Samenvattingen en studiehulp bij Abnormal Child and Adolescent Psychology van Wicks-Nelson & Israel – Boektool

  Tools

De hele tekst op deze pagina lezen? Alle JoHo tools gebruiken? Sluit je dan aan bij JoHo en log in!
 

Aansluiten bij JoHo als abonnee of donateur

The world of JoHo footer met landenkaart

    Aansluiten bij JoHo met een JoHo abonnement

    JoHo abonnement (€20,- p/j)

    • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
    • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
    • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
    • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
    • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
    • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

     of met een JoHo donateurschap

    JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

    • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
    • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
    • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
    • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

     

    Aanmelden & Aansluiten bij JoHo 

    Boektool voor JoHo abonnees

     

    Boek: Abnormal Child and Adolescent Psychology van Wicks-Nelson & Israel

    Studietools: Bulletsamenvatting - Boeksamenvattingen – TentamenTests

    JoHo: nieuws checken
    Mededelingen en laatste stand van tool, wijzer, vak of boek

    JoHo Tools bij Abnormal Child and Adolescent Psychology

     

    Samenvattingen Tools

    Gepubliceerd

    • Nederlandse bulletsamenvatting bij alle hoofdstukken van de 8e druk
    • Nederlandse boeksamenvatting bij alle hoofdstukken van de 8e druk

     

    Test Tools

    Gepubliceerd

    • Nederlandse TentamenTests bij alle hoofdstukken van de 8e druk

     

    Tools in Print

    Gepubliceerd

    • Nederlandse boeksamenvatting bij alle hoofdstukken van de 8e druk
    • Nederlandse TentamenTests bij alle hoofdstukken van de 8e druk
     

    Bulletsamenvatting

    Bulletsamenvattingen per hoofdstuk bij de 8e druk van Abnormal Child and Adolescent Psychology van Wicks-Nelson & Israel - Chapter

    Boeksamenvatting per hoofdstuk

    Samenvattingen per hoofdstuk bij de 8e druk van Abnormal Child and Adolescent Psychology van Wicks-Nelson & Israel - Bundel

    Samenvattingen per hoofdstuk bij de 8e druk van Abnormal Child and Adolescent Psychology van Wicks-Nelson & Israel - Bundel

    Wat wordt er bedoeld met 'abnormaal gedrag'? - Chapter 1

    Wat wordt er bedoeld met 'abnormaal gedrag'? - Chapter 1


    Wat wordt er bedoeld met 'abnormaal gedrag'?

    Om abnormaal gedrag te beschrijven zijn er allerlei termen bedacht. Denk bijvoorbeeld aan mentale stoornis, psychologische afwijking, psychopathologie en ontwikkelingsstoornis. Ook zijn er richtlijnen ontwikkeld om abnormaliteit mee vast te stellen. Wat houdt abnormaal gedrag eigenlijk in? Van abnormaal gedrag is sprake wanneer de handelingen van iemand significant afwijken van de normale standaard van gedrag. Volgens deze definitie is een kind met een ver bovengemiddeld IQ ook abnormaal. Bij het onderzoek naar psychopathologie gaat het om abnormale gedragingen die schadelijk zijn voor het individu. De APA (American Psychiatric Association) definieert een stoornis als een klinisch significant patroon bij een individu (psychologisch en op gedragsniveau). Dit patroon zorgt voor frustratie, verstoringen, een verhoogde kans op sterven en op pijn. Psychopathologie interfereert met adaptatie aan de omgeving en belemmert het individu bij het volbrengen van ontwikkelingstaken. Een stoornis kan gezien worden als een intern probleem of als iemands reactie op omstandigheden. De laatste uitleg ligt meer voor de hand.

    Wat zijn ontwikkelingsstandaarden?

    Leeftijd kan worden beschouwd als index voor het ontwikkelingsniveau en is belangrijk bij het beoordelen van gedrag. Beoordelingen van gedrag hangen af van ontwikkelingsstandaarden, die iets zeggen over de groei van motorische vaardigheden, taal, cognitie en sociaal-emotioneel gedrag. Deze normen dienen als maatstaf bij het kijken naar de (abnormale) ontwikkeling van een kind. Er zijn verschillende manieren om gedrag als afwijkend van de normen te beschouwen:

    • Ontwikkelingsachterstand.
    • Achteruitgang in de ontwikkeling.
    • Extreem hoge of lage frequentie van gedrag.
    • Extreem hoge of lage intensiteit van gedrag.
    • Voortdurende gedragsproblemen.
    • Gedrag dat ongepast is voor de situatie.
    • Abrupte gedragsveranderingen.
    • Probleemgedragingen.
    • Kwalitatief afwijkend gedrag.

    Wat is de rol van cultuur en etniciteit in gedrag?

    Van cultuur is sprake wanneer groepen mensen op bepaalde manieren georganiseerd zijn, in een specifieke omgeving wonen en specifieke overtuigingen, normen, waarden en gebruiken delen. Culturele normen beïnvloeden de verwachtingen, beoordelingen en ideeën met betrekking tot het gedrag van jongeren. Wat heel normaal is in de ene cultuur, kan zeer afwijkend zijn in de andere cultuur. Hierdoor kunnen stoornissen cultuurspecifiek zijn.

    Etniciteit gaat over gedeelde waarden, overtuigingen en gebruiken in een gebied. Ras is daarentegen gebaseerd op lichamelijke kenmerken. Op basis van ras kunnen er ook gedeelde gebruiken en waarden bestaan. Binnen een heterogene samenleving kunnen etnische of raciale groepen psychopathologie op een andere manier uiten en hier andere ideeën over hebben dan in de dominante culturele groep.

    Wat zijn andere standaarden die gedragsbeoordelingen beïnvloeden?

    Sekse heeft ook invloed op hoe men gedrag beoordeelt. Zo maakt men zich sneller zorgen over een verlegen jongetje dan over een verlegen meisje. Daarnaast speelt de situatie ook een rol bij het beoordelen van gedrag. Zo is het normaal om te rennen op een voetbalveld, maar niet in de bibliotheek.

    Wat is de rol van anderen bij abnormaal gedrag?

    Kinderen worden over het algemeen door anderen doorverwezen voor een klinische evaluatie. Deze verwijzing heeft net zoveel te maken met de kenmerken van degene die het kind doorverwijst (bijvoorbeeld de ouders of leerkracht) als met het kind zelf. Er bestaat vaak onenigheid over de vraag of het kind een probleem heeft. Dit kan komen door verschillen in de mate waarin volwassenen blootgesteld worden aan het gedrag van het kind, maar ook door verschillen in houdingen, sensitiviteit, tolerantie en het vermogen om met het gedrag om te gaan (coping).

    Wat is er veranderd met betrekking tot abnormaal gedrag?

    Beoordelingen van abnormaliteit veranderen over de tijd heen. Zo werd masturbatie vroeger gezien als teken van krankzinnigheid, terwijl dat tegenwoordig niet meer het geval is. Veel factoren dragen bij aan veranderingen in gedragsbeoordelingen, zoals een kennistoename en veranderingen in culturele overtuigingen.

    Hoe vaak komen psychologische stoornissen voor?

    Het vaststellen van een stoornis hangt af van onder andere de definitie van een stoornis, de criteria om een stoornis te identificeren, de methode die gebruikt wordt om een stoornis mee vast te stellen en de populatie die onderzocht wordt. Sommigen zijn bezorgd dat maatschappelijke veranderingen hebben geleid tot een toegenomen risico op stoornissen bij jongeren. Er bestaat echter geen consensus met betrekking tot de seculaire trends bij jonge mensen. Terwijl sommige studies aantonen dat de prevalentie van stoornissen toeneemt, hebben andere studies geconcludeerd dat er sprake is van een afname. Bovendien is het moeilijk om conclusies te trekken over dergelijke seculaire trends. Misschien zijn er nu meer concentratieproblemen, omdat we te vroeg geboren baby’s vaker kunnen redden en zij een verhoogde kans op concentratieproblemen hebben. Ontdekt is dat deze verhoging van percentages niet kwam door grotere bereidheid om mentale gezondheidsproblematiek aan te geven of aan hogere percentages van ouders met een scheiding. Emotionele problemen van de moeder zouden bijvoorbeeld wel kunnen bijdragen aan gedragsproblemen of emotionele problemen.

    Vaak worden mentale gezondheidsproblemen niet (h)erkend. Dit is een ernstig probleem, omdat vroege stoornissen kunnen interfereren met daaropvolgende ontwikkelingsprocessen. Dit leidt tot een opeenstapeling van problemen.

    Wat is het verband tussen ontwikkelingsniveau en psychologische stoornissen?

    Er bestaat een verband tussen specifieke problemen en de leeftijd waarop ze meestal ontstaan. Spraakproblemen worden bijvoorbeeld opgemerkt als een kind begint met praten. Andere stoornissen ontstaan geleidelijk en soms verschilt het beginpunt per sekse. Hieronder volgt een overzicht van de leeftijdscategorieën waarin specifieke stoornissen vaak voor het eerst voorkomen of geïdentificeerd worden.

    • Tussen de geboorte en de leeftijd van zes jaar: taalstoornis, autismespectrumstoornis, asperger en sommige verstandelijke beperkingen.
    • Tussen de vier jaar en twaalf jaar: attention deficit hyperactivity disorder (ADHD).
    • Van zes jaar tot in de adolescentie: leerstoornis.
    • Vanaf acht jaar tot in de adolescentie: normoverschrijdend-gedragsstoornis (conduct disorder, CD).
    • Van twaalf tot achttien jaar: schizophrenie, drugsgmisbruik, bulimia nervosa en anorexia nervosa.

    Het is handig om vast stellen op welke leeftijd een stoornis bij een kind ontstaat. Als bekend is op welke leeftijd een specifieke stoornis gebruikelijk ontstaat, kan dit aanwijzingen geven voor de etiologie ervan. Als een stoornis bijvoorbeeld al op jonge leeftijd ontstaat, duidt dit op een genetische en/of prenatale etiologie, terwijl een later beginpunt duidt op omgevingsinvloeden. Daarnaast biedt deze informatie aanknopingspunten voor beoordelingen van de ernst of uitkomst van de stoornis: hoe eerder een stoornis ontstaat, hoe ernstiger de problemen vaak zijn. Tot slot hebben ouders, leerkrachten en andere volwassenen meer oog voor de tekenen van specifieke problemen, als zij weten op welke leeftijd deze problemen meestal ontstaan. Dit kan leiden tot de preventie of een vroege behandeling van de problemen.

    Wat is het verband tussen sekse en stoornissen?

    Veel stoornissen komen vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. De prevalentie van de volgende stoornissen is hoger voor mannen:

    • Autismespectrumstoornis.
    • Oppositionele-opstandige stoornis (Oppositional Defiant Disorder, ODD).
    • Normoverschrijdend-gedragsstoornis (Conduct Disorder, CD).
    • Drugsmisbruik.
    • Verstandelijke beperking.
    • Attention deficit hyperactivity disorder (ADHD).
    • Taalstoornis.
    • Leesstoornis.

    Bij vrouwen komen de volgende stoornissen vaker voor:

    • Angststoornis.
    • Depressieve stoornis.
    • Eetstoornis.

    Mannen zijn gevoeliger voor neurologische ontwikkelingsstoornissen die al vroeg ontstaan, terwijl vrouwen gevoeliger zijn voor emotionele problemen in de adolescentie. Problemen worden ook anders geuit door mannen en vrouwen. Mannen doen bijvoorbeeld sneller aan lichamelijke agressie, terwijl vrouwen meer relationele agressie vertonen, zoals het verspreiden van roddels. De ernst, oorzaken en gevolgen van sommige stoornissen verschillen ook per sekse.

    Het is mogelijk dat gevonden sekseverschillen (wat betreft stoornissen) het gevolg zijn van methodische oorzaken. In het verleden werden er bijvoorbeeld voornamelijk mannen bestudeerd. Misleidende onderzoeksresultaten kunnen ook komen door de bereidheid van mannen en vrouwen om over hun problemen te praten. Er kan ook sprake zijn van een referal bias. In klinische steekproeven kan ook bias ontstaan: wanneer er meer jongens in een onderzoek naar een bepaald stoornis zitten, omdat ze meer worden behandeld, leidt dit tot een omschrijving van hoe jongens omgaan met een stoornis. Dit kan er voor meisjes anders uitzien waardoor ze mogelijk buiten de definitie vallen.

    Toch zijn er ondanks deze methodische problemen wel echte verschillen tussen mannen en vrouwen. Er is sprake van verschillen in biologische aanleg, hersenfunctie en seksehormonen tussen mannen en vrouwen. Ook kunnen mannen en vrouwen biologisch gezien anders reageren op stress. Tevens is er sprake van sekseverschillen in blootstelling aan risicovolle en protectieve ervaringen, die worden geassocieerd met psychopathologie.

    Welke historische ontwikkelingen hebben plaatsgevonden?

    In de loop van de 17e  eeuw erkenden mensen dat kinderen aandacht, verzorging en liefde nodig hebben. In de 18e  eeuw werden kinderen beschouwd als zondig dan wel onschuldig. Anderen beschouwden het kind als ‘onbeschreven blad’, dat met ervaringen gevuld wordt. In de 19e  eeuw werd de adolescentie gezien als een fase met veel uitdagingen. In deze eeuw werden mentale stoornissen van volwassenen toegeschreven aan twee oorzaken: (1) demonologie: de volwassene is bezeten door de duivel of door kwade geesten en (2) somatogenese: mentale problemen komen door het slecht functioneren van het lichaam. In de late 19e  eeuw was de dominante aanname dat stoornissen vroeg in de kindertijd ontstaan en erfelijk zijn. Er is momenteel in de wetenschap veel interesse in deze denkwijze.

    Kraeplin

    Aan het einde van de 19e  eeuw werd gezocht naar behandelingen en classificaties van mentale stoornissen. Kraeplin stelde dat verschillende symptomen samen syndromen vormden, die waarschijnlijk een gemeenschappelijke biologische basis hebben. Hij geloofde dat elke stoornis een eigen oorzaak, eigen symptomen, eigen ontwikkelingspatronen en specifieke gevolgen heeft. Hij ontwikkelde een modern classificatiesysteem om afwijkingen van kinderen te groeperen.

    Freud

    Freud is de grondlegger van de psychoanalytische theorie en de bijbehorende behandelingsmethode psychoanalyse. Freud geloofde in psychogenese: mentale problemen zouden het gevolg zijn van psychologische factoren. Hij geloofde dat onbewuste conflicten en crisissen uit de kindertijd bepalend zijn voor gedrag. Freud stelde dat we allen een ID, een ego en een superego hebben, die constant met elkaar in conflict zijn. Angst is een waarschuwingssignaal voor het ego (het probleemoplossende deel van het verstand), dat impulsen vanuit het ID, die voor het superego onacceptabel zijn, tot het bewustzijn proberen door te dringen. Om beschermd te worden tegen de bewustwording van onacceptabele impulsen zijn er volgens Freud verdedigingsmechanismen, die de impulsen ontkennen of veranderen.

    Het psychoanalytische perspectief hangt samen met de psychoseksuele stadiumtheorie. Deze theorie gaat uit van vijf fasen. In iedere fase ligt de focus op een ander lichaamsdeel: (1) de orale fase, (2) de anale fase, (3) de fallische fase, (4) de latente fase en (5) de genitale fase. Bij de eerste drie fasen zijn er crisissen die cruciaal zijn voor de verdere ontwikkeling. Tijdens de orale fase doet een baby bijvoorbeeld alles in zijn mond. Tijdens de anale fase leert het kind zindelijk te worden. Tijdens de fallische fase wil een jongetje zijn moeder voor zichzelf hebben (het Oedipuscomplex). Een meisje wordt juist verliefd op haar vader (het Electracomplex). Volgens Freud wordt de persoonlijkheid van een mens grotendeels gevormd op basis van de manier waarop de crisissen in de eerste drie fasen worden opgelost. Er is veel kritiek op deze theorie geweest, omdat Freud deze theorie baseerde op zijn eigen patiënten en de theorie lastig testbaar was. De klassieke psychoanalytische theorie is nu gemoderniseerd. Er wordt minder de nadruk gelegd op seksuele krachten en meer op sociale invloeden. Erik Erikson kwam bijvoorbeeld met de psychosociale ontwikkelingstheorie.

    Wat is het behaviorisme en wat is de sociale leertheorie?

    Het behaviorisme is vooral bekend geworden door Watson. Deze theorie stelt dat het meeste gedrag verklaard wordt door leerervaringen. Watson geloofde sterk in klassieke conditionering; een begrip dat geïntroduceerd is door Pavlov. Dit concept houdt in dat nieuwe dingen geleerd worden door het koppelen van een nieuwe stimulus aan een al bekende stimulus.

    Thorndike kwam met de wet van effect: gedrag wordt gevormd door de bijbehorende gevolgen. Als de gevolgen positief zijn, zal het gedrag toenemen, terwijl het gedrag bij negatieve gevolgen zal afnemen. Skinner introduceerde operante conditionering. Deze manier van conditionering gaat over het aanleren van gedrag op basis van de gevolgen die samengaan met het gedrag. Operante conditionering is dus gebaseerd op de wet van effect.

    De sociale leertheorie van Bandura gaat uit van observationeel leren. Hij legde vooral de nadruk op sociale context en cognitie. Leren is noodzakelijk voor elk mens om te kunnen overleven. De toepassing van leerprincipes bij het ontdekken en behandelen van gedragsproblemen wordt gedragsmodificatie (behavior modification) of gedragstherapie genoemd. Benaderingen die vooral uitgaan van een combinatie van leerprincipes en sociale context (en/of cognitie) worden sociale leer- of cognitieve- gedragsperspectieven genoemd.

    Wat was de mentale hygiënebeweging?

    De mentale hygiënebeweging stond voor meer begrip, betere behandeling en meer preventie van stoornissen. Deze beweging zorgde voor hervormingen. Ook was er de kind-leiding (child guidance) beweging. Deze beweging richtte zich voornamelijk op kinderen, omdat ervaringen in de kindertijd de mentale gezondheid op latere leeftijd zouden beïnvloeden. Aan het begin van de 20e  eeuw begonnen kinderen het onderwerp te worden van wetenschappelijke onderzoeken. Hall was de eerste die data van kinderen verzamelde om mentale stoornissen, criminaliteit en sociale stoornissen te begrijpen. Binet en Simon waren de eersten die een intelligentietest voor kinderen ontwierpen. Ze probeerden uit te zoeken welke kinderen speciaal onderwijs nodig hadden. Gesell hield de lichamelijke, motorische en sociale gedragingen van kinderen in zijn laboratorium bij.

    Hoe wordt gedrag tegenwoordig bestudeerd binnen kind- en adolescentiepsychologie?

    De tak van de psychologie die zich bezighoudt met abnormale kind- en adolescentiepsychologie is gevormd door diverse historische theorieën en bewegingen. Doelen zijn het identificeren, beschrijven en classificeren van psychologische stoornissen. Ook is het van belang om de oorzaken van de problemen te achterhalen en stoornissen te voorkomen en anders te behandelen. Tegenwoordig zijn er zes uitgangspunten die belangrijk zijn voor de abnormale kind- en adolescentiepsychologie:

    1. Psychologische problemen hebben meerdere oorzaken. Toenemende kennis over deze oorzaken bevordert de preventie van problemen.
    2. Normaal en abnormaal gedrag hangen met elkaar samen. Beiden moeten worden bestudeerd.
    3. Menselijk gedrag is complex en vereist systematische conceptualisatie, dataverzameling, observatie en testen van hypothesen.
    4. De effectiviteit van behandeling moet worden onderzocht en er moeten nieuwe preventieprogramma’s worden ontwikkeld.
    5. Kinderen hebben het recht op een kwalitatief hoogwaardige verzorging.
    6. Volwassenen moeten opkomen voor de gezondheid van kinderen.

    Centraal in het huidige begrip van psychopathologie zijn: (1) interdisciplinaire inspanningen en (2) de rol van ouders. Interdisciplinaire inspanningen gaan over het feit dat vaak meer dan één professional betrokken is bij de behandeling van de psychopathologie van een kind. Vaak werken psychologen, psychiaters, docenten en maatschappelijk werkers samen. Pogingen van een maatschappelijk werker om therapeutische alliantie te krijgen met de patiënt kan de kans op een positief resultaat verhogen. Therapeutische alliantie houdt in dat er een persoonlijke band met het kind wordt gecreëerd en dat er wordt samengewerkt. Er is ook een belangrijke rol voor ouders weggelegd. Zij kunnen informatie over het kind geven, die verder niemand weet. Ze kunnen samenwerken met psychologen in de uitvoering van een behandeling of kunnen zelf een behandeling ondergaan.

    De keuze voor een behandelingstechniek moet worden afgestemd op het ontwikkelingsniveau van het kind. Zo is bij jonge kinderen speltherapie effectiever, terwijl in de adolescentie cognitieve technieken effectiever zijn.

    Tot slot heeft de American Psychological Association ethische richtlijnen vastgesteld, die de rechten omvatten op (1) informed consent, (2) meebeslissen over behandeldoelen en (3) vertrouwelijke zorg. Informed consent vereist dat de cliënt toestemming geeft voor de behandeling en volledig begrijpt hoe de behandeling zal verlopen. Bij kinderen moeten de ouders/verzorgers hier toestemming voor geven.

    Wat valt er te zeggen over psychopathologie tijdens ontwikkeling? - Chapter 2

    Wat valt er te zeggen over psychopathologie tijdens ontwikkeling? - Chapter 2

    Het ontwikkelingspsychopathologie perspectief integreert onderzoek naar normale ontwikkelingsprocessen met onderzoek naar psychologische stoornissen bij jongeren. Centraal in de ontwikkelingspsychopathologie staat het ontstaan en de ontwikkeling van verstoord gedrag, en individuele adaptatie en competentie. De ontwikkelingspsychopathologie is een raamwerk voor het begrijpen van verstoord gedrag in relatie tot de normale ontwikkeling. Het geeft geen specifieke theoretische verklaringen, maar integreert verschillende theorieën en benaderingen.

    Wat zijn biologische en omgevingsfactoren die invloed hebben op psychopathologisch gedrag? - Chapter 3

    Wat zijn biologische en omgevingsfactoren die invloed hebben op psychopathologisch gedrag? - Chapter 3

    De vroege ontwikkeling van het brein en zenuwstelsel wordt grotendeels door biologische factoren bepaald, maar ook de invloed van ervaring is groot. Het zenuwstelsel begint zich kort na de bevruchting te ontwikkelen, als de neurale plaat (een groep cellen) verdikt, naar binnen vouwt en de neurale buis vormt. De cellen migreren naar vaste locaties. Het brein bevat miljoenen multifunctionerende cellen, gliacellen, en neuronen. Neuronen vervoeren boodschappen binnen het zenuwstelsel en van en naar andere lichaamsonderdelen. Zenuwdraden krijgen een laagje myeline, een witte substantie die de efficiëntie van communicatie in het brein bevordert. Zowel vóór als na de geboorte wordt een overdaad aan neuronen en verbindingen geproduceerd om de flexibiliteit van het brein te verzekeren. Sommige hersendelen ontwikkelen zich sneller dan andere delen. De ontwikkeling van hersendelen voor zicht en gehoor verloopt bijvoorbeeld sneller dan de ontwikkeling van het frontale hersengebied, dat betrokken is bij complex denken.

    In de adolescentie is sprake van veel ontwikkelingen in het brein. Zo nemen de verbindingen tussen hersengebieden toe. Tevens neemt de hoeveelheid grijze stof in het frontale hersengebied af, terwijl de witte stof een toename vertoont, wat een reflectie is van voortdurende myelinisatie. Deze veranderingen hebben implicaties voor het psychologische en gedragsmatige functioneren.

    De ontwikkeling van het brein hangt af van de interactie tussen biologische aanleg en ervaringen (activiteit afhankelijke processen). Zowel vóór als na de geboorte is er sprake van pruning: onnodige cellen en verbindingen tussen cellen worden afgebroken. Dit proces ligt waarschijnlijk ten grondslag aan de afname van grijze stof in de adolescentie.

    Wat zijn de methoden van onderzoek binnen de psychologie? - Chapter 4

    Wat zijn de methoden van onderzoek binnen de psychologie? - Chapter 4

    Het algemene doel van de wetenschap is om fenomenen te beschrijven en verklaren. Wetenschappelijke kennis is afkomstig van een systematische formulering van een probleem, observatie en dataverzameling en interpretatie van onderzoeksresultaten. Theoretische aannames en concepten worden gebruikt om variabelen, procedures en onderzoeksdoelen te kiezen. Vaak worden hypothesen getest die van theorieën zijn afgeleid. Het testen van hypothesen (hypothesis testing) is waardevol, omdat kennis dan op een systematische manier verkregen wordt. Een onderzoek bewijst niet dat een hypothese waar of onwaar is, maar biedt bewijst vóór of tegen de hypothese. Wanneer een hypothese niet wordt ondersteund, kan dit leiden tot een aanpassing van de onderliggende theorie.

    Hoe worden gedragsstoornissen bij kinderen en adolescenten gedefinieerd, geëvalueerd en behandeld? - Chapter 5

    Hoe worden gedragsstoornissen bij kinderen en adolescenten gedefinieerd, geëvalueerd en behandeld? - Chapter 5

    De termen classificatie, taxonomie en diagnose worden gebruikt om het proces van beschrijving en groepering te beschrijven. Classificatie (of taxonomie) staat voor het creëren van grote categorieën of dimensies van gedragsstoornissen. Het is een systeem om fenomenen mee te beschrijven. Deze systemen zijn voor klinische of wetenschappelijke doeleinden. Van een diagnose is sprake wanneer een categorie of classificatie van toepassing wordt geacht op een individu. Beoordeling (assessment) verwijst naar het evalueren van jongeren om classificatie en diagnose te vergemakkelijken en om behandelplannen te maken.

    Classificatiesystemen proberen een fenomeen systematisch te beschrijven. Biologen hebben bijvoorbeeld classificatiesystemen voor organismen, zoals koud- en warmbloedige dieren. Zo bestaan er ook systemen om psychologische problemen te classificeren. Deze systemen beschrijven categorieën of dimensies van probleemgedrag, emoties en/of cognities.

    Een categorie is een discrete groepering, bijvoorbeeld angststoornissen, waar een individu wel of niet bij hoort. Een dimensie is daarentegen een continue eigenschap, die in verschillende maten kan voorkomen. Er zijn bijvoorbeeld verschillende maten waarin een kind angstig is.

    De categorieën of dimensies in een classificatiesysteem moeten duidelijk gedefinieerd zijn: de criteria moeten expliciet worden benoemd. Daarnaast moet onderscheid gemaakt kunnen worden tussen de verschillende categorieën. Tevens moet bewezen worden dat een categorie of dimensie daadwerkelijk bestaat: de kenmerken die gebruikt worden om een categorie of dimensie te beschrijven, moeten regelmatig samen voorkomen.

    Wat voor angststoornissen bestaan er en wat zijn de symptomen? - Chapter 6

    Wat voor angststoornissen bestaan er en wat zijn de symptomen? - Chapter 6

    Er bestaat een verschil tussen angst (anxiety) en bangheid (fear). Angst is een emotie die op de toekomst gericht is. Deze emotie wordt gekenmerkt door het gevoel dat iemand geen controle heeft over mogelijk negatieve gebeurtenissen. Ook lijken de gebeurtenissen voor de persoon in kwestie onvoorspelbaar te zijn. Als iemand wordt geconfronteerd met mogelijk gevaarlijke gebeurtenissen, is er onmiddellijk veel aandacht voor het gevreesde (of voor de emoties die hiermee gepaard gaan).

    Bangheid is een reactie op een aanwezige bedreiging. Bangheid wordt gekenmerkt door een alarmreactie. Angst en bangheid worden beschouwd als een complex patroon van drie soorten reacties op waargenomen dreiging:

    • Gedragsreacties, zoals wegrennen, stotteren en het sluiten van de ogen.
    • Cognitieve reacties, zoals gedachten van angst en bangheid en mentale beelden van lichamelijk letsel.
    • Lichamelijke reacties, zoals veranderingen in hartslag, zweten, samentrekkende spieren en een gevoel van misselijkheid.

    Bezorgdheid (worry) is een cognitieve component van angst en is moeilijk onder controle te houden. Zorgen zijn gedachten over mogelijke negatieve gevolgen, die moeilijk te controleren zijn.

    Het is voor clinici lastig om te bepalen of de angst van een kind of adolescent normaal en tijdelijk is, of atypisch en hardnekkig. Angst is een deel van de normale ontwikkeling, waardoor kinderen bijvoorbeeld bepaalde competenties ontwikkelen en meer autonoom worden. Kinderen leren bijvoorbeeld omgaan met het donker, terwijl adolescenten leren omgaan met angsten met betrekking tot daten.

    Welke soorten stemmingsstoornissen zijn er en wat zijn hun kenmerken? - Chapter 7

    Welke soorten stemmingsstoornissen zijn er en wat zijn hun kenmerken? - Chapter 7

    Een belangrijk aspect van internaliserende stoornissen zijn stemmingsproblemen. Kinderen en adolescenten die een ongebruikelijk verdrietige of juist euforische stemming hebben, die extreem of hardnekkig is en interfereert met het functioneren, worden respectievelijk depressief of manisch genoemd. Tegenwoordig is er een toenemende aandacht voor stemmingsstoornissen, vanwege verschillende redenen:

    • Veelbelovende ontwikkelingen in het identificeren en behandelen van stemmingsstoornissen bij volwassenen.
    • Er zijn betere instrumenten ontwikkeld om stemmingsstoornissen bij jongeren te onderzoeken.
    • Verbeteringen in diagnostische praktijken hebben het onderzoek naar stemmingsstoornissen bij jongeren bevorderd.

    Het is lastig om onderscheid te maken tussen verschillende subcategorieën stemmingsstoornissen, omdat veel mensen aan de criteria voldoen van meer dan één stoornis.

    Wat zijn gedragsproblemen en waardoor worden deze beïnvloed? - Chapter 8

    Wat zijn gedragsproblemen en waardoor worden deze beïnvloed? - Chapter 8

    Terwijl angst en depressie ontstaan door het internaliseren van problemen, zijn gedragsstoornissen vaak het gevolg van externaliseren. De term gedragsproblemen verwijst naar de algemene groep van verstorende en antisociale gedragsproblemen. De termen gedragsstoornis en verstorende gedragsstoornis worden gebruikt om te verwijzen naar specifieke diagnostische groepen. De term delinquentie wordt vooral in het rechtssysteem gebruikt en verwijst naar jongeren die antisociaal gedrag of andere gedragsproblemen vertonen. Het verwijst naar een minderjarige, die een indexmisdrijf (een handeling die voor zowel volwassenen als minderjarigen illegaal is, zoals diefstal) of een statusmisdrijf (een handeling die alleen illegaal is voor minderjarigen, zoals alcoholgebruik).

    Wat is ADHD? - Chapter 9

    Wat is ADHD? - Chapter 9

    ADHD is op vele verschillende manieren gedefinieerd. In de jaren ’50 lag de nadruk op de hyperactiviteit die kenmerkend is voor de stoornis. In die tijd werd gebruik gemaakt van verschillende termen, zoals hyperkinetisch syndroom en hyperactief kind- syndroom. Over de tijd heen nam de aandacht voor hyperactiviteit af en voor concentratieproblemen toe. In de DSM-III werd erkend dat een aandachtstekortstoornis (attention deficit disorder; ADD) voor kon komen met en zonder hyperactiviteit. Pas in de herziene versie van de DSM-III werd Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD) opgenomen. Deze stoornis wordt ook door dimensionale classificatiesystemen erkend.

    Welke stoornissen zijn er met betrekking tot taal en leren? - Chapter 10

    Welke stoornissen zijn er met betrekking tot taal en leren? - Chapter 10

    De definitie van een leerstoornis luidt volgens de ‘Individuals with Disabilities Education Act (IDEA)’ als volgt: “een leerstoornis is een stoornis in één of meer psychologische processen die betrokken zijn bij het begrijpen of gebruiken van (gesproken of geschreven) taal. De stoornis kan invloed hebben op luisteren, denken, spreken, lezen, schrijven, spellen of rekenen. Het gaat niet om kinderen die leerproblemen hebben door visuele problemen, gehoorproblemen, een motorische beperking, een verstandelijke beperking, emotionele problemen of een cultureel-economische achter gesteldheid.” Er zijn geen specifieke criteria voor het identificeren van beperkingen. Er zijn dus verschillende manieren om leerbeperkingen te identificeren. Verschillen in definities hebben geleid tot verschillende prevalentieschattingen, onvergelijkbare onderzoeksgroepen en verschillende maatstaven om te bepalen of kinderen in aanmerking komen voor speciaal onderwijs.

    Wat is een verstandelijke beperking? - Chapter 11

    Wat is een verstandelijke beperking? - Chapter 11

    Een verstandelijke beperking (VB, vroeger ook wel mentale retardatie genoemd) wordt gekenmerkt door beperkingen in zowel het intellectueel functioneren als aanpassingsgedrag. Dit uit zich in conceptuele, sociale en praktische vaardigheden. Er zijn drie diagnostische criteria voor een VB:

    • Leeftijdscriterium: een VB ontstaat vóór 18-jarige leeftijd, wat betekent dat het een ontwikkelingsstoornis is.
    • Beperkt intellectueel functioneren: de score op een intelligentietest moet minstens twee standaardafwijkingen onder het gemiddelde liggen (dat wil zeggen: het IQ is 70 of lager).
    • Beperking in aanpassingsvaardigheden: de score op gestandaardiseerde tests van conceptuele, sociale of praktische vaardigheden moet minstens twee standaardafwijkingen onder het gemiddelde liggen.
    Wat valt er te zeggen over autisme en schizofrenie? - Chapter 12

    Wat valt er te zeggen over autisme en schizofrenie? - Chapter 12

    In het verleden werd er geen onderscheid gemaakt tussen schizofrenie en pervasieve stoornissen, zoals autisme. Tegenwoordig wordt dat wel gedaan. Schizofrenie komt weinig voor onder kinderen, ontstaat vaak in de adolescentie en neemt in de volwassenheid toe. Autisme en het syndroom van Asperger zijn niet-psychotische stoornissen die op jonge leeftijd ontstaan.

    De DSM 4 bevat de categorie Pervasieve Ontwikkelingsstoornissen (Pervasive Developmental Disorders; PDD).

    Welke stoornissen beïnvloeden het lichamelijk functioneren? - Chapter 13

    Welke stoornissen beïnvloeden het lichamelijk functioneren? - Chapter 13

    De pediatrische psychologie houdt zich bezig met het onderzoek naar (psychologische) problemen die leiden tot een verstoring van het lichamelijk functioneren en de gezondheid.

    Problemen met het zindelijk worden en het aanleren van slaap- en eetgewoonte komen veel voor. Zowel het vermogen van het kind om deze vaardigheden te beheersen als de vaardigheden van ouders om het kind hierbij te begeleiden, zijn van belang voor het welzijn van kind en ouders. Soms zoeken ouders hulp als het niet lukt om bepaalde gewoonten aan te leren.

    Wat is de relatie tussen lichamelijke gezondheid en psychisch welbevinden? - Chapter 14

    Wat is de relatie tussen lichamelijke gezondheid en psychisch welbevinden? - Chapter 14

    Lichamelijke stoornissen die door psychologische factoren worden beïnvloed, werden in het verleden psychosomatische stoornissen genoemd. In DSM-II is deze term vervangen door psychofysiologische stoornissen en in DSM-III is deze term weer veranderd in psychologische factoren die lichamelijke condities beïnvloeden. In de DSM-IV werd dit omgevormd tot psychologische factoren die medische condities beïnvloeden. Nu in de DSM 5 is er een nieuw hoofdstuk genaamd somatische symptomen en gerelateerde stoornissen. Hierbij hoort de categorie psychologische factoren die andere medische condities beïnvloeden. Deze aanpassingen zijn het gevolg van de discussie over het verband tussen lichaam (soma) en geest (psyche). Tijdens de 20e  eeuw heeft de interesse in de effecten van psychologische processen op het lichaam geresulteerd in het ontstaan van de psychosomatische geneeskunde. Het werd duidelijk dat veel lichamelijke klachten beïnvloed worden door psychologische factoren. Onderzoekers gingen aan de gang met psychogenesis: het achterhalen van de psychologische oorzaak van lichamelijke stoornissen. Tegenwoordig is er meer aandacht voor multicausaliteit: het idee dat biologische, sociale en psychologische factoren bijdragen aan de gezondheid. Dit perspectief is holistisch en gaat uit van continue interacties tussen invloeden. Pediatrische psychologie is het vakgebied dat zich richt op deze processen bij kinderen en adolescenten.

    Welke kwesties zijn belangrijk voor jongeren en kinderen? - Chapter 15

      

    Alternatieven & Studiehulp

    Summaries per chapter with the 8th edition of Abnormal Child and Adolescent Psychology by Wicks-Nelson & Israel - Bundle

    Summaries per chapter with the 8th edition of Abnormal Child and Adolescent Psychology by Wicks-Nelson & Israel - Bundle

    What is abnormal behaviour? - Chapter 1

    What is abnormal behaviour? - Chapter 1

    When is behaviour considered abnormal?

    You can use many varying terms to describe abnormal behaviour. Consider, for example, ‘mental disorder’, ‘psychological disorder’, ‘psychopathology’ of ‘developmental disorder’. This is why guidelines have been developed to help identify abnormality. What does abnormal behaviour actually mean?

    Abnormal behaviour occurs when the actions of a significant person deviate from the normal standard of behaviour. According to this definition, a child with a far above average IQ is thus also considered abnormal. So, abnormal doesn’t immediately mean ‘bad’. Psychopathology research involves abnormal behaviours that are harmful to the individual. The APA (American Psychiatric Association) defines a disorder as a ‘clinically significant pattern in an individual’ (psychological and behavioural). This pattern causes frustration, disruptions, an increased risk of harm or danger to one’s wellbeing. Psychopathology interferes with the adaptation to the environment and impedes the individual from completing developmental tasks. A disorder can be seen as an internal problem or as a person's response to circumstances. The final explanation tend to be more obvious to recognise.

    What is the concept of developmental standards?

    Age can be considered as an index for the level of development and is important in assessing behaviour. Assessments of behaviour depend on developmental norms, which say something about the growth of motor skills, language, cognition and socio-emotional behaviour. These standards serve as a benchmark when looking at the (abnormal) development of a child. There are different ways to regard behaviour as deviating from the norms:

    • Developmental delay.
    • Developmental regression.
    • Extremely high or low frequency of behaviour.
    • Extremely high or low intensity of behaviour.
    • Behavioural difficulty persisting over time.
    • Behaviour that is inappropriate for the situation.
    • Abrupt behavioural changes.
    • Problem behaviours (several).
    • Qualitatively deviant behaviour.

    Cultural standards

    There is culture when groups of people are organized in specific ways, live in a specific environment and share specific beliefs, norms, values ​​and customs. Cultural norms influence the expectations, assessments and ideas regarding the behaviour of young people. What is very normal in one culture can be very strange in another culture. As a result, disorders can be culturally specific.

    Ethnicity is about shared values, beliefs and customs in an area. Race, on the other hand, is based on physical characteristics of a person. Shared standards and values also exist based on race. Within a heterogeneous society, ethnic or racial groups can express psychopathology in a different way and can have different ideas about it compared to the dominant cultural group.

    Sexual norms and situational norms

    Something that can also influence behaviour and psychological wellbeing are sexual norms. For example, we are more worried about a shy boy than a shy girl. During behavioural assessments, situational norms are also taken into account: expectations in specific settings or social situations. It is normal to run on the soccer field, but not in the library.

    The role of others in abnormal behaviour

    Generally, when children are sent for clinical evaluation, it’s because of the problems they create to others. This reference has just as much to do with the characteristics of the person who refers the child (for example the parents or a teacher) as with the child itself. There is often disagreement about whether the child has a problem. This may be due to differences in the extent to which adults are exposed to different child behaviours, but also due to differences in attitudes, sensitivity, tolerance and the ability to cope with the behaviour (coping).

    Changing views on abnormality

    Assessments of abnormality change over time. Masturbation used to be seen as a sign of insanity, whereas nowadays that is no longer the case. Many factors contribute to changes in behavioural assessments, such as an increase in knowledge and changes in cultural beliefs.

    What is the prevalence of abnormal behaviour?

    Determining a disorder depends on, among other things, the definition of a disorder, the criteria for identifying a disorder, the method used to identify a disorder and the population being examined. Some people are concerned that social changes have led to an increased risk of youth disorders. However, there is no consensus regarding this upcoming ‘trend’ among young people. While some studies show that the prevalence of disorders is increasing, other studies have concluded that there is a decrease. Moreover, it is difficult to draw conclusions about such supposed increases. Perhaps it is possible that there are more kids with trouble focussing, simply because we are able to save more babies that have been born prematurely and these kids have an increased chance of concentration problems. It has been discovered that this increase in percentages was not due to doctor’s being quicker with diagnosing mental health problems or to higher percentages of parents with divorce. For example, the mother's emotional problems could contribute to behavioural problems or emotional problems.

    Often mental health problems are not recognized. This is a serious problem because early disorders can interfere with subsequent developmental processes. This leads to an accumulation of problems – and this is what developmental psychopathology looks at.

    Is there a relationship between developmental level and disorder?

    There is a connection between specific problems and the age at which they usually arise. For example, speech problems are noticed when a child starts talking. Other disorders develop gradually and sometimes the starting point differs per gender. The following is an overview of the age categories in which specific disorders are often encountered or identified for the first time.

    • Between birth and the age of six: language disorder, autism spectrum disorder, asparagus and some intellectual disabilities.
    • Between four years and twelve years: attention deficit hyperactivity disorder (ADHD).
    • From six years to adolescence: learning disabilities.
    • From eight years up to adolescence: cross-norm behavioural disorder (conduct disorder, CD).
    • From twelve to eighteen years of age: schizophrenia, drug abuse, bulimia nervosa and anorexia nervosa.

    It is useful to determine at what age a disorder occurs in a child. If it is known at what age a specific disorder usually develops, this may give indications for its aetiology. For example, if a disorder develops at a young age, this indicates a genetic and/or prenatal aetiology, while a later starting point indicates environmental influences. In addition, this information provides starting points for assessing the severity or outcome of the disorder: the sooner a disorder develops, the more serious the problems are. Finally, parents, teachers and other adults are more aware of the signs of specific problems if they know at what age these problems usually arise. This can lead to the prevention or early treatment of the problems.

    The relationship between gender and psychological disorders

    Many disorders are more common in men than in women. The prevalence of the following disorders is higher for men:

    • Autism spectrum disorder.
    • Oppositional rebellious disorder (Oppositional Defiant Disorder, ODD).
    • Cross-norm behavioural disorder (Conduct Disorder, CD).
    • Drug abuse.
    • Mental disorder.
    • Attention deficit hyperactivity disorder (ADHD).
    • Language disorder.
    • Reading disorder.

    The following disorders are more common in women:

    • Anxiety Disorder.
    • Depressive Disorder.
    • Eating Disorder.

    Men are more sensitive to neurological developmental disorders that arise early, while women are more sensitive to emotional problems in adolescence. Problems are also expressed differently by men and women. For example, men engage in physical aggression faster, while women exhibit more relational aggression, such as spreading gossip. The severity causes and consequences of some disorders also differ per gender.

    It is possible that found sex differences (in terms of disorders) are the result of methodological causes. In the past, for example, the main focus of studies were men. Misleading research results may also be due to the willingness (or unwillingness) of men and women to talk about their problems. There can also be a referral bias, which means that on certain behaviour (such as shyness, one gender is quicker to have it be defined as ‘problematic behaviour’). In clinical samples, bias can also arise when more boys are involved in a study of a certain disorder, because they are being treated more, this leads to a description of how boys deal with a disorder. This may look different for girls, which may make them fall outside the definition of the disorder.

    Nevertheless, despite these methodical problems, there exist real differences between men and women. There are differences in biological predisposition, brain function and gender hormones between men and women. Men and women can also react biologically differently to stress. There are also sex differences in exposure to risky and protective experiences that are associated with psychopathology.

    How were psychological disorders viewed throughout history?

    In the course of the 17th century, people recognized that children need attention, care and love. In the 18th century, children were considered either sinful or innocent. Others considered the child to be an "unwritten sheet," filled with experiences. In the 19th century, adolescence was seen as a phase with many challenges. In this century, adult mental disorders were attributed to two causes: (1) demonology: the adult is possessed by the devil or by evil spirits; and (2) somatogenesis: mental problems are caused by the malfunctioning of the body. In the late 19th century, the dominant assumption was that disorders occur early in childhood and are inherited from their parents. There is currently much interest in this way of thinking in science.

    Kraeplin

    At the end of the 19th century, treatments and classifications of mental disorders were sought. Kraeplin stated that various symptoms combined together formed syndromes, which probably have a common biological basis. He believed that each disorder has its own cause, its own symptoms, its own development patterns and specific effects. He developed a modern classification system to group deviations in children.

    Freud

    Freud is the founder of the psychoanalytic theory and the associated psychoanalysis treatment method. Freud believed in psychogenesis: that mental problems are the result of psychological factors. He believed that unconscious conflicts and crises from childhood determine behaviour. Freud stated that we all have an ID, an ego and a superego, which are constantly in conflict with each other. Anxiety is a warning signal for the ego (the problem-solving part of the mind) that impulses from the ID, which are unacceptable to the superego, try to penetrate into consciousness. To be protected against the awareness of unacceptable impulses, there are, according to Freud, defence mechanisms that deny or change these impulses.

    The psychoanalytic perspective is related to the psychosexual stage theory. This theory assumes there are five phases. In each phase the focus is on a different part of the body: 1) the oral phase, 2) the anal phase, 3) the phallic phase, 4) the latent phase and 5) the genital phase. In the first three phases, there are crises that are crucial for further development. For example, a baby puts pretty much everything in its mouth during the oral phase. During the anal phase the child learns to become toilet trained. During the phallic phase, a boy wants his mother to himself (the Oedipus complex)/ a girl falls in love with her father (the Electra complex). According to Freud, the personality of a person is largely shaped by the way in which the crises in the first three phases are resolved. There has been much criticism of this theory because Freud based this theory on his own patients and the theory was difficult to test. The classical psychoanalytic theory has now been modernized. Less emphasis is placed on sexual forces and more on social influences. Erik Erikson, for example, came up with psychosocial development theory.

    What is the role of behaviourism in psychological disorders?

    Behaviourism is Watson’s best-known theory. It states that most behaviour is explained by learning experiences. Watson strongly believed in classical conditioning; a concept introduced by Pavlov. This concept means that new things are learned by linking a new stimulus to an already known stimulus.

    Thorndike came up with the law of effect: behaviour is formed by the associated consequences. If the consequences are positive, the behaviour will increase, while the behaviour with negative consequences will decrease. Skinner introduced operant conditioning. This way of conditioning is about learning behaviour based on the consequences associated with the behaviour. Operant conditioning is therefore based on the law of effect.

    The social learning theory of Bandura is based on observational learning. He mainly emphasized social context and cognition. Learning is  necessity of survival for everybody. The application of learning principles in the discovery and treatment of behavioural problems is called behaviour modification or behaviour therapy. Approaches that are based primarily on a combination of learning principles and social context (and / or cognition) are called social learning or cognitive behavioural perspectives.

    Mental hygiene movement

    The mental hygiene movement stood for more understanding, better treatment and more prevention of disorders. This movement led to a reformation of the science. There was also the child guidance movement. This movement focused primarily on children, because childhood experiences would affect mental health later in life. At the beginning of the 20th century, children began to become the subject of scientific research. Hall was the first to collect data from children to understand mental disorders, crime and social disorders. Binet and Simon were the first to design an intelligence test for children. They tried to find out which children needed special education. Gesell kept track of the physical, motor and social behaviours of children in his laboratory.

    What are the current principles of abnormal child and adolescent psychology?

    The branch of psychology that deals with abnormal child and adolescent psychology is formed by various historical theories and movements. The objectives are to identify, describe and classify psychological disorders. It is also important to find out the causes of the problems and to prevent and treat disorders differently. Today there are six principles that are important for abnormal child and adolescent psychology:

    1. Psychological problems have multiple causes. Increasing knowledge about these causes promotes the prevention of problems.
    2. Normal and abnormal behaviour are interrelated. Both must be studied.
    3. Human behaviour is complex and requires systematic conceptualization, data collection, observation and testing of hypotheses.
    4. The effectiveness of treatment must be investigated, and new prevention programs developed.
    5. Children have the right to high-quality care.
    6. Adults must stand up for the health of children.

    Central to the current understanding of psychopathology are: (1) interdisciplinary efforts and (2) the role of parents. Interdisciplinary efforts are about the fact that often more than one professional is involved in the treatment of a child's psychopathology. Psychologists, psychiatrists, teachers and social workers often work together. Attempts by a social worker to get therapeutic alliance with the patient can increase the chance of a positive result. Therapeutic alliance means creating a personal bond with the child and collaborating. Parents also have an important role to play. They can provide information about the child that nobody else knows. They can collaborate with psychologists in the implementation of a treatment or can undergo treatment themselves.

    The choice of treatment technique must be tailored to the child's developmental level. For example, play therapy is more effective in young children, while cognitive techniques are more effective in adolescence.

    Finally, the American Psychological Association has established ethical guidelines, which include the rights to (1) informed consent , (2) co-decision on treatment goals and (3) confidential care. Informed consent requires that the client gives permission for the treatment and fully understands how the treatment will proceed. For children, the parents / guardians must give permission for this.

    What does the field of developmental psychopathology entail? - Chapter 2

    What does the field of developmental psychopathology entail? - Chapter 2

    What is the meaning of a paradigm?

    Kuhn, among others, has shown us that science is not entirely objective. To study phenomena, scientists all take a perspective from which they view it. If a perspective is shared by researchers, this is called a paradigm. It is a kind of cognitive frame of reference that includes assumptions and concepts. The advantage of such a (subjective) perspective is that it provides guidelines for the way in which a problem is approached, investigated and interpreted. A disadvantage is that researchers can limit themselves by assuming this perspective and are confined within the boundaries of it. They can limit themselves in the type of research questions or in the interpretation of research results. Despite these disadvantages, it is still smart to take a perspective.

    What is the influence of genes and environment on behaviour? - Chapter 3

    What is the influence of genes and environment on behaviour? - Chapter 3

    What is the relevance of neurons and the brain on behaviour?

    The early development of the brain and nervous system is largely determined by biological factors, but the influence that experience has is also fairly large. The nervous system begins to develop shortly after conception, as the neural plate (a group of cells) thickens, folds in and forms the neural tube. The cells start to migrate to fixed locations. The brain contains millions of multifunctional cells, glial cells, and neurons. Neurons carry messages within the nervous system and to and from other body parts. The extensions of these neurons, called nerves, get a layer of myelin, a white substance that promotes the efficiency of communication in the brain. An excess of neurons and connections is produced both before and after birth to ensure the flexibility of the brain. Some parts of the brain develop faster than others. For example, the development of brain parts for vision and hearing is faster than the development of the frontal brain area, which is involved in complex thinking.

    There are many developments in the brain during adolescence. In this way the connections between brain areas increase. Also, the amount of grey matter in the frontal brain area decreases, while the white matter shows an increase, which is a reflection of constant myelination. These changes have implications for psychological and behavioural functioning.

    The development of the brain depends on the interaction between biological predisposition and experiences (activity-dependent processes). There is pruning occurring both before and after birth, which means unnecessary cells and connections between cells are broken down. This process is probably the cause of the decline in grey matter in adolescence.

    What is the role of research in psychology? - Chapter 4

    What is the role of research in psychology? - Chapter 4

    What is science?

    The general purpose of science is to describe and explain phenomena. Scientific knowledge comes from a systematic formulation of a problem, observation and data collection and interpretation of research results. Theoretical assumptions and concepts are used to choose variables, procedures and research goals. Often hypotheses are tested that are derived from theories. Testing hypotheses is valuable because knowledge is then obtained in a systematic manner. When finished, a study does not prove that a hypothesis is true or false but it does offer evidence in favour or against the hypothesis. If a hypothesis is not supported, this can lead to an adjustment of the underlying theory.

    How can psychological disorders be classified? - Chapter 5

    How can psychological disorders be classified? - Chapter 5

    What are concepts in classification systems?

    The terms classification, assessment and diagnosis are used to describe the process of description and grouping. Classification (or taxonomy) stands for creating large categories or dimensions of behavioural disorders. It is a system for describing phenomena. These systems are mostly for clinical or scientific purposes. A diagnosis is when a category or classification is considered applicable to an individual. Assessment refers to evaluating (young) people to facilitate classification and diagnosis and to make treatment plans.

    Classification systems try to systematically describe a phenomenon. For example, biologists have classification systems for organisms, such as cold and warm-blooded animals. There are also systems for classifying psychological problems. These systems describe categories or dimensions of problem behaviour, emotions and / or cognitions.

    A category is a discrete grouping, for example anxiety disorders, to which an individual belongs or does not belong. A dimension , on the other hand, is a continuous property that can occur in various sizes. For example, there are different degrees to which a child is anxious.

    The categories or dimensions in a classification system must be clearly defined: the criteria must be explicitly named. In addition, a distinction must be made between the different categories. It must also be proven that a category or dimension actually exists, meaning that the characteristics used to describe a category or dimension must regularly occur together.

    What are anxiety disorders and what are their characteristics? - Chapter 6

    What are anxiety disorders and what are their characteristics? - Chapter 6

    What is the meaning of anxiety, fear, and worry?

    There is a difference between anxiety and fear. Anxiety is an emotion that is focused on the future. This emotion is characterized by the feeling that someone has no control over possible negative events. The events also seem to be unpredictable for the person in question. If someone is confronted with potentially dangerous events, there is immediately a lot of attention for the dreaded (or for the emotions that accompany it).

    What are mood disorders and what are they characterized by? - Chapter 7

    What are mood disorders and what are they characterized by? - Chapter 7

    What are the developments with regards to our understanding of mood disorders?

    An important aspect of internalizing disorders are mood problems. Children and adolescents who have an unusually sad or euphoric mood, which  are extreme or persistent and interfere with functioning, can be diagnosed with a depressed or manic mood disorder. Nowadays there is increasing attention for mood disorders, for various reasons:

    • Promising developments in the identification and treatment of mood disorders in adults.
    • Better instruments have been developed to investigate mood disorders in young people.
    • Improvements in diagnostic practices have encouraged research into mood disorders among young people.

    It is difficult to distinguish between different sub-categories of mood disorders, because many people meet the criteria of more than one disorder.

    What are behavioural problems? - Chapter 8

    What are behavioural problems? - Chapter 8

    What does externalizing mean?

    While anxiety and depression arise from internalizing problems, behavioural disorders are often the result of externalizing them. The term ‘behavioural problems’ refers to the general group of disruptive and antisocial behavioural problems. The terms behavioural disorder and disruptive behavioural disorder are used to refer to specific diagnostic groups. The term delinquency is mainly used in the legal system and refers to young people who exhibit antisocial behaviour or other behavioural problems. It refers to a minor who is caught performing an index crime (an act that is illegal for both adults and minors, such as theft) or a status crime (an act that is only illegal for minors, such as alcohol consumption).

    What is ADHD? - Chapter 9

    What is ADHD? - Chapter 9

    What are the three subtypes of ADHD?

    ADHD is defined in many different ways. In the 1950s, the emphasis was on the hyperactivity characteristic of the disorder. Various terms were used at the time, such as hyperkinetic syndrome and hyperactive child syndrome . Over time, attention for hyperactivity and concentration problems decreased. In the DSM-III it was recognized that attention deficit disorder (ADD) could occur with and without hyperactivity. Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD) was not included in the revised version of the DSM-III . This disorder is also recognized by dimensional classification systems.

    Research suggested that ADHD consists of two components: inattention and hyperactivity-impulsivity. There is a lot of cross-cultural evidence for the validity of these factors. Although both components have unique genetic influences, they are interrelated as a result of shared genetic influences.

    What disorders exist with language and learning? - Chapter 10

    What disorders exist with language and learning? - Chapter 10

    What is the historical perspective on language- and learning-related problems?

    From around 1800 on, there has been attention on language-related problems. During this time, a medical orientation was developed, with specific limitations associated with brain abnormalities. For example, Wernicke discovered brain abnormalities in patients who did not understand language well, but who had no language or cognitive impairment – which you might know because there is a brain area named after him. From 1920 on, there was also a psychological orientation. During this period, more emphasis was placed on gaining insight into the characteristics of people with language and learning difficulties and treating them. In 1963, Krik introduced the term 'learning disabilities'. This is considered a milestone in the emergence of the concept of learning disabilities. For example, teachers were no longer accused of causing such problems.

    What are intellectual disabilities? - Chapter 11

    What are intellectual disabilities? - Chapter 11

    What are the diagnostical criteria for intellectual disabilities?

    An intellectual disability (ID, formerly also called mental retardation) is characterized by limitations in both intellectual functioning and adaptive behaviour. This is expressed in conceptual, social and practical skills. ID occurs before the eighteenth year of life. There are three diagnostic criteria:

    • Age criterion: an ID occurs before the age of 18, which means that it is a developmental disorder.
    • Limited intellectual functioning: the score on an intelligence test must be at least two standard deviations below the average (i.e. the IQ is 70 or lower).
    • Limitation in adaptation skills : the score on standardized tests of conceptual, social or practical skills must be at least two standard deviations below average.
    What is autism and what is schizophrenia? - Chapter 12

    What is autism and what is schizophrenia? - Chapter 12

    What is the historical perspective of autism?

    In the past, no distinction was made between schizophrenia and pervasive disorders, such as autism. Nowadays we do differentiate between them. Schizophrenia is rare among children, often develops in adolescence and increases in adulthood. Autism and Asperger's syndrome are non-psychotic disorders that arise at a young age.

    The DSM-V contains the Pervasive Developmental Disorders (PDD) category. This category includes:

    1. Autistic disorder.
    2. Asperger's syndrome.
    3. Rett's syndrome.
    4. Childhood disintegrative disorder.
    5. Pervasive developmental disorder not otherwise specified (pervasive developmental disorder not otherwise specified; PDD-NOS).
    Which disorders affect physical functioning? - Chapter 13

    Which disorders affect physical functioning? - Chapter 13

    What is paediatric psychology?

    Paediatric psychology is concerned with the investigation of (psychological) problems leading to disruption of physical function and health.

    Problems with toilet training and learning sleeping and eating habits are common. Both the ability of the child to master these skills and the skills of parents to guide the child in this are important for the well-being of the child and parents. Sometimes parents seek help if they are unable to learn certain habits.

    What is the connection between psychology and physical health? - Chapter 14

    What is the connection between psychology and physical health? - Chapter 14

    What is the terminology for disorders that affect physical health?

    In the past, physical disorders that are influenced by psychological factors have been called psychosomatic disorders. In DSM-II this term had been replaced by psychophysiological disorders and in DSM-III this term had again been changed to psychological factors that influence physical conditions. In the DSM-IV this was transformed into psychological factors that influence medical conditions . Now in the DSM-V there is a new chapter called somatic symptoms and related disorders. This includes the psychological factors category that affect other medical conditions. These adjustments are the result of the discussion about the relationship between body (soma) and mind (psyche). During the 20th century, the interest in the effects of psychological processes on the body has resulted in the development of psychosomatic medicine. It became clear that many physical complaints are influenced by psychological factors. Researchers started with psychogenesis: the identification of the psychological cause of physical disorders. More attention is now being paid to multicausality: the idea that biological, social and psychological factors contribute to health. This perspective is holistic and assumes continuous interactions between influences. Pediatric psychology is the field that focuses on these processes in children and adolescents.

    What issues are currently affecting young people? - Chapter 15

    What issues are currently affecting young people? - Chapter 15

    What are the consequences of changes in society for the care of children?

    In recent decades, dramatic changes have taken place in families in the US due to an increased number of divorces, families with one parent and families with stepparents. Nowadays, with women having more and more jobs outside of the household, children are more often cared for by others than the mother, such as by relatives or at a day-care centre. The effect of this differs based on the quality of care, the amount of care and certain family characteristics. High quality care is positively related to the cognitive, social and language development of children who go to a day-care centre from an early age. The research findings regarding the effects of the amount of care are inconsistent. In general, the amount of care seems to be negatively related to the child's development. With regard to the interaction between childcare and family characteristics, it appears that children from low-income families benefit from care at a day-care. This means that care by others can serve as a protective factor for children from families with a low socio-economic status. It is also important that a good relationship between parents and child remains.

    ExamTests per chapter with the 8th edition of Abnormal Child and Adolescent Psychology by Wicks-Nelson & Israel - Bundle

    ExamTests per chapter with the 8th edition of Abnormal Child and Adolescent Psychology by Wicks-Nelson & Israel - Bundle

    When is behavior abnormal? - ExamTest 1

    When is behavior abnormal? - ExamTest 1

    MC Questions

    Question 1

    Which term is described here?

    There is a clinically significant pattern in an individual, this can be done on a psychological and behavioral level.

    1. Abnormal behavior

    2. A disorder

    3. Psychopathology

    4. Development standard

    Question 2

    Which of the following statements are true?

    1. Disorders are more common in men than in women.

    2. Men suffer more from externalizing problem behavior and women from internalizing problem behavior.

      1. Only claim 1 is true.

      2. Only claim 2 is true.

      3. Both statements are true.

      4. Both statements are not true.

    Question 3

    To which person does the following statement belong?

    Different symptoms together form syndromes that probably have a common biological basis.

    1. Freud

    2. Watson

    3. Thorndike

    4. Kraeplin

    Question 4

    Freud stated that we all have a (1) ID , a (2) ego and a (3) superego. Put the correct definition with the correct number.

    1. The problem-solving part of the mind

    2. The impulsive part

    3. The part that controls the unacceptable impulses

    Question 5

    Arrange the phases of Freud's psychosexual stage theory in the correct order.

    1. Phallic phase

    2. Oral phase

    3. Genital phase

    4. Latent phase

    5. Anal phase

    Question 6

    To which of the following terms does the following definition belong:

    Mental disorders are due to an imbalance or failure of the body.

    1. Demonology.

    2. Somatogenesis.

    3. Behaviorism.

    4. Psychoanalytical theory.

    Question 7

    Which of the following statements is true?

    1. It is important when working with young people and their families, to develop and verify prevention programs.

    2. It is not important to take the level of development of young people into account.

    3. Observation is not common when working with young people and their families.

    4. It is more important to collect data than to be sensitive to family roles and social status.

    Open Questions

    Question 1

    Name 4 of the 8 indicators of a disorder.

    Answer indication MC questions

    Question 1

    B. Abnormal behavior is defined as actions of someone who deviates from the normal standard of behavior. Psychopathology interferes with adaptation to the environment and impedes the individual from completing developmental tasks. And development standards say something about the growth of motor skills, language, cognition, and social emotional behavior.

    Question 2

    C. Men are more sensitive to neurological developmental disorders while women are more sensitive to emotional problems.

    Question 3

    D. Freud is the founder of psychoanalytic theory, Watson is of behaviorism and Thorndike came up with the law of effect.

    Question 4

    1. B
    2. A
    3. C

    Question 5

    B - E - A - D - C

    Question 6

    B. Somatogenesis.

    Question 7

    A. Important for working with young people and their families: different causes must be addressed, study both normal and abnormal behavior, use systematic conceptualization, observation, data collection and hypothesis testing, develop and verify prevention programs, Children have the right to high-quality care, Adults must stand up for the health of children.

    Answer indication Open Questions

    Question 1

    The indicators of a disorder are: developmental delay or regression, a lot or a little behavior, high or low intensity of behavior, a problem with behavior that occurs over time, behavior that does not fit into the situation, abrupt changes in behavior, multiple problematic behaviors, and the quality of behavior is different from normal.

    What does developmental psychopathology include? - ExamTest 2
    What influence do genes and environment have on behavior? - ExamTest 3
    What kind of research is involved in this field of psychology? - ExamTest 4
    How can disorders be classified? - ExamTest 5
    What are the anxiety disorders and what are their characteristics? - ExamTest 6
    What are the mood disorders and what are their characteristics? - ExamTest 7
    When is something a behavioural problem and how does it affect people? - ExamTest 8
    How is ADHD characterized? - ExamTest 9
    What disorders are there with regard to language and learning? - ExamTest 10
    When does someone have an intellectual disability? - ExamTest 11
    What are the most important characteristics of autism and schizophrenia? - ExamTest 12
    Which disorders have a strong influence on physical functions? - ExamTest 13
    What is the connection between psychology and (physical) health? - ExamTest 14
    What issues are currently affecting young people? - ExamTest 15

      

    Tentamens en tests

    TentamenTests per hoofdstuk bij de 8e druk van Abnormal Child and Adolescent Psychology van Wicks-Nelson & Israel - Bundel

    TentamenTests per hoofdstuk bij de 8e druk van Abnormal Child and Adolescent Psychology van Wicks-Nelson & Israel - Bundel

    Wanneer is gedrag abnormaal? - TentamenTests 1

    Wanneer is gedrag abnormaal? - TentamenTests 1

    MC-vragen

    Vraag 1

    Welk begrip wordt hier beschreven?

    "Er is sprake van een klinisch significant patroon bij een individu, dit kan op psychologisch en gedragsniveau".

    1. Abnormaal gedrag
    2. Een stoornis
    3. Psychopathologie
    4. Ontwikkelingsnorm

    Vraag 2

    Welke van de onderstaande beweringen zijn waar?

    I. Stoornissen komen vaker voor bij mannen dan bij vrouwen.

    II. Mannen hebben meer last van externaliserend probleemgedrag en vrouwen van internaliserend probleemgedrag.

    1. Alleen bewering I is waar.
    2. Alleen bewering II is waar.
    3. Beide beweringen zijn waar.
    4. Beide beweringen zijn niet waar.

    Vraag 3

    Bij welke persoon hoort de volgende uitspraak? "Verschillende symptomen samen vormen syndromen die waarschijnlijk een gemeenschappelijke biologische basis hebben."

    1. Freud.
    2. Watson.
    3. Thorndike.
    4. Kraeplin.

    Vraag 4

    Bij welk van de volgende termen hoort de volgende definitie:
    “Mentale stoornissen zijn toe te schrijven aan een onbalans of falen van het lichaam.”

    1. Demonologie.
    2. Somatogenese.
    3. Behaviorisme.
    4. Psychoanalytische theorie.

    Vraag 5

    Welke van de volgende beweringen is waar?

    1. Het is belangrijk voor het werken met jongen mensen en hun families, om preventieprogramma’s te ontwikkelen en te verifiëren.
    2. Het is niet belangrijk om rekening te houden met het ontwikkelingsniveau van jonge mensen.
    3. Observatie is niet gebruikelijk als er gewerkt wordt met jonge mensen en hun families.
    4. Het is belangrijker om data te verzamelen, dan gevoelig om te gaan met familierol en sociale status.

    Open vragen

    Vraag 1

    Noem 4 van de 8 indicatoren van een stoornis.

    Vraag 2

    Freud stelde dat we allen een (1) ID, een (2) ego en een (3) superego hebben. Zet de juiste definitie bij het juiste nummer.

    1. Het probleemoplossende deel van het verstand
    2. Het impulsieve deel
    3. Het deel dat de onacceptabele impulsen in bedwang houdt

    Vraag 3

    Zet de fasen van Freud’s psychoseksuele stadiumtheorie in de juiste volgorde.

    1. Fallische fase
    2. Orale fase
    3. Genitale fase
    4. Latente fase
    5. Anale fase

    Antwoordindicatie MC-vragen

    1. B. Abnormaal gedrag wordt gedefinieerd als handelingen van iemand die afwijken van de normale standaard van gedrag. Psychopathologie interfereert met adaptatie aan de omgeving en belemmert het individu bij het volbrengen van ontwikkelingstaken. En ontwikkelingsnormen zeggen iets over de groei van motorische vaardigheden, taal, cognitie en sociaal emotioneel gedrag.

    2. C. Mannen zijn gevoeliger voor neurologische ontwikkelingsstoornissen terwijl vrouwen gevoeliger zijn voor emotionele problemen.

    3. D. Freud is de grondlegger van de psychoanalytische theorie, Watson is van het behaviorisme en Thorndike kwam met de wet van effect.

    4. B. Somatogenese.

    5. A. Belangrijk voor werken met jonge mensen en hun families: verschillende oorzaken moet aangepakt worden, normaal en abnormaal gedrag bestuderen, gebruik maken van een systematische conceptualisatie, observatie, data verzameling en hypothese testen, preventieprogramma's ontwikkelen en verifiëren, zorgen dat het van jongeren ontwikkelingslevel, hun familierol en sociale status met gevoeligheid wordt omgegaan en rekening houden met het welzijn van jongeren.

    Antwoordindicatie Open vragen

    Vraag 1

    De indicatoren van een stoornis zijn: vertraging in de ontwikkeling of regressie hierin, veel of weinig gedrag, veel of weinig intensiteit van gedrag, moeite met gedrag vertonen dat zich over tijd voordoet, gedrag vertonen wat niet in de situatie past, abrupte veranderingen in gedrag, meerdere probleemgedragingen en de kwaliteit van gedrag is anders dan normaal.

    Vraag 2

    1 = B, 2 = A, 3 = C

    Vraag 3

    B – E – A – D – C

    Wat omvat de ontwikkelingspsychopathologie allemaal? - TentamenTests 2

    Wat omvat de ontwikkelingspsychopathologie allemaal? - TentamenTests 2

    Er zijn verschillende ontwikkelingstrajecten in de adolescentie. Welke beschrijving geeft stabiele maladaptatie weer?

    1. Weinig blootstelling aan negatieve omstandigheden, weinig gedragsproblemen en een positief zelfbeeld.
    2. Blootstelling aan chronische negatieve omstandigheden en maladaptief gedrag, zoals antisociaal gedrag.
    3. Veranderingen in biologische factoren of omgevingsfactoren zorgen ervoor dat adaptatie naar maladaptatie verschuift.
    4. Tijdelijke maladaptatie.
    Welke invloed hebben genen en omgeving op gedrag? - TentamenTests 3

    Welke invloed hebben genen en omgeving op gedrag? - TentamenTests 3

    Het perifere zenuwstelsel vervoert signalen van en naar het centrale zenuwstelsel. Uit welke twee subsystemen bestaat het perifere zenuwstelsel?

    1. Het sympathische en parasympatische systeem.
    2. Het somatische en sympathische systeem.
    3. Het parasympatische en autonome systeem.
    4. Het somatische en autonome systeem.
    Wat komt er allemaal kijken bij onderzoek in dit vakgebied? - TentamenTests 4
    Hoe kunnen stoornissen geclassificeerd worden? - TentamenTests 5

    Hoe kunnen stoornissen geclassificeerd worden? - TentamenTests 5

    Grote categorieën of dimensies van gedragsstoornissen worden gecreëerd. Het is een systeem om fenomenen mee te beschrijven die worden gebruikt voor klinische of wetenschappelijke doeleinden. Welk begrip wordt hier beschreven?

    1. Diagnose.
    2. Assessment.
    3. Classificatie.
    4. Geen van allen.
    Welke angststoornissen zijn er en wat zijn hun kenmerken? - TentamenTests 6
    Welke stemmingsstoornissen zijn er en wat zijn hun kenmerken? - Tentamentests 7
    Wanneer is iets een gedragsprobleem en waardoor worden deze beïnvloed? - TentamenTests 8
    Wat kenmerkt de stoornis ADHD? - TentamenTests 9

    Wat kenmerkt de stoornis ADHD? - TentamenTests 9

    Wat zijn de drie primaire kenmerken van ADHD?

    1. Onoplettendheid, impulsiviteit en hyperactiviteit.
    2. Onoplettendheid, slecht concentratievermogen en hyperactiviteit.
    3. Impulsiviteit, slecht concentratievermogen en minder motorische vaardigheden.
    4. Adaptief gedrag, minder motorische vaardigheden en impulsiviteit.
    Welke stoornissen zijn er met betrekking tot taal en leren? - TentamenTests 10
    Wanneer heeft iemand een verstandelijke beperking? - TentamenTests 11

    Wanneer heeft iemand een verstandelijke beperking? - TentamenTests 11

    Welke bewering is juist?

    I. Een verstandelijke beperking ontstaat vóór 18-jarige leeftijd.

    II. Een voorwaarde voor diagnose is dat het IQ 80 of lager moet zijn.

    1. Enkel bewering I is juist
    2. Enkel bewering II is juist
    3. Beide beweringen zijn juist
    4. Beide beweringen zijn onjuist
    Wat zijn de belangrijkste kenmerken van autisme en schizofrenie? - TentamenTests 12

    Wat zijn de belangrijkste kenmerken van autisme en schizofrenie? - TentamenTests 12

    Voor de diagnose autisme moet sprake zijn van een vertraagd of abnormaal functioneren op sociale interactie, taal zoals gebruikt in sociale communicatie of symbolisch of fantasierijk spel. Voor welke leeftijd moeten deze problemen ontstaan voor de diagnose?

    1. Voor 1-jarige leeftijd.
    2. Voor 3-jarige leeftijd.
    3. Voor 5-jarige leeftijd.
    4. Voor 7-jarige leeftijd.
    Welke stoornissen hebben een sterke invloed op lichamelijke functies? - TentamenTests 13
    Wat is het verband tussen psychologie en (lichamelijke) gezondheid? - TentamenTests 14
    Welke kwesties spelen er momenteel rond jongeren? - TentamenTests 15
    Bulletsamenvattingen per hoofdstuk bij de 8e druk van Abnormal Child and Adolescent Psychology van Wicks-Nelson & Israel - Chapter

       

        

      

    Shop voor prints & pickups

    Geprinte samenvattingen en studiehulp Psychologie: B2 UL - Printshop

    Samenvattingen en studiehulp per gerelateerde opleiding

    Psychologie: Bachelor 2 UL Leiden - Toolshop