Topic

1 - Start
 

1 - Starten

  • Wat: Je keuzezeproces starten
  • Hoe: Keuzebesef, het besef dat je een beslissing moet gaan maken
  • Content: Titel, Uitleg, Footprints, Crossroads
    Footprints

     Footprints

    • Leave footprints on the site by adding pages to your own bundles or use the comment options
    • Check the JoHo tips and advice chapters
     
    Inloggen?

    Ben je  ingelogd als JoHo donateur dan krijg je op deze pagina toegang tot meer gerelateerde informatie.

    Ben je ingelogd als abonnee dan zie je alle gerelateerde informatie.

    Log in als je nog niet ben ingelogd.

    Topic pagina?

    Topics

    Hoe werkt het op een JoHo Topic pagina?

    • Deze pagina is opgezet aan de hand van de 10 JoHo tools.
    • De 10 JoHo tools kan je inzetten bij de belangrijke en minder belangrijke keuzes rond het onderwerp van deze pagina.
    • De 10 tools vind je in toenemende mate terug over de hele JoHo website.
    • Nog niet elke tool zal al volledig zijn gevuld, andere tools zullen nog veel in beweging zijn en een deel van de tools is exclusief beschikbaar voor donateurs en abonnees.
    • Binnen de tools vind je de content terug in verschillende vormen zoals Bundels (linkenblokken) en Chapters (Tekstblokken).

    De tools

    1. Start: kader & inhoud
    2. Orienteren: oriënteren & verkenning
    3. Kiezen: verzamelen info & keuzehulp
    4. Vergelijken: vergelijken & alternatieven
    5. Verbeteren: verbeteren & competenties -> bijvoorbeeld: wat kan je doen om te slagen?
    6. Voorbereiden: voorbereiden & oefeningen -> bijvoorbeeld: wat kan je doen om te oefenen of je voor te bereiden?
    7. Ervaren: vastleggen &  lessen -> bijvoorbeeld: wat leer je en heb je geleerd?
    8. Inzetten: vooruithelpen & hulp -> bijvoorbeeld: hoe kan je jezelf nuttig maken?
    9. Aanschaffen: voordeel hebben & kortingen -> bijvoorbeeld: wat zijn de JoHo voordelen?
    10. Ontdekken: volgende activiteit  -> bijvoorbeeld: naar welke volgende JoHo producten. pagina's & activiteiten kan je gaan?
    JoHo website?
    JoHo website

    Hoe werkt de JoHo website?

    • De inhoud van de JoHo website staat op zodanige wijze met elkaar in verbinding dat je je eigen 'reis' kunt maken op weg naar jouw informatiebestemming. 
    • De komende jaren zal je van handvatten worden voorzien die jou in staat stellen om jouw routes te zoeken op weg naar jouw bestemmingen.
    • Of je nu op zoek bent naar een studie, artikel, vakantie, nieuwe baan of een ander leven.
    • Door kennis te delen en keuzehulp te bieden, hoopt JoHo een bijdrage te leveren aan jouw ontwikkeling en de ontwikkeling van degenen die jij nog gaat ontmoeten.

    Hoe werkt het nu in de praktijk?

    Op de JoHo website kom je de content (inhoud) in verschillende vormen tegen. De belangrijkste vormen vind je hieronder uitgelegd.

     

    Navigatiepagina's

      -  Topic: Op een Topic (verzamel) pagina vind je keuzehulp en advies over een specifiek onderwerp. Je kunt aan de hand van de tien JoHo tools op zoek gaan naar antwoorden op de basisvragen die rond dat onderwerp kunnen spelen.

    - Destination: Op een regio- of landenpagina's vind je reisinformatie en werkinformatie over een land, of een regio. Je vindt daar ook de JoHo services en producten die betrekking hebben op dat specifieke land, zoals de vacatures, het vrijwilligerswerk, de stages, de partners die JoHo donateurs voordeel geven, de reisgidsen en de verzekeringen.

    - Person: Op je My JoHo account pagina vind je o.a. de informatie over jouw verzekeringen, je donateurschap en de door jou verzamelde links.

      Organization: Op een organisatiepagina vind je profielen van organisaties met o.a. vacatures, het duurzame of faire karakter, de services, de activiteiten in het buitenland en contactgegevens.

     

    Navigatietools

    - Bundel: Verzamelingen (links) van pagina's rond een specifieke vraag of onderwerp.

    - Crossroad: Crossroads geven de belangrijkste hoofd- en zijwegen weer op het JoHo web vanaf de lokatie waar je je op dat moment bevindt.

    - Footprint: Via de 'Add to my pages' kan je pagina's toevoegen aan je eigen verzamelingen en checklists. Deze bundels met jouw bewaarde pagina's kun je vervolgens onderaan vrijwel elke pagina terugvinden als je bent ingelogd als JoHo donateur of abonnee.

    - Menu: Naast de basislinks die je onder de header kunt vinden, kan je gebruikmaken van de deelmenu's die op de meeste pagina's zijn geplaatst.

     -  Search: Zoekvelden waarmee je binnen één of meerdere paginasoorten kunt zoeken.

     

    Services & Producten

      - Shop: Shops zijn de pagina's van de vier 'webwinkels' waar je Reisartikelen, Verzekeringen, Vacatures of Studiesamenvattingen kunt vinden of bestellen.

    - Display: Pagina's voor het direct bestellen van bijvoorbeeld artikelen of  samenvattingen.

    - Job & Activity: Uitgelichte vacatures en diensten van JoHo partners, organisaties die JoHo donateurs voordeel geven en organisaties die passen bij de doelstellingen van JoHo donateurs en abonnees.

    - Chapter: Tekstblokken en hoofdstukken rond een specifieke vraag of een deelonderwerp.

     - Keuzehulp & Advieswijzer: Respectievelijk meer objectieve en meer subjectieve hulp bij je keuzes voor studie, werk, reis of toekomstplannen.

    - Service: Entree- & informatiepagina's die je inzicht geven in de producten en services binnen de World of JoHo en pagina's die je daar gebruik van laten maken.

     

    Lees meer over deze en de andere JoHo websites op de pagina over zoeken & websites.

    Crossroads

     Crossroads

    • Crossroads lead you through the JoHo web of knowledge, inspiration & association
    • Use the crossroads to follow a connected direction

     

    Nieuws

     Nieuws

        

    2 - Oriëntatie

    2 - Verkennen & Oriënteren

    • Wat: Je inlezen in je onderwerp, vraag of proces
    • Hoe: Keuze-acceptatie, de acceptatie van de onzekerheid dat je nog niet kunt kiezen
    • Content: Kennis, Definities, Betekenis van het onderwerp, gegevens, feitelijke kennis, omgevingsinformatie
    Tips & Advies
     
      JoHo Tips (Tickets) bestaan uit korte bullets met tips en adviezen die je helpen bij activiteiten als leren, studeren, lezen en begrijpen
     
      JoHo TentamenTickets bestaan uit korte bullets met vakgerichte tentamentips en voorbeeldvragen, zodat je weet wat en hoe je moet gaan leren en studeren.
     

    Definities & Omschrijvingen

    • Het beoordelen van gedragingen van kinderen gebeurt meestal tegen de achtergrond van wat de norm is en past bij een bepaalde ontwikkelings- of levensfase. Kennis van de normale ontwikkeling van het kind is dus niet alleen van belang voor een beter begrip van het normale functioneren, het werpt ook een inzicht in het ontstaan, het beloop en de preventie en de behandeling van abnormaal functioneren, zowel lichamelijk als psychisch. Kindergeneeskunde
    Aansluiten bij JoHo

    Sluit je aan bij JoHo, help jezelf en steun een ander!

     

         

    3 - Selectie

    3 - Verzamelen & Selecteren

    • Wat: Selecteren van de basisinformatie om je keuzes te  kunnen maken
    • Hoe: Keuzestress, het inzicht in de verschillende keuzes
    • Content: Belangrijke vragen en antwoorden, productoverzichten, advieswijzer

     

    Verzamelen & Selecteren

     

     

    Selectiehulp

    Uitgelichte samenvattingen rond kindergeneeskunde

     

    Kernboek & Kernmedicatie

    Kindergeneeskunde van Heymans e.a. - Boek &  JoHo's

    • Een compact boek, overzichtelijk en up to date, waarin de kennis gebaseerd op het raamplan kindergeneeskunde goed geïllustreerd staat weergegeven. Met als aanvulling een online omgeving, naast de tekst uit het boek, met beeld- en geluidsfragmenten die een onmisbare toelichting geven op de gedrukte tekst.

    Illustrated Textbook of Paediatrics van Lissauer - Boek & JoHo's

    • Dit boek behandelt diverse onderwerpen binnen de kindergeneeskunde, met diagrammen en illustraties die helpen om de verschillende procedures en ziektebeelden te visualiseren.

    Kindergeneeskunde - Geneeskunde - Kernmedicatielijst

    Relevante Notes

    Kindergeneeskunde - Geneeskunde - Bundel

    • Bundel met diverse samenvattingen op het gebied van groei en ontwikkeling, vroege levensfasen, kindergeneeskunde

    Abonneechapter met BulletPoints bij de UVT - Deel: Kindergeneeskunde

    Notes bij Kindergeneeskunde - UU

    Vraagstukken Voortplanting en Vroege Levensfasen - UL

    Voortplanting en Ontwikkeling: Samenvatting - UvA

    Richtlijnen & Kernmedicatie

    Inleiding in anatomie

    Clinically Oriented Anatomy van Moore e.a. - Boek & JoHo's

    • Dit anatomiehandboek is bekend om zijn uitgebreide dekking van anatomie.
    • De stof wordt behandeld in relatie tot de praktische bruikbaarheid in de geneeskunde, tandheelkunde en fysiotherapie.

    Inleiding in embryologie

    Larsen's Human Embryology van Schoenwolf e.a. - Boek & JoHo's

    • Dit boek legt de ontwikkeling van een embryo uit, ingedeeld per week.

    The Developing Human. Clinically Oriented Embryology van Moore e.a. - Boek & JoHo's

    • Dit boek geeft o.a. de laatste ontwikkelingen in embryologie weer, inclusief normale en abnormale embryogenese, oorzaken van geboorteafwijkingen, en de rol van genen bij menselijke ontwikkeling.

    Inleiding in fysiologie

    Medical Physiology: A Cellular And Molecular Approach van Boron, Boulpaep - Boek & JoHo's

    • Uitgebreid handboek dat de vele verschillende onderdelen van fysiologie behandelt.

    Medische Fysiologie van Bouman, Bernards & Boddeke - Boek & JoHo's

    • Toegankelijk basisboek over de beginselen van fysiologie, dit boek is minder uitgebreid dan Medical Physiology van Boulpaep maar makkelijker te begrijpen.

    Leerboek orthopedie van Verhaar, Mourik - Boek & JoHo's

    • Dit boek is bedoeld als bron van basiskennis over de diagnostiek en behandeling, operatief en niet-operatief, van de meest voorkomende van aandoeningen en letsels van het bewegingsstelsel

    Inleiding in pathologie

    Robbins Basic Pathology van Kumar, Abbas & Aster - Boek & JoHo's

    • Dit boek behandelt de basis van de pathologie en celschade in lichaamsonderdelen.

    Inleiding in geneeskunde

    Clinical Medicine van Kumar & Clark - Boek & JoHo's

    • Handboek over de verschillende onderdelen van het lichaam waar ziekten kunnen ontstaan, wat voor ziekten het meest voorkomen en hoe ziekten worden behandeld.

    Aanverwante kennis & studiegebieden

     

     

    Uitgelicht

      FAQ JoHo Samenvattingen & Studiehulp

      Aansluiten bij JoHo?

      Word JoHo abonnee!

      om samenvattingen online te gebruiken 
      & met korting in de webshop bestellen

         

      4 - Vergelijking

      4 - Vergelijken & Afwegen

      • Wat: Je keuzeproces starten
      • Hoe: Keuzevergelijking, alternatieven afwegen
      • Content: Vergelijkbare en alternatieve onderwerpen, Aanverwante producten en services
      • Relaties: Gerelateerde paginabundels
      Gerelateerde Bundels
      Crossroad: Partner

       

      De Nationale Carrièrebeurs

      Bezoek gratis de Nationale Carrièrebeurs

        

      5 - Skills

      5 - Vaardigheden verbeteren & Talent ontwikkelen

      • Wat : Vaardigheden in huis halen
      • Hoe: Keuzeskills , verbeteren van je vaardigheden om je keuzes te maken
      • Content: Benodigde competenties -> bijvoorbeeld: wat kan je doen om te slagen?

        

      6 - Voorbereiding

      6 - Voorbereiden & Checken

      • Wat: Voorbereidingen treffen om je keuze te maken en ze op te volgen
      • Hoe: Keuzevoorbereiding, maatregelen treffen, checklists afwerken
      • Content: Wat moet je doen om je goed voorbereiden voor je keuze of actie? Wat kan je doen om te oefenen of je beter voor te bereiden? Waar moet je aan denken?
      Voorbereiding, Oefening & Checklists

      Abonneechapter met online tentamenvragen bij UVT - Deel: Kindergeneeskunde

      Vraag 1

      U bent kinderarts in een groot niet academisch ziekenhuis en tijdens een weekenddienst wordt er door de obstetricus gebeld of u meteen naar de verloskamer wilt komen, omdat er een jongetje geboren is via een spontane partus na een zwangerschap van 31 weken. De moeder heeft zich tijdens de zwangerschap vaak aan de prenatale controle onttrokken. Ze leidt een zeer onregelmatig leven en rookt 25 sigaretten per dag. De vliezen zijn vlak voor de partus gebroken. De bevalling verloopt vlot zonder complicaties. De apgar score na 5 minuten bedraagt 3. Het geboorte gewicht bedraagt 870 gram. U vermoedt dat het vele roken oorzaak is van het lage geboortegewicht voor de zwangerschapsduur.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Hoe leidt veel roken tot foetale groeivertraging?

      1. Placenta insufficiëntie en daardoor intra-uteriene ondervoeding.

      2. Er zijn meerdere therapeutische- en/of voorzorgsmaatregelen bij het kind die onmiddellijk genomen moeten worden. Noem er vier.

      2.

      • Zorgen voor een vrije ademweg (zo nodig intuberen)
      • zorgen voor goede respiratie (extra zuurstof, zo nodig beademen)
      • Circulatie op gang brengen / houden (hartmassage, adrenaline)
      • de toevoer van glucose veilig stellen (hypoglycemie voorkomen)
      • afkoeling voorkomen

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Hypoxia kan leiden tot een toestand van metabole acidose.

      1. Welk mitochondriaal proces wordt direct geremd door het tekort aan zuurstof?

      1. Oxidatieve fosforylering (de ademhalingsketen, vorming van ATP uit ADP, fosfaat en chemische energie)

      2. Welke metaboliet wordt nu afgegeven aan het bloed door cellen waarin dit proces geremd is?

      2. Melkzuur (lactaat)

      3. Erytrocyten maken voor hun energievoorziening geen gebruik van zuurstof. Welk proces levert in deze cellen de benodigde energie?

      3. Glycolyse (de omzetting van glucose in pyruvaat, dat als lactaat wordt uitgescheiden)

      Vraag 2

      U bent huisarts en ziet Bas, een peuter van 16 maanden oud, en zijn moeder. Hij was kerngezond tot de leeftijd van 9 maanden. Moeder klaagt dat Bas sinds een maand of vier niet meer goed in gewicht aankomt, terwijl hij wel goed eet. Hij heeft vier tot zesmaal per dag dunne ontlasting, maar braakt niet. Verder vindt moeder hem hangerig en humeurig.Bij lichamelijk onderzoek ziet u een dystroof kind met een opvallend bolle buik. Het gewicht van 9,5 kg is beneden het gewicht op het consultatiebureau bij 12 maanden.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Noem de 2 meest waarschijnlijke diagnoses.

      1. Coeliakie-parasitaire infectie en/of Giardia Lamblia infectie

      2. Noem voor elk de gangbare behandeling.

      2. Glutenvrij dieet (bij keuze voor coeliakie)-Antibiotica (Flagyl of tinidazol) (bij keuze voor Giardia infestatie)

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Hoe wordt water vanuit het intestinaal lumen naar de circulatie getransporteerd?

      1. Het transport verloopt passief ten gevolge van een lokale osmotische gradient.

      2. Welk enzym speelt daarbij een cruciale rol?

      2. Na-K ATPase

      Vraag 3

      Op uw huisartsspreekuur komt een moeder met haar zoontje Jan van 5 jaar. Jan is vannacht een paar keer huilend wakker geworden. Hij heeft geen koorts, maar wel al enige tijd een vieze snotneus. Moeder meldt dat hij de laatste weken slechter eet en drinkt. Ook denkt ze dat Jan slecht hoort. Op school had de juffrouw hierover ook al een opmerking gemaakt. Moeder wil graag dat Jan naar de specialist verwezen wordt. Jan heeft een uitgebreide voorgeschiedenis met recidiverende bovenste luchtweginfecties en maakte al 5x in zijn leven een acute middenoorontsteking door, de laatste keer 11 maanden geleden. Toen hij 3 jaar oud was werden bij hem trommelvliesbuisjes geplaatst. Bij onderzoek ziet u een niet zieke, huilende jongen. Rechts is een dof trommelvlies en links een geretraheerd trommelvlies met vaatinjectie rond de hamersteel te zien. Keel: forse crypteuze tonsillen zonder beslag. In de voorste halsgroeve zijn meerdere vergrote lymfklieren palpabel. Bij navraag blijkt dat moeder graag wil dat Jan naar de specialist verwezen wordt.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Chronische adenoïditis

      2. Er zijn argumenten voor en tegen verwijzen. a. welke therapie zou bij verwijzing voorgesteld moeten worden? b. welk beleid is aangewezen als niet verwezen wordt?

      2.

      [a] Adenoïdectomie, tonsillectomie of TV-buisjes

      [b] symptomatisch (analgeticum en xylomethazoline neusdruppels).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      De lymfeklieren in de voorste halsgroeve zijn bij Jan vergroot.

      1. Hoe komt dat en welke cellen speelt hierbij een belangrijke rol? Geef de specifieke celtype aan.

      1. Massale proliferatie van B-lymfocyten in de drainerende lymfeklieren

      2. Wat is de oorzaak?

      2. Verhoogd antigentransport (mbv dendritische cellen) vanuit het ontstekingsgebied

      3. Verklaar op welke weg het impuls/ de informatie tot vergroting bij de lymfeklieren terecht komt.

      3. (Mbv dendritische cellen) via lymfevaten

      Vraag 4

      U bent huisarts en wordt voor een spoedvisite geroepen bij de 18-maanden oude Jeremy. Hij was kerngezond tot gisteren. Hij spuugt sinds 1 dag elke voeding uit en heeft elk uur waterdunne diarree. Het is onduidelijk of hij nog geplast heeft. Andere kinderen op de crèche zijn ook ziek met spugen en diarree. U houdt er rekening mee dat u een ernstig gedehydreerd kind zult aantreffen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Noem zes symptomen waarop u zult letten om dehydratie van meer dan 10% vast te stellen.

      1.

      • Algemene indruk: somnolentie
      • Turgor: verminderd
      • Ogen: diepliggend
      • Tranen: afwezig
      • Slijmvliezen: erg droog
      • Pols: snel en zwak
      • Capillary refill: > 3 sec
      • Ademhaling: diep en snel

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Orale Rehydration Solution (ORS) bevat naast electrolyten ook glucose.

      1. Waarom?

      1. De glucose is toegevoegd om de absorptie van natrium- en chloride-ionen te bevorderen.

      Vraag 5

      Een jongetje van 6 jaar bezoekt samen met zijn moeder de huisarts. Er ontstaan sinds een week rond neus en mond kleine blaasjes met een rode hof die later indrogen tot honinggele korsten. Hij heeft hier verder geen klachten van en zijn moeder vertelt dat zijn vriendje dezelfde gele korsten heeft.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Impetigo vulgaris / krentenbaard.

      2. Wat is de meest voor de handliggende therapie?

      2. Lokale behandeling met antibiotische zalf (bv. Fusidinezuur) of zwavelhoudende zalven.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      DE BIOMEDISCHE VRAAG IS VERVALLEN

      De cellen in de epidermis vormen, dankzij hun goed ontwikkelde cytoskelet en door de junctions waarmee zij aan elkaar vastzitten, met elkaar een zeer stevig meerlagig celverband.

      1. Welke soort cytoskeletfilament en welk type junction bewerkstelligen samen deze stevigheid?

      1. Intermediaire filamenten (keratinefilamenten) en desmosomen.

      Vraag 6

      Als poortarts in een algemeen ziekenhuis ziet u de 10- weken oude ex-prematuur Osman, wegens ontroostbaar huilen. Hij heeft dit al enkele malen eerder gehad, maar dan ging het steeds binnen een uur over. Vandaag is hij al 3 uur aan het krijsen. Bij lichamelijk onderzoek valt een pijnlijk gespannen zwelling in de linker lies op. Als u met een lampje door de zwelling schijnt is deze niet diafaan/translucent. Voorzichtig masserend lukt het U de zwelling te doen verdwijnen. Osman wil kort daarna weer drinken en valt tevreden in slaap.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat sloot u uit toen de zwelling niet diafaan/translucent bleek?

      1. Hydrocèle.

      2. Wat is uw waarschijnlijkheidsdiagnose?

      2. Liesbreuk.

      3. Welke complicatie kunt u voorkomen door de afwijking op zeer korte termijn te laten opereren?

      3. Beklemde/geïncarcereerde liesbreuk of darmnecrose/strangulatie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke niet geoblitereerde peritoneale structuur kan een rol spelen bij het ontstaan van een zwelling in de liesregio ?

      1. Processus vaginalis.

      2. Waar bevindt zich in het onder vraag (1) bedoelde geval de breukpoort ?

      2. Anulus inguinalis profundus (internus).

      Vraag 7

      Als arts-assistent kindergeneeskunde ziet u een meisje van 7 jaar op uw spreekuur. De ouders komen met de klacht dat hun dochter steeds meer lijkt te vergeten en dat zij in groep 3 van de basisschool niet mee kan komen. Zij was altijd een vlotte baby en heeft zich in de eerste vier jaar voorbeeldig ontwikkeld. De afgelopen drie jaren echter hebben zij veel problemen met het meisje gehad, zij is druk en onhandelbaar en slaapt ’s nachts heel slecht. Om deze redenen hebben zij al enige tijd begeleiding via het RIAGG. Bij doorvragen heeft zij veel KNO infecties doorgemaakt, is zij slechthorend en heeft in wisselende mate last van diarree. Bij het lichamelijk onderzoek ziet u een klein meisje, zij is zeer druk en behoudens het feit dat zij stug haar heeft en stevige wenkbrauwen valt u weinig op. U twijfelt of de milt palpabel is.U overweegt een stofwisselingsziekte.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. In welke groep van stofwisselingsziekten passen de klachten?

      1. (Lysosomale) stapelingsziekten of mucopolysaccharidosen.

      2. Welk gegeven in de anamnese doet u vooral voor dit type stofwisselingsziekten kiezen?

      2. De knik in de ontwikkeling / regressie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Bij de behandeling van stofwisselingsziekten middels enzymvervangingstherapie wordt het enzym dat de patiënt zelf niet kan maken via een infuus aan de patiënt toegediend.

      1. Waarom heeft deze therapie vaak slechts beperkt succes? (noem twee redenen)

      1. Opname van enzymen door cellen is zeer matig; afbraak van enzymen in bloed; immunologische respons tegen deze normaliter intracellulaire eiwitten.

      2. Waarom werkt deze therapie niet bij ziekten die de hersenen aantasten?

      2. Bloed-hersenbarrière laat de enzymen niet door.

      Vraag 8

      Kevin (2 jaar oud, 13 kg) logeert tijdens de zomervakantie een paar dagen bij zijn grootouders. Op zondagmorgen vroeg treffen zijn grootouders hem aan in de badkamer op een krukje met zijn neus in de medicijnkast. Een strip met paracetamol is leeg, een ander ligt op de grond nog vol en in zijn handen heeft hij een strip met medicijnen van zijn grootvader. De grootouders gaan voor de zekerheid meteen naar de eerste hulp van het nabij gelegen streekziekenhuis. U bent de dienstdoende eerste hulp arts. Bij nader onderzoek heeft Kevin alleen maar paracetamol geslikt, 9 tabletten van 500 mgr.Bij verdere anamnese en lichamelijk onderzoek heeft Kevin geen klachten.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welk onderzoek dient nu plaats te vinden?

      1. Met spoed bepaling van de plasmaconcentratie van paracetamol.

      2. Welke behandeling is mogelijk?

      2. Onmiddellijk maagspoelen en toediening van laxantia. Bij een hoge paracetamol spiegel acetylcysteine oraal of zelfs i.v.. Evt. hemodialyse en hemoperfusie overwegen.

      3. Welke complicatie verwacht u als tijdige behandeling achterwege blijft?

      3. Na 36 uur tot 4 dagen ontstaan leverfunctiestoornissen met icterus, stollingsstoornissen en encefalopathie

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Indien nodig maakt de lever stoffen (ook geneesmiddelen) beter in water oplosbaar. Welk belangrijk enzymsysteem is hierbij betrokken?

      1. Cytochroom P 450.

      2. Wat doet dit enzymsysteem?

      2. Het voert zuurstoffuncties in door oxidatie, deaminering, etc.

      Vraag 9

      U bent huisarts en u ontvangt op uw spreekuur de biologische ouders van de 4 maanden oude Piet. Bij hun zoon is sinds kort een erfelijke aandoening geconstateerd. Hij lijdt aan een autosomaal dominant overervend syndroom, waar doofheid een onderdeel van is. Na alle informatie uit het ziekenhuis hebben de ouders nog enkele vragen. De ouders zijn beiden goedhorend.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Waarom is het van belang voor Piet om nu al slechthorenheid/doofheid op te sporen?

      1. Het voorkomen van taal en spraak­achterstand.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke twee waarschijnlijke verklaringen heeft u voor het feit dat beide ouders goedhorend zijn en dat bij Piet het genoemde syndroom is geconstateerd?

      1.

      • Nieuwe mutatie.

      • Één van de ouders heeft wel het gendefect, maar is niet doof (variabele expressie, non-penetrant).

      • Kiembaanmozaïek bij één van de ouders.

      Vraag 10

      Op uw huisartsenspreekuur ziet u Johan (2,5 jaar). U hebt hem al eens eerder gezien in verband met bronchitis-klachten. Moeder vertelt u dat zij zich zorgen maakt. Ze vindt dat hij er vaak zo ‘pierig’ uitziet en dat hij volgens haar ook niet goed groeit. Ze geeft hem al vaak wat extra te eten, maar desondanks blijft Johan een schriel kereltje. Ook maakt ze zich zorgen over het feit dat hij een ‘bolle buik’ heeft. Als u Johan onderzoekt is hij inderdaad mager (lengte 0 SDS, gewicht naar lengte –2,5 SDS). Hij heeft een toegenomen voor-achterwaartse thoraxdiameter. Net als bij een vorig consult hoort u wat grove crepitaties over de longen. Hij heeft een bolle buik, de lever is net onder de ribbenboog palpabel. Aan de extremiteiten vallen trommelstokvingers met horlogeglasnagels op.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Cystic Fibrosis (CF).

      2. Noem drie anamnestische gegevens die u verder nog wilt weten.

      2. Drie van de volgende:

      1. groeigegevens uit verleden (consultatiebureau),
      2. voedingsanamnese,
      3. defaecatiepatroon (frequentie, volume, consistentie, steatorroe),
      4. infectieverschijnselen (luchtwegen, koorts),
      5. ‘zout smaken’.

      3. Welk aanvullend onderzoek is geïndiceerd om uw waarschijnlijkheidsdiagnose te bevestigen?

      3. Zweettest

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Stel dat het gaat om een autosomaal recessief overervende aandoening.

      1. Hoe groot is de kans dat een volgend kind van de ouders van Johan ook deze aandoening zal hebben? Ga ervan uit dat er geen sprake is van een nieuwe mutatie.

      1. 25%

      Vraag 11

      Op uw spreekuur ziet u een jongetje van 6 weken oud. Moeder vertelt dat hij de laatste weken meer en meer is gaan spugen, steeds kort nadat hij de fles heeft opgedronken. Na het spugen heeft hij direct weer honger. Opvallend is verder dat het braaksel er met zeer krachtige golven uitkomt. In de eerste weken na de geboorte is hij goed gegroeid, van 3150 gram bij de geboorte tot 3400 gram; sindsdien niet meer. Het ontlastingspatroon is niet wezenlijk veranderd: 3-4x per dag wordt een luier geproduceerd.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose.

      1. Pylorushypertrofie.

      2. Geef tenminste één alternatieve diagnose.

      2. Reflux, voedselallergie, gastritis, adrenogenitaal syndroom, malrotatie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Noem 3 factoren die de maaglediging bepalen.

      1.

      1. zuurgraad
      2. osmotische druk
      3. vetten-vetafbraak producten
      4. aminozuren.

      Vraag 12

      Hein, een 2-jarige jongen wordt door zijn ouders naar de EHBO gebracht. Er zijn 2 problemen. De belangrijkste reden om te komen is dat Hein niet meer op zijn linkerbeen kan staan. Dit is vanmorgen voor het eerst opgevallen en omdat hij de hele dag veel heeft gehuild komen ouders om 17 uur naar de EHBO. Bij goed doorvragen vertellen de ouders dat Hein de dag ervoor met zijn linkerbeen tegen de salontafel is aangelopen. Hij heeft toen wel even gehuild maar is daarna weer gaan spelen. Daarnaast heeft Hein al 3 dagen wat koorts, hoest hij veel en ademt wat snel. De verdere anamnese levert geen bijzonderheden op. Bij lichamelijk onderzoek zien we een niet ziek mannetje, temp 38,5. KNO gebied rustig. Over de longen mogelijk wat crepitaties links basaal. Op beide bovenarmen enkele hematomen. Buik: gb. Linkerbeen gezwollen, niet verkleurd, niet warm, wel pijnlijk en een duidelijke functio laesa. Aanvullend onderzoek bestaat o.a. uit een X-thorax en een X-linkerbeen. Op de X-thorax worden behoudens een oude ribfractuur geen afwijkingen gezien en de X-linkerbeen toont een fractuur van de tibia.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. In de differentiaal diagnose wordt bij Hein ook gedacht aan kindermishandeling. Noem 3 punten uit de beschrijving van de casus die u doen denken aan kindermishandeling.

      1.

      1. trauma past niet bij verwonding (door stoten tegen tafel geen tibiafractuur)
      2. hematomen op bovenarmen
      3. oude ribfracturen
      4. tijdsverloop tussen debuut klachten en presentatie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. De tibia is een bot dat makkelijker fractureert dan het femur. Geef hiervoor twee verklaringen.

      1.

      1. ligt over de geheel lengte subcutaan

      2. heeft een dun gedeelte iets onder het midden (overgang bovenste 2/3 naar onderste 1/3).

      Vraag 13

      Tim is een zuigeling van 1 week oud. Hij is geboren na een zwangerschapsduur van 40+2 weken en had een geboortegewicht van 3000 gram.Hij wordt door de huisarts naar de kinderarts doorverwezen met de volgende klachten: Sinds 1 dag huilt Tim dag en nacht, is hij onrustig en prikkelbaar. Hij krijgt om de 3 uur voeding, drinkt redelijk goed, maar is tijdens en na de voeding erg onrustig. Ook spuugt Tim sinds een dag na iedere voeding een of meerdere keren een flinke golf. Bij lichamelijk onderzoek ziet de kinderarts een huilende, goed gecirculeerde zuigeling, met een gewicht van 2850 gram en een temperatuur van 37°C. De buik is opgezet en bol, de peristaltiek is spaarzaam, en palpatie is pijnlijk. Opvallend is dat bij rectaal toucher de ampulla recti niet is gevuld met faeces. Er wordt een buikoverzichtfoto gemaakt, die in het gehele colon zeer veel faeces toont, en het colon is fors uitgezet.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1.a. Morbus Hirschsprung. b. Meconium plug/meconiumileus.

      2. Welke essentiële gegevens ontbreken in de anamnese? Noem 1 essentieel anamnestisch gegeven.

      2.

      1. is er meconium geloosd binnen 24 uur?
      2. is er uberhaupt defecatie geweest?
      3. braakt Tim gallig?

      3. Met welk aanvullend onderzoek kunt u de door u onder 1. genoemde diagnose bevestigen?

      3.

      1. rectumzuigbiopt.
      2. anorectale manometrie

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Waar in het centrale zenuwstelsel vindt de parasympathische innervatie van het colon sigmoideum zijn oorsprong?

      1. Sacrale ruggenmerg.

      2. Waar in het centrale zenuwstelsel vindt de parasympathische innervatie van de maag zijn oorsprong?

      2. Hersenstam (via n. vagus).

      Vraag 14

      U bent semi-arts kindergeneeskunde. Eric, een 8 maanden oude zuigeling wordt op de spoedpolikliniek gepresenteerd wegens koorts. Hij was gezond tot de voorgaande avond. Toen kreeg hij koorts, wilde niet meer eten en dronk minder. In de loop van de nacht ging hij toenemend kreunen en begon hij te braken. Bij lichamelijk onderzoek ziet u een zieke prikkelbare kreunende zuigeling die huilt als u de beentjes optilt. Hij heeft 39,4ºC en een tachycardie van 150/ minuut. Perifere pulsaties en capillaire refill zijn goed. U vermoedt een meningitis en wilt onderscheid maken tussen een virale en een bacteriële verwekker door middel van liquoronderzoek.

      Klinische vraag

      Antwoord

      Op het standaard aanvraagformulier van het klinisch chemisch laboratorium, hier afgebeeld, mag u 4 onderzoeken aanvragen. Vertel van elk hoe de uitslag bij bacteriële meningitis verschilt van die bij virale meningitis.

      (1)leukocyten bij bacteriële meningitis sterker verhoogd (2) leukocyten diff bij bacteriële meningitis meer granulocyten (3) totaal eiwit bij bacteriële verhoogd bij virale niet (4) glucose of glucose LI/BS index bij bacteriële verlaagd, bij virale niet

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Wat zijn de antigeen-specifieke effectorcellen bij een virale immuun respons?

      1. Cytotoxische T lymfocyten.

      2. Welk vaccin is het best in het stimuleren van deze cellen?

      2. Verzwakt virus (dat zich nog steeds in cellen kan vermenigvuldigen).

      3. Waarom is dit vaccin in staat de effectorcellen stimuleren? Leg het mechanisme uit.

      3. Virale eiwitsynthese/vermenigvuldiging (in cellen) + presentatie virus eiwitten/peptiden (op MHC klasse I).

      Vraag 15

      U bent semi-arts verloskunde en helpt bij de geboorte van Anna. Meteen na de geboorte valt op dat zij er ongewoon uitziet. Haar gelaat is als op de foto hieronder, zij is hypotoon, heeft kromme pinken en korte vingers. Tussen de 1e (grote) en 2e teen is de gleuf dieper dan gewoon.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1 Wat is de meest waarschijnlijke diagnose en hoe bevestigt u die met zekerheid?

      1. Down syndroom, trisomie 21 ; chromosomenonderzoek

      2. Noem 4 geassocieerde inwendige problemen die u, indien aanwezig, in de eerste levensweken moet weten te herkennen.

      2. Hartgebrek (zoals avsd vsd) darmafsluiting (zoals duodenumatresie) hirschsprung, hypothyreoïdie, polycythemie, leukemoïde reactie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Mevrouw heeft vóór deze zwangerschap twee miskramen gehad.

      1. Geef in het licht van de geboorte van Anna hiervoor een verklaring.

      1. Eén van de ouders is een gebalanceerde translocatiedrager. Concepties met chromosomale onbalans in de gameten kunnen leiden tot miskramen en/of aangeboren afwijkingen.

      Vraag 16

      U werkt als poortarts op de Spoedeisende Hulp van een middelgroot ziekenhuis. Een meisje van 15 maanden wordt ’s avonds om 22.30 uur door haar ouders op deze afdeling gebracht, omdat zij de hele dag al benauwd is. De voorgeschiedenis vermeldt geen bijzonderheden, met name geen astma. Het kind had die morgen rustig met haar niet-zieke 2 jaar oudere broertje gespeeld. Bij onderzoek vindt u een benauwd kind met cyanose. U hoort een duidelijke stridor. De temperatuur is 36,40 C.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Aspiratie van een corpus alienum.

      2. Welke twee aanvullende onderzoeken zijn geïndiceerd?

      2. X-Thorax, tracheobronchoscopie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de functie van zuurstof in de katabole verbrandingsprocessen in onze lichaamscellen?

      1. Elektronen acceptor (laatste schakel in de elektronen transportketen).

      2. In welke verbinding wordt zuurstof daarbij omgezet?

      2. Water.

      3. Welke cellen verbruiken geen zuurstof?

      3. Eerytrocyten.

      Vraag 17

      U bent huisarts en wordt gebeld over een tweejarige jongen die ongeveer een uur geleden in de vijver van de buren is gevallen. Toen hij eruit gehaald werd zag hij blauw, was slap en reageerde niet. Nadat moeder een paar maal mond-op-mond beademing heeft toegepast begon hij bij te komen en te huilen. Moeder heeft hem onder de douche gestopt en dacht dat het wel mee zou vallen, maar hij wordt nu wat kortademig.Als u het kind ziet heeft hij een snelle ademhaling, steunt en neusvleugelt.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat heeft dit kind zeer waarschijnlijk?

      1. Dit kind ontwikkelt zeer waarschijnlijk een acute respiratory distress syndroom (ARDS). Mogelijk heeft het ook geaspireerd.

      2. Welke complicatie dreigt er?

      2. Ademnood, respiratoire insufficiëntie.

      3. Wat moet de huisarts doen (maximaal 4 woorden)?

      3. Insturen naar het ziekenhuis.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Tijdens de ademhaling kunnen diverse compartimenten van het longvolume worden onderscheiden.

      1. Benoem 3 van de 4 volumes in de long die onderdeel zijn van de ademhaling.

      1.

      • Tidal (Teug) volume
      • Inspiratoir reserve volume
      • Expiratoir reserve volume
      • Residual (Rest) volume

      Vraag 18

      Sieze, een jongetje van 11 maanden, komt bij u op het huisartsspreekuur. De eerste 6 maanden kreeg Sieze borstvoeding en maakte een goede groei en ontwikkeling door. Na staken van de borstvoeding werd hij vrijwel onmiddellijk verkouden met hoesten. Dit zette door in een groene purulente snotneus, bronchitis en een middenoorontsteking met forse looporen en koorts. Sieze knapte goed op met een antibioticakuur, echter twee dagen na stoppen van de antibiotica wordt hij weer verkouden met hoesten, oorpijn en koorts. Inmiddels heeft hij 5 antibiotica kuren gehad. Hij ontwikkelt zich prima, maar blijft achter in gewicht. Sieze gaat 3 dagen per week naar de crèche. Hij is ingeënt volgens schema.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Waarom is het gegeven dat Sieze naar de crèche gaat relevant?

      1. Veel infecties bij hoge omgevingsdruk.

      2. Noem 3 aanvullende onderzoeken die u moet (laten) verrichten

      2. Minimaal volledig bloedbeeld met leuco-diff, immuunglobulinen IgM, IgG, IgA, zweettest.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      De reactie tegen ziekteverwekkers omvat één of meer componenten van het afweersysteem, afhankelijk van het type verwekker. Geef voor elk van de volgende onderdelen aan welke component (cellen of stoffen) het belangrijkst is voor de afweer tegen de bacteriën die de ziekte in deze klinische casus veroorzaken.

      1. Aangeboren afweer – humoraal.

      1. complement

      2. Aangeboren afweer – cellulair.

      1. neutrofielen

      3. Specifieke afweer - humoraal.

      3. immunoglobulines

      Vraag 19

      Een ongeruste moeder komt met haar 4 weken oude zoon op uw spreekuur wegens “projectiel”- braken. Het braaksel bevat geen gal. Direct na het braken huilt de baby van de honger. Bij onderzoek is er een zichtbare peristaltiek en een palpabele zwelling in de rechter bovenbuik.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Hypertrofische pylorus stenose.

      2. Welke therapie is geïndiceerd?

      2. Pyloromyotomie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Wat voor type zenuwvezels zijn in belangrijke mate verantwoordelijk voor stimulatie van de maag motiliteit?

      1. Parasympathische vezels.

      2. Via welke zenuw bereiken de onder 1 genoemde zenuwvezels de maag?

      2. N. vagus (n. X).

      Vraag 20

      U bent semi-arts kindergeneeskunde. Op de opnamelijst staat een zuigeling van 3 maanden oud met een tetralogie van Fallot. U herinnert zich dat de kliniek van deze aandoening is zeer wisselend kan zijn. Er is zowel een cyanotische als een niet-cyanotische, de zogenaamde 'pink' variant. Voor u naar de patiënt toe gaat zet u voor zichzelf nog eens op een rijtje:

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Uit welke 4 componenten bestaat een tetralogie van Fallot?

      1. Groot ventrikel-septumdefect, pulmonaalstenose, overrijdende aorta, rechter-ventrikelhypertrofie.

      2. Wijst cyanose nu op een links-rechts- of een rechts-links shunt?

      2. Rechts-links.

      3. Welke anatomische afwijking bepaalt het al dan niet aanwezig zijn van cyanose?

      3. De mate van cyanose wordt bepaald door de ernst van de pulmonaalstenose.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Bij een normale foetus zorgen twee structuren ervoor dat de longcirculatie grotendeels gepasseerd wordt.

      1. Noem beide structuren.

      1. Foramen ovale; Ductus arteriosus (Botalli);verbindt rechter en linker atrium.

      Elk van beide structuren verbindt twee andere structuren.

      2. Geef aan voor ÉÉN van de bij vraag 1. genoemde structuren, welke structuren dat zijn.

      2. Foramen ovale verbindt rechter en linker atrium; Ductus arteriosus (Botalli) verbindt de truncus pulmonalis en de arcus aortae.

      Vraag 21

      Op de polikliniek kindergeneeskunde komt een 2,5 jaar oud meisje dat door de Consultatie Bureau arts is gesignaleerd met een beginnende afbuiging van gewicht naar lengte. De moeder vertelt dat haar kind in aansluiting op een forse infectie-episode, waarin zij geen voedsel verdroeg en veel heeft overgegeven, blijvend is gaan weigeren om te eten. De moeder heeft van alles geprobeerd; beloning, dwang. Drinken gaat gelukkig wel goed. Ze probeert haar extra melk te laten drinken maar kennelijk is dit niet voldoende. Het is haar wel opgevallen dat de adem van haar dochtertje af en toe vreemd ruikt. Aanvullend onderzoek geeft geen bijzonderheden, het kind is alleen wat sneller moe. De moeder vraagt een oplossing om uit de eetstrijd te komen. Zij vraagt ook of een specifieke drinkvoeding een goed idee zou zijn.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is het verband tussen de doorgemaakte ziekteperiode en het voedselweigeringsgedrag?

      1. Negatieve conditionering van eten ontstaan, door de koppeling van eten aan de lichamelijke angstgevoelens door de ziekte.

      2. Hoe zou het geven van volwaardige drinkvoeding bij kunnen dragen aan de oplossing van het probleem?

      2. Tijdelijke verlichting van de stress rond het eten geeft mogelijkheid tot een geleidelijke, spanningsloze herintroductie van het eten.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke stof in de uitgeademde lucht veroorzaakt de voor langdurig vasten kenmerkende geur?

      1. Aceton.

      2. De in vraag 1 bedoelde stof ontstaat in de lever door de koppeling van twee moleculen van een metaboliet, die in deze gevaste toestand hoge concentraties bereikt. Welke?

      2. AcetylCoA (acetyl-co-enzymA, azijnzuur).

      3. De metaboliet in vraag 2 ontstaat door de afbraak van vetzuren, gemobiliseerd uit vetweefsel. Welk hormoon stimuleert deze mobilisatie van vetzuren, de lipolyse, tijdens het vasten?

      3. Glucagon.

      Vraag 22

      U bent huisarts. Op het spreekuur ziet u Koen, 5 maanden oud, met zijn moeder. Koen was tot voor kort een gezonde baby, maar sinds een dag of vijf is hij prikkelbaar en huilt veel. Koen drinkt minder goed aan de borst en weigert zijn fruithapjes. Zijn temperatuur is verhoogd tot maximaal 39.50 C. Na paracetamol rectaal daalt de temperatuur en wordt hij levendiger. Hij heeft 3 tot 5 maal daags normale ontlasting. Koen hoest niet. De familieanamnese is blanco. Bij lichamelijk onderzoek ziet u een huilende zuigeling in goede voedings- en hydratietoestand. Hij is niet suf, de fontanel is in niveau en er zijn in het KNO gebied geen aanwijzingen voor een infectie. Verder bij lichamelijk onderzoek geen afwijkingen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke aanvullende diagnostiek moet u bij deze patiënt zeker verrichten?

      1. Urine onderzoek (kweek, sediment).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      De groei van een kind verloopt niet gelijkmatig.

      1. Welke twee perioden van snelle groei zijn er?

      1.

      1. Direct na de geboorte als vervolg van de foetale groei.

      2. (b)Groeispurt in het begin van de puberteit.

      2. Welk hormoon is verantwoordelijk voor de tweede periode?

      2. Groeihormoon.

      Vraag 23

      U bent huisarts. Abdel van 22 maanden komt met zijn ouders op uw spreekuur omdat hij nog niet kan lopen.Hij is de jongste van 3 kinderen en zijn 2 oudere zussen liepen al los met 11 maanden. Zijn ouders vinden dit erg zorgwekkend.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1 .Vanaf welke leeftijd in maanden is het niet kunnen lopen van kinderen zorgwekkend?

      1. 18 maanden

      2. Noem vier anamnestische gegevens die voor de beoordeling van de ernst van de klacht van belang zijn.

      2. Zwangerschap en partus a term en normaal?

      • Vroege ontwikkeling lachen, kijken, volgen wel op tijd?
      • Andere motorische mijlpalen (rollen en zitten) wel op tijd?
      • Spraak/ taalontwikkeling normaal?
      • Familie anamnese afwijkingen, met name in mannelijke lijn afwijkingen?
      • Ouders consanguien?

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Stel, de moeder zegt twee miskramen te hebben gehad. Aan wat voor afwijking moet, als genetische oorzaak, dan het eerst gedacht worden?

      1. Chromosoomafwijking

      2. Stel, de moeder heeft een broer met een verstandelijke handicap. Welke overervingswijze van de ontwikkelingsachterstand is dan het meest waarschijnlijk?

      2. X-chromosomaal

      3. Stel, bij Abdel wordt een enzymdeficiëntie vastgesteld en de ouders zijn consanguien. Van welk type overerving is hier waarschijnlijk sprake en hoe groot is de herhalingskans?

      3. autosomaal recessief, 25%

      Vraag 24

      Een moeder komt met haar één jaar oude zoontje bij u op de eerste hulp omdat hij zoveel blauwe plekken heeft. Dat heeft hij eigenlijk al een tijdje, maar de buurvrouw zei dat dat niet normaal is, en de moeder wil nu weten wat er aan de hand is. Bij onderzoek heeft hij blauwe plekken op zijn scheenbenen en bovenarmen, een paar puntbloedinkjes in zijn gelaat en verder een dikke, niet pijnlijke knie. U vermoedt een trombocytopenie.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke andere mogelijke groep van oorzaken staat hoog in de DD?

      1. Kindermishandeling/trauma.

      2. Wat zijn de belangrijkste oorzaken van trombocytopenie op deze leeftijd?

      2. (Verdringing bij) leukemie, ITP.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Naast een transportfunctie hebben de onderdelen van het bloed nog twee andere belangrijke taken, nl. stolling en afweer. Voor elk van deze taken is een specifiek celtype nodig.

      1. Noem deze celtypen.

      1. Afweer: trombocyten voor stolling en leukocyten voor immuniteit.

      Vraag 25

      U bent semi-arts kindergeneeskunde en wordt geroepen bij een à terme neonaat van 2,7 kg. Het kind dronk aanvankelijk goed, maar ontwikkelde 30 uur na de geboorte een dikke, bolle buik. Twee uur erna ontstaat “grasgroen” braken. Ontlasting is nog niet geproduceerd. Pols: 168/min. Respiratie: 40/min. Bloeddruk 78/50. Temp. 36,9 0C.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de differentiaal diagnose? Noem drie diagnosen.

      1. (Lage ileus t.g.v.) meconium-ileus / ziekte van Hirschsprung/ meconiumplug syndroom / ileum atresie/ malrotatie.

      2. Welke twee beeldvormende onderzoeken zijn noodzakelijk om de diagnose te kunnen stellen?

      2. a. Buikoverzichtsfoto’s en b. colon inloopfoto.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      V E R V A L L E N

      De dispergerende werking van gal is van belang voor de vetvertering. Vooral de triglyceriden (tri-acylglycerolen) in de voeding worden beter bereikbaar voor de afbrekende enzymen in de darm.

      1. Welke enzymen breken de triglycriden in ons voedsel af?

      1. Lipasen.

      2. Wat zijn de eindproducten, die dan door de darm (enterocyten) kunnen worden opgenomen?

      2. Vetzuren, glycerol (evt. ook mono-acylglycerol).

      3. In de enterocyten worden opnieuw triglyceriden gevormd, die samen met eiwitten in lipo-proteïne deeltjes verpakt en geëxporteerd worden. Hoe heten deze deeltjes?

      3. Chylomicronen.

      Vraag 26

      Op de spoedeisende hulp van uw ziekenhuis komt een moeder met haar drie weken oude zoon Theo. Theo is sinds twee dagen niet lekker, maar vanmorgen is hij toenemend ziek geworden met koorts tot 39 oC, niet meer willen drinken en een snelle ademhaling met af en toe kreunen. Theo is ook minder alert. De huisarts heeft Theo met spoed doorverwezen. Bij lichamelijk onderzoek ziet u een baby met een bleekgrauwe kleur en een temperatuur van 38,9 oC, een ademhalingsfrequentie van 50/min met intrekkingen. De pols is 170/min met een capillaire refill tijd van 5 sec.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat zijn de meest waarschijnlijke oorzaken van de klachten (noem er twee).

      1. Sepsis, meningitis, urineweginfect (urosepsis), pneumonie. Evt hartafwijking of metabole stoornis.

      2. Welke vier maatregelen stelt u direct in?

      2. U start met O2 via neuskap, zorgt voor een intraveneuze toegang en neemt daarbij bloed af voor onderzoek en geeft een bolus vocht (20 ml/kg) en start met antibiotica.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Indien u een infectie overweegt:

      1. Om welke twee grote groepen bacteriën kan het dan gaan?

      1. Zowel gram positieve als gram negatieve bacteriën kunnen de infectie veroorzaken.

      2. Noem per groep een antibioticum dat bruikbaar zou zijn in deze situatie.

      2. De initiële antibiotica therapie moet gericht zijn tegen zowel gram positieve als gram negatieve bacteriën.

      Vraag 27

      U werkt als algemeen arts op een consultatiebureau. Een moeder vraagt uw advies over haar zoontje van zes weken oud. Hij spuugt sinds vijf dagen met een grote boog zijn voeding uit.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Pylorushypertrophie (NB. Pylorusstenose is fout!, maar toch 1 punt).

      2. Wat is uw behandelingsbeleid?

      2. Verwijzen ((kinder)chirurg); diagnostiek; operatieve behandeling (NB. Voedingadvies etc. is fout!).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Noem zes producten die door maagcellen worden uitgescheiden (exocrien of endocrien).

      2. HCl (maagzuur); gastrine; mucus (slijm); bicarbonaat in mucus; intrinsic factor; pepsinogeen; somatostatine; ghrelin; histamine.

      Vraag 28

      U bent semi-arts neonatologie. U wordt naar de verloskamers geroepen. Daar is zojuist na een zwangerschap van 37 3/7 week een jongetje geboren met een gewicht van 4700 gram, lengte 47 cm. De vaginale bevalling verliep moeizaam. Moeder was G1P0. Vanaf de leeftijd van 10 jaar wordt ze in verband met diabetes mellitus behandeld met insuline. Onderweg naar de patiënt bereidt u zich mentaal voor op de problemen die u kunt verwachten.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Noem drie problemen die zich rondom de geboorte bij het bovenbeschreven kind kunnen voordoen.

      2. Hoe verklaart u elk van deze problemen?

      PROBLEEM

      • Asfyxie post partum
      • Hypoglycaemie
      • Geboorte trauma

      VERKLARING

      1. Placenta insufficiëntie
      2. Hyperinsulinisme
      3. Macrosomie

      Biomedische vraag

      Antwoord

      In een pasgeborene zijn de glycogeenvoorraden in hartspier en skeletspieren per gram weefsel aanzienlijk groter dan in volwassenen (10x resp.3-5x). Toch worden deze voorraden niet gebruikt om de bloedsuikerspiegel op peil te houden.

      1. Waarom kunnen deze voorraden daartoe niet gebruikt worden?

      1. Spierweefsel heeft geen glucose-6-fosfatase (uit glycogeen kan dus geen (aan het bloed af te geven) glucose gemaakt worden).

      2. Welke glycogeenvoorraad in de neonaat wordt wel daartoe gebruikt?

      2. Het leverglycogeen (de lever beschikt wel over G-6-Pase).

      3. Welk biochemisch proces draagt verder bij om tijdens de eerste uren na de geboorte de suikerspiegel in het bloed te handhaven?

      3. Gluconeogenese.

      Vraag 29

      U bent kinderarts en ziet de 9 dagen oude Mark, omdat hij bij de neonatale screening een hypothyreoïdie bleek te hebben. Het FT4 is zeer laag en het TSH is niet detecteerbaar.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke twee andere endocriene stoornissen moet u bij dit kind uitsluiten (met welke bepaling)?

      • stoornis: bijnierschorsinsufficiëntie
      • test: cortisol(/ACTH)
      • stoornis: diabetes insipidus
      • test: urine Osmol/SG, evt. na dorsten (serum Na serum Osmol niet fout rekenen)

      Biomedische vraag

      Antwoord

      T3 en T4 worden in de schildklier geproduceerd door bepaalde aminozuur residuen van een eiwit te joderen.

      1. Hoe heet het eiwit dat van jodium atomen wordt voorzien? (Gejodeerd wordt)

      1. Thyroglobuline.

      2. Welke residuen van dat eiwit worden gejodeerd?

      2. Tyrosine residuen.

      3. Hoe ontstaan hieruit T3 en T4?

      3. Di-jodium tyrosine (DIT) + DIT resulteert in T4, mono-jodium tyrosine (MIT) + DIT geeft T3.

      Vraag 30

      U bent kinderarts en ziet op uw spreekuur Marleen, een 14-jarig meisje met Cystic Fibrosis, wegens gewichtsverlies en diarree. Zij is hevig aan het puberen. Zij spijbelt regelmatig en heeft thuis veel conflicten. Zij is de afgelopen 4 maanden 4 kg afgevallen en menstrueert niet meer.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Beschrijf de meest waarschijnlijke, oorzakelijke keten van haar probleem: (1)......., waardoor (2)........, waardoor (3) ........, waardoor diarree en gewichtsverlies zijn ontstaan.

      1. (1) Autonomieconflicten / acceptatieproblemen, waardoor (2) therapie-ontrouw / geen pancreasenzymen slikken, waardoor (3) (vet)malabsorbtie, waardoor diarree en gewichtsverlies.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welk overervingspatroon heeft CF?

      1. Autosomaal recessief.

      2. Hoe groot is de kans dat een kind van Marleen CF krijgt als 1 op de 30 personen in Nederland drager is van CF.

      2. 1/60

      Vraag 31

      U neemt waar in een huisartsenpraktijk in een grote stad. U wordt geroepen bij Ayse, een Turks meisje van 1 week oud. De ouders zijn volle neef en nicht en spreken nauwelijks Nederlands: "Baby erg ziek. Hij maakt grommend geluid" is het enige wat u kunt verstaan. U besluit te gaan kijken en treft een grauwbleek meisje met een kreunende snelle ademhaling, een pols van 196/min. Vingers, neus en tenen zijn koud. U kunt geen pulsaties van de arteria dorsalis pedis voelen. De rectale temperatuur is 36,4 ºC. U besluit tot opname. Vader heeft een auto. Het ziekenhuis is 20 minuten rijden.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Hoe heet het klinische beeld van deze patiënt? En welke behandeling zal bij aankomst in het ziekenhuis meteen moeten plaatsvinden?

      1. Shock of sepsis. Vaatvulling.

      2. Met welk vervoermiddel gaat zij naar het ziekenhuis en waarom?

      2. Ambulance. Dit is een vitaal bedreigde patiënt (die ieder moment professionele reanimatie kan behoeven).

      3. De kinderarts vermoedt een infectie en neemt, na stabilisatie van de patiënt, monsters voor kweek af. Uiteraard bloed, maar ook nog twee andere lichaamsvloeistoffen. Welke twee moeten dat zijn en welke afwijkingen zijn er onmiddellijk (binnen 1-2 uur) in te vinden indien daar het infectiefocus is?

      3. Urine : leukocytose, bacteriën en Liquor: leukocytose, laag glucose, hoog eiwit, grampreparaat +.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Bij dit patientje blijkt de bloeddruk normaal bij een verhoogde hartfrequentie. Blijkbaar is het slagvolume verlaagd.

      1. Hoe zou u dit kunnen verklaren?

      1. Centraal veneuze druk verlaagd ten gevolge van gegeneraliseerde vasodilatatie.

      2. Waarom is deze toestand levensbedreigend?

      2. Vullingstijd verkort; verdere vasodilatatie geeft reflexmatig verdere frequentieverhoging leidend tot circulatoire collaps (hartfalen).

      Vraag 32

      De heer en mevrouw P. hebben net een kind, Diederik, met een spina bifida gekregen. Zij komen bij u, hun kinderarts, op uw spreekuur.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Op welke complicatie, afgezien van de verlamming caudaal van de spina, zou u de ouders moeten voorbereiden omdat deze complicatie bij bijna alle kinderen met spina bifida optreedt?

      1. Hydrocephalus

      2. Noem 3 klinische verschijnselen die indien aanwezig er op wijzen dat deze complicatie zich bij een jonge zuigeling ontwikkelt.

      2.

      • Snelle toename schedelomtrek
      • Wijkende schedelnaden
      • Bomberende fontanel
      • Sunset fenomeen ogen

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Neuraalbuisdefecten behoren tot de multifactorieel overervende aandoeningen.

      1. Waarin verschillen monogeen en multifactoriële overervende aandoeningen van elkaar?

      1. Monogeen overervende aandoeningen worden bepaald door één gen. Multifactorieel overervende aandoeningen worden bepaald door meerdere genetische factoren in combinatie met niet-genetische factoren.

      Vraag 33

      U bent huisarts. Een jongen van 24 maanden wordt doorverwezen door het consultatiebureau omdat hij nog niet loopt. Bij lichamelijk onderzoek vindt u hypertonie, verhoogde reflexen aan de benen en een voetzoolreflex volgen Babinsky. Overigens is het een vrolijk kind dat wat eenkennig is. Met zijn moeder spreekt hij in korte zinnetjes. Tussendoor speelt hij met blokken en krast hij met een viltstift op de verwijsbrief van het consultatiebureau.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Hoe heet dit klinische beeld?

      1. Spastische diplegie (2 pnt), infantiele encephalopathie of spasticiteit (1 pnt).

      2. Welke twee zaken moet u in de anamnese uitvragen?

      2. (a) verloop van zwangerschap en geboorte, (b) ontwikkelingsmijlpalen (1 pnt)

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Hypertonie, verhoogde spierrekkingsreflexen en een voetzool reflex volgens Babinsky wijzen op een centrale verlamming. Deze uitvalsverschijnselen kunnen ontstaan bij een infarct in de capsula interna.

      1. Welk baansysteem is dan aangedaan?

      1. Corticospinale banen.

      2. Welke arterie is de belangrijkste voedende arterie van de capsula interna?

      2. A. cerebri media.

      Vraag 34

      Een moeder komt met haar zoontje van 3 jaar en 5 maanden op uw huisartsspreekuur. Ze maakt zich zorgen over zijn ontwikkeling. Hij praat nog vaak onverstaanbaar, maakt geen zinnen en "papegaait" na wat hij gehoord heeft. Af en toe, vooral bij opwinding, " fladdert" hij met z'n handjes en hij heeft driftbuien, slaapstoornissen en hoofdbonken. Moeder wil weten wat er aan de hand is en wat ze moet doen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Autisme.

      2. Noem een andere mogelijke aandoening die u wilt uitsluiten.

      2. Doofheid; zwakzinnigheid; taalontwikkelingsstoornis.

      3. Welk mogelijk aanvullend onderzoek wilt u daarvoor doen?

      3. Gehoortest; spelobservatie; IQ-test.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      De moeder bleek haar zorgen eerder geuit te hebben bij de arts op het consultatiebureau. Deze heeft haar toen verwezen naar de huisarts. Bij het CB worden kinderen diverse malen gescreend op verschillende aandoeningen.

      1. Bij welke twee screeningen verwacht u bij dit kind afwijkende uitkomsten?

      1. Gehoortest, VTO-taaltest.

      2. Op welke leeftijd worden deze screeningen (meestal) verricht?

      2. Negen maanden, resp. twee jaar.

      Vraag 35

      Een ongeruste vader komt met zijn 4 weken oude dochtertje op uw spreekuur wegens heftig braken. Het braaksel bevat geen gal. Direct na het braken huilt de baby van de honger. Bij onderzoek is er een zichtbare peristaltiek en een palpabele zwelling in de rechter bovenbuik.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Pylorus stenose hypertrofie.

      2. Welke therapie is geïndiceerd?

      2. Pyloromyotomie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Wat voor type zenuwvezels zijn in belangrijke mate verantwoordelijk voor stimulatie van de maag motiliteit?

      1. Parasympathische vezels.

      2. Via welke zenuw bereiken de onder 1 genoemde zenuwvezels de maag?

      2. N. vagus (n. X).

      Vraag 36

      U neemt waar in een huisartsenpraktijk in een grote stad. U wordt geroepen bij Ayse, een Turks meisje van 1 week oud. De ouders spreken nauwelijks Nederlands. :”Baby erg ziek” is het enige wat u kunt verstaan. U besluit te gaan kijken en treft een grauwbleek meisje aan met een kreunende snelle ademhaling en een zeer versnelde pols. Vingers, neus en tenen zijn koud. U kunt perifeer geen pulsaties voelen. De rectale temperatuur is 36,4ºC. U besluit tot opname in het ziekenhuis. De kinderarts aldaar bestrijdt met succes de shock door vaatvulling met NaCl 0.9%. Zij vermoedt een infectie en neemt monsters voor kweek af. Uiteraard bloed, maar ook twee andere materialen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke twee materialen moeten dat zijn en noem voor elk alle labafwijkingen die binnen 1-2 uur een bacteriële infectie moeten kunnen bevestigen (noem tenminste 5 labafwijkingen in totaal).

      1.

      1. Urine : leukocytose, bacteriën
      2. Liquor: leukocytose, laag glucose, hoog eiwit, bacteriën/grampreparaat +

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Hypoxia kan leiden tot een toestand van metabole acidose.

      1. Welk mitochondriaal proces wordt direct geremd door het tekort aan zuurstof?

      1. Oxidatieve fosforylering (de ademhalingsketen, vorming van ATP uit ADP, fosfaat en chemische energie).

      2. Welke metaboliet wordt nu afgegeven aan het bloed door cellen waarin dit proces geremd is?

      2. Melkzuur (lactaat).

      3. Erytrocyten maken voor hun energievoorziening geen gebruik van zuurstof; welk proces levert in deze cellen de benodigde energie?

      3. Glycolyse (de omzetting van glucose in pyruvaat, dat als lactaat wordt uitgescheiden).

      Vraag 37

      U bent basisarts en u bent op vakantie. U bent uw tent aan het opzetten als er om hulp geroepen wordt. Een 18-maanden oude peuter is schijnbaar levenloos in het zwembad gevonden. Omstanders zijn al met hartmassage begonnen. U neemt de regie over. U treft een comateuze peuter, die enkele malen per minuut een diepe geforceerde ademteug laat zien (de luchtweg is vrij) en een hartactie van 32/minuut heeft.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Uit welke handelingen (noem de frequentie) bestaat de reanimatie?

      1. Rescue breaths / mond op mond(-neus) beademing, 20-30x/min. Indien nog bradycard na rescue breaths, ook hartmassage/thoraxcompressies, 90-120/min (1:5 verhouding met beademing).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Bij welke

      1. PH-waarde,
      2. PCO2 waarde,
      3. HCO3- waarde

      in het bloed spreekt men van een metabole acidose?

      1.

      1. PH: < 7.35
      2. Pco2 : < 40 mmHg
      3. HCO3-: < 24 mEq/l

      Vraag 38

      ’s Avonds laat krijgt u op de huisartsenpost het verzoek om een visite af te leggen voor een tweejarige jongen, die al vanaf de namiddag aanvallen heeft van heftige pijn in de buik. Daaraan voorafgaand geen klachten. Tussen de aanvallen door is de pijn duidelijk minder. Hij huilt nu erg en is sinds een half uur ook gaan overgeven. U ziet een kleuter, die er bleek en ziek uit ziet. Er is geen défense musculaire en er lijkt een zwelling in de rechter bovenbuik te palperen. Bij rectaal toucher een leeg rectum, maar wel wat rozig slijm aan de handschoen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Invaginatie.

      2. Welk beleid is hier nu geïndiceerd?

      2. Direkt verwijzen (naar een kinderchirurg voor een echo en een coloninloop ter bevestiging van de diagnose, waarbij met waterig contrastvloeistof een repositie wordt beoogd.)

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Via welke structuur zijn het jejunum en ileum bevestigd aan de achterste buikwand ?

      1. Mesenterium.

      2. Noem 2 structuren die in de onder 1 bedoelde structuur verlopen.

      2. Takken van de a.v. mesenterica superior (alleen bloedvaten is ook goed), lymfevaten, lymfeklieren, autonome zenuwen.

      Vraag 39

      Tim is een zuigeling van 1 week oud. Hij is geboren na een zwangerschapsduur van 40+2 weken en had een geboortegewicht van 3000 gram. Hij wordt door de huisarts naar de kinderarts doorverwezen met de volgende klachten: Sinds 1 dag huilt Tim dag en nacht, is hij onrustig en prikkelbaar. Hij krijgt om de 3 uur voeding, drinkt redelijk goed, maar is tijdens en na de voeding erg onrustig. Ook spuugt Tim sinds een dag na iedere voeding een of meerdere keren een flinke golf. Bij lichamelijk onderzoek ziet de kinderarts een huilende, goed gecirculeerde zuigeling, met een gewicht van 2850 gram en een temperatuur van 37 C. De buik is opgezet en bol, de peristaltiek is spaarzaam, en palpatie is pijnlijk. Opvallend is dat bij rectaal toucher de ampulla recti niet is gevuld met faeces. Er wordt een buikoverzichtfoto gemaakt, die in het gehele colon zeer veel faeces toont, en het colon is fors uitgezet.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1.a. Morbus Hirschsprung. b. Meconium plug/meconiumileus.

      2. Welke essentiële gegevens ontbreken in de anamnese? Noem 1 essentieel anamnestisch gegeven.

      2. a. is er meconium geloosd binnen 24 uur? b. is er uberhaupt defecatie geweest? c. braakt Tim gallig?

      3. Met welk aanvullend onderzoek kunt u de door u onder 1. genoemde diagnose bevestigen?

      3. a. rectumzuigbiopt. b. anorectale manometrie

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Waar in het centrale zenuwstelsel vindt de parasympathische innervatie van het colon sigmoïdeum zijn oorsprong?

      1. Sacrale ruggenmerg.

      2. Waar in het centrale zenuwstelsel vindt de parasympathische innervatie van de maag zijn oorsprong?

      2. Hersenstam (via n. vagus).

      Vraag 40

      U bent kinderarts en ziet de driejarige Mohamed (1e kind van Marokkaanse ouders). Hij werd door de huisarts gezien wegens moeheid. De huisarts stelde een microcytaire anemie vast en verwees naar u door.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak bij deze patiënt?

      1. Dieetfout / ijzergebrek

      2. Waaruit bestaat de behandeling?

      2. IJzersuppletie (plus dieetadviezen)

      3. Welke aandoening moet u bij deze jongen overwegen als deze behandeling niet helpt.

      3. Thalassemie

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Macrocytaire anaemie wordt veroorzaakt door een tekort aan vitamines.

      1. Welke twee vitamines zijn nodig om macrocytaire anemie te voorkomen?

      1. B11 (folaat, foliumzuur) en B12 (cobalamine)

      2. Welk biochemisch proces wordt door de deficiëntie verstoord (en resulteert in macrocyten)?

      2. DNA synthese

      3. Wat is het verband tussen chemotherapeutica zoals methotrexaat of aminopterine en deze vitamines?

      3. het zijn B11antagonisten (anti-folaten, remmende analoga van B11)(en verstoren dus ook DNA synthese)

      Vraag 41

      Het gezin Smit behoort tot uw huisartsenpraktijk. De heer en mevrouw Smit zijn neef en nicht van elkaar. Het echtpaar komt met hun 4-jarige dochter op uw spreekuur. De schoolarts heeft hen verwezen en zelf vinden zij ook dat er wat aan de hand is met de ontwikkeling van hun dochter. Zij had zich aanvankelijk vlot ontwikkeld, maar met name de spraak is tot nu toe niet goed op gang gekomen. Ook de andere psychomotore ontwikkeling is volgens de ouders toenemend vertraagd. Het lijkt zelfs wel of zij geleidelijk reeds behaalde vaardigheden verliest.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Op welke leeftijd gaat een kind gewoonlijk praten?

      1. 2e levensjaar, 11-12 maanden, rond 1e verjaardag

      2. Noem twee andere terreinen van psychomotore ontwikkeling, naast de spraak- en taalontwikkeling.

      2. Grove motoriek, fijne motoriek, sociaal/emotioneel (evt. zintuiglijk, psychosexueel)

      3. Aanvankelijk leek de achterstand beperkt tot de spraak- en taalontwikkeling. Welke diagnose was toen het meest voor de hand liggend?

      3. Slechthorendheid, doofheid

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Waarom hebben kinderen uit een neef-nicht huwelijk in het algemeen een iets hogere kans op een erfelijke aandoening dan kinderen van ouders die niet aan elkaar verwant zijn?

      1. Ieder mens heeft een aantal mutaties die tot een erfelijke aandoening zouden leiden indien deze in homozygote vorm aanwezig zijn.

      De kans op een ‘homozygoot’ kind is bij een verwantenhuwelijk groter dan bij een willekeurig paar,

      Vraag 42

      U neemt waar in een huisartsenpraktijk in een grote stad. U wordt geroepen bij Ayse, een Turks meisje van 1 week oud. Ouders zijn volle neef en nicht en spreken nauwelijks Nederlands. U begrijpt dat de baby erg ziek is en een raar geluid maakt. U besluit te gaan kijken en treft een grauwbleek meisje met een kreunende snelle ademhaling, een pols van 196/min. De bloeddruk is normaal voor de leeftijd. Vingers, neus en tenen zijn koud. U kunt geen pulsaties van de arteria dorsalis pedis voelen. De rectale temperatuur is 36,4ºC. U besluit tot opname.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Binnen welke termijn is deze opname geïndiceerd?

      1. Onmiddellijk per ambulance. dit is een vitaal bedreigde patiënt die ieder moment professionele reanimatie kan behoeven)

      2. Welke twee behandelingen zullen in het ziekenhuis waarschijnlijk als eerste plaatsvinden?

      2. Vaatvulling en antibiotica

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Er wordt onder meer een bacteriële infectie overwogen. Bacteriën die ons lichaam binnendringen worden normaliter snel door cellen opgeruimd.

      1. Welke cellen zijn hierbij betrokken?

      1. Macrofagen en/of neutrofielen - fagocyten

      2. Het vernietigen van bacteriën is effectiever als ze gemarkeerd zijn (opsonisatie). Noem de twee belangrijkste opsonines.

      2. Antistoffen + complement

      Vraag 43

      U bent semiarts kindergeneeskunde. Menno, 3 jaar oud, komt vanmiddag met zijn moeder op uw spreekuur. Het kind heeft al 3 weken dagelijks hoge koorts. De huisarts vond geen focus bij lichamelijk onderzoek, een behandeling met amoxycilline had geen effect, en hij besloot hem in te sturen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Noem naast infectie 2 pathogenetische categorieën waar u aan moet denken.

      Modelantwoorden legio:

      • Psychogeen, februs factitia (thermometer opwrijven), temperatuur laten opmeten door verpleegster

      2. Noem binnen elke categorie een voorbeeld van een mogelijke diagnose.

      • Autoimmuun; SLE; ANA.
      • Inflammatoir; Crohn; coloscopie. [‘inflammatoir’ te breed?]

      3. Noem bij die diagnose een test die u daarbij afwijkend verwacht te zijn. Categorie Diagnose Test

      Infecties Urineweginfectie Urinekweek

      • Maligne; leukemie; bloedbeeld.

      Maar er is nog veel meer goed.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Bij een positieve urinekweek werd een behandeling ingesteld met amoxicilline en clavulaanzuur (3.d.d. 125mg/31,25mg).

      1. Waarom wordt de combinatie amoxicilline en clavulaanzuur gebruikt?

      1. mogelijk bacterien angetoond die resistent zijn voor amoxicilline. Clavulaanzuur remt het bacteriele β-lactamase . Indien de resistentie berust op v erhoogde β-lactamase productie van de bcterie, dan is

      2. Hoe lang moet de kuur met het antibioticum tenminste duren?

      de infectie weer behandelbaar met amoxicilline i.c.m. clavulaanzuur.

      2. 7-10 dagen

      3. Noem een alternatief antibioticum bij een allergie voor amoxicilline

      2. 7-10 dagen 3. cotrimoxazol (cefalosporinen als reserve)

      Vraag 44

      U werkt als assistent kindergeneeskunde in een middelgroot streekziekenhuis. U wordt geroepen bij een kind met een afwijkend genitaal, à terme geboren na een ongecompliceerde zwangerschap. U voelt geen testes, het scrotum is leeg, de penis is vrij klein en er is een perineale hypospadie. Verder lichamelijk onderzoek toont een overigens gezond kind.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat adviseert u de ouders t.a.v. aangifte bij de burgerlijke stand?

      1. Onduidelijk; aangifte uitstellen

      2. Welke drie onderzoeken moeten worden ingezet?

      2. Echo bijnier, uterus en gonaden; hormoonbepaling [17 hydroxyprogesteron, testosteron, androsteendion]; chromosomen/karyogram

      3. De vraag is of het patiëntje lokaal kan worden onderzocht of dat het naar een gespecialiseerd centrum moet worden verwezen, en of er spoed bij is of niet. Wat is op deze beide aspecten het antwoord?

      3. Met spoed verwijzen naar een gespecialiseerd centrum

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Geef de cytogenetische schrijfwijze voor het normale chromosoompatroon van een man en van een vrouw

      1. 46,XY (man); 46,XX (vrouw)

      . Geef de cytogenetische schrijfwijze voor iemand met het Turner syndroom

      2. 45,X

      3. Geen de cytogenetische schrijfwijze voor iemand met het Klinefelter syndroom

      3. 47,XXY elk 1 punt

      Vraag 45

      U bent kinderarts en naar u wordt verwezen de 2-jarige Ismail, wegens anemie. De huisarts mat een Hb van 2,0 mmol/l met een normaal aantal leukocyten en trombocyten. U ziet een zeer bleke jongen met een tachycardie van 180/min en warme acra. U geeft meteen extra zuurstof en brengt een infuus in waaruit u bloed voor diagnostiek afneemt.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Noem de drie belangrijkste aanvullende laboratoriumbepalingen (naast wat reeds door de huisarts was onderzocht) die u in ieder geval moet aanvragen, voordat u tot behandeling overgaat.

      1. Vereist: bloedgroep, MCV, reticulocyten, LD (of bili of hapto).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Bij welk intracellulair proces is zuurstof betrokken (‘verbranding’ of ‘energiemetabolisme’ is te algemeen)?

      1. Oxidatieve fosforylering (ATP synthese m.b.v. de elektronentransportketen)

      2. In welk cellulair compartiment vindt dit proces plaats?

      2. Mitochondrion.

      3. Wat is de rol van zuurstof bij dit proces?

      3. Acceptor van ( de aan voeding onttrokken) elektronen (het is dus een oxidator, en wordt zelf gereduceerd tot water).

      Vraag 46

      Een moeder komt met haar 3-jarig dochtertje bij de huisarts. Het meisje heeft kleine puntbloedinkjes op armen en benen. Ze is net hersteld van een verkoudheid. De huisarts stelde een ernstige thrombocytopenie (9x10 9/l) vast.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat zijn de twee meest waarschijnlijke oorzaken van trombocytopenie bij dit meisje?

      1. ITP, Leukemie (of afbraak, aanmaakstoornis).

      2. Met welke twee laboratoriumbepalingen kunt u hiertussen eenvoudig onderscheid maken?

      2. Hb Leukocyten.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Thrombocyten worden in het beenmerg geproduceerd uit voorlopercellen.

      1. Hoe heten deze voorlopercellen?

      1. Megakaryocyten.

      2. Beschrijf in maximaal 1 zin hoe uit 1 voorlopercel duizenden thrombocyten gevormd kunnen worden.

      2. Door afsnoering.

      3. Noem 2 stollingsfactoren die voorkomen in de a-granula van thrombocyten.

      3. Plaatjesfactor IV, van Willebrand-factor, thrombospondine, etc.

      Vraag 47

      Een verontruste moeder komt ’s avonds met haar 3-jarig dochtertje naar de huisartsenpost omdat het meisje sinds een uur benauwd is. Ze werd wakker met een hoorbare ademhaling (m.n. inspiratoir). Enkele dagen tevoren hoestte het meisje. Bij onderzoek ziet u een onrustig meisje, dat hoest als een zeehond met een temperatuur van 38 0C.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Laryngitis subglottica.

      2. Hoe noemt men medisch een hoorbare ademhaling?

      2. Stridor.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Indien de huisarts het beeld ernstig vindt zal hij de patiënte verwijzen naar het ziekenhuis.

      1. Welke therapie zal zeer waarschijnlijk in het ziekenhuis worden toegepast? (3 te volgen stappen).

      1. Vernevelen in eerste instantie met pulmicort (met-zonder adrenaline); corticosteroiden; intubatie.

      Vraag 48

      U bent semi-arts kindergeneeskunde en ziet Hidde. Hidde is 2 weken oud, heeft het syndroom van Down en weegt nu 3000g. Hij is nog niet terug op zijn geboortegewicht. Hij drinkt dan ook erg weinig. Van de 6x75 ml flesvoeding die hij krijgt aangeboden, drinkt hij steeds hooguit 45 ml op. Dan stopt hij uitgeput tachypnoisch met de fles, zijn haar van het transpireren tegen de slapen geplakt. Bij lichamelijk onderzoek is de hartfrekwentie 192/min en de ademfrequentie 56/min. Het hart is palpatoir vergroot. Er is een graad III/VI ruw systolisch geruis hoorbaar over het gehele precordium. Op de rug hoort u bilaterale crepitaties en in de buik is de lever 6cm onder der rechter ribbenboog palpabel. De transcutane O2 saturatiemeting is 91%. Bij echocardiografie blijkt er een groot ventrikelseptumdefect te zijn.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat zou een normale hartfrequentie voor deze neonaat zijn, wat zou een normale ademfrequentie voor deze neonaat zijn en hoe veel cm zou de lever palpabel mogen zijn?

      1. HF 110-160/min AF 30-40/min Lever <2cm.

      2. Verwacht u dat de zuurstofsaturatie verbetert bij toediening van extra zuurstof? Licht uw antwoord in maximaal twee zinnen toe.

      2. Ja, desaturatie door longovervulling; geen rechts-links shunt.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke ruimte van het hart bepaalt grotendeels de rechter contour van het hart, zoals bijvoorbeeld op een X-thorax te zien is?

      1. Rechts: rechter atrium.

      2. En welke ruimte bepaalt grotendeels de linker contour?

      2. Links: linker ventrikel.

      Vraag 49

      U bent tropenarts in Tsjaad. U heeft geen laboratorium en geen röntgen- of echoapparatuur. In uw apotheek bevinden zich gentamicine, amoxycilline, doxycycline, kinine en tuberculostatica. Bij u komt de 2-jarige Hassan wegens acuut opgetreden koorts en hoesten. Tot een dag tevoren was hij kerngezond. Bij lichamelijk onderzoek ziet u een zieke jongen met 40 C koorts een ademfrequentie van 54/min. Hij neusvleugelt, hoest af en toe, maar is niet bleek, blauw of geel en niet nekstijf.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is uw waarschijnlijkheidsdiagnose?

      1. Pneumonie.

      2. Beschrijf twee afwijkingen die u bij auscultatie van de thorax kunt verwachten

      2. Verzwakt ademen, crepitaties, bronchiaal ademgeruis.

      3. Wat is de waarschijnlijkste verwekker van deze ziekte en met welk medicijn moet u daarom behandelen?

      3. S.pneumoniae amoxycilline.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke categorie eiwitten is voor zijn functie afhankelijk van een 37oC kerntemperatuur?

      1. Enzymen.

      2. Waar bevindt zich het centrum voor de temperatuurregulatie?

      2. Hypothalamus.

      3. Noem een andere reden dan ziek zijn die de kerntemperatuur kan verhogen.

      3. Inspanning en/of zonnesteek.

      Vraag 50

      U bent poortarts in een middelgroot ziekenhuis en wordt geroepen bij Jord. Hij is een 6 weken oude jongen die sinds een week in toenemende mate braakt na elke voeding. Hij braakt met kracht en is meteen daarna weer hongerig. De laatste dagen is er ook wat bloed bij het braaksel, maar geen gal. Bij lichamelijk onderzoek vallen een ingezonken fontanel en een gerimpelde huid op.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Pylorushypertrofie.

      2. Waar wijzen de afwijkingen bij lichamelijk onderzoek op?

      2. Dehydratie.

      3. Hoe kunt u de diagnose bevestigen?

      3. Proefvoeding of echo.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welk orgaan produceert gal?

      1. De lever.

      2. Wat is de overeenkomst tussen alle stoffen die in de gal terecht komen?

      2. Niet wateroplosbare stoffen, niet via de nier uit te scheiden.

      3. Hoe wordt de gal uitgescheiden?

      3. Via de feces.

      Vraag 51

      U ziet als huisarts een meisje van 5 jaar, bij wie thuis en op school is opgemerkt, dat ze de laatste tijd minder goed hoort. Ze zit sinds enkele maanden op zwemles. Ze is ook vaak verkouden. De spraaktaalontwikkeling is tot nu toe normaal verlopen. Ze heeft geen oorpijn. U kunt de trommelvliezen niet goed beoordelen maar U beschikt over een handzame tympanometer, die bij meting aan beide oren vlakke curven laat zien: het beeld van intacte doch immobiele trommelvliezen. Dit duidt op vocht achter het trommelvlies beiderzijds.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Hoe heet deze aandoening?

      1. OME, Otitis Media met Effusie, OMS, Otitis Media Serosa, glue ears, lijmoren.

      2. Beschermen oordopjes tijdens het zwemmen hiertegen?

      2. Neen. De aandoening ontstaat van binnenuit.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Hoe komt de vochtophoping achter de trommelvliezen?

      1. Dat wordt daar aangemaakt en vloeit niet af door de viscositeit/taaiheid of t.g.v. tubadysfunctie.

      Wordt daar gemaakt, is snot/secreet, ontstaat in het middenoor = 3 punten

      Vraag 52

      U bent huisarts en wordt geroepen bij een 3-jarige boerendochter. Zij heeft al 4 dagen heftige bloedige diarree. Nu heeft zij al langer dan 18 uur niet geplast. Bij lichamelijk onderzoek ziet u een zieke bleke peuter met wat puntbloedinkjes, maar warme acra, krachtige perifere pulsaties en een normale huidturgor.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Hemolytisch uremisch syndroom

      2. Noem drie laboratoriumbepalingen waarmee deze diagnose bevestigd kan worden.

      2.

      1. Hb/Ht/LDH/reti’s/haptoglobine/microscopie rode bloedbeeld (schistocyten)
      2. Thrombocyten
      3. Ureum/kreatinine

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke bacterie is in de meeste gevallen de oorzaak van dit ziektebeeld? Specificeer.

      1. E. coli O157 of andere verotoxine producerende E.coli.

      2. Welke andere bacteriën kunnen diarree veroorzaken?

      2. salmonellae, shigellae, yersinia, campylobacter, etc.

      Vraag 53

      Hasan, een Marokkaanse jongen van 5 jaar oud, komt bij u op de spoedeisende hulp omdat hij roodbruine urine produceert. Hij was gezond tot de avond voor presentatie. Na het eten van een geurige tuinbonenschotel werd hij niet lekker. Moeder vertelt dat haar broers, haar oom ook, niet tegen tuinbonen kunnen. Bij lichamelijk onderzoek is Hasan bleek-iterisch en tachycard (200/min). Bij aanvullend onderzoek is de Hb 2,1 mmol/l en het LD 3400 U/I.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. U vermoedt dat deze anemie hemolytisch is. Noem één gegeven uit de anamnese en één gegeven uit het lichamelijk onderzoek dat daar specifiek op wijst.

      1. Rode urine, icterisch.

      2. Waar moet op gelet worden bij het urine-onderzoek? (2 items)

      2. Erythrocytair enzymdefect (G6PD deficiëntie).

      3. Wat is de erfmodus van deze aandoening?

      3. X-gebonden (X-linked recesief).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Erytrocyten zijn in vele opzichten bijzondere cellen.

      1. Geef aan welke van de onderstaande structuren in de rijpe erytrocyt wel (+) en niet (-) voorkomen:

      Celkern

      Mitochondria

      Ribosomen

      1. Celkern (-), mitochondria (-), ribosomen (+).

      2. Uit welk proces verkrijgt de erytrocyt de benodigde energie?

      2. Anaëroob afbreken (anaërobe verbranding) van glucose (glycolyse).

      3. Wat zijn, naast ADP en ATP, de begin- en eindproducten van het proces in 2) .

      3. Glucose en lactaat (melkzuur). 1, 2 en 3 elk 1 pnt (de 3 structuren in 1. moeten alle drie juist zijn)

      Vraag 54

      U hebt als semi-arts dienst op de spoedeisende hulp. Een 6-jarige jongen presenteert zich met acute benauwdheid na contact met paarden. U ziet een tachy- en dyspnoïsche jongen met een piepend, sterk verlengd expirium. U laat hem onmiddellijk bronchodilatantia inhaleren en terwijl hij de medicatie krijgt toegediend vraagt u de familie-anamnese uit.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Noem 3 aandoeningen in de familie waar u expliciet naar moet vragen.

      1.

      1. Astma
      2. Hooikoorts/allergische rhinitis/conjunctivitis
      3. Eczeem

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke manier van overerving is hier van toepassing: monogeen, chromosomaal of multifactorieel?

      1. Multifactorieel.

      2. Waarom is DNA-onderzoek niet zinvol?

      2. Achterliggende genetische factoren zijn onbekend.

      Vraag 55

      Een moeder bezoekt met haar zoon van 9 maanden uw huisartsspreekuur. Al vanaf de geboorte is hij geregeld aan het hoesten en piepen, vooral bij verkoudheden. Het kind is à terme geboren; geen van beide ouders rookt, ook niet tijdens de zwangerschap. U wilt de anamnese verder uitdiepen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Noem twee belangrijke oorzaken voor deze klachten op zuigelingenleeftijd. Geef voor elke oorzaak een anamnese vraag waarmee die diagnose waarschijnlijker kan worden gemaakt.

      1.

      Oorzaak

      Vraag

      • Atopisch astma
      • Atopie in familie? Eczeem?
      • Virale infecties (bijv. RSV infecties)
      • Verkoudheden in omgeving? Crowding? Crechebezoek?
      • Bronchiale hyperreactiviteit
      • Uitlokkende factoren? Atopie in familie? Eczeem?

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Het doel van neonatale screening is het opsporen van aandoeningen waarbij interventies kort na de geboorte duidelijke voordelen hebben voor de pasgeborenen. De Gezondheidsraad heeft vijf criteria omschreven waaraan screening moet voldoen.

      1. Noem drie van deze criteria.

      1. De criteria die de Gezondheidsraad heeft omschreven waaraan screening moet voldoen zijn: goed omschreven aandoening, geschikte diagnostische methode,

      therapie beschikbaar en toegankelijk, vrijwillige deelname, goede voorlichting aan ouders en informed consent.

      Vraag 56

      U bent SEH-arts. Een 14 maanden oude peuter wordt zondagochtend om 11 uur comateus bij u op de Spoedeisende Hulp binnengebracht. Zo is hij door de ouders een uur eerder in bed aangetroffen. U ziet een jongen met een Glasgow coma score E2 M4 V1. De pupillen zijn symmetrisch wijd en reageren goed op licht. Hij is bleek, en tachycard, maar de perifere pulsaties zijn goed en de capilaire refill is goed (1,5 sec). Bij verder lichamelijk onderzoek vindt u geen afwijkingen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Geef van elk van deze mogelijkheden een voorbeeld dat hier van toepassing kan zijn.

      1.

      • Trauma: schedeltrauma / intracraniële bloeding / mishandeling
      • Toxisch: accidentele ingestie sedativa of andere psychofarmaca / CO intoxicatie
      • Infectieus: encefalitis/ meningitis
      • Metabool: hypoglycemie

      2. Welk bloedonderzoek is onmiddellijk geïndiceerd en waarom?

      2. Bloed-glucose controle. Persisterende hypoglycemie geeft irreversibele cerebrale schade, aangezien de hersenen van glucose afhankelijk zijn voor hun energievoorziening. Onmiddellijke correctie is mogelijk en nodig.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Een eventuele metabole oorzaak van het coma in de nacht kan een hormonale oorzaak hebben.

      1. Een gebrek aan welk hormoon kan hier aan de hand zijn?

      1. Glucagon

      2. Welke cellen reageren normaliter op dit hormoon en voorkomen daarmee een coma?

      2. Hepatocyten (NIET: spiercellen, myocyten)

      Vraag 57

      Een 8-jarig meisje wordt door de huisarts verwezen naar de kinderneuroloog in verband met afwezig gedrag en verminderde schoolprestaties. De leerkracht vindt haar dromerig Het is haar opgevallen dat ze vaak even staart en dan niet op haar omgeving lijkt te reageren. De vraag van de huisarts is of er sprake kan zijn van absence epilepsie.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Hoe kan de kinderneuroloog deze diagnose aannemelijker maken tijdens onderzoek in de spreekkamer?

      1. door het meisje te laten hyperventileren kunnen de typische absences opgewekt worden in de spreekkamer

      2. Door welke afwijkingen bij het aanvullend onderzoek kan deze diagnose bewezen worden?

      2. Door de typische 3/sec gegeneraliseerde piekgolfcomplexen op het EEG.

      3. Wat zijn de argumenten voor of tegen beeldvormend onderzoek bij absence epilepsie?

      3. Het betreft een idiopathische vorm van epilepsie, waaraan geen zichtbare structurele afwijkingen ten grondslag liggen, dus beeldvormend onderzoek is overbodig.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Epilepsie kan worden veroorzaakt door niet goed functionerende ionkanalen

      1. Benoem twee ionen die verantwoordelijk zijn voor de depolarisatie en één ion betrokken bij de repolarisatie

      1. Depolarisatie: natrium en calcium, Repolarisatie: kalium ionen

      Vraag 58

      U bent semi arts kindergeneeskunde en ziet Hidde. Hidde is 2 weken oud en heeft het syndroom van Down en weegt nu 3000g. Hij is nog niet terug op zijn geboortegewicht. Hij drinkt dan ook erg weinig Van de 6x75 ml flesvoeding die hij krijgt aangeboden drinkt hij er steeds hooguit 45 ml op. Dan stopt hij uitgeput tachypnoisch met de fles, zijn haar van het transpireren tegen de slapen geplakt. Bij lichamelijk onderzoek is de hartfrequentie 192/min en de ademfrequentie 56/min. Het hart is palpatoir vergroot. Er is een graad III/VI ruw systolisch geruis hoorbaar over het gehele precordium. Op de rug hoort u bilaterale crepitaties en in de buik is de lever 6 cm onder der rechter ribbenboog palpabel. Bij echocardiografie blijkt er een groot ventrikelseptumdefect te zijn.

      Klinische vraag

      Antwoord

      [Vena Cava Inferior, Vena Pulmonalis, Arteria Pulmonalis, Rechter Atrium, Rechter Ventrikel, Linker Atrium, Linker Ventrikel, Longen, Aorta]. NB, sommige structuren worden meer dan eens gepasseerd (rijtje maken a t/m i)

      1: VCI-> RA -> RV-> AP -> Longen -> VP -> LA -> LV (-> RV-> AP -> Longen -> VP -> LA -> LV)n -> Aorta

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Hidde is enig kind. Zijn moeder is G3P1. De echtgenote van haar broer heeft 3 keer een spontane miskraam gehad. Dit echtpaar heeft ook één kind, een gezonde dochter Helma.

      1) Teken de stamboom.

      2) Welke cytogenetische afwijking zal bij de ouder(s) van Hidde en Helma aanwezig zijn?

      2) Gebalanceerde translocatie bij moeder van Hidde en de vader van Helma.

      Vraag 59

      U heeft als semi-arts dienst op de Spoedeisende Hulp. Evert, een 6-jarige jongen presenteert zich daar met acute benauwdheid na contact met paarden. De familie-anamnese is sterk positief voor allergische aandoeningen. Evert heeft als zuigeling ook eczeem gehad. U ziet een tachy- en dyspnoïsche grauw-cyanotische jongen met een sterk verlengd expirium en bij auscultatie van de longen nauwelijks hoorbaar ademgeruis.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijk diagnose?

      1. Astma aanval/ status astmaticus/ ernstig astma/ exacerbatie astma

      2. Welke twee behandelingen zijn in eerste instantie geïndiceerd? (specificeer)

      2. Zuurstof/O2 en Salbutamol/ventolin/bronchodilatantia (evt. samen met ipratropium/atrovent)

      3. Welk medicament is geïndiceerd als deze behandelingen onvoldoende effect hebben?

      3. Steroïden/prednison/prednisolon

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Op grote hoogte is de zuurstofspanning van de omgeving lager dan op zeeniveau. Door op vakantie te gaan in Tibet zal jouw lichaam twee aanpassingen doen om die lagere zuurstofspanning te weerstaan. De eerste betreft een acute aanspanning direct na de landing in de buitenlucht en de tweede een voor de wat langere termijn.

      1. Benoem de twee aanpassingen en de receptoren verantwoordelijk voor het detecteren van de arteriële zuurstofspanning.

      1.

      • Snellere ademhaling door verminderde zuurstofspanning
      • Aanmaak meer rode bloedcellen
      • (Perifere) Chemosensoren
      Menu: verzekeringen

         

      7 - Inspiratie

      7 - Inspireren & Samenwerken

      • Wat: Inspiratie opdoen en betrokkenheid bepalen
      • Hoe: Je keuzegeweten laten spreken, tegen je eigen lat houden, past het bij je?, voelt het goed? Haal jij, of een ander, er voldoende inspiratie vandaan?
      • Content: Hoe werkt de praktijk, wat en kan jij ervan leren? Welke ervaringen kan jij delen of zijn al gedeeld? Hoe kan jij anderen inspireren?
      Inspiratie van WorldSupporter
      De sabbatical of het tussen'jaar': een must voor iedereen? - Koert Hommel
      Even op adem komen. Je bezinnen op wat je aan het doen bent, in je werkende leven, persoonlijk, of allebei. Je tempo...
      Wereldstage zoekt voor jou een passende stage! - Supporter of Wereldstage
      De dienstverlening van Wereldstage Curacao bestaat uit het vinden van de juiste stageplaats, het helpen invullen van...
      Fondsenwerving-Tips! - Wilde Ganzen
      Wilde Ganzen steunt Particuliere Initiatieven die gericht zijn op het bestrijden van armoede wereldwijd. De...
      Werken aan je vaardigheden en competenties én een bijdrage leveren met vrijwilligerswerk in het buitenland - Koert Hommel
      In het buitenland werken is een verrijking; je krijgt de kans je kennis uit te bouwen over hoe het is om te werken in...
      Over hoe men mij in Hong Kong tot de Islam wilde bekeren - JudithinChina
      Als je in Hong Kong de roltrap neemt die je van Central naar de Mid-Levels brengt, kom je langs een oude moskee. Toen...
      Business Bootcamp in Málaga: mondiaal burgerschap & international classroom inéén - Koert Hommel
      Recent las ik Transfer Magazine, dit keer volledig in het teken van de 'International classroom'. Centraal in de...
      Menu: Inspiratie
      Crossroad: Partner
       
       
      Vrijwillig Wereldwijd: ervaring opdoen met jezelf en voor een ander!

          

      8 - Ervaring

      8 - Ervaren & Werken

      • Wat: Met je proces de slag gaan of werken in het kader van je proces
      • Hoe: Keuze-ervaring, de praktijk ervaren rond je keuzeprocessen, werk maken van je proces, proces maken van je werk
      • Content: Hoe kan je jezelf nuttig maken via stages of vrijwilligerswerk,Is er gerelateerd werk mogelijk,  zijn er vacaturemogelijkheden
      Ervaring opdoen & Zingevende vacatures

      JoHo Vacatureservice

      • Hieronder vind je recente & uitgelichte vacatures  betaald werk, stages & vrijwilligerswerk in het buitenland & Nederland uit de JoHo Vacatureservice.
      • Wil je reageren of solliciteren, word dan JoHo donateur en vind per land de betrokken organisatie.
      • Word JoHo abonnee als je de Vacatureservice effectief en volledig wilt gebruiken. 

      Een kleine greep uit de mogelijkheden via JoHo 




      Menu: Vacatures

        

      9 - Beslissing

      9 - Beslissen & Uitvoeren

      • Wat: Besluiten en in actie komen
      • Hoe: Keuzeproces afronden, Beslissing gevolg geven & uitvoeren
      • Content: Stappen nemen, contacten leggen, spullen aanschaffen, services afsluiten, ...
      Menu: Artikelen
      Menu: Samenvattingen
      Shop: Prijsinfo

      Prijzen & Kortingen

      • 'Price' is de reguliere prijs die altijd zichtbaar is
      • 'Member price' (indien vermeld) is de prijs voor JoHo donateurs
      • 'Your member price' is jouw prijs als donateur of abonnee (zichtbaar nadat je inlogt)
      • De kortingen voor donateurs & abonnees zijn voor online bestellingen gemiddeld 10-30%
      • De kortingen bij afhalen in de support centers zijn hoger
      • De verzendingskosten zijn voor donateurs en abonnees lager
      Shop: Kortingen

      JoHo service-abonnement kiezen

      JoHo donateur worden en service-abonnement kiezen

      • Voor samenvattingen en stages, vacatures en sollicitaties, reizen en backpacken, vrijwilligerswerk en duurzaamheid, emigratie en lang verblijf in het buitenland

      Voor JoHo donateurs

       

      10 - Evalueren

      10 - Evalueren & Vervolgen

      • Wat: Teurgkijken naar je beslissing en vooruitkijken naar het vervolg
      • Hoe: Je eigen keuze beoordelen, doorgaan naar een volgend keuzeproces gaan, beginnen aan het vervolgproces
      • Content: Naar het volgende onderwerp of naar de volgende activiteit, zoeken naar andere pagina's & activiteitengerelateerd nieuws [/content][/joho_popup]

       

       

      Zoeken