Scripties & Verslagen - Papers & Essays

 

  Thema

 

Scripties, verslagen, papers en essays

 

 

Verkennen - Vergelijken - Verdiepen - Versterken

Studiehulp - Samenvattingen - Skills

Onderwijs - Opleiding

JoHo: crossroad uit de bundel
1 - Start
1 - Start & Besef   6 - Voorbereiding & Controle           
2 - Inhoud & Oriëntatie 7 - Inspiratie & Samenwerking
3 - Verkenning & Selectie   8 - Ervaring & Oefening      
4 - Vergelijking & Afweging    9 - Beslissing & Tevredenheid    
5 - Verdieping & Verbetering   10 - Evaluatie & Vervolg 

Start en Besef

  • Wat: Wat is je hoofdvraag , welk keuzezeproces wil je starten?
  • Hoe: Keuzebesef, het besef dat je een beslissing moet gaan maken
  • JoHo Content: Titel, Uitleg, Footprints, Crossroads
Inloggen of aansluiten om alle teksten te kunnen zien en alle tools te kunnen gebruiken

Ben je ingelogd als JoHo donateur dan krijg je op deze pagina toegang tot meer gerelateerde informatie.

Ben je ingelogd als abonnee dan zie je alle gerelateerde informatie.

Log in als je nog niet bent ingelogd.

JoHo: berichten en nieuwsblogs
2 - Oriëntatie

2 - Verkennen & Oriënteren

  • Wat: je inlezen in je onderwerp, vraag of proces
  • Hoe: keuze-acceptatie, de acceptatie van de onzekerheid dat je nog niet kunt kiezen
  • Content: kennis, definities, betekenis van het onderwerp, gegevens, feitelijke kennis, omgevingsinformatie
Wat is een masterscriptie of bachelorwerkstuk?

Wat is een masterscriptie of bachelorwerkstuk?

  • Een scriptie is een verslag van een onderzoek of stage. Met de scriptie sluit je je opleiding af. Elke hbo of universiteit stelt zo zijn eigen eisen aan dit verslag. Zo richt een hbo-scriptie zich vaak op advies bij een praktijkprobleem. Een universitaire scriptie is in het algemeen een verslag van een zelfstandig uitgevoerd wetenschappelijk onderzoek.
3 - Verkenning & Selectie

3 - Verzamelen & Selecteren

  • Wat: Selecteren van de basisinformatie om je keuzes te  kunnen maken
  • Hoe: Keuzestress, het inzicht in de verschillende keuzes
  • Content: Belangrijke vragen en antwoorden, productoverzichten, advieswijzer

 

Hoe oriënteer je op je scriptie?

Hoe oriënteer je op je scriptie?

De oriëntatiefase is de eerste stap en is al gaande voordat je daadwerkelijk met je afstudeeronderzoek start. In deze fase zoek je uit wat de eisen en richtlijnen zijn voor je onderzoek en scriptie, denk je na over een onderwerp en begin je met het afbakenen van je onderwerp en onderzoeksvragen.

Log in voor zaken omtrent de richtlijnen voor een scriptie, de keuze voor een onderwerp en het afbakenen van je onderwerp (voor donateurs).

Hoe stel je het onderzoeksvoorstel op?

Hoe stel je het onderzoeksvoorstel op?

Een onderzoeksvoorstel bestaat uit een aantal onderdelen. In de meeste gevallen geef je in je onderzoeksvoorstel een eerste overzicht van de literatuur over je onderwerp, uitmondend in een probleemstelling en onderzoeksvragen. Je hoofdvraag splits je op in een aantal deelvragen. Je geeft aan hoe je de onderzoeksvragen die je hebt voorgesteld denkt te gaan onderzoeken: je beschrijft je onderzoeksmethoden. Daarnaast presenteer je een globale inhoudsopgave: een indeling van de hoofdstukken waarin je de structuur van je scriptie aangeeft en de verschillende deelvragen behandelt. Ten slotte maak je een tijdsplanning, waarin je aangeeft welke werkzaamheden je wanneer gaat doen, wanneer je (deel)hoofdstukken af wilt hebben, en welke inlevermomenten je afspreekt.

  • Wat is de probleemstelling?
  • Wat zijn veel gebruikte onderzoeksmethoden?
  • Hoe maak ik een opzet en tijdsplanning voor mijn scriptie?
Hoe voer je het onderzoek voor je scriptie uit?

Hoe voer je het onderzoek voor je scriptie uit?

In de onderzoeksfase ga je je onderzoek in praktijk brengen door het veld in te gaan of op andere wijze empirisch onderzoek te doen.

  • Hoe maak je een onderzoeksontwerp?
  • Hoe verzamel je gegevens
  • Wat houdt data-analyse in?
  • Wat zijn voorbeelden van een kwantitatieve en een kwalitatieve onderzoeksmethode; een survey onderzoek en een interview?
Hoe rond je de scriptie af?

Hoe rond je de scriptie af?

In de afrondingsfase schrijf je de laatste onderdelen van je scriptie, voeg je alle stukken tekst samen, zorg je dat de tekst lekker loop, en maak je de lay-out voor je scriptie.

Log in voor welke zaken van belang zijn tijdens het afronden van je scriptie. Het compleet maken van je scriptie met een titelpagina, voorwoord en samenvatting, het maken van een nette lay-out en het nalopen van je scriptie komen aan bod (voor donateurs).

JoHo: zoekt medewerkers die willen meebouwen aan een betere wereld, en een zichzelf vernieuwende organisatie

Werken, jezelf ontwikkelen en een ander helpen?

JoHo zoekt medewerkers, op verschillend niveau, die willen meebouwen aan een betere wereld en een zich vernieuwende organisatie

Vacatures en mogelijkheden voor vast werk en open sollicitaties

Vacatures en mogelijkheden voor tijdelijk werk en bijbanen

Vacatures en mogelijkheden voor stages en ervaringsplaatsen

JoHo: tips & quotes

Tips

4 - Vergelijking & Afweging

4 - Vergelijken & Afwegen

  • Wat: Je keuzeproces starten
  • Hoe: Keuzevergelijking, alternatieven afwegen
  • Content: Vergelijkbare en alternatieve onderwerpen, Aanverwante producten en services
  • Relaties: Gerelateerde paginabundels

Hoe ga je om met movitatie, planning en studiebegeleiding tijdens je scriptie?

Hoe ga je om met movitatie, planning en studiebegeleiding tijdens je scriptie?

Een afstudeeronderzoek is een behoorlijke opgave. Dit deel gaat wat dieper in op het proces rondom het schrijven van je scriptie.

Log in voor een aantal tips omtrent de omgang met je begeleider. Daarnaast wordt een aantal veel voorkomende problemen en aandachtspunten rondom planning, motivatie en concentratie gepresenteerd (voor donateurs).

Taal & Tekstgebruik: betrokken topics - Themabundel

Taal & Tekstgebruik: betrokken topics - Themabundel

Taal & Tekstgebruik: van communicatie tot begrip
Kennisoverdracht & Begrip: van informatie tot boodschap
Gesprek & Discussie - bij studie en werk
Nederlandse Taal & Buitenlandse Taal
Scripties & Verslagen - Papers & Essays
Taalcursus in het buitenland & Talenreis

  

5 - Verdieping & Versterking

5 - Verdieping & Versterking

  • Wat : Meer kennis en vaardigheden in huis halen
  • Hoe: Verdiepen in de achtergronden of de benodigde vaardigheden om je keuzes te maken
  • Content: Meer kennis opdoen en achtergronden opzoeken

JoHo services bij leren en studeren

Tools voor abonnees: de beste leerboeken samengevat op het gebied van taal en tekstgebruik - Bundel

Tools voor abonnees: de beste leerboeken samengevat op het gebied van taal en tekstgebruik - Bundel

Keuzewijzer voor samenvattingen van Schrijfcodes. Schrijf Beter, Corrigeer Sneller - Lohman - 3e druk

Keuzewijzer voor samenvattingen van Schrijfcodes. Schrijf Beter, Corrigeer Sneller - Lohman - 3e druk

Boeksamenvattingen te gebruiken bij de 3e druk

Online: samenvatting in Chapters: (voor JoHo abonnees)

Self Print (voor JoHo abonnees)

  • Gebruik de Printknop bij de Chapters in de Abonneebundel met samenvattingen per hoofdstuk: Zie op deze pagina of kijk op de abonneebundel
  • In de JoHo study support centers van Amsterdam, Groningen, Leiden en Utrecht kun je als abonnee kosteloos of tegen kostprijs gebruik maken van de aanwezige printfaciliteiten (contact & openingstijden).

Boeksamenvattingen te gebruiken bij de vorige druk

WorldSupporter

Gerelateerde samenvattingen & studiehulp

 Alternatieve boeksamenvattingen & gerelateerde samenvattingen

Gerelateerde skills

TentamenTickets

TentamenTickets

  • Er is een aantal begrippen toegevoegd; wanneer je je eigen tekst of die van een ander wil bespreken is het verstandig om deze kernbegrippen tot je te nemen zodat je tekst en woorden kan benoemen bij het bespreken. Bij de eerste keren dat tekst wordt besproken is het helemaal niet gek om deze begrippen uit te printen en voor je te leggen!
  • Het boek werkt met een eigen set aan codes. Deze codes zijn niet universeel en worden alleen begrepen door mensen die dit boek hebben gelezen. Hoewel je snel en makkelijk feedback kan geven en ontvangen met gebruikmaking van deze codes is het toch aan te raden om jezelf ook op andere wijze te trainen in het geven en ontvangen van feedback; mensen die dit boek niet hebben gelezen snappen namelijk de codering niet.
Keuzewijzer voor samenvattingen van Rapporteren (serie Taaltopics) - Braas - 4e druk

Keuzewijzer voor samenvattingen van Rapporteren (serie Taaltopics) - Braas - 4e druk

Boeksamenvattingen te gebruiken bij de 4e druk

Online: samenvatting in Chapters: (voor JoHo abonnees)

Self Print (voor JoHo abonnees)

Gerelateerde samenvattingen & studiehulp

 Alternatieve boeksamenvattingen & gerelateerde samenvattingen

Gerelateerde skills

TentamenTickets

TentamenTickets

  • Zorg voor een herkenbare driedeling in inleiding, middenstuk en slot.
  • Verhelder je tekststructuur met woorden en lay-out.
  • De alinea-indeling moet overzichtelijk zijn en de verbanden tussen alinea's maak je duidelijk met signaalwoorden en -zinnen.
  • Bij lange, zakelijke teksten: verdeel je hoofdstukken in paragrafen met heldere titels
Keuzewijzer voor samenvattingen van De kleine schrijfgids - Hermans - 6e druk

Keuzewijzer voor samenvattingen van De kleine schrijfgids - Hermans - 6e druk

Boeksamenvattingen te gebruiken bij de 6e druk

Online: samenvatting in Chapters: (voor JoHo abonnees)

Self Print (voor JoHo abonnees)

  • Gebruik de Printknop bij de Chapters in de Abonneebundel met samenvattingen per hoofdstuk: Zie op deze pagina of kijk op de abonneebundel
  • In de JoHo study support centers van Amsterdam, Groningen, Leiden en Utrecht kun je als abonnee kosteloos of tegen kostprijs gebruik maken van de aanwezige printfaciliteiten (contact & openingstijden).

Gerelateerde samenvattingen & studiehulp

 Alternatieve boeksamenvattingen & gerelateerde samenvattingen

Gerelateerde skills

Keuzewijzer voor samenvattingen van Skill Sheets. An integrated Approach to Research, Study and Management - Tulder - 2012

Keuzewijzer voor samenvattingen van Skill Sheets. An integrated Approach to Research, Study and Management - Tulder - 2012

Boeksamenvattingen te gebruiken bij de druk uit 2012

Online: samenvatting in Chapters

 

Inhoud

  • De boeksamenvatting bevat de volgende hoofdstukken:
    • Core skills - Challenges: the need for integrating skill development - Chapter 0
    • Core skills - Researching - How to go about criteria, research aims, and research steps? - Chapter 1
    • Core skills - Study and managing of self - What are the basic principles for a continuous learning cycle? - Chapter 2
    • Core skills - Reading - What are the requirements for active reading? - Chapter 3
    • Core skills - Listening - What are the requirements for constructive listening? - Chapter 4
    • Core skills - Writing - What are the requirements for powerful writing? - Chapter 5
    • Core skills - Presentation - What are the requirements for effective presentations? - Chapter 6
    • Core skills - Management - What are the requirements for effective management? - Chapter 7

Gerelateerde samenvattingen & studiehulp

 Alternatieve boeksamenvattingen & gerelateerde samenvattingen

Kennis- en studiegebieden

Onderzoeken & Analyse: Uitgelichte chapters rond verslaglegging - Topic Bundel

Onderzoeken & Analyse: Uitgelichte chapters rond verslaglegging - Topic Bundel

Analyse & Onderzoek - van studie naar kennis
Onderzoek doen - Analysefase - Hoe verwerk je kwalitatieve gegevens? (9)

Onderzoek doen - Analysefase - Hoe verwerk je kwalitatieve gegevens? (9)

Er komt steeds meer aandacht voor kwalitatieve analyse. Kwalitatief onderzoek wordt steeds vaker gebruikt, waaronder in combinatie met kwantitatieve methoden, de getrianguleerde (meervoudige) aanpak. Kwalitatieve analyse omvat veel methoden, waarvan een aantal in dit hoofdstuk worden behandeld. Bij kwalitatieve analyse zijn niet alleen de methodologische uitgangspunten van belang, maar ook de uitleg die de onderzoeker aan de analyse geeft. Zo ontstaat een stukje subjectiviteit. Een open benadering en de mogelijkheid om in te spelen op situaties en personen zijn onderdeel van kwalitatieve analyse. Dit betekent echter niet dat alles mag. Kwalitatieve analyse is een diepgaand en intensief proces, dat daardoor betrouwbare uitkomsten kan presenteren.

Kwalitatieve analyse

Kwalitatieve analyse van teksten begint met het beschrijven en samenvatten van informatie, maar gaat veel verder dan dat. Je vat de tekst (of foto’s, video’s of geluidsmateriaal) samen in codes, in begrippen. Daarna ga je deze codes waarderen en organiseren, zodat er een soort structuur, een model, onstaat. Deze manier van documenten samenvatten wordt ook wel exploratie genoemd.

Eén van de doelen van kwalitatief onderzoek is het opdoen van kennis voor theorievorming. Kwalitatieve analyse heeft een aantal theoretische uitgangspunten. Eén van de bekendste is de Grounded Theory (gefundeerde theoriebenadering) van Glaser & Strauss (1967 in Verhoeven, 2010, p. 251). Kwalitatief onderzoek gaat niet over cijfers, maar over de betekenis die mensen aan bepaalde situaties en gedrag verlenen.

De belevingswereld van de onderzoekseenheden staat centraal, kwalitatief onderzoek is een open benadering van onderzoek. Deze stroming wordt ook wel symbolisch interactionisme genoemd.

Kwalitatief onderzoek is niet zo gestroomlijnd als kwantitatief onderzoek. Er is wel een onderzoeksplan dat in fasen verloopt, maar het onderzoeksproces is meer iteratief; je herhaalt het onderzoeksproces totdat je het idee hebt dat je een betrouwbaar antwoord hebt gevonden op de onderzoeksvragen. Deze herhaling wordt iteratie of constante vergelijking genoemd. Het verhoogt de betrouwbaarheid van je resultaten, omdat je met nieuwe data controleert of resultaten uit eerdere analyses kloppen.

Kwalitatief onderzoek, met name de gefundeerde theoriebenadering, heeft een inductief karakter. Dat betekent dat je tijdens het onderzoek zoekt naar een theorie die past bij de verzamelde data. Hier tegenover staat inductief onderzoek, waarbij je van te voren geformuleerde hypothesen (gebaseerd op theorie) onderzoekt en toetst aan de hand van verzamelde data.

De begrippen die je formuleert in je probleemstelling geven richting aan je onderzoek. Je geeft ermee aan welke begrippen je gaat onderzoeken en uitdiepen in je onderzoek. Dit wordt in de gefundeerde theoriebenadering ook wel sensitizing concepts genoemd.

Praktijkgerichte onderzoeken hebben meestal niet als doel om theorie te vormen. De uitgangspunten van de gefundeerde theoriebenadering gelden echter ook voor praktijkgericht onderzoek. In praktijkonderzoek maakt kwalitatief onderzoek meestal deel uit van het geheel aan onderzoeksmethoden, een getrianguleerde opzet dus.

Om de kwalitatieve gegevens te analyseren, ga je de gegevens uiteen rafelen en er structuur in aan brengen. Dat kan op de volgende manier:

  • Lees de gegevens goed door. Selecteer de relevante informatie voor je onderzoek en verdeel het in kleine fragmenten die je kunt samenvatten in één woord.

  • Evalueer de gebruikte termen. Ga na welke waarde de onderzoekseenheden aan het begrip toekennen en interpreteer de betekenis die zij er aan geven.

  • Omschrijf de kleine fragmenten in één woord (een code). Deze code kun je in de kantlijn van het document zetten of neem je op in een software programma. Deze vorm van coderen wordt ook wel open coderen genoemd.

  • Groepeer de termen die je hebt gevonden.

  • Sorteer de gecodeerde termen en breng er een hiërarchie in aan.

  • Ga op zoek naar verbanden tussen de begrippen. Maak hoofdgroepen en subgroepen, door te kijken welke codes bij elkaar horen. Je kunt in deze fase ook beslissen om codes bij elkaar te voegen of op te splitsen. Deze vorm van coderen wordt axiaal coderen genoemd.

  • Structureer de begrippen en relaties tussen de begrippen door ze te organiseren in een model of een codeboom (Boeije, 2005 in Verhoeven, 2010, p. 254).

  • Breng het model in verband met je probleemstelling. Vraag je af of je tot een antwoord op de vraag kunt komen, of er nog aanvullende vragen zijn en of er nog informatie ontbreekt.

Deze stappen zul je meerdere malen moeten doorlopen om tot een overzichtelijk geheel te komen, een iteratief proces dus.

Het proces van structureren van je data lijkt een beetje op het maken van een mindmap. Mindmapping is een methode waarmee je structuur aanbrengt in je ideeën, ze in sleutelwoorden op papier zet, ze groepeert, evalueert, codeert, en op zoek gaat naar verbanden. Je begint met het onderwerp in het midden van een vel papier en gaat op zoek naar gerelateerde begrippen, waarbij je de verbanden aangeeft. Je kunt lijnen van verschillende diktes gebruiken om de sterkte van het verband aangeven. Het eindresultaat is een diagram waarin je ideeën schematisch zijn weergegeven.

Voor het verwerken en weergeven van de resultaten van je analyse zijn een aantal hulpmiddelen beschikbaar. Je kunt een schematische weergave van de resultaten in een diagram zetten, zoals hierboven beschreven is voor mindmapping. Je kunt een kaartsysteem maken door de begrippen op kaartjes te zetten en deze te ordenen, of gebruik maken van Post-it’s die je op een muur kunt plakken. Je logboek is een ander hulpmiddel, je kunt deze structureren door nummering in niveau’s te gebruiken. Er bestaat ook software die je kunt gebruiken voor kwalitatieve analyse. Er bestaat speciaal ontwikkelde software als Kwalitan en MAXqda. Als je hier geen beschikking over hebt kun je ook in Word, Powerpoint of andere software diagrammen maken. Het planningsprogramma Inspiration is zeer geschikt voor mindmapping en het maken van diagrammen.

Kwaliteit van resultaten

Kwalitatief onderzoek heeft veel kritiek gekregen; volgens critici zou kwalitatief onderzoek niet betrouwbaar en dus niet valide zijn.

De betrouwbaarheid is moeilijk na te gaan omdat voor een open benadering wordt gekozen, waarbij de ontwikkeling van modellen tijdens het onderzoeksproces plaatsvindt. Er is dus geen afgebakende setting die bij herhaling dezelfde resultaten geeft. Echter, dit is ook niet waar kwalitatief onderzoek voor bedoeld is. Statistische generaliseerbaarheid is niet het doel, er wordt eerder gekeken of een onderzoek inhoudelijk generaliseerbaar is, dus in welke mate de conclusies in soortgelijke situaties gelden. Een herhaling is niet mogelijk, omdat er bijvoorbeeld slechts één organisatie wordt onderzocht, de beleving van personen centraal staat en deze niet gelijk blijft, of omdat je een bepaalde periode onderzocht hebt, en iedere volgende periode anders zal zijn. Toch kun je er voor zorgen dat de kwaliteit en betrouwbaarheid van het onderzoek hoog genoeg zijn. Zorg voor een zo uitgebreid mogelijke argumentatie van je probleemstelling en onderzoeksopzet. Zorg voor goede registratie van je methoden en de stappen die je in het onderzoek genomen hebt. Bewaar de bewerkingen die je maakt in je gegevens apart van de originele gegevens. Doorloop het analyseproces meerdere malen, zodat je met nieuwe data al gedane inzichten kunt toetsen. Onderhoud goed contact met je opdrachtgever over de opzet en uitvoering van je onderzoek. Maak gebruik van peer evaluation; laat collega-onderzoekers je opzet, dataverzameling en analyse bekijken en becommentariëren. Gebruik eventueel triangulatie. Leg zo veel mogelijk van je resultaten systematisch vast.

In termen van validiteit staat zowel de generaliseerbaarheid als de inhoudsvaliditeit onder druk. Als een steekproef niet aselect is getrokken of slechts een kleine groep personen is betrokken kunnen de resultaten niet gegeneraliseerd worden naar de populatie. Statistische generaliseerbaarheid is ook niet het doel van kwalitatieve analyse. Als generaliseerbaarheid een rol speelt in kwalitatief onderzoek, dan is het inhoudelijke generaliseerbaarheid dat van belang is. Dit wordt verkregen door de situatie, de werkelijkheid, zo veel mogelijk intact te laten.

Ook de begripsvaliditeit staat onder druk, doordat de beleving van de onderzoekseenheden centraal staat. Hierdoor ‘meet je niet wat je wilt weten’ maar laat je de begrippen invullen door de onderzoekseenheden. Door goed door te vragen tijdens interviews kun je echter wel achter het werkelijke antwoord op een vraag komen. Het checken van de interne validiteit wordt gedaan om er achter te komen of het de onderzoeker lukt om de onderzoeksvraag goed te beantwoorden. Het is de vraag of de conclusies zuiver zijn, oftewel of er een duidelijk verband tussen de gevonden resultaten en de probleemomschrijving gevonden is. Een kwalitatief onderzoeker moet objectief blijven, het zijn de uitgangspunten en de interpretatie van de onderzochte personen die van belang zijn.

Je kunt in kwalitatieve analyse systematische fouten tot een minimum beperken door:

  • Gebruik te maken van systematische analyses

  • Aantekeningen bij te houden in een logboek

  • Gebruik te maken van onderliggende theorieën bij de analyse

  • Je informatie laten doorlezen en bekritiseren door anderen

  • Een meervoudige onderzoeksopzet te gebruiken

  • Een steekproef trekken die gericht is op je doel

Onderzoek doen - Evaluatiefase - Hoe kom je bij conclusies, discussie en aanbevelingen? (10)

Onderzoek doen - Evaluatiefase - Hoe kom je bij conclusies, discussie en aanbevelingen? (10)

Conclusies

Na je veldwerk en analyses is het tijd om conclusies te gaan trekken uit de resultaten van je onderzoek. De eerste stap is om terug te kijken op het onderzoeksproces. Hoe heb je je onderzoek ontworpen? Hoe verliep het veldwerk? Wat was je probleemstelling (centrale vraag)? Kun je deze beantwoorden met je resultaten? Met andere woorden, heb je je onderzoeksdoel gehaald?

Conclusies trekken betekent je onderzoeksresultaten verbinden aan je probleemstelling, en je onderzoeksvragen beantwoorden. Ook kijk je of je onderzoeksdoel is behaald. Conclusies trekken is dus meer dan het samenvatten van de resultaten!

Ook al zijn je conclusies geen samenvatting van je onderzoek, bepaalde delen vat je wel samen. Je beschrijft kort de aanleiding tot je onderzoek en de probleemstelling. Je geeft aan wat de opzet van je onderzoek was. Daarna ga je over tot het beantwoorden van de centrale vraag en deelvragen. De conclusie moet een duidelijk en bondig antwoord geven op de centrale vraagstelling. In je conclusies ga je ook een stap verder dan het beschrijven van de resultaten die je hebt gevonden. Je interpreteert deze resultaten ook; je zoekt naar een mogelijke verklaring voor hetgeen je hebt gevonden. Als jouw resultaten de resultaten uit een ander onderzoek bevestigen of tegenspreken kun je hier ook aandacht aan besteden, en eventuele verklaringen daarvoor geven.

Discussie en aanbevelingen

Het presenteren van je resultaten en conclusies markeert nog niet het einde van je onderzoek. Met name in het geval van praktijkgericht onderzoek zul je ook een aantal aanbevelingen opstellen voor de toekomst. Daarnaast is er ruimte voor discussie. Als onderzoeker neem je een iets persoonlijkere toon aan. In de discussie kun je de methodologische en inhoudelijke leermomenten tijdens je onderzoek bediscussiëren en evalueren. Daarnaast kun je je onderzoeksresultaten in een breder perspectief zetten en je eigen mening meer naar voren laten komen.

In de discussie bespreek je je conclusies in relatie tot de probleemstelling. Wat zijn de bredere implicaties van deze conclusies; wat betekenen ze voor de samenleving? Je kunt je conclusies verbinden aan een politiek standpunt of ze vergelijken met andere onderzoeksresultaten.

Een ander onderdeel van de discussie is het evalueren van je onderzoeksproces. Wat ging er goed, en wat fout, en wat heb je daarvan kunnen leren? Je kijkt terug op de kwaliteitsaspecten van je onderzoek (de betrouwbaarheid, validiteit en generaliseerbaarheid) en bepaalt de methodologische kwaliteit.

Soms zijn de validiteit en betrouwbaarheid niet erg hoog. Dat betekent niet dat er niets met de resultaten van een onderzoek gedaan kan worden. Naast de methodologische kwaliteit van een onderzoek is ook de bruikbaarheid een belangrijk aspect. Bruikbaarheid kent vele vormen:

  • Conceptueel gebruik: onderzoeksresultaten kunnen indirect worden gebruikt, bijvoorbeeld om discussie aan te zwengelen.

  • Indicatief gebruik: ook al zijn onderzoeksresultaten over de steekproef niet generaliseerbaar naar de populatie, ze zijn wel indicatief te gebruiken, bijvoorbeeld in vervolgonderzoek.

  • Instrumenteel gebruik: onderzoek kan bepaalde veranderingen begeleiden en ondersteunen, dit is met name het geval bij praktijkgericht onderzoek.

  • Hawthorne-effect: het onderzoeksproces heeft zelf effect binnen een organisatie, doordat personen (in een organisatie) worden beïnvloed als ze weten dat er een onderzoek plaatsvindt.

De case study (N=1) bewijst dat onderzoek heel waardevol kan zijn, ook al zijn de resultaten niet generaliseerbaar naar een grotere populatie. Case studies zijn een vorm van kwalitatief onderzoek, en de resultaten zijn vaak zeer bruikbaar voor de case (het geval, bijvoorbeeld een organisatie) zelf. Daarnaast kunnen ook de betrouwbaarheid en validiteit bij case studies worden aangegeven, bijvoorbeeld door triangulatie, rapportage, peer evaluation, systematische analyse en vergelijking met andere case studies.

Naast het trekken van conclusies en het bediscussiëren van de resultaten, is er vaak sprake van directe suggesties om een situatie te verbeteren of aan te pakken: de aanbevelingen. Grofweg zijn er twee typen aanbevelingen: aanbevelingen voor de organisatie en aanbevelingen voor toekomstig onderzoek.

Aanbevelingen voor een organisatie zijn meestal aanbevelingen voor beleid; het doorvoeren van veranderingen in een organisatie. Naast suggesties voor verandering kunnen je onderzoeksresultaten vaak ook gebruikt worden om draagvlak voor deze verandering te creëren. Pas wel op dat je onderzoeksresultaten niet ‘gekaapt’ worden door je opdrachtgever. Deze wil jouw onderzoeksresultaten misschien gebruiken ter ondersteuning van een maatregel die hij/zij wil doorvoeren. Let er op dat je als onderzoeker objectief blijft en je eigen aanbevelingen presenteert.

Aanbevelingen voor verder onderzoek zijn interessante vervolgvragen die voort kunnen komen uit je onderzoeksresultaten. Het kan ook zijn dat er iets mis is gegaan in je eigen onderzoek, bijvoorbeeld door non-respons, en dat je aanbevelingen doet om in een vergelijkbaar onderzoek het maken van dezelfde fouten te voorkomen.

Onderzoek doen - Evaluatiefase - Hoe stel je een onderzoeksrapport samen ? (11)

Onderzoek doen - Evaluatiefase - Hoe stel je een onderzoeksrapport samen ? (11)

De laatste stap in je onderzoek is het samenvoegen van alle informatie die je gedurende het onderzoeksproces hebt verzameld en dit netjes in een onderzoeksrapport opschrijven. Het schrijven van een samenhangend onderzoeksrapport is niet makkelijk. Hoe je dit het beste aanpakt, welke volgorde gebruikelijk is, en aan welke wetenschappelijke eisen je rapport moet voldoen wordt per onderzoeksfase beschreven.

Een paar algemene punten die van belang zijn:

  • Je begint niet pas aan het schrijven van je onderzoeksrapport aan het einde van je onderzoek. Eigenlijk schrijf je er gedurende het hele proces aan; je maakt in het begin alvast een (voorlopige) inhoudsopgave en houdt keuzes, inzichten en resultaten bij op de juiste plek.

  • Je maakt een duidelijke keuze met betrekking tot je doelgroep. Voor wie schrijf je het onderzoeksrapport en door wie zal het rapport gelezen worden? Deze overwegingen neem je mee bij keuzes met betrekking tot de opbouw en schrijfstijl van je onderzoeksrapport.

  • Houd er rekening mee dat je verschillende keren een conceptversie van je rapport zult overhandigen aan je begeleider(s) en je dus ook meerdere keren commentaar te verwerken zult krijgen. Houd hier rekening mee in je tijdsplanning.

Opbouw

In feite schrijf je een onderzoeksrapport zoals je het onderzoek hebt opgebouwd. Hoe bondig of uitgebreid een rapport moet zijn is moeilijk te zeggen, maar er zijn wel een aantal aanknopingspunten. Een wetenschappelijk verslag moet de informatie bevatten zodat het onderzoek zelfstandig herhaald kan worden op basis van de informatie uit het verslag. De structuur ligt ook min of meer vast, en volgt vaak het volgende format:

  • Titelblad

  • Voorwoord

  • Samenvatting

  • Inleiding

  • Methode

  • Resultaten

  • Conclusie en discussie

  • Literatuurlijst

  • Bijlagen

Op het titelblad staat ten eerste de titel. Denk goed na over de vorm van je titel (en eventuele ondertitel). Het moet de lading dekken, het moet in één zin duidelijk zijn waar het onderzoeksrapport over gaat, maar ook nieuwsgierigheid opwekken. Om een te lange titel te voorkomen, kan de titel verder uitgelegd worden in de ondertitel. Naast een titel moet op het titelblad je naam, datum en plaats, naam van je begeleider en de naam van het instituut waar je het rapport voor schrijft verschijnen.

De samenvatting moet kort en bondig zijn (variërend van een halve pagina tot een aantal pagina’s, afhankelijk van de omvang van je onderzoeksrapport). In de samenvatting beschrijf je het hele onderzoek (opzet, vraagstelling, methode) en de belangrijkste resultaten. Op basis van de samenvatting zullen mensen bepalen of ze verder willen lezen in je rapport, dus alles moet erin staan. Je schrijft een samenvatting pas op het eind, wanneer je hele rapport klaar is en je overzicht hebt over wat de hoofd- en bijzaken zijn. Een wat uitgebreidere samenvatting wordt ook wel een managementsamenvatting genoemd. Deze moet de belangrijkste en meest bruikbare informatie bevatten, zodat een organisatie zo met de resultaten, conclusies en aanbevelingen aan de slag kan. Voor persoonlijke (bedank)woorden schrijf je een voorwoord. Deze plaats je voor de samenvatting.

De inleiding van je verslag bestaat uit de aanleiding voor je onderzoek, de probleem- en doelstelling en de onderzoeksvragen die centraal staan in je onderzoek. Je kunt hier ook een theoretische inleiding op ander onderzoek over je onderwerp introduceren. Hiermee toon je ook de relevantie van je onderzoek aan. Een belangrijk doel van de inleiding is om je lezers te interesseren (wetenschappelijk of praktijkgericht) voor het onderwerp. Als je onderzoek erg praktijkgericht is kun je de theoretische achtergrond tot een minimum beperken door de begrippen kort af te bakenen, ze op te nemen in een model, of een aparte paragraaf over theorie te schrijven voor de geïnteresseerden.

Het hoofdstuk over methodes is een belangrijk onderdeel van je verslag. Hierin beschrijf je nauwkeurig voor welke onderzoeksmethode(n) je hebt gekozen, waarom, en hoe je deze methode(n) hebt toegepast. Op basis van de informatie in dit hoofdstuk moet een onderzoek precies na te bootsen zijn. Je geeft aan wat je verstaat onder de (operationele) populatie, hoe je het steekproefkader bepaald hebt en op welke manier je de steekproef getrokken hebt. Je geeft aan voor welke dataverzamelingsmethode(n) je gekozen hebt, en op basis van welke argumenten. Zet de beperkingen en mogelijkheden op een rij, en verantwoord je keuze in methodologische maar ook in praktische zin, dus in termen van geld, tijd en onderzoekseenheden. Geef aan welke instrumenten je gebruikt hebt om de theorie te toetsen en om je onderzoeksvragen te beantwoorden. Laat zien hoe je begrippen hebt geoperationaliseerd; hoe je ze hebt omgezet in meetbare eenheden. Beschrijf welke analysemethoden je hebt gebruikt om de gegevens te verwerken, te beschrijven en te toetsen. Bij kwalitatieve analyse ligt er vaak een model ten grondslag aan de analyse, zoals de eerder genoemde gefundeerde theoriebenadering. Dit zijn theoretische uitgangspunten en worden dus niet hier besproken, tenzij ze gebruikt zijn als uitgangspunt voor het inhoudelijke deel van het onderzoek.

De resultaten moeten een zo objectief mogelijk beeld geven van de verzamelde informatie. Voordat je de daadwerkelijke resultaten presenteert beschrijf je eerst het verloop van het veldwerk. Je presenteert en beschrijft de gevonden resultaten, maar gaat nog niet over tot de interpretatie, dit komt in de conclusies aan bod.

In je conclusie kijk je terug op het onderzoeksproces. Wat waren de vragen waarmee je het onderzoek begon, en hoe is het onderzoek verlopen? Je herhaalt de probleem- en doelstelling en beantwoordt de centrale vraag en deelvragen. Hier ga je de resultaten interpreteren en er conclusies aan verbinden.

In de discussie is ruimte voor je eigen mening, en eventuele discussie en reflectie over de gebruikte methoden, het verloop van je onderzoek en de relatie tot ander onderzoek.

Aanbevelingen zijn voornamelijk van belang als je praktijkgericht onderzoek hebt uitgevoerd. Je doet een aantal aanbevelingen voor verandering in een organisatie of aanbevelingen voor vervolgonderzoek, geïnspireerd door vragen die zijn opgekomen door jouw onderzoek. Suggesties voor veranderingen moeten haalbaar en op de korte termijn te behalen zijn, anders belanden ze zeer waarschijnlijk in de prullenmand.

In de literatuurlijst verwijs je naar literatuur van anderen die je gebruikt hebt in je onderzoek. Het is belangrijk om hier op de juiste wijze naar te verwijzen. Kijk na wat de voor jou geldende richtlijnen zijn. Let er op dat verwijzingen die in je tekst vermeld staan ook in de literatuurlijst staan, en andersom.

In de bijlagen wordt aanvullende informatie opgenomen die niet nodig is voor het doorlezen en begrijpen van het onderzoeksverslag, maar wel als naslagwerk gebruikt kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan onderwerplijsten, volledige vragenlijsten, uitnodigingsbrieven, te grote tabellen, en responsgegevens.

APA-richtlijnen

De richtlijnen voor het schrijven van veel sociaal-wetenschappelijke onderzoeksverslagen zijn afkomstig van een instituut voor standaardisering: the American Psychological Association (APA). Deze regels hebben tot doel om een standaard te creëren voor de structuur van een artikel of onderzoeksverslag, de opmaak daarvan, de literatuurverwijzingen en de literatuurlijst. In kader 10.8 en 10.9 in Verhoeven (2010, p. 303) staat vermeld hoe naar verschillende typen bronnen verwezen moet worden volgens de APA-richtlijnen in de literatuurlijst en in de lopende tekst.

Schrijftips

Maak een uitgebreide inhoudsopgave tijdens het begin van je onderzoeksproces. Zo’n inhoudsopgave kan je goed op weg helpen tijdens het schrijven. Bij elk hoofdstuk maak je (sub)paragrafen, waarbij je aangeeft welke informatie daar moet komen. Op deze manier kun je snel zien welke informatie waar terecht moet komen en waar je nog informatie mist.

Plan genoeg tijd in voor het schrijfproces. Zorg dat je voldoende tijd hebt om het onderzoeksverslag te schrijven, tussentijds in te leveren, en commentaar te verwerken. De volgende onderdelen kun je gebruiken om je tijd in te plannen: doorlezen van je resultaten, vaststellen van de uitgebreide inhoudsopgave, maken van een eerste opzet met gebruik van steekwoorden, uitschrijven van de opzet, herlezen van de opzet, herschrijven van de opzet, (concept)versie inleveren. De laatste stappen zul je een aantal keer moeten herhalen.

Zorg dat je overzicht houdt over de verschillende versies die je hebt geschreven, door middel van duidelijke nummering. Geef in de documentnaam of in de kop- of voettekst de datum of een versienummer aan.

Laat je onderzoek door collega’s of mede-studenten doorlezen, de zogenaamde peer assessment. Organiseer een bespreking van je werk in groepsvorm om het te kunnen bediscussiëren. Beoordeel andermans werk zoals je dat zelf ook graag zou zien, geef geen botte, maar opbouwende kritiek, en geef handige tips en aanvullende informatie.

Schrijf je onderzoeksverslag voor de juiste doelgroep. Het kan zijn dat je rapport voor verschillende doelgroepen geschikt moet zijn. Om die reden kan het zelfs zo zijn dat je twee versies van het rapport schrijft, bijvoorbeeld als je verslag geschikt moet zijn voor zowel onderzoekers als het management van een organisatie. Let bij het schrijven voor een doelgroep bijvoorbeeld op: aansluiting op de kennis van je doelgroep, het vermijden van jargon, een duidelijke en kernachtige samenvatting met aanbevelingen voor het management, of een uitgebreide methodologische uitleg en theoretische onderbouwing voor mede-onderzoekers.

Beoordelen van publicaties

Sommige onderzoeksrapporten worden alleen intern gebruikt, anderen worden openbaar gemaakt door middel van publicatie in een (wetenschappelijk) tijdschrift of krant. Zulke publicaties worden beoordeeld aan de hand van een aantal aspecten. De bruikbaarheid van de resultaten bijvoorbeeld. Of de gehanteerde theorie en methoden. Dit hangt af van de functie die het onderzoeksverslag voor jou heeft. Het beoordelen van een publicatie hangt ook af van het doel van het artikel, en de doelgroep die met het artikel bereikt wordt. Hier worden er een aantal besproken:

  • Onderzoekers: publicaties komen meestal in een wetenschappelijk tijdschrift over hun vakgebied, om een theorie te belichten of een methode te toetsen.

  • Studenten: publicaties hebben meestal het doel om studenten iets te leren over een onderzoeksopzet en het uitvoeren van onderzoek.

  • Managers/beleidsmakers: publicaties hebben meestal het doel om aanbevelingen te doen voor beleid. De nadruk ligt op de samenvatting en de aanbevelingen.

  • Uitvoerenden: Wanneer de aanbevelingen tot doel hebben de uitvoerenden in een organisatie tot verandering aan te zetten is het van belang om na te gaan of de informatie en de aanbevelingen passen bij de voorkennis van deze personen.

  • Breed publiek: Dit is een moeilijke doelgroep om voor te schrijven, omdat het een zeer gevarieerde groep mensen betreft. Houd het kort en duidelijk, en vermijd jargon.

Aan publicaties in gerenommeerde wetenschappelijke tijdschriften wordt een hoge status verleend. Dit zegt echter niet per definitie dat de kwaliteit van het onderzoek ook hoog is. Wel gaat er aan publicatie een periode van peer review vooraf. Collega-onderzoekers beoordelen het onderzoek en het artikel en leveren commentaar. Daarmee wordt geprobeerd een extra kwaliteitscheck in te bouwen. Echter, niet alle peer reviews zijn van hoge kwaliteit, en aangezien je artikel niet geplaatst zal worden als je het commentaar niet meeneemt in een nieuwe versie, kan de keuze voor het overnemen van bepaalde standpunten een politiek of strategische keuze worden. Kijk daarom altijd kritisch naar de gepresenteerde informatie, hoe prestigieus het tijdschrift of boek ook is.

Onderzoek doen - Analysefase - Hoe verwerk je kwantitatieve gegevens? (8)

Onderzoek doen - Analysefase - Hoe verwerk je kwantitatieve gegevens? (8)

Nadat je gegevens verzameld hebt is het tijd voor de analyse van deze gegevens. Dit hoofdstuk gaat over de analyse van kwantitatieve gegevens. In wetenschappelijk onderzoek worden gegevens geanalyseerd door gebruik te maken van speciale software, zoals Excel (eventueel uitgebreid met XLstat), SPSS, STATA, S-plus, SAS, AMOS en LISREL. In dit hoofdstuk wordt gebruik gemaakt van SPSS (versie 13).

Meetniveau

Variabelen kun je weergeven met verschillende meetniveau’s die aangeven in welke mate je de waarden die aan de categorieën zijn toegekend kunt gebruiken om mee te rekenen. Er bestaan vier meetniveau’s. Van laag naar hoog (van ‘niet mee te rekenen’ tot ‘mee te rekenen’) zijn dat: nominaal, ordinaal, interval en ratio. In de analysefase is het meetniveau van je variabelen een randvoorwaarde bij het kiezen van een geschikte analysetechniek.

Nominaal

Nominale variabelen zijn opgebouwd uit losse categorieën. Tussen twee categorieën komen geen waarden voor, deze variabelen zijn discreet: ze maken geen deel uit van een glijdende schaal. Met de categorieën kan niet worden gerekend; de toegekende cijfers zijn codes. Voorbeelden zijn politieke partijen, geslacht, regio, en burgerlijke staat. Een dichotome variebele is een vorm van een nominale variabele, maar waarbij slechts twee opties bestaan. Een voorbeeld is geslacht. Deze variabelen kent slechts twee waarden: mannelijk en vrouwelijk. Een variant hierop is de dummyvariabele. Deze bestaat ook slechts uit twee categorieën: nee en ja (gecodeerd als 0 en 1). Dummyvariabelen worden gebruikt bij de beantwoording van vragen waarbij meerdere antwoorden kunnen worden gegeven.

Ordinaal

Soms zit er wel een rangorde in de waarden van een variabele, ook al kun je er niet mee rekenen. Een voorbeeld is opleidingsniveau. Deze variabelen zijn discreet (kwalitatief) en bevatten niet veel categorieën, maar vanwege de rangorde worden ze op een ander niveau gemeten: het ordinale meetniveau.

Interval

Met variabelen op intervalniveau kan gerekend worden; ze zijn kwantitatief. De intervallen tussen twee categorieën zijn gelijk, de waarden die aan de categorieën worden toegekend zijn numeriek en de waarden zijn continu; ze maken deel uit van een glijdende schaal. Er zijn twee redenen dat deze variabelen niet op het hoogste meetniveau kunnen worden gemeten: ze hebben geen ‘natuurlijk nulpunt’ en de verhoudingen tussen de waarden zijn niet gelijk. Een voorbeeld is graden Celsius. Nul graden Celsius als nulpunt is een afspraak, geen natuurlijk nulpunt. En we kunnen niet zeggen dat 20˚C twee keer zo warm is als 10˚C. In sommige gevallen kun je variabelen die een ordinaal meetniveau hebben een interval meetniveau toekennen. Een voorbeeld hiervan is het samenstellen van antwoordschalen, bijvoorbeeld van ‘helemaal mee oneens’ tot ‘helemaal mee eens’.

Ratio

Ratiovariabelen zijn numeriek (kwantitatief); er kan mee gerekend worden. Daarnaast beschikken ze over een natuurlijk nulpunt en zijn de verhoudingen tussen de waarden gelijk. Voorbeelden van ratiovariabelen zijn leeftijd in jaren, arbeidsuren, inkomen in euro’s.

Als je deze variabele gaat opdelen, bijvoorbeeld in klassen, dan verandert ook het meetniveau: van ratio naar ordinaal.

In SPSS vind je drie mogelijkheden voor het kiezen van een meetniveau: Nominal voor nominale variabelen, Ordinal voor ordinale variabelen, en Scale voor interval- en ratiovariabelen. De laatste twee niveau’s zijn samengevoegd, omdat vanaf intervalniveau dezelfde analysetechnieken mogelijk zijn.

Univariate analyses

Een beschrijving van één variabele wordt een univariate analyse genoemd. Tijdens je analyse beschrijf je je dataset, die bestaat kenmerken (variabelen) van cases (respondenten of waarnemingen). Er bestaan veel verschillende univariate analyses. Hier worden er drie beschreven.

Frequentieverdelingen

Hierin wordt weergegeven hoe vaak een categorie van een kenmerk voorkomt in relatie tot het totale aantal cases. Variabelen kun je presenteren in een frequentietabel, waarin wordt weergegeven hoe vaak een bepaalde categorie voorkomt. Je kunt dit ook relatief weergeven, door het percentage van het totaal te berekenen. Dat doe je als volgt: percentage = frequentie / totaal x 100%. Als er een waarde ontbreekt, omdat iemand is vergeten een antwoord te geven, dan kan de weergave van het percentage (‘Percent’ in SPSS) verkeerd worden weergegeven. De optie ‘Valid Percent’ in SPSS houdt hier rekening mee en geeft wel de juiste weergave.

Grafieken

Om een duidelijk beeld te geven van een kenmerk kun je gebruik maken van grafieken. De functie van een grafiek is om een kenmerk overzichtelijk weer te geven. Daarom is het niet erg nuttig om dichotome variabelen in een grafiek weer te geven; als je het percentage van de ene waarde weet, dan weet je automatisch ook het percentage van de andere waarde. De keuze voor een grafiek hangt af van wat je wilt laten zien (je doel) en van het meetniveau van de variabele.

Een cirkeldiagram, ook wel taartpuntgrafiek genoemd, laat de verhouding tussen de verschillende categorieën zien. Een cirkeldiagram is enkel geschikt voor nominale of ordinale variabelen, omdat het alleen een duidelijke weergave geeft voor een variabele met een beperkt aantal categorieën. Het is niet geschikt voor variabelen met een hoger meetniveau, vanwege de grote hoeveelheid categorieën. Denk hierbij bijvoorbeeld aan leeftijd in jaren.

Een staafdiagram kun je gebruiken voor dezelfde typen variabelen als het cirkeldiagram: een laag meetniveau, enkele categorieën en voor het weergeven van de verhoudingen. In een staafdiagram kun je makkelijk zien in welke categorie de meeste waarnemingen zijn. Elke waarde wordt weergegeven door een aparte staaf.

Een histogram laat de vorm van een verdeling zien. Het is een staafdiagram voor continue variabelen en is dan ook geschikt voor interval- en ratiovariabelen. De staven in een histogram liggen tegen elkaar aan omdat de categorieën op elkaar aansluiten. Vaak zie je een top in het midden met uitlopers naar de zijkanten. Dit wordt ook wel een ‘klokvorm’ of de ‘Gauss-kromme’ genoemd. Sommige interval- of ratiovariabelen kunnen naast in een histogram ook in een staafdiagram worden weergegeven.

Een voorbeeld is ‘aantal kinderen per gezin’, omdat er een beperkt aantal categorieën is, die wel op elkaar aansluiten. De keuze voor een staafdiagram is dan gemaakt om de aantallen goed zichtbaar met elkaar te kunnen vergelijken.

Als je geïnteresseerd bent in het verloop van een kenmerk, kun je een lijngrafiek maken van een kenmerk. Een lijngrafiek kun je gebruiken als de variabele op z’n minst op intervalniveau ligt. Het aantal categorieën is onbeperkt, en meestal groot, om een ontwikkeling bijvoorbeeld over de tijd weer te kunnen geven. Een ander type lijngrafiek is de cumulatieve lijngrafiek, waarbij de waarden bij elkaar opgeteld worden, van 0 tot 100 procent.

Een boxdiagram is een diagram die gebruik maakt van de mediaan; de middelste waarneming. Vanaf de mediaan wordt aan beide zijden de dichtsbijzijnde 25% berekend en deze vormen samen de box, die dus de 50% middelste waarnemingen bevat. De stelen die aan beide zijden uit de box steken geven de overige 25% aan weerszijden aan. Eventuele uitschieters worden daarbuiten aangegeven met sterretjes. Een boxdiagram is geschikt voor variabelen vanaf ordinaal meetniveau en laat zowel de middelste 50% alsmede de uitschieters zien.

Een spreidingsdiagram is een diagram waarin je de scores ten opzichte van elkaar kunt presenteren. In een univariaat voorbeeld kunnen de verschillende categorieën tegen de waarden voor die categorieën worden afgezet, maar meestal wordt een spreidingsdiagram gebruikt om twee variabelen tegen elkaar af te zetten, een bivariate analyse dus. Een spreidingsdiagram maken kan alleen voor variabelen met een hoog meetniveau.

Een dotplot is een andere manier om de verdeling van scores in één variabele inzichtelijk te maken. Door middel van de dotplot kun je zien of een variabele scheef verdeeld is, alsmede waar de uitschieters zitten. Dotplots kunnen gemaakt worden voor zowel categorale als continue variabelen.

Kengetallen

Met een kengetal geef je een samenvatting van kenmerken op grond van één eigenschap. Je kunt kijken naar het midden van de verdeling (het centrum), maar ook kijken naar de breedte waarover de waarnemingen zich uitstrekken (de spreiding). Er zijn dus twee soorten kengetallen: centrum- en spreidingsmaten.

De modus is de categorie van een kenmerk die het meest voorkomt en kan worden toegepast vanaf nominaal meetniveau. De modus beschrijft dus de waarde met de hoogste frequentie; het getal dat het meest voorkomt. De schrijfwijze is xmod. Soms is er meer dan één modus, er zijn bijvoorbeeld twee getallen die allebei dezelfde hoogste frequentie hebben. Dit wordt ook wel bimodaal genoemd.

De mediaan is de middelste waarneming, of de categorie die in het midden voorkomt en kan worden toegepast vanaf ordinaal meetniveau. De mediaan geeft dus precies het midden van de verdeling aan. De schrijfwijze is xmed of x.50. Je kunt de mediaan vinden door te kijken naar de cumulatieve frequentieverdeling. De waarneming, of de categorie, die in het 50e percentiel ligt is de mediane categorie.

Het gemiddelde is te verkrijgen door alle scores bij elkaar op te tellen en te delen door het aantal waarnemingen en kan worden toegepast vanaf interval niveau.

Omdat het gemiddelde pas informatie geeft als je met de getallen ook daadwerkelijk kunt rekenen wordt het ook wel het rekenkundig gemiddelde genoemd. De schrijfwijze is xgem of .

Soms hebben waarden niet allemaal hetzelfde gewicht. Denk aan de berekening van je eindcijfer voor een vak; niet alle onderdelen tellen even zwaar mee. Je berekent een zogenaamd gewogen gemiddelde door het cijfer te vermenigvuldigen met de weging en daarna te delen door het totaal van de weging.

In SPSS kun je het programma laten uitrekenen wat de centrummaten zijn. De twee meest gebruikte manieren voor univariate analyses zijn:

  • Analyze → Descriptive Statistics → Descriptives

  • Analyze → Descriptive Statistics → Frequencies


De tweede optie maakt het mogelijk de centrummaten te laten uitrekenen bij een frequentietabel.

Soms geeft een centrummaat niet genoeg informatie. Als je wilt weten tussen welke uitersten een variabele gespreid is kun je beter spreidingsmaten gebruiken.

De variatiebreedte laat met één getal het verschil tussen de minimum- en maximumscore zien, en geeft daarmee een beeld van de spreiding. Spreidingsbreedte is vooral toepasbaar bij numerieke variabelen, met interval- of ratio meetniveau.

De variantie is de gemiddelde gekwadrateerde afwijking van het gemiddelde, oftewel hoe de waarnemingen gespreid zijn rondom het gemiddelde.

De standaardafwijking is een afgeleide van de variantie en kan toegepast worden op continue variabelen; variabelen vanaf interval of ratio meetniveau. De standaardafwijking bepaalt aan de hand van de opbouw van de verdeling of dit een normale verdeling is. Een normale verdeling heeft een klokvorm (ook wel de Gauss-kromme genoemd). Om te bepalen of een op het oog lijkende normale verdeling ook echt normaal is, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Op de horizontale as zet je alle waarden van de verdeling uit, met het gemiddelde precies in het midden. Als de waarnemingen gelijkmatig verdeeld zijn over de klokvorm, dan:

  • ligt 68% van alle waarnemingen tussen het gemiddelde plus of minus 1x de standaarddeviatie,

  • ligt 95% van alle waarnemingen tussen het gemiddelde plus of minus 2x de standaarddeviatie,

  • ligt 99% van alle waarnemingen tussen het gemiddelde plus of minus 3x de standaarddeviatie.

Deze regels gelden voor elke variabele met een normale verdeling. De drie regels worden ook wel de 1-sigma, 2-sigma en 3-sigma-intervallen genoemd.

Bivariate analyses

Een beschrijving van twee variabelen wordt een bivariate analyse genoemd. Hier worden twee vormen van bivariate analyses besproken.

Kruistabellen

Een kruistabel is een frequentieverdeling van twee kenmerken tegelijkertijd. Een kruistabel bestaat uit kolommen (verticaal) en rijen (horizontaal). Het ene kenmerk wordt in de kolommen weergegeven, het andere in de rijen. Elke cel geeft dus informatie over de twee kenmerken; het aantal waarnemingen van beide kenmerken. Net als in een frequentietabel kun je de frequenties als percentage van het totaal weergeven. Dit kan op drie manieren:

  1. Als rijpercentage, de waarnemingen in relatie tot het rijtotaal.

  2. Als kolompercentage, de waarnemingen in relatie tot het kolomtotaal.

  3. Als celpercentage, de waarnemingen in relatie tot het totaal.

In SPSS kun je een kruistabel maken door te kiezen voor Analyze → Descriptive Statistics → Frequencies → Crosstabs.

Variabelen die vastliggen, zoals achtergrondkenmerken (bv. geslacht), worden onafhankelijke variabelen genoemd. Ze worden ook wel de oorzaakvariabele of predictor genoemd. De onafhankelijke variabele ligt vast, maar veroorzaakt een verandering. Deze plaats je altijd in de kolommen. Variabelen die kunnen veranderen onder invloed van andere kenmerken worden afhankelijke variabelen genoemd. Ze worden ook wel effect- of gevolgvariabele genoemd. Afhankelijke variabelen worden in de rijen geplaatst. Als je kijkt naar het effect van opleidingsniveau op inkomen, dan is opleidingsniveau de onafhankelijke variabele en inkomen de afhankelijke variabele.

Grafieken

Je kunt de gegevens van twee variabelen ook in een grafiek presenteren.

Een staafdiagram is een goede manier om de verschillende uitkomsten van twee variabelen duidelijk met elkaar te vergelijken. Dit kan op twee manieren: door aparte staven voor de twee variabelen naast elkaar te zetten (geclusterd), en door de staven voor de twee variabelen op elkaar te plaatsen (gestapeld).

In SPSS maak je dit type staafdiagrammen door te kiezen voor:

  • Graphs → Bars → Clustered → Summaries for groups of cases

  • Graphs → Bars → Stacked → Summaries for groups of cases

Een spreidingsdiagram is een grafische weergave die toegepast kan worden voor variabelen vanaf intervalniveau. Een spreidingsdiagram is geschikt voor het weergeven van verbanden tussen twee variabelen. Elk punt in het diagram geeft aan waar een waarneming is voor beide kenmerken tegelijk.

In SPSS maak je een spreidingsdiagram door te kiezen voor Graphs → Legacy dialogs → Scatter → Simple → Define. Hierna voer je de variabelen in: de onafhankelijke variabele op de horizontale x-as en de afhankelijke variabele op de verticale y-as.

Een lijngrafiek kun je goed gebruiken om ontwikkelingen in de tijd weer te geven. Tijd is dan de onafhankelijke variabele.

Kwaliteit van de analyses

Om de kwaliteit van je analyses te bepalen kijk je naar twee aspecten: de betrouwbaarheid en de validiteit van je resultaten.

De betrouwbaarheid kan gemeten worden door de betrouwbaarheidsanalyse van SPSS. Met deze test wordt de interne betrouwbaarheid van een schaal bepaald. Je controleert of alle vragen omtrent een begrip ongeveer hetzelfde meten, of de resultaten consistent zijn, en dus of de items een homogeen beeld geven. De betrouwbaarheid wordt uitgedrukt in een getal lopend van min oneindig (onbetrouwbaar) tot 1 (betrouwbaar). Het getal 0,60 (ook wel Cronbach’s alpha genoemd) wordt als grens aangehouden om te bepalen of resultaten betrouwbaar zijn. Voor psychologisch onderzoek wordt echter vaak nog een hogere grens vereist, van 0,80 tot 0,90 Cronbach’s alpha. Andere methoden om de betrouwbaarheid te meten zijn de factoranalyse en de test-hertest. Voor deze laatste methode wordt eenzelfde test twee keer afgenomen bij verschillende groepen, waarna wordt bekeken of de resultaten voldoende samenhangen.

Met validiteit wordt bedoeld of een onderzoek valide is: of de begrippen wel meten wat je wilt weten (constructvaliditeit) en of de resultaten van de analyse mogen worden gegeneraliseerd naar de populatie, dus of er geen systematische fouten zijn gemaakt. De generaliseerbaarheid van je resultaten kun je nagaan door te toetsen in hoeverre de kenmerken van de steekproef ook gelden voor de populatie. Als de kans dat gevonden afwijkingen, verschillen of samenhangen toeval zijn kleiner is dan 5 procent noemen we de gevonden resultaten significant, en mogen de resultaten gegeneraliseerd worden naar de populatie. Bij kleinere steekproeven wordt deze grens soms naar beneden gehaald: dan mag de kans op toeval bijvoorbeeld maar 2,5 of 1 procent zijn.

Processen in de geneeskunde - Wat is het nut van verslaglegging en registratie? - Chapter 11

Processen in de geneeskunde - Wat is het nut van verslaglegging en registratie? - Chapter 11

11.1 Inleiding

Het gehele geneeskundig proces leidt tot een grote hoeveelheid gegevens die over een patiënt beschikbaar zijn. Deze gegevens dienen vastgelegd te worden om bij een volgend contact benut te kunnen worden. Verslaglegging is te beschouwen als een schriftelijke vastlegging van datgene wat er gebeurd en/of besproken is. Natuurlijk kan niet alles worden vastgelegd en artsen nemen selectief waar. Registratie betreft het bijhouden van specifieke zaken waarvoor een arts of een wetenschappelijk onderzoeker speciale belangstelling heeft. Met geregistreerde gegevens kan men rekenen. Om de ordening van de geregistreerde gegevens goed te laten verlopen, wordt gebruik gemaakt van een classificatie: een ordeningssysteem met gelijksoortige groepen, bijvoorbeeld diagnoses, en elkaar uitsluitende categorieën.

11.2 Doelstellingen van verslaglegging en registratie

Ten eerst kan de verslaglegging als een geheugensteuntje voor de arts worden beschouwd. In het dossier staan allerlei gegevens die de arts heeft verzameld in het verleden en wellicht belangrijk zijn voor de huidige situatie. Daarnaast is het een communicatiemiddel tussen artsen. Gegevens over de patiënt kunnen zo dus onder artsen onderling worden uitgewisseld om zo over de patiënt te communiceren.
Ook wordt de verslaglegging gebruikt om de kwaliteit van zorg achteraf vast te stellen. Echter staat het verband tussen de volledigheid van de verslaglegging en de kwaliteit van de zorg niet vast.

Verder is het voor wetenschappelijk onderzoek, de overheid, zorgverzekeraars en onderzoekers van belang om te weten wat er in de gezondheidszorg gebeurt. Per netwerk verschilt natuurlijk het accent dat gelegd wordt op de registratie doordat zij verschillende interesses hebben.

Ook is een goede verslaglegging van belang bij intercollegiale toetsing zodat het vastgelegde handelen vergeleken kan worden met protocollen en standaarden. Bij beoordelingen door de inspecteur van Volksgezondheid of het Medisch tuchtcollege is een goede verslaglegging ook enorm van belang.

11.3 Eisen stellen aan verslaglegging

Een aantal eisen moeten gesteld worden aan een goede verslaglegging. Dit zijn onder anderen dat de verslaglegging snel en gemakkelijk beschikbaar moet zijn voor invoer en opzoeken van informatie. Ook moet de inhoud leesbaar, volledig betrouwbaar en inzichtelijk zijn. De vormgeving moet beknopt, gestructureerd en toegankelijk zijn. En als laatste moet het dossier veilig worden opgeslagen en vertrouwelijk behandeld worden.

11.4 De structuur van verslaglegging

De verslaglegging moet ten eerste onderverdeeld worden in plekken voor medische en niet-medische gegevens van de patiënt. De niet-medische gegevens zijn persoonsgegevens en achtergrondgegevens die soms ook van belang kunnen zijn bij de behandeling.
De medische gegevens van de patiënt kunnen onder verdeeld worden in vier categorieën:

  • Probleemlijst: Hierin staan de relevante medische problemen van de patiënt in het heden en het verleden. Er worden alleen problemen opgenomen in de lijst die een langere tijd of in een ernstige mate consequenties hebben voor de patiënt en zijn prognose. De probleemlijst kan bestaan uit diagnoses, klachtenpatronen, afwijkende uitslagen/bevindingen, risicofactoren en overige problemen zoals allergieën.

  • Journaal/decursus: Van elk arts-patiënt contact worden ten minste de datum, verrichting, de klacht of hulpvraag, de anamnese, het onderzoek, de diagnose en het beleid vastgelegd.

  • Medicatieoverzicht: Van de medicatie moet de generieke naam, dosering, voorgeschreven hoeveelheid en datum van voorschrijven in het verslag worden gezet.

  • Medische basisgegevens/(diagnostisch) archief: Uitslag van onderzoek moet op de goede plaats vastgelegd worden zodat er niet onnodig herhaaldelijk dezelfde test verricht wordt bij de patiënt.

11.4.1 Verslaglegging van de huisarts

Het NHG heeft voor huisartsen een groene lijst gemaakt voor de verslaglegging. Arts-patiënt contact kan hiermee geordend worden onder verschillende letters (SOEP):

  • Subjectieve gegevens: de klacht, de hulpvraag en de anamnesegegevens.

  • Objectieve gegevens: Resultaten van lichamelijk en aanvullend onderzoek.

  • Evaluatie: de diagnose en het denkproces van de arts.

  • Plan: bestaande uit verdere diagnostiek, therapie, voorlichting en het beleid.

Om te voorkomen dat het verslag onsamenhangend wordt moet de verslaglegging aan elkaar gekoppeld worden in een episoderegistratie. Hierbij worden contacten met de patiënt die over dezelfde ziekte gaan bij elkaar gezet.

Huisartsen kunnen gebruikmaken van een huisartsen informatie systeem (HIS) waarvan het elektronisch medische dossier (EMD) onderdeel is. De voordelen hiervan zijn bijvoorbeeld dat gegevens direct gekopieerd kunnen worden naar een verwijsbrief of dat belangrijke gegevens snel opgehaald kunnen worden. Een nadeel is dat er nog veel gedaan moet worden aan de gebruiksvriendelijkheid van het programma. Ook kan er altijd een stroomuitval of een storing komen waardoor gegevens niet beschikbaar zijn. Ook wordt er minder gecommuniceerd met de patiënt wanneer er meer aandacht is voor de computer. Ook is er veel angst over het verlies van de privacy door het gebruik van computers.

11.4.2 Verslaglegging van de specialist

De structuur van de klinische status is sterk afhankelijk van het specialisme waarbij het gebruikt wordt. De verslaglegging zoals bij de huisartsen heeft weinig weerklank gevonden maar wordt wel vaak als een apart vel bij de status toegevoegd. Ook in het ziekenhuis is er een ontwikkeling van het Ziekenhuis informatie systeem (ZIS) waarbinnen de gegevens per patiënt oproepbaar zijn en gekoppeld worden aan verschillende onderdelen van het EMD.

11.5 Registratie en classificatie

Gegevens moeten eerst worden geclassificeerd voordat er registratie plaats kan vinden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van medische nomenclatuur. Gebruikte termen moeten zo duidelijk mogelijk omschreven worden en onder gebracht worden in een classificatie.
Een classificatie is een systeem waarin de gebruikte termen op geordende en hiërarchische wijze zijn ondergebracht en de termen elkaar wederkerig uitsluiten. Een diagnose is dus uniek, kan maar op een manier worden vastgesteld en kan maar op een manier worden ondergebracht in de classificatie. Ook moet een aandoening voldoen aan inclusieregels voor een diagnose gesteld mag worden.

Er zijn drie belangrijke classificatiesystemen waarin alle voorkomende diagnoses in onderverdeeld kunnen worden: de international classification of disease, de international classification of primary care en de diagnostic and statistical manual of mental health. De ICD wordt vooral gebruikt voor de doodsoorzaken en de medische registratie in ziekenhuizen. De ICPC bestaat uit veel meer symptoom en syndroomdiagnoses dan de ICD maar is wel minder specifiek. De ICPC geeft ook gegevens over contactreden, evaluatie en plan weer. De DSM is een classificatiesysteem voor de geestelijke gezondheidszorg en is puur fenomenologisch.

Door het gebruik van classificatiesystemen wordt een arts gedwongen om de klachten van de patiënt specifieker te definiëren. Daardoor ontstaan discussies en zo ontstaat onderlinge toetsing. Er treedt wel altijd vertekening op wanneer een classificatiesysteem gebuikt wordt. Een classificatie heeft ook specifieke kenmerken die samenhangen met de beroepsgroep. Er zijn dus verschillen in het classificatiegebruik bij huisartsen en bijvoorbeeld specialisten.

11.6 Juridische aspecten van verslaglegging

Het KNMG heeft uitgebreide richtlijnen over het beheer van patiënt gegevens en het uitwisselen daarvan. Ook het WGBO geeft aan dat een arts zorgvuldig aantekeningen moet maken over zijn handelen bij de patiënt. Er staat niet aangegeven welke gegevens opgeschreven moeten worden.

Van de wet moet het dossier minimaal 10 jaar bewaard worden nadat de gegevens worden vastgelegd. De arts mag de gegevens langer bewaren wanneer dat redelijkerwijs uit de zorg van een goede zorgverlening voortvloeit. Een patiënt heeft het recht om (een deel van) het dossier te vernietigen tenzij wettelijke regels of andere belangen dat niet toestaan.

Een patiënt mag zijn gegevens ook inkijken zolang de privacy van anderen hierbij niet worden geschonden. Persoonlijke werkaantekeningen van de arts vallen niet onder deze wet. Dit zijn de weergaven van de gedachten van de arts in het proces van medisch denken.
Een arts mag vanwege het beroepsgeheim geen gegevens verstrekken aan anderen. Dit mag alleen wanneer een patiënt nadrukkelijk toestemming gegeven heeft of als een andere arts die bij de behandeling betrokken is, de gegevens nodig heeft. Een patiënt moet eerst schriftelijk toestemming geven wanneer een instantie zoals een verzekeringsmaatschappij gegevens van de patiënt nodig heeft. Ook mogen alleen feitelijke gegevens in de verslaglegging staan en niet het oordeel van de arts.

Hoe maak je een diagnostisch verslag in het kader van de diagnostische cyclus? - Chapter 11
Skill Sheets. An integrated Approach to Research, Study and Management van Tulder - Boek & JoHo's
Analyse & Onderzoek: Uitgelichte chapters over de voorbereiding - Topic Bundel

Analyse & Onderzoek: Uitgelichte chapters over de voorbereiding - Topic Bundel

Onderzoek doen - Ontwerpfase - Wat is de aanleiding van onderzoek? (2)

Onderzoek doen - Ontwerpfase - Wat is de aanleiding van onderzoek? (2)

In de ontwerpfase start je met de aanleiding voor je onderzoek, de onderwerpskeuze en het afbakenen van je onderwerp.

Voor het kiezen van een onderwerp bestaan een aantal opties. Het is mogelijk dat je onderzoekskeuze gebaseerd is op een verzoek van een opdrachtgever (praktijkgericht onderzoek), of dat je een theorie gaat testen (fundamenteel onderzoek). In beide gevallen ligt het onderwerp al (gedeeltelijk) vast. Soms is het echter ook mogelijk om zelf een onderwerp aan te dragen. Dit onderwerp moet dan wel voldoen aan de voorwaarden die je opleiding stelt. De aanleiding voor onderzoek komt ofwel voort uit een praktijkprobleem (praktijkgericht onderzoek), ofwel de ambitie om kennis uit te breiden (fundamenteel onderzoek). Onderzoek kan ook zowel praktijkgericht als fundamenteel zijn.

In het geval je een onderzoek voor een opdrachtgever uitvoert zijn een aantal zaken van belang. Zorg dat je duidelijkheid hebt over de wensen van de opdrachtgever. Zorg dat je het werkelijke doel van het onderzoek boven tafel krijgt, zodat je de juiste onderzoeksvraag stelt. Als je duidelijkheid hebt gekregen over de wensen en de doelstelling van de opdrachtgever ga je zelf het onderzoek afbakenen. Je spitst het onderwerp toe op een beperkte onderzoeksvraag.

Als de onderzoeksvraag bekend is bekijk je wat de mogelijkheden en beperkingen voor het onderzoek aan. Denk hierbij aan het beschikbare budget, de beschikbare tijd, de beschikbare gegevens, het type vraag, omgevingsfactoren en het verzamelen van gegevens over de populatie.

Op basis van het gestelde doel, de afbakening van je onderwerp en de mogelijkheden voor het onderzoek schrijf je een onderzoeksvoorstel. In dit voorstel beschrijf je de vraag van de opdrachtgever, de aanleiding tot die vraag, de achterliggende doelstelling en jouw aanpak. Daarnaast presenteer je een tijdsplanning en een overzicht van budget en geplande uitgaven. Zorg dat je voorstel volledig is, zodat het ook voor derden leesbaar is. Vermeld de namen van de verschillende betrokken partijen (opdrachtgever, onderzoeker(s), etc.) en wat de taakverdeling is. Zorg dat het geheel er verzorgd en professioneel uitziet. Houd in het geval van een onderzoek in opdracht van een opdrachtgever altijd de onafhankelijkheid en objectiviteit van je onderzoek in het vizier.

De onderzoeksopdracht die je krijgt is over het algemeen breed, zoals bijvoorbeeld ‘klanttevredenheidsonderzoek’. Als je je onderwerp gaat afbakenen, zul je je ten eerste moeten oriënteren op het onderwerp, zodat je weet wat er al eerder over gezegd en geschreven is. Informatie verzamelen over het onderwerp staat centraal in je onderzoek, je doet dat tijdens je vooronderzoek en als methode om nieuwe informatie te verzamelen, door literatuuronderzoek. Informatie kun je zoeken in bibliotheken, in documentatiecentra of op internet. Er is zoveel te vinden dat het belangrijk is om specifiek te zoeken. Een aantal hulpmiddelen om naar informatie te zoeken worden hier besproken:

De Big6TM zijn zes regels om de zoekopdracht te omschrijven, op zoek te gaan naar informatie en je resultaten te evalueren:

  1. Definieer de zoekopdracht; het probleem. Formuleer een zoekvraag en ga na hoeveel je al weet, welke informatie je al hebt en welke informatie je nog moet zoeken.

  2. Kies een goede zoek strategie. Bepaal op welke manier je op zoek gaat naar informatie in relevante boeken, websites en documenten.

  3. Bepaal waar je op zoek gaat. Kies of je gaat zoeken op internet, in de bibliotheek, in databases of een combinatie daarvan.

  4. Bestudeer de informatie en bepaal wat je nodig hebt. Leg de gevonden informatie naast elkaar en selecteer de relevante stukken informatie voor jouw onderzoek.

  5. Organiseer de informatie. Zorg dat de informatie antwoord geeft op je onderzoeksvraag. Orden de informatie op relevantie.

  6. Evalueer de gevonden informatie. Heb je genoeg informatie verzameld om je vragen te beantwoorden, of heb je nog meer informatie nodig?

Als je gaat zoeken in een (wetenschappelijke) zoekmachine op internet is het raadzaam een aantal aanwijzingen op te volgen. Maak je zoekopdracht zo specifiek mogelijk, door zinsnedes tussen aanhalingstekens te zetten of +/– tekens te gebruiken. Maak gebruik van ‘geavanceerd zoeken’, waar je meer zoekcriteria kunt toevoegen. Zoek op zinsnede in plaats van op losse woorden. Of vervang een deel van een woord door *, zoals bijvoorbeeld computer*; hiermee zoekt de zoekmachine woorden die met computer beginnen, maar verschillend eindigen, zoals computerprogramma, computertaal, etc.

Je kunt gevonden informatie ordenen in een logboek. Een logboek is een soort dagboek waarin je kunt bijhouden wat je hebt gevonden en dit kunt ordenen naar inhoud, proces of in chronologische volgorde. Handige programma’s om een logboek in aan te maken zijn Excel of MS Project. In deze programma’s kun je een tijdpad opnemen, gegevens overzichtelijk weergeven en eventueel figuren en tabellen gebruiken. Houd je vorderingen bij en schrijf op wat je doet met betrekking tot je tijdsplanning, het proces, de inhoud, de methodes die je gebruikt en de keuzes die je maakt. Ook argumenten, ideeën, interpretatiemogelijkheden en terugkoppelingen naar de vraagstelling kun je in je logboek opnemen.

Hoe stel je de hoofdvraag in een onderzoek op? - Chapter 2

Hoe stel je de hoofdvraag in een onderzoek op? - Chapter 2

 

Onderzoek en hoofdvraag

 

De hoofdvraag (probleemstelling) is de centrale vraag die een onderzoeker in zijn onderzoek probeert te beantwoorden. Vaak wordt deze hoofdvraag gedurende een onderzoek meermaals bijgesteld.

Het doen van onderzoek begint met het formuleren van zo’n hoofdvraag. Er bestaan twee soorten onderzoek: praktijkgericht (gericht op praktisch nut en praktische toepasbaarheid en meestal voor een bedrijf of organisatie) en fundamenteel (gericht op het toetsen of verder ontwikkelen ven theoretische kennis en meestal zonder externe belanghebbende) onderzoek. Echter, deze tweedeling is niet absoluut en niet zwart-wit; het onderscheid wordt vooral gemaakt op basis van de directe praktische gerichtheid van (praktijk)onderzoek. Deze praktische gerichtheid is terug te zien in de beleidscyclus, die als vertrekpunt de bestaande situatie heeft en als einddoel de gewenste situatie, ofwel de situatie die gewijzigd of verbeterd is na uitvoering van een plan voor wijziging. De cyclus verloopt in vier stappen, namelijk het in kaart brengen van de situatie (beeldvorming), het onderzoeken en vaststellen van de oorzaken, het bedenken van mogelijke oplossingen en de uitvoering van de oplossing die gekozen wordt met een uitvoeringsplan.

De hoofdvraag heeft vóór het onderzoek als functie het structureren van het onderzoek en na het onderzoek als functie het sturen van de verwachting van de lezer. Zo geeft de hoofdvraag voor het onderzoek houvast,

  • Door aan te geven wat er precies wel en niet onderzocht wordt;

  • Door duidelijk te naken, welke informatie er precies nodig is om tot een antwoord op die hoofdvraag te komen;

  • Door in een vroeg stadium de mogelijkheid van het ontwerpen van een gedetailleerde rapportindeling te bieden.

Ook biedt de formulering van de probleemstelling de mogelijkheid om aan te geven, of het onderzoek beperkt blijft tot het verzamelen van informatie of ook een analyse moet geven, adviezen moet opleveren, een oordeel aannemelijk moet maken of een handboek of draaiboek uitwerken. Daarbij is het intrinsieke doel van onderzoek datgene, wat je met wilt bereiken (bijvoorbeeld beeldvorming, analyse of oordeel) en het extrinsieke doel datgene, wat je door je onderzoek wilt bereiken (bijvoorbeeld het signaleren van misstanden of het verhogen van tevredenheid).

Verder heeft de hoofdvraag bij het schrijven van het rapport na uitvoering van het onderzoek ook als functie, richting te geven aan de verwachtingen van de lezer. In de inleiding van het rapport moet immers aan de lezer worden duidelijk gemaakt, welke hoofdvraag er in het rapport wordt beantwoord.

Welke soorten hoofdvragen zijn er?

Met zijn onderzoek heeft de onderzoeker vier globale of intrinsieke doelen, die overeenkomen met de vier segmenten van de beleidscyclus (probleem, oorzaken, oplossingen en uitvoering):

  1. Het geven van informatie, segment ‘probleem’ in de beleidscyclus;

  2. Het geven van een verklaring, segment ‘oorzaak’ in de beleidscyclus;

  3. Het geven van advies, segment ‘oplossingen’ in de beleidscyclus;

  4. Het geven van een uitwerking, segment ‘uitvoering’ in de beleidscyclus;

(5 Het geven van een oordeel, niet specifiek gekoppeld aan de één van de segmenten van de beleidscyclus).

Bij deze doelen horen steeds specifieke hoofdvragen:

  • Beeldvormend of diagnostisch onderzoek heeft als doel informatie te geven of in te gaan op de stand van zaken. De hoofdvragen hierbij hebben dus als doel, een beeld te schetsen van een bepaalde situatie of ontwikkeling. Beeldvormend onderzoek wordt soms ook gebruikt voor het doen van voorspellingen. Daarom zijn er twee subtypes van beeldvormend onderzoek:

  1. Onderzoek, louter voor beeldvorming, waarbij het alleen gaat om het verzamelen en ordenen van data, bijvoorbeeld marktverkenningen;

  2. Onderzoek met het doel, prognoses te maken, zoals marktverkenningen, die uitmonden in een prognose van de marktontwikkelingen.

  • Verklaringsgericht (analyserend) onderzoek heeft als doel, een stand van zaken te inventariseren. De hoofdvraag bij dit type onderzoek luidt dan ook “Wat is de verklaring voor het onderzochte verschijnsel?” Aan de hand van de vastgestelde oorzaken van een probleem kan dan worden gezocht naar oplossingen. Meestal kunnen oorzakelijke verbanden moeilijk met zekerheid worden gesteld en alleen aannemelijk gemaakt worden.

  • Adviesgericht of beleidsbepalend onderzoek heeft als doel, het veranderen van een situatie naar aanleiding van een bestaand of een komend probleem of van een kans die voorbijkomt. De hoofdvraag bij dit type onderzoek luidt dus “Wat kan of moet er verbeterd of veranderd worden?”. De formulering van de hoofdvraag is als-het-ware partijdiger geworden. In het taalgebruik van adviesgerichte hoofdvragen zijn vaak formuleringen als ‘moeten’, ‘kunnen’ en ‘dienen’ te zien.

  • Uitvoeringsgericht onderzoek heeft als doel, het opstellen van een stappenplan of een draaiboek. De hoofdvraag bij dit onderzoekstype luidt dan ook “Hoe gaan we iets aanpakken of invulling geven?”. Qua taalgebruik wordt de onderzoeksvraag bij dit type onderzoek vaak als instructie geformuleerd.

  • Evaluatief onderzoek heeft als hoofdvraag de vraag “Wat is het eigen oordeel over het onderwerp?”. Dit type hoofdvraag kan vaak worden gekoppeld aan de voorgaande types hoofdvragen.

De resultaten van dit soort onderzoek, oordelen en evaluaties, vormen de smeerolie om van de ene fase in de beleidscyclus naar de andere te komen. Zo geven de resultaten van beeldvormend onderzoek aanleiding tot verklaringsgericht onderzoek, ofwel roepen gevonden oorzaken de vraag op, wat de belangrijkste oorzaken dan wel zijn, roept onderzoek naar oorzaken de vraag naar een oordeel over die oorzaken op en roept adviesgericht onderzoek de vraag naar onderzoek van de beste oplossing op. Qua taalgebruik kan het antwoord op een evaluatieve hoofdvraag op twee manieren worden, namelijk in absolute (‘goed/slecht’, ‘gunstig/ongunstig’) of in relatieve termen (‘beter/slechter’, ongunstiger’). In evaluatieve hoofdvragen worden in ieder geval vaak begrippen gebruikt, die ‘waarderend’ zijn.

Delen van een hoofdvraag

De hoofdvraag bevat niet alleen een kernachtige formulering van die hoofdvraag, maar ook de elementen doel- of vraagstelling, optiek, begripsomschrijving en de deelvragen. Daarbij kan de hoofdvraag het beste ook echt als vraag worden geformuleerd. Hierdoor wordt de lezer namelijk geprikkeld, om te bedenken wat hij al weet over het onderwerp en worden er mogelijke antwoorden opgeroepen, al voor het onderzoek. Aan de hand van die antwoorden kan al goed een indeling ontworpen worden voor het te schrijven rapport.

De hoofdvraag hoeft overigens niet uit een enkele vraag te bestaan, maar kan geleed zijn. Ook kan de hoofdvraag beter niet als ja/nee-vraag geformuleerd worden, omdat zo’n vraag geen stimulerend effect heeft. De hoofdvraag wordt ook het best zo geformuleerd, dat het vraagtype (beeldvormend, verklaringsgericht, adviesgericht, uitvoeringsgericht of evaluatief) duidelijk herkenbaar is.

In de literatuur wordt er een onderscheid gemaakt tussen de doelstelling en de vraagstelling van een onderzoek. Daarbij geeft de doelstelling antwoord op de vraag, waarom het onderzoek wordt uitgevoerd en de vraagstelling op de vaag, wat er echt onderzocht wordt. Bij een goede hoofdvraag zijn zowel de doelstelling als de vraagstelling duidelijk. In de praktijk is er meestal echter maar één van de twee zichtbaar in de kernformulering en is de andere beschreven in de toelichting bij de hoofdvraag. Daarbij kan het zijn, dat de vraagstelling duidelijk is en de doelstelling nog moet worden toegelicht (het wat van het onderzoek kan eenvoudig voorspeld worden en het waarom is minder duidelijk) of dat de doelstelling duidelijk is, maar dat de vraagstelling nog moet worden toegelicht (het waarom van het onderzoek is duidelijk, het wat moet worden toegelicht met een lijstje deelvragen).

Bij praktijkgericht onderzoek is het van belang, om aan te geven, vanuit welke optiek de onderzoeksvraag geformuleerd is, ofwel een concrete opdrachtgever of een denkbare opdrachtgever. Ook bij ‘vrij’ onderzoek kan het best een zo concreet mogelijke optiek worden gekozen. Dat heeft als voordelen, dat

  • Het meer duidelijkheid geeft over het onderzoeksdoel;

  • Het duidelijk maakt, wie de beoogde lezers van het rapport zijn;

  • Het het gemakkelijker maakt, om een voor de lezer duidelijke strcutuur te ontwerpen voor het rapport;

  • Het zorgt voor meer efficiency bij de uitvoering van het onderzoek.

Daarbij is meestal de optiek, van waaruit het onderzoek gedaan wordt gelijk aan de optiek van de opdrachtgever, maar soms (zoals bij een afstudeerscriptie) is dat niet het geval en is er sprake van een dubbel publiek. Uit de hoofdvraag of de toelichting daarop moet altijd blijken, voor wie het onderzoek van belang is. In de toelichting op een kort geformuleerde hoofdvraag past ook nog een nadere operationalisering van de onderzoeksvraag, die altijd tweeledig is:

  • Het omschrijven van de in de hoofdvraag gebruikte begrippen;

  • Het verder uitwerken van de hoofdvraag in deelvragen.

Fouten bij het vormgeven van de hoofdvraag

Bij het zoeken naar of opstellen van de hoofdvraag worden een aantal fouten geregeld gemaakt:

  • Er wordt gekozen voor een te weinig gerichte hoofdvraag. Dit kan worden opgelost, door een concrete onderzoeksvraag te formuleren, waaruit blijkt, of het onderzoek bedoeld is om informatie te verschaffen, te analyseren, te adviseren of te evalueren en door de optiek van onderzoek te bepalen.

  • Er wordt gekozen voor een te ruime hoofdvraag. Om te bepalen, dat een hoofdvraag werkelijk te ruim is, moet de onderzoeksopzet zo concreet mogelijk worden gemaakt door het formuleren van deelvragen en een planning. Dit probleem kan worden opgelost, door de hoofdvraag in te perken.

  • Er ontbreekt een doelstelling in het onderzoek. Het onderzoek heeft geen relatie met de wereld eromheen. Dit kan worden opgelost, door het formuleren van en het gericht blijven op een uiteindelijk doel van het onderzoek.

  • Er wordt gekozen voor een onduidelijke vraagstelling. Dit kan worden opgelost, door na te gaan, of de formulering van de hoofdvraag wel duidelijk aangeeft, welk type antwoord hierop gezocht wordt.

  • Er is geen optiek gekozen voor het onderzoek. Wanneer er geen onderscheid wordt gemaakt tussen relevante en irrelevante informatie, blijft een rapport genmakkelijk steken in algemeenheden. Dit kan worden opgelost, door in het rapport een concrete organisatie te noemen.

  • De oplossing wordt gekozen zonder eerst een goede analyse vooraf te maken. Vanwege te veel denken aan de oplossing wordt er te weinig aandacht besteed aan de analyse van het werkelijke, geconstateerde probleem. Dit blijkt vaak op de lange termijn een probleem. Dit probleem kan worden opgelost door goed te kijken naar de echte oorzaken alvorens te beginnen aan de uitvoering van de oplossing.

  • Het antwoord dat op de hoofdvraag wordt gegeven sluit niet goed aan bij de inleiding. Dit kan worden nagegaan, door tijdens het onderzoek regelmatig de houdbaarheid en juistheid van de hoofdvraag te controleren en steeds na te gaan, of de conclusies daadwerkelijk de hoofdvraag beantwoorden.

  • Het rapport is te veel beeldvormend en te weinig adviesgericht of evaluatief. Dit kan worden opgelost, door steeds na te gaan, of alle informatie een zinvolle bijdrage levert aan het einderesultaat.

    Onderzoek doen - Ontwerpfase - Hoe baken je onderzoek af? (3)

    Onderzoek doen - Ontwerpfase - Hoe baken je onderzoek af? (3)

    De ontwerpfase is op te delen in verschillende subfasen:

    1. Oriënteren: van idee naar onderwerp;

    2. Omschrijven: probleemomschrijving en onderzoeksvragen;

    3. Vaststellen: onderzoekstype en onderzoeksmethoden vastleggen;

    4. Plannen: het onderzoek plannen en de rapportage.

    Subfasen van de ontwerpfase

    In de praktijk volgen deze fasen elkaar overigens niet altijd chronologisch op, meestal lopen ze door elkaar. Wel is het belangrijk dat de afbakening voor de dataverzameling vaststaat en dat de dataverzameling compleet is voor met de analyse gestart wordt. Verslaglegging vindt parallel plaats aan de uitvoer van het onderzoek.

    Tijdens het oriënteren op het onderwerp van je onderzoek heb je het globale onderwerp teruggebracht tot één kernprobleem, dat in een aantal woorden of een zin is samen te vatten. Met de informatie die je hebt verzameld tijdens het oriënteren in je vooronderzoek kun je nu zelf in je eigen onderzoek aan de slag gaan.

    Om tot de probleembeschrijving te komen kun je gebruikmaken van de 5W’s+H-formule (Wat? Wie? Wanneer? Waarom? Waar? + Hoe?). Nog makkelijker te onthouden zijn de 6 W’s:

    • Wat is het probleem?

    • Wie heeft het probleem?

    • Wanneer is het probleem ontstaan?

    • Waarom is het een probleem?

    • Waar doet het probleem zich voor?

    • Wat is de aanleiding?

    Probleemomschrijving

    De probleemomschrijving bestaat uit twee delen: de doelstelling van het onderzoek en de probleemstelling, ook wel de centrale vraagstelling of hoofdvraag genoemd. Omdat er vele vragen worden gesteld gedurende het onderzoek is het het duidelijkst om te spreken van probleemstelling als je naar de hoofdvraag refereert.

    Doel- en probleemstelling

    In de doelstelling beschrijf je de redenen om het onderzoek uit te voeren. Dit kunnen zowel fundamentele doelen als de doelen van je opdrachtgever zijn. Een doelstelling bestaat uit: een centrale formulering, de aanduiding van het onderzoekstype, de aanduiding van de relevantie en vermelding van de doelen en wensen van de opdrachtgever.

    Een goede probleemstelling voldoet aan de volgende voorwaarden: 1) samenhang met de doelstelling, 2) opgesplitst in deelvragen, 3) specifieke onderzoeksvragen, en 4) relatie met de verwachtingen. Daarnaast moet de probleemstelling volledig en doelvrij zijn. Met doelvrij wordt bedoeld dat de probleemstelling onafhankelijk en objectief moet zijn.

    Een goede probleemstelling is in vraagvorm opgezet. De vraag bevat de volgende onderdelen: welke kennis, over wie, over welke periode, en bevat de belangrijkste begrippen. Er zijn verschillende vraagtypen. Afhankelijk van de probleemstelling wil je iets beschrijven, definiëren, verklaren, voorspellen, vergelijken, evalueren, voorschrijven of een ontwikkeling volgen. Meestal is de probleemstelling een vrij lange zin, omdat er meerdere vraagtypen in gevat moeten worden. Een probleemstelling bestaat vaak uit een hoofdzin (bijvoorbeeld de beschrijvende vraag), en een bijzin (bijvoorbeeld de verklarende vraag). Een simpel voorbeeld is: Welke invloed heeft X op Y, en hoe is deze invloed te verklaren?

    Vanuit een brede, algemene probleemstelling kan worden toegewerkt naar specifieke deelvragen door de centrale vraag op te splitsen naar een aantal aspecten, zoals doelgroep, eenheden, onderwerpen. Verschuren en Doorewaard (1998 in Verhoeven, 2010, p. 74) noemen dit ‘rafelen en rasteren’. Een handig instrument om dit te doen is het maken van boomdiagram, waarbij je de centrale vraag steeds verder opsplitst, en daardoor specifiekere vragen creëert.

    Na het bepalen van de doelstelling, probleemstelling en specifieke deelvragen is het van belang om de begrippen die centraal staan in het onderzoek te definiëren. Het definiëren en afbakenen van begrippen is van belang om een aantal redenen: de betekenis van het begrip is helder, de grenzen van je onderzoek – wat je wel en niet onderzoekt – zijn duidelijk, het geeft duidelijkheid over welke informatie verzameld moet worden in het onderzoek. Definities kunnen uit wetenschappelijke literatuur overgenomen worden, maar kun je ook speciaal voor je eigen onderzoek opstellen. Dit zijn zogenaamde stipulatieve definities en nemen vaak de volgende vorm aan: ‘In dit onderzoek wordt onder begrip X verstaan ...’.

    In de probleemstelling presenteer je het domein van je onderzoek; waarover je uitspraken gaat doen, alsmede de bewering; welke uitspraken je doet. Terugkomend op de vraag hierboven is Y het domein, en de invloed van X de bewering.

    Hypothese

    De verwachting dat X een invloed zal hebben op Y heet een hypothese. In een hypothese beschrijf je de verwachtingen die je hebt als je aan het onderzoek begint. Deze hypothesen komen niet uit de lucht vallen; je baseert ze op argumenten uit de literatuur. Hypothesen zijn toetsbare uitspraken. Je toetst ze door middel van kwantitatieve analyses van de data die je binnen je steekproef verzamelt. Als je zeker bent dat de resultaten geldig zijn voor je steekproef (significantie; meestal 95% zekerheid) dan kun je de uitspraken ook voor je populatie doen. Hier wordt later nog uitgebreid op ingegaan. Een hypothese stel je meestal op in twee delen: de nulhypothese (je verwachting) en de tegenhanger. Bijvoorbeeld H0: X heeft een invloed op Y; H1: X heeft geen invloed op Y.

    Onderzoeksmodel

    De verwachte uitkomsten van je onderzoek kun je ook samenvatten in een model. In zo’n model geef je aan welke relaties je verwacht tussen de begrippen. Dit kunnen zowel tweezijdige relaties (pijlpunten in beide richtingen) als eenzijdige relaties (pijlpunt in een richting) zijn. Een eenzijdige relatie wordt ook wel een causale relatie genoemd; een oorzaak-gevolg relatie: X - Y. Modelbouw is vooral bij fundamenteel onderzoek van groot belang, maar kan ook van pas komen tijdens praktijkgericht onderzoek. Dit soort modellen worden ook wel een causaal model, of conceptueel model genoemd.

    De laatste stap in de ontwerpfase is het samenstellen van een onderzoeksplan. De keuze voor een bepaald onderzoeksontwerp hangt af van een aantal keuzes. Er zijn zowel theoretische als praktische overwegingen. Theoretische overwegingen zijn: kennis over een bepaalde methode, vaardigheid in een bepaalde methode, opvattingen over onderzoek (welke stroming van onderzoek), cross-sectionaal onderzoek (op één moment in de tijd) of longitudinaal onderzoek (op meerdere momenten herhaald). Praktische overwegingen zijn: hoeveel tijd er beschikbaar is, hoeveel geld er beschikbaar is, welke onderzoekseenheden beschikbaar zijn, welke mogelijkheden en beperkingen de onderzoeker heeft. Naar aanleiding van de probleemstelling is het meestal al duidelijk welke dataverzamelingsmethode gebruikt kan worden.

    Onderzoeksplan

    Een onderzoeksplan bestaat uit de volgende onderdelen:

    • Aanleiding voor het onderzoek

    • Probleemstelling

    • Doelstelling

    • Hypothesen en model

    • Onderzoeksontwerp en verantwoording

    • Tijdsplanning

    • Literatuurlijst

    Tijdens het ontwerp van je onderzoek hou je goed in de gaten of je wel op de juiste weg bent. Zo ja, dan ga je door. Zo nee, dan ga je terug en maak je nieuwe keuzes. Met andere woorden, onderzoeksontwerp is een iteratief proces; een herhalingsproces.

    Als je bepaald hebt uit welke onderdelen en activiteiten je onderzoek bestaat kun je deze gaan koppelen aan een tijdsplanning. Om een tijdsplanning te maken kijk je uit welke onderdelen je onderzoek bestaat, in welke volgorde je deze moet uitvoeren, welke prioriteit de onderdelen hebben, welke deadlines al vaststaan en op welke deadlines je invloed hebt. Aan de hand van deze factoren maak je een indeling. Vergeet niet ook wat vrije ruimte in te plannen, voor eventuele uitloop of andere onverwachte zaken.

    Tijdsplanning

    Je tijdsplanning kun je makkelijk invoeren in programma’s zoals MS Project en Excel. Je vult dan bijvoorbeeld de verschillende onderdelen en taken in de eerste kolom in, en zet de tijd uit op de horizontale as. Dit document wordt ook wel je logboek genoemd. Omdat je tijdens het maken van tijdsplanning moet nadenken over de structuur van je onderzoeksverslag kun je alvast een eerste versie van de inhoudsopgave in elkaar zetten.

    Ook maak je een raming van de kosten: je stelt een begroting op. Het beschikbare budget hangt van veel factoren af, maar ga in deze fase in elk geval na welk bedrag beschikbaar is en of er een maximum besteedbaar bedrag is vastgesteld. Ook kun je een schatting maken van de kosten die je denkt te gaan maken. Denk hierbij aan personele kosten, kosten van drukwerk, porto, zaalhuur, etc.

    Onderzoeksrapportage

    Aan de rapportage van je onderzoek werk je gedurende het hele onderzoekstraject. In deze fase wordt in ieder geval het onderzoeksvoorstel en een eerste opzet voor het onderzoeksontwerp op papier gezet, en maak je een raamwerk voor je onderzoeksverslag aan de hand van de inhoudsopgave. Ook houd je zaken bij in een logboek, waar je belangrijke dingen in opneemt aan de hand van je tijdsplanning.

    Onderzoeksvoorstel

    Je onderzoeksvoorstel wordt beoordeeld door je docent, je opdrachtgever of collega-onderzoekers. Beoordeling door collega’s wordt ook wel peer assessment of peer examination genoemd. Er wordt beoordeeld of de onderdelen van je onderzoeksvoorstel aanwezig zijn, voldoende duidelijk zijn en logisch op elkaar volgen.

    Welke soorten onderzoek zijn er? - Chapter 2

    Welke soorten onderzoek zijn er? - Chapter 2

    Kernpunten

    Onderzoek onderscheidt twee vormen: Fundamenteel onderzoek dat zich kort gezegd richt op uitbreiding van kennis, terwijl praktijkgericht onderzoek is bedoeld om oplossingen te bieden voor een praktijkgericht probleem. Wetenschap houdt zich aan een bepaalde systematiek en logica, welke hier weergegeven worden in de empirische cyclus. Belangrijke begrippen zijn: exploratie, inductie, deductie, hypothesen, toetsing. Kerndoelen:

    • Onderscheiden van fundamenteel en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek.

    • Kennen van verschillende stadia in de empirische cyclus en de mogelijkheid tot reproductie hiervan.

    • Het in eigen woorden beschrijven van inductie en deductie.

    • Het belang van hypothesen in wetenschappelijk onderzoek.

    • Kennis over de mogelijkheid van wetenschap in ondersteuning van beleidsvorming in beleid en professionele praktijk.

    2.1. Kennis en praktische problemen

    Vaak levert onderzoek nieuwe vragen op, vinden onderzoekers hiaten in ander onderzoek of heeft dit onderzoek te weinig antwoorden geleverd. Er ontstaat een kennisprobleem. Fundamenteel onderzoek houdt zich bezig met het ontwikkelen van hypothesen, theorieën en de toetsing hiervan. De antwoorden leveren theoretische kennisvermeerdering op en lost dus het kennisprobleem op. Praktijkproblemen daarentegen ontstaan buiten de wetenschap om, wanneer personen, groepen of bedrijven bijvoorbeeld ergens tegen aan lopen. Hier steekt praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek de kop op, zij doet onderzoek naar ontwikkeling, uitvoering, evaluatie van oplossingen voor prakrijkproblematiek. Ook hier is sprake van uitbreiding van kennis, maar in dit geval is het praktische kennis die beleidsmakers en professionals direct helpen bij besluitvorming. Vaak kan praktijkgericht onderzoek niet wetenschappelijk worden genoemd omdat het nauwelijks theorievorming bevat, tevens weinig systematiek, moet het snel gebeuren en maakt het gebruik van niet wetenschappelijke normen, maar veelal die van de opdrachtgever of beroepsgroep. Praktijkgericht onderzoek dat niet voldoet aan de wetenschappelijke normen van methodologie wordt dan ook praktijkgericht niet-wetenschappelijk onderzoek genoemd. Bijna elk onderzoek heeft te maken met zowel praktijkproblemen als met kennisproblemen, toch moet de onderzoeker duidelijk kunnen maken wat het primaire doel is.

    Type onderzoek

    Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek

    Praktijkgericht niet-wetenschappelijk onderzoek

    Praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek

    Hoofddoel

    Kennisvermeerdering in verlengde van theorie

    Ondersteuning van besluitvorming

    Kennis voor besluitvorming

    Richtinggevende regels en normen

    Wetenschappelijke normen.

    Praktijknormen (van opdrachtgever/ beroepsgroep)

    Praktijknormen en wetenschappelijke normen

    Resultaten

    Generalisering op basis van theorie

    Eigen praktijksituatie

    Eigen praktijksituatie en eventueel generalisering naar andere praktijksituaties

    2.2. Empirische cyclus voor fundamenteel onderzoek

    De verschillende stappen in het onderzoeksproces staan op logische volgorde, samengevat in de empirische cyclus van De Groot 1971. Dit is een theoretisch of methodologisch model van wetenschappelijk onderzoek, ideologisch opgesteld. Theorie is hier een centraal begrip. De volgorde is als volgt:

    • Observatie

    • Inductie

    • ((Theorie) deze staat niet in het boek maar wordt over het algemeen geplaatst tussen inductie en deductie.)

    • Deductie

    • Toetsing

    • Evaluatie

    • Observatie; nadat de cyclus afgerond is volgt vaak weer een nieuwe cyclus. Dit omdat een goed onderzoek altijd nieuwe vragen oplevert. Dit wordt verderop uitgewerkt.

    Observatie

    Voor de verzameling van onderzoeksmaterie is observatie van belang. Deze observatie dient ertoe duidelijk te krijgen welke kennis al aanwezig is, of en welke hiaten daar in zitten, en te kijken of deze kennis toereikend is om de onderzoeksvraag te antwoorden. Dit is vaak niet zo, er ontstaat dus een kennisprobleem. Om te weten welke kennis er allemaal aanwezig is, hoe andere onderzoekers tegen het probleem aan kijken en om de onderzoeksopzet en zijn probleemstelling duidelijk te krijgen is systematisch literatuuronderzoek de belangrijkste bron. Na formulering van het kennisprobleem is het duidelijk welke fasen van de empirische cyclus zullen volgen. Wanneer veel kennis ontbrekend blijkt te zijn en een goede, complete theorie mist noemt men het een explorerend onderzoek. In dit geval komt het neer op de eerste fasen van de cyclus tot er met de theorieformulering. Wanneer de onderzoeker bestaande kennis en een daarbij behorende theorie wil toetsen noemt men het een toetsend onderzoek. Dit omvat theorie tot en met evaluatie, de laatste fasen van de cyclus.

    Inductie

    Inductie is zoals weergegeven in de opsomming de tweede fase van de empirische cyclus. Hierin worden belangrijke fenomenen vastgesteld en benoemd. Op basis van hun ervaring en aanwezige kennis construeren onderzoekers een onderbouwde verwachting weergegeven in mogelijke empirische regelmatigheden en verbanden, een educated quess. Deze educated guess is de basis voor de te onderzoeken hypothesen. Om de genoemde verbanden te vinden wordt aan de hand van gedane observaties een te veralgemeniseren uitspraak gedaan. Door dit te doen voor verder onderzoek te doen heet inductie. Er wordt als het ware gegokt met enige voorkennis. In de empirische cyclus spreken we nu van bij de veronderstelling of de exploratieve hypothese, dit omdat de werkelijke verklaring van de theorie nog gevonden moet worden. Inductie van een dergelijke hypothese betekent de start van de zoektocht naar de verklaring of interpretatie van een theorie. Omdat een theorie centraal staat in de empirische cyclus heb ik hem bij de opsomming gevoegd. In de eerste fasen van de empirische cyclus, observatie en inductie, is men nog op zoek naar een theorie. In de laatste fasen, deductie, toetsing en evaluatie, beoordeelt men de gevonden theorie. Een theorie staat voor samenhangende uitspraken waarmee wetmatigheden beschreven, uitgelegd en voorspeld kúnnen worden. Omdat er vaak meerdere verklaringen mogelijk zijn voor fenomenen kiezen onderzoekers bij de uitwerking van theorieën de meest waarschijnlijke. Het afwegen van verklaringen is een belangrijk kenmerk voor exploratief onderzoek waarin de theorie nog gevonden moet worden of nog niet is getoetst.

    Deductie

    Om tot een hypothese te komen redeneert men van een algemene uitspraak naar het specifieke. Dit noemt men deductie. Deductie is dus de tegenhanger van inductie. Een hypothese is hierbij de verwachtte waar te nemen feiten. (Hoe tot hypothesen toe geredeneerd wordt, wordt verder uitgelegd in het volgende hoofdstuk.) Zoals gezegd is het doel van een theorie; verklaren. Deze verklaring wordt getracht te vinden door naar de oorzaak van fenomenen te zoeken. 1Welke hypothesen en aannames afgeleid worden uit de theorie is afhankelijk van het gekozen vertrekpunt voor het onderzoek.

    Toetsing van hypothesen

    Hypothesen zijn relevante criteria om de gestelde theorieën te kunnen testen. De toetsing gebeurt door de uitkomsten na analyse van empirische data tegenover de hypothese te zetten en met elkaar te vergelijken. Wanneer de hypothese geverifieerd is door uitkomsten van data analyse, is de hypothese bevestigd, en dus waarschijnlijk. (let op: na verificatie is het nog steeds niet zeker of de hypothese klopt.) Wanneer de hypothese gefalsifieerd wordt, wordt deze verworpen of opnieuw geformuleerd. Verificatie en falsificatie worden in een later hoofdstuk verder uitgewerkt. De ervaring heeft geleerd dat veel onderzoekers vrijwel nooit na falsificatie hun gehele theorie verwerpen, maar altijd proberen te redden wat er te redden valt, door aanpassingen aan te brengen in de theorie.

    Evaluatie

    Aangekomen bij de laatste fase van de cyclus wordt de grote vraag beantwoord: is het kennisprobleem opgelost? Dit kan er toe leiden, indien het kennisprobleem nog in enige mate aanwezig is, om de empirische cyclus, al dan niet geheel, opnieuw te doorlopen. Zo kan opnieuw begonnen worden met observaties, maar wanneer de verbanden en regelmatigheden wel lijken te kloppen en de antwoorden alleen maar nieuwe vragen hebben opgeleverd kan men er ook voor kiezen enkel te exploreren naar verdere verklaringen van de gevonden wetmatigheden. Wat ook kan is dat de overtuiging leeft dat niet de theorie onjuist is, maar in de gedane veronderstellingen een fout zit. In sum: er bestaan verschillende redenen voor het niet oplossen van kennisproblemen.

    • Afstappen van theorie omdat er betere verklaringen voor gevonden data zijn.

    • Onjuiste uitvoering van onderzoek.

    • Verdere uitwerking van de theorie is noodzakelijk.

    Ook kan het zijn dat andere verklaringen mogelijk zijn voor de theorie. Deze dienen dan los van elkaar op empirische gronden uitgesloten te worden om de bestaande theorie te bevestigen, of er wordt veronderstelt dat er verder onderzoek nodig is om deze alternatieven uit te sluiten.

    Praktisch Wetenschappelijk onderzoek

    Zoals vermeld bestaat het doel van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek uit het bevorderen van het maken van beslissingen. Vaak worden bestaande, reeds geteste, theorieën gebruikt, zelden wordt een eigen theorie ontwikkeld. Hoe het ook zij: Deze theorie bestaat altijd om een oplossing te bieden voor praktijkproblemen op korte termijn. De opdrachtgevers zijn vaak de belanghebbenden bij het onderzoek.

    Ook binnen praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek doorloopt men niet alle fasen in de cyclus, en onderzoeken ze dus bijna nooit alle fasen van besluitvorming tegelijkertijd. Veelal richt men zich met name op probleemanalyse, vaststelling van praktijkproblemen, of met interventie en evaluatie.

    Formuleren praktijkprobleem

    Praktijkproblemen komen vaak uit praktijksituaties van niet-wetenschappers, en zijn de aanleiding tot praktisch wetenschappelijk onderzoek. De probleemstelling is niet alleen in het belang van de onderzoekers, maar ook van de opdrachtgevers en de betrokkenen. Probleemanalyse is vaak essentieel. Verschillende methoden kunnen hiervoor toereikend zijn; interviewen van deskundigen/experts, situatieve observatie, literatuurstudie naar soortgelijke probleemonderzoeken en hun resultaten. Soms is door een dergelijke analyse het probleem al opgelost en is verder onderzoek dus niet meer nodig. In vele gevallen leidt de probleemanalyse vooral tot een duidelijke doel- en vraagstelling. Als dit helder is, kan men bepalen aan welke fase(n) van de besluitvorming het onderzoek kan worden gekoppeld.

    Vaststelling

    Wanneer de onderzoeker de probleemsituatie en zijn oorzaken duidelijk wil hebben is hij bezig met diagnostisch onderzoek. Dit soort onderzoek komt in de praktijk op verschillende manieren voor, zo kan er gekeken worden naar individuele gevallen of juist naar organisaties. Opvallend is dat er analyse van beginsituatie en bestaande oplossingen wordt gedaan. Deze ‘oplossingen’ worden dan onder de loep genomen om te bekijken waarom ze niet toereikend zijn. Het moge duidelijk zijn dat de diagnosticerende fase geldt voor vaststelling en verheldering van het praktijkprobleem om hier vervolgens passende oplossingen voor te vinden. Hier wordt dan ook uitermate goed gekeken naar verschillende factoren van het probleem en hoe goed deze te veranderen zijn. Verandering van factoren is immers van belang om het probleem op te lossen.

    Plan en besluit

    Tijdens de besluitvorming wordt een plan beschreven waarin doel, de bijbehorende middelen en de probleemoplossingen vermeld staan. Het doel en de middelen worden duidelijk na situatieonderzoek en ondervraging van de betrokkenen. Wanneer duidelijk is wat men met het onderzoek wil bereiken volgt een analyse van de middelen. De plannen worden bekritiseerd op effectiviteit en uitvoerbaarheid, uiteraard voordat de daadwerkelijke ingreep plaatsvindt. Omdat dit voor de ingreep gebeurt wordt dit wel ex ante evaluatie genoemd. ( ex ante: van tevoren(Latijn)). Deze analyse vindt plaats omdat de mogelijke effecten en haalbaarheid voor de uitvoering duidelijk moeten zijn. De onderzoeksfragmenten ten behoeve van beoordeling en ondersteuning van de plannen voor besluitvorming heet planevaluatie. Onderzoekers gaan dan na of hun plan wel aansluit bij de diagnose die ze hebben opgesteld over het probleem. Dit vergemakkelijkt het beoordelen van de plannen op mogelijke effectiviteit een aansluiting bij de problemen.

    Ingreep

    Het onderzoek tijdens uitvoering van de plannen, of de ingreep om de problemen aan te pakken, noemt men procesevaluatie. Hierbij worden de invoering van het plan en zijn tussentijdse uitkomsten bekeken. Ook: formatieve evaluatie. Bij het eerdergenoemde actieonderzoek zijn de onderzoekers ook actief bezig met dit proces van verandering. De onderzochten werken mee aan het onderzoeksproces. Bewustwording van het probleem en gezamenlijke verantwoording zijn hierbij vooraanstaande doelen.

    Veranderingen

    In de eindevaluatie wordt bekeken of de ingreep praktisch effectief blijkt. Dit deel van onderzoek wordt product- of uitkomstevaluatie genoemd. Engels: summatieve evaluatie. Evaluatieonderzoek is erg belangrijk binnen de praktijkgerichte wetenschap. Maatregelen moeten geworteld zijn in geldig wetenschappelijk bewijs van effectiviteit, dit noemt men evidence based handelen. De te evalueren uitkomsten worden van tevoren bepaald. Ook is het van belang zo veel mogelijk na te gaan of de gedane veronderstellingen vanuit de theorie kloppen. Fundamenteel en praktijkgericht onderzoek zijn niet zo hermetisch van elkaar gescheiden als het voorgaande schrijven doet voorkomen. Op termijn heeft bijna elk fundamenteel onderzoek praktische gevolgen en bij praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek worden ook theorieën ontwikkeld en gebruikt. Het belangrijkste onderscheid is dat de uitkomsten van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek een direct (positief) gevolg hebben voor de betrokkene. De ontwikkeling van een theorie is niet het voornaamste streven van het onderzoek, maar wel een bijkomend streven.

    Hoe komt een literatuuroverzicht tot stand? - Chapter 3 (3)
    Wat houdt een kwalitatief onderzoeksontwerp in? - Chapter 2

    Wat houdt een kwalitatief onderzoeksontwerp in? - Chapter 2

    Het is voor onderzoekers moeilijk om een balans te vinden tussen hun voorbereidingen, het (onderzoeks)plan en de (uitvoerings)praktijk. Een plan geeft handvatten, een houvast, maar dit mag er niet voor zorgen dat het onderzoek niet meer enigszins flexibel is. De flexibele aanpak mag echter niet leiden tot vrijblijvendheid. Dit hoofdstuk biedt aanknopingspunten om met deze tegenstrijdigheid in het ontwerp van een kwalitatief onderzoek project om te gaan.

    Wat zijn de principes van kwalitatief onderzoek? - Chapter 5
    Waaruit bestaan opzet en plan van juridisch onderzoek? - Chapter 4
    Analyse & Onderzoek - van studie naar kennis
    JoHo: menu bestuderen

      

    6 - Voorbereiding & Verzekering

    6 - Voorbereiden & Checken

    • Wat: Voorbereidingen treffen om je keuze te maken en ze op te volgen
    • Hoe: Keuzevoorbereiding, maatregelen treffen, checklists afwerken
    • Content: Wat moet je doen om je goed voorbereiden voor je keuze of actie? Wat kan je doen om te oefenen of je beter voor te bereiden? Waar moet je aan denken?

            

    JoHo: menu verzekeren

       

    7 - Inspiratie & Samenwerking

    7 - Inspireren & Samenwerken

    • Wat: Inspiratie opdoen en betrokkenheid bepalen
    • Hoe: Je keuzegeweten laten spreken, tegen je eigen lat houden, past het bij je?, voelt het goed? Haal jij, of een ander, er voldoende inspiratie vandaan?
    • Content: Hoe werkt de praktijk, wat en kan jij ervan leren? Welke ervaringen kan jij delen of zijn al gedeeld? Hoe kan jij anderen inspireren?
    Partnerselectie: Onderwijs & Opleidingen

    Partnerselectie: Onderwijs & Opleidingen

    TEFL in Spain

    Bij TEFL in Spain of TEFL in Italy begin je jouw carrière als docent Engels in Spanje of Italië. Je kan in Malaga of Rome niet alleen de TEFL cursus volgen, maar ook de lokale taal leren met een Spaanse of Italiaanse taalcursus. Daarnaast helpt TEFL in Spain or Italy je bij het vinden van een betaalde baan als docent Engels.

    ScriptieMaster

    ScriptieMaster is opgericht in 2012. Het is de visie van ScriptieMaster dat elke student met trots moet kunnen terugkijken op zijn scriptietraject. Om dit te realiseren is niet alleen inhoudelijke begeleiding nodig, maar is ook een goede procesbegeleiding van belang.

    Teamwork Curaçao

    Teamwork is een bemiddelingsorganisatie op Curaçao die werkmogelijkheden heeft op diverse gebieden zoals juridisch, ICT, financieel en administratief.

    Partnerselectie: Stage in het buitenland I

    Partnerselectie: Stage in het buitenland I

    Wereldstage & Wereldjob

    Wereldstage helpt je bij het zoeken naar betaald werk, stages, vrijwilligerswerk of invulling van je tussenjaar. Ze organiseren trainingen en bieden lokaal opleidingen. Lokale initiatieven worden gesteund door vrijwilligers te plaatsen en financieel bij te dragen aan de vele goede doelen op Curaçao.

    JongLeren.es

    JongLeren.es is een stage- en projectbemiddelingsbureau in Málaga, Spanje'
    JongLeren verzorgt meeloopstages, projectstages en afstudeerstages voor de meest uiteenlopende opleidingen op MBO, HBO of WO gebied.
    Jongleren.es organiseert en/of is betrokken bij verschillende projecten en activiteiten zoals het ‘Málaga Business Bootcamp en persoonlijke coaching bij studiekeuze
     

    Stage Global

    Stage Global is an internship agency, founded in 2010, with several programs in the US, Australia, Europe and Asia for students and young professionals.

    Stagebureau Bonaire

    Stagebureau Bonaire is een bemiddelingsorganisatie voor stages en huisvesting op Bonaire.

    On-Stage Latijns Amerika

    On-Stage Latin America, founded by two Dutch people in 2006, wants to contribute to both the sustainable development of the countries in which it operates and that of its clients. On-Stage mediates in internships and work experience places, volunteer work and Spanish courses.

    Ontmoet Afrika

    Ontmoet Afrika is een kleine non-profitorganisatie (ngo) voor duurzaam vrijwilligerswerk en stages bij de lokale bevolking in Afrika. De werkplekken worden aangeboden via partnerorganisaties in Ghana en Malawi.

    Partnerselectie: Stage in het buitenland II

    Partnerselectie: Stage in het buitenland II

    ImmerQi

    Shape your career with ImmerQi's China education programs. If you want to intern in China, Immerqi has the suitable experience for you. ImmerQi is a well-established and dynamic Education company in China that creates and operates Programs that provide corporate and hospitality internships, teaching and volunteering opportunities.

    New Zealand Internships

    New Zealand Internships / Stagereizen is een bemiddelingsorganisatie die helpt bij het regelen van een stage en de voorbereidingen die daarbij komen kijken.

    Bonaire Break

    Bonaire Break is opgericht door een Nederlandse docent en studieloopbaanbegeleider en biedt mogelijkheden aan voor een tussenjaar voor jongeren. 

    JoHo: menu inspireren
    JoHo: WorldSupporter blogs
    Duurzaam leven. Ik worstel voorlopig nog. - Koert Hommel
    Duurzaamheid. Ik vind het een moeilijk begrip. Het is ook zo’n containerbegrip, dat je naar gelang je voorkeuren of...
    Afhankelijk blijven van ontwikkelingshulp, of meer zelf doen? - Koert Hommel
    Moeten Afrikaanse landen niet meer zelf doen?” lees ik bijna aan het eind van een artikel in de Volkskrant. Het...
    Vrijwilligerswerk op afstand: júist nu! - Koert Hommel
    Iets doen voor een ander. Je maatschappelijk betrokken tonen. Een steentje bijdragen. Het is van alle tijden en veel...
    Oh? Helpt ontwikkelingssamenwerking dan? - Koert Hommel
    Ontwikkelingssamenwerking? “Weggegooid geld!” “Het gaat allemaal in de zakken van die bureaucratische...
    Zijn Nederlanders bang voor de immigrant geworden? En: stijgt of daalt het draagvlak voor ontwikkelingshulp? - Koert Hommel
    Ik las deze week een klein artikel over het afscheid van een directeur, Luitzen Wobma, van 'zijn' particulier...
    Blaze in Baseco Manila - deanne WEP
    How would your life change if your house burned down? What if you lost almost everything you owned in one snap?...

        

    8 - Werk & Ervaring

    8 - Ervaren & Werken

    • Wat: Met je proces de slag gaan of werken in het kader van je proces
    • Hoe: Keuze-ervaring, de praktijk ervaren rond je keuzeprocessen, werk maken van je proces, proces maken van je werk
    • Content: Hoe kan je jezelf nuttig maken via stages of vrijwilligerswerk,Is er gerelateerd werk mogelijk,  zijn er vacaturemogelijkheden

    ........................

    JoHo tools voor abonnees: toolshops voor werk, stage, vrijwilligerswerk en vacatures in het buitenland - Toolbundel

    JoHo tools voor abonnees: toolshops voor werk, stage, vrijwilligerswerk en vacatures in het buitenland - Toolbundel

    JoHo: menu ervaren
    JoHo: partner crossroad

    DSW Zorgverzekeraar

    DSW is een landelijke zorgverzekeraar. DSW vindt dat elke Nederlander, ongeacht leeftijd, gezondheid of financiële mogelijkheden, recht heeft op betaalbare zorg van een hoge kwaliteit.
    De basisverzekering van DSW is een combinatiepolis waarbij je zelf kunt kiezen naar welke zorgverlener je gaat. De premie is hetzelfde voor iedereen, met de optie om het eigen risico te verhogen voor premiekorting of om een aanvullende verzekering af te sluiten.
     

      

    9 - Beslissing & Berusting

    9 - Beslissen & Berusten

    • Wat: Beslissen en tevreden zijn over het besluit dat je hebt genomen.  gaan handelen naar je besluit
    • Hoe: Keuzeproces afronden, Beslissing nemen, Accepteren dat je een beslissing hebt genomen met de kennis en kunde die je nu hebt, Besluit gaan uitvoeren
    • Content: Acceptatieproces starten, Stappen nemen, contacten leggen, services gebruiken, terugkijken, relativeren en waarderen dat je een beslissing hebt genomen

    Keuzewijzers JoHo abonnementen: voor als je studeert of je wilt ontwikkelen - Bundel

    Keuzewijzers JoHo abonnementen: voor als je studeert of je wilt ontwikkelen - Bundel

    Keuzewijzer JoHo abonnementen: Welk abonnement kies je als je een tussenjaar of gap year wilt vullen of regelen?

    Keuzewijzer JoHo abonnementen: Welk abonnement kies je als je een tussenjaar of gap year wilt vullen of regelen?

    Als JoHo donateur

    • kan je gebruikmaken van korting bij verschillende JoHo partners

    Als JoHo abonnee

    • heb je toegang tot alle online JoHo keuzehulp voor studie in het buitenland
    • kan je ook gebruikmaken van de JoHo BuitenlandZaken Service
    • kan je gebruikmaken van de persoonlijke adviesservices

    Als JoHo abonnee met een servicepakket

    • kan je ook gebruikmaken van een persoonlijke cv check voor stage of sollicitatie in Nederland

     

    Maak gebruik van het formulier of ga naar: Aanmelden

    Keuzewijzer JoHo abonnementen: Welk abonnement kies je als je een studie zoekt of gaat studeren?

    Keuzewijzer JoHo abonnementen: Welk abonnement kies je als je een studie zoekt of gaat studeren?

    Als JoHo donateur

    • heb je toegang tot de op JoHo WorldSupporter gedeelde samenvattingen en studiehulp
    • heb je korting op je abonnement

    Als JoHo abonnee

    • heb je toegang tot de online keuzehulp en advieswijzers voor je studiekeuze en studiehulpmiddelen
    • heb je online toegang tot alle JoHo samenvattingen en studiehulp
    • heb je online toegang tot de JoHo’s met studievaardigheden (van leren & studeren tot scriptiehulp) en studiehulpmiddelen
    • kun je jaarlijks (10) samenvattingen gratis afhalen in de JoHo support centers (of bij partners) via JoHo
    • heb je 50% korting op geprinte studiehulp in de JoHo support centers en op thuisbezorgde samenvattingen
    • heb je toegang tot persoonlijke JoHo advies en coachingshulp

    Als JoHo verzekerde

    •  kan je gebruikmaken van de voordelen van het abonnement

     

    Maak gebruik van het formulier of ga naar: Aanmelden

    Keuzewijzer JoHo abonnementen: Welk abonnement kies je als je een stageplaats zoekt in het buitenland of Nederland

    Keuzewijzer JoHo abonnementen: Welk abonnement kies je als je een stageplaats zoekt in het buitenland of Nederland

    Als donateur

    • kan je gebruikmaken van de kortingen bij JoHo stagepartners
    • kan je gebruikmaken van de JoHo BuitenlandZaken Service als je gaat stagelopen in het buitenland

    Als abonnee

    • heb je toegang tot alle online JoHo keuzehulp voor stage en sollicitaties in Nederland
    • heb je toegang tot alle online JoHo keuzehulp voor stage in het buitenland
    • heb je toegang tot alle JoHo advieswijzers voor stage in het buitenland
    • heb je online toegang tot alle samenvattingen van managementboeken en andere hulpmiddelen bij je werkzaamheden
    • kan je gebruikmaken van de JoHo BuitenlandZaken Service als je gaat stagelopen in het buitenland
    • kan je gebruikmaken van een persoonlijke quick scan van je cv

    Maak gebruik van het formulier of ga naar: Aanmelden

    Keuzewijzer JoHo abonnementen: Welk abonnement kies je als je een studie of taalcursus in het buitenland zoekt of gaat doen

    Keuzewijzer JoHo abonnementen: Welk abonnement kies je als je een studie of taalcursus in het buitenland zoekt of gaat doen

    Als donateur

    • kan je gebruikmaken van korting bij verschillende JoHo partners die bemiddelen bij studie in het buitenland

    Als abonnee

    • heb je toegang tot alle online JoHo keuzehulp omtrent je internationale avontuur
    • heb je toegang tot alle online JoHo advieswijzers omtrent je internationale avontuur
    • kan je gebruikmaken van de JoHo BuitenlandZaken Service als je gaat studeren in het buitenland

     

    Maak gebruik van het formulier of ga naar: Aanmelden

    Aanmelden bij JoHo om gebruik te maken van alle teksten en tools
     

    Aansluiten bij JoHo als abonnee of donateur

    The world of JoHo footer met landenkaart

      Aansluiten bij JoHo met een JoHo abonnement

      JoHo abonnement (€20,- p/j)

      • Voor wie online volledig gebruik wil maken van alle JoHo's en boeksamenvattingen voor alle fases van een studie, met toegang tot alle online HBO & WO boeksamenvattingen en andere studiehulp
      • Voor wie gebruik wil maken van de gesponsorde boeksamenvattingen (en er met zijn pinpoints 10 gratis kan afhalen in een JoHo support center of bij een JoHo partner)
      • Voor wie gebruik wil maken van de vacatureservice en bijbehorende keuzehulp & advieswijzers
      • Voor wie gebruik wil maken van keuzehulp en advies bij werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
      • Voor wie extra kortingen wil op (reis)artikelen en services (online + in de JoHo support centers)
      • Voor wie extra kortingen wil op de geprinte studiehulp (zoals tentamen tests en study notes) in de JoHo support centers

       of met een JoHo donateurschap

      JoHo donateurschap (€5,- per jaar)

      • Voor wie €10,- korting wil op zijn JoHo abonnement
      • Voor wie JoHo WorldSupporter en Smokey projecten wil steunen
      • Voor wie gebruik wil maken van alle gedeelde materialen op WorldSupporter
      • Voor wie op zoek is naar de organisatie bij een vacature

       

      Aanmelden & Aansluiten bij JoHo 

      JoHo: menu beslissen
      10 - Vervolg & Evaluatie

      10 - Evalueren & Vervolgen

      • Wat: Terugkijken naar je beslissing en vooruitkijken naar het vervolg
      • Hoe: Je eigen keuze beoordelen, doorgaan naar een volgend keuzeproces gaan, beginnen aan het vervolgproces
      • Content: Naar het volgende onderwerp of naar de volgende activiteit, zoeken naar andere pagina's & activiteiten

       

       

      JoHo: zoeken en vervolgen

      Typ je trefwoord(of combinatie) en klik op 'Zoeken' om het resultaat te zien van de content met het trefwoord in de titel

      JoHo: crossroads uit de bundels
      JoHo: paginawijzer

      Topics & Thema's

      Wat vind je op een JoHo Themapagina?

      • Geselecteerde informatie en toegang tot de JoHo tools rond een of meerdere onderwerpen
      • Geautomatiseerde infomatie die aan het thema is gekoppeld

      Crossroad: volgen

      • Via een beperkt aantal geselecteerde webpagina's kan je verder reizen op de JoHo website

      Crossroad: kiezen

      • Via alle aan het chapter verbonden webpagina's kan je verder lezen in een volgend hoofdstuk of tekstonderdeel.

      Footprints: bewaren

      • Je kunt deze pagina bewaren in je persoonlijke lijsten zoals: je eigen paginabundel, je to-do-list, je checklist of bijvoorbeeld je meeneem(pack)lijst. Je vindt jouw persoonlijke lijsten onderaan vrijwel elke webpagina of op je userpage.
      • Dit is een service voor JoHo donateurs en abonnees.

      Abonnement: nemen

      • Hier kun je naar de pagina om je aan te sluiten bij JoHo, JoHo te steunen en zo zelf en volledig gebruik maken van alle teksten en tools.

      Hoe is de pagina op gebouwd

      • Een JoHo Topic-, en Themapagina pagina is opgezet aan de hand van 10 fases rond een bepaalde thema: statussen
      • De status van een thema kan je inzetten bij de belangrijke en minder belangrijke processen rond het thema van de pagina. Zoals keuzes maken, orienteren, voorbereiden, vaardigheden verbeteren, kennis vergroten, gerelateerd werk zoeken of zin geven.
      • Bij elke status vind je unieke of gerelateerde informatie van de JoHo website, die geautomatiseerd of handmatig wordt geplaatst.
      • Een belangrijk deel van de informatie is exclusief beschikbaar voor abonnees. Door in te loggen als abonnee wordt de informatie automatisch zichtbaar. Let wel, niet elke status zal evenveel content bevatten, en de content zal in beweging blijven.
      • De statussen:
      1. Start
      2. Oriëntatie : startpunt bepalen ->bijvoorbeeld: wat is je vraag of wat is het proces dat je gaat starten
      3. Selectie: verkennen en verzamelen van info en keuzehulp
      4. Afweging: opties bekijken en vergelijken -> bijvoorbeeld: alternatieven zoeken
      5. Competentie: verbeteren en competenties -> bijvoorbeeld: wat kan je doen om te slagen?
      6. Voorbereiding: voorbereiden & oefeningen -> bijvoorbeeld: wat kan je doen om te oefenen of je voor te bereiden?
      7. Inspiratie: vastleggen &  lessen -> bijvoorbeeld: wat leer je en heb je geleerd?
      8. Ervaring: vooruithelpen & hulp -> hoe kan je jezelf nuttig maken?
      9. Beslissing: Uitvoeren en tot resultaat brengen -> bijvoorbeeld wat ga je kopen of kiezen?
      10. Evaluatie: Terugkijken en verder gaan -> bijvoorbeeld: wat komt hierna?
        JoHo: footprints achterlaten
        JoHo: pagina delen