  Chapter 

1.1 De studie van de sociale denker

Sociale cognitie brengt de processen in kaart die spelen wanneer mensen zich druk maken om wat anderen van hen vinden en wanneer mensen proberen grip te krijgen op de gedachten en gedragingen van anderen. Met andere worden, sociale cognitie is de studie naar de manier waarop mensen zichzelf en anderen om hen heen proberen te begrijpen. Dit kan op verschillende manieren worden bestudeerd, waarvan één fenomenologie is – een systematische beschrijving van de manier waarop mensen aangeven de wereld te ervaren. Twee kernvisies binnen sociale cognitie zijn naïeve psychologie en cognitie. Naïeve psychologie verwijst naar de algemene overtuigingen die mensen hebben met betrekking tot de gedachten en het gedrag van zichzelf en anderen. De cognitie-visie omvat een gedetailleerde en systematische analyse van de manier waarop mensen over zichzelf en anderen denken en berust sterk op de hulpmiddelen van de cognitieve psychologie.

1.2 Benaderingen tot de studie van de sociale denker

De Modellen van Asch

Solomon Asch (1946) merkte op dat mensen anderen beschrijven aan de hand van een verzameling trefwoorden (trekken), welke samen een samenhangend concept van die persoon (een indruk) vormen. Zijn onderzoeksteam bedacht een studie waarin werd aangetoond dat beschrijvende woorden ervoor konden zorgen dat participanten bepaalde indrukken van mensen die ze nooit eerder hadden gezien gingen vormen. Hierdoor kwam hij met twee modellen die deze resultaten verklaren:

1. Het Configurationele Model

Dit model veronderstelt dat mensen een samenhangende visie van anderen zullen vormen waarin geen plaats is voor variatie. Dit betekent dat wanneer een bepaalde gedraging niet past binnen iemands algehele indruk van een persoon, men deze gedraging op een dusdanige manier interpreteert waardoor deze de algehele indruk alsnog ondersteunt. Context heeft invloed op de betekenis van verschillende trekken (bijv. een zeurderig kind wordt gezien als vermoeid, terwijl een zeurderige volwassene wordt gezien als onvolwassen). De hersenen proberen waarnemingen van anderen te organiseren en verenigen. Alle mentale activiteit resulteert in een indruk die bestaat uit relaties, welke een schema vormen.

2. Het Algebraïsche Model

Dit model begint niet met een verenigd geheel, maar met de observatie van een aantal afzonderlijke evaluaties die worden verzameld in een samenvattende evaluatie. Het is algebraïsch vanwege het feit dat trekken worden opgeteld om zo een totaal beeld te vormen. In het volgende gedeelte volgt een historische context, aangezien de twee hierboven genoemde modellen de kern van veel onderzoek dat in dit boek aan de orde komt, vormen.

1.3 Elementaire oorsprong van onderzoek naar sociale cognitie

De elementaire benadering van onderzoek naar sociale cognitie is afgestemd op het algebraïsche model; het breekt wetenschappelijke problemen op in kleine delen die, voor ze weer worden gecombineerd, eerst afzonderlijk van elkaar worden geanalyseerd. Informatie komt binnen via onze zintuigen en percepties en vormt ideeën. Deze ideeën worden geassocieerd door nabijheid in ruimte en tijd. Dus, wanneer twee ideeën samen plaatsvinden (bijv. dansen en schaamte), gaan ze een geheel vormen. Hoe vaker ze gepaard gaan, hoe makkelijker en sterker de associaties gevormd worden. Vroege psychologen die het geheugen bestudeerden (Wundt, Ebbinghaus) vormden de basis van de elementaire visie van cognitie.

Holistische oorsprong van onderzoek naar sociale cognitie

De Duitse filosoof Kant observeerde dat mensen de neiging hebben om dingen op een holistische wijze te zien en de verschillende onderdelen van een ding koppelen tot één geheel (bijv. een tros druiven i.p.v. 20 losse druiven). Evenzo is beweging niet een sequentie van afzonderlijke momenten, maar een oorzaak-gevolg relatie. De geest organiseert de wereld aan de hand van groepering. De Duits-Amerikaanse Gestalt psychologie erkende dit inzicht en paste dit toe op het fenomeen interesse. Het gebruikte de fenomenologie door mensen systematisch te vragen naar hun inzicht in de wereld. Gestalt behandelde de waarneming van dynamische gehelen, terwijl de elementaire onderzoekers zich richtten op het vermogen om het geheel in meetbare onderdelen op te breken. In termen van muziek: de melodie (holistisch) versus de losse noten (elementair).

De persoon-situatie veld theorie

Kurt Lewin introduceerde Gestalt in de sociale psychologie. Hij richtte zich meer op een subjectieve, in plaats van objectieve analyse van de realiteiten van mensen. Hij noemde de invloed van de waargenomen sociale omgeving het psychologische veld. Niet zozeer wat er daadwerkelijk gebeurt, maar hoe iemand die interpreteert is het meest van belang. Ook legde Lewin nadruk op het beschrijven van gehele situaties; hij zag iemand als een onderdeel binnen een botsing van krachten. Het totale psychologische veld (en daarmee ook gedrag) wordt bepaald door twee factoren: (1) de persoon in de situatie (alles wat bijdraagt aan zijn/haar persoonlijkheid), en (2) cognitie en motivatie. Cognities bepalen wat je mogelijk gaat doen, terwijl motivatie bepaalt of je het ook daadwerkelijk doet. Binnen een psychologisch veld komt een persoon krachten tegen die zowel diens cognitie als motivatie beïnvloeden.

1.4 De plaats van cognitie binnen de psychologie

In deze paragraaf wordt de plaats van cognitie binnen zowel experimentele, als sociale psychologie besproken.

Cognitie in experimentele psychologie

Wundt, een van de eerste psychologen, voerde onderzoek uit dat sterk berustte op introspectie; de eigen beschrijving van psychologische fenomenen door een psycholoog, gebaseerd op diens eigen ervaringen en observaties. Wundt’s doel was om de interne ervaringen van een persoon te onthullen. Introspectie werd al snel verworpen, omdat het als niet wetenschappelijk werd beschouwd, aangezien het geen meetbare en vergelijkbare data opleverde. Daarnaast was het te subjectief om gereproduceerd te kunnen worden. Vervolgens werd cognitie (want onmeetbaar) door psychologen vermeden en richtten zij zich in plaats daarvan op fysieke manifestaties van mentale processen (reflexen, geheugen, leren). De behavioristische psychologie deed met haar filosofie van oorzaak en gevolg, waarbij cognitie geheel buiten beschouwing werd gelaten, beroep op de wetenschap. Een stimulus (S) en respons (R) konden in kaart gebracht en gemeten worden. Gedurende een periode van ongeveer 50 jaar domineerde de behavioristische theorie de psychologie.

In de jaren ’60 werden mensen kritisch ten opzichte van het behaviorisme. Het kon de ontwikkeling van taal bijvoorbeeld niet verklaren. Als reactie hierop werd de informatieverwerkingsbenadering ontwikkeld. Dit is het idee dat mentale operaties in verschillende stadia (die plaatsvinden tussen stimulus en respons) kunnen worden opgesplitst. Onderzoek naar informatieverwerking kwam voort uit onderzoek naar leren. De sequentiële informatieverwerking is een belangrijk kenmerk van informatieverwerkings-theorieën. Deze benaderingen proberen cognitieve mechanismen te specificeren om op die manier grip te krijgen op de ‘black box’ van de geest. Nieuwe wetenschappelijke instrumenten stelden psychologen in de gelegenheid om eerder niet-observeerbare processen te traceren. De computer diende als instrument en tegelijkertijd als metafoor voor cognitieve verwerking. Het bood een kader voor een nieuwe manier van denken over psychologie. De komst van cognitieve neurowetenschap in de jaren ’90 zorgde ervoor dat de metaforen en modellen veranderden. Tegenwoordig zijn cognitieve psychologen meer gericht op plausibele modellerende processen met betrekking tot het verbeterde begrip van neurale netwerken, hersensystemen en enkele cel-responsen. En precies deze benadering zou de psychologie kunnen redden van uiteenvallen, aangezien het de hersenen niet in verschillende clusters verdeeld. In plaats daarvan erkent de cognitieve neurowetenschap dat we allemaal sociale, affectieve en cognitieve acteurs zijn in de wereld waarin we leven.

Cognitie in sociale psychologie

Sociale psychologie heeft altijd al te maken gehad met cognitieve concepten. Sociaal gedrag is in minstens drie opzichten altijd cognitief geweest. Allereerst is het beschouwd als een functie van de waarnemingen van mensen, in plaats van als objectieve beschrijvingen van een stimulus omgeving. Daarnaast beschouwen sociaal psychologen zowel oorzaken, als het eindresultaat van sociale waarneming en interactie in cognitieve termen. En ten derde wordt het individu tussen de veronderstelde oorzaak en het gevolgd beschouwd als een denkend organisme, in plaats van als een emotioneel organisme. Cognitieve structuren, zoals motivatie, geheugen en attributie waren duidelijk essentieel in het begrip van sociale interactie. In sociale psychologie kunnen vijf algemene modellen van de sociale denker worden geïdentificeerd:

1. De consistentie zoeker

De consistentietheorieën, welke eind jaren ’50 hun intrede deden, beschouwden mensen als consistentie zoekers. Volgens deze theoretici worden mensen gedreven om het ongemak dat ze ervaren naar aanleiding van waargenomen discrepanties tussen hun cognities, te verminderen. Het meest bekende voorbeeld is de dissonantie theorie: Wanneer iemand die openbaar heeft aangekondigd te stoppen met roken net een sigaret heeft gerookt, moet hij bepaalde gedachten oproepen om deze twee cognities met elkaar te verenigen.

De consistentietheorieën berusten dus op waargenomen inconsistentie. Cognitieve activiteit krijgt hierin een centrale rol toebedeeld. Subjectieve, niet objectieve, inconsistentie staat centraal in deze theorieën. Wanneer inconsistentie wordt waargenomen, wordt verwacht dat iemand zich ongemakkelijk voelt en dus gemotiveerd is om deze inconsistentie te verminderen. Dit wordt ook wel het ‘drive reduction model’ genoemd. Motivatie wormt als het ware de drijfveer achter het gehele systeem. Motivatie en cognitie zijn dus beiden van belang binnen de consistentie theorieën.

2. De naïeve wetenschapper

Dit model deed zijn intreden in de jaren ’70 en richtte zich op de manier waarop mensen de oorzaken van gedrag blootleggen. Attributietheorieën – die zich richten op de manier waarop mensen zowel hun eigen gedrag, als dat van anderen om hen heen (externe vs. interne attributie) verklaren – kwamen op de voorgrond te staan. De eerste hypotheses van deze theorieën, was dat mensen analytische dataverzamelaars zijn en daardoor uiteindelijk tot de best onderbouwde conclusie komen. De rol van cognitie in dit model is dus een uitkomst van redelijke rationele analyse. In tegenstelling tot de consistentie theorieën, waarin de nadruk lag op motivatie, vormen onopgeloste attributies volgens attributie theoretici niet de motivatie in een poging deze op te lossen. Volgens de attributie theoretici helpt motivatie alleen bij het katalyseren van het attributieproces.

3. De cognitieve misser

Mensen zijn uiteraard niet altijd zo rationeel als de naïeve wetenschapper veronderstelt. Volgens het cognitieve misser-model (jaren ’80) zijn mensen beperkt in hun competentie om informatie te verwerken. Volgens dit model nemen mensen shortcuts (strategieën die de complexe informatie of problemen vereenvoudigen) wanneer ze hiertoe de gelegenheid krijgen. In de eerste instantie kreeg motivatie nauwelijks een rol. Maar naarmate het cognitieve misser-model verder werd ontwikkeld, begonnen theoretici aandacht te schenken aan de invloed van motivatie op cognitie. Sociale interactie werd hierbij belangrijker.

4. De gemotiveerde tacticus

Deze visie, welke ontstond tijdens de jaren ’90, zag mensen als volledig toegewijde denkers die meerdere cognitieve strategieën aanwenden, afhankelijk van hun doelen, motieven en behoeften. In sommige situaties zal men gemotiveerd zijn om een wijs besluit te nemen met als doel accuratesse en aanpassingsvermogen. In andere situaties zal men gemotiveerd zijn om vanuit defensief oogpunt te kiezen voor de eigenwaarde of snelheid.

5. De geactiveerde acteur

Tegenwoordig worden mensen gezien als geactiveerde acteurs. Zonder dat ze zich hier bewust van zijn, worden de sociale concepten van mensen haast automatisch geactiveerd door hun sociale omgeving. Als gevolg activeren zij haast onvermijdelijk de cognities, gevoelens, evaluaties, motivaties en gedragingen die met deze sociale concepten worden geassocieerd.

1.5 Wat is sociale cognitie?

Het meeste onderzoek naar sociale cognitie deelt enkele basiskenmerken; deze kenmerken worden in de huidige paragraaf besproken.

Mentalisme

Mentalisme – de overtuiging dat cognitieve representaties belangrijk zijn – is de eerste basis assumptie in onderzoek naar sociale cognitie. De studie van sociale cognitie wordt gevormd door cognitieve elementen die mensen gebruiken wanneer we andere mensen en sociale interacties proberen te begrijpen. Algemene kennis over onszelf en anderen stelt ons in staat om het gedrag van anderen te voorspellen en om naar behoren te kunnen functioneren op sociaal gebied.

Cognitieve processen in sociale settings

Onderzoek naar sociale cognitie omvat ook cognitieve verwerking. Cognitieve processen zijn de manieren waarop cognitieve elementen in verloop van tijd vormen, opereren, interacteren en veranderen. Behavioristen vermeden de discussie over interne verwerking vanwege de overtuiging dat dit niet wetenschappelijk kon worden onderzocht. Sociale cognitie onderzoekers zijn vandaag de dag in staat om eerder niet-onderzochte aspecten van cognitieve processen te meten en beschrijven.

Kruisbestuiving

Een ander kenmerk van onderzoek naar sociale cognitie, is de kruisbestuiving tussen cognitieve en sociale psychologie. Onderzoek naar sociale cognitie neemt elementen over van cognitief en sociaal psychologisch onderzoek en breidt deze uit naar neurowetenschap en andere psychologiegebieden.

Sociale kwesties in het echte leven

Sociale cognitie is gericht op het toepassen van onderzoek op sociale interacties in het echte leven. Huidige ingrijpende kwesties, zoals groepsgedrag, propaganda en organisatorische teambuilding worden allemaal behandeld binnen onderzoek naar sociale cognitie.

1.6 Mensen zijn geen dingen

De behavioristen stelden dat de cognities van een persoon niet observeerbaar waren. Volgens hen zouden we net zo goed robots of boerderijdieren kunnen zijn. Echter, we zijn mensen en verschillen op diverse manieren van objecten. We hebben invloed op onze omgevingen, we nemen waar en worden waargenomen. Sociale cognitie impliceert het bestaan van een zelf, een onafhankelijke identiteit die beoordeeld kan worden. Persoonlijkheidstrekken zijn niet altijd observeerbaar, maar zijn fundamenteel voor hoe we door anderen geobserveerd worden. We zijn onvermijdelijk complexe wezen en hebben voornemens/doelen en trekken die niet zichtbaar zijn, en die een ambigue en onduidelijke invloed op ons gedrag hebben.

1.7 Het belang van de hersenen

Er worden een aantal diverse neurowetenschappelijke technieken gebruiken bij onderzoek naar sociale cognitie, waaronder neuropsychologie, fMRI (functional magnetic resonance imaging), EMG (electromyography), EEG (electroencephalography), TMS (transcranial magnetic stimulation), electrodermale responsen, cardiovasculaire activiteir, hormoon levels (zoals cortisol), immuun functioneren en genetische analyses.

In overeenstemming met de opmerking dat mensen geen dingen zijn, hebben recente studies laten zien dat er andere neuronale systemen geactiveerd zijn tijdens sociale perceptie dan tijdens objectperceptie. Bij sociale percepties zijn vaak de medial prefrontal cortex (mPFC) en de superior temporal sulcus (STS) actief.

Als het belang van het sociale brein onderzocht wordt, dan moet zijn context verduidelijkt worden. Het is belangrijk om op te merken dat hersenen en culturen (omgeving) geen tegenovergestelde verklaringen zijn voor dezelfde fenomenen. Ten eerste zijn onze hersenen voorbereid om onze culturen op te nemen als ze ons socialiseren. Ten tweede is culturele informatie opgeslagen in ons brein. Tot slot veranderen de hersenen van mensen fysiek, afhankelijk van hun culturele ervaringen.

1.8 De rol van cultuur

Een belangrijke kanttekening om te noemen wanneer we kijken naar onderzoek naar sociale cognitie, is dat onderzoekers zich voornamelijk hebben gericht op westerse, geschoolde, geïndustrialiseerde, rijke, democratische studenten. Dit betekent dat onderzoek vaak niet cross-cultureel valide is. Een groot onderscheid dat kan worden gemaakt, is het verschil tussen culturen waarin mensen meer onafhankelijk en autonoom zijn (voornamelijk westerse culturen) en culturen waar mensen meer onderling afhankelijk en harmonieus zijn (voornamelijk oosterse culturen). Dit zal in de komende hoofdstukken worden behandeld.

Voor toegang tot deze pagina kan je inloggen

 

Aansluiten en inloggen

Sluit je aan en word JoHo donateur (vanaf 5 euro per jaar)

 

    Aansluiten en online toegang tot alle webpagina's 

Sluit je aan word donateur en neem een service-abonnement

 

Upgraden als donateur

Upgraden met service-abonnement I (10 euro per jaar)

Upgraden met service-abonnement II (20 euro per jaar)

 

Inloggen

Inloggen als donateur of abonnee

 

Hoe werkt het

Om online toegang te krijgen kun je JoHo donateur worden  en een (service) abonnement afsluiten

Vervolgens ontvang je de link naar je  online account aan en heb je online toegang

Lees hieronder meer over JoHo donateur en abonnee worden

Ben je al JoHo donateur? maar heb je geen toegang? Check hier  

Korte advieswijzer voor de mogelijkheden om je aan te sluiten bij JoHo

JoHo donateur

  • €5,- voor wie JoHo en Smokey Tours wil steunen - Voor wie toegang wil tot de service-abonnementen - Voor wie van de basiskortingen in de JoHo support centers gebruik wil maken of wie op zoek is naar de organisatie achter een vacature

JoHo donateur + service-abonnement I

  • €5 + €10,- Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp - Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers - Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland

JoHo donateur met service-abonnement II

  • €5,- + €20,- Voor wie extra kortingen wil op de JoHo's en boeksamenvattingen in de JoHo support centers - Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers) - Voor wie gebruik wil maken van de emigratie- en expatservice

JoHo donateur met service-abonnement III

  • €5,- + €40,- Voor wie gebruik wil maken van een cv-check, persoonlijke adviesservices en de hoogste kortingen op artikelen, samenvattingen en services

JoHo donateur met doorlopende reisverzekering

  • Sluit je via JoHo een jaarlijks doorlopende verzekering af dan kan je gedurende de looptijd van je verzekering gebruik maken van de voordelen van service-abonnement III: hoge kortingen + volledig online toegang + alle extra services. Lees meer

Abonnementen-advieswijzers voor JoHo services:

Abonnementen-advieswijzers voor JoHo services

  • Check hier de advieswijzers voor samenvattingen en stages - vacatures en sollicitaties - reizen en backpacken - vrijwilligerswerk en duurzaamheid - emigratie en lang verblijf in het buitenland - samenwerken met JoHo

Steun JoHo en steun jezelf

 

Sluit je ook aan bij JoHo!

 

 Steun JoHo door donateur te worden

en steun jezelf door ook een service-abonnement af te sluiten

 

Lees of zoek verder »
Crossroads

 Crossroads

  • Crossroads lead you through the JoHo web of knowledge, inspiration & association
  • Use the crossroads to follow a connected direction

 

Footprint toevoegen
 
   
Hoe werkt een JoHo Chapter?

 JoHo chapters

Dit chapter is gebundeld in:
Eigen aantekeningen maken?

Zichtbaar voor jezelf en bewaren zolang jij wil

Flexibele parttime bijbanen bij JoHo

    Sluit voordelig je zorgverzekering af bij DSW

    JoHo solidariteitskeuze

    Memberservice: Make personal notes

    Ben je JoHo abonnee dan kun je je eigen notities maken, die vervolgens in het notitieveld  worden getoond. Deze notities zijn en blijven alleen zichtbaar voor jouzelf. Je kunt dus aantekeningen maken of bijvoorbeeld je eigen antwoorden geven op vragen