  Chapter 

1. Wat is strafrecht?

Strafrecht is het ius puniendi, dat wil zeggen het recht van de staat om burgers te straffen op grond van overtreding van normen en waarden. Het publieke strafrecht wil hiermee ongerichte wraak voorkomen, ofwel voorkomen dat burgers voor eigen rechter gaan spelen waarbij zij de grenzen van het toelaatbare overschrijden. Dit laatste staat bekend als eigenrichting. Volgens velen is het bewaken van de veiligheid en het ordelijk verloop van de samenleving door bepaalde schadelijke en gevaarlijke menselijke gedragingen tegen te gaan door middel van vervolging en bestraffing de belangrijkste functie van het strafrecht.

Het Nederlandse strafrecht bestaat uit een materieel en een formeel gedeelte. Het materiële strafrecht kan gedefinieerd worden als het rechtsgebied dat regelt

  1. welke gedragingen onder welke omstandigheden strafbaar zijn,

  2. waaruit de straffen bestaan en

  3. onder welke voorwaarden het strafrecht mag worden toegepast.

Tot het materiële strafrecht wordt onder andere gerekend:

  1. De algemene bepalingen in het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht, inclusief het geheel van alle afzonderlijke strafbepalingen,

  2. Het sanctiestelsel, dat wil zeggen het geheel van straffen en maatregelen die de wet kent, en de regels betreffende de rechterlijke toepassing van het strafrecht en het executierecht. Dit wordt penitentiair recht genoemd,

  3. De voorwaarden voor vervolgbaarheid, waaraan voldaan moet zijn, voordat het tot toepassing van het strafrecht kan komen.

Het formele strafrecht, ook wel het strafprocesrecht, kan gedefinieerd worden als het rechtsgebied dat voorschriften bevat, die mede kunnen bepalen hoe het strafrecht zich moet verwezenlijken. Het omvat de regeling van de opsporing, vervolging en de berechting van strafbare feiten. Het geeft daarnaast bevoegdheden aan overheidsfunctionarissen en geeft allerlei rechten aan de verdachte en diens raadsman of -vrouw. Het materiële strafrecht bepaalt dus of, wie en hoe gestraft kan worden. Het formele strafrecht regelt hoe de staat door middel van haar organen het recht tot straffen en strafoplegging krijgt en omvat dus het strafproces. Er is overigens geen sprake van een strikt onderscheid tussen het formele en materiële strafrecht. Vroeger werden bepaalde materiële bepalingen in het Wetboek van Strafvordering behandeld en bovendien zijn de rechtsgebieden voortdurend met elkaar in wisselwerking.

Bepalend voor de strafrechtelijke werkelijkheid is niet alleen de structuur, maar ook de cultuur van het strafrecht. De politie, het OM, de rechterlijke macht en de advocatuur hebben een belangrijke rol gespeeld in de vorming van het strafrecht. Het strafrecht vormt daarnaast een weerspiegeling van de samenleving en heeft dus ook in iedere samenleving een ander gestalte. Ontwikkelingen in de samenleving spelen hierbij een grote rol. Deze ontwikkelingen leiden steeds tot nieuwe vormen van criminele politiek, dat wil zeggen de rationele organisatie van de maatschappelijke reactie op de misdaad. Vanuit de criminele politiek heeft afgelopen jaren de georganiseerde misdaad bijvoorbeeld meer aandacht gekregen, de aandacht gaat tegenwoordig veel uit naar de bestrijding van terrorisme. Het strafrecht verschilt dus per samenleving omdat het in zekere zin daarvan een uitdrukking is, er wordt wel eens beweerd dat je kunt bepalen hoe beschaaft een volk is aan de hand van hoe dat volk met haar gevangenen omgaat.

2. De geest van ons Wetboek van Strafrecht

Tot de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 gold in Nederland de Franse Code Pénal. In Nederland was echter een sterke behoefte aan eenheid in het strafrecht en men wilde graag afrekenen met de wrede sancties uit de Code Pénal. Het nieuwe wetboek werd voorbereid door de commissie-De Wal. Hierin hadden uitsluitend aanhangers van de Klassieke School van Cesare Beccaria (1738-1794) in het strafrecht zitting. Men streefde naar een grote soberheid en eenvoud. Het kende geen driedeling, maar een tweedeling van strafbare feiten. De vrijheidsstraf werd de belangrijkste straftoepassing (de prima donna). Het zou ten uitvoer gelegd worden in een cellulair stelsel. De zwaarte van de straf zou niet alleen zoveel mogelijk in overeenstemming met de zwaarte van het begane delict kunnen worden afgewogen, maar ook in beginsel voor alle veroordeelden hetzelfde zijn.

Er werd veel waarden gehecht aan het feit dat de rechter een grote vrijheid toekwam wat betreft de straftoemeting. Er is echter wel een minimum straf, en in sommige gevallen een maximum zoals bij moord (zwaarste straf is 30 jaar). Zelden worden delicten in het wetboek gedifferentieerd naar bijzondere motieven. Uitzonderingen hiervan zijn echter artikel 290 en 291 Sr (kinderdoodslag en moord door moeder die vreest voor ontdekking van bevalling van pasgeboren kind).

De rechter kreeg dus een belangrijke rol binnen dit nieuwe wetboek van strafrecht. Dit uitte zich in een grote vrijheid voor de rechter in de strafrechtstoemeting. Het wetboek kent bijvoorbeeld geen aparte bepaling voor de crime passionel; er is in geval van opzettelijke levensberoving altijd sprake van moord of doodslag, ook al kunnen bijzondere motieven wel degelijk een goede reden zijn tot strafvermindering. Ook zijn in het Algemeen Deel van het wetboek algemene leerstukken kort en krachtig geregeld, de uitwerking van bijvoorbeeld de strafbare poging en deelneming wordt aan de rechtspraak en de doctrine overgelaten.

Kernbegrippen van ons strafrecht zijn:

  • Daderschap

  • Wederrechtelijkheid

  • Schuld

  • Causaliteit

Alle kernbegrippen in het strafrecht zijn door de jurisprudentie ontwikkeld. Om de werking van een zo adequaat en consistent mogelijk strafrecht te realiseren baseren de wetgeving, de rechtspraak en de strafrechtspleging als geheel zich op de strafrechtsdogmatiek. Deze dogmatiek bestaat uit de principes en de grondslagen waarop de leerstukken en de strafbaarstellingen rusten. Naderhand was enkele kritiek op het wetboek geleverd, waardoor in 1911 een verandering plaatsvond. De zedenwetgeving werd ingrijpend aangevuld geheel tegen de toenmaals heersende libertaire cultuur in.

Nederland stond internationaal al vroeg bekend als een land met een relatief mild en humaan strafstelsel. De twee belangrijkste oorzaken waren de bemoeienis van de reclassering en het opportuniteitsbeginsel van het OM (het OM heeft de bevoegdheid om strafbare feiten te seponeren op gronden aan het algemeen belang ontleend). Met de komst van de Moderne Richting (rond 1900), waarin de bescherming van de samenleving een grote rol speelde, werd het Nederlandse strafrecht minder humaan. Door de opkomst van de Moderne Richting kwam er meer aandacht voor de persoon van de dader. Het Nederlandse strafrecht is een compromis geworden en gebleven tussen de Klassieke richting en de Moderne richting. Er is min of meer sprake van een verenigingstheorie in het Nederlandse strafrecht.

Het betekent dat de vergelding weliswaar de grondslag van de straf is en daarvan de proportionaliteit bepaalt, doch dat bijzondere en mede gedragskundig gekleurde doelen in concreto de binnen de grenzen van de vergelding op te leggen straf bepalen. Het Nederlandse strafrecht wordt gekenmerkt door terughoudendheid en het wordt gezien als het uiterste redmiddel (het ultimum remedium).

Het Wetboek van Strafrecht bestaat uit drie boeken:

  1. Het Algemene Deel: het commune strafrecht

  2. De misdrijven

  3. De overtredingen

In een aantal andere wetten zijn ook strafbepalingen neergelegd, zoals de Wegenverkeerswet, de Wet Economische Delicten en de Opiumwet. Al deze bepalingen zijn onderworpen aan de regels vermeld in de Algemene Bepalingen van het Algemene deel van het wetboek (op grond van art. 91 Sr). Als van deze regels wordt afgeweken vanwege het bijzondere karakter van een bepaald strafrechtelijk gebied wordt van bijzonder strafrecht gesproken. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het militaire strafrecht. Alles wat onder de werking valt van het Algemeen Deel van het wetboek wordt het commune strafrecht genoemd.

3. Wat houdt het ultimum-remedium karakter van het strafrecht in?

Het Nederlandse strafrecht wordt gekenmerkt door terughoudendheid. De rechter kan altijd afzien van het opleggen van een straf of maatregel. Ons strafrecht staat dan ook bekend als het ultimum remedium, ofwel het uiterste redmiddel. De terughoudendheid komt voort uit het besef dat het strafrecht een ingrijpend en pijnlijk karakter heeft voor de burger die het leed ondergaat als gevolg van een normoverschrijding. Immers, het strafrecht probeert de belangrijkste rechtsgoederen (zoals vrijheid) van haar burgers te beschermen door het ontnemen van die rechtsgoederen. Voordat men strafrechtelijk te werk gaat moet de overheid daarom goed nagaan of er ook andere wegen open staan, bijvoorbeeld de weg van het civiele recht, het bestuursrecht of het tuchtrecht.

In Nederland is het voornamelijk Hulsman geweest die zich heeft bezig gehouden met de voorwaarden voor strafbaarstelling. Hij was voorstander van decriminalisering en depenalisering: het zoveel mogelijk uit de sfeer van het strafrecht halen van gedragingen. Hij maakte onderscheid tussen absolute en relatieve criteria. Met absolute criteria doelde hij op criteria op grond waarvan strafbaarstelling achterwege moet blijven. Met relatieve criteria bedoelde hij negatieve indicaties voor strafbaarstelling. Een belangrijk verschil tussen strafrecht en andere rechtsgebieden is dat het strafrecht niet in de eerste plaats gericht is op het herstellen of ongedaan maken van de aangerichte schade. Voor schadevergoeding staan andere wegen open, zoals die van het civiele recht. Het strafrecht kan de schade echter wel op een indirectere wijze herstellen; als burgers zien dat degene die hun schade heeft aangedaan gestraft wordt, kan dat de onrust en vergeldingsbehoefte bij hun dempen.

Het strafrecht volgt per definitie na de feiten en kan slechts zeer beperkt aan het herstel daarvan bijdragen. Het wordt daarom ook wel als 'exorbitant' aangemerkt; het voegt in principe alleen leed toe bij de dader zonder verder leed weg te kunnen halen bij het slachtoffer.

4. Rechts- en wetdelicten: misdrijven en overtredingen

Het is niet zo dat een misdrijf primair wordt afgekeurd, omdat er een strafwet is waarin het wordt omschreven, maar het is omgekeerd. Doordat er een zo afkeurenswaardige gedraging is dat de wet deze niet onbestraft heeft kunnen laten. Het gaat hier dan om een rechtsdelict. Rechtsdelicten weerspiegelen de bescherming van onze meest essentiële rechtsgoederen: de integriteit van het leven en het lichaam, van zedelijkheid, van de eigendom van de persoonlijkheid zoals privacy etc. Wij spreken hier ook wel van 'klassieke misdrijven', omdat elke beschaafde samenleving deze misdrijven strafbaar heeft gesteld in hun strafwetgeving. Een rechtsdelict omvat anders gezegd de strafbaarstelling van een norm, welke iedere samenlevingsgenoot al in hun opvoeding heeft geleerd en die dus behoort tot de normen, die een eerste vereiste voor een fysiek en psychische leefbare maatschappij vormen.

Een wetsdelict duidt vooral de overtredingen aan, te weten de strafbaarstelling van de schending van de normen, die een veel oppervlakkig karakter hebben. Zij ondersteunen vooral de ordening in de samenleving, maar grijpen niet zo diep in in de gewetensfunctie van de mens als mens. Deze normen betreffen vooral de mens als deelnemer aan het verkeer in alle betekenissen.

In geval van rechtsdelicten verbindt men de straf dus aan de schending van een rechtsnorm, welke al als zodanig in de samenleving van kracht is en wellicht op andere rechtsterreinen handhaving vindt. De wetsdelicten stellen de schending van niet per definitie bekende normen strafbaar. Er is echter geen sprake van een strikt onderscheid. Van Bemmelen is bijvoorbeeld van mening dat alleen de zwaarte van het feit bepalend is voor de indeling in misdrijven en overtredingen.

Het onderscheid tussen rechts- en wetsdelicten valt meestal samen met het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen. Het verschil tussen misdrijven en overtredingen is dat er bij misdrijven altijd een bestanddeel instaat dat opzet of schuld uitdrukt, in de overtredingen ontbreekt dit vrijwel altijd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de gedraging, niet om de gedachte achter deze gedraging.

5. Het strafrecht en de materiële normen

De strafbepaling bestaat uit twee delen: de delictsomschrijving (welke de schending van een bepaalde materiële norm inhoudt) en de sanctienorm. Door sommige strafrechtwetenschappers wordt het strafrecht gezien als sanctierecht. Zij zien het eigene van het strafrecht als uitsluitend de sanctienorm. In hun optiek zijn de materiële normen die het strafrecht beschermd slechts herhalingen van reeds bestaande normen, waar het strafrecht vervolgens een sanctienorm aan verbindt.

In de rechtstheorie gaat men er over het algemeen vanuit dat het strafrecht publiekrecht is, onder andere omdat de aard van de strafsanctie publiekrechtelijk is (bijvoorbeeld omdat de geldboete wordt betaald aan de staat). Kelk is zelf van mening dat de diverse rechtsgebieden gemengd van aard zijn.

6. De door het strafrecht beschermde rechtsgoederen

Het strafrecht beoogt bescherming te bieden tegen de existentiële en morele aantasting van de privacy van de burgers. Het beoogt het geschonden rechtsgoed te beschermen. Het moet immers gaan om een wegnemen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De aard van het primair te beschermen goed is bepalend voor het type delict dat van toepassing is. De wet deelt de strafbare feiten in per Titel (bijvoorbeeld misdrijven tegen openbare orde, vermogen, vrijheid, etc.). Dit kan van doorslaggevende betekenis zijn bij de kwalificatie door de rechter van een bepaald gedrag in termen van een wettelijke strafbaar feit voor de al dan niet toepasselijkheid van het desbetreffende wetsartikel.

Van Bemmelen spreekt over de bij de mens van nature aanwezige eis dat het leven in stand gehouden moet worden, de eis van naastenliefde, de eis van de waarachtigheid en de eis der reinheid of kuisheid. Het bestaan hiervan is terug te vinden in veel delicten (denk aan moord, oplichting, aanranding et cetera).

7. Welke verschillende richtingen kent het strafrecht en hoe rechtvaardigen zij het strafrecht?

Binnen het strafrecht komen veel subjectieve opvattingen voor, voornamelijk wat betreft de rechtvaardiging van straffen. Antonius Matthaeus (1601-1654) was een grootheid binnen het strafrecht. Hij ging uit van een relatief zeer tolerante en humane vooruitstrevendheid. Ook Plato was in de Klassieke Oudheid van mening dat de straf niet zo zeer als vergelding moest tellen, maar dat het ter verbetering van de misdadiger diende. Weer anderen stellen dat de belangrijkste functie van het strafrecht de preventieve werking van de strafbedreiging is, of de afschrikkende werking en het onschadelijk maken van aangedaan leed.

Hugo De Groot, een natuurrechtsdenker, was van mening dat voor de rechtvaardiging van de straf aansluiting gezocht moest worden met de wil van de dader: deze wordt geacht de straf, als natuurlijk gevolg van zijn misdadige gedraging, eenvoudig te hebben gewild. De theorie van het 'Contrat Social' (maatschappelijk contract) van Rousseau is een verlengstuk van het natuurrechtsdenken van de Groot. Het maatschappelijke contract berust op het natuurlijke imaginaire beeld dat burgers met elkaar vrijwillig een overeenkomst hebben gesloten krachtens welke zij ten opzichte van elkaar plichten op zich hebben genomen, die de staat gerechtigd is te handhaven. Rousseau zag verder het Contrat Social als de rechtsgrond van de straf en ook Beccaria beschouwde dit als een fundament van het overheidsrecht tot straffen.

De absolute vergeldingstheorie

Voor het strafrecht van de laatste twee eeuwen is vooral het denken richting de vergeldingsgedachte van belang geweest. De vergelding vereist een gelijkheid tussen straf en misdaad, deze hoeven niet identiek te zijn maar dienen gelijk in waarde, in zwaarte te zijn. Kant en Hegel zijn voorstanders van de absolute vergelding. Het misdrijf vormt hierin de grondslag van de straf (quia peccatum); de straf vindt dus in het misdrijf zelf haar rechtvaardiging, geheel los van het effect (absoluta ab effectu). Het doel van de straf is in deze gedachte ondergeschikt.

In Nederland is Leo Polak een voorstander van de vergeldingsleer. Hij omschreef het als een trans-egoïstische belangenharmonisering, waarbij de straf wordt gezien als een middel dat door toevoeging van het leed (het 'prae'), dat de dader zichzelf door zijn daad wederrechtelijk heeft verschaft, weer ongedaan kan worden gemaakt en daarmee de in de rechtsorde aangebrachte deuk weer te vereffenen.

De Klassieke Richting

De Klassieke Richting, in het leven geroepen door Beccaria, ging uit van het vergeldingsbeginsel. Essentieel was de gedachte van het Contrat Social, het maatschappelijke contract, dat geacht werd door de burgers onderling te zijn gesloten als basis voor de uitoefening van overheidsmacht. Beccaria ging uit van het maximale geluk voor een maximaal aantal mensen. Dit kan bereikt worden door het voorkomen van criminaliteit en door behoorlijke wetgeving die mensen verzekert van een maximum welzijn. In zijn opinie bevat het strafrecht:

  • Uitsluitend geschreven wetboeken (om willekeur te voorkomen)

  • Geen onnodige strafbaarstellingen

  • Duidelijke en heldere formuleringen (ten behoeve van rechtszekerheid)

  • Gerechtvaardigde straffen (niet meer dan vergelding)

  • Proportionaliteit van straffen

  • Zekerheid van straffen

  • Geen preventief optreden, maar retrospectief reageren

De Klassieke Richting had in overheersende mate het karakter van een daadstrafrecht. Vandaag de dag komt nog een groot deel van de door de Klassieke Richting gestelde grondslagen voor in het strafrecht.

De relatieve of doeltheorieën

De relatieve of doeltheorieën zijn strafrechtstheorieën, volgens welke de rechtvaardiging van de straf is gelegen in het doel daarvan. In deze theorie wordt de rechtsgrond van de straf bepaald door het doel, terwijl bij de absolute theorie men uitgaat van het feit dat het doel door de rechtsgrond, de vergelding wordt bepaald.

De Moderne richting en de IKV

Aan het eind van de 19e eeuw kwam de Moderne richting op die de speciaal preventieve strafdoelen veel meer centraal ging stellen. Men was teleurgesteld over het falen het sanctiestelsel van de Klassieke richting. In 1891 werd daarom door Duitsland, Nederland en België de IKV (Internationale Kriminalistische Vereinigung) opgericht, die de Moderne richting leven inblies. De IKV had als doel om gezamelijk crimineel-politieke doeleinden na te streven. Hiervoor kreeg criminologie een grotere rol in de preventie naar misdaad. De focus werd aldus verlegd naar het verbeteren van de gestrafte, om zo te voorkomen dat hij nogmaals een misdaad zou begaan. Steeds meer wetenschappers gingen zich bezighouden met de strijd tegen de misdaad, er werd vooral gezocht naar invloeden in het individu en in het sociale milieu. In het Klassieke denken ging men nog uit van de vrije wil van de dader, in de Moderne richting ging men uit van buiten de vrije wil gelegen invloeden op de burger (zoals opvoeding, milieu en samenleving) die aanzetten tot normoverschrijding.

De Moderne richting heeft een sterke invloed gehad op het Nederlandse strafrecht, de bescherming van de samenleving tegen gevaarlijke daders was van steeds groter belang en is dat nu nog steeds.

De verenigingstheorie

In deze theorie, die een synthese is van de verschillende strafrechtstheorieën, wordt een scherp onderscheid gemaakt tussen de rechtsgrond en het doel van het strafrecht. De vergelding, in proportionele zin, vormt in deze gemengde gedachte de grondslag van de straf. Daarnaast is er plaats voor verschillende doeleinden, namelijk speciale preventie, generale preventie, inscherping van de norm, conflictoplossing en bescherming van de samenleving. Sinds de afloop van de Tweede Wereldoorlog domineert deze theorie in Nederland.

8. Het naoorlogse strafrecht: paternalistisch-humaan

Naast de vergeldingstheorie werd het Nederlandse strafrecht na de Tweede Wereldoorlog ook gekenmerkt door een paternalistisch-humaan karakter. Hierin valt te onderscheiden: het rationele humanisme (geassocieerd met Vrij), het ethisch humanisme (verdedigd door Pompe) en het pragmatisch humanisme (voorgestaan door Van Bemmelen). Het strafrecht raakte meer down to earth; er was meer aandacht voor de maatschappelijke doelgerichtheid. Deze ontwikkeling staat bekend als de functionalisering of instrumentalisering van het strafrecht. Er hebben zich in die tijd twee scholen gevormd: de Utrechtse school met Pompe als voorman en de school van Vrij.

De Utrechtse school

De Utrechtse school kenmerkt zich door een intensieve samenwerking tussen strafrechtwetenschap, criminologie, penologie (de leer van de straf), de sociologie, de forensische psychiatrie en de psychologie. Pompe maakt een onderscheid tussen het wezen van de straf (de vergelding van de schuld) en het doel van de straf als instituut van het recht (de behartiging van het algemene welzijn) en de werking van de straf (speciale en generale preventie). De generale preventieve werking ontstaat door het leedtoevoegende karakter van de straf. De speciale preventieve werking kan op drie manieren plaatsvinden:

  1. Door afschrikking van de dader

  2. Door verbetering van de dader

  3. Door onschadelijk maken van de dader.

Pompe gaat uit van de overtuiging dat het wezen van de straf, de vergelding van schuld is. De straf heeft ook een feitelijke werking, namelijk zij werkt al dan niet afschrikkend op de rechtsgenoten in het algemeen en op de dader in het bijzonder. De generale preventieve werking volgt uit de eigenschap van de straf, dat zij leedtoevoeging is. Doordat de verantwoordelijkheid van de mens en het goedmaken van de daad aan de vergelding ten grondslag liggen meent Pompe de kern van het strafrecht te raken. Over het algemeen wordt gesteld dat de Utrechtse school heeft bijgedragen aan de vermildering en humanisering van het strafrecht. Wel kreeg men diverse kritiekpunten toegeworpen vanuit de rechterlijke macht, het OM en de advocatuur. Verder is het belangrijk binnen de Utrechtse school dat de dader als medemens moet worden gezien. Diegene moet dan ook menselijk en respectvol worden behandeld. Op deze manier heeft de Utrechtse school dan ook bijgedragen aan het milder worden van het Nederlandse strafrecht.

De School van M.P. Vrij

In de school van M.P. Vrij speelde functionalisme een grote rol. Deze school past veel meer dan de school van Pompe in het idee van functionalisme van Remmelink. Vrij stelt dat het begrip 'subsocialiteit' centraal staat in het strafrecht. Naast schuld en wederrechtelijkheid is de subsocialiteit volgens Vrij de derde belangrijke factor van het strafbare feit. De dader moet voor het onrecht wat hij heeft begaan zich verantwoorden en de schuld op zich nemen. Maar hiernaast veroorzaakt de dader met zijn daad een verandering in de maatschappelijke gesteldheid, de zogenaamde 'subsociale gevolgen' van de daad. Een strafbaar feit brengt volgens Vrij een viertal subsociale gevolgen teweeg, te weten herhalingsgedrag van de dader, onvoldaanheid van het slachtoffer, neigingen tot navolging van derden en ontdaanheid van vierden. Vrij beschouwde de subsocialiteit als een grondslag voor de maatregel wanneer een straf niet mogelijk is, maar ingrijpen maatschappelijk gezien zeer gewenst geacht wordt.

Vanuit crimineel-politiek oogpunt is Vrij’s gedachtegang heel belangrijk geweest, maar hij ontving ook veel kritiek. Toch heeft hij de misdaad in een sociaal-psychologische context weten te plaatsen en impliceert zijn theorie een overgang van materieel naar formeel recht.

9. De juridiseringsrichting en de welzijnsrichting (1970-1980)

Sinds de jaren tachtig zijn er grote maatschappelijke ontwikkelingen ontstaan. De samenleving is steeds grootschaliger geworden door bureaucratisering en door automatisering waardoor een enorme verzakelijking ontstond. Hierdoor is pragmatisch en economisch denken erg gaan overheersen. Door dit alles kwam binnen het strafrecht het accent weer meer op vergelding te liggen (neo-vergelding). Door de verzakelijking was het mogelijk om twee hoofdstraffen op te leggen (gevangenisstraf en geldboete), maar ook ontstonden er cellentekorten door langere gevangenisstraffen.

Een van de meest recente ontwikkelingen is het tot stand komen van het bestuursstrafrecht. Dit is een tussenvorm tussen het bestuursrecht en het strafrecht. Het gaat hierbij om de mogelijkheid van het bestuur om bepaalde sancties op te leggen. Het gaat dan nooit om vrijheidsbenemende sancties.

De juridiseringsrichting

De juridiseringrichting kent veel gewicht toe aan de wijze waarop van nature eenmaal bestaande wraak- en vergeldingsgevoelens van mensen onder elkaar vorm wordt gegeven en wel in regulerende zin, overeenkomstig de strekking van de in het klassieke strafrecht gewortelde rechtsbeginselen. Deze staan 'orthogonaal' op de ordeningsfunctie van het recht; de ordeningsfunctie ('policing society') blijft de belangrijkste functie van het strafrecht, maar het werkelijke rechtskarakter van het strafrecht is controle op die ordening ('policing the police'). Een ander uitgangspunt is dat in het strafproces door het recht zelf de noodzaak van bescherming van de enkeling, het individu, wordt erkend en daarmee de legitimiteit van zijn belangentegenstelling en van zijn geschilpunten in interpretaties van feiten en recht met de staat. Om dit te laten lukken is de handhaving van contradictoire structuur in het strafproces vereist. Er moet voor gezorgd worden dat partijen hun belangen daadwerkelijk en onafhankelijk aan de orde kunnen stellen.

De welzijnsrichting

De welzijnsrichting richtte zich op de reductie van het strafrecht vanuit een kritische visie op het veelal irrationele en discriminatoire karakter van het strafrecht in het licht van de sociale verhoudingen waarvan het een uitdrukking vormt. Een ondoelmatig gebruik van het strafrecht (hier wordt bedoeld: als het niet daadwerkelijk bijdraagt aan het oplossen van conflicten of aan het beïnvloeden van het gedrag van mensen), werd in deze richting afgewezen. Men streefde naar decriminalisering en deponalisering.

10. Welke nieuwe ontwikkelingen kent het strafrecht?

Het slachtoffer in het strafrecht

De rol van het slachtoffer in het strafproces is van oudsher erg klein. Met de gedachte in het achterhoofd, dat eigenrichting voorkomen moet worden aangezien de kans op escalatie in dat geval groot is, treedt de overheid op in de plaats van het slachtoffer bij het strafproces; het slachtoffer doet aangifte, legt een getuigenis af en dergelijke, maar voor de rest heeft hij niets over het proces te vertellen. De afgelopen decennia is er echter wel veel verbeterd rond de situatie van slachtoffers. Zo zijn er tal van instellingen en fondsen opgericht om slachtoffers van misdrijven te helpen en steunen: De Landelijke Organisatie Slachtofferhulp, de Vereniging Slachtofferhulp Nederland, het Fonds voor Slachtofferhulp en dergelijke.

Maar daarnaast is ook de focus van het delict verlegd van schending van de rechtsorde naar schending van de rechten van het slachtoffer, waarbij vooral de volgende drie behoeften van het slachtoffer voorop worden gesteld: De emotionele wens om serieus te worden genomen en om met respect te worden bejegend, de behoefte aan informatie over de ontwikkelingen in de hen betreffende strafzaken en, in geval van schade, de behoefte aan schadevergoeding, bij voorkeur door de dader betaald. Deze behoeften zijn vastgelegd in Titel III A in boek I van het Wetboek van Strafvordering (zie bijvoorbeeld art. 51a en 51b Sv over de kennisneming van processtukken en het op de hoogte gehouden worden door de OvJ, art. 51f Sv over de mogelijkheid voor het slachtoffer om zich als 'benadeelde partij' te laten aanmerken, waardoor een schadevergoeding via de strafrechter geregeld kan worden, en art. 302 Sv over het recht voor slachtoffers of diens nabestaanden om een mondelinge verklaring af te leggen op de zitting over de gevolgen die de misdaad voor hen teweeg gebracht hebben.

De verzakelijking en de neo-vergelding

De samenleving is zich gaan kenmerken door een groeiende organisatiegraad, door een toenemende grootschaligheid, door bureaucratisering en door automatisering. Er is dus een verzakelijking van de maatschappij gaande. Het accent in het strafrecht kwam daardoor weer meer op de vergelding te liggen, men spreekt dan ook van neo-vergelding. In 1983 kwam nieuwe wetgeving tot stand met betrekking tot sancties waarbij geldboete-categorieën werden geïntroduceerd. Cumulatie van hoofdstraffen werd verder niet meer strafbaar gesteld. Ook de tenuitvoerlegging van de straf verzakelijkte, de overheid kreeg bijvoorbeeld de reclassering steeds meer in haar greep door krappe budgettering. Intussen is de criminaliteit ook alsmaar toegenomen, dit heeft gezorgd voor diverse aanpassingen van strafbepalingen. Bijvoorbeeld de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen en bepalingen op het gebied van cybercriminaliteit en terroristische misdrijven.

Het bestuursstrafrecht

Het bestuursstrafrecht kan gezien worden als een tussenvorm tussen het strafrecht en het administratieve recht. Het bestuursstrafrecht is om effenciency-redenen ingevoerd; het verplaatsen van het opleggen van punitieve sancties bij sommige wetten haalt een last van de schouders van het gerechtelijk systeem. Er zijn al enige wetten die de bestuurlijke boete kennen, deze wordt niet via de rechter afgedaan. Wel is er rechterlijke controle achteraf indien men beklag doet tegen een bestuurlijke boete. De eisen van art. 6 EVRM zijn ook op bestuurlijke boetes van toepassing.

Europees strafrecht

In toenemende mate hebben Europese verdragen en regelingen invloed op het Nederlandse materiële strafrecht. Een voorbeeld hiervan is de invoering van art. 248e Sr naar aanleiding van het Verdrag van Lanzarote. De invloed van Europese verdragen en regelingen op het nationale strafrecht wordt 'harmonisatie' genoemd. Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen harmonisatie van materieel strafrecht en formeel strafrecht. Materiële harmonisatie houdt in dat het recht van een lidstaat wordt afgestemd op Europese normen. Formele harmonisatie houdt de harmonisatie in met betrekking tot politiële en justitiële samenwerking in strafzaken.

Voor toegang tot deze pagina kan je inloggen

 

Aansluiten en inloggen

Sluit je aan en word JoHo donateur (vanaf 5 euro per jaar)

 

    Aansluiten en online toegang tot alle webpagina's 

Sluit je aan word JoHo abonnee

 

Als donateur een JoHo abonnement toevoegen

Upgraden met JoHo abonnement (+ 10 euro per jaar)

 

Inloggen

Inloggen als donateur of abonnee

 

Hoe werkt het

Om online toegang te krijgen kun je JoHo donateur worden  en een abonnement afsluiten

Vervolgens ontvang je de link naar je online account en heb je online toegang

Lees hieronder meer over JoHo donateur en abonnee worden

Ben je al JoHo donateur? maar heb je geen toegang? Check hier  

Korte advieswijzer voor de mogelijkheden om je aan te sluiten bij JoHo

JoHo donateur

  • €5,- voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey Tours wil steunen - voor wie korting op zijn JoHo abonnement wil - voor wie van de basiskortingen in de JoHo support centers gebruik wil maken of wie op zoek is naar de organisatie achter een vacature - voor wie toegang wil tot de op JoHo WorldSupporter gedeelde samenvattingen en studiehulp

JoHo abonnees

  • €20,- Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp - Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers - Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland - Voor wie gebruik wil maken van de emigratie- en expatservice

JoHo donateur met doorlopende reisverzekering

  • Sluit je via JoHo een jaarlijks doorlopende verzekering af dan kan je gedurende de looptijd van je verzekering gebruik maken van de voordelen van het JoHo abonnement: hoge kortingen + volledig online toegang + alle extra services. Lees meer

Abonnementen-advieswijzers voor JoHo services:

Abonnementen-advieswijzers voor JoHo services

  • Check hier de advieswijzers voor samenvattingen en stages - vacatures en sollicitaties - reizen en backpacken - vrijwilligerswerk en duurzaamheid - emigratie en lang verblijf in het buitenland - samenwerken met JoHo

Steun JoHo en steun jezelf

 

Sluit je ook aan bij JoHo!

 

 Steun JoHo door donateur te worden

en steun jezelf door ook een abonnement af te sluiten

 

Crossroads

 Crossroads

  • Crossroads lead you through the JoHo web of knowledge, inspiration & association
  • Use the crossroads to follow a connected direction

 

Footprint toevoegen
 
   
Hoe werkt een JoHo Chapter?

 JoHo chapters

Eigen aantekeningen maken?

Zichtbaar voor jezelf en bewaren zolang jij wil

Flexibele parttime bijbanen bij JoHo

    Memberservice: Make personal notes

    Ben je JoHo abonnee dan kun je je eigen notities maken, die vervolgens in het notitieveld  worden getoond. Deze notities zijn en blijven alleen zichtbaar voor jouzelf. Je kunt dus aantekeningen maken of bijvoorbeeld je eigen antwoorden geven op vragen