Topic

1 - Start
 

1 - Starten

  • Wat: Je keuzezeproces starten
  • Hoe: Keuzebesef, het besef dat je een beslissing moet gaan maken
  • Content: Titel, Uitleg, Footprints, Crossroads
    Footprints

     Footprints

    • Leave footprints on the site by adding pages to your own bundles or use the comment options
    • Check the JoHo tips and advice chapters
     
    Inloggen?

    Ben je  ingelogd als JoHo donateur dan krijg je op deze pagina toegang tot meer gerelateerde informatie.

    Ben je ingelogd als abonnee dan zie je alle gerelateerde informatie.

    Log in als je nog niet ben ingelogd.

    Topic pagina?

    Topics

    Hoe werkt het op een JoHo Topic pagina?

    • Deze pagina is opgezet aan de hand van de 10 JoHo tools.
    • De 10 JoHo tools kan je inzetten bij de belangrijke en minder belangrijke keuzes rond het onderwerp van deze pagina.
    • De 10 tools vind je in toenemende mate terug over de hele JoHo website.
    • Nog niet elke tool zal al volledig zijn gevuld, andere tools zullen nog veel in beweging zijn en een deel van de tools is exclusief beschikbaar voor donateurs en abonnees.
    • Binnen de tools vind je de content terug in verschillende vormen zoals Bundels (linkenblokken) en Chapters (Tekstblokken).

    De tools

    1. Start: kader & inhoud
    2. Orienteren: oriënteren & verkenning
    3. Kiezen: verzamelen info & keuzehulp
    4. Vergelijken: vergelijken & alternatieven
    5. Verbeteren: verbeteren & competenties -> bijvoorbeeld: wat kan je doen om te slagen?
    6. Voorbereiden: voorbereiden & oefeningen -> bijvoorbeeld: wat kan je doen om te oefenen of je voor te bereiden?
    7. Ervaren: vastleggen &  lessen -> bijvoorbeeld: wat leer je en heb je geleerd?
    8. Inzetten: vooruithelpen & hulp -> bijvoorbeeld: hoe kan je jezelf nuttig maken?
    9. Aanschaffen: voordeel hebben & kortingen -> bijvoorbeeld: wat zijn de JoHo voordelen?
    10. Ontdekken: volgende activiteit  -> bijvoorbeeld: naar welke volgende JoHo producten. pagina's & activiteiten kan je gaan?
    JoHo website?
    JoHo website

    Hoe werkt de JoHo website?

    • De inhoud van de JoHo website staat op zodanige wijze met elkaar in verbinding dat je je eigen 'reis' kunt maken op weg naar jouw informatiebestemming. 
    • De komende jaren zal je van handvatten worden voorzien die jou in staat stellen om jouw routes te zoeken op weg naar jouw bestemmingen.
    • Of je nu op zoek bent naar een studie, artikel, vakantie, nieuwe baan of een ander leven.
    • Door kennis te delen en keuzehulp te bieden, hoopt JoHo een bijdrage te leveren aan jouw ontwikkeling en de ontwikkeling van degenen die jij nog gaat ontmoeten.

    Hoe werkt het nu in de praktijk?

    Op de JoHo website kom je de content (inhoud) in verschillende vormen tegen. De belangrijkste vormen vind je hieronder uitgelegd.

     

    Navigatiepagina's

      -  Topic: Op een Topic (verzamel) pagina vind je keuzehulp en advies over een specifiek onderwerp. Je kunt aan de hand van de tien JoHo tools op zoek gaan naar antwoorden op de basisvragen die rond dat onderwerp kunnen spelen.

    - Destination: Op een regio- of landenpagina's vind je reisinformatie en werkinformatie over een land, of een regio. Je vindt daar ook de JoHo services en producten die betrekking hebben op dat specifieke land, zoals de vacatures, het vrijwilligerswerk, de stages, de partners die JoHo donateurs voordeel geven, de reisgidsen en de verzekeringen.

    - Person: Op je My JoHo account pagina vind je o.a. de informatie over jouw verzekeringen, je donateurschap en de door jou verzamelde links.

      Organization: Op een organisatiepagina vind je profielen van organisaties met o.a. vacatures, het duurzame of faire karakter, de services, de activiteiten in het buitenland en contactgegevens.

     

    Navigatietools

    - Bundel: Verzamelingen (links) van pagina's rond een specifieke vraag of onderwerp.

    - Crossroad: Crossroads geven de belangrijkste hoofd- en zijwegen weer op het JoHo web vanaf de lokatie waar je je op dat moment bevindt.

    - Footprint: Via de 'Add to my pages' kan je pagina's toevoegen aan je eigen verzamelingen en checklists. Deze bundels met jouw bewaarde pagina's kun je vervolgens onderaan vrijwel elke pagina terugvinden als je bent ingelogd als JoHo donateur of abonnee.

    - Menu: Naast de basislinks die je onder de header kunt vinden, kan je gebruikmaken van de deelmenu's die op de meeste pagina's zijn geplaatst.

     -  Search: Zoekvelden waarmee je binnen één of meerdere paginasoorten kunt zoeken.

     

    Services & Producten

      - Shop: Shops zijn de pagina's van de vier 'webwinkels' waar je Reisartikelen, Verzekeringen, Vacatures of Studiesamenvattingen kunt vinden of bestellen.

    - Display: Pagina's voor het direct bestellen van bijvoorbeeld artikelen of  samenvattingen.

    - Job & Activity: Uitgelichte vacatures en diensten van JoHo partners, organisaties die JoHo donateurs voordeel geven en organisaties die passen bij de doelstellingen van JoHo donateurs en abonnees.

    - Chapter: Tekstblokken en hoofdstukken rond een specifieke vraag of een deelonderwerp.

     - Keuzehulp & Advieswijzer: Respectievelijk meer objectieve en meer subjectieve hulp bij je keuzes voor studie, werk, reis of toekomstplannen.

    - Service: Entree- & informatiepagina's die je inzicht geven in de producten en services binnen de World of JoHo en pagina's die je daar gebruik van laten maken.

     

    Lees meer over deze en de andere JoHo websites op de pagina over zoeken & websites.

    Crossroads

     Crossroads

    • Crossroads lead you through the JoHo web of knowledge, inspiration & association
    • Use the crossroads to follow a connected direction

     

    Nieuws

     Nieuws

        

    2 - Oriëntatie

    2 - Verkennen & Oriënteren

    • Wat: Je inlezen in je onderwerp, vraag of proces
    • Hoe: Keuze-acceptatie, de acceptatie van de onzekerheid dat je nog niet kunt kiezen
    • Content: Kennis, Definities, Betekenis van het onderwerp, gegevens, feitelijke kennis, omgevingsinformatie
    Tips & Advies
     
      JoHo Tips (Tickets) bestaan uit korte bullets met tips en adviezen die je helpen bij activiteiten als leren, studeren, lezen en begrijpen
     
      JoHo TentamenTickets bestaan uit korte bullets met vakgerichte tentamentips en voorbeeldvragen, zodat je weet wat en hoe je moet gaan leren en studeren.
     

    Definities & Omschrijvingen

    • Interne geneeskunde is in belangrijke mate gebaseerd op kennis van de pathofysiologie. Interne Geneeskunde van Van der Meer, Stehouwer - Boek & JoHo's
    • De internist behandelt onder meer: nierziekten, bloedziekten, infectieziekten, maag-, darm- en leverziekten, kanker, ziekten die met uw hormonen en stofwisseling te maken hebben, en ouderen met meerdere aandoeningen of ziekten. Als huisarts ziet u een 35-jarige vrouw vanwege hartkloppingen. Ze vertelt 3 kilo te zijn afgevallen in een maand tijd, en last heeft van transpireren. U vindt haar onrustig. Waar dient u op te letten bij het lichamelijk onderzoek? Abonneechapter van online tentamenvragen bij UVT - Deel: Cardiologie
    Aansluiten bij JoHo

    Sluit je aan bij JoHo, help jezelf en steun een ander!

     

         

    3 - Selectie

    3 - Verzamelen & Selecteren

    • Wat: Selecteren van de basisinformatie om je keuzes te  kunnen maken
    • Hoe: Keuzestress, het inzicht in de verschillende keuzes
    • Content: Belangrijke vragen en antwoorden, productoverzichten, advieswijzer

     

    Selectiehulp

    Uitgelichte samenvattingen rond anatomie, fysiologie & stofwisseling

     

    Kernboek

    Interne Geneeskunde van Van der Meer, Stehouwer - Boek & JoHo's

    • Het boek gaat uit van een ziektekundige oriëntatie. Interne geneeskunde is immers in belangrijke mate gebaseerd op kennis van de pathofysiologie. Het boek besteedt hier dan ook ruime aandacht aan.

    Inleiding in anatomie

    Clinically Oriented Anatomy van Moore e.a. - Boek & JoHo's

    • Dit anatomiehandboek is bekend om zijn uitgebreide dekking van anatomie.
    • De stof wordt behandeld in relatie tot de praktische bruikbaarheid in de geneeskunde, tandheelkunde en fysiotherapie.

    Inleiding in embryologie

    Larsen's Human Embryology van Schoenwolf e.a. - Boek & JoHo's

    • Dit boek legt de ontwikkeling van een embryo uit, ingedeeld per week.

    The Developing Human. Clinically Oriented Embryology van Moore e.a. - Boek & JoHo's

    • Dit boek geeft o.a. de laatste ontwikkelingen in embryologie weer, inclusief normale en abnormale embryogenese, oorzaken van geboorteafwijkingen, en de rol van genen bij menselijke ontwikkeling.

    Inleiding in cellen

    Essential Cell Biology van Alberts, Hopkins - Boek & JoHo's

    • Het boek geeft een gemakkelijk toegankelijke introductie van de centrale concepten van celbiologie.
    • Het is duidelijk geschreven, leest lekker weg en de illustraties maken het een ideaal leerboek voor een eerste cursus in zowel cel- als moleculaire biologie.
    • Het boek behandelt vooral de basis van de celbiologie: cellen, genomen, DNA, membranen, receptoren, cytoskelet, celcyclus en meer.

    Inleiding in weefsel

    Histology: A Text and Atlas van Ross & Pawlina - Boek & JoHo's

    • Basishandboek over histologie (weefselleer).

    Inleiding in fysiologie

    Medical Physiology: A Cellular And Molecular Approach van Boron, Boulpaep - Boek & JoHo's

    • Uitgebreid handboek dat de vele verschillende onderdelen van fysiologie behandelt.

    Medische Fysiologie van Bouman, Bernards & Boddeke - Boek & JoHo's

    • Toegankelijk basisboek over de beginselen van fysiologie, dit boek is minder uitgebreid dan Medical Physiology van Boulpaep maar makkelijker te begrijpen.

    Inleiding in pathologie

    Robbins Basic Pathology van Kumar, Abbas & Aster - Boek & JoHo's

    • Dit boek behandelt de basis van de pathologie en celschade in lichaamsonderdelen.

    Inleiding in geneeskunde

    Clinical Medicine van Kumar & Clark - Boek & JoHo's

    • Handboek over de verschillende onderdelen van het lichaam waar ziekten kunnen ontstaan, wat voor ziekten het meest voorkomen en hoe ziekten worden behandeld.

     

    Aanverwante kennis & studiegebieden

     

     

    Uitgelicht

      FAQ JoHo Samenvattingen & Studiehulp

      Chapters gekoppeld aan deze Topic
      Type: 5.2. Chapters
      Crossroads van deze chapters
      Celbiologie: Wat zijn en doen cellen? - Chapter 1
      Celbiologie: Wat zijn en doen chemische componenten? - Chapter 2
      Celbiologie: Wat zijn structuren en functies van proteinen? - Chapter 4
      Celbiologie: Wat zijn en doen DNA en Chromosomen? - Chapter 5
      Celbiologie: Hoe werken DNA replicaties, reparaties en recombinaties? - Chapter 6
      Celbiologie: Wat is het verband tussen DNA en proteinen, cel en genoom? - Chapter 7
      Celbiologie: Wat houdt genexpressie in? - Chapter 8
      Celbiologie: Wat is de structuur van een membraan? - Chapter 11
      Celbiologie: Hoe werkt het membraantransport? - Chapter 12
      Celbiologie: Hoe werkt de communicatie op celniveau? - Chapter 16

      Pagina's

      Aansluiten bij JoHo?

      Word JoHo abonnee!

      om samenvattingen online te gebruiken 
      & met korting in de webshop bestellen

         

      4 - Vergelijking

      4 - Vergelijken & Afwegen

      • Wat: Je keuzeproces starten
      • Hoe: Keuzevergelijking, alternatieven afwegen
      • Content: Vergelijkbare en alternatieve onderwerpen, Aanverwante producten en services
      • Relaties: Gerelateerde paginabundels
      Gerelateerde Bundels
      Crossroad: Partner

       

      De Nationale Carrièrebeurs

      Bezoek gratis de Nationale Carrièrebeurs

      5 - Skills

      5 - Vaardigheden verbeteren & Talent ontwikkelen

      • Wat : Vaardigheden in huis halen
      • Hoe: Keuzeskills , verbeteren van je vaardigheden om je keuzes te maken
      • Content: Benodigde competenties -> bijvoorbeeld: wat kan je doen om te slagen?

        

      6 - Voorbereiding

      6 - Voorbereiden & Checken

      • Wat : Voorbereidingen treffen om je keuze te maken en ze op te volgen
      • Hoe: Keuzevoorbereiding,  maatregelen treffen,  checklists afwerken
      • Content: Wat moet je doen om je goed voorbereiden voor je keuze of actie? Wat kan je doen om te oefenen of je beter voor te bereiden? Waar moet je aan denken?
      Voorbereiding, Oefening & Checklists

      Abonneechapter met online tentamenvragen van iVTG - Deel: Interne Geneeskunde

      Oefenvragen

      1. Septische- of bacteriële artritis is een ernstig ziektebeeld. Bij volwassenen is de meest voorkomende verwekker van een septische artritis:

      A. Borrelia burgdorferi

      B. Neisseria gonorrhoea

      C. Staphylococcus aureus

      D. Streptococcus pyogenes

      2. Zwarte ontlasting op basis van een maagbloeding heet:

      A. Diarrhea gastricum

      B. Haematemesis

      C. Haematocolon

      D. Melaena

      3. Diabetes Mellitus is een ziekte waarbij schade gezien wordt in weefsels van vele organen. In welk weefsel wordt microscopisch GEEN schade gezien?

      A. De exocriene klieren van de pancreas

      B. De glomeruli van de nieren

      C. De perifere zenuwtakken in de benen

      D. De retinale bloedvaten van het oog.

      4. Op de SEH meldt zich een 16-jarige jongen die na een flinke val ernstige ademhalingsproblemen heeft. Aan de rechterzijde staat de thoraxwand in maximale inspiratiestand, er is een hypersonore percussietoon, het ademgeruis is opgeheven, en er is veneuze stuwing in de hals. Wat is nu het eerste aangewezen beleid?

      A. Bronchoscopie

      B. Decompressie rechter hemithorax

      C. CT-thorax

      D. X-thorax

      5. Er zijn obstructieve en restrictieve ademhalingsstoornissen. De ademhalingsstoornis is het vaakst obstructief bij:

      A. Acute respiratory distress syndrome (ARDS)

      B. Asbestosis

      C. Emfyseem

      D. Sarcoïdose

      6. Een 70-jarige man wordt rectaal getoucheerd vanwege een verdenking op benigne prostaathypertrofie (BPH). Hierbij wordt een onregelmatig gevormde prostaat gevoeld die niet pijnlijk is, plaatselijk zeer vast aanvoelt en aan alle zijden goed af te grenzen is van de omgeving. Deze bevindingen ondersteunen de diagnose BPH.

      A. Juist

      B. Onjuist

      7. Coumarinen remmen de synthese van stollingsfactoren door antagonisme van vitamine. Welke vitamine?

      A. B

      B. C

      C. K

      8. Bij ijzergebrek kan zich een bloedarmoede ontwikkelen. Deze heeft een kenmerkende morfologie, namelijk:

      A. Microcytair

      B. Normocytair

      C. Macrocytair

      9. Een man van 24 jaar overlijdt plotseling tijdens het joggen. Onder de werkdiagnose ‘acute hartdood’ wordt obductie verricht. Welke bevinding is bij deze patiënt het meest waarschijnlijk?

      A. Acuut myocardinfarct

      B. Hypertrofe cardiomyopathie

      C. Thoracaal aorta aneurysma

      D. Virale myocarditis

      10. Een meisje van 18 maanden is via de jeugdgezondheidszorg verwezen naar de kinderarts. Dit in verband met het achterblijven van de groei, terwijl ze goed eet. Opvallend bij het lichamelijk onderzoek is een bolle buik en een droge schilferende huid. Haar lengte en gewicht zitten op -1 SD. De kinderarts vermoedt de diagnose coeliakie en laat een gastroduodenoscopie met biopten verrichten. Welke afwijking bevestigt de diagnose?

      A. Adenomateuze poliepen

      B. Dysplasie

      C. Pseudomembraneuze plaques

      D. Ulcera

      E. Vlokatrofie

      11. Welk hormoon stimuleert de testis tot productie van testosteron?

      A. FSH

      B. HCG

      C. Inhibine

      D. LH

      12. Een tekort aan het hormoon leptine resulteert in:

      A. Gewichtsafname

      B. Gewichtstoename

      13. In de testis wordt testosteron geproduceerd door:

      A. Muller-cellen

      B. Leydig-cellen

      C. Sertoli-cellen

      D. Wolff-cellen

      14. Feces zijn meestal bruin van kleur. Dat komt door aanwezigheid van:

      A. Bilirubine

      B. Biliverdine

      C. Haem

      D. Urobiline

      15. Wat is de meest voorkomende oorzaak van anemie in patiënten met coeliakie?

      A. Foliumzuur deficiëntie

      B. Hemolyse

      C. Tekort aan intrinsic factor

      D. Vitamine B12 deficiëntie

      16. Welke pijn past het beste bij een klassieke appendicitis?

      A. Pariëtale pijn, gevolgd door viscerale pijn

      B. Viscerale pijn, gevolgd door pariëtale pijn

      C. Enkel pariëtale pijn

      D. Enkel viscerale pijn

      17. De term struma (Engels: goitre) betekent:

      A. Algehele vergroting van de schildklier

      B. Hyperfunctie van de schildklier

      C. Solitaire nodus van de schildklier

      D. Zwelling in de hals

      18. Een patiënte die coumarine gebruikt heeft een doorgeschoten INR zonder teken van bloeding. Welk van de volgende middelen is eerste keus om het effect van coumarine te couperen?

      A. Ciclocapronzuur

      B. Protamine

      C. Vitamine K

      19. Een 70-jarige Vietnamese vrouw heeft levercirrose. Ze is bang voor het ontstaan van een levercarcinoom. Met welke van de onderstaande methoden kan bij haar het ontstaan van zo’n tumor het beste vastgesteld worden? Regelmatige controle van het:

      A. Alkalisch fosfatase (AF)

      B. α1-foetoproteïne (AFP)

      C. Carcino-embryonale antigeen (CEA)

      D. Kankerantigeen 125 (CA-125)

      20. Bij oudere mensen kan men, ter voorkoming van bijwerkingen, geneesmiddelen het beste lager doseren dan bij jongere mensen. Waarom is dat? Omdat in het algemeen bij oudere mensen ten opzichte van jongeren:

      A. De compliance met betrekking tot inname lager is

      B. De gastro-intestinale opname hoger is

      C. De receptorgevoeligheid hoger is

      D. De renale excretie lager is

      21. Bij een huisarts komt een 56-jarige vrouw, die last heeft van ‘dode vingers’. Ze had wel vaker dat bij extreme kou een vinger helemaal ‘dood’ en wit werd, maar sinds een paar maanden trekt uit drie vingers van beide handen al het bloed weg, als ze in aanraking komt met kou, zelfs al als ze haar handen onder de koude kraan houdt. Deze klachten krijgt ze nu ook aan haar tenen. Er wordt aanvullend onderzoek gedaan, om de onderliggende oorzaak op te sporen. Welke ziekte kan dit fenomeen veroorzaken?

      A. Sarcoïdose

      B. Systemische lupus erythematodes (SLE)

      C. Ziekte van Marfan

      D. Ziekte van Bechterew

      22. Een 26-jarige vrouw heeft last van malaise, vermoeidheid en pijn in haar rechterknie en linker pols. Bij lichamelijk onderzoek valt op dat ze een erytheem op haar wangen en neusbrug heeft. Bij navraag blijkt dit toe te nemen na blootstelling aan zonlicht. Het laboratoriumonderzoek toont een trombocytopenie en de antinucleaire antistoffen (ANA) en anti-ds-DNA zijn beiden sterk verhoogd aanwezig in het serum. Wat is nu de meest waarschijnlijke diagnose?

      A. Granulomatose met polyangiitis (ziekte van Wegener)

      B. Reumatoïde artritis

      C. Sarcoïdose

      D. Systemische lupus erythematodus (SLE)

      23. De huisarts onderzoekt de longen van een 50-jarige man wegens benauwdheid. Bij inspectie is hij tachypnoeïsch. Bij palpatie is de stemfremitus rechtsboven afwezig. De percussie rechtsboven is hypersonoor. Bij auscultatie is er opgeheven ademgeruis rechtsboven, er zijn geen bijgeluiden. Welke diagnose past bij bovenstaande bevindingen?

      A. Bronchuscarcinoom

      B. Longemfyseem

      C. Pleuravocht

      D. Pneumonie

      E. Pneumothorax

      24. Waar wordt antidiuretisch hormoon (ADH) afgegeven?

      A. In de adenohypofyse

      B. In het bijniermerg

      C. In de bijnierschors

      D. In de neurohypofyse

      25. Vooral tijdens vasten en sporten is het voor het lichaam van belang dat de concentratie van glucose in het bloed op peil blijft. Het hormoon dat er voor zorgt dat de glucoseconcentratie in het bloed niet te laat wordt door de mobilisering van glycogeen, is:

      A. Insuline

      B. Glucagon

      C. Leptine

      26. Een patholoog bestudeert met behulp van de lichtmicroscoop een longbiopt van een patiënt. De patholoog constateert dat op een aantal plekken cilindrisch epitheel overgaat in plaveiselepitheel. Hoe wordt dit proces genoemd?

      A. Atrofie

      B. Hypertrofie

      C. Hyperplasie

      D. Metaplasie

      27. Er zijn verschillende typen kraakbeen. Uit welk type kraakbeen bestaat het kraakbeenskelet van de trachea hoofdzakelijk?

      A. Elastisch kraakbeen

      B. Hyalien kraakbeen

      C. Vezelig kraakbeen

      28. Atherosclerose is een veelvoorkomende ziekte in ontwikkelde landen. De ziekte wordt gekenmerkt door afwijkingen in de arteriële vaatwand. Welke laag van de arteriewand is bij atherosclerose initieel aangedaan?

      A. Adventitia

      B. Intima

      C. Lamina elastica interna

      D. Media

      29. Een 26-jarige loopt ongetraind de Zevenheuvelenloop van 15km. Tijdens de wedstrijd merkt hij verzuring in zijn benen. Dit is een gevolg van een toegenomen lactaatconcentratie. Deze toegenomen lactaatconcentratie wordt veroorzaakt door het tekortschieten van de capaciteit van de:

      A. Citroenzuurcyclus

      B. Glycogenolyse

      C. Ureumcyclus

      D. Vetzuurafbraak

      30. De groei van pathogene soorten zoals Gardnerella vaginalis en Candida spp. wordt in de vagina geremd door melkzuurbacteriën. Hoe remmen melkzuurbacteriën deze groei?

      A. Ze verlagen de pH

      B. Ze produceren toxines

      C. Ze remmen specifiek de celdeling van de pathogenen

      D. Ze sporuleren

      31. Een 21-jarige man komt op de eerste hulp vanwege hevige pijn op de borst sinds 3uur. Bij lichamelijk onderzoek wordt een bleke lange magere man gezien. Hij heeft een bril vanwege bijziendheid. Zijn bloeddruk is 85/40 mmHg, ademhalingsfrequentie van 20/min en een pols van 120 bpm. Zijn familiegeschiedenis vermeldt sudden death bij een 25-jarige broer. Welke van onderstaande diagnoses is het meest waarschijnlijk?

      A. Longembolie

      B. Hartinfarct

      C. Aortadissectie

      D. Pneumothorax

      E. Pericarditits

      32. Bij lichamelijk onderzoek van een patiënt wordt het volgende gevonden: verplaatsbare demping bij de percussie van de onderzijde van de linkerlong, verminderd ademgeruis en een verminderde stemfremitus over hetzelfde gebeid. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van deze bevindingen?

      A. Atelectase

      B. Pleuravocht

      C. Pneumothorax

      D. Tuberculose

      33. Een patiënt ondergaat een longfunctieonderzoek. Hierbij blijkt de vitale capaciteit (VC) verlaagd ten opzichte van normaal en de FEV1 verhoogd. De meest waarschijnlijke verklaring van de bevindingen bij deze patiënt is:

      A. Neuromusculair

      B. Niet pathologisch

      C. Obstructief

      D. Restrictief

      34. Op de spoedeisende hulp ziet de arts een 32-jarige vrouw. Zij voelt zich sinds vanmiddag kortademig met pijn links op de borst die vast zit aan de ademhaling. Zij hoest al sinds 1 week geel sputum op. Ze is de nacht tevoren teruggekomen uit Australië en is bang dat ze daar iets heeft opgelopen. Patiënte gebruikt als medicatie ongeveer 2 keer per week 1dd 400mg ibuprofen tegen hoofdpijn en een derde generatie anticonceptiepil. Bij lichamelijk onderzoek is sprake van een snelle en oppervlakkige ademhaling met een ademhalingsfrequentie van 20/min, temperatuur 37,7 graden C, een hartslag van 90/min en een bloeddruk van 105/60 mmHg. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van haar klachten?

      A. Decompensatio cordis

      B. Longembolie

      C. Myocardinfarct

      D. Pneumonie

      35. Waar in het hart bevindt zich de sinusknoop?

      A. Linker atrium

      B. Linker ventrikel

      C. Rechter atrium

      D. Rechter ventrikel

      36. Patiënten met diabetes mellitus hebben een verhoogd risico op ‘silent ischemia’. De lokalisatie van de ischemie betreft in dit geval:

      A. De alvleesklier

      B. De hartspier

      C. De perifere bloedvaten

      D. De retina

      37. De meest frequente oorzaak van myocarditis is een virale infectie. Welke van onderstaande virussen is de meest frequente oorzaak van virale myocarditis bij een volwassene?

      A. Coxsackievirus

      B. Epstein-Barr virus

      C. Hepatitis-A virus

      D. Influenzavirus

      38. Een 76-jarige vrouw heeft een niersteenaanval. Ze vertelt ook koorts en koude rillingen te hebben. Welke van onderstaande complicaties is het vaakst gerelateerd aan koorts en koude rillingen?

      A. Levensbedreigende hematurie

      B. Postrenale obstructie

      C. Ureter ruptuur

      D. Urosepsis

      39. De maag wordt onder anderen geïnnerveerd door de nervus vagus. Op welke manier beïnvloedt de nervus vagus de maagsapsecretie? De nervus vagus:

      A. Remt de secretie

      B. Stimuleert de secretie

      C. Beïnvloedt de secretie niet

      40. Een patiënt heeft sinds 6 weken diarree met bloedbijmenging. Een van de volgende condities is de meest waarschijnlijke oorzaak van de diarree. Dat is:

      A. Colitis ulcerosa

      B. Lactose intolerantie

      C. Laxantiamisbruik

      41. Een 52-jarige man, 35 “pack-years” en een onbehandelde hypertensie, klaagt over aanvallen van kortademigheid bij inspanning. Om te differentiëren tussen een longziekte en hartfalen besluit de arts een bloedbepaling te laten verrichten. Het beste onderscheid wordt gemaakt door bepaling van:

      A. Arteriële zuurstofspanning

      B. Brain natriuretic peptide

      C. Kreatinine

      D. Troponinen

      42. Bij een bepaald type atrioventriculaire geleidingsstoornis wordt iedere P-top gevolgd door een QRS-complex. De PQ-tijd bedraagt hierbij echter, bij normaal frequentie, meer dan 0,20 seconde. Dit type blok is een:

      A. Eerstegraads AV geleidingsstoornis

      B. Type 1 tweedegraads geleidingsstoornis

      C. Type 2 tweedegraads geleidingsstoornis

      D. Derdegraads AV geleidingsstoornis

      43. Boezemfibrilleren is een:

      A. Regelmatige supraventriculaire tachycardie

      B. Onregelmatige supraventriculaire tachycardie

      C. Regelmatige ventriculaire tachycardie

      D. Sick-sinus syndrome

      44. De symptomen van myasthenia gravis worden veroorzaakt door een verstoorde signaaloverdracht tussen neuronen en spieren als gevolg van beschadiging van acetylcholinereceptoren door specifieke autoantilichamen. Waarom vertonen pasgeboren kinderen van moeders met myasthenia gravis tijdelijk symptomen van deze ziekte?

      A. Acetylcholinereceptoren komen bij de partus in de bloedcirculatie van het kind

      B. De auto-immuun reactie van de moeder stimuleert ook het immuunsysteem van het kind

      C. IgG-antilichamen tegen acetylcholinereceptoren kunnen de placenta passeren

      D. Immuuncomplexen met acetylcholinereceptoren komen bij de partus in het bloed van het kind terecht.

      45. De meerderheid van de coloncarcinomen ontstaat uit:

      A. Adenomateuze poliepen

      B. Bloedende hemorroïden

      C. Diverticulitis

      D. Ulcera bij de ziekte van Crohn

      46. Pepsine en trypsine zijn enzymen die een rol spelen bij de spijsvertering. Voor deze enzymen geldt:

      A. Beide splitsen polysacchariden

      B. Beide splitsen eiwitten

      C. Pepsine splitst polysacchariden, trypsine splitst eiwitten

      D. Trypsine splitst polysacchariden, pepsine splitst eiwitten

      47. Een man komt op het spreekuur met dikke benen en gewichtstoename. De urine bevat veel eiwit. Welk van onderstaande gegevens geeft de meeste ondersteuning aan de diagnose nefrotisch syndroom?

      A. Hematurie

      B. Hypertensie

      C. Hypercholesterolemie

      D. Nierfunctieverlies

      E. Leeftijd <50 jaar.

      48. Bij een therapeutische pericardpunctie wordt een laag van het sereuze pericard doorboord om toegang te krijgen tot de pericardholte. Dat is de:

      A. Pariëtale laag

      B. Viscerale laag

      49. Bij welk van onderstaande vormen van anemie is behandeling met humaan erytropoiëtine het meest geïndiceerd?

      A. Anemie bij chronisch bloedverlies

      B. Anemie bij chronisch nierfalen

      C. Anemie bij hemodilutie na vochttoediening

      D. Aplastische anemie

      Antwoorden

      1. Antwoord C

      De Gonokok en de streptococ veroorzaken in zeldzame gevallen een septische artritis, meestal is de staphylococcus aureus de veroorzaker van het ziektebeeld. Borrelia burgdorferi is de bacterie die teken met zich mee kunnen dragen en waardoor je de ziekte van Lyme kunt ontwikkelen.

      Te vinden in: Diagnostiek van alledaagse klachten: bouwstenen voor rationeel probleemoplossen (2eherziene druk 2005), Jongh T. e.a., blz. 635.

      2. Antwoord D

      Haematemesis is het ophoesten van helderrood bloed. Optie A en C zijn termen die niet in de reguliere interne geneeskunde worden toegepast.

      Te vinden in: Essential Surgery: Problems, diagnosis and management (vierde druk 2007), Burkitt H. e.a., blz. onbekend.

      3. Antwoord A

      Diabetes heeft op vele vlakken zijn invloed. Van bovenstaande antwoorden is er maar één antwoord waar de ziekte geen invloed op heeft. De overige antwoorden betreffen diabetische nefropathie, diabetische polyneuropathie (een veel geziene klacht) en diabetische retinopathie, waarvoor patiënt tijdig op controle komen bij de oogarts.

      Te vinden in: Robbins and Cotran pathologic basis of disease (achtste editie 2009/2010), Kumar V. e.a., blz. 1139-1142.

      4. Antwoord B

      Er wordt een spanningspneumothorax beschreven. Dit ontstaat doordat, bij een traumatische pneumothorax, aan wond ontstaat waardoor lucht wordt aangezogen de longholte in, maar er minder lucht uit dan in gaat. Hierbij wordt de spanning in de thoraxholte opgebouwd, waarbij bijvoorbeeld de vena cava onder druk kan komen te staan en zo vitale functies bedreigd worden. Daarom is het van essentieel belang de diagnose a vue te stellen, geen overige diagnostische middelen in te zetten maar direct te behandelen middels een drain en zo voor decompressie van de rechter hemithorax te zorgen.

      Te vinden in: Leerboek chirurgie (tweede geheel herziene druk 2012), Gooszen H. e.a., blz. 621-622.

      5. Antwoord C

      Asbestosis en sarcoïdose zijn voorbeelden van restrictieve longaandoeningen. ARDS is een restrictieve aandoening die gezien wordt in kritieke situaties.

      Te vinden in: Robbins basic pathology (achtste editie 2007), Kumar V. e.a., blz. 485.

      6. Antwoord B

      Alle bevindingen passen bij BPH, behalve dat deze ‘plaatselijk zeer vast aanvoelt’, dit zou kunnen passen bij een maligniteit.

      Te vinden in: Ziekten in de huisartspraktijk (vijfde herziene druk 2008), Lisdonk van de E. e.a., bladzijde 279.

      7. Antwoord C

      Te vinden in: Medical biochemistry (derde editie 2009), Baynes J. e.a., blz. 80.

      8. Antwoord A

      Referentiewaarden Hb: Mannen 8.5-11.0 mmol/L, vrouwen 7.5-10.0 mmol/L. MCV < 80 = microcytaire anemie, MCV 80-100 = normocytaire anemie, MCV > 100 = macrocytaire anemie. Een ijzergebreksanemie is altijd microcytair. Vitamine-B12 deficiëntie kenmerkt zich juist door een macrocytaire anemie.

      Te vinden in: Kumar & Clark’s Clinical Medicine (zevende editie 2009), Kumar P. e.a., blz. 392, NHG Standaard anemie.

      9. Antwoord B

      Gezien de jonge leeftijd van bovenstaande patiënt zijn antwoord A en C zeer onwaarschijnlijk. Een hypertrofe cardiomyopathie is meestal de onderliggende oorzaak bij jonge sporters die plots dood neervallen op bijvoorbeeld het voetbalveld. Dit ligt meestal ten grondslag aan een aangeboren structurele afwijking. Een virale myocarditis kan zeker het geval zijn geweest bij zo’n jonge patiënt, alleen is het uiterst ongebruikelijk dat iemand daaraan overlijdt.

      Te vinden in: Robbins basic pathology (achtste editie 2007), Kumar V. e.a., blz. 397-398.

      10. Antwoord E

      Ter diagnostiek van coeliakie worden ook vaak antistoffen bepaald in het bloed, namelijk anti-gliadine antistoffen en anti-endomysium antistoffen. In de praktijk blijkt deze bepaling in combinatie met een positief effect na toepassing van een streng glutenvrij dieet al voldoende om de diagnose te stellen. De gouden standaard blijft echter aangetoonde vlokatrofie.

      Te vinden in: Stehouwer et al, Interne geneeskunde, 14egeheel herziene druk, 2010. Hoofdstuk 17: 17.6: Aandoeningen van de dunne darm

      11. Antwoord D

      FSH wordt door de hypofyse geproduceerd, en stimuleert de Sertoli-cellen die inhibine produceren. LH stimuleert de Leydig-cellen tot productie van het hormoon testosteron.

      Te vinden in: Guyton A. e.a., Textbook of medical physiology (elfde editie 2006), blz. 1006.

      12. Antwoord B

      Te vinden in: Sherwood L., Human physiology: from cells to systems (zesde editie 2006/2007), zesde editie, blz. 661.

      13. Antwoord B

      Ezelsbruggetje: Testosteron  Leydig = TL(=buis). Sertoli-cellen produceren Inhibine, wat de productie van testosteron door de cellen van Leydig remt.

      Te vinden in: Heineman M. e.a., Obstetrie en gynaecologie: de voortplanting van de mens (vijfde herziene druk 2004), blz. 112.

      14. Antwoord D

      Te vinden in: Baynes J. e.a., Medical biochemistry (tweede editie 2005), blz. 404.

      15. Antwoord A

      Coeliakie wordt gekenmerkt door atrofie van de darmvilli. Dit kan gepaard gaan met malabsorptie van belangrijke nutriënten zoals foliumzuur en ijzer. Anemie kan hiervan een gevolg zijn.

      16. Antwoord B

      Klassiek presenteert appendicitis zich met buikpijn diffuus rondom de navel, dit is de viscerale pijn die geassocieerd is met de inflammatie van het orgaan zelf. Naarmate de inflammatie van de appendix toeneemt, kan het pariëtale peritoneum geprikkeld raken door lokale irritatie. Deze pijn kan makkelijk gelokaliseerd worden rechts in de onderbuik (McBurney) en wordt pariëtale pijn genoemd.

      17. Antwoord D

      Te vinden in: Burkitt H. e.a., Essential surgery: problems, diagnosis and management (derde editie 2002), blz. 570.

      18. Antwoord C

      Te vinden in: Farmacotherapeutisch kompas.

      19. Antwoord B

      CEA wordt verhoogd gevonden bij coloncarcinomen, CA-125 bij ovariumcarcinomen.

      20. Antwoord D

      De nierfunctie neemt af met de leeftijd, een verminderde excretie is hier het gevolg van.

      21. Antwoord B

      Het syndroom van Raynaud is een bekend fenomeen bij SLE.

      Te vinden in: Kumar P. e.a. Kumar & Clark’s Clinical Medicine (achtste editie 2012), blz. 535-538.

      22. Antwoord D

      Symptomen die bij SLE passen: vlinderexantheem, Raynaud fenomeen, artritiden, nierafwijkingen, fotofobie etc.

      Te vinden in: Interne geneeskunde (14egeheel herziene druk 2010) Meer van der J. en Stehouwer C. e.a. 22.5.2 systemische lupus erythematodes p. 912

      23. Antwoord E

      Te vinden in: Anamnese en lichamelijk onderzoek (4e lichtgewicht druk 2006) Meer van der J. e.a. blz. 155-159.

      24. Antwoord D

      De adenohypofyse geeft vele hormonen af, bijvoorbeeld ACTH, TSH, FSH, LH, groeihormoon, prolactine. De neurohypofyse geeft ADH en oxytocine af. Het bijniermerg produceert adrenaline en noradrenaline, de bijnierschors geeft mineralocorticoïden (aldosteron), glucocorticoïden (cortisol), androgenen en oestrogenen (de laatste twee in een hele kleine concentratie ten opzichte van de gonaden).

      25. Antwoord B

      Insuline zet glucose dat niet direct wordt gebruikt, bijvoorbeeld na een koolhydraatrijke maaltijd, om in glycogeen. Wanneer de bloedsuikerspiegel te laag dreigt te worden zorgt glucagon weer voor omzetting van het eerder opgeslagen glycogeen naar glucose.

      26. Antwoord D

      Metaplasie is de reversibele verandering van het ene gedifferentieerde celtype naar een ander gedifferentieerd celtype door prikkels van buitenaf, bijvoorbeeld roken. Hyperplasie is de toename in het aantal cellen, hypertrofie is de toename in celgrootte en atrofie is de afname in celgrootte.

      27. Antwoord B

      Elastisch kraakbeen bevat elastine en bevindt zich in het buitenoor en de buis van Eustachius. Hyalien kraakbeen is rijk aan collageen type II en bevindt zich voornamelijk in de synoviale gewrichten, trachea en de larynx. Vezelig kraakbeen bevat vooral collageen type I en dit bevindt zich in de tussenwervelschijven, de symfyse en de meniscus in de knie.

      28. Antwoord B

      De arteriewand is opgebouwd uit verschillende lagen. In de intima – de binnenste laag van de arteriewand – vindt het proces van atherosclerose plaats. Bij atherosclerose ontstaan er om verschillende redenen laesies in de intima, wat door vele processen uiteindelijk leidt tot de zogenoemde “plaques”. Bij vordering van de atherosclerose wordt het lumen van een arterie steeds nauwer.

      29. Antwoord A

      Door verbranding van glucose tijdens inspanning komt er lactaat vrij. Lactaat wordt op zijn beurt weer afgebroken in de citroenzuurcyclus. Deze cyclus is aeroob: zolang er voldoende zuurstof wordt aangevoerd naar de spieren, kan lactaat worden afgebroken in de citroenzuurcyclus. Wanneer de zuurstof behoefte toeneemt tijdens zware inspanning (er komt heel veel lactaat vrij) en onvoldoende zuurstof wordt aangeleverd, kan lactaat zich ophopen.

      30. Antwoord A

      Melkzuurbacteriën produceren lactaat, hetgeen de vaginale pH verlaagt. Hierdoor wordt de groei van pathogene soorten geremd.

      31. Antwoord C

      De jongen heeft het syndroom van Marfan (lang, mager, bril), wat een bindweefselziekte is. Patiënten met het syndroom van Marfan hebben een verhoogd risico op een aortadissectie op jonge leeftijd, vanwege zwakte van het bindweefsel. Lage bloeddruk, hoge pols en hoge AF pleiten voor een mogelijke aortadissectie.

      32. Antwoord B

      Een verplaatsbare demping van de linkerlong past het beste bij pleuravocht. Atelectase en pneumothorax geven geen verplaatsbare demping.

      33. Antwoord D

      Restrictieve longaandoeningen worden gekenmerkt door een verlaagd VC en een verhoogd FEV1. Obstructieve longaandoeningen worden gekenmerkt door een verlaagd FEV1.

      34. Antwoord B

      Bij deze anamnese moet men meteen bedacht zijn op een mogelijke longembolie aangezien twee belangrijke risicofactoren aanwezig zijn: lange vlucht en gebruikt van derde generatie orale anticonceptie. Daarnaast is pijn vastzittend aan de ademhaling karakteristiek voor een longembolie.

      35. Antwoord C

      De depolarisatiegolf verspreidt zich vanuit de sinusknoop door de atria en via de AV-knoop en de bundel van His naar de ventrikels.

      36. Antwoord B

      In ‘silent ischemia’ is er sprake van objectiveerbare ischemie (ECG afwijkingen) van het myocard zonder dat er pijn optreedt. Patiënten met diabetes mellitus hebben een verhoogd risico op stille ischemie.

      37. Antwoord A

      Vaak wordt er voor myocarditis (ontsteking van de hartspier) geen oorzaak gevonden. Wanneer er wel een virale oorzaak wordt ontdekt is het coxsackievirus B (een enterovirus) de meest frequente oorzaak van virale myocarditis in volwassenen.

      38. Antwoord D

      Koorts en koude rillingen geven aan dat er sprake is van een infectieuze component. Urosepsis ontstaat doordat een infectie die in de urinewegen is ontstaan, zich naar de bloedbaan heeft verspreid. Obstructie van de urinewegen door bijvoorbeeld een niersteen, kan een infectie veroorzaken.

      39. Antwoord B

      Te vinden in: De nervus vagus (nervus X) is onderdeel van het parasympatische zenuwstelsel en stimuleert onder anderen de maagsapsecretie en gastro-intestinale peristaltiek. Het parasympatische systeem is vooral actief in rust.

      40. Antwoord A

      Colitis ulcerosa is een inflammatoire darmziekte. Door ontsteking van de mucosa van het colon kunnen de volgende symptomen zich voordoen: diarree met bloedbijmenging, buikpijn, vermoeidheid en koorts. Lactose intolerantie geeft andere symptomen: opgeblazen gevoel, krampen, flatulentie, diarree zonder bloedbijmenging, misselijkheid. Bij laxantiemisbruik kan er sprake zijn van diarree, echter zonder bloedbijmenging.

      Te vinden in: Kasper D., Harrison's principles of internal medicine, 2005, 16e ed., Blz. 228-229.

      41. Antwoord B

      Troponinen worden bepaald wanneer verdenking bestaat op een myocard infarct, hetgeen hier niet het geval is gezien de symptomen. Troponine C, troponine I en troponine T zijn eiwitten die een complex vormen in dwarsgestreepte spiercellen en betrokken zijn bij spiercontractie. Het myocard is een vorm van dwarsgestreepte spier. Wanneer ischemie in het myocard optreedt, komen troponinen vrij uit de ischemische myocardcellen in de circulatie. Een stijging in de troponinenwaarden in het bloed kan daarom op een myocardinfarct duiden. Troponine T en troponine I zijn het meest specifiek voor myocardinfarct. Kreatinine geeft een beeld van de nierfunctie. De arteriële zuurstofspanning wordt bepaald door arterieel bloed te onderzoeken. Hiermee kan de gasuitwisseling ter hoogte van de alveoli beoordeeld worden. Het beste onderscheid wordt gemaakt door het brain natriuretic peptide (BNP) te bepalen. BNP is een eiwit dat in de cardiomyocyten van de ventrikels wordt gesynthetiseerd en vrijkomt in respons op excessief rekken, zoals bij hartfalen wanneer het volume in de ventrikel toeneemt. NT-proBNP is een precursor van BNP en kan evenals BNP gebruikt worden om hartfalen te diagnosticeren. Hiervoor gelden echter andere referentiewaarden dan voor BNP.

      Te vinden in: Kumar P. e.a., Kumar & Clark, Clinical Medicine, 2005, 6e ed., Blz. 789.

      42. Antwoord A

      In de eerstegraads AV geleidingsstoornis wordt elke P-top nog gevolgd door een QRS-complex, de PQ-tijd is echter verlengd vanwege vertraagde geleiding door de AV-knoop. De tweedegraads AV geleidingsstoornis wordt onderverdeeld in twee typen: Mobitz I en Mobitz II. In Mobitz I vindt na elke hartslag geleidelijke verlenging van de PQ-tijd plaats tot het moment dat een QRS-complex wegvalt, waarna de cyclus opnieuw begint. In Mobitz II is er sprake van at random wegvallen van het QRS-complex, zonder verlenging van de PQ-tijd. De derdegraads AV geleidingstoornis is een totaal blok. Dit wil zeggen dat geen enkel impuls vanuit de sinusknoop via de AV-knoop nog naar de ventrikels wordt geleid. Op het ECG is er complete temporele dissociatie tussen de P-toppen en de QRS-complexen. Een escape rhythm vanuit een pacemaker site in de ventrikels zorgt voor ventriculaire depolarisatie onafhankelijk van de impulsen van de sinusknoop.

      Te vinden in: Fauci A., Harrison's principles of internal medicine, 2008, 17e ed., Blz. 1420-1421.

      43. Antwoord B

      Fibrilleren is de snelle, onregelmatige en ongesynchroniseerde contractie van het myocard. Boezemfibrilleren (ofwel atriumfibrilleren) is dus een supraventriculaire arrythmie waarbij depolarisatie van de atria onafhankelijk van het vuringsritme van de sinusknoop plaatsvindt. Impulsen worden onregelmatig en te snel vanuit naar de atria naar de ventrikels geleid. Er is dus ook sprake van een tachycardie. Het sick-sinus syndroom is een aandoening van sinusknoop zelf waarbij vooral bradycardieën optreden.

      Te vinden in: Jongh de T. e.a., Diagnostiek van alledaagse klachten: bouwstenen voor rationeel probleemoplossen (2e herz. dr. 2005) Blz. 344-345.

      44. Antwoord C

      Myasthenia gravis is een ziekte van de neuromusculaire overgang. Patiënten maken autoantilichamen aan van het IgG type gericht tegen de postsynaptische acetylcholinereceptoren, waardoor het excitatoire effect van de neurotransmitter acetylcholine postjunctioneel niet doorgegeven kan worden aan de spier. Klachten hierbij zijn: spierzwakte, vermoeidheid. In veel gevallen uit de ziekte zich als eerste in de oogspieren (ptosis). Kenmerkend voor IgG antilichamen is dat zij in staat zijn om de placenta te passeren. De circulerende maternale IgG autoantilichamen kunnen dus in de foetale circulatie terechtkomen, waardoor het pasgeboren kind tijdelijk symptomen kan hebben van myasthenia gravis. Maternale antilichamen verdwijnen uiteindelijk uit de circulatie van het kind, hiermee verdwijnen ook de symptomen van de ziekte.

      Te vinden in: Parham P., The immune system (3e ed. 2009), Blz. 268, 415.

      45. Antwoord A

      Colo(rectale) carcinomen ontstaan uit pathofysiologisch complexe processen. Vaak is er sprake van progressie van een premaligne laesie (zoals een adenomateuze poliep) naar een invasief carcinoom door genetische mutaties. In de hereditaire aandoening Familial Adenomatous Polyposis (FAP) is er sprake van een mutatie in het APC-gen. Dragers van dit defecte gen hebben bijna 100% kans op het ontwikkelen van een colorectaal carcinoom. In het Hereditary Non-Polyposis Colon Cancer (HNPCC) syndroom is er sprake van een defect in mismatch repair genen.

      Colorectale poliepen worden onderverdeeld in hypertrofische en neoplastische poliepen. Hypertrofische poliepen bestaan uit gedifferentieerde cellen die slechts zeer zelden (eigenlijk nooit) maligne ontaarden. Neoplastische poliepen bestaan uit cellen die hun normale differentiatie hebben verloren. Deze cellen kunnen benigne of maligne zijn. In dat laatste geval zal men niet meer van een poliep spreken, maar van een carcinoom. De meeste benigne neoplastische colorectale poliepen zijn adenomateus. Dit betekent dat zij uit epitheliale cellen van glandulaire aard bestaan. Adenomateuze poliepen kunnen tubulair, villeus, tubulovilleus of sessiel zijn.

      Hemorroïden zijn afwijkende veneuze vaatstructuren, deze kunnen niet maligne ontaarden. Divertikels zijn uitstulpingen van de darmwand, deze kunnen ontsteken (diverticulitis) maar niet maligne ontaarden. Patiënten met inflammatoire darmziekten zoals Crohn of colitis ulcerosa hebben een verhoogde kans op colorectaal carcinoom. De meeste colorectale carcinomen ontstaan echter door progressie van een adenomateuze poliep naar een invasief carcinoom.

      Te vinden in: Kumar V. e.a., Robbins basic pathology, 2007, 8e ed., Blz. 619.

      46. Antwoord B

      Pepsine wordt gesynthetiseerd in de maag en breekt eiwitten af. Trypsine wordt als de precursor trypsinogeen in de pancreas gesynthetiseerd en in het duodenum geactiveerd tot trypsine door enteropeptidase. Evenals pepsine splitst het eiwitten.

      Te vinden in: Berg J. e.a., Biochemistry, 2012, 7e ed., Blz. 303.

      47. Antwoord C

      Het nefrotisch syndroom is de klinische manifestatie van schade aan de glomeruli. Het kan primair optreden bij een specifieke nierziekte, of secundair bij een systemische aandoening met betrokkenheid van de nieren. Primaire oorzaken van het nefrotisch syndroom zijn minimal-change nefropathie, focale glomerulosclerose, membraneuze nefropathie. Secundaire oorzaken zijn diabetes mellitus, SLE, pre-eclampsie, virale infecties (hep. B, hep. C, HIV). De kenmerken van het nefrotisch syndroom zijn:

      • proteïnurie (>3,5g per 24u) door toegenomen permeabiliteit van de glomeruli voor eiwitten

      • oedeem, met name in de benen maar ook in het gelaat

      • hypoalbuminemie

      • hyperlipidemie: door eiwitverlies via de nieren gaat de lever actief eiwitten synthetiseren, inclusief lipoproteïnen, waardoor het plasma cholesterol kan stijgen.

      Te vinden in: Jong de P. e.a., Klinische nefrologie (4e herz. dr. 2005), 2005, 4e herz. dr., Blz. 218.

      48. Antwoord A

      De viscerale laag bedekt het hart zelf, als deze aangeprikt wordt is men de pericardholte al voorbij.

      Te vinden in: Moore K. e.a., Clinically oriented anatomy, 2010, 6e ed., Blz. 128.

      49. Antwoord B

      Erytropoiëtine stimuleert de hematopoiëse. Het wordt gesynthetiseerd in de nieren en kan in geval van nierfalen onvoldoende worden aangemaakt.

      Te vinden in: CVZ College voor Zorgverzekeringen, Farmacotherapeutisch Kompas 2010, Blz. 300.

      Stamplijst

      Weetjes endocrinologie:

      Sulfonylureumderivaten

      Bv Tolbutamine. Stimuleert insuline afgifte (type 2)

      Immunoglobuline (Ig.)

      Antistof = antilichaam (een eiwit)

      Feochromocytoom

      Tumor bijniermerg (adrenaline en dopamine) Hypertensie!

      Verdieping endocrinologie:

      Diabetes insipidus

      Definitie: ontbreken (craniaal) of ongevoeligheid (nefrogeen) van ADH

      Oorzaak: onvoldoende afgifte Anti Diuretisch Hormoon uit hypofyse achterkwab

      Symptomen: polyurie (‘s nachts), polydipsie, sufheid, coma

      Diagnostiek: dorstproef

      Behandeling: vasopressine analoog (ADH = vasopressine)

      Overgevoeligheidsreacties (Gell & Cooms)

      Type I:

      Oorzaak: mestcellen binden Fc deel IgE  degeneratie mestcel + vrijkomen mediatoren (ontstekingsreactie)  histamine

      Kenmerken: pas na herhaald contact allergeen

      Vb: anafylaxie, atopisch eczeem/astma, hooikoorts, medicijnen

      Type II:

      Oorzaak: antilichaam IgM/IgG gericht tegen antigeen van lichaam eigen (of getransfuseerde) cellen  killercel reacties of lysis.

      Kenmerken: via complement activatie

      Vb: autoimmuun hemoltische anemie, MG, pemhigus, Good pasture syndr

      Type III:

      Oorzaak: immuuncomplexen slaan in weefsel neer  complement geactiveerd, granulocyten aangetrokken  ontsteking + schade

      Vb: SLE, polyarteritis nudosa, post-strept glomerulonefritis

      Type IV:

      Oorzaak: antigeen gesensibiliseerde T-cellen, lymfokines vrij, bij herhaald contact, aantrekken macrofagen (onsteking), tegen auto-antilichamen

      Vb: Lepra, TBC, Crohn, Sarcoidose

      Complimentsysteem

      Bevat factoren (eiwitten) die door middel van lysis (doden) van de met antilichaam (bact/virus) bedekte micro-organisme en fagocyterende cellen aantrekken door chemotaxis.

      Pas actief wanneer contact met immuuncellen (granulocyten, monocyten, B-

      Lymfocyten) of rechtsstreeks met bacterie/virus

      Geen leervermogen nodig, onderdeel van innate immuunsysteem

      Adenohypofyse achterkwab

      ADH

      Adenohypofyse voorkwab

      TSH-schildklier, ACTH –bijnierschors, FSH –groei rijping follikel ovaria, LH-rijping follikel en productie oestrogenen, GH-groei in epifysair schijven, Prolactine-melkproductie

      Bijnierschors

      Aldosteron (behoudt water en Natrium)
      Cortisol (stimuleert glucogenese)

      Bijniermerg

      Adrenaline / noradrenaline

      Weetjes cardiologie:

      Acuut reuma

      Meest voorkomende oorzaak van mitraalklepstenose

      Atriumfibrilleren

      Meest voorkomende hartziekte op oudere leeftijd

      Sinusknoop

      In rechter atrium

      Harttamponade

      Pulsus paradoxus, gedempte harttoon, arteriële druk gedaald, veneuze druk verhoogd. Obstructie shock.

      2e harttoon

      gespleten bij inspiratie

      CO2 teveel

      Trommelstokvingers, centrale cyanose

      Endocarditis

      Splinterbloedinkjes onder nagels (+koorts, moe en malaise)

      Virale myocarditis

      Meest voorkomende voorzaak: coxsackievirus

      Verdieping cardiologie:

      Decompensatio cordis

      Definitie: Hartfalen. Acute vorm = asthma cardiale

      DC links: vocht ophoping in longen

      DC rechts: vocht ophoping in perifeer deel lichaam. Centraal veneuze druk verhoogd en leverstuwing.

      Oorzaak: afhankelijk systolisch of diastolisch

      Symptomen: Moeheid, kortademigheid, gewichtstoename (geen pijn op borst)

      Behandeling: bètablokkers en ACE-remmers

      Abonneechapter met online tentamenvragen bij UVT - Deel: Interne Geneeskunde

      Vraag 1

      Een 60-jarige man komt op het huisartsenspreekuur. Hij heeft sinds 5 jaar regelmatig obstipatieklachten, waarvoor hij medicamenteus wordt behandeld. Hiermee komt de ontlasting regelmatig. Verder is hij bekend met galstenen. Deze werden als toevalsbevinding gevonden bij een echo onderzoek vanwege het vervolgen van zijn bestaande a-symptomatische abdominale aorta aneurysma. Hij heeft nooit klachten gehad van de galstenen, met name geen ontkleurde ontlasting en koliekpijnen. Sinds vanochtend klaagt patiënt over vrij acuut ontstane pijn in de rug. De pijn is continu aanwezig en progressief. Patiënt heeft eergisteren nog normaal ontlasting gehad. Nu heeft hij wel steeds aandrang, maar bij proberen komt er geen ontlasting. Patiënt heeft 1 maal gebraakt en voelt zich wat trillerig en klam, er is geen koorts.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Aneurysma aortae abdominalis

      2. Welk beleid moet de huisarts nu voeren?

      2. Insturen voor operatie

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke buis mondt samen met de ductus choledochus uit in het duodenum?

      1. Ductus pancreaticus

      2. Hoe heet de structuur waar deze buizen hun opening naar het duodenum hebben?

      2. Papil van Vater, of: papilla duodeni major

      3. In welk deel van het duodenum monden de buizen uit?

      3. Pars descendens

      Vraag 2

      Een 74 jarige vroegere treinbestuurder is door de huisarts naar de chirurgische polikliniek gestuurd, waar U als assistent werkzaam bent. De begeleidende brief van de huisarts vermeldt een sinds 6 weken bestaande toenemende pijn in de rechter onderbuik vooral bij bewegen. De laatste 6 maanden heeft patiënt ongeveer 10 kg aan gewicht verloren. Het defaecatie patroon was niet veranderd en er is geen bloedverlies per anum opgemerkt. De familie anamnese vermeldt verder geen bijzonderheden. Het lichamelijk onderzoek laat een klinisch niet anemische man zien. Geen icterus. Voelbare mobiele massa in de rechter onderbuik. Lever niet palpabel. De meegeleverde laboratoriumuitslagen vermelden o.a. een normaal Hb gehalte. De meegebrachte Röntgen contrastfoto's van het colon tonen een "klokhuisachtige" opheldering van het colon ascendens.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. (Annulair) carcinoom colon ascendens cq. Coecum

      2. Welke behandeling is geïndiceerd?

      2. Hemicolectomy rechts

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Van welke arterie zijn de takken naar het colon ascendens afkomstig?

      1. A. mesenterica superior

      2. Welke tak van de aorta vasculariseert het colon sigmoidum?

      2. A. mesenterica inferior

      3. Hoe heten de zo karakteristieke uitstulpingen van de colon wand, die ook op een Röntgenafbeelding (met contrast) zichtbaar zijn?

      3. Haustra

      Vraag 3

      Een 42-jarige roker heeft een pancreascarcinoom. Hij krijgt als pijnbestrijding morfine. Sinds enige dagen ontwikkelt hij een vervelende hoest, waarbij enig bloedig sputum wordt opgegeven. Zijn rechter been is dik en bij echografie wordt een diepe veneuze thrombose vastgesteld.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de waarschijnlijkheidsdiagnose t.a.v. het hoesten en opgeven van sputum?

      1. Longembolie

      2. Met welke aanvullende beeldvormende diagnostiek kan deze diagnose worden bevestigd?

      2. In volgorde van diagnostische kracht: Pulmonalis angiografie; CT-angiografie; Ventilatie-perfusie scan.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Door welke 3 mechanismen kan thrombose ontstaan?

      1.

      Veranderingen in de bloedstroom; Veranderingen in de vaatwand; Veranderingen in de bloedsamenstelling

      Vraag 4

      Een 24-jarige man is door de huisarts verwezen naar de poli interne geneeskunde met klachten van een opgezet gezicht, opgezette handen en oedemateuze benen. De internist vindt bij aanvulend onderzoek een cholesterolgehalte van 12 mmol/L (n< 5 mmmol/L) en het albuminegehalte is laag (24 g/L, n: 34-50). In de urine is eiwit +++, bij kwantificatie 12 gr/24 uur.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. nefrotisch syndroom

      2. Noem twee mogelijke oorzaken (niet meer dan twee noemen).

      2. [a] Glomerulonefritis; [b] Systemische vasculitis: SLE; [c] Diabetische glomerulopathie; [d] Amyloidose; [e] Geneesmiddelen; [f] Allergie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      In bloedcapillairen bepalen de oncotische (=colloïd-osmotische) druk en de hydrostatische druk of er water wordt afgegeven aan of opgenomen uit de extravasculaire ruimte.

      1. Is de oncotische of de hydrostatische druk normaliter hoger aan de veneuze kant van een capillair bloedvat?

      1. De oncotische druk is daar normaliter hoger.

      2. Wat veroorzaakt het oedeem bij de boven beschreven patiënt (noem oorzaak en direct gevolg)?

      2. Het lage eiwitgehalte (albumine) van het bloed; daardoor lage oncotische druk, verhoogde uitscheiding van water naar het interstitium en verlaagde reabsorptie.

      Vraag 5

      Een 45-jarige, vrij gezette, blonde vrouw klaagt over jeuk, donkere urine en witte stopverfachtige ontlasting en bezoekt daarvoor de internist. Bij lichamelijk onderzoek ziet de internist gele sclerae en voelt u een 5 cm doorsnede gladde zwelling in de Re bovenbuik.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Galsteen die de ductus choledochus afsluit, obstructie-icterus (ook goed: pancreaskopcarcinoom)

      2. Welke laboratorium-uitslag van het directe en indirecte bilirubine verwacht u?

      2. Direct: verhoogd. Indirect: normaal of licht verhoogd

      3. Hoe kan de diagnose onder 1. bevestigd worden?

      3. Echo, CT, ERCP

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Stercolibine (= urolibine) is verantwoordelijk voor de (normale) kleur van faeces.

      1. Uit welke stof wordt stercobiline gevormd?

      1. Bilirubine (na conjugatie in de lever)

      2. Waar (op microscopisch niveau) wordt deze verbinding gevormd?

      2. In darmbacteriën - colon

      Vraag 6

      U bent arts-assistent op de EHBO. Bij u wordt een 5-jarige jongen gebracht die na gering trauma een ernstige bloeding in de knie heeft gekregen. Bij navraag blijkt dat twee broers van moeder hetzelfde probleem hadden. Bij geen van de andere familieleden (beide zusters van de vader en een zuster van de moeder) is dat het geval. Het eigen zusje (2 jr) en broertje (3 jr) hebben geen klachten. U laat bloedonderzoek uitvoeren.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke aandoening is waarschijnlijk aanwezig?

      1. Hemophilie

      2. Bij welke twee bepalingen van het bloedonderzoek verwacht u een afwijking te vinden?

      2. Lage factor VIII (of IX of VWF) en verlengde APTT

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Teken de stamboom. Ga ervan uit dat de 5-jarige jongen en de twee broers van moeder aan dezelfde aandoening lijden.

      1. Stamboom (pm)

      2. Hoe groot is de kans dat een broer of zus van de 5-jarige jongen ook deze aandoening zal hebben?

      2. Zus: kans; broer: kans 0,5

      Vraag 7

      De huisarts bezoekt een 59-jarige man met koortsaanvallen met koude rillingen, enkele weken na een grote tandheelkundige ingreep. Bij lichamelijk onderzoek wordt een hoogfrekwente graad IV/VI systolische souffle aan de punt, uitstralend naar de oksel gehoord. Er zijn kleine rode streepjes onder de nagel te zien.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Van welke aandoening is hier hoogstwaarschijnlijk sprake?

      1. (Subacute bacteriële) endocarditits (ook goed: sepsis lenta)

      2. Met welk aanvullend onderzoek kan deze diagnose bevestigd worden?

      2. Bloedkweken en echocardiografie (of slokdarm-echo)

      3. Welk klepgebrek bestaat er?

      3. Mitralis insufficiëntie

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke hartkleppen hebben papillairspieren?

      1. Beide atrioventriculaire kleppen, of: tricuspidaalklep en mitraal(=bicuspidaal)klep

      2. Wat is de functie van de papillairspieren ?

      2. Voorkomen dat kleppen bij sluiten doorslaan richting atrium

      Vraag 8

      U bent poortarts en op de EHBO ziet U een man van 58 jaar met een forse neusbloeding sinds twee uur die niet wil stoppen. Hij is niet verkouden en er heeft zich geen trauma voorgedaan. Bij neusinspectie lokaliseert u de laesie hoog (posterieur) in de neus.Uit de anamnese blijkt dat de patiënt wegens hartklachten wordt behandeld met antistolling.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welk diagnostisch laboratoriumonderzoek is geïndiceerd (2 noemen)?

      1.

      [a] bloedgehalte (Hb, Ht) bepalen en

      [b] uitsluiten of zijn antistolling niet is ‘doorgeschoten’ (INR / APTT)

      2. Welk therapeutisch beleid is hier in eerste instantie geïndiceerd?

      2. Neustamponade

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Citraat, oxalaat en EDTA voorkomen het stollen van afgenomen bloed. Waarop berust de werking van alle drie genoemde stoffen?

      1. Binding van (voor de stolling in vitro onontbeerlijke) calcium ionen (Ca++ ).

      2. Ongewenste bloedstolling in een intact bloedvat wordt voorkomen door een protease inhibitor, die geactiveerd wordt door heparine. Hoe heet dat eiwit (komt in een concentratie van 150 mg/L in het plasma voor)?

      2. Antithrombine III

      3. De werking van Coumarine derivaten (warfarin, dicumarol) berust op de remming van een enzymatische modificatie van stollingsfactoren. Het enzym heeft als co-factor een vitamine nodig, dat door de coumarines onbruikbaar wordt gemaakt. Bij coumarine vergiftiging (bv. door ingestie van rattengif) helpt dan ook het toedienen van dit vitamine in hoge dosis. Om welk vitamine gaat het?

      3. Vitamine K

      Vraag 9

      Op uw huisartsspreekuur verschijnt een 41-jarige eigenaar van een zaak in elektrische artikelen, vader van twee opgroeiende (puber-)dochters. De laatste tijd gaat het niet zo goed met de zaak door de concurrentie in de stad verderop. U bent zijn huisarts. Hij meldt zich op uw spreekuur met sinds enkele maanden bestaande buikpijnklachten. Hij maakt zich er vooral bezorgd over; een vriend overleed onlangs in korte tijd aan een ongeneeslijke ziekte die "ook ongeveer zo begon". U vraagt een aantal zaken na. Hij heeft geen koorts, er is sprake van wisselende ontlasting (breiig, soms juist verstopt), geen bloed- of slijmbijmenging. Hij rookt. Hij heeft pijn in de bovenbuik, soms wat knagend, af en toe midden in de nacht stijgt er een zuur gevoel op in zijn bovenbuik waar hij wakker van wordt.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Noem drie mogelijke diagnosen in volgorde van waarschijnlijkheid

      1.

      [a] Refluxziekte,

      [b] ulcuslijden of evt. "maagklachten",

      [c] dyspepsie,

      [d] maagcarcinoom,

      [e] prikkelbare darmsyndroom

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Pijn in de bovenbuik kan veroorzaakt worden door de bacterie Helicobacter pylori.

      1. Noem één van de virulentie factoren (stoffen) van H. pylori.

      1. Urease en / of cytotoxine

      2. Hoe is deze infectie vast te stellen?

      2. Bacterie kweken uit maagbiopt / ureum in adem / antigeen detectie in faeces

      3. Waarom wordt deze infectie met een protonenpomp-blokker behandeld naast een antibioticumkuur?

      3. Blokkeren van maagzuurproductie

      Vraag 10

      U werkt als arts op de afdeling Spoedeisende Hulp. Door het ambulancepersoneel wordt een 28-jarige vrouw binnengebracht, die als passagier betrokken was bij een frontale autobotsing. Patiënte is onrustig en verward, doch aanspreekbaar. Zij geeft pijn aan bij de ademhaling en in de buik.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Volgens welke richtlijn moet u het lichamelijk onderzoek verrichten?

      1. Onderzoek volgens de richtlijnen van ATLS (=Advanced Trauma Life Support).

      2. Waaruit bestaat uw behandeling in eerste instantie? Noem drie onderdelen.

      2. Toedienen zuurstof (intubatie), (beademing), infuus, immobilisatie wervelkolom.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke drie functies heeft de ademhaling?

      1.

      (a) opname zuurstof (O2)

      (b) energie productie, cellulaire ademhaling, oxidatie voedingsstoffen etc.

      (c) verwijderen kooldioxide (CO2)

      Vraag 11

      Een 72-jarige vrouw bezoekt het spreekuur van de huisarts in verband met hoofdpijn, moeheid, algemene malaise en gewichtsverlies. Bloedonderzoek laat een Hb zien van 6,0 mmol/l en de indices wijzen op een microcytair beeld.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke verklaring voor haar anemie?

      1. IJzergebreksanemie (1 punt) t.g.v. bloedverlies uit de tractus digestivus (2 punten).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Is de erythropoiese van deze vrouw te stimuleren door toediening van erythropoietine (EPO)?

      1. Nee.

      2. Verklaar uw antwoord bij vraag (1) in maximaal drie zinnen.

      2. De anemie is (gezien het lage Hb en microcytair beeld) niet het gevolg van een te lage productie van erythrocyten in het beenmerg.

      Vraag 12

      Tijdens uw dienst als chirurg op de afdeling Spoedeisende Hulp meldt zich een 34-jarige man met een zwelling in de rechter lies. Patiënt vermeldt dat hij de zwelling ongeveer 3 weken geleden voor het eerst heeft bemerkt, maar er verder geen last van heeft gehad. Patiënt werkt in de bouw, en bij thuiskomst vandaag bemerkte hij toenemende pijn in de rechter lies ter plaatse van de zwelling, die ook groter en harder leek te zijn geworden.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is uw differentiaal diagnose? Noem drie diagnosen.

      1. Liesbreuk, femoraalbreuk, lymfeklierzwelling, aneurysma, varix (vena saphena magna), wekedelentumor,abces.

      2. Welke diagnostiek is noodzakelijk om de diagnose te stellen?

      2. Lichamelijk Onderzoek.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Het verloop van het lig. inguinale (Poupart) kan gebruikt worden om te differentiëren tussen bepaalde zwellingen in de liesregio. Tussen welke twee palpabele botpunten verloopt dit ligament ?

      1. Spina iliaca anterior superior (SPIAS) en tuberculum pubicum.

      2. In welke buikwandlaag bevindt zich de anulus inguinalis profundus ?

      2. Fascia transversalis.

      Vraag 13

      Een 20-jarige man komt wegens pijnklachten op de borst bij de internist . De klachten zijn niet typisch voor angina pectoris, maar lijken wel verband te houden met inspanning. Hij maakt zich ongerust, omdat de familie-anamnese sterk belast is voor coronarialijden. Na lichamelijk onderzoek en een (normaal) electrocardiogram ondergaat hij een inspanningselectrocardiogram. Dit onderzoek valt ook normaal uit.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welk beleid is nu geïndiceerd?

      1.

      • geruststelling

      • ontslag uit controle e.d.

      • geen therapeutisch beleid

      • screening op (andere) risicofactoren voor hart en vaatziekten

      • X thorax

      • oesosophago- /gastro-scopie

      Elk antwoord met invasief cardiologisch onderzoek = 0 punten.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Noem vier risicofactoren voor het ontstaan van atherosclerose.

      1. Leeftijd, geslacht, verhoogd cholesterolgehalte, roken, weinig lichaamsbeweging, hypertensie, diabetes.

      2. Wanneer is in bovenstaande casus sprake van een belaste familie-anamnese voor coronarialijden?

      2. Van een belaste familie-anamnese is sprake wanneer bij een bloedverwant voor het 60e levensjaar een manifestatie heeft gehad van hart- en vaatziekten.

      Vraag 14

      Een 45-jarige man bekend met diabetes mellitus type II bezoekt de huisarts in verband met een rood , zeer pijnlijk linker onderbeen. Ongeveer twee dagen geleden is deze roodheid ontstaan en het breidt zich langzaam uit. Hij heeft daarnaast koorts en is hierbij ook misselijk.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijk diagnose?

      1. Erysipelas of cellulitis.

      2. Welke behandeling is geïndiceerd als eerste keuze?

      2. Penicilline bij erysipelas of flucloxacilline bij cellulitis.

      3. Geef ook de toedieningswijze (lokaal, oraal, iv, im) aan.

      3. Penicilline oraal of iv; flucloxacilline oraal of iv.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Onder welke omstandigheden is ene behandeling met een macrolide, zoals erytromycine, azitromycine, of claritromycine, geïndiceerd?

      1. Bij penicilline- overgevoeligheid.

      Vraag 15

      Een 63-jarige vrouw wordt verwezen naar de polikliniek Interne Geneeskunde vanwege last van jeuk ontstaan in de loop van 2 maanden. Ze is spontaan 3 kilo afgevallen in 2 maanden; ze heeft geen pijn. Bij onderzoek bestaat er een gele kleur aan de sclerae van beide ogen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Noem de meest waarschijnlijke diagnose (benoem de locatie zo precies mogelijk).

      1. Pancreaskopcarcinoom.

      2. Welke twee lever-enzymen zullen naar verwachting verhoogd zijn?

      2. AF en gGT (Alkalische fosfatase/ alkaline phosphatase; gamma-glutamyl transpeptidase, GGT).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke buizen monden uit bij de papil van Vater ?

      1. Ductus choledochus en ductus pancreaticus.

      Vraag 16

      Een 24-jarige man komt bij de huisarts vanwege dagelijks optredende diarree sinds ongeveer 3 weken (5 tot 10 maal daags), met af en toe een beetje bloed bijmenging. Hij is 7 kilo afgevallen. Zes jaar geleden heeft hij een fistel aan de anus gehad, waarvoor twee operaties zijn verricht. Bij lichamelijk onderzoek valt op dat hij mager is met een slechte voedingstoestand; gewicht 52 kilo bij een lengte van 1.78 m. Verder geen afwijkingen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke diagnose lijkt het meest waarschijnlijk?

      1. M Crohn.

      2. Welk aanvullend beeldvormend onderzoek is geïndiceerd?

      2. X-Dunne darm passage.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Het grote oppervlak van het darmstelsel is een potentiële “porte d’entrée” voor micro-organismen. Het specifieke immuunsysteem heeft in het darmweefsel gespecialiseerde structuren ontwikkeld, die belangrijk zijn voor de afweer.

      1. Wat is de naam van deze structuren?

      1. Peyer’s plakken/patches, of MALT, of lymfefollikels.

      2. Welke klasse immunoglobuline beschermt het slijmvlies tegen invasie van micro-organismen?

      2. IgA.

      Vraag 17

      Een 60 jaar oude vrouw met een voorgeschiedenis van een chronisch ulcus duodenum klaagt de laatste 6 maanden over anorexie, misselijkheid, gewichtsverlies en geregeld braken. In het braaksel is niet-verteerd voedsel te herkennen. Bij onderzoek vindt u dehydratie, hypokaliëmie en hypochloremische alkalose.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Pylorus (duodenum) obstructie (als gevolg van littekenstenose).

      2. Welke therapie is geïndiceerd?

      2. Chirurgische correctie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Geregeld braken kan leiden tot metabole hypochloremische alkalose.

      1. Welke verandering in de pH van het bloed wordt bij metabole alkalose waargenomen?

      1. De pH stijgt.

      2. Hoe zal het lichaam die verandering trachten te compenseren?

      2. Hypoventilatie (respiratoire acidose).

      3. Bij welke psychische eetstoornis wordt metabole alkalose vaak gezien?

      3. Anorexia nervosa.

      Vraag 18

      U bent huisarts en in uw avonddienst wordt u gebeld door een alleenstaande oudere man die een bloedneus heeft die niet wil stoppen. Hij geeft aan veel bloed verloren te hebben.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke 2 anamnestische vragen moet u zeker stellen?

      1. Gebruik van antistolling en bekend met hypertensie?

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welk eiwit bindt aan receptoren op bloedplaatjes en aan collageen vezels in beschadigd subendotheliaal weefsel?

      1. Von Willebrand factor.

      2. Vervolgens leidt vormverandering van het bloedplaatje tot binding van een eiwit aan beschikbaar gekomen receptoren op het plaatje. Welk eiwit is dit?

      2. Fibrinogeen.

      3. Welke twee bewerkingen, gereguleerd door een cascade van stollingsfactoren, moet het bij vraag 2 bedoelde eiwit nog ondergaan voordat er een stevige bloedprop is ontstaan?

      3.

      1. omzetting van fibrinogeen (oplosbaar) in fibrine (onoplosbaar)(door proteolyse)(door thrombine);

      2. crosslinking van fibrine (monomeren tot stevig polymeer netwerk).

      Vraag 19

      Een jonge vrouw van Turkse afkomst bezoekt het spreekuur van de huisarts vanwege toenemende moeite met lopen en spierzwakte. Zij is gehuwd, heeft 2 jonge kinderen en woont op een bovenhuis in de binnenstad. Ze spreekt nauwelijks Nederlands. U laat bloedonderzoek verrichten en stelt een verlaagd calcium gehalte in het bloed vast.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is bij deze vrouw de meest waarschijnlijke oorzaak voor de hypocalciëmie?

      1. Vitamine D gebrek.

      2. Hoe komt dat?

      2. Onvoldoende blootstelling aan direct zonlicht (bij donkere huid).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Noem een aandachtspunt – naast de aandacht voor taalproblemen – dat van belang is in de communicatie met deze vrouw.

      1. Aandacht voor mogelijke verschillen in klinische realiteit; of: aandacht voor mogelijke verschillen in communicatiecodes (impliciet versus expliciet, betrekkings- versus inhoudelijk niveau, verbaal versus non-verbaal).

      2. Noem 2 chronische aandoeningen die bij Turkse vrouwen (veel) vaker voorkomen dan bij Nederlandse (autochtone) vrouwen.

      2. Twee van de volgende mogelijkheden: rugaandoeningen, maagzweer, astma (copd), migraine, duizeligheid.

      Vraag 20

      Een overigens gezonde 37-jarige vrouw is de laatste maanden toenemend moe. Zij bezoekt het spreekuur van de huisarts die een vale, wat gelige gelaatstint opmerkt en bloedonderzoek laat doen. Zij gebruikt geen alcohol en de eetlust is normaal. Het Hb is sterk verlaagd (4.8 mmol/L) en het MCV (115) is duidelijk verhoogd; ook is er een trombopenie.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Pernicieuze anemie of vitamine B12-deficiëntie..

      2. Welk bloedonderzoek is het eerst geïndiceerd?

      2. Vitamine B12 gehalte van het serum.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Stel: bloedonderzoek wijst uit dat de pariëtale cellen van de patiënte niet functioneren.

      1. Waar bevinden zich pariëtale cellen in het lichaam eigenlijk?

      1. Pariëtale cellen bevinden zich in de maagwand.

      2. Welke behandeling stelt u voor?

      2. Injecties met vitamine B12.

      Vraag 21

      Een 22-jarige vrouw meldt zich op de Spoedeisende Hulp met ernstige pijn in de linker bovenbuik na een stomp van haar man. Bij onderzoek vindt u een bloeddruk van 110/70, haar pols is 100 en de ademhaling 24 per minuut.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. (traumatische) miltruptuur

      2. Noem 1 aanvullend onderzoek dat het meest is geïndiceerd.

      2. CT-scan

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Het is niet de eerste keer dat de vrouw zich onder behandeling moet stellen na lichamelijk geweld door haar echtgenoot. De vrouw blijkt echter – bij navraag – geen aangifte te willen doen bij de politie.

      1. Onder welke drie omstandigheden mag u uw beroepsgeheim verbreken?

      1. Doorbreken van beroepsgeheim mag a. indien de patiënt daar zelf toestemming voor geeft; b. bij wettelijke verplichting; c. indien er sprake is van conflict van plichten.

      2. Zou u in dit geval zelf de echtgenoot mogen aangeven bij de politie? Leg in maximaal 20 woorden uit waarom wel/niet.

      2. Aangifte doen zonder toestemming is schending beroepsgeheim. Af te raden. Als arts beperken tot hulpverlening aan patiënt.

      Vraag 22

      In september verschijnt op uw huisartsspreekuur de heer Van de Geest, 63 jaar, doorgaans genietend van zijn VUT. Hij komt voor zijn jaarlijkse controle van een al langer bestaande hypothyreoïdie. Terloops vraagt hij u of hij ook een inenting tegen de griep moet hebben. U gaat na of hij tot een risicogroep behoort, die in aanmerking komt voor een influenzavaccinatie.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Komt hij in aanmerking voor een influenzavaccinatie? Licht uw antwoord toe.

      1. Nee, hij behoort niet tot een risicogroep.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      In Nederland is gekozen voor een zogeheten ‘hoog-risico benadering’ bij de influenzavaccinatie.

      1. Leg kort uit wat deze benadering betekent.

      1. Opsporen van individuen in een bevolking met een extreem hoog risico; richten van preventieprogramma (vaccinatie) op deze groep.

      2. Hoe wordt de tegenhanger van een ‘hoog-risico benadering’ genoemd?

      2. Populatiebenadering.

      3. Noem de belangrijkste sociaal-medische reden waarom deze keuze is gemaakt.

      3. De kosten van influenzavaccinatie zijn hoog. Een kostenbaten afweging is ongunstig. Of: acceptatie onder de doelgroep is groter, waardoor betere participatie.

      Vraag 23

      Een 57-jarige man wordt met meervoudig letsel aan buik en onderste extremiteiten door u op de Spoedeisende Hulp gezien en direct ter operatie opgenomen. Per- en postoperatief krijgt hij 10 liter Ringer vloeistof i.v. en 8 eenheden “packed cells”. Na aanvankelijke verbetering krijgt hij een ernstige dyspnoe op de tweede postoperatieve dag.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Noem 2 mogelijke oorzaken van de ernstige postoperatieve dyspnoe.

      1. Acute ademhaling stoornis syndroom (Acute Respiratory Distress Syndrom = ARDS); longembolie.

      2. Welk onderzoek laat u onmiddellijk verrichten?

      2. Arterieel bloedgas onderzoek..

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Het verschil in affiniteit van hemoglobine voor O2 bij zuurstofopname in de longen en bij zuurstofafgifte in de weefsels wordt ten dele verklaard door het Bohr effect. Wat wordt hiermee bedoeld? (In een zo kort mogelijke zin).

      1 Lagere pH > lagere affiniteit.

      2. Noem 1 andere belangrijke modulator van de O2 affiniteit van normaal HbA.

      2. CO2 (en 2,3 bifosfoglyceraat (2,3 BPG)).

      3. Welk Hb heeft een hogere affiniteit voor O2: adult Hb (HbA) of fetal Hb (HbF)?

      3. HbF (overname O2 van HbA in placenta).

      Vraag 24

      Een 70-jarige man komt bij u als dienstdoende arts op de Spoedeisende Hulp wegens opeens optredende heftige buikpijn en algemene achteruitgang. Bij lichamelijk onderzoek van de buik vindt u een stille buik en vallen de opgetrokken benen op. Er is een harde buik bij palpatie.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke bevinding bij de percussie is van belang?

      1. Opgeheven leverdemping bij percussie.

      2. Welke diagnose ligt het meest voor de hand?

      2. Maag- of dundarm perforatie.

      3. Welk beeldvormend onderzoek is geïndiceerd? Welke bevinding zal daar dan worden gedaan?

      3. X-thorax of X-BOZ met zichtbare diafragmakoepels; lucht-schil onder diafragma.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welk buikorgaan staat in direct contact met de rechter diafragmakoepel?

      1. Rechts: lever.

      2. Noem twee organen die in direct contact staan met de linker diafragmakoepel.

      2. Links: maag (1punt), milt (1 punt).

      Vraag 25

      Een 45-jarige man wordt verwezen naar de poli chirurgie vanwege typische klachten die passen bij de diagnose ulcus duodeni.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke andere diagnose moet uitgesloten worden?

      1. Maagcarcinoom.

      2. Noem twee onderzoeken waarmee dit kan geschieden.

      2. Gastroscopie, biopt, kweek (Helicobacter pylori).

      3. Wat is de therapie voor ulcus duodeni?

      3. Antibiotica combinatie + antacidum (zuursecretieremmer).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Noem twee groepen geneesmiddelen waarmee u de zuursecretie in de maag kunt verminderen.

      1. Histamine H2 receptor antagonisten (cimetidine, ranitidine enz), protonpompremmers (omeprazol, pantoprazol enz), prostaglandine receptor E agonisten (misoprostol).

      2. Op welke cellen in de maagwand grijpen deze geneesmiddelen aan?

      2. Pariëtale cellen die de vorming en secretie van maagzuur verzorgen.

      Vraag 26

      Mevrouw De Jonge is 78 jaar oud en weegt 105 kg. Zij heeft diabetes mellitus type II waarvoor zij insuline gebruikt. Vier jaar geleden is zij langdurig opgenomen geweest vanwege trombose en een longembolie en twee jaar geleden maakte zij een hartinfarct door. Naast de genoemde insuline gebruikt zij sintrom, antihypertensiva en digoxine. Zij slaapt vanwege haar matige cardiale functie op drie kussens. Zij meldt zich bij u vanwege een waterige, rozeachtige, vaginale afscheiding die zij sinds een zestal weken heeft opgemerkt.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Op welk ernstig ziektebeeld moet u bedacht zijn?

      1. Endometriumcarcinoom.

      2. Op welke wijze kunt u dit ziektebeeld aantonen of uitsluiten?

      2. Histologisch onderzoek van het endometrium, verkregen via curettage of hysteroscopie.

      3. Als uw vermoeden wordt bevestigd, welke behandeling zou dan het meest geschikt zijn voor mevrouw De Jonge?

      3. Radiotherapie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Herhaal hier eerst uw antwoord op de eerste klinische vraag.

      1. Welke groep geneesmiddelen kan bij de behandeling van dit ernstig ziektebeeld nuttig zijn?

      1. Progestagenen

      Vraag 27

      Een 57-jarige roker is door de neuroloog naar de poli vaatchirurgie verwezen wegens twee episoden van 10-15 minuten durende parese in de rechter arm in de laatste 6 maanden. Een CT-scan van het hoofd is normaal. Een arteriogram van de carotiden vertoont een 75% stenose van de linker arteria carotis.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. TIA (Trans Ischaemic Attack).

      2. Welke therapie is geïndiceerd?

      2. Endarteriectomie van de linker arteria carotis.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke twee grote zenuwstructuren liggen direct naast dan wel achter de a. carotis communis/interna en zullen bij eventuele operaties in dit gebied gespaard dienen te worden?

      1.n. vagus, tr. Sympathicus

      Vraag 28

      Een man van 62 jaar komt bij de huisarts wegens veranderd ontlastingspatroon, en wat bloedverlies vermengd met de ontlasting. Ook vermeldt hij loze aandrang tot defecatie. Hij is 3 kilo afgevallen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke diagnose dient u zeker in de overweging mee te nemen?

      1. Sigmoïdcarcinoom.

      2. Welk (deel van het) lichamelijk onderzoek verricht u nu?

      2. Rectaal toucher.

      3. Welk aanvullend onderzoek is geïndiceerd? (bloedonderzoek wordt hier niet bedoeld)

      3. Coloscopie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke arterie verzorgt het colon descendens en colon sigmoïdeum?

      1. A. mesenterica inferior.

      2. Welke structuur ligt direct achter deze arterie met zijn vertakkingen en moet bij een eventuele operatie in dit gebied gespaard worden?

      2. Ureter.

      Vraag 29

      Een 34-jarige man met een grote open snijwond aan het linker dijbeen wordt de Spoedeisende Hulp binnengebracht, waar u zojuist uw dienst als poortarts bent begonnen. De bloeddruk is 90 mmHg systolisch. Bloed stroomt uit de wond.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat doet u als allereerste?

      1. Bloeding stoppen door directe locale druk (met steriel gaas).

      2. Is een bloedtransfusie direct geïndiceerd?

      2. Nee.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Wat is hematocriet?

      1. Hematocriet: percentage rode bloed cellen in het totale bloed volume.

      2. Welk percentage van het bloed bestaat uit plasma?

      2. 60%

      Vraag 30

      Een 45-jarige man bezoekt het spreekuur van u (als huisarts) omdat hij sinds 2 weken ’s nachts wakker wordt vanwege pijn midden achter het borstbeen. Hij gaat dan rechtop zitten en drinkt wat water waarop het wel weer afzakt. Bij trap lopen of andere inspanning treedt geen retrosternale pijn op. Wel heeft hij zuurbranden.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Aan welke diagnose doet dit het meest denken?

      1. Reflux oesofagitis (1 punt)

      2. Welke behandeling is de eerste keuze?

      2. Proton-pomp remming (1 punt)

      3. Indien de behandeling na 2 weken niet heeft aangeslagen, welk aanvullend onderzoek is dan het eerst aangewezen?

      3. Oesofagoscopie of oesofagus slikfoto (1 punt)

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Nabij de maag bevinden zich diverse sfincters. Eén van deze is de zogenaamde LES.

      1. Waar bevindt deze zich?

      1. Onderin de oesophagus, vlak voor de maag.

      2. Betreft het een anatomische of fysiologische sfincter?

      2. Fysiologische sfincter.

      3. Waarom dient zich op deze plek een sfincter te bevinden?

      3. De druk in het abdomen is hoger dan in de thorax. Zonder sfincter zou er continu maaginhoud de oesophagus in worden gezogen.

      Vraag 31

      U wordt als huisarts geroepen bij een 24-jarige student, die koorts heeft die in de loop van ongeveer 7 dagen geleidelijk is gestegen tot 39 0 C. Hij heeft hoofdpijn, geen zin om te eten, en is verzwakt. Hij heeft last van obstipatie. Hij is sinds twee weken terug van een reis door Turkije. U vindt hem wat suf. Bij het bloed onderzoek is er een matige leucopenie.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Aan welke diagnose dient u te denken?

      1. Tyfus (1punt).

      2. Naar welke afwijking zoekt u bij het lichamelijk onderzoek?

      2. Roseolae (1 punt)

      3. Zet u nog andere kweken in, behalve de faeces-kweken? Zo ja, welke?

      3. Bloedkweken (1 punt)

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke verwekker van de infectie?

      1. Salmonella tyfi of Salmonella paratyfi.

      2. Welke twee problemen kunnen zich voordoen bij de therapie?

      2a. Antibiotica resistentie (in Turkije) 2b. Antibiotica penetratie in de cel (S. tyfi is een intracellulair groeiend micro organisme) / van belang voor dragerschap.

      Vraag 32

      Een 30-jarige vrouw komt op uw spreekuur in de huisartsenpraktijk, nadat zij met haar rechter voet op een roestige spijker heeft getrapt. Haar laatste tetanus vaccinatie was 8 jaar geleden. De laatste 5 jaar gebruikt zij corticosteroïden wegens colitis ulcerosa.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Is een tetanus vaccinatie geïndiceerd? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

      1. Ja; tetanus toxoid + anti-tetanus-immunoglobuline (actieve + passieve immunisatie); wegens gebruik van corticosteroïden.

      2. Is antibiotische therapie geïndiceerd? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

      2. Ja; verminderde weerstand door gebruik corticosteroïden.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Als je met het endoscoop het slijmvlies van het colon bekijkt, zie je dan villi?

      1. Nee.

      2. Als je met het microscoop het slijmvlies-epitheel van het colon bekijkt, welk celtype zie je dan het meest talrijk in beeld en wat maakt deze cel?

      2.

      • Goblett cell c.q. slijmbekercel
      • Slijm

      Vraag 33

      Een 35-jarige man komt bij u als huisarts. Hij heeft het afgelopen jaar al 3 maal een koliekaanval gehad met pijn in de linker flank uitstralend naar de linker lies. De aanvallen gingen gepaard met macroscopische hematurie. Hij heeft er nooit koorts bij gehad en de urinekweken waren steeds negatief. De man is verder gezond en heeft een blanco voorgeschiedenis.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Uretersteenkolieken.

      2. Welk type medicament heeft de voorkeur om in het acute stadium van de aanvallen de pijn te bestrijden (noem de GROEP medicamenten)?

      2. Een NSAID.

      3. Welk bloedonderzoek (noem 1 laboratoriumbepaling) vraagt u aan ter nadere analyse van de OORZAAK van het probleem?

      3. Calcium of Geïoniseerd Calcium.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Het urine volume wordt mede bepaald door een hormoon dat geproduceerd wordt in kernen in de hypothalamus.

      1. Welk hormoon is dit?

      1. ADH (anti-diuretisch hormoon).

      2. Waar bereikt dit hormoon de bloedsomloop?

      2. In de hypofyse-achterkwab (neuro-hypofyse).

      3. Waarop reageren de receptoren die de afgifte van dit hormoon reguleren? Noem één factor.

      3. Bloeddruk of de osmolaliteit van het bloed.

      Vraag 34

      Een 40-jarige vrouw is door de huisarts verwezen naar de internist. Zij heeft sinds een paar weken gemerkt dat haar hals in omvang is toegenomen. Ook vertellen mensen in de omgeving dat haar gezicht gezwollen is. Ze heeft last van tranende ogen, en is sinds enkele dagen kortademig in rust.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Vena cava superior syndroom op basis van een proces in mediastinum.

      2. Welke aanvullende diagnostiek zet u in, alvorens histologisch onderzoek te verrichten?

      2. X-thorax; evt CT thorax.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Na positieve bevindingen in dit aanvullend onderzoek, wordt histologisch onderzoek verricht.

      1. Wat is de meest waarschijnlijke histologische diagnose bij deze patiënte?

      1. Goed zijn: maligne lymfoom, lymfoom, M.Hodgkin, longcarcinoom, thymoom.

      Vraag 35

      Een 40-jarige mannelijke patiënt ligt bij u op de Intensive Care voor postoperatieve observatie. 24 Uur postoperatief krijgt hij convulsies. Zijn meest recente serum-natrium waarde is 118 mEq/L.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van zijn convulsies?

      1. Hyponatriaemie (< 130 mEq/L).

      2. Welke therapie is geïndiceerd?

      2. Hypertonische zoutoplossing (NaCl 3 %)

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Benoem het mechanisme op cellulair niveau waardoor de convulsies ontstaan (2 aspecten).

      1

      1. de membraanpotentiaal wordt verlaagd

      2. de prikkeldrempel wordt verlaagd

      3. oedeem kan convulsies veroorzaken

      Vraag 36

      Bij een 60-jarige man zijn galstenen geconstateerd. Hij staat op de wachtlijst voor electieve cholecystectomie. De man gebruikt dagelijks een aspirine. Hij vraagt aan zijn huisarts of hij moet stoppen met de aspirine.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is het pre-operatief advies van de huisarts mbt het aspirinegebruik?

      1. (Een (1) week) voor operatie stoppen.

      2. Licht uw antwoord toe.

      2. Aspirine --> inactiveert cyclo-oxygenase (bloedplaatjes) --> remt bloedplaatjesaggregatie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de functie van gal?

      1. Vertering vetten in de darm (emulgeren)

      2. Wat is het hoofdbestanddeel ervan?

      2. Cholesterol.

      Vraag 37

      De heer Kaspers, 54 jaar, presenteert als klacht al enkele weken last te hebben van buikpijn, vooral links gelokaliseerd, ontlasting van wisselende consistentie, soms wat slijmbijmenging en een opgeblazen gevoel. Zes jaar geleden heeft hij hier ook een tijd last van gehad; zijn toenmalige huisarts heeft toen de diagnose irritable bowel syndrome (IBS) gesteld.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Noem drie belangrijke anamnestische gegevens, die bij navraag negatief beantwoord dienen te worden, alvorens u voornoemde diagnose opnieuw bevestigt en een verdenking op een colorectale maligniteit uitsluit.

      1. - bloedverlies bij defaecatie - onbedoeld gewichtsverlies (>3 kg in een maand) - het voorkomen van een colorectaal carcinoom bij eerstegraads familieleden.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke twee soorten erfelijke darmkanker kent u?

      1. FAP en HNPCC.

      2. Noem twee criteria op grond waarvan u bij darmkanker aan een erfelijke oorzaak moet denken.

      2. - meerdere personen in de familie aangedaan - jonge leeftijd - multipele tumoren (tegelijkertijd óf na elkaar)

      Vraag 38

      Een 57-jarige man komt bij u op het spreekuur met een pijnlijke knobbel in het litteken de bovenbuik. De voorgeschiedenis vermeldt een maagoperatie 1 jaar geleden. Tien dagen na de operatie moest de operatiewond een stukje worden opengemaakt om een abces te draineren. De operatiewond genas daarna in enkele weken tijd.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Littekenbreuk.

      2. Wat zijn de typische kenmerken bij lichamelijk onderzoek? Noem er drie.

      2. Zwelling tpv een litteken; zwelling > bij staan/persen; zwelling < bij liggen; breukpoort papabel.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke buikwand structuren moet men incideren bij een mediane bovenbuikslaporotomie ? Noem er vier.

      1. huid, subcutis, linea alba, fascia transversalis, peritoneum parietale.

      Vraag 39

      Een 24-jarige man presenteert zich met een rode, warme, pijnlijke, linker grote teen. Hij meldt tevens een branderige mictie en heeft verder een blanco voorgeschiedenis. Bij lichamelijk onderzoek vindt de huisarts een matige zieke man, een temperatuur van 38.30 C en een monoarthritis van digiti I.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de differentiaal diagnose? Noem drie diagnosen.

      1. Infectie (bacterieel, schimmel), reactief, trauma/corpus alienum, jicht, begin van polyarthritis/RA syndroom van Reiter?

      2. Welk syndroom is bij deze man het meest waarschijnlijk gezien zijn leeftijd?

      2. Syndroom van Reiter.

      3. Welke aanvullende diagnostiek is geïndiceerd?

      3. Test op Neisseria gonorrhoe, chlamydia trachomatis. (Evt analyse van synoviaal vocht).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Herhaal hier de meest waarschijnlijke diagnose (antwoord op klinische vraag 2):

      1. Uitgaande van de meest waarschijnlijke diagnose: met welke groep geneesmiddelen wilt u (indien nodig) deze jonge man behandelen?

      1. NSAIDs (COX-remmers, aspirine, niet-narcotische analgetica: ook goed).

      2. Wat is de belangrijkste nevenwerking van deze groep geneesmiddelen?

      2. Maagklachten.

      Vraag 40

      Een 72-jarige vrouw bezoekt uw huisartsspreekuur in verband met snel progressieve vermoeidheid en 10 kilogram gewichtsverlies. Bij het afnemen van de anamnese vertelt zij geen specifieke klachten te hebben. Wel heeft zij last van hoofdpijn en klachten van pijn aan haar kaakgewricht bij het kauwen. Ook is haar visus afgenomen. U doet uitvoerig onderzoek en het lab.onderzoek levert een bezinking op van 120 mm. Er is een normochrome normocytaire anemie van 6.5 mmo/l en een licht verhoogde alkalische fosfatase van 150 U/l. Het overig laboratoriumonderzoek levert geen bijzonderheden op. Ook het Röntgenonderzoek van de thorax, sinus, echo mamma en lever en een coloninloop leveren geen afwijkingen op.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Geef een differentiaal diagnose van drie aandoeningen (in volgorde van waarschijnlijkheid).

      1. Arteriitis temporalis; Tuberculose; Grawitz tumor; ook goed Kahler en RA.

      2. Welke aanvullende diagnostiek is geïndiceerd? Noem twee onderzoeken.

      2. Temporalisbiopt; Mantoux; Urinesediment.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Waardoor wordt de verhoogde bezinking veroorzaakt?

      1. Cytokinen (bv IL-1 en TNFa) geproduceerd door geactiveerde macrofagen zetten de lever aan tot de productie van acute fase eiwitten.

      2. Noem twee voorbeelden van eiwitten in deze bezinking.

      2. C-reactive protein, fibrinogeen, ceruloplasmine, a1-antitrypsine etc.

      Vraag 41

      Een 48-jarige vrouw meldt zich in uw huisartsenpraktijk met een plotseling ontstane pijn in de bovenbuik na de maaltijd. Zij is bekend met symptomatisch galsteenlijden en staat op de wachtlijst voor operatie. De pijn is heviger en houdt langer aan dan de koliekpijnen die ze kent. Het vervoer per auto op weg hier naar toe was extra pijnlijk.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de differentiaal diagnose? Noem drie diagnosen.

      1. Acute pancreatitis (met Cholangitis); Cholecystitis; Maag-darm perforatie; (extra abdominale aandoeningen)

      2. Noem twee aanvullende onderzoeken die geïndiceerd zijn.

      2. Lab., X-Thorax, X-BOZ, Echo, ECG, (CT, MRI).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Galstenen zijn op basis van hun samenstelling in te delen in twee grote groepen.

      1. Wat zijn deze twee groepen galstenen?

      1. Cholesterol en pigment (of bilirubine) stenen.

      2. Welke soort galstenen komt het meest frequent voor in de westerse samenleving?

      2. Cholesterolstenen.

      Vraag 42

      Een man van 62 jaar is naar de internist verwezen in verband met een veranderd defecatiepatroon en bloedverlies met de ontlasting. Hij laat een sigmoidioscopie verrichten. Daarbij wordt in het sigmoïd een tumor gezien van ca. 2x2 cm. Er worden biopten genomen die het beeld laten zien van een adenocarcinoom. Daarnaast worden bij de scopie twee poliepen verwijderd; bij histologisch onderzoek blijkt er sprake te zijn van benigne poliepen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke operatie is geïndiceerd.

      1. Sigmoïdresectie.

      2. Is bestraling geïndiceerd?

      2. Radiotherapie: speelt geen rol.

      3. In welk geval is chemotherapie geïndiceerd?

      3. Chemotherapie: alleen bij aanwezigheid van lymfekliermetastasen.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Een darmpoliep kan opgevat worden als een benigne tumor, een carcinoom is per definitie een maligne tumor.

      1. Wat zijn de twee essentiële verschillen tussen benigne en maligne tumoren?

      1a. Een maligne tumor groeit infiltratief, een benigne tumor niet..

      1b. Een maligne tumor kan metastaseren, een benigne tumor niet.

      Vraag 43

      Als waarnemend huisarts ziet u op uw spreekuur een 67-jarige man, die volgens zijn vrouw enkele uren geleden plotseling niet meer uit zijn woorden kon komen en zijn koffiekopje uit zijn rechterhand had laten vallen. Inmiddels is zijn spraak weer verbeterd en kan hij zijn rechterhand weer normaal gebruiken. De voorgeschiedenis vermeldt geen bijzonderheden, met name geen operaties. Hij gebruikt medicijnen tegen hoge bloeddruk en verhoogd cholesterolgehalte. Zijn broer is zes jaar geleden aan een hartinfarct overleden. Sindsdien rookt de man niet meer

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Transient Ischaemic Attack.

      2. Welke aanvullende onderzoeken zijn noodzakelijk? Noem er drie.

      2. CT/MRI van de hersenen; duplex-scan van de halsvaten; ECG; Lab.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Het lichaam verwerkt per dag ongeveer 2 g cholesterol.

      1. Noem de twee belangrijkste bronnen van cholesterol.

      1. Voeding en synthese (uit AcetylCoA) (vnl. door de lever).

      2. Hoe wordt de meeste cholesterol weer afgevoerd?

      2. In de gal (als cholesterol en als galzuren).

      3. Cholesterol dient als precursor voor een groep belangrijke verbindingen. Welke groep?

      3. Steroïde hormonen.

      Vraag 44

      U bent poortarts op de Spoedeisende Hulp. Er wordt door de ambulancedienst een 19-jarige jongeman, betrokken bij een verkeersongeval, binnengebracht. De ambulanceverpleegkundige vertelt dat zij het slachtoffer bewusteloos hebben aangetroffen. Bij onderzoek is de patiënt nog niet aanspreekbaar, de bloeddruk is 110/85 mmHg, polsfrequentie 145 slagen per minuut. De patiënt heeft een infuus in de rechterarm en heeft tijdens het transport zuurstof toegediend gekregen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke klinische diagnose is het meest waarschijnlijk?

      1. Shock.

      2. Welke aanvullende onderzoeken acht u primair noodzakelijk? Noem er drie.

      2. Lab, echo, buik, Röntgendiagnostiek.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Hersencellen zijn afhankelijk van constante aanvoer van glucose en zuurstof.

      1. Waarom kunnen hersencellen geen vetzuren gebruiken voor hun energie voorziening?

      1. Vetzuren passeren de bloed-hersen barrière zeer slecht. (niet, nauwelijks).

      2. Wat zijn de eindproducten van anaërobe, resp. aërobe verbranding van glucose?

      2. Lactaat (melkzuur), resp. H2O en CO2 (evt. + moleculen ATP).

      Vraag 45

      Mw. V.d. M., 55 jaar, komt op het spreekuur van haar huisarts met klachten van veel dorst de laatste maanden; ze drinkt twee liter vocht per dag. Bij onderzoek vindt de huisarts een gezette vrouw (lengte 160, gewicht 80 kg), met litteken van een galblaasoperatie van 15 jaar geleden, maar verder geen bijzonderheden. Haar bloeddruk is 140/95. De bloedglucose blijkt verhoogd. Hij stelt na anamnese en onderzoek de diagnose diabetes mellitus type II. Haar familie-anamnese voor deze ziekte is negatief. Zij rookt niet.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke bevinding heeft de grootste oorzakelijke betekenis voor haar diabetes?

      1. Overgewicht.

      2. Wat is het geneesmiddel van eerste keus?

      2. Metformine

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Noem het pathofysiologisch mechanisme dat bij diabetes type II centraal staat.

      1. Insulineresistentie.

      2. Noem twee fysiologische parameters waarop preventieve maatregelen bij deze patiënte gericht moeten zijn, naast de controle van haar bloedsuiker en mogelijk diabetescomplicaties (oogproblemen, voetproblemen e.d.).

      2. Bloeddrukregulatie, cholesterolregulatie.

      Vraag 46

      Mevr. P. bezoekt regelmatig het spreekuur met een scala van tamelijk onschuldige kwalen. U informeert uiteraard regelmatig hoe het thuis is en weet daarom dat haar 44-jarige echtgenoot al jaren zeer regelmatig te diep in het glaasje kijkt. U ziet hem echter zelden of nooit op uw spreekuur, totdat hij op een dag komt met klachten van een opgezette buik, hij kan de broek niet meer dicht krijgen. Bij lichamelijk onderzoek ziet u een bolle buik met uitgezette flanken en u hoort normale peristaltiek. U vermoedt ascites.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Naar welk verschijnsel gaat u op zoek bij de percussie van de buik, ter bevestiging van uw vermoeden op ascites?

      1. Shifting dullness.

      2. U stelt inderdaad ascites vast. Op welke aandoening berust dit naar alle waarschijnlijkheid?

      2. (alkoholische) levercirrhose.

      3. Naar welke huidafwijkingen op de bovenste helft van de thorax gaat u op zoek bij deze patiënt?

      3. Spider naevi.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Een van de oorzaken van ascites is een probleem met de lever.

      1. Benoem de aanvoerende en afvoerende vaten van de lever.

      1. Hepatica (propria)/ leverslagader, v. portae/ poortader, v. hepatica/ leverader.

      Vraag 47

      De heer B. (45 jaar) heeft een afspraak gemaakt op het spreekuur van de huisarts. De huisarts kent hem niet, omdat hij pas vorige week in deze wijk is komen wonen. De patiënt maakt zich zorgen wegens de pijn op zijn borst, waarvan hij de afgelopen maand regelmatig last heeft. De huisarts overweegt wat er aan de hand kan zijn, voordat hij een anamnese afneemt.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Noem vier differentieel-diagnostische groepen, die de huisarts in overweging dient te nemen en waar hij verder zijn anamnese op moet richten.

      1. Cardiovasculair, skelet/spierstelsel (houdings- en bewegingsapparaat), pulmonaal, gastro-intestinaal, psychiatrisch, dermatologisch.

      2. Van welke groep van diagnosen is de a-priori-kans bij de huisarts op dit moment het grootst?

      2. Skelet/spierstelsel (houdings- en bewegingsapparaat).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      De huisarts vervolgt met een anamnese en concludeert dat cardiovasculair probleem het meest waarschijnlijk is.

      1. Noem vier risicofactoren die in de anamnese besproken kunnen zijn en die tot deze conclusie kunnen hebben geleid.

      1. Diabetes mellitus, hypertensie, hoog cholesterol, roken, familiaire predispositie, overgewicht, gebrek aan beweging.

      2. Welke vorm van preventie is geïndiceerd?

      2. Secundaire preventie.

      Vraag 48

      Als poortarts op de Spoedeisende Hulp ziet u een 64-jarige man met buikpijn. De voorgeschiedenis vermeldt een appendectomie 20 jaar geleden. Verder is hij bekend met galstenen. Deze werden als toevalsbevinding gevonden bij de echo vanwege het vervolgen van zijn 6 jaar geleden ontdekte abdominale aneurysma(<5cm.doorsnede). Hij heeft nooit klachten gehad van de galstenen, in het bijzonder geen ontkleurde ontlasting en koliekpijnen. Nu klaagt patiënt over een sinds gisteravond acuut ontstane buikpijn in de rechter onderbuik, krampend van karakter, eigenlijk continue aanwezig. Hij heeft niets bijzonders gegeten en de overige leden van het gezin hebben geen last. De ontlasting is regelmatig en vanmorgen heeft hij nog normale ontlasting gehad. Patiënt heeft nu tweemaal gallig gebraakt. Hij heeft geen eetlust en een wat opgeblazen gevoel.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose? Licht uw antwoord toe.

      1. Strengileus (dunne darm), post-appendectomie.

      2. Wat is in eerste instantie uw beleid? Noem 3 maatregelen.

      2. Niets-per-os, maagsonde, infuus.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Via welke buis monden de galwegen uit in het duodenum?

      1. Ductus choledochus.

      2. Welke andere structuur mondt op dezelfde plaats als de onder 1 bedoelde buis uit in het duodenum?

      2. Ductus pancreaticus.

      Vraag 49

      Een 74-jarige vrouw verblijft na een herseninfarct in een verpleeghuis. Zij wordt sinds 2 jaar gedialyseerd. Ze raakt toenemend apathisch, en haar stemming is vlak. Zij uit een aantal malen een doodswens en geeft aan de dialyse niet meer te willen. U bent verpleeghuisarts, beschouwt patiënte als wilsonbekwaam en wilt met een vertegenwoordiger van haar over het te voeren beleid spreken. Haar echtgenoot verblijft op de somatische afdeling van het verpleeghuis. Haar moeder leeft nog, is 96 jaar, woont elders in een verzorgingshuis en is wilsbekwaam. Beide kinderen wonen al lang in het buitenland. Een nicht is voor patiënte een grote steun. Zij is haar hele leven goed bevriend geweest, is als een kind voor het echtpaar en heeft hen in de laatste jaren bijna dagelijks terzijde gestaan.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke ethische en juridische overwegingen bepalen uw beleid?

      1. De behandelend arts mag naar zijn eigen oordeel het medische beleid bepalen. Als hij gegronde redenen heeft, conform het goed behandelaarschap, om een behandeling in te stellen, bijvoorbeeld een antidepressieve

      behandeling, om patiënte geen schade te berokkenen, dan mag hij de vertegenwoordiger van patiënte overrulen. Hij moet zijn beslissing laten toetsen door een collega.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Noem in de volgorde van belangrijkheid volgens de wet, de mogelijke vertegenwoordigers van patiënte.

      1. (1) echtgenoot(2) kinderen, moeder(3) nicht.

      Vraag 50

      De huisarts bezoekt een vrouw van 78 jaar na haar terugkeer uit het ziekenhuis. In het ziekenhuis was zij geopereerd aan haar heup, nadat zij over een scheve stoeptegel was gestruikeld. Haar huisarts besluit na het gesprek met haar tot verder onderzoek. Zij vraagt een densitometrie aan en bloedonderzoek. Zij vindt een verhoogd calcium en een verlaagd fosfaat in het bloed.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat was de indicatie voor aanvullend onderzoek?

      1. Heupfractuur na laag ernergetisch trauma.

      2. Welke twee samenhangende diagnosen stelt de huisarts?

      2. Secundaire osteoporose als gevolg van een hyperparathyreoïdie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Vitamine D verhoogt de absorptie van calcium en fosfaat vanuit de darm, en is daarom van belang voor botvorming.

      1. Waarom voldoet vitamine D niet aan de algemene definitie van ‘vitamine’?

      1. (Precursor) wordt in voldoende mate door het lichaam (lever) gemaakt.

      2. Onder welke omstandigheden voldoet het wel aan die definitie?

      2. Bij structureel tekort aan zonlicht op de huid (nodig voor conversie precursor).

      3. Vitamine D functioneert in ons lichaam als een hormoon. Van welke klasse hormonen?

      3. Steroïd hormonen.

      4. Waar in de cel bevinden zich de receptoren voor vitamine D?

      4. Intracellulair (cytoplasma, celkern), niet membraangebonden.

      Vraag 51

      Een 52-jarige vrouw van Chinese afkomst komt onaangekondigd op de Spoedeisende Hulp, omdat ze een uur tevoren bloed heeft gebraakt. Het braken is nu weer over. Uit de anamnese komt naar voren dat ze een chronische leverontsteking heeft.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke oorzaak dient als eerste te worden overwogen?

      1. (Slokdarm-)varices bloeding.

      2. Welk diagnostisch onderzoek dient als eerste te worden uitgevoerd?

      2. Oesofago-gastroscopie.

      3. Noem twee behandelingsvormen indien de vermoedelijke oorzaak wordt bevestigd.

      3. Band ligatie; scleroserende injectie; Vasopressine infusie; porto-systemische shunt; TIPSS (trans-jugulaire intrahepatische portosystemische stent shunt).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Leverontsteking kan het gevolg zijn van langdurig overmatig alcohol gebruik.

      1. Welk enzym zet normaliter (geen alcohol misbruik) alcohol (ethanol) om in aceetaldehyde?

      1. Alcohol dehydrogenase.

      2. Waar wordt dit enzym, behalve in hepatocyten, ook nog in significante hoeveelheden aangetroffen? (aanzienlijk meer bij mannen dan bij vrouwen)

      2. Maagslijmvlies (maag).

      3. Welk enzym wordt geremd door Antabus, een veel gebruikt medicament bij alcohol ontwenning?

      3. Aceetaldehyde dehydrogenase.

      Vraag 52

      Een 25-jarige vrouw bezoekt u (haar huisarts) omdat ze langzaam verder afvalt. Ze is altijd al licht geweest, en nu in een half jaar nog 4 kilo afgevallen tot een gewicht van 48 kilo bij een lengte van 1.72 m. Bij navraag is er de laatste maanden vaak wat wisselend dunne ontlasting; deze is niet waterig, en bevat geen bloed of slijm. Ze heeft geen buikpijn. Bloed onderzoek toont een verlaagd Hb (6.5 mmol/L), verhoogd MCV 103, normaal aantal Leuco’s (5) en laag-normaal trombocyten (150).

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke twee aanvullende bloed bepalingen dienen ten aanzien van de anemie te worden verricht?

      1. Foliumzuur, Vitamine B 12.

      2. Noem drie mogelijke onderliggende ziekten ten aanzien van haar vermagering.

      2. Coeliakie (glutengevoelige spruw), Giardiasis, M Crohn.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Wat is op dit moment de Quetelet index (Body Mass Index) van deze vrouw? (geef afgerond geheel getal)

      1. 16

      2. Wat wordt als de normale, gezonde range van deze index beschouwd?

      2. 18 - 25

      3. Boven welke waarde van de Quetelet Index (BMI) spreekt men van Obesitas?

      3. 30

      Vraag 53

      U wordt geroepen bij een vrouw van 83 jaar omdat zij in korte tijd duizelig is geworden. U treft een ontredderde vrouw aan met een corfrequentie van 56/minuut regulair. Lichaamstemperatuur 35,9 ºC. Aan de benen is er een vast aanvoelend oedeem. De TSH blijkt 145 U/l te zijn.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Noem drie andere vormen van ziektepresentaties die bij geriatrische patiënten frequent worden gezien en waarachter allerlei aandoeningen schuilgaan.

      1. - delier of acute verwardheidtoestand- vallen- instabiliteit- urine-incontinentie

      Biomedische vraag

      Antwoord

      In de weefsel capillairen bestaat een hydro-statische en een colloid osmotische druk, waardoor filtratie en resorptie van vocht mogelijk is.

      1. Welke druk is nagenoeg constant?

      1. COD.

      2. Welk eiwit is hiervoor verantwoordelijk?

      2. Albumine.

      Vraag 54

      Een 62- jarige vrouw bezoekt uw spreekuur in de huisartsenpost met een pijnlijke zwelling in haar bovenbuik. Vorig jaar is de galblaas via een laparotomie verwijderd. Een week na de operatie moest een stukje van de buikwond worden opengemaakt wegens een klein abces. Het duurde een paar weken voordat de wond genezen was. Patiënt is verder gezond.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke klinische diagnose is het meest waarschijnlijk?

      1. Littekenbreuk.

      2. Wat is uw behandelingsvoorstel?

      2. Operatieve correctie: (primair) sluiten met of zonder buikwandprothese.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke 4 buikwandspieren kunnen bij de klassieke galblaasoperatie geïncideerd zijn?

      1.

      m. obliquus abdominis externus

      m. obliquus abdominis internus

      m. transversus abdominis

      m. rectus abdominis

      Vraag 55

      U bent anesthesist in het ziekenhuis. Een 58-jarige man komt via de Spoedeisende Hulp op uw afdeling (het is avond). Hij heeft een “moeilijke” enkelfractuur. Het is de bedoeling van de chirurgen dat deze fractuur morgenochtend geopereerd wordt. Patiënt heeft de volgende medicatie: ascal (trombocytenaggregatie remming), metoprolol (een bèta blokker) en pantoprazol (zuurremmer voor de maag).

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Geef van elk van deze 3 middelen aan of staking van deze medicatie al of niet is aangewezen als voorbereiding op de operatie.

      1. Alles doorgebruiken (n.b. Ascal zorgt voor langere bloedingstijd, maar een effect van staken treedt pas na een week op).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Hoe worden de zuur producerende cellen van de maag genoemd?

      1. Parietale cellen.

      2. Noem twee stimulatoren van de maagzuurproductie die via receptoren op deze cellen werken.

      2. Gastrine, histamine, acetylcholine.

      3. De effecten van welke van deze stoffen worden geblokkeerd door het pantoprazol?

      3. Alle stoffen.

      Vraag 56

      Als huisarts bezoekt u een 65-jarige vrouw omdat ze in enkele dagen geel is geworden. Ze heeft een keer een verhoogde temperatuur (38.5 C) gemeten. Ze heeft pijn in de rechter bovenbuik, maar geen echte koliekpijn gehad. Ze heeft licht gekleurde ontlasting.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke oorzaak dient als eerste te worden overwogen?

      1. Obstruerende galweg-steen.

      2. Welk aanvullend onderzoek bevestigt de vermoedelijke diagnose?

      2. Echo lever en galwegen.

      3. Met welke procedure kan in tweede instantie tevens therapie worden uitgevoerd?

      3. ERCP.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      De oorzaken van geelzucht worden opgedeeld in de categorieën pre-, intra- en posthepatisch.

      1. Welke stof veroorzaakt (in alle drie categorieën) de gele kleur?

      1. Bilirubine.

      2. Tot welke categorie behoort de vaak voorkomende geelzucht van neonaten?

      2. Intra-hepatisch.

      3. Waarom helpt bestraling met blauw-wit licht bij neonatale geelzucht?

      3. Omzetting van bilirubine in beter wateroplosbare vorm (door isomerisatie)(zodat de uitscheiding in gal en urine verbetert).

      Vraag 57

      Een 32-jarige, overigens gezonde man, struikelt op straat en valt met zijn linker zij op een hoge stoeprand. Hij is hierna misselijk en braakt. Op de SEH van het ziekenhuis, waar u als poortarts werkt, ziet u een man die onrustig is. Bij palpatie is zijn linker flank pijnlijk, iets opgezet met een schaafwond ter plaatse. De urine is licht rood gekleurd.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Aan welke DD. denkt u bij dit stompe buiktrauma? Noem er 2.

      1. Niercontusie, nierruptuur, ureterruptuur, (miltruptuur).

      2. Geef de (niet traumatische) DD van macroscopische hematurie. Noem 3 diagnosen.

      2. Maligne tumoren nier/blaas, pyelum/ureterstenen, poliepen blaas/pyelum, (hemorragische) infecties

      Biomedische vraag

      Antwoord

      De nier heeft een belangrijke taak in de volume handhaving.

      1. Waar in het nefron vindt de grootste terugresorptie van water plaats en hoe groot is deze relatief uitgezet tegen de totale resorptie?

      1. Proximale tubulus: + 65-70%.

      Vraag 58

      Een 48-jarige sportieve man bezoekt uw huisartsenspreekuur omdat hij enige tijd geleden een zwelling heeft bemerkt in de kuitspieren van zijn linkeronderbeen. Omdat deze zwelling geen enkele klacht veroorzaakte heeft hij er verder geen aandacht aan geschonken. Nu is de zwelling meer dan 6 weken aanwezig en lijkt in omvang toe te nemen. Verder voelt patiënt zich de laatste tijd wat moe en heeft last van een persisterende niet-productieve hoest.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Geef een differentiaaldiagnose. Noem er 2.

      1. primaire tumor (benigne, maligne), metastase, hematoom.

      2. Welke aanvullende beeldvormende diagnostiek is geïndiceerd?

      2. Lokaal: MR (MRA) (eventueel CT-scan), Longen: CT-scan

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Kunnen er in een volwassen skeletspier nieuwe spiervezels gevormd worden door deling van bestaande spiervezels? Verklaar uw antwoord kort.

      1. Nee. Spiervezels zijn multinucleair (en uiterst gedifferentieerd) en dat gaat niet samen met delingsactiviteit

      2. Spieren kunnen dikker worden door training zonder dat er sprake is van vermeerdering van spiervezels. Hoe heet dat proces?

      2. Hypertrofie

      Vraag 59

      U wordt als huisarts geroepen bij een 73-jarige vrouw die sinds 1 dag hoge koorts heeft, algemeen ziek is en koude rillingen heeft. Bij onderzoek vindt u een dik en pijnlijk rechter onderbeen, dat aan de voorzijde felrood is.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Erysipelas of Wondroos.

      2. Waar let u vooral op bij verder onderzoek van de rechter voet voor de bevestiging van de diagnose?

      2. Porte d’entrée.

      3. Wat is het geneesmiddel van eerste keus?

      3. Penicilline.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      De arteriën en venen die de bindweefselpapillen onder de epidermis van bloed voorzien c.q. ontdoen, zijn geconcentreerd in een netwerk dat gelegen is op de grens tussen het stratum reticulare en het stratum papillare van de dermis. In dit vaatstelsel zijn vele arterio-veneuze shunts aanwezig, die een belangrijke rol spelen in de warmteregulatie van het lichaam.

      1. Is in het felrode onderbeen van deze patiënte de epidermis doorbloed?

      1. Nee

      2. Zijn de AV-shunts in de dermis van het felrode onderbeen van de patiënte open of gesloten?

      2. Gesloten.

      3. Het onderbeen van de patiënte is niet alleen felrood, maar ook gezwollen, wat wijst op een gestoorde lymfedrainage. Waar in de huid beginnen de lymfevaten?

      3. in de bindweefselpapillen

      Vraag 60

      Een 50-jarige vrouw heeft bij een eerder bezoek aan uw huisartsspreekuur haar cholesterol laten controleren omdat haar zus een myocardinfarct gehad heeft op haar 59-ste jaar. De uitslag van het cholesterol is nu bekend: 7.2 mmol/L. . U bespreekt dit met haar en laat uitgebreider laboratorium onderzoek doen, onder meer een TSH. De uitslag van de TSH blijkt <0.01 mU/L te zijn

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat was de belangrijkste indicatie voor de TSH meting bij bovenstaande patiënte?

      1.Past in de work-up van hypercholesterolemie omdat hypothyreoidie hypercholesterolemie kan geven.

      2. Beredeneer welke invloed de TSH uitslag heeft op de behandeling van haar hypercholesterolemie

      2.Onderdrukte TSH (<0.01 mU/L) betekent hyperthyreoidie en dat kan de plasma (LDL-)cholesterol concentratie verlagen. Pas wanneer iemand euthyreood is weet je z’n echte cholesterol.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Waar (in welk deel van welk orgaan, door welke cellen) wordt TSH geproduceerd?

      1. (thyreotrofe) cellen in de hypofyse voorkwab (=adenohypofyse)

      2. Welk peptide hormoon stimuleert de synthese van TSH?

      2. TRH , thyreotroof hormone releasing hormone

      3. Waar wordt dat peptide hormoon geproduceerd?

      3.in (kernen van) de hypothalamus

      Vraag 61

      Een 45-jarige man wordt verwezen naar de poli interne vanwege typische klachten die passen bij de diagnose ulcus pepticum. Ook heeft hij bloed gebraakt.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke andere diagnose moet uitgesloten worden?

      1. Maagcarcinoom.

      2. Noem twee onderzoeken waarmee dit kan geschieden.

      2. Gastroscopie, biopt, kweek (Helicobacter pylori).

      3. Wat is de therapie voor ulcus pepticum?

      3. Antibiotica combinatie + antacidum (zuursecretieremmer).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Noem twee groepen geneesmiddelen waarmee u de zuursecretie in de maag kunt verminderen.

      1. Histamine H2 receptor antagonisten (cimetidine, ranitidine enz), protonpompremmers (omeprazol, pantoprazol enz), prostaglandine receptor E agonisten (misoprostol).

      2. Op welke cellen in de maagwand grijpen deze geneesmiddelen aan?

      2. Pariëtale cellen die de vorming en secretie van maagzuur verzorgen.

      Vraag 62

      Een 49-jarige vrouw komt op uw huisartsenspreekuur wegens toenemende pijn in de rechter bovenbuik. Zij is de vorige dag misselijk geweest, maar heeft niet gebraakt. Sinds vanochtend heeft zij koorts. Tijdens de autorit naar uw praktijk deed elke hobbel in de weg extra pijn.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Acute cholecystitis.

      2. Welke is in dat geval de juiste therapie?

      2. (Laparoscopische) cholecystectomie + antibiotica.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      De maagklieren bevatten cellen die drie typen stoffen afscheiden.

      1. Benoem, naast slijm, twee voor de afbraakfunctie van voedsel in de maag belangrijke stoffen.

      1. Pepsinogeen, zoutzuur

      • Pepsinogeen
      • Zoutzuur
      • Slijm

      Vraag 63

      U bent AGNIO op een chirurgische afdeling. Zojuist is een 62-jarige mannelijke patiënt opgenomen met nog onduidelijke buikklachten. De voorgeschiedenis vermeldt, behalve een appendectomie, geen verdere bijzonderheden. De buikklachten bestaan sinds 3 dagen en begonnen met krampen, misselijkheid en braken. Nu is patiënt misselijk en heeft een pijnlijk opgezet gevoel van de hele buik.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. (streng) ileus.

      2. Welke aanvullende onderzoeken laat u verrichten? Noem er 2.

      2. Lab., X-Buikoverzicht (staande), ECHO.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. In welk deel van de dunne darm worden verreweg de meeste voedingsstoffen opgenomen?

      1. het jejunum (duodenum en ileum zijn onjuist)

      2. Hoe passeren geladen en polaire stoffen zoals aminozuren en monosachariden de darmwand?

      2. middels transport eiwitten of transporters (gefaciliteerd transport, al dan niet actief )

      3. Hoe passeren ongeladen en sterk apolaire verbindingen zoals vetzuren die barrière?

      3. door diffusie (geen transporteiwitten aanwezig

      Vraag 64

      U wordt als huisarts bij een 56-jarige mannelijke patiënt geroepen omdat hij ’s morgens wakker wordt met een pijnlijke linkerarm. Bovendien valt hem op dat zijn linkerhand veel kouder en bleker is dan zijn rechterhand.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de vermoedelijke diagnose?

      1. (Arteriële) embolie

      2. Noem twee therapiemogelijkheden.

      2. Embolectomie, thrombolyse.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Het lichaam produceert warmte. De kerntemperatuur wordt nauw geregeld rond de 37 C.

      1. Bij welke kerntemperaturen spreken we van hypothermie, van koorts en wanneer van hyperthermie?

      1. Hypothermie = < 35’C, Koorts = 38-40 ‘C, Hyperthermie = >41’C

      Vraag 65

      Een 45-jarige man bezoekt het spreekuur van de huisarts omdat hij sinds 2 weken ’s nachts wakker wordt vanwege pijn midden achter het borstbeen. Hij gaat dan rechtop zitten en drinkt wat water waarop het wel weer afzakt. Bij trap lopen of andere inspanning treedt geen retrosternale pijn op. Wel heeft hij zuurbranden.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Aan welke diagnose doet dit het meest denken?

      1. Reflux oesofagitis

      2. Welke behandeling is de eerste keuze?

      2. Proton-pomp remming

      3. Indien de behandeling na 2 weken niet heeft aangeslagen, welk aanvullend onderzoek is dan het eerst aangewezen?

      3. Oesofagoscopie of oesofagus slikfoto

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Nabij de maag bevinden zich diverse sfincters. Eén van deze is de zogenaamde LES.

      1. Waar bevindt deze zich?

      1. Onderin de oesophagus, vlak voor de maag.

      2. Betreft het een anatomische of fysiologische sfincter?

      2. Fysiologische sfincter.

      3. Waarom dient zich op deze plek een sfincter te bevinden?

      3. De druk in het abdomen is hoger dan in de thorax. Zonder sfincter zou er continu maaginhoud de oesophagus in worden gezogen.

      Vraag 66

      Een 24-jarige vrouw klaagt 6 weken na de bevalling van haar eerste kind over hartkloppingen, gejaagdheid en gewichtsverlies. U bent haar huisarts en u vindt bij lichamelijk onderzoek een onrustige vrouw met een pols van 108/min en in de hals een niet-pijnlijk diffuus struma. Ze heeft geen oogafwijkingen. Bij lab. onderzoek vindt u een verlaagd TSH en een verhoogd vrij T4.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke twee ziekten moeten bovenaan staan in uw differentiaal diagnose?

      1. Ziekte van Graves en pijnloze post-partum thyreoïditis

      2. Welk aanvullend onderzoek is geïndiceerd om tot een definitieve diagnose te komen?

      2. Bepaling van TSH-receptor antistoffen en/of schildklierklierscintigrafie

      3. Op welke manier kunt u de symptomen van thyreotoxicose remmen, ongeacht de oorzaak ervan?

      3. Door het geven van betablokkers

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Waar precies wordt TSH geproduceerd?

      1. Hypofysevoorkwab (Alleen hypofyse = 0 pt , hypofysevoorkwab = 1 pt)

      2. Hoe komt het bij de schildklier terecht?

      2. Via het bloed

      3. Wat voor stof is TSH scheikundig gezien?

      3. peptide/eiwit

      2. 1pt

      3. 1pt

      Vraag 67

      Een 72-jarige man wordt met spoed naar de Spoedeisende Hulp gebracht waar u als poortarts werkt. Na een periode van enkele uren buik- en rugpijn was hij plotseling gecollabeerd. De voorgeschiedenis vermeldt geen bijzonderheden. Bij onderzoek meet u een bloeddruk van 90/60 mmHg.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Geruptureerd aneurysma aorta abdominalis.

      2. Welk aanvullend onderzoek moet worden verricht als de algemene toestand van de patiënt dit toelaat?

      2. (Spoed) ECHO

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Noem drie organen en/of structuren die zich in het retroperitoneum bevinden.

      1. nier, bijnier, pancreas, duodenum, aorta e.a

      Vraag 68

      U bent poortarts op de SEH. Er wordt door de ambulancedienst een 23-jarige jongeman binnengebracht. De ambulanceverpleegkundige vertelt dat het slachtoffer als motorrijder betrokken was bij een aanrijding met een auto. De patiënt heeft onder meer een femur-fractuur links en reageert nauwelijks. De bloeddruk is 110/90 mmHg, polsfrequentie 120 slagen per minuut. De patiënt ademt spontaan, heeft een infuus in de rechterarm en heeft tijdens het transport zuurstof toegediend gekregen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Hoe noemt u de klinische toestand waarin patiënt verkeert?

      1. Shock (Hypovolemisch (bloeding) (1 punt)

      2. Welke aanvullende onderzoeken acht u primair noodzakelijk? Noem er 3.

      2. Lab., Echo buik, Radiodiagnostiek (X-Thorax, , X-Bekken, X-CWK/ThWK/LWK), event.X-/CT-Schedel.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Welke arterie vasculariseert de femurschacht ? Wees in uw antwoord zo specifiek mogelijk.

      a. profunda femoris

      alternatieven: a. perforans (is nog specifieker), a femoralis (is minder specifiek)

      a. profunda femoris = 3 punten

      a. perforans = 3 punten

      a. femoralis = 2 punten

      Vraag 69

      Een 59-jarige vrouw wordt via de huisarts doorverwezen naar de poli haematologie in verband met een 6 maanden bestaande pijnloze lymfadenopathie in de hals. Zij heeft geen klachten, voelt zich gezond. Bij het lichamelijk onderzoek wordt een niet-zieke vrouw gezien, biologische leeftijd conform de kalenderleeftijd. Er zijn multipele klieren in de hals en inguinaal te palperen met een diameter variërend van 2-4 cm, lever en milt zijn niet palpabel.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose? Formuleer uw antwoord zo precies mogelijk.

      Een pijnloze lymfadenopathie duidt op een NHL (1 punt).

      2. Welk onderzoek is geïndiceerd?

      Het feit dat dit al langer bestaat duidt op een langzaam groeiend en dus laaggradig NHL (1 punt).

      Aanvullend onderzoek: lymfklierextirpatie via de chirurg, gevolgd door pathologisch onderzoek (1 punt)

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Herhaal hier uw antwoord op de eerste klinische vraag.

      1.Wat is daar de betekenis van?

      1. Het zijn Bcellen (1 punt)

      2.Wat is nu de diagnose?

      2. diagnose Bcel NHL (1 punt)

      3. Wat is de betekenis van deze aankleuring voor de behandeling van de patient?

      3. kan behandeld worden met anti-CD20 (1 punt)

      Vraag 70

      Een man van 58 jaar wordt naar de huisarts gestuurd, omdat zijn echtgenote last heeft van z’n hevige snurken. Het valt haar daarbij op, dat haar man soms bijna een minuut stopt met de ademhaling, om vervolgens weer hevig te gaan snurken. De man staat ’s morgens vermoeid op en neigt overdag in de auto achter het stuur en tijdens vergaderingen in slaap te vallen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Hoe heet het syndroom, waarbij in de slaap ten gevolge van snurken de ademhaling af en toe stopt?

      1. OSAS - Obstructief Slaap Apnoe Syndroom (1 punt)

      2. Noem twee factoren in de levensstijl van snurkpatiënten, die snurken in de hand werken.

      2. Alcohol, adipositas/overgewicht, of roken = elk 1 punt (maximaal 2)

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Welk lichaamsdeel is de belangrijkste oorzaak van het stoppen van de ademhaling bij snurkpatiënten?

      Tong (-basis) = 3 punten.

      Vraag 71

      Als SEH-arts ziet u een 38-jarige man die zojuist door een bij is gestoken en onwel is geworden. Bij binnenkomst ziet de patient er bleek uit, is kortademig en klaagt over sterke hoofdpijn. Uw diagnose is dat er sprake is van een anafylactische shock als gevolg van de bijensteek.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welk geneesmiddel dient u onmiddellijk toe?

      1. Epinephrine/adrenaline.

      2. Patiënt woont naast een bijenhouder en uw advies bijen geheel te vermijden blijkt moeilijk uitvoerbaar. Met welke behandeling kan het risico op anafylactische shock als reactie op een bijensteek worden verlaagd?

      2. Immunotherapie/ desensibilisatie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke immunoglobuline klasse is cruciaal voor het induceren van een anafylactische shock?

      1. IgE .

      2. Geef de twee belangrijkste anafylatoxines.

      2. C3a + C5a.

      Vraag 72

      U bent huisarts. Een 72-jarige voorheen gezonde vrouw heeft sinds 4 weken toenemend pijn en stijfheid in de spieren. Ze heeft hoofdpijn, kaakpijn, koorts en is 5 kg afgevallen. Bij lichamelijk onderzoek vindt u pijnlijke beperking van de schoudergewrichten en geen tekenen van synovitis. Bij laboratoriumonderzoek vindt u een BSE van 84 mm/uur en een Hb van 7.2 mmol/l.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Arteriitis temporalis/ giant cell arteriitis.

      2. Hoe stelt u met zekerheid deze diagnose?

      2. Arteria temporalis biopt.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Stel, hier is sprake van een autoimmuunziekte. Autoimmuunziekten komen familiair voor.

      1. Hoe is in het algemeen de overerving?

      1. Multifactoriële overerving.

      2. In welke grootteorde ligt in het algemeen de herhalingskans voor 1ste graads verwanten?

      2. < 5%.

      Vraag 73

      Bert is een HAVO-scholier van 17 jaar die na veel aandringen van zijn ouders het spreekuur van de huisarts bezoekt: hij is de laatste 2 weken 8 kilo afgevallen, is futloos, sporten is moeizaam zodat hij de laatste keren niet meer met voetbal mee heeft kunnen doen. Hij moet er ’s nachts 4 keer uit om te plassen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de waarschijnlijkheidsdiagnose? Formuleer uw antwoord zo volledig mogelijk.

      1. Diabetes mellitus type 1.

      2. Welk belangrijk gezondheidrisico risico loopt hij op de korte termijn (uren tot dagen)?

      2. (Diabetische) ketoacidose.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welk peptidehormoon uit de hypothalamus reguleert de waterresorptie in de nieren?

      1. ADH, anti-diuretisch hormoon.

      2. Waar precies wordt dit hormoon aan het bloed afgegeven?

      2. In de hypofyse achterkwab, neurohypofyse.

      3. Welke twee receptoren (twee typen sensoren) reguleren de afgifte van dit hormoon?

      3. Baro-receptoren (hart, slagaders) en osmo-receptoren (hypothalamus).

      Vraag 74

      Een 68-jarige gezette man, bekend met chronische hepatitis, heeft een subtotale maagresectie ondergaan wegens antrum carcinoom. Op de 5de postoperatieve dag komt er reukloos serosanguineus vocht uit de wond. U denkt aan een mogelijke wonddehiscentie.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Noem 3 mogelijke predisponerende factoren voor deze complicatie.

      1. ondervoeding

      2. hoesten

      3. ascites/geelzucht/obesitas

      4. lokaal: bloeding oud hematoom / infectie / te veel hechtmateriaal / slechte chirurgische techniek (al deze antwoorden zijn goed)

      NB. Anemie is fout.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke directe tak van de aorta verzorgt de vascularisatie van de maag? NB Er wordt gevraagd om een tak van de aorta, niet om kleinere vaten die de maag in gaan.

      1. Truncus coeliacus.

      Vraag 75

      Een vrouw, 70 jaar, is al jaren bekend met wisselend pijn in epigastrio en pyrosis. In het verleden is een H. pylori-negatief ulcus ventriculi vastgesteld. Wegens aanhoudende klachten gebruikt patiënte de laatste jaren dagelijks omeprazol. Ze komt nu bij de huisarts wegens een sinds 2 weken bestaand vol gevoel in de bovenbuik en dagelijks braken. Daarnaast is zij 4kg afgevallen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke 2 diagnoses staan bovenaan de differentiaaldiagnose?

      1. Ulcus ventriculi, CA.

      2. Welk beleid is geïndiceerd? (specificeer)

      2. Gastroscopie, of verwijzing naar internist voor gastroscopie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Waarop grijpt omeprazol aan?

      1. Proton (H+) pompen in de maag (op de parietale cellen).

      2. Welk hormoon bevordert het proces dat door omeprazol wordt geremd?

      2. Gastrine (en indirect ook histamine).

      3. Welke cellen van de maag produceren dit hormoon?

      3. G-cells (entero-endocriene) cellen in de maagkliertjes.

      Vraag 76

      U bent internist en op uw spreekuur komt een 25-jarige vrouw met het verzoek om screening van cardiovasculaire risicofactoren. Haar vader heeft op zijn 50ste jaar een myocardinfarct doorgemaakt. Zijn plasma cholesterol bleek 12 mmol/L te zijn. Patiënte zelf heeft geen cardiale klachten. Bij lichamelijk onderzoek vindt u een xanthoom op de rechter achillespees. Laboratorium onderzoek laat een plasma cholesterol concentratie van 9.7 mmol/L zien met een normale triglyceride concentratie van 1.2 mmol/L en HDL-cholesterol concentratie van 1.5 mmol/L. U gaat haar behandelen met een statine.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke diagnose is bij deze patiënte het meest waarschijnlijk? (zo volledig mogelijk)

      1. Heterozygote familiaire hypercholesterolemie.

      2. Wat is bij deze patiënte een belangrijk aandachtspunt bij het voorschrijven van een statine?

      2. Contra-indicatie voor statine: zwangerschap(s wens).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Wat is het pathofysiologische substraat voor deze ziekte?

      1. Hepatische LDL receptor activiteit is 50%.

      2. Waarom verlaagt een statine het cholesterol? (zo volledig mogelijk antwoorden)

      2. Remming van HMG CoA reductase geeft remming van cholesterol synthese. Als reactie hierop neemt LDL receptor activiteit toe waardoor LDL uit circulatie opgenomen wordt door lever. Dit geeft verlaging van plasma cholesterol.

      Vraag 77

      Een 15-jarige mannelijke multitrauma patiënt wordt na de eerste acute opvang op de IC opgenomen. Hij lijdt onder meer aan een hypovolemische shock.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. De doorbloeding van welke organen is tijdens de compensatiefase van zijn hypovolemische shock onder controle van het sympathische zenuwstelsel? Noem er twee.

      1. (Dunne) Darmen, nieren en de huid.

      2. Wat is het gevolg van de vermindering van het interstitiële vochtvolume bij deze vorm van shock?

      2. Verlaagd circulerend bloedvolume.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Water reabsorptie vindt plaats in de nier. Om dit efficiënt te doen is de natriumbalans belangrijk.

      1. Welk hormoon beïnvloedt de natrium reabsorptie?

      1. Aldosteron.

      2. In welk deel van de nier vindt dit plaats?

      2. Distale tubulus en verzamelbuis.

      Vraag 78

      Een vrouw van 82 jaar bekend met hyperthyreoïdie, hartfalen en status na een CVA wordt naar de spoedeisende hulp verwezen omdat zij plots gevallen is. Ze heeft verder geen klachten. U verricht aanvullend onderzoek en maakt een ECG waarop tekenen van een vers anteroseptaal myocardinfarct te zien zijn. U beschouwt de val als een atypische ziektepresentatie van het myocardinfarct.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. waarom deze patiënte het myocardinfarct op atypische wijze met een val presenteert; en

      1. De val is uiting van het skelet/spierstelsel als zwakste schakel (zeer waarschijnlijk als gevolg van het CVA).

      2. wat voor gevolgen dit heeft voor de diagnostiek.

      2. Bij lichamelijk onderzoek zal extra aandacht moeten worden besteed aan het onderzoek van het skeletspierstelsel en de aanwezigheid van spierzwakte.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke ECG-afleidingen visualiseren het septum het best? Beschrijf twee mogelijke veranderingen die op het ECG waarneembaar zijn t.g.v. dit grote voorwandinfarct.

      1. V1, V2 en V3; ST-elevatie in de precordiale afleidingen V1-V4; geleidingsblok dat leidt tot verbreding QRS-complex.

      Vraag 79

      U bent internist en krijgt een 30-jarige vrouw verwezen met typische klachten die bij thyreotoxicose passen. De huisarts heeft al bloed laten prikken en er blijkt inderdaad een onmeetbaar laag TSH en een duidelijk verhoogd vrij T4 te bestaan. Bij lichamelijk onderzoek ziet u een onrustige vrouw met een klamme huid, een fijnslagige tremor van de vingers en een pols van 120/min.; aan de ogen zijn geen afwijkingen. U palpeert in de linker schildklierkwab een vast-elastische nodus met een doorsnede van 3 cm, de andere kwab is normaal.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke aandoening behoort nu boven aan uw differentiaaldiagnose te staan?

      1. Toxisch adenoom van de schildklier (autonoom functionerende schildkliernodus is ook goed).

      2. Welk aanvullend onderzoek is aangewezen om uw vermoeden te bevestigen?

      2. Schildklierscintigram (met jodium of met technetium); echo of biopsie of auto-antistoffen is niet goed.

      3. Met welke behandeling kunt u haar klachten vrij snel minder laten worden, ongeacht de oorzaak van haar thyreotoxicose?

      3. Betablokker.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke histologische structuur vormt de basis van normaal schildklierweefsel?

      1. Follikels.

      2. Welke verandering van deze structuur is karakteristiek voor te snel werkend schildklierweefsel?

      2. Verkleining van de follikels.

      Vraag 80

      Een 18-jarig vrouwelijk verkeersongevalslachtoffer is bij opname via de SEH bewusteloos. Bij nader klinisch en aanvullend beeldvormend onderzoek wordt er geen afwijking gevonden aan de thorax. Wel worden een rechter femurfractuur en een communitieve bekkenfractuur geconstateerd. Tevens is haar buik opgezet. Na een tijdje komt de patiënt bij. Ze is georiënteerd in tijd en plaats. Ze klaagt over pijn in de rechter bovenbuik. Een niet bloedende leverlaceratie wordt per laparotomie gedraineerd. Patiënt is postoperatief stabiel. Op de 3de postoperatieve dag wordt patiënt onrustig, ademt toenemend oppervlakkig en heeft een tachycardie. Zij heeft geen koorts en geen neurologische afwijkingen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welk diagnostisch onderzoek zal het meeste inzicht in de postoperatieve problemen geven en noem twee vermoedelijk uitslagen?

      1. Arteriële bloedgasanalyse (hypoxemie, hypocapnie en waarschijnlijk respiratoire alkalose).

      2. Wat is de juiste therapie voor de patiënt op dit moment?

      2. Zuurstof, intubatie en ventilatie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Het lymfevaatstelsel transporteert actief voor 3 fysiologische systemen. Een voorbeeld is het transport van vet.

      1. Welke onderdelen maken deel uit van hematologisch transport dat na een trauma plaatsvindt? Benoem er twee.

      1. Eiwitten en vocht terug naar het bloed.

      Vraag 81

      Een man van 47 jaar meldt zich bij de huisarts met een veranderd ontlastingspatroon. Zijn faeces is al gedurende 2 dagen pikzwart en kleverig. Hij heeft in de week hieraan voorafgaand 2 keer een ibuprofen genomen in verband met rugklachten. De verdere voorgeschiedenis is blanco.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke diagnose is het meest waarschijnlijk?

      1. Ulcus ventriculi of ulcus duodeni of peptisch ulcus of ulcus in de bovenste tractus digestivus of hoge tractus digestivusbloeding.

      2. Welk geneesmiddel zal de huisarts nu voorschrijven?

      2. Een PPI.

      3. Welk aanvullend specialistisch onderzoek dient te gebeuren?

      3.Een gastro-duodenoscopie op korte termijn.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      De opname van vitamine B12 in de dunne darm wordt mogelijk gemaakt door een factor die in een ander deel van het maag-darm kanaal wordt geproduceerd.

      1. In welk deel?

      1. De Maag.

      2. Hoe heet de factor die de opname van vitamine B12 bevordert?

      2. Intrinsic Factor.

      3. Welk celtype produceert deze factor?

      3. Pariëtale Cel (Wandcel of HCL-cel ook goed).

      Vraag 82

      Een 57-jarige man meldt zich op de Spoedeisende Hulp met aanvalsgewijs optredende krampen in de rechter bovenbuik en is hierbij misselijk. De patiënt vertelt al eerder buikklachten te hebben gehad. Tijdens een aanval weet hij niet meer waar hij het zoeken moet van de pijn en dan loopt hij rondjes om de pijn te verlichten.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Noem de meest waarschijnlijke diagnose.

      1. Symptomatisch galsteenlijden.

      2. Welk onderzoek is in eerste instantie geïndiceerd om uw vermoeden te bevestigen?

      2. ECHO.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Noem drie organen die een nauwe topografische relatie hebben met de rechter leverkwab.

      1.

      a. Galblaas

      b. Colon

      c. Nier

      d. Duodenum

      Vraag 83

      Een 18-jarige eerstejaars student wordt tijdens een introductiekamp acuut ziek met hevige hoofdpijn en hoge koorts. Binnen een aantal uren wordt hij suf. Via de alarmcentrale (112) wordt hij op de spoedeisende eerstehulp afdeling (SEH) gepresenteerd. Onderweg in de ambulance heeft hij een eenmalige kortdurende tonisch-clonische epileptische aanval gehad. Voor de aanval was zijn comascore E3M6V4. Bij aankomst op de SEH heeft hij een normale bloeddruk van 110/75 mmHg en een snelle pols van 104/min. De zuurstofsaturatie is 98% en de temperatuur is 40,0 ˚C. Zijn comascore is op dat moment E2M5V2. De patiënt is duidelijk meningeaal geprikkeld. De arts-assistent neurologie stelt de klinische diagnose acute bacteriële meningitis.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke diagnostische en therapeutische stappen (vier in totaal) dienen binnen 30 tot 60 minuten verricht te worden? Zet ze in de juiste volgorde.

      1) bloedafname en met name bloedkweken

      2) start dexamethason 10 mg i.v. gevolgd door/tegelijk met breedspectrum antibiotica (binnen 15-20 minuten) in meningitisdosering (R/amoxicilline 6dd 2 gr i.v. of ceftriaxon 2dd2 gr i.v.)

      3) CT scan van de hersenen i.v.m het gedaalde bewustzijn met het doel veilig verrichten van een lumbale punctie

      4) indien de CT-scan dat toelaat: lumbale punctie (voor bepaling leucocytenaantal, totaal eiwit, glucose, grampreparaat en kweken).

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke cellen van het afweersysteem zullen massaal aanwezig zijn op de plek van ontsteking? Noem niet meer dan één celtype.

      1. Neutrofiele granulocyten.

      2. Door welke twee lagen cellen moeten deze cellen migreren om op de plek van ontsteking te komen?

      2. Endotheelcellen (bloedvaten) (1p) en Plexusepitheelcellen (plexus choroideus).

      Vraag 84

      Op uw huisarts spreekuur komt mevrouw Klok, 56 jaar. Ze is bekend met reumatoïde artritis. Ze heeft fors overgewicht en de laatste tijd klaagt ze over pijn achter het borstbeen, vooral ’s nachts. Ze heeft gemerkt dat een glas melk verlichting biedt, maar de pijn komt steeds terug.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de waarschijnlijkheidsdiagnose?

      1. Zuurbranden, pyrosis, reflux, ulcus pepticum.

      2. Wat is het aangewezen beleid (medicamenteus - en niet-medicamenteus)?

      2. Niet-medicamenteus: adviezen m.b.t. .afvallen, leefregels, stand hoofdeinde bed etc., medicamenteus: antacidum.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Uit het elektronische patiëntendossier blijkt dat de patiënte sinds kort voor de pijnbestrijding van haar reumatoïde artritis behandeld wordt met diclofenac. U overweegt diclofenac te vervangen door een ander geneesmiddel. Dit geneesmiddel (X) blijkt echter onvoldoende werkzaam bij de behandeling van de eerste symptomen van artritis, en diclofenac is weer geïndiceerd. U overweegt naast de diclofenac een co-medicatie.

      1. Wat is de reden om de diclofenac te vervangen? Welk enzym speelt hierbij een rol?

      1. Diclofenac, een remmer van prostaglandine synthase = cyclo-oxygenase, (COX) kan de maagklachten hebben veroorzaakt door verminderde mucusbescherming (door remming prostaglandines).

      2. Welk geneesmiddel X wordt hier bedoeld?

      2. Paracetamol: een alternatieve pijnstiller zonder effecten op de maagmucus

      3. Welke co-medicatie wordt hier bedoeld?

      3. Misoprostol (bescherming mucus) of een protonpompremmer (remming zuursecretie zodat mucusbeschadiging niet kan optreden).

      Vraag 85

      Op uw huisartsspreekuur presenteert zich een 58-jarige vrouw met al langere tijd klachten van het rechterbeen. De maximale loopafstand is een paar honderd meter. De klachten beginnen in het bovenbeen en verplaatsen zich dan langzaam naar de kuit. Wanneer de patiënt even gaat zitten verdwijnt de pijn in het been. De patiënt heeft een doof gevoel in de tenen van de rechtervoet na het lopen. U vermoedt dat er sprake is van een vaatprobleem.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Beredeneer het stadium van Fontaine waarin mevrouw zich bevindt als uw vermoeden juist is.

      1.

      Fontaine I Geen klachten, de functie van het been is ongestoord.

      Fontaine II Krampende pijn bij inspanning, verdwijnt in rust. (claudicatio intermittens)

      Fontaine III Pijn in rust en tijdens de nacht.

      Fontaine IV Necrose / ulcera van aangedane ledemaat.

      Fontaine stadium II – dit zijn typisch claudicatio intermittens klachten.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Krampklachten in een spier hebben we allemaal wel eens. Kramp kan ontstaan door een te hoge concentratie van een zuur, dat door de werkende spier geproduceerd wordt.

      1. Welk zuur wordt bedoeld?

      1. Melkzuur (lactaat).

      2. Waarom ontstaat dit zuur niet (in grote mate) in de constant aangespannen rugspieren van een student, die de voortgangstoets zit te maken?

      2. Die spieren verbruiken voornamelijk vetzuren; bij de verbranding ontstaat geen melkzuur.

      3. Waarom ontstaat dit zuur normaliter ook niet (in grote mate) in de hardwerkende, goed van zuurstof voorziene spieren van een hardloper?

      3. De spieren verbranden weliswaar veel glucose, maar aeroob (het ontstane pyruvaat wordt niet in melkzuur omgezet maar in AcCoA, er hoopt zich geen melkzuur op).

      Vraag 86

      Op uw internistisch spreekuur krijgt u een 30-jarige vrouw verwezen wegens gewichtstoename, spierkrachtvermindering en het erg snel en vaak krijgen van blauwe plekken. Bij lichamelijk onderzoek ziet u een vrouw met een duidelijke centripetale obesitas (170 cm – 98 kg) en relatief dunne armen en benen. Ze heeft een bol gelaat met blosjes; de bloeddruk is 155/100 mm Hg. Ze heeft een aantal hematomen verspreid over het lichaam.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke aandoening behoort boven aan uw differentiaaldiagnose te staan?

      1. Syndroom van Cushing.

      2.Welk aanvullend onderzoek is geïndiceerd om uw vermoeden te bevestigen?

      2. 24-uurs cortisolurie of lage dosis dexamethasonremmingstest of speeksel/plasma cortisol rond middernacht.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Noem drie oorzaken van dit ziektebeeld.

      1.

      Iatrogeen (corticosteroiden)

      Bijnierschorsadenoom, carcinoom

      Paraneoplastisch

      Hypofysetumor

      Vraag 87

      U bent poortarts. Een man van 71 jaar presenteert zich op de afdeling spoedeisende hulp met acute hevige pijn in het rechterbeen, waardoor hij niet meer op het been kan staan. De pijn is plotseling ontstaan toen hij uit de auto stapte na een lange auto-rit van Groningen naar Utrecht. Hij gebruikt geen medicijnen, is nooit opgenomen in het ziekenhuis, heeft nooit eerder klachten aan de benen gehad of symptomen van vaatlijden. Bij lichamelijk onderzoek is het rechterbeen bleker dan het linkerbeen. Meneer kan zijn tenen niet bewegen. Er is sprake van een koude voet zonder een capillaire refill en gevoel in de tenen. Er zijn geen palpabele pulsaties op de voetrug en achter de binnenenkel en in de knieholte. De arteria femoralis is beiderzijds wel te palperen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is uw waarschijnlijkheidsdiagnose?

      1. Embolie / arteriële embolie (thrombose is fout!)

      2. Noem de vijf klassieke symptomen van dit ziektebeeld (denk aan de vijf P’s).

      2. a. Pain / pijn

      b. Paresthesia / paresthesie / gevoelsstoornis

      c. Paralysis / paralyse / verlamming

      d. Pale / pallor / bleekheid

      e. Pulseless / afwezige pols / afwezige pulsaties / geen pols / geen pulsaties

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Bij het lichamelijk onderzoek worden op drie plaatsen geen pulsaties gevonden.

      1. Benoem de drie arteriën die men op deze plaatsen probeert te palperen.

      1.

      a. A. dorsalis pedis

      b. A. tibialis posterior

      c. A. poplitea

      Vraag 88

      Een 54-jarige vrouw komt op het spreekuur nadat haar broer recent op 50-jarige leeftijd een hartinfarct heeft doorgemaakt. Ze wil graag nader onderzoek naar risicofactoren voor hart- en vaatziekten. Tevens is zij zelf al een tijd erg moe en kouwelijk. U neemt de anamnese af, onderzoekt haar en u vraagt aanvullend laboratoriumonderzoek aan. Hierbij vindt u de volgende waarden: cholesterol matig verhoogd (6.3 mmol/L), TSH sterk verhoogd (38 mU/L), nuchtere bloedglucose niet afwijkend (4.8 mmol/l). Zij gebruikt geen medicijnen, rookt niet en haar medische voorgeschiedenis is behoudens een polsfractuur in 1996 blanco.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is uw diagnose? Formuleer uw antwoord zo volledig mogelijk

      1. Primaire hypothyreoïdie.

      2. Welk medicament (generieke stofnaam) schrijft u haar voor?

      2. (Levo)thyroxine, T4.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Als het dieet een tijdlang te weinig jodium bevat, stijgt de afgifte van een bepaald hypofyse-hormoon.

      1. Welk hormoon is dit?

      1. TSH.

      2. Verklaar in maximaal twee zinnen de fysiologische oorzaak van deze verhoogde afgifte.

      2. De oorzaak ligt in een sterk verminderde synthese van schildklierhormoon, tengevolge van jodiumtekort. Door negatieve terugkoppeling wordt de afgifte van TSH door de hypofyse gestimuleerd.

      Vraag 89

      Een vrouw van 79 jaar komt op uw huisartsspreekuur met last van een pijnlijke dikke pols en vraagt u om diclofenac, een NSAID, voor te schrijven. Ze gebruikt al als medicatie tolbutamide wegens diabetes mellitus, furosemide en enalapril wegens hartfalen, digoxine wegens boezemfibrilleren, alendronaat voor osteoporose, fluvoxamine (SSRI) wegens een depressie en diazepam als slaapmiddel.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Benoem het gevolg van de interactie met elk van deze drie.

      1.

      1. furosemide wordt minder werkzaam
      2. enalaprilconcentratie stijgt waardoor sterker effect, bv bloeddrukdaling
      3. digoxineconcentratie stijgt met kans op intoxicatie

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Via welk mechanisme werkt tolbutamide?

      1. Inductie van insuline afgifte.

      2. Wat is normaliter de activator, die (bij gezonde personen) hetzelfde effect heeft?

      2. Glucose (evt. door glucose geïnduceerde stijging van de ATP concentratie).

      3. Welke cellen (geef type cellen + in welk deel + van welk orgaan) worden door zowel tolbutamide als de fysiologische activator beïnvloed?

      3. Beta-cellen in de eilandjes van Langerhans in de (endocriene) pancreas.

      Vraag 90

      U wordt als huisarts geroepen bij een 25-jarige man, die sinds 2 jaar bekend is met de diagnose schizofrenie. Hij woont bij zijn ouders en gebruikt sinds 3 maanden clozapine 300 mg per os. Volgens zijn ouders is hij die avond verward geworden. U probeert met hem te spreken en merkt dat hij inderdaad geen adequaat antwoord geeft op vragen. Omdat hij zo’n rood en warm gelaat heeft en kortademig is, besluit u de temperatuur op te nemen. Deze bedraagt, rectaal gemeten, 40.1 graad Celsius. Patiënt is niet nekstijf. De pols is met 120 slagen per minuut versneld, de bloeddruk is normaal. Bij het lichamelijk onderzoek vindt u een demping bij percussie van de rechterlong met afgenomen ademgeruis. U vermoedt dat er sprake is van een pneumonie. Het feit dat patiënt clozapine gebruikt, maakt u alert op een mogelijke relatie tussen deze medicatie en de infectie.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke gevaarlijke bijwerking van clozapine zou hier een rol kunnen spelen?

      1. Agranulocytose.

      2. Welke specifieke laboratoriumbepaling is nu aangewezen om na te gaan of deze bijwerking aan de orde is?

      2. Bepaling van het aantal neutrofiele granulocyten in het bloed.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Middelen als clozapine blokkeren receptoren voor neurotransmitters in de hersenen.

      1. Noem 3 verschillende (hoofd)typen van receptoren voor neurotransmitters

      1. Dopamine receptoren, serotonine receptoren, norepinephrine recpetoren, acetylcholine receptoren, histamine receptoren.

      2. Noem 2 verschillende (hoofd)typen van receptoren voor hormonen.

      2. Tyrosine kinase receptoren, G-eiwit gekoppelde receptoren, steroid hormoon receptoren.

      Vraag 91

      Een vrouw van 79 jaar komt op de eerste hulp, nadat zij gestruikeld was over een kleedje en met haar borst op de grond belandde. Zij had na de val acute pijn en werd kort daarna benauwd. De borstkas is rechts ventraal drukpijnlijk en u voelt een standsafwijking aan de zevende rib. Bij auscultatie hoort u geen ademgeruis rechts. U besluit een X-thorax te maken en daarbij ziet u een gedisloceerde costa 7 fractuur rechts. Rechts is er geen vaattekening zichtbaar.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke andere aandoening is aanwezig naast de rib fractuur?

      1. Pneumothorax rechts.

      2. Noem de twee belangrijkste behandelingsprincipes van een rib fractuur.

      2. a. Pijnstilling

      b. Goed doorademen / adequate afvoer van longsecretie.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Benoem de twee belangrijkste fysiologische verschillen tussen de grote en de kleine circulatie.

      1. Veneuze samenstelling van het bloed: zuurstof arm bloed in de kleine bloedsomloop i.p.v. zuurstofrijk en CO2 rijk i.p.v. arm

      Veel lagere druk dan in de lichaamscirculatie.

      Vraag 92

      Een man van 55 jaar komt bij de huisarts, omdat zijn partner last heeft van zijn harde gesnurk. De beide echtgenoten zijn daarom de laatste tijd al gescheiden gaan slapen. Patiënt is overdag extreem moe en hij heeft de neiging tijdens het werk in slaap te vallen. Verder heeft hij geen klachten, met name klaagt hij niet over neusverstopping. Hij rookt niet, gebruikt geen medicijnen en gebruikt vrijwel geen alcohol. Bij lichamelijk ziet de huisarts in de keel geen afwijkingen (zoals grote tonsillen, of een groot, plat palatum).

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke andere belangrijke predisponerende factor voor snurken kunt u nog eenvoudig vaststellen?

      1. Adipositas, overgewicht.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Bij snurken kan een ernstig en soms lethaal syndroom ontstaan.

      1. Hoe heet dat syndroom?

      1. Obstructief Slaap Apnoe Syndroom.

      Vraag 93

      Een 43-jarige man komt op de Spoedeisende Hulp met acute pijn in de rechterbovenbuik. Hij is misselijk en heeft overgegeven.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Noem drie waarschijnlijke oorzaken.

      1. Acute cholecystitis

      Ulcus duodeni

      Gastritis

      Hepatitis

      Pyelonefritis

      Appendicitis

      Pneumonie

      2. Welk aanvullend onderzoek is geïndiceerd? Noem er twee.

      2. Lab

      X thorax (uitsluiten vrij lucht onder diafragma)

      X Abdomen

      Echo abdomen

      (CT abdomen)

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Een groot deel van de rechterbovenbuik wordt ingenomen door de lever, het centrum van het metabolisme. De lever speelt o.a. een belangrijke rol in de glucose homeostase, door opname en afgifte van glucose bij hoge respectievelijk lage bloedsuikerspiegels.

      1. Noem de twee enzymatische processen in de lever, die bij hoge bloedsuikerspiegels voor de verwerking van glucose zorgdragen.

      1. Glycogenese (glycogeen synthese, opslag) en glycolyse (afbraak van glucose tot pyruvaat gevolgd door vetzuursynthese).

      2. Noem de twee enzymatische processen, die bij lage bloedsuikerspiegels in afgifte van glucose door de lever resulteren.

      2. Glycogenolyse (afbraak van glycogeen) en gluconeogenese (nieuwvorming van glucose).

      3. Waarom kan de lever wel, maar een spier niet, glucose afgeven aan het bloed?

      3. Er is geen glucose-6-fosfatase in spiercellen, in levercellen wel (In hepatocyten kan glucose-fosfaat (de intracellulaire vorm van glucose) weer worden omgezet in glucose, in myocyten niet.)

      Vraag 94

      U bent internist en op uw spreekuur komt een 63-jarige vrouw. Recent heeft ze een TIA doorgemaakt bij een carotis stenose, waarvoor ze inmiddels een endarteriectomie van de carotis ondergaan heeft. Haar voorgeschiedenis vermeldt verder diabetes mellitus type 2 sinds 3 jaar. Ze rookt niet meer, gebruikt weinig zout, drinkt 3 glazen wijn per dag. Lichamelijk onderzoek: BMI 29 kg/m2 , bloeddruk 165/100, pols 80/min regulair equaal. Over hart en longen geen bijzonderheden. Licht pitting enkel oedeem. Haar serum creatinine is 110 umol/L (licht verhoogd). U besluit haar hypertensie medicamenteus te behandelen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke argumenten heeft u om te kiezen voor een diureticum? Noem er twee.

      1. Enkeloedeem, prijs/veiligheid.

      2. Welk argument heeft u om te kiezen voor een ACE remmer? Noem er een.

      2. Nierfunctie stoornis of nefroprotectie bij diabetes of alleen nefroprotectie.

      3. Noem twee niet-medicamenteuze mogelijkheden om de bloeddruk bij deze patiënt te verlagen.

      3. Afvallen, reductie alcohol gebruik, lichamelijke inspanning.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Welke invloed heeft een plotseling verhoogde bloeddruk op het functioneren van het hart?

      1. De afterload neemt toe.

      2. Beschrijf de fysiologie.

      2. Waardoor het hart harder moet pompen (verhoging contractiliteit)..

      3. Hoe wordt een steady state op langere termijn gerealiseerd?

      3. In eerste instantie past het hart zich aan d.m.v. neurohumorale stimulatie, later door hypertrofie van de hartspier.

      Vraag 95

      Een 73-jarige man wordt op de Eerste Hulp afdeling binnengebracht nadat hij enkele malen een forse hoeveelheid oud en vers bloed had opgebraakt. Hij is bekend met artrose en hypertensie. Hij gebruikt een diureticum en incidenteel ibuprofen. Patiënt is goed aanspreekbaar, maar ziet bleek. De polsfrequentie is 120 per minuut, de bloeddruk 80/50 mmHg.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Noem de twee belangrijkste interventie (en hun volgorde) die in de eerste 24 uur moeten plaatsvinden.

      1. eerst stabiliseren (infuus, opvullen transfusie, eventueel stolling corrigeren) daarna oesofagogastroscopie

      2. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van de haematemesis?

      2. ulcus pepticum (duodeni/ventriculi)

      Biomedische vraag

      Antwoord

      In de maag worden eiwitten afgebroken door een peptidase, dat door maagcellen wordt geproduceerd in de vorm van een precursor.

      1. Hoe heet dit peptidase?

      1. pepsine

      2. Door welke stof wordt de precursor omgezet in het actieve peptidase?

      2. door het zoutzuur

      3. Wat is (ongeveer) de pH van de HCI (zoutzuur) oplossing in de maag terwijl deze voedsel verteert?

      3. de pH is 1-2

      Vraag 96

      Een 48-jarige man komt op uw huisartsenspreekuur. U controleert hem, wegens diabetes mellitus type 2 en hypercholesterolaemie. Dat is des te meer van belang, omdat hij een kettingroker is en veel te dik. Een probleem is, dat hij moeilijk toegankelijk is voor advies. Al jaren wordt hij door een psychiater behandeld voor schizofrenie. De positieve symptomen zijn redelijk onder controle, maar het negatieve syndroom maakt hem passief en moeilijk te motiveren. Recent hebt u bericht ontvangen van zijn psychiater, dat deze de behandeling met een klassiek antipsychoticum heeft omgezet in behandeling met olanzapine, een atypisch middel. U neemt contact met de psychiater omdat u dit een onverstandig beleid vindt.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Welke drie bijwerkingen van olanzapine (en andere atypische antipsychotica) zijn juist bij deze patiënt ongewenst? Formuleer uw antwoord als: “Olanzapine kan aanleiding geven tot 1… , 2…, 3…

      1. adipositas

      2. hypercholesterolaemie

      3. diabetes mellitus

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Zowel atypische als klassieke antipsychotica hebben een sederend effect. Interactie met welke receptor is hiervoor verantwoordelijk?

      1. (blokkering van) Histamine (H1), receptoren

      2. Antipsychotica kunnen ook a-adrenerge receptoren blokkeren. Tot welke cardiovasculaire bijwerking kan dit leiden?

      2. orthostatische hypotensie

      3. Welke kenmerkende bijwerking van antipsychotica is minder prominent aanwezig bij atypische antipsychotica?

      3. extrapyramidale stoornissen

      Vraag 97

      U bent arts op de Spoedeisende Hulp. Er meldt zich een 58-jarige man met heftige pijn diffuus in de bovenbuik , uitstralend naar de rug. Het bestaat sinds een paar uur. De temperatuur is 38.5 graden Celsius.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1.Wat zijn de belangrijkste differentiaal diagnoses? (noem er drie)

      1.Pancreatitis, cholecystitis, maagperforatie. Myocardinfarct ook goed rekenen

      2.Welk aanvullend onderzoek is voor elke van deze drie geïndiceerd om hier tussen met zekerheid te differentiëren?

      2.Pancreatitis: Amylase en of lipase verhoogd. Echo bovenbuik: galstenen. Suggestief voor cholecystitis, maar sluit pancreatitis niet uit. X-BOZ: vrij lucht onder diafragma is bewijzend voor maagperforatie. MI: ECG (en verhoogde troponine)

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Een groot deel van de buikholte wordt in beslag genomen door de tractus digestivus.

      1. Waar (in welke cellen in welk orgaan) vinden in de tractus digestivus de volgende processen plaats?

      1. aanmaak en secretie van Intrinsic Factor
      2. aanmaak en secretie van CCK (cholecystokinine)

      3.aanmaak en secretie van Vitamine K

      1

      1. pariëtale (zuur producerende) cellen van de maag
      2. enteroendocriene cellen (EECs) in de dunne darm (duodenum, jejunum), ‘endocriene cellen in de dunne darm’ is ook voldoende

      3.bacteriën in de dikke darm

      Vraag 98

      Op de afdeling chirurgie, waar u zaalarts bent, ligt een 60-jarige man, die 5 dagen geleden een rectosigmoïdresectie heeft ondergaan in verband met recidiverende diverticulitis. Er is een eindstandig colostoma aangelegd, die vrijwel direct op gang is gekomen. Gisteravond kreeg deze patiënt koorts tot 39,3 C. Vanochtend tijdens de visite is de temperatuur gedaald naar 38,5 C.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de oorzaak van de koorts bij deze patiënt? Noem minstens twee mogelijke oorzaken

      1. Een focus in het operatiegebied (abces/naadlekkage/wondinfectie) of buiten het operatiegebied. (pneumonie, UWI).

      2. Welk(e) aanvullend(e) onderzoek(en) vraagt u in dit geval zeker aan?

      2. Lab (leuco’s, urine), X-Thorax, ECHO abd.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Benoem 3 maten of eenheden die gebruikt worden om de hoogte van de stofwisseling kwantitatief aan te geven?

      1.

      • Calorie
      • Joule
      • Watt

      Vraag 99

      U bent internist. Op uw spreekuur komt een 60-jarige man met klachten van ondermeer kouwelijkheid, droge huid, obstipatie. Bij laboratoriumonderzoek vindt u een vrij T4 van 5,2 (referentiegebied 10-22) pmol/L en een TSH van 0,65 (referentiegebied 0.30-5.0) mU/L.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1.Hoe luidt de meest waarschijnlijke diagnose (zo exact mogelijk formuleren)?

      1.secundaire of centrale hypothyreoïdie

      2.Welk radiologisch onderzoek is er nodig?

      2. radiologisch onderzoek van hypofyse / hypothalamus

      3. Welk laboratoriumonderzoek is nodig?

      3.nader laboratoriumonderzoek van de diverse hypofysefuncties

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Bij schildklier lijden is een behandelmogelijkheid om met thiamazol de schildklierfunctie af te remmen en suppletie te geven van levothyroxine (T4) en liothyronine (T3).

      1.Tot welke categorie stoffen behoren deze geneesmiddelen?

      1. hormonen (in dit geval substitutiehormonen); levothyroxine en liothyronine: T4 respectievelijk T3

      2.Welke van de twee is werkzaam en waarom?

      2. T3 ; T4 wordt in de lever en perifere weefsels omgezet in het actieve T3

      3.Waarom is farmacokinetisch gezien levothyroxine het meest geschikte middel van de twee om te geven?

      3. T4 (levothyroxine) heeft een relatief lange halfwaardetijd en kan bij eenmaal daagse dosering een redelijk constante bloedspiegel geven. Dit is niet het geval bij toepassing van T3

      Vraag 100

      Een 45-jarige, vrij gezette, blonde vrouw bezoekt de internist met klachten over jeuk, donkere urine en witte stopverfachtige ontlasting. Bij lichamelijk onderzoek ziet de internist gele sclerae en voelt bij palpatie een gladde zwelling van 5 cm doorsnede in de rechterbovenbuik.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

      1. Galsteen die de ductus choledochus afsluit, obstructie-icterus (ook goed: pancreaskopcarcinoom)

      2. Geef aan of het directe en indirecte bilirubine respectievelijk verhoogd of verlaagd zijn

      2. Direct: verhoogd. Indirect: normaal of licht verhoogd

      3. Welke behandeling is hier aangewezen?

      3. ERCP

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1.Waaruit ontstaat bilirubine?

      1.Uit heemgroepen (van hemoglobine uit erytrocyten)

      2.Wat is (chemisch gezien) het verschil tussen directe en indirecte bilirubine?

      2.Direct bilirubine is in de lever geconjugeerd (geglucuroneerd) (in een fase II reactie)

      3.Welke vorm van bilirubine kan in neonaten tot kernicterus leiden?

      3.Indirect (ongeconjugeerd) bilirubine

      Vraag 101

      U bent verpleeghuisarts. Een 81 jarige vrouw weegt 49 kg bij een lengte van 1.73 m. Het serum kreatinine bedraagt 98 umol/L. Zij heeft diabetes mellitus type 2 en u wilt haar gaan behandelen met metformine. Om te besluiten of u de dosis moet aanpassen wilt u haar kreatinineklaring berekenen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Hoe bepaalt u haar kreatinineklaring nauwkeurig?

      1.Kreatinine in 24-uurs urine en in bloed bepalen en daaruit de klaring berekenen.

      2. Met welke methoden kunt u haar kreatinineklaring schatten? Noem er twee.

      2.Cockgroft en Gault formule; Modification of Diet in Renal Disease (MDRD) methode;

      Normogram van Siersbaek Nielsen.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      1. Bereken bij benadering de Quetelet index (BMI) van de vrouw in de casus.

      1. gewicht / (lengte)2, dus 49 / ca. 3 = ongeveer 16. (aan de ‘te licht voor lengte’ kant van de schaal)

      2. Voor welke range van BMI waarden is het risico voor diabetes mellitus type 2 sterk verhoogd?

      2. > 30

      3. Metformine resulteert in verlaging van de bloedsuikerspiegel. Langs welke weg wordt dit effect bereikt?

      3. remming van de glucoseproductie door de lever, secundair: verbetering van de insuline gevoeligheid van perifere weefsels

      Vraag 102

      U werkt als arts op de afdeling Spoedeisende Hulp. Door het ambulancepersoneel wordt een 28-jarige vrouw binnen gebracht, die als passagier betrokken was bij een frontale autobotsing. Patiënte is onrustig en verward, doch reageert op aanspreken. Zij geeft pijn aan bij de ademhaling en in de buik.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Volgens welke richtlijn moet u het lichamelijk onderzoek verrichten?

      1. onderzoek volgens de richtlijnen van ATLS (=Advanced Trauma Life Support)

      2. Waaruit bestaat in eerste instantie uw behandeling? Noem drie onderdelen.

      2. toedienen zuurstof (intubatie), (beademing), infuus, immobilisatie (cervicale) wervelkolom

      Biomedische vraag

      Antwoord

      De transportcapaciteit voor zuurstof van het bloed is afhankelijk van het beschikbaar zijn van een eiwit en van een tweede factor die zich in het bloedplasma bevindt.

      1. Benoem het eiwit en de tweede factor.

      1. Hemoglobine en de zuurstofspanning in het bloed.

      Vraag 103

      U bent huisarts en wordt gebeld door een man van 45 jaar die sedert 6 maanden behandeld wordt voor de ziekte van Addison. Hij vertelt dat hij sedert een dag grieperig is, koorts heeft (38,5 graden C) en zich de laatste uren in toenemende mate slap en duizelig voelt. Hij vraagt u wat hij met zijn medicijnen moet doen.

      Klinische vraag

      Antwoord

      1. Met welke geneesmiddelen wordt een Addisonpatiënt doorgaans behandeld? Noem er twee

      1. Cortisolvervanging (cortisonacetaat, hydrocortison, dexamethason, prednison) en aldosteronvervanging (fludrocortison); eventueel aangevuld met DHEA.

      2. Welk medicamenteus advies geeft u deze man in deze situatie?

      2. Cortisolvervangend medicijn verhogen (2-3 maal de normale dosis); bij onvoldoende effect cortison parenteraal geven en eventueel op laten nemen voor een cortisoninfuus.

      Biomedische vraag

      Antwoord

      Herhaal antwoord op klinische vraag 1 Eén van de symptomen van de ziekte van Addison is een posturale hypotensie.

      1. Welke van de bij vraag 1 gevraagde geneesmiddelen heeft een gunstig effect op de posturale hypotensie?

      1. Het mineralocorticoïd fludrocortison

      2. Via welk mechanisme kan dit geneesmiddel de posturale hypotensie tegengaan?

      2. Door activatie van aldosteronreceptoren (in de niertubulus)(onderdeel van het RAA systeem) wordt Na en H2O geretineerd en neemt het bloedvolume toe.

      Menu: verzekeringen

         

      7 - Inspiratie

      7 - Inspireren & Samenwerken

      • Wat: Inspiratie opdoen en betrokkenheid bepalen
      • Hoe: Je keuzegeweten laten spreken, tegen je eigen lat houden, past het bij je?, voelt het goed? Haal jij, of een ander, er voldoende inspiratie vandaan?
      • Content: Hoe werkt de praktijk, wat en kan jij ervan leren? Welke ervaringen kan jij delen of zijn al gedeeld? Hoe kan jij anderen inspireren?
      Inspiratie van WorldSupporter
      Werken aan je vaardigheden en competenties én een bijdrage leveren met vrijwilligerswerk in het buitenland - Koert Hommel
      In het buitenland werken is een verrijking; je krijgt de kans je kennis uit te bouwen over hoe het is om te werken in...
      Wereldstage zoekt voor jou een passende stage! - Supporter of Wereldstage
      De dienstverlening van Wereldstage Curacao bestaat uit het vinden van de juiste stageplaats, het helpen invullen van...
      Over hoe men mij in Hong Kong tot de Islam wilde bekeren - JudithinChina
      Als je in Hong Kong de roltrap neemt die je van Central naar de Mid-Levels brengt, kom je langs een oude moskee. Toen...
      Business Bootcamp in Málaga: mondiaal burgerschap & international classroom inéén - Koert Hommel
      Recent las ik Transfer Magazine, dit keer volledig in het teken van de 'International classroom'. Centraal in de...
      "The Dutch" Working & Living Abroad #5: Roos Tieges & Ingrid van der Straaten - TCDF Thailand - Koert Hommel
      Who? Roos Tieges Ingrid van der Straaten Where? Thailand Which Initiative? TCDF, Thai Child...
      Turning tables: learning from students while teaching English abroad - Koert Hommel
      Recently I read a nice blog written by "TEFL" teacher Ashley Sheets. Ashley, or Miss Sheets, shows that teaching a...
      Menu: Inspiratie
      Crossroad: Partner
       
       
      Vrijwillig Wereldwijd: ervaring opdoen met jezelf en voor een ander!

          

      8 - Ervaring

      8 - Ervaren & Werken

      • Wat: Met je proces de slag gaan of werken in het kader van je proces
      • Hoe: Keuze-ervaring, de praktijk ervaren rond je keuzeprocessen, werk maken van je proces, proces maken van je werk
      • Content: Hoe kan je jezelf nuttig maken via stages of vrijwilligerswerk,Is er gerelateerd werk mogelijk,  zijn er vacaturemogelijkheden
      Ervaring opdoen & Zingevende vacatures

      JoHo Vacatureservice

      • Hieronder vind je recente & uitgelichte vacatures  betaald werk, stages & vrijwilligerswerk in het buitenland & Nederland uit de JoHo Vacatureservice.
      • Wil je reageren of solliciteren, word dan JoHo donateur en vind per land de betrokken organisatie.
      • Word JoHo abonnee als je de Vacatureservice effectief en volledig wilt gebruiken. 

      Een kleine greep uit de mogelijkheden via JoHo 




      Menu: Vacatures

        

      9 - Beslissing

      9 - Beslissen & Uitvoeren

      • Wat: Besluiten en in actie komen
      • Hoe: Keuzeproces afronden, Beslissing gevolg geven & uitvoeren
      • Content: Stappen nemen, contacten leggen, spullen aanschaffen, services afsluiten, ...
      Menu: Artikelen
      Menu: Samenvattingen
      Shop: Prijsinfo

      Prijzen & Kortingen

      • 'Price' is de reguliere prijs die altijd zichtbaar is
      • 'Member price' (indien vermeld) is de prijs voor JoHo donateurs
      • 'Your member price' is jouw prijs als donateur of abonnee (zichtbaar nadat je inlogt)
      • De kortingen voor donateurs & abonnees zijn voor online bestellingen gemiddeld 10-30%
      • De kortingen bij afhalen in de support centers zijn hoger
      • De verzendingskosten zijn voor donateurs en abonnees lager
      Shop: Kortingen

      JoHo service-abonnement kiezen

      JoHo donateur worden en service-abonnement kiezen

      • Voor samenvattingen en stages, vacatures en sollicitaties, reizen en backpacken, vrijwilligerswerk en duurzaamheid, emigratie en lang verblijf in het buitenland

      Voor JoHo donateurs

       

      10 - Evalueren

      10 - Evalueren & Vervolgen

      • Wat: Teurgkijken naar je beslissing en vooruitkijken naar het vervolg
      • Hoe: Je eigen keuze beoordelen, doorgaan naar een volgend keuzeproces gaan, beginnen aan het vervolgproces
      • Content: Naar het volgende onderwerp of naar de volgende activiteit, zoeken naar andere pagina's & activiteitengerelateerd nieuws [/content][/joho_popup]

       

       

      Zoeken