  Chapter 


Welke doelen van statistiek zijn er?

Als gedragswetenschapper is het belangrijk om statistiek te begrijpen. Onderzoek wordt namelijk gedaan met empirische technieken, en statistiek is daar een essentieel onderdeel van. Wanneer je weet welke techniek in welke situatie toegepast moet worden, kun je statistiek op de juiste manier gebruiken. Door statistiek kun je informatie op een compacte manier noteren. Statistiek heeft twee doelen:

  1. Het organiseren en opsommen van informatie zodat onderzoeksresultaten bekend gemaakt kunnen worden.

  2. Het beantwoorden van de onderzoeksvragen die de onderzoeker ertoe hebben gezet om het onderzoek te beginnen.

Statistiek staat dan ook voor rekenkundige procedures waarmee informatie georganiseerd, opgesomd en geïnterpreteerd kan worden. Een populatie verwijst naar de gehele groep individuen waarover een onderzoeker een uitspraak wil doen. Denk bijvoorbeeld aan alle zwangere vrouwen, alle studenten of aan alle mannen in het algemeen. Omdat populaties vaak erg groot zijn, is het niet mogelijk om iedereen uit de populatie te onderzoeken. Om deze reden selecteren onderzoekers een kleinere, representatieve groep uit de populatie. Deze groep wordt een steekproef genoemd.

Wat is er belangrijk bij het kiezen van de steekproef en populatie?

De grootte van een steekproef verschilt per onderzoek. Met een steekproef probeert een onderzoeker de resultaten naar de populatie toe te generaliseren. Dit houdt in dat het resultaat dat gevonden wordt in de steekproef, ook geldt voor de gehele populatie. Een parameter staat voor een waarde of karakteristiek die de populatie beschrijft. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een gemiddelde schoolprestatie in de populatie. Een parameter kan verkregen worden door middel van één of meerdere metingen van de populatie. Een statistiek beschrijft, in tegenstelling tot een parameter, gegevens over een steekproef. Ook een statistiek kan verkregen worden door een enkele meting of door meerdere metingen van de steekproef. Het verband tussen een steekproef en parameter wordt later nader toegelicht.

Welke soorten statistiek zijn er?

Bij het beantwoorden van een onderzoeksvraag moet allereerst informatie worden verzameld. In de wetenschap wordt informatie verzameld door observaties te doen en metingen te noteren. De meting of observatie voor elk bestudeerd individu wordt een score, ruwe score of datum genoemd. Alle scores of metingen bij elkaar worden data genoemd. Nadat de data verzameld zijn, worden er statistische methoden gebruikt om de resultaten te analyseren. Er bestaan twee soorten statistiek: (1) beschrijvende en (2) inferentiële statistiek.

  1. Er is sprake van beschrijvende statistiek wanneer een onderzoeker statistische procedures gebruikt om data op te sommen, te organiseren of te verduidelijken. Ruwe scores worden dan op een handige manier genoteerd; ze worden bijvoorbeeld in een tabel of grafiek gezet. Een gemiddelde is ook een voorbeeld van beschrijvende statistiek.

  2. Inferentiële statistiek staat voor technieken waarmee we (representatieve) steekproeven kunnen bestuderen. We doen dit om algemene uitspraken over populaties te kunnen doen. Ondanks het feit dat steekproeven representatief zijn, geven ze geen volledig accuraat beeld van de populatie. Er ontstaat altijd sampling error, de discrepantie tussen een steekproefstatistiek en een parameter van de populatie.

Wat is een variabele?

Een variabele is een eigenschap of conditie die veranderlijk is of verschillende waarden heeft voor verschillende individuen (bijvoorbeeld leeftijd). Variabelen kunnen ook eigenschappen van de omgeving zijn (bijvoorbeeld temperatuur). Wanneer variabelen gemeten zijn, worden de resulterende waarden vaak aangeduid door middel van letters. Een onderzoeker kan bijvoorbeeld de relatie onderzoeken tussen roken (X) en longkanker (Y). Als je een verband verwacht, veranderen de waarden van Y bij verschillende waarden van X en omgekeerd. Een variabele die niet verandert en hetzelfde is voor elk individu wordt een constante genoemd.

Wanneer is er een verband?

Veel onderzoek wordt gedaan om verbanden tussen variabelen te ontdekken. Is er bijvoorbeeld een relatie tussen een goed ontbijt en prestaties op school? Om een eventueel verband te ontdekken, moeten beide variabelen worden onderzocht. Een mogelijke manier om de relatie tussen variabelen te onderzoeken is door de twee variabelen te observeren zoals ze op natuurlijke wijze bestaan bij de deelnemers. Zo heeft onderzoek bijvoorbeeld uitgewezen dat er een relatie is tussen slaapgewoonten en prestatie op school. Prestaties veranderen bij een verschil in slaapgewoonten. Patronen in data zijn makkelijker op te merken als de data in een grafiek verwerkt wordt.

Wat houdt de correlationele methode in?

De correlationele methode houdt in dat een onderzoeker twee variabelen observeert om te zien of er een relatie tussen beide bestaat. Dit wordt ook wel een correlationele onderzoeksstrategie genoemd. Soms worden er in een onderzoek geen getallen gebruikt. Zo kan een onderzoeker benieuwd zijn naar de relatie tussen woonplaats (dorp of stad) en mening over abortus (voor en tegen). De relatie tussen dit soort variabelen wordt bestudeerd met de chi-kwadraattoets. Een tweede manier om de relatie tussen twee variabelen te onderzoeken is door scores op verschillende variabelen met elkaar te vergelijken. Kinderen die ontbeten hebben, presteren op school bijvoorbeeld beter dan kinderen die in de ochtend niet hebben ontbeten.

Waarvoor wordt de experimentele methode gebruikt?

De experimentele methode wordt gebruikt wanneer een onderzoeker geïnteresseerd is in een oorzaak-gevolg relatie tussen twee variabelen. Een verandering in de ene variabele zal in dat geval een verandering in de andere variabele tot gevolg hebben. De experimentele methode heeft twee essentiële kenmerken: (1) manipulatie en (2) controle.

  1. Er is sprake van manipulatie als de onderzoeker waarden van een variabele (X) verandert. Waarden van de tweede variabele worden vervolgens (Y) gemeten, om te zien of variabele X invloed heeft op variabele Y.

  2. Controle houdt in dat de onderzoeker de onderzoekssituatie constant moet houden, zodat externe variabelen de relatie tussen X en Y niet kunnen beïnvloeden. Als gevolg van deze controle kan met zekerheid gezegd worden dat Y veroorzaakt is door X en niet door een andere variabele. Hierbij moet de onderzoeker letten op (1) participant variabelen en (2) omgevingsvariabelen.

Wat zijn participantvariabelen?

Participantvariabelen zijn eigenschappen die variëren per persoon zoals, leeftijd, sekse en intelligentieniveau. Deze eigenschappen variëren per persoon. Stel je voor: je doet onderzoek naar de effectiviteit van twee rekenprogramma’s: programma A en programma B. Je onderzoekt twee groepen die de programma’s uitgeprobeerd hebben. Je ziet dat de groep die programma B heeft geprobeerd, uiteindelijk veel hoger scoort op een rekentoets. Tevens blijkt dat in die groep iedereen een ver bovengemiddeld IQ heeft. Is de hoge prestatie op de rekentoets dan echt door programma B of door het intelligentieniveau van de deelnemers uit de groep die programma B heeft geprobeerd?

War zijn omgevingsvariabelen?

Voorbeelden van omgevingskenmerken zijn belichting, het moment van de dag en het weer. De onderzoeker moet twee groepen deelnemers altijd in dezelfde omstandigheden testen, zodat verschillen in groepen veroorzaakt door daadwerkelijke verschillen en niet door omgevingsvariabelen. Mensen die meedoen aan een onderzoek worden proefpersonen (subjects) genoemd. Er zijn drie manieren om controle uit te oefenen over variabelen.

  1. Random toewijzing: in dit geval heeft elke deelnemer evenveel kans om in een conditie terecht te komen. Dit kan bijvoorbeeld door te tossen.

  2. Matching. Bij matching wordt bijvoorbeeld het IQ van elke deelnemer nagegaan. Vervolgens worden individuen in groepen verdeeld zodat alle groepen ongeveer hetzelfde gemiddelde IQ hebben.

  3. Constant houden. Van constant houden is sprake wanneer een onderzoeker bijvoorbeeld alleen kinderen van tien jaar laat meedoen aan het onderzoek. Leeftijd wordt in dat geval constant gehouden.

Welke andere soorten variabelen zijn er?

Een onafhankelijke variabele is een variabele die gemanipuleerd wordt door de onderzoeker. Vaak bestaat de onafhankelijke variabele uit twee of meer condities waaraan de deelnemers worden blootgesteld. De onafhankelijke variabele wordt gemanipuleerd voordat de afhankelijke variabele gemeten wordt. De afhankelijke variabele is de variabele die geobserveerd wordt zodat gezien kan worden wat het effect van de condities van de onafhankelijke variabele is. Als je bijvoorbeeld wilt weten of verschillende temperaturen invloed hebben op het geheugen, dan kun je mensen blootstellen aan verschillende temperaturen (onafhankelijke variabele). Het aantal onthouden items op een geheugentest is de afhankelijke variabele. Bij de experimentele methode wordt alleen de afhankelijke variabele gemeten, terwijl bij de correlationele methode beide variabelen worden gemeten voor elk individu. Vaak is er een controlegroep aanwezig bij een experiment. Deze groep krijgt geen behandeling of krijgt een placebo. Een controlegroep wordt ingezet om te zien of er daadwerkelijk een verschil is in de afhankelijke variabele tussen de experimentele conditie (die een behandeling krijgt) en de controlegroep.

Welke andere methoden zijn er?

Er zijn andere onderzoeksdesigns die niet echt experimenteel zijn maar wel de relatie onderzoeken tussen variabelen door scores te vergelijken. Zij worden non-experimentele of quasi-experimentele designs genoemd. Als je bijvoorbeeld het effect van sekse op een test wil meten, kun je niet een echt experiment doen, omdat je de variabele sekse (een participant variabele) niet kunt manipuleren. Daarnaast kun je tijdsvariabelen ook niet manipuleren. In deze non-experimentele designs wordt de variabele die de groepen bepaalt (bijvoorbeeld sekse) de quasi-experimentele variabele genoemd.

Welke definities zijn belangrijk bij statistiek?

Veel variabelen die onderzocht worden zijn hypothetische constructen, zoals intelligentie en zelfvertrouwen. Deze constructen zijn niet direct waarneembaar. Om deze variabelen toch te onderzoeken moeten we er definities aan verbinden die we wel kunnen onderzoeken. Intelligentie kun je bijvoorbeeld onderzoeken door middel van een IQ-test. Een operationele definitie beschrijft hoe een construct onderzocht moet worden.

Wat zijn discrete en continuerende variabelen?

Een discrete variabele bestaat uit aparte categorieën. Tussen twee nabije categorieën van deze variabele kunnen niet nog meer kleine waarden bestaan. Een klas bestaat bijvoorbeeld uit 18 of 19 studenten. De klas kan nooit bestaan uit 18,5 leerlingen. Bij een continuerende variabele zijn er oneindig veel mogelijke waarden die vallen tussen twee geobserveerde waarden. Daarom kun je een continuerende variabele in een oneindig aantal onderdelen verdelen. Denk bijvoorbeeld aan lengte of gewicht. Iemand is niet per se precies 40 of 41 kilo. Je kunt 40.1, 40.12 of 40.128 kilo wegen. Omdat er oneindig veel mogelijkheden zijn, komt het maar weinig voor dat twee mensen dezelfde score hebben. Bij het meten van een continuerende variabele is elke metingscategorie een interval. Twee mensen die stellen dat ze beide 100 kilo wegen, hebben waarschijnlijk toch niet echt van hetzelfde gewicht. De ene kan 99,8 wegen, terwijl de ander 100,3 weegt. Een gewicht van 100 kilo is dus niet een specifiek punt, maar een interval. Om een gewicht van 100 te onderscheiden van een score van 99 en 101, moeten we grenzen stellen. Deze grenzen worden absolute grenswaarden (real limits) genoemd. Een score van 100 is een interval met als onderste absolute grenswaarde (lower real limit) 99.5 en als bovenste absolute grenswaarde (upper real limit) 100.5. Iedereen die hier tussen valt, weegt 100 kilo.

Hoe meet je?

Meten kun je door gebeurtenissen te categoriseren (kwalitatief) of getallen te gebruiken om de grootte van een gebeurtenis uit te drukken (kwantitatief). Een onderzoeker kan verschillende meetschalen gebruiken. Zo kan hij er bijvoorbeeld voor kiezen om deelnemers in te delen in klein, gemiddeld en groot. Deze algemene categorieën zeggen echter niets over hoeveel iedereen van elkaar verschilt qua lengte. Hieronder zal ingegaan worden op de vier meest bekende meetschalen.

Welke meetschalen worden er gebruikt?

Onderzoekers maken gebruik van de volgende vier meetschalen.

  1. De simpelste meetschaal is de nominale schaal. Deze schaal bestaat uit een set van categorieën met verschillende namen. Metingen op een nominale schaal categoriseren en labelen de observaties van de onderzoeker. Er worden echter geen kwantitatieve verschillen tussen observaties waargenomen. Een voorbeeld is dat je leerlingen indeelt op basis van het vak waar ze het beste in zijn. Dit zegt echter nog niets over de grootte van het verschil tussen leerlingen. Mensen indelen op basis van sekse, ras of beroep zijn ook voorbeelden van de nominale schaal.

  2. Een ordinale schaal bestaat uit een set van categorieën die in een duidelijke volgorde zijn georganiseerd. Observaties worden in dat geval genoteerd in termen van grootte of sterkte. Je kunt 20 kinderen uit een klas bijvoorbeeld indelen op basis van leeftijd. Het oudste kind staat dan bijvoorbeeld op nummer 1, terwijl het jongste kind op nummer 20 staat. Maaltijden indelen in klein, medium of groot is ook een voorbeeld van een ordinale schaal.

  3. Ten derde bestaat de intervalschaal, waarbij verschillen in categorieën van exact dezelfde grootte zijn. Gelijke verschillen tussen getallen op de schaal reflecteren gelijke verschillen in sterkte. Er is geen sprake van een nulpunt bij een intervalschaal. Er is bijvoorbeeld geen afwezigheid van lengte. Iedereen heeft een lengte, hoe klein deze ook is.

  4. Als laatst is er de ratioschaal, waarbij er wel sprake is van een nulpunt. Daardoor kunnen we gevonden observaties goed met elkaar vergelijken. We kunnen ze delen, optellen, aftrekken en vermenigvuldigen. Zo kan gezegd worden dat iemand van twee meter twee keer zo groot is als iemand van één meter. Verschillen kunnen we dus beschrijven in termen van ratio’s. Voorbeelden van ratioschalen zijn gewicht en reactietijd.

Hoe noteer je de gevonden data?

Metingen van gedrag resulteren in data die bestaat uit verschillende getallen. Er bestaat een gestandaardiseerd notatiesysteem voor statistische procedures. Als er twee variabelen gemeten worden, wordt de ene X en de ander Y genoemd. Je zou bijvoorbeeld kunnen zeggen dat een deelnemer 35 scoort op X (X=35) en 50 scoort op Y (Y=50). We gebruiken de hoofdletter N om het aantal scores in een populatie te beschrijven. De kleine letter n wordt gebruikt om het aantal scores in een sample te beschrijven. Er worden in het algemeen verschillende statistische notaties gebruikt voor populaties en samples.

Wat is belangrijk bij rekenen in de statistiek?

De Griekse letter sigma (∑) staat voor een opsomming. ∑X staat bijvoorbeeld voor het optellen van alle scores voor variabele X. Stel je voor: we gebruiken de scores 4,6,7 en 10. In dit geval is ∑X=27 en N=4. Achter een ∑ staat altijd een symbool of een rekenkundige procedure. Hierdoor weet men precies welke waarden bij elkaar opgeteld moeten worden. Een voorbeeld is: ∑(X-1). In dit geval moet eerst van alle X- en afzonderlijk 1 afgetrokken worden. Vervolgens moeten alle uitkomsten bij elkaar opgeteld worden. Het is belangrijk om uit te gaan van een bepaalde volgorde bij het rekenen.

  1. Als eerste moet uitgevoerd worden wat er tussen de haakjes staat.

  2. Vervolgens wordt er gekwadrateerd.

  3. Ten derde moet vermenigvuldigd of gedeeld worden. Dit moet van links naar rechts gebeuren.

  4. Vervolgens wordt alles opgeteld (∑).

  5. Ten slotte wordt er opgeteld of afgetrokken als dat nog nodig is.

Wat is statistiek? - TentamenTest 1


Vragen

Vraag 1

In onderzoek worden over het algemeen verschillende soorten variabelen gemeten. Vul in welke termen ontbreken in de volgende zin:

De XXXX variabele heeft invloed op de XXXX variabele

  1. onafhankelijke; afhankelijke
  2. experimentele; controle
  3. experimentele; afhankelijke
  4. controle; experimentele

Vraag 2

Wat is een quasi-onafhankelijke variabele?

Vraag 3

Wat houdt correlationeel onderzoek in?

Vraag 4

Een onderzoeker wil nagaan in welke mate hoogbegaafdheid bij kinderen op de basisschool samengaat met gedragsproblemen in de klas. Welk soort onderzoek is geschikt om deze vraagstelling te onderzoeken?

Vraag 5

Wat is het doel van correlationeel onderzoek?

  1. Het verschil tussen twee groepen meten
  2. De invloed van de ene op de andere variabele meten
  3. Het verband tussen twee variabelen meten
  4. De som van de twee groepen berekenen

Vraag 6

Bij een steekproef hoort een XXXX; bij een populatie hoort een XXXX

  1. populatie; parameter
  2. statistiek; parameter
  3. parameter; statistiek
  4. statistiek; populatie

Vraag 7

Een steekproeffout ontstaat doordat:

  1. Er niet genoeg mensen in de populatie zijn
  2. Er een verschil is tussen de specifieke personen in de steekproef en alle mensen in een populatie
  3. Er een verschil is tussen iedere steekproef
  4. Er zijn teveel mensen in de populatie

Vraag 8

Er wordt onderzoek gedaan naar de bereidheid van drugsverslaafden in Nederland om zich te laten opnemen in een kliniek. Een groep van 100 verslaafden wordt geselecteerd om vragenlijsten te beantwoorden. Wat is de populatie in dit onderzoek?

  1. De groep van 100 verslaafden
  2. De Nederlandse bevolking
  3. De drugsverslaafden in Nederland
  4. Alle drugsverslaafden

Antwoordindicatie

Vraag 1

A

Vraag 2

Een variabele die de afhankelijke variabele beïnvloedt, maar niet gemanipuleerd is.

Vraag 3

Bij dit soort onderzoek wordt de relatie tussen variabelen bestudeerd. Met correlationele onderzoeken kunnen echter geen uitspraken gedaan worden over oorzaak-gevolgrelaties.

Vraag 4

Correlationeel onderzoek

Vraag 5

C

Vraag 6

B

Vraag 7

B

Vraag 8

C

Voor toegang tot deze pagina kan je inloggen

 

Aansluiten en inloggen

Sluit je aan en word JoHo donateur (vanaf 5 euro per jaar)

 

    Aansluiten en online toegang tot alle webpagina's 

Sluit je aan word JoHo abonnee

 

Als donateur een JoHo abonnement toevoegen

Upgraden met JoHo abonnement (+ 10 euro per jaar)

 

Inloggen

Inloggen als donateur of abonnee

 

Hoe werkt het

Om online toegang te krijgen kun je JoHo donateur worden  en een abonnement afsluiten

Vervolgens ontvang je de link naar je online account en heb je online toegang

Lees hieronder meer over JoHo donateur en abonnee worden

Ben je al JoHo donateur? maar heb je geen toegang? Check hier  

Korte advieswijzer voor de mogelijkheden om je aan te sluiten bij JoHo

JoHo donateur

  • €5,- voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey Tours wil steunen - voor wie korting op zijn JoHo abonnement wil - voor wie van de basiskortingen in de JoHo support centers gebruik wil maken of wie op zoek is naar de organisatie achter een vacature - voor wie toegang wil tot de op JoHo WorldSupporter gedeelde samenvattingen en studiehulp

JoHo abonnees

  • €20,- Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp - Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers - Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland - Voor wie gebruik wil maken van de emigratie- en expatservice

JoHo donateur met doorlopende reisverzekering

  • Sluit je via JoHo een jaarlijks doorlopende verzekering af dan kan je gedurende de looptijd van je verzekering gebruik maken van de voordelen van het JoHo abonnement: hoge kortingen + volledig online toegang + alle extra services. Lees meer

Abonnementen-advieswijzers voor JoHo services:

Abonnementen-advieswijzers voor JoHo services

  • Check hier de advieswijzers voor samenvattingen en stages - vacatures en sollicitaties - reizen en backpacken - vrijwilligerswerk en duurzaamheid - emigratie en lang verblijf in het buitenland - samenwerken met JoHo

Steun JoHo en steun jezelf

 

Sluit je ook aan bij JoHo!

 

 Steun JoHo door donateur te worden

en steun jezelf door ook een abonnement af te sluiten

 

Lees of zoek verder »
Crossroads

 Crossroads

  • Crossroads lead you through the JoHo web of knowledge, inspiration & association
  • Use the crossroads to follow a connected direction

 

Footprint toevoegen
 
   
Hoe werkt een JoHo Chapter?

 JoHo chapters

Dit chapter is gebundeld in:
Eigen aantekeningen maken?

Zichtbaar voor jezelf en bewaren zolang jij wil

Flexibele parttime bijbanen bij JoHo

    Memberservice: Make personal notes

    Ben je JoHo abonnee dan kun je je eigen notities maken, die vervolgens in het notitieveld  worden getoond. Deze notities zijn en blijven alleen zichtbaar voor jouzelf. Je kunt dus aantekeningen maken of bijvoorbeeld je eigen antwoorden geven op vragen