proces. Er is echter een ontwikkeling gaande om de waarheid centraler te stellen. Tegenover dit procestype staat het inquisitoire procestype: hier is de rechter actief op zoek naar de waarheid. De overheid brengt de zaak bij de rechter.

In Nederland wordt het strafproces getypeerd als gematigd inquisitoir in het vooronderzoek en gematigd adversair in het eindonderzoek.

Ad 7

De burger kan op velerlei punten in het strafproces een rol spelen, denk aan de aangifte, de klacht, de slachtofferverklaring en de beklagmogelijkheid bij het gerechtshof. Er kan een wilsovereenstemming komen tussen twee partijen, maar vaak treedt het strafrecht op. Wanneer er sprake is van strafrecht tussen twee burgers, is er vaak sprake van een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).

Europese Unie en het strafrecht

Sinds het Verdrag van Maastricht in 1992 betreffende de Europese Unie, is de invloed van de Europese Unie op het strafrecht en strafproces recht enorm gegroeid. De eerste jaren na het Verdrag was de EU-invloed vooral repressief, de focus lag op de versterking van de bestrijding van de criminaliteit. De laatste jaren staat de positie van de verdachte en die van het slachtoffer meer centraal. De Europese Commissie heeft aangegeven toe te willen werken naar een samenhangend strafrechtelijk beleid. Het Parlement heeft in 2012 in een Resolutie strafbaarstellingscriteria vastgesteld: schadebeginsel, ultimum remedium, proportionaliteit en noodzaak tot Europees ingrijpen). Daarnaast werd een aantal algemene rechtsbeginselen bevestigd: het schuldbeginsel, het verbod van terugwerkende kracht, de rechtzekerheid en de onschuldspresumptie.

De ontwikkelingen in strafrecht en strafrechtswetenschappen

De voorgeschiedenis

In primitieve maatschappijen bestaan enkel rechtsregels die hun kracht grotendeels aan de gewoonte en traditie ontlenen. In een cultureel of geografisch meer uitgegroeide en gecompliceerde maatschappij weegt het nadeel van ongeschreven recht zwaar; in de eerste plaats is er de rechtsonzekerheid en daarnaast de rechtsverscheidenheid. Deze beide leiden tot een toestand van rechtsongelijkheid. In de codificatie is een weg gevonden om de tot rechtsgelijkheid leidende beginselen zeker te stellen.

Onder invloed van de natuurrechtsgedachte van de 18e eeuw, die opleefde in het klimaat van de Verlichting, werd sterke behoefte gevoeld aan ´berekenbaar´ recht, dus aan rechtszekerheid en aan rechtseenheid, die door de codificatie bereikt konden worden. In die tijd ging de opvatting heersen dat de menselijke reden, als natuurlijke zetel van het goede, de enige bron zou zijn van het bestaande recht. Bovendien ging het wrede, sterk op afschrikking afgestemde karakter van het strafrecht steeds meer voorwerp worden van heftige kritiek. Een daadwerkelijke hervorming werd geschapen uit de Franse Revolutie (1789) en de Bataafse Omwenteling (1795).

Klassieke school

De Klassieke School, die zich sterk inzette voor de codificatie en strafrechtsvernieuwing, stond evenals de Revolutie zelf in het teken van de leus: ‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap’. Beccaria wordt als gangmaker van deze richting beschouwd. De kern van zijn visie: het maximale geluk voor een maximaal aantal mensen. Dat wordt bewerkstelligd door voorkoming van criminaliteit in plaats van bestraffing daarvan. Verder door behoorlijke wetgeving.

Vrijheid

  • Een belangrijke waarborg voor de bescherming van de burger tegen de overheid werd gezien in het legaliteitsprincipe. Het past geheel in de leer van de scheiding der machten, afkomstig van Montesquieu. Zijn leer houdt in dat er drie gezag functies moeten zijn: wetgeving, uitvoering en rechtspraak, de zogenaamde trias politica.

  • Een andere regel die aan het revolutionaire vrijheidsstreven beantwoordt is ons huidige art. 45 Sr dat, om een strafbare poging aan te kunnen nemen geen genoegen neemt met enkel de verkeerde gezindheid van daders, maar ook eist dat er daadwerkelijk een begin met de uitvoering van een delict is gemaakt. Echter, de wetgever is in 1994 in vergaande mate afgeweken van dit uitgangspunt, door voorbereiding van zware misdrijven strafbaar te stellen (art. 46 Sr).

  • Tot slot is er nog art. 68 Sr. Deze verhindert dat een burger tweemaal achtereen voor hetzelfde feit wordt vervolgd. Het verhalen van de omstandigheid dat de overheid de eerste maal ‘onvolledig vervolgd’ heeft, op de burger, zou duiden op willekeur.

Gelijkheid

Het gelijkheidsidee verzette zich krachtig tegen het standsverschil dat vóór 1789 heerste. De Staatsregeling van de Bataafse Republiek van 1798 bepaalde dat ‘de wet, hetzij beschermende, of straffende, gelijk voor allen is’. Het streven was dan ook gericht op het formuleren van een daadstrafrecht. Er werd wel een grote plaats ingeruimd voor de innerlijke gesteldheid van de dader: het verschil tussen het opzettelijk handelen en onachtzaam handelen. In het voordien geldende recht, dat in zijn toepassing was gedifferentieerd naar de stand van de dader, had tot in de Middeleeuwen uitsluitend rekening gehouden met het in de buitenwereld teweeggebrachte gevolg van de daad en vrijwel niet met de daad zelf en de innerlijke gesteldheid van de dader.

Broederschap

Het broederschapsaspect komt in dit verband vooral tot uiting in de mate van humaniteit, waarmee de mens door zijn medemens in de strafrechtelijke ambiance wordt benaderd. In de Staatsregeling van 1798 werd al direct de afschaffing van de pijnbank aangekondigd. Hedendaags zien we de ‘broederschap’ terug in het streven naar resocialisatie en maatschappelijke re-integratie van gedetineerden.

Nieuwe richting

Toen het ideaal van de Klassieke School, namelijk de codificatie van het strafrecht en de proportionaliteit van straffen, min of meer was verwezenlijkt, verplaatste zich de ideologie naar een ander plan. Dit kwam omdat de resultaten van de codificatie over het algemeen als teleurstellend werden ervaren, daarbij miskende de positivistische zienswijze in hoge mate de fysieke en psychische functies van de mens. Er kwam een nieuwe koers in het strafrecht, deze was meer gericht op de persoon van de delinquent en het houdt zich bezig met de oorzaak van criminaliteit, de criminologie. Aan de ene kant stond de antropologische school.

Deze was gebaseerd op de theorie van de arts Lombroso, die onderzocht had dat er bij gedetineerden fysieke afwijkingen waren. Deze leer van de geboren misdadiger miskende andere oorzaken van criminaliteit dan de biologische. Dit eenzijdige karakter kreeg echter veel kritiek, met name aan de kant van de Franse milieuschool.

De Franse milieuschool stelde dat de criminaliteit, net als andere maatschappelijke verschijnselen, door de imitatie, de navolging wordt veroorzaakt. Van al deze vorderingen in de criminologische wetenschappen heeft de zogenaamde Nieuwe of Moderne Richting in het strafrecht gebruik gemaakt.

De leden van de commissie - De Wal, die waren ingesteld ter voorbereiding van ons Wetboek van Strafrecht, waren alleen nog aanhangers van de Klassieke School. Hiervan zijn zeker nog aanwijzingen te vinden. De denkbeelden van de Nieuwe Richting deden zich echter al spoedig gelden in de vorm van een aantal strafwetswijzigingen. Denk aan de Kinderwetten in 1905, de mogelijkheid van voorwaardelijke veroordeling in 1915, de verruiming van de voorwaardelijke invrijheidsstelling en de Psychopatenwetten in 1928.

Autoritaire richting

De criminoloog Kempe analyseerde dat in het uitgangspunt van de Nieuwe Richting ‘niet de daad, maar de dader’, in wezen politieke doeleinden nastreefde: de eliminering van de gevaarlijk uit de maatschappij. Hiermee werd een klimaat geschapen voor de internationale beweging.

Internationaal heerste in het strafrecht de autoritaire of totalitaire richting, waarin een eenzijdig gemeenschapsbelang volkomen domineerde, namelijk om met alleen geweldige repressie en afschrikking vermindering van de criminaliteit te bewerkstelligen. Tijdens de Duitse bezetting werd aan art. 1 Sr de volzin ‘valt een feit niet onder de tekst doch wel onder de grondgedachte van een wettelijke strafbepaling, zo is de strafbepaling toepassing, indien het feit naar gezond rechtsgevoel strafwaardig is’, toegevoegd.

Een tweede wijziging in het denken leidde ertoe dat in plaats van de regel ‘nulla poena sine crimine’ de regel

Ontwikkelingen na WO II tot heden

Kritische en empirische criminologie in Nederland

Aanvankelijk hield men zich vooral bezig met de oorzaken van crimineel gedrag. Deze oorzaken werden primair gezocht in individuele, antropologische/biologische of sociale factoren. Er werd in hoge mate monocausaal gedacht, één type oorzaak was dé oorzaak.

In de loop van de tijd werd ‘misdaad’ echter als een breder verschijnsel, breder dan alleen de wettelijk strafbaar gestelde misdaad, opgevat.

Een van de pioniers van de ‘kritische’ criminologie in Nederland is Bonger. In een uitvoerige studie concludeerde hij dat economische omstandigheden beslissend zijn voor de veroorzaking van crimineel gedrag. In zijn visie heeft de overgang naar de kapitalistische productiewijze de mens tot hebzucht en egoïsme gebracht, dit heeft de toeneming van criminele neigingen tot gevolg. Hierin zou naar zijn mening pas weer verandering komen in een klasseloze maatschappij. Clara Meijer-Wichman stelde aan de kaak dat nagenoeg alle strafrechtelijk veroordeelden tot de niet-bezittende klasse behoorden.

Ook werd de eerste steen voor de empirische criminologie gelegd. Dit onderzoek naar de achtergronden van de misdaad was gebaseerd op concrete feitelijke bevinden, dit was een evident andere benadering dan het zoeken van verklaringen door middel van theoretisch geconcipieerde gedachte.

De humanisering na WO II

De Tweede Wereldoorlog heeft zeer veel onheil en ellende gebracht, maar tegelijkertijd heeft de mensheid veel over zichzelf geleerd, zoals waartoe mensen in staat zijn. Dit leidde tot de in 1948 door de Verenigde Naties geproclameerde Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Daarin werd ieders recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid en ieders gelijkheid voor de wet alsmede het algemene verbod van slavernij en foltering erkend. In 1950 is het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens tot stand gekomen. Het EHRM oordeelt over eventuele schendingen van dit verdrag.

In Nederland is als reactie op de Tweede Wereldoorlog sprake geweest van een tendentie tot humanisering van het strafrecht. Dit heeft zich in de eerste plaats gemanifesteerd in de hervormingen van het gevangeniswezen. Ook in de kring van de strafrechtswetenschappen werd humanisering nagestreefd, hoofdzakelijk door de ‘Utrechtse School’. De wetenschappers probeerden zoveel mogelijk de persoon van de delinquent gedurende alle fasen van de strafrechtspleging centraal te stellen en deze als een volwaardig medemens te benaderen en behandelen. Hun opvattingen markeerden zich door respect en solidariteit voor de menselijke waardigheid van iedereen. De gedachte van de hoogleraar Pompe was dat de delinquent door het strafrecht niet verbitterd moest raken, maar dat de straf voor hem aanvaardbaar zou zijn en het hem tegelijkertijd zo positief mogelijk gestemd en toegerust weer in de samenleving terug te keren. Dit was overeenkomstig het ideaal van de resocialisatie.

De democratisering en juridisering

In de jaren ’60 en ’70 manifesteerde zich een sterke drang tot belangrijke maatschappijvernieuwingen. Op tal van terreinen deden zich democratiseringsbewegingen voor. De verticale machtsverhoudingen moesten worden gehorizontaliseerd, elke uitoefening van bevoegdheden vergde legitimatie en verantwoording. De individuele rechtspositie van de burger stond hierbij centraal. Deze paste geheel bij de stroming die als juridisering werd aangeduid. Hiervan werd niet alleen een juridisch rechtvaardiger strafrecht verwacht, maar ook een sociaal rechtvaardiger strafrecht, dat iedere burger daadwerkelijke gelijke kansen zou bieden. Voor de minder bedeelden zette de sociale advocatuur zich vrijwel belangeloos in. Het idee van sociale rechtvaardigheid was consistent met het concept van de ‘verzorgingsstaat’, waartoe Nederland zich gaandeweg sociale voorzieningen had ontwikkeld.

Een aantal criminologen ging zich richten op het bestuderen van de verborgen, dus niet geregistreerde criminaliteit. Op die manier probeerden zij de vraag te beantwoorden: Door welke maatschappelijke selectiemechanismen wordt bewerkstelligd dat bepaalde categorieën mensen officieel tot delinquenten worden bestempeld en andere niet of nauwelijks? Er werd onderstreept dat een belangrijke factor die afglijden naar crimineel gedrag bevordert, het missen is van voldoende sociale bindingen met familie, werk, collegae of met maatschappelijke instituties in het algemeen. Met deze bevindingen houdt zich de zogenoemde bindingstheorie bezig.

Tegenover deze op sociale achtergronden gerichte criminologie, stond het gewenste onderzoek in het licht van biologische kenmerken van daders. Dit onderzoek is vanwege ongewenstheid op grond van onethische aspecten echter achterwege gebleven.

Het Nederlandse strafklimaat was in deze jaren erg mild. De criminaliteitscijfers waren niet bepaald hoog, terwijl als het maar even kon de rechterlijke macht geneigd was daders extramuraal te straffen en dus buiten de gevangenismuren te houden. Zoveel mogelijk werd de hulp van de reclassering in serieuze zaken ingeschakeld. Tegelijkertijd was er in de maatschappij een enorme toename van de drugsproblematiek. Des te belangrijker was het dat in 1976 de Opiumwet gewijzigd werd, in die zin dat onderscheid werd gemaakt tussen harddrugs met een onaanvaardbaar risico en drugs met minder risico. Het bezit van een beperkte hoeveelheid van deze laatste was toegestaan en de verkoop daarvan werd gereguleerd via coffeeshops.

Anno 2017 moet vastgesteld worden dat men er niet in is geslaagd de productiemarkten harddrugs en softdrugs gescheiden te houden. Nederland lijkt geplaatst te worden voor een keuze tussen twee extremen: alles terug onder het strafrecht brengen of volledig vrijgeven.

Meer instrumenteel strafrecht in punitiever klimaat

Echter, de samenleving is in de afgelopen decennia gekenmerkt door verzakelijking, efficiency en grootschaligheid. In de jaren ´80 en ´90 ontstond de tijdgeest waarin paste dat men de criminaliteit efficiënter en serieuzer wilde gaan bestrijden. In 1985 werd door de minister van Justitie een cruciaal justitieel beleidsplan geïntroduceerd. Hierin werd een scherpe scheiding aangebracht tussen de benadering van de kleine, lichtere criminaliteit en de bestrijding van de zwaardere. De aanpak van de eerste zou vooral worden gerealiseerd langs de bestuurlijke weg. De aanpak van de zwaardere criminaliteit zou daarentegen een strikter en intensiever beleid inzake vervolging en bestraffing dienen te omvatten.

In het strafrechtelijk denken won de primaire oriëntatie op het instrumentele gehalte. Enkele vooraanstaande rechtstheoretici constateerden een uit elkaar raken van de twee functies van het strafrecht: instrumentaliteit en rechtsbescherming. De instrumentaliteit groeide nogal eens ten nadele van de rechtsbescherming. Dit spoorde echter met het in de jaren ’80 heersende lik-op-stuk-beleid.

Het werd naar de mening van velen tijd om te denken aan een herijking in de zin van hernieuwde, soms praktischer vormen van rechtsbescherming die zijn toegesneden op actuele strafrechtelijke beleidsdoelen en op specifieke strafrechtelijke figuren.

Intussen heeft het instrumentele denken onder meer geleid tot een sterk mechanisch denken. Zo is het reclasseringswerk dat lange tijd bestond uit het verlenen van persoonlijke en individuele steun gaandeweg veranderd in de toepassing van standaardprogramma’s op standaardcliënten, waarbij risicotaxatie in de plaats trad van motivatie.

De capaciteit van het gevangeniswezen is vanaf de jaren ‘80 sterk uitgebreid, wat duidt op een punitiever klimaat. Rond 2010 nam die capaciteit echter af wegens leegstand. Gesteld wordt dat de criminaliteit in een vergrijzende samenleving in het algemeen afneemt.

Strafrecht en het veiligheidsprimaat

Streven naar veiligheid en bestrijding van risico’s is sedert de laatste eeuwwisseling haast tot een obsessief primaat geworden. In de jaren ’80 en ’90 is men zich meer en meer bewust geworden van de risico’s die in de samenleving spelen. Steeds meer werd de staat aangewezen om te zorgen voor veiligheid en preventie, terwijl ook medeburgers in toenemende mate voor ongelukken aansprakelijk werden gesteld. De wens om risico’s uit te bannen heeft zo’n grote vlucht genomen dat wel gesproken wordt van een veiligheidssamenleving. De bedreigde burger ging zich meer en meer als rechthebbende gedragen. Er is steeds meer wetenschap over risico’s gekomen. Zo ontstond een ontembare drang naar veiligheid, ook wel als ‘veiligheidsutopie’ bestempeld.

In het laatste decennium van de vorige eeuw hebben politie en Justitie, om weer greep te krijgen op de ontwrichtende werking van de zware georganiseerde misdaad, zich overgegeven aan onorthodoxe opsporingsmethoden die niet overeenstemden met het Wetboek van Strafvordering. Dit alles resulteerde in de Wet Bijzondere Opsporingsmethoden.

Door het sterk toenemen van terroristisch geweld is het veiligheidsdebat uitgebreid: naast de individuele veiligheid is ook de collectieve veiligheid een belangrijke rol gaan spelen. In zowel het Wetboek van Strafrecht als van Strafvordering zijn op dit gebied aanvullingen opgenomen.

De implicaties van de nullum delictum, nulla poena-regel

Het meest fundamenteel en alomvattende klassieke beginsel is het legaliteitsbeginsel. Dit zijn de belangrijkste dictaten die in het legaliteitsbeginsel besloten liggen:

  • De gewoonte, deze wordt in beginsel uitgeschakeld als directe bron van strafbare feiten. Het is de wet die de gedragingen strafbaar verklaart, echter kan de gewoonte wel indirect een rol spelen in het strafrecht ter interpretatie van bepaalde wettelijke termen.

  • De formulering van de strafbare feiten moet duidelijk zijn, zodat de rechtszekerheid niet in het geding is. Vanwege dit rechtszekerheidsbeginsel wordt ook wel gesproken van het lex certa-beginsel. Een zekere vaagheid zal soms nodig zijn om de tegenstelling te overbruggen vanwege de ontoereikendheid van strafbepalingen in de toekomst enerzijds en een overmaat aan zeer gedetailleerde wetgeving anderzijds. Dit leidt tot ‘open’ delictsomschrijvingen.

  • Het verbod van analogie. Analogische wetsinterpretatie houdt in dat de rechter, ervan uitgaande dat de wetgever een bepaald geval niet heeft geregeld, uit een wetsartikel dat toepasselijk is op een verwant geval een algemene grondregel afleidt die op het onderhavige geval wel toegepast kan worden. Het resultaat is identiek aan de extensieve interpretatie, die door haar andere redeneermethode geen inbreuk is op art. 1 Sr. Zij houdt immers in dat de wetgever een casus wel heeft behandeld, al is dit uit de woorden van de desbetreffende bepaling niet zonder meer op te maken. Het wezenlijke verschil tussen analogische en extensieve interpretatie ligt dan ook hierin dat de extensieve interpretatie binnen de bewoordingen van de wet blijft, wat niet het geval is bij analogische interpretatie.

De problematiek wat betreft het verschil tussen beide interpretatiemethodes zien we terug in het elektriciteitsarrest. In casu werd er buiten de meter om elektriciteit afgetapt. De Hoge Raad moest de vraag beantwoorden of dit kon vallen onder de delictsomschrijving van art. 310 Sr: is elektriciteit een ‘goed’ en werd dit in casu ‘weggenomen’? Er werd hier gebruik gemaakt van een extensieve interpretatie. Want er werd geredeneerd dat elektriciteit kon worden overgebracht en bovendien een economische waarde heeft. Een analogische wetstoepassing betekent een deuk in de leer van de machtenscheiding, waarvan art. 1 Sr een belangrijke exponent is.

In de huidige tijd spelen deze vragen met betrekking tot virtuele objecten. De Hoge Raad oordeelde in de zaak waarin de verdachte met bedreiging van geweld het slachtoffer had gedwongen zijn amulet en masker af te geven in het spel Runescape dat ook dit viel binnen de delictsomschrijving van art. 310 Sr. Het gaat hier namelijk om een essentieel wegnemen van iets dat voor de verdachte een reële waarde heeft. Dit vraagstuk speelt ook bij het wegnemen van beltegoeden en sms-berichten. Ook hier kwam een veroordeling op grond van art. 310 Sr. tot stand.

Extensieve interpretatie kan via verschillende wegen worden bereikt:

  • Grammaticale of taalkundige interpretatie: het begrip ‘goed’ in het elektriciteitsarrest.

  • Teleologische interpretatie: uitleg in overeenstemming met de strekking of het doel van de strafbepaling.

  • Historische interpretatie: uitleg in overeenstemming met de totstandkoming of voorgeschiedenis van de bepaling.

  • Systematische interpretatie: uitleg aan de hand van het systeem van de regeling, waarvan de bepaling deel uitmaakt.

  • Deze interpretatiemethoden kunnen naast een extensieve werking ook een restrictieve werking hebben ten aanzien van de strafbaarheid.

  • Ten slotte mogen strafbepalingen geen terugwerkende kracht bezitten. Het lex certa-beginsel neemt met zich mee dat de burger van te voren moet weten dat het door hem te plegen feit in het Nederlandse strafrecht strafbaar is. Op het verbod van terugwerkende kracht is wel een uitzondering, namelijk artikel 1 lid 2 Sr. Dit artikel houdt in dat bij een verandering in de wetgeving die ten gunste is van het slachtoffer, zoals een strafvermindering, dit wel met terugwerkende kracht mag worden toegepast.

Ook in het EVRM is er een nullum delictum, nulla poena-beginsel, namelijk in artikel 7 EVRM. Het EHRM neemt in art. 7 lid 1 al genoegen met het feit dat een bepaalde wetswijziging voorzienbaar (foreseeable) is, ook al heeft deze in feite nog niet zijn beslag gekregen op het moment van het handelen. Dit kan dan op grond van de voorzienbare rechtsontwikkeling door de rechter worden veroordeeld als een strafbaar feit. Dit zien we terug in de zaak van de Brit die zijn eigen vrouw verkrachtte. Dit was op dat moment nog niet strafbaar gesteld in het Engelse strafrecht, aangezien het alleen strafbaar was ‘buiten de echt’. Doch schrapping van deze voorwaarde lag in het verschiet en er kon worden veroordeeld. Het is duidelijk dat dit een minder strikte opvatting is van het legaliteitsbeginsel als dat bij ons het geval is.

Legaliteit is niet zomaar een formeel beginsel, het heeft staatsrechtelijk gezien ook een inhoudelijke betekenis: legaliteit als een van de vereisten voor behoorlijke strafwetgeving. Legaliteit is onlosmakelijk verbonden met de rechtsstaat, er wordt gestreefd naar verwezenlijking van essentiële belangen op de macht van de staat. Voor het strafrecht betekent dit dat het staatsapparaat aan normen wordt onderworpen, waardoor de strafrechtelijke druk van die zijde op de burgers wordt beperkt en beheersbaar gehouden.

Strafwet; normen en sancties

De tweeledigheid van de strafbepalingen

De gedragingen die door de overheid strafrechtelijk moeten worden afgehandeld dienen krachtens art. 1 Sr. uitdrukkelijk door de wetgever te zijn uitgemaakt. Slechts de gedragingen die door de wetgever tot een strafbaar feit zijn bestempeld. De ongewenstheid van de gedraging kan tweeërlei oorsprong hebben.

Allereerst kan het zijn dat bepaald gedrag vanuit een directe opvatting of overtuiging, die in het innerlijk van alle rechtsgenoten leeft, wordt afgekeurd. In dit geval hebben we het meestal over een misdrijf. In de tweede plaats is het denkbaar dat de rechtsgenoten wel een directe behoefte aan een bepaalde ordening voelen, de concrete spelregels hoeven hen echter nog niet voor ogen te staan. Niet de inhoud van de regel maar alleen het feit dat er een regel moet zijn, wordt dan binnen de samenleving zelf vastgesteld (bijvoorbeeld verkeersregels). In een dergelijk geval zal er sprake zijn van een overtreding. Misdrijven worden wel rechtsdelicten genoemd, overtredingen wetsdelicten.

De rechtsdelicten

Het ongewenste gedrag in dit verband is gedrag dat afwijkt van een materiële norm. Dit wordt ook wel wederrechtelijk gedrag genoemd. Dit is meer een sociologisch dan een juridisch begrip. De wederrechtelijkheid kan het best omschreven worden als strijdigheid met het objectieve recht, dat is met het geschreven en ongeschreven recht.

Ook het ongeschreven recht omdat de wederrechtelijkheid ook onwetmatig gedrag bevat, bijvoorbeeld gedrag dat strijdt met de goede zeden, het gebruik of de gewoonte. Bij traditionele misdrijven is het eigenlijk niet de strafwetgever die een nieuwe norm creëert, want in de samenleving zelf bestaat al een norm en deze wordt vervolgens door de strafwetgever bevestigd.

De wetsdelicten

Met een overtreding wordt beoogd gedrag strafbaar te stellen, dat eenvoudig niet in het noodzakelijke geheel van maatschappelijke spelregels past. Tot het gebied van ordeningsrecht behoren de economische en verkeerswetgeving. De waarden in het recht verschuiven, er is ten aanzien van de onderscheiding tussen misdrijven en overtredingen ook een verschuiving. Dronken rijden was bijvoorbeeld voorheen een overtreding (art. 8 Wegenverkeerswet), terwijl het nu als misdrijf kan worden aangemerkt.

Strafrechtelijke sanctienorm en andere sancties

De taak van de strafwetgever beperkt zich dus tot het strafbaar stellen van normschendingen. Het strafrecht is naast andere één van de rechtssystemen tot handhaving van maatschappelijke normen, dit gebeurt door middel van straf. Het is echter onmogelijk om elk denkbaar ongewenst gedrag strafrechtelijk te benaderen. Daarom is van al het wederrechtelijk gedrag slechts een klein gedeelte strafbaar gemaakt. Andere juridische handhavingssystemen kennen eigen sancties. Niet elke materiële norm wordt echter niet gehandhaafd door een rechtssysteem, want niet iedere materiële norm is een ook rechtsnorm.

Het civielrechtelijk systeem heeft als (op compensatie en herstel gerichte) sancties de schadevergoeding en dwangsom. Het bestuursrechtelijk systeem kent bijvoorbeeld als sanctie het intrekken van een vergunning en de herstelsancties last onder bestuursdwang en last onder dwangsom. Ook bestaan er bestuurlijke boetes.. Het verschil tussen het strafrechtelijk systeem en de andere twee zit hem in het feit dat het strafrecht leed toevoegt. Echter is het wel mogelijk in het strafrecht dat er bijvoorbeeld een schadevergoeding of dwangsom (de zogenaamde compensatoire sancties) wordt opgelegd.

Een strafbepaling geeft niet altijd een nieuwe norm. De norm die in iedere strafbepaling hoe dan ook wel als geheel nieuw wordt aangetroffen is de sanctienorm, een maatstaf voor de rechterlijke straftoemeting. De straf bestaat altijd uit een maximum bijvoorbeeld: ‘…ten hoogte 4 jaren gevangenisstraf‘ (art. 310 Sr). Als het om een geldboete gaat, moet het bijzondere maximum worden bepaald aan de hand van de per delict toepasselijke boetecategorie (zie art. 23 Sr).

Uit het voorgaande kunnen wij concluderen dat een strafbepaling altijd bestaat uit:

  • Een delictsomschrijving (art. 287 Sr: ‘hij, die een ander opzettelijk van het leven berooft’).

  • Een sanctienorm (‘wordt gestraft met…’)

De strafbepalingen vertellen de rechter in welke mate hij de sanctie mag opleggen bij een gegeven normschending. Door sommigen wordt het dan ook wel sanctierecht genoemd in plaats van normenrecht.

Het tuchtrecht

Het strafrecht vertoont in wezen een sterkte gelijkenis met het tuchtrecht. Een disciplinaire straf beoogt, in afwijking van een strafrechtelijke straf, nakoming af te dwingen van normen, die slechts gelden voor een bepaalde groep of categorie mensen, die vrijwillig dan wel onvrijwillig is samengesteld.

De vrijwillige samenstelling van een groep wil niet zeggen dat het tuchtrecht voor die groep ook vrijwillig aanvaard wordt. In het belang van een behoorlijke gezondheidszorg wordt van overheidswege tuchtrecht opgelegd aan de leden van die groep, de behoorlijke beroepsuitoefening wordt afgedwongen door tuchtrechters. Voor de onvrijwillig samengestelde groep heeft het tuchtrecht de betekenis van middel tot het afdwingen van de gehoorzaamheid ten behoeve van orde en rust.

Een ander soort tuchtrecht wordt gehandhaafd door publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties in tal van sectoren van het economische leven. Op de individuele leden zal in toenemende mate punitief bestuursrecht toegepast worden door in opkomst zijnde autoriteiten.

Als gemeenschappelijk kenmerk van alle rechtsverschijnselen van het tuchtrecht wordt veelal gezien dat het tuchtrecht wordt toegepast binnen een bepaalde groep of categorie, door een daartoe gespecialiseerd persoon of orgaan, niet zelden door leden van die groep zelve, op basis van ‘delictsomschrijvingen’ die doorgaans vaag zijn: het gaat erom te bevorderen dat de leden in een positieve en eensgezinde samenwerking de doeleinden en de taak van de groep nastreven of zich voegen naar de orde van de instelling waarin ze verblijven.

Men beweert weleens dat strafrechtelijke waarborgen met het doel en de functie van het tuchtrecht onverenigbaar zijn. Er wordt dan echter uit het oog verloren dat ook het terechtstaan voor de tuchtrechter veelal een pijnlijke ervaring is, zoals bijvoorbeeld een arts die zich moet verantwoorden voor het amputeren van het verkeerde been. Ook hier hebben de materiele rechtswaarborgen gelding en de sancties zijn ook lang niet altijd mild.

Een nadeel van het tuchtrecht onder ‘gelijken’ is dat het een sauverende werking kan hebben ten koste van het beschermen van het slachtoffer (de medici berechten medici).

Stampvragen

  1. Wat is het verschil tussen materieel en formeel strafrecht?

  2. Wat betekent 'ultimum remedium'?

  3. Leg het verloop van het strafproces uit in de 9 stappen.

  4. Leg de volgende drie stromingen uit: de klassieke school, antropologische school en Franse milieuschool.

  5. Hoe wordt wederrechtelijk gedrag omschreven?

  6. Uit welke onderdelen bestaat het legaliteitsbeginsel?

  7. Wat is het verschil tussen analogische en extensieve interpretatie, en hoe kan dit laatste bereikt worden?

Voor toegang tot deze pagina kan je inloggen

 

Aansluiten en inloggen

Sluit je aan en word JoHo donateur (vanaf 5 euro per jaar)

 

    Aansluiten en online toegang tot alle webpagina's 

Sluit je aan word JoHo abonnee

 

Als donateur een JoHo abonnement toevoegen

Upgraden met JoHo abonnement (+ 10 euro per jaar)

 

Inloggen

Inloggen als donateur of abonnee

 

Hoe werkt het

Om online toegang te krijgen kun je JoHo donateur worden  en een abonnement afsluiten

Vervolgens ontvang je de link naar je online account en heb je online toegang

Lees hieronder meer over JoHo donateur en abonnee worden

Ben je al JoHo donateur? maar heb je geen toegang? Check hier  

Korte advieswijzer voor de mogelijkheden om je aan te sluiten bij JoHo

JoHo donateur

  • €5,- voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey Tours wil steunen - voor wie korting op zijn JoHo abonnement wil - voor wie van de basiskortingen in de JoHo support centers gebruik wil maken of wie op zoek is naar de organisatie achter een vacature - voor wie toegang wil tot de op JoHo WorldSupporter gedeelde samenvattingen en studiehulp

JoHo abonnees

  • €20,- Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp - Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers - Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland - Voor wie gebruik wil maken van de emigratie- en expatservice

JoHo donateur met doorlopende reisverzekering

  • Sluit je via JoHo een jaarlijks doorlopende verzekering af dan kan je gedurende de looptijd van je verzekering gebruik maken van de voordelen van het JoHo abonnement: hoge kortingen + volledig online toegang + alle extra services. Lees meer

Abonnementen-advieswijzers voor JoHo services:

Abonnementen-advieswijzers voor JoHo services

  • Check hier de advieswijzers voor samenvattingen en stages - vacatures en sollicitaties - reizen en backpacken - vrijwilligerswerk en duurzaamheid - emigratie en lang verblijf in het buitenland - samenwerken met JoHo

Steun JoHo en steun jezelf

 

Sluit je ook aan bij JoHo!

 

 Steun JoHo door donateur te worden

en steun jezelf door ook een abonnement af te sluiten

 

Crossroads

 Crossroads

  • Crossroads lead you through the JoHo web of knowledge, inspiration & association
  • Use the crossroads to follow a connected direction

 

Footprint toevoegen
 
   
Hoe werkt een JoHo Chapter?

 JoHo chapters

Eigen aantekeningen maken?

Zichtbaar voor jezelf en bewaren zolang jij wil

Flexibele parttime bijbanen bij JoHo

    Memberservice: Make personal notes

    Ben je JoHo abonnee dan kun je je eigen notities maken, die vervolgens in het notitieveld  worden getoond. Deze notities zijn en blijven alleen zichtbaar voor jouzelf. Je kunt dus aantekeningen maken of bijvoorbeeld je eigen antwoorden geven op vragen