Wetenschappelijke Artikelen & Publicaties: in samenvatting en bulletpoints

 

JoHo Samenvattingen van wetenschappelijke artikelen

  • Voor je studie zul je een groot aantal (wetenschappelijke) artikelen, vaak via readers, moeten bestuderen. Vaak is de essentie daarvan in enkele alinea's of soms zelfs enkele zinnen weer te geven. De JoHo samenvattingen van artikelen helpen je om deze essentie snel te vinden.
  • Ook na je studie zul je nog geregeld teruggrijpen naar de samenvattingen van artikelen om de laatste ontwikkelingen binnen jouw vakgebied te kunnen volgen.

 

JoHo samenvattingen zoeken van wetenschappelijke artikelen voor jouw studie

 

 

Analyse & Onderzoek: uitgelichte chapter- en boeksamenvattingen

Analyse & Onderzoek: uitgelichte chapter- en boeksamenvattingen

Onderzoek doen: wat is de aanleiding van onderzoek?

Onderzoek doen: wat is de aanleiding van onderzoek?

In de ontwerpfase start je met de aanleiding voor je onderzoek, de onderwerpskeuze en het afbakenen van je onderwerp.

Voor het kiezen van een onderwerp bestaan een aantal opties. Het is mogelijk dat je onderzoekskeuze gebaseerd is op een verzoek van een opdrachtgever (praktijkgericht onderzoek), of dat je een theorie gaat testen (fundamenteel onderzoek). In beide gevallen ligt het onderwerp al (gedeeltelijk) vast. Soms is het echter ook mogelijk om zelf een onderwerp aan te dragen. Dit onderwerp moet dan wel voldoen aan de voorwaarden die je opleiding stelt. De aanleiding voor onderzoek komt ofwel voort uit een praktijkprobleem (praktijkgericht onderzoek), ofwel de ambitie om kennis uit te breiden (fundamenteel onderzoek). Onderzoek kan ook zowel praktijkgericht als fundamenteel zijn.

In het geval je een onderzoek voor een opdrachtgever uitvoert zijn een aantal zaken van belang. Zorg dat je duidelijkheid hebt over de wensen van de opdrachtgever. Zorg dat je het werkelijke doel van het onderzoek boven tafel krijgt, zodat je de juiste onderzoeksvraag stelt. Als je duidelijkheid hebt gekregen over de wensen en de doelstelling van de opdrachtgever ga je zelf het onderzoek afbakenen. Je spitst het onderwerp toe op een beperkte onderzoeksvraag.

Als de onderzoeksvraag bekend is bekijk je wat de mogelijkheden en beperkingen voor het onderzoek aan. Denk hierbij aan het beschikbare budget, de beschikbare tijd, de beschikbare gegevens, het type vraag, omgevingsfactoren en het verzamelen van gegevens over de populatie.

Op basis van het gestelde doel, de afbakening van je onderwerp en de mogelijkheden voor het onderzoek schrijf je een onderzoeksvoorstel. In dit voorstel beschrijf je de vraag van de opdrachtgever, de aanleiding tot die vraag, de achterliggende doelstelling en jouw aanpak. Daarnaast presenteer je een tijdsplanning en een overzicht van budget en geplande uitgaven. Zorg dat je voorstel volledig is, zodat het ook voor derden leesbaar is. Vermeld de namen van de verschillende betrokken partijen (opdrachtgever, onderzoeker(s), etc.) en wat de taakverdeling is. Zorg dat het geheel er verzorgd en professioneel uitziet. Houd in het geval van een onderzoek in opdracht van een opdrachtgever altijd de onafhankelijkheid en objectiviteit van je onderzoek in het vizier.

De onderzoeksopdracht die je krijgt is over het algemeen breed, zoals bijvoorbeeld ‘klanttevredenheidsonderzoek’. Als je je onderwerp gaat afbakenen, zul je je ten eerste moeten oriënteren op het onderwerp, zodat je weet wat er al eerder over gezegd en geschreven is. Informatie verzamelen over het onderwerp staat centraal in je onderzoek, je doet dat tijdens je vooronderzoek en als methode om nieuwe informatie te verzamelen, door literatuuronderzoek. Informatie kun je zoeken in bibliotheken, in documentatiecentra of op internet. Er is zoveel te vinden dat het belangrijk is om specifiek te zoeken. Een aantal hulpmiddelen om naar informatie te zoeken worden hier besproken:

De Big6TM zijn zes regels om de zoekopdracht te omschrijven, op zoek te gaan naar informatie en je resultaten te evalueren:

  1. Definieer de zoekopdracht; het probleem. Formuleer een zoekvraag en ga na hoeveel je al weet, welke informatie je al hebt en welke informatie je nog moet zoeken.

  2. Kies een goede zoek strategie. Bepaal op welke manier je op zoek gaat naar informatie in relevante boeken, websites en documenten.

  3. Bepaal waar je op zoek gaat. Kies of je gaat zoeken op internet, in de bibliotheek, in databases of een combinatie daarvan.

  4. Bestudeer de informatie en bepaal wat je nodig hebt. Leg de gevonden informatie naast elkaar en selecteer de relevante stukken informatie voor jouw onderzoek.

  5. Organiseer de informatie. Zorg dat de informatie antwoord geeft op je onderzoeksvraag. Orden de informatie op relevantie.

  6. Evalueer de gevonden informatie. Heb je genoeg informatie verzameld om je vragen te beantwoorden, of heb je nog meer informatie nodig?

Als je gaat zoeken in een (wetenschappelijke) zoekmachine op internet is het raadzaam een aantal aanwijzingen op te volgen. Maak je zoekopdracht zo specifiek mogelijk, door zinsnedes tussen aanhalingstekens te zetten of +/– tekens te gebruiken. Maak gebruik van ‘geavanceerd zoeken’, waar je meer zoekcriteria kunt toevoegen. Zoek op zinsnede in plaats van op losse woorden. Of vervang een deel van een woord door *, zoals bijvoorbeeld computer*; hiermee zoekt de zoekmachine woorden die met computer beginnen, maar verschillend eindigen, zoals computerprogramma, computertaal, etc.

Je kunt gevonden informatie ordenen in een logboek. Een logboek is een soort dagboek waarin je kunt bijhouden wat je hebt gevonden en dit kunt ordenen naar inhoud, proces of in chronologische volgorde. Handige programma’s om een logboek in aan te maken zijn Excel of MS Project. In deze programma’s kun je een tijdpad opnemen, gegevens overzichtelijk weergeven en eventueel figuren en tabellen gebruiken. Houd je vorderingen bij en schrijf op wat je doet met betrekking tot je tijdsplanning, het proces, de inhoud, de methodes die je gebruikt en de keuzes die je maakt. Ook argumenten, ideeën, interpretatiemogelijkheden en terugkoppelingen naar de vraagstelling kun je in je logboek opnemen.

Hoe stel je de hoofdvraag in een onderzoek op?

Hoe stel je de hoofdvraag in een onderzoek op?

 

Onderzoek en hoofdvraag

De hoofdvraag (probleemstelling) is de centrale vraag die een onderzoeker in zijn onderzoek probeert te beantwoorden. Vaak wordt deze hoofdvraag gedurende een onderzoek meermaals bijgesteld.

Het doen van onderzoek begint met het formuleren van zo’n hoofdvraag. Er bestaan twee soorten onderzoek: praktijkgericht (gericht op praktisch nut en praktische toepasbaarheid en meestal voor een bedrijf of organisatie) en fundamenteel (gericht op het toetsen of verder ontwikkelen ven theoretische kennis en meestal zonder externe belanghebbende) onderzoek. Echter, deze tweedeling is niet absoluut en niet zwart-wit; het onderscheid wordt vooral gemaakt op basis van de directe praktische gerichtheid van (praktijk)onderzoek. Deze praktische gerichtheid is terug te zien in de beleidscyclus, die als vertrekpunt de bestaande situatie heeft en als einddoel de gewenste situatie, ofwel de situatie die gewijzigd of verbeterd is na uitvoering van een plan voor wijziging. De cyclus verloopt in vier stappen, namelijk het in kaart brengen van de situatie (beeldvorming), het onderzoeken en vaststellen van de oorzaken, het bedenken van mogelijke oplossingen en de uitvoering van de oplossing die gekozen wordt met een uitvoeringsplan.

De hoofdvraag heeft vóór het onderzoek als functie het structureren van het onderzoek en na het onderzoek als functie het sturen van de verwachting van de lezer. Zo geeft de hoofdvraag voor het onderzoek houvast,

  • Door aan te geven wat er precies wel en niet onderzocht wordt;

  • Door duidelijk te naken, welke informatie er precies nodig is om tot een antwoord op die hoofdvraag te komen;

  • Door in een vroeg stadium de mogelijkheid van het ontwerpen van een gedetailleerde rapportindeling te bieden.

Ook biedt de formulering van de probleemstelling de mogelijkheid om aan te geven, of het onderzoek beperkt blijft tot het verzamelen van informatie of ook een analyse moet geven, adviezen moet opleveren, een oordeel aannemelijk moet maken of een handboek of draaiboek uitwerken. Daarbij is het intrinsieke doel van onderzoek datgene, wat je met wilt bereiken (bijvoorbeeld beeldvorming, analyse of oordeel) en het extrinsieke doel datgene, wat je door je onderzoek wilt bereiken (bijvoorbeeld het signaleren van misstanden of het verhogen van tevredenheid).

Verder heeft de hoofdvraag bij het schrijven van het rapport na uitvoering van het onderzoek ook als functie, richting te geven aan de verwachtingen van de lezer. In de inleiding van het rapport moet immers aan de lezer worden duidelijk gemaakt, welke hoofdvraag er in het rapport wordt beantwoord.

Welke soorten hoofdvragen zijn er?

Met zijn onderzoek heeft de onderzoeker vier globale of intrinsieke doelen, die overeenkomen met de vier segmenten van de beleidscyclus (probleem, oorzaken, oplossingen en uitvoering):

  1. Het geven van informatie, segment ‘probleem’ in de beleidscyclus;

  2. Het geven van een verklaring, segment ‘oorzaak’ in de beleidscyclus;

  3. Het geven van advies, segment ‘oplossingen’ in de beleidscyclus;

  4. Het geven van een uitwerking, segment ‘uitvoering’ in de beleidscyclus;

(5 Het geven van een oordeel, niet specifiek gekoppeld aan de één van de segmenten van de beleidscyclus).

Bij deze doelen horen steeds specifieke hoofdvragen:

  • Beeldvormend of diagnostisch onderzoek heeft als doel informatie te geven of in te gaan op de stand van zaken. De hoofdvragen hierbij hebben dus als doel, een beeld te schetsen van een bepaalde situatie of ontwikkeling. Beeldvormend onderzoek wordt soms ook gebruikt voor het doen van voorspellingen. Daarom zijn er twee subtypes van beeldvormend onderzoek:

  1. Onderzoek, louter voor beeldvorming, waarbij het alleen gaat om het verzamelen en ordenen van data, bijvoorbeeld marktverkenningen;

  2. Onderzoek met het doel, prognoses te maken, zoals marktverkenningen, die uitmonden in een prognose van de marktontwikkelingen.

  • Verklaringsgericht (analyserend) onderzoek heeft als doel, een stand van zaken te inventariseren. De hoofdvraag bij dit type onderzoek luidt dan ook “Wat is de verklaring voor het onderzochte verschijnsel?” Aan de hand van de vastgestelde oorzaken van een probleem kan dan worden gezocht naar oplossingen. Meestal kunnen oorzakelijke verbanden moeilijk met zekerheid worden gesteld en alleen aannemelijk gemaakt worden.

  • Adviesgericht of beleidsbepalend onderzoek heeft als doel, het veranderen van een situatie naar aanleiding van een bestaand of een komend probleem of van een kans die voorbijkomt. De hoofdvraag bij dit type onderzoek luidt dus “Wat kan of moet er verbeterd of veranderd worden?”. De formulering van de hoofdvraag is als-het-ware partijdiger geworden. In het taalgebruik van adviesgerichte hoofdvragen zijn vaak formuleringen als ‘moeten’, ‘kunnen’ en ‘dienen’ te zien.

  • Uitvoeringsgericht onderzoek heeft als doel, het opstellen van een stappenplan of een draaiboek. De hoofdvraag bij dit onderzoekstype luidt dan ook “Hoe gaan we iets aanpakken of invulling geven?”. Qua taalgebruik wordt de onderzoeksvraag bij dit type onderzoek vaak als instructie geformuleerd.

  • Evaluatief onderzoek heeft als hoofdvraag de vraag “Wat is het eigen oordeel over het onderwerp?”. Dit type hoofdvraag kan vaak worden gekoppeld aan de voorgaande types hoofdvragen.

De resultaten van dit soort onderzoek, oordelen en evaluaties, vormen de smeerolie om van de ene fase in de beleidscyclus naar de andere te komen. Zo geven de resultaten van beeldvormend onderzoek aanleiding tot verklaringsgericht onderzoek, ofwel roepen gevonden oorzaken de vraag op, wat de belangrijkste oorzaken dan wel zijn, roept onderzoek naar oorzaken de vraag naar een oordeel over die oorzaken op en roept adviesgericht onderzoek de vraag naar onderzoek van de beste oplossing op. Qua taalgebruik kan het antwoord op een evaluatieve hoofdvraag op twee manieren worden, namelijk in absolute (‘goed/slecht’, ‘gunstig/ongunstig’) of in relatieve termen (‘beter/slechter’, ongunstiger’). In evaluatieve hoofdvragen worden in ieder geval vaak begrippen gebruikt, die ‘waarderend’ zijn.

Delen van een hoofdvraag

De hoofdvraag bevat niet alleen een kernachtige formulering van die hoofdvraag, maar ook de elementen doel- of vraagstelling, optiek, begripsomschrijving en de deelvragen. Daarbij kan de hoofdvraag het beste ook echt als vraag worden geformuleerd. Hierdoor wordt de lezer namelijk geprikkeld, om te bedenken wat hij al weet over het onderwerp en worden er mogelijke antwoorden opgeroepen, al voor het onderzoek. Aan de hand van die antwoorden kan al goed een indeling ontworpen worden voor het te schrijven rapport.

De hoofdvraag hoeft overigens niet uit een enkele vraag te bestaan, maar kan geleed zijn. Ook kan de hoofdvraag beter niet als ja/nee-vraag geformuleerd worden, omdat zo’n vraag geen stimulerend effect heeft. De hoofdvraag wordt ook het best zo geformuleerd, dat het vraagtype (beeldvormend, verklaringsgericht, adviesgericht, uitvoeringsgericht of evaluatief) duidelijk herkenbaar is.

In de literatuur wordt er een onderscheid gemaakt tussen de doelstelling en de vraagstelling van een onderzoek. Daarbij geeft de doelstelling antwoord op de vraag, waarom het onderzoek wordt uitgevoerd en de vraagstelling op de vaag, wat er echt onderzocht wordt. Bij een goede hoofdvraag zijn zowel de doelstelling als de vraagstelling duidelijk. In de praktijk is er meestal echter maar één van de twee zichtbaar in de kernformulering en is de andere beschreven in de toelichting bij de hoofdvraag. Daarbij kan het zijn, dat de vraagstelling duidelijk is en de doelstelling nog moet worden toegelicht (het wat van het onderzoek kan eenvoudig voorspeld worden en het waarom is minder duidelijk) of dat de doelstelling duidelijk is, maar dat de vraagstelling nog moet worden toegelicht (het waarom van het onderzoek is duidelijk, het wat moet worden toegelicht met een lijstje deelvragen).

Bij praktijkgericht onderzoek is het van belang, om aan te geven, vanuit welke optiek de onderzoeksvraag geformuleerd is, ofwel een concrete opdrachtgever of een denkbare opdrachtgever. Ook bij ‘vrij’ onderzoek kan het best een zo concreet mogelijke optiek worden gekozen. Dat heeft als voordelen, dat

  • Het meer duidelijkheid geeft over het onderzoeksdoel;

  • Het duidelijk maakt, wie de beoogde lezers van het rapport zijn;

  • Het het gemakkelijker maakt, om een voor de lezer duidelijke strcutuur te ontwerpen voor het rapport;

  • Het zorgt voor meer efficiency bij de uitvoering van het onderzoek.

Daarbij is meestal de optiek, van waaruit het onderzoek gedaan wordt gelijk aan de optiek van de opdrachtgever, maar soms (zoals bij een afstudeerscriptie) is dat niet het geval en is er sprake van een dubbel publiek. Uit de hoofdvraag of de toelichting daarop moet altijd blijken, voor wie het onderzoek van belang is. In de toelichting op een kort geformuleerde hoofdvraag past ook nog een nadere operationalisering van de onderzoeksvraag, die altijd tweeledig is:

  • Het omschrijven van de in de hoofdvraag gebruikte begrippen;

  • Het verder uitwerken van de hoofdvraag in deelvragen.

Fouten bij het vormgeven van de hoofdvraag

Bij het zoeken naar of opstellen van de hoofdvraag worden een aantal fouten geregeld gemaakt:

  • Er wordt gekozen voor een te weinig gerichte hoofdvraag. Dit kan worden opgelost, door een concrete onderzoeksvraag te formuleren, waaruit blijkt, of het onderzoek bedoeld is om informatie te verschaffen, te analyseren, te adviseren of te evalueren en door de optiek van onderzoek te bepalen.

  • Er wordt gekozen voor een te ruime hoofdvraag. Om te bepalen, dat een hoofdvraag werkelijk te ruim is, moet de onderzoeksopzet zo concreet mogelijk worden gemaakt door het formuleren van deelvragen en een planning. Dit probleem kan worden opgelost, door de hoofdvraag in te perken.

  • Er ontbreekt een doelstelling in het onderzoek. Het onderzoek heeft geen relatie met de wereld eromheen. Dit kan worden opgelost, door het formuleren van en het gericht blijven op een uiteindelijk doel van het onderzoek.

  • Er wordt gekozen voor een onduidelijke vraagstelling. Dit kan worden opgelost, door na te gaan, of de formulering van de hoofdvraag wel duidelijk aangeeft, welk type antwoord hierop gezocht wordt.

  • Er is geen optiek gekozen voor het onderzoek. Wanneer er geen onderscheid wordt gemaakt tussen relevante en irrelevante informatie, blijft een rapport genmakkelijk steken in algemeenheden. Dit kan worden opgelost, door in het rapport een concrete organisatie te noemen.

  • De oplossing wordt gekozen zonder eerst een goede analyse vooraf te maken. Vanwege te veel denken aan de oplossing wordt er te weinig aandacht besteed aan de analyse van het werkelijke, geconstateerde probleem. Dit blijkt vaak op de lange termijn een probleem. Dit probleem kan worden opgelost door goed te kijken naar de echte oorzaken alvorens te beginnen aan de uitvoering van de oplossing.

  • Het antwoord dat op de hoofdvraag wordt gegeven sluit niet goed aan bij de inleiding. Dit kan worden nagegaan, door tijdens het onderzoek regelmatig de houdbaarheid en juistheid van de hoofdvraag te controleren en steeds na te gaan, of de conclusies daadwerkelijk de hoofdvraag beantwoorden.

  • Het rapport is te veel beeldvormend en te weinig adviesgericht of evaluatief. Dit kan worden opgelost, door steeds na te gaan, of alle informatie een zinvolle bijdrage levert aan het einderesultaat.

Bron: Rapporteren van Braas - serie Taaltopics

    Onderzoek doen: hoe baken je onderzoek af?

    Onderzoek doen: hoe baken je onderzoek af?


    De ontwerpfase is op te delen in verschillende subfasen:

    1. Oriënteren: van idee naar onderwerp;

    2. Omschrijven: probleemomschrijving en onderzoeksvragen;

    3. Vaststellen: onderzoekstype en onderzoeksmethoden vastleggen;

    4. Plannen: het onderzoek plannen en de rapportage.

    Subfasen van de ontwerpfase

    In de praktijk volgen deze fasen elkaar overigens niet altijd chronologisch op, meestal lopen ze door elkaar. Wel is het belangrijk dat de afbakening voor de dataverzameling vaststaat en dat de dataverzameling compleet is voor met de analyse gestart wordt. Verslaglegging vindt parallel plaats aan de uitvoer van het onderzoek.

    Tijdens het oriënteren op het onderwerp van je onderzoek heb je het globale onderwerp teruggebracht tot één kernprobleem, dat in een aantal woorden of een zin is samen te vatten. Met de informatie die je hebt verzameld tijdens het oriënteren in je vooronderzoek kun je nu zelf in je eigen onderzoek aan de slag gaan.

    Om tot de probleembeschrijving te komen kun je gebruikmaken van de 5W’s+H-formule (Wat? Wie? Wanneer? Waarom? Waar? + Hoe?). Nog makkelijker te onthouden zijn de 6 W’s:

    • Wat is het probleem?

    • Wie heeft het probleem?

    • Wanneer is het probleem ontstaan?

    • Waarom is het een probleem?

    • Waar doet het probleem zich voor?

    • Wat is de aanleiding?

    Probleemomschrijving

    De probleemomschrijving bestaat uit twee delen: de doelstelling van het onderzoek en de probleemstelling, ook wel de centrale vraagstelling of hoofdvraag genoemd. Omdat er vele vragen worden gesteld gedurende het onderzoek is het het duidelijkst om te spreken van probleemstelling als je naar de hoofdvraag refereert.

    Doel- en probleemstelling

    In de doelstelling beschrijf je de redenen om het onderzoek uit te voeren. Dit kunnen zowel fundamentele doelen als de doelen van je opdrachtgever zijn. Een doelstelling bestaat uit: een centrale formulering, de aanduiding van het onderzoekstype, de aanduiding van de relevantie en vermelding van de doelen en wensen van de opdrachtgever.

    Een goede probleemstelling voldoet aan de volgende voorwaarden: 1) samenhang met de doelstelling, 2) opgesplitst in deelvragen, 3) specifieke onderzoeksvragen, en 4) relatie met de verwachtingen. Daarnaast moet de probleemstelling volledig en doelvrij zijn. Met doelvrij wordt bedoeld dat de probleemstelling onafhankelijk en objectief moet zijn.

    Een goede probleemstelling is in vraagvorm opgezet. De vraag bevat de volgende onderdelen: welke kennis, over wie, over welke periode, en bevat de belangrijkste begrippen. Er zijn verschillende vraagtypen. Afhankelijk van de probleemstelling wil je iets beschrijven, definiëren, verklaren, voorspellen, vergelijken, evalueren, voorschrijven of een ontwikkeling volgen. Meestal is de probleemstelling een vrij lange zin, omdat er meerdere vraagtypen in gevat moeten worden. Een probleemstelling bestaat vaak uit een hoofdzin (bijvoorbeeld de beschrijvende vraag), en een bijzin (bijvoorbeeld de verklarende vraag). Een simpel voorbeeld is: Welke invloed heeft X op Y, en hoe is deze invloed te verklaren?

    Vanuit een brede, algemene probleemstelling kan worden toegewerkt naar specifieke deelvragen door de centrale vraag op te splitsen naar een aantal aspecten, zoals doelgroep, eenheden, onderwerpen. Verschuren en Doorewaard (1998 in Verhoeven, 2010, p. 74) noemen dit ‘rafelen en rasteren’. Een handig instrument om dit te doen is het maken van boomdiagram, waarbij je de centrale vraag steeds verder opsplitst, en daardoor specifiekere vragen creëert.

    Na het bepalen van de doelstelling, probleemstelling en specifieke deelvragen is het van belang om de begrippen die centraal staan in het onderzoek te definiëren. Het definiëren en afbakenen van begrippen is van belang om een aantal redenen: de betekenis van het begrip is helder, de grenzen van je onderzoek – wat je wel en niet onderzoekt – zijn duidelijk, het geeft duidelijkheid over welke informatie verzameld moet worden in het onderzoek. Definities kunnen uit wetenschappelijke literatuur overgenomen worden, maar kun je ook speciaal voor je eigen onderzoek opstellen. Dit zijn zogenaamde stipulatieve definities en nemen vaak de volgende vorm aan: ‘In dit onderzoek wordt onder begrip X verstaan ...’.

    In de probleemstelling presenteer je het domein van je onderzoek; waarover je uitspraken gaat doen, alsmede de bewering; welke uitspraken je doet. Terugkomend op de vraag hierboven is Y het domein, en de invloed van X de bewering.

    Hypothese

    De verwachting dat X een invloed zal hebben op Y heet een hypothese. In een hypothese beschrijf je de verwachtingen die je hebt als je aan het onderzoek begint. Deze hypothesen komen niet uit de lucht vallen; je baseert ze op argumenten uit de literatuur. Hypothesen zijn toetsbare uitspraken. Je toetst ze door middel van kwantitatieve analyses van de data die je binnen je steekproef verzamelt. Als je zeker bent dat de resultaten geldig zijn voor je steekproef (significantie; meestal 95% zekerheid) dan kun je de uitspraken ook voor je populatie doen. Hier wordt later nog uitgebreid op ingegaan. Een hypothese stel je meestal op in twee delen: de nulhypothese (je verwachting) en de tegenhanger. Bijvoorbeeld H0: X heeft een invloed op Y; H1: X heeft geen invloed op Y.

    Onderzoeksmodel

    De verwachte uitkomsten van je onderzoek kun je ook samenvatten in een model. In zo’n model geef je aan welke relaties je verwacht tussen de begrippen. Dit kunnen zowel tweezijdige relaties (pijlpunten in beide richtingen) als eenzijdige relaties (pijlpunt in een richting) zijn. Een eenzijdige relatie wordt ook wel een causale relatie genoemd; een oorzaak-gevolg relatie: X - Y. Modelbouw is vooral bij fundamenteel onderzoek van groot belang, maar kan ook van pas komen tijdens praktijkgericht onderzoek. Dit soort modellen worden ook wel een causaal model, of conceptueel model genoemd.

    De laatste stap in de ontwerpfase is het samenstellen van een onderzoeksplan. De keuze voor een bepaald onderzoeksontwerp hangt af van een aantal keuzes. Er zijn zowel theoretische als praktische overwegingen. Theoretische overwegingen zijn: kennis over een bepaalde methode, vaardigheid in een bepaalde methode, opvattingen over onderzoek (welke stroming van onderzoek), cross-sectionaal onderzoek (op één moment in de tijd) of longitudinaal onderzoek (op meerdere momenten herhaald). Praktische overwegingen zijn: hoeveel tijd er beschikbaar is, hoeveel geld er beschikbaar is, welke onderzoekseenheden beschikbaar zijn, welke mogelijkheden en beperkingen de onderzoeker heeft. Naar aanleiding van de probleemstelling is het meestal al duidelijk welke dataverzamelingsmethode gebruikt kan worden.

    Onderzoeksplan

    Een onderzoeksplan bestaat uit de volgende onderdelen:

    • Aanleiding voor het onderzoek

    • Probleemstelling

    • Doelstelling

    • Hypothesen en model

    • Onderzoeksontwerp en verantwoording

    • Tijdsplanning

    • Literatuurlijst

    Tijdens het ontwerp van je onderzoek hou je goed in de gaten of je wel op de juiste weg bent. Zo ja, dan ga je door. Zo nee, dan ga je terug en maak je nieuwe keuzes. Met andere woorden, onderzoeksontwerp is een iteratief proces; een herhalingsproces.

    Als je bepaald hebt uit welke onderdelen en activiteiten je onderzoek bestaat kun je deze gaan koppelen aan een tijdsplanning. Om een tijdsplanning te maken kijk je uit welke onderdelen je onderzoek bestaat, in welke volgorde je deze moet uitvoeren, welke prioriteit de onderdelen hebben, welke deadlines al vaststaan en op welke deadlines je invloed hebt. Aan de hand van deze factoren maak je een indeling. Vergeet niet ook wat vrije ruimte in te plannen, voor eventuele uitloop of andere onverwachte zaken.

    Tijdsplanning

    Je tijdsplanning kun je makkelijk invoeren in programma’s zoals MS Project en Excel. Je vult dan bijvoorbeeld de verschillende onderdelen en taken in de eerste kolom in, en zet de tijd uit op de horizontale as. Dit document wordt ook wel je logboek genoemd. Omdat je tijdens het maken van tijdsplanning moet nadenken over de structuur van je onderzoeksverslag kun je alvast een eerste versie van de inhoudsopgave in elkaar zetten.

    Ook maak je een raming van de kosten: je stelt een begroting op. Het beschikbare budget hangt van veel factoren af, maar ga in deze fase in elk geval na welk bedrag beschikbaar is en of er een maximum besteedbaar bedrag is vastgesteld. Ook kun je een schatting maken van de kosten die je denkt te gaan maken. Denk hierbij aan personele kosten, kosten van drukwerk, porto, zaalhuur, etc.

    Onderzoeksrapportage

    Aan de rapportage van je onderzoek werk je gedurende het hele onderzoekstraject. In deze fase wordt in ieder geval het onderzoeksvoorstel en een eerste opzet voor het onderzoeksontwerp op papier gezet, en maak je een raamwerk voor je onderzoeksverslag aan de hand van de inhoudsopgave. Ook houd je zaken bij in een logboek, waar je belangrijke dingen in opneemt aan de hand van je tijdsplanning.

    Onderzoeksvoorstel

    Je onderzoeksvoorstel wordt beoordeeld door je docent, je opdrachtgever of collega-onderzoekers. Beoordeling door collega’s wordt ook wel peer assessment of peer examination genoemd. Er wordt beoordeeld of de onderdelen van je onderzoeksvoorstel aanwezig zijn, voldoende duidelijk zijn en logisch op elkaar volgen.

    Welke soorten onderzoek zijn er?

    Welke soorten onderzoek zijn er?


    Kernpunten

    Onderzoek onderscheidt twee vormen: Fundamenteel onderzoek dat zich kort gezegd richt op uitbreiding van kennis, terwijl praktijkgericht onderzoek is bedoeld om oplossingen te bieden voor een praktijkgericht probleem. Wetenschap houdt zich aan een bepaalde systematiek en logica, welke hier weergegeven worden in de empirische cyclus. Belangrijke begrippen zijn: exploratie, inductie, deductie, hypothesen, toetsing. Kerndoelen:

    • Onderscheiden van fundamenteel en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek.

    • Kennen van verschillende stadia in de empirische cyclus en de mogelijkheid tot reproductie hiervan.

    • Het in eigen woorden beschrijven van inductie en deductie.

    • Het belang van hypothesen in wetenschappelijk onderzoek.

    • Kennis over de mogelijkheid van wetenschap in ondersteuning van beleidsvorming in beleid en professionele praktijk.

    2.1. Kennis en praktische problemen

    Vaak levert onderzoek nieuwe vragen op, vinden onderzoekers hiaten in ander onderzoek of heeft dit onderzoek te weinig antwoorden geleverd. Er ontstaat een kennisprobleem. Fundamenteel onderzoek houdt zich bezig met het ontwikkelen van hypothesen, theorieën en de toetsing hiervan. De antwoorden leveren theoretische kennisvermeerdering op en lost dus het kennisprobleem op. Praktijkproblemen daarentegen ontstaan buiten de wetenschap om, wanneer personen, groepen of bedrijven bijvoorbeeld ergens tegen aan lopen. Hier steekt praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek de kop op, zij doet onderzoek naar ontwikkeling, uitvoering, evaluatie van oplossingen voor prakrijkproblematiek. Ook hier is sprake van uitbreiding van kennis, maar in dit geval is het praktische kennis die beleidsmakers en professionals direct helpen bij besluitvorming. Vaak kan praktijkgericht onderzoek niet wetenschappelijk worden genoemd omdat het nauwelijks theorievorming bevat, tevens weinig systematiek, moet het snel gebeuren en maakt het gebruik van niet wetenschappelijke normen, maar veelal die van de opdrachtgever of beroepsgroep. Praktijkgericht onderzoek dat niet voldoet aan de wetenschappelijke normen van methodologie wordt dan ook praktijkgericht niet-wetenschappelijk onderzoek genoemd. Bijna elk onderzoek heeft te maken met zowel praktijkproblemen als met kennisproblemen, toch moet de onderzoeker duidelijk kunnen maken wat het primaire doel is.




    Type onderzoek

    Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek

    Praktijkgericht niet-wetenschappelijk onderzoek

    Praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek

    Hoofddoel

    Kennisvermeerdering in verlengde van theorie

    Ondersteuning van besluitvorming

    Kennis voor besluitvorming

    Richtinggevende regels en normen

    Wetenschappelijke normen.

    Praktijknormen (van opdrachtgever/ beroepsgroep)

    Praktijknormen en wetenschappelijke normen

    Resultaten

    Generalisering op basis van theorie

    Eigen praktijksituatie

    Eigen praktijksituatie en eventueel generalisering naar andere praktijksituaties

    2.2. Empirische cyclus voor fundamenteel onderzoek

    De verschillende stappen in het onderzoeksproces staan op logische volgorde, samengevat in de empirische cyclus van De Groot 1971. Dit is een theoretisch of methodologisch model van wetenschappelijk onderzoek, ideologisch opgesteld. Theorie is hier een centraal begrip. De volgorde is als volgt:

    • Observatie

    • Inductie

    • ((Theorie) deze staat niet in het boek maar wordt over het algemeen geplaatst tussen inductie en deductie.)

    • Deductie

    • Toetsing

    • Evaluatie

    • Observatie; nadat de cyclus afgerond is volgt vaak weer een nieuwe cyclus. Dit omdat een goed onderzoek altijd nieuwe vragen oplevert. Dit wordt verderop uitgewerkt.

    Observatie

    Voor de verzameling van onderzoeksmaterie is observatie van belang. Deze observatie dient ertoe duidelijk te krijgen welke kennis al aanwezig is, of en welke hiaten daar in zitten, en te kijken of deze kennis toereikend is om de onderzoeksvraag te antwoorden. Dit is vaak niet zo, er ontstaat dus een kennisprobleem. Om te weten welke kennis er allemaal aanwezig is, hoe andere onderzoekers tegen het probleem aan kijken en om de onderzoeksopzet en zijn probleemstelling duidelijk te krijgen is systematisch literatuuronderzoek de belangrijkste bron. Na formulering van het kennisprobleem is het duidelijk welke fasen van de empirische cyclus zullen volgen. Wanneer veel kennis ontbrekend blijkt te zijn en een goede, complete theorie mist noemt men het een explorerend onderzoek. In dit geval komt het neer op de eerste fasen van de cyclus tot er met de theorieformulering. Wanneer de onderzoeker bestaande kennis en een daarbij behorende theorie wil toetsen noemt men het een toetsend onderzoek. Dit omvat theorie tot en met evaluatie, de laatste fasen van de cyclus.

    Inductie

    Inductie is zoals weergegeven in de opsomming de tweede fase van de empirische cyclus. Hierin worden belangrijke fenomenen vastgesteld en benoemd. Op basis van hun ervaring en aanwezige kennis construeren onderzoekers een onderbouwde verwachting weergegeven in mogelijke empirische regelmatigheden en verbanden, een educated quess. Deze educated guess is de basis voor de te onderzoeken hypothesen. Om de genoemde verbanden te vinden wordt aan de hand van gedane observaties een te veralgemeniseren uitspraak gedaan. Door dit te doen voor verder onderzoek te doen heet inductie. Er wordt als het ware gegokt met enige voorkennis. In de empirische cyclus spreken we nu van bij de veronderstelling of de exploratieve hypothese, dit omdat de werkelijke verklaring van de theorie nog gevonden moet worden. Inductie van een dergelijke hypothese betekent de start van de zoektocht naar de verklaring of interpretatie van een theorie. Omdat een theorie centraal staat in de empirische cyclus heb ik hem bij de opsomming gevoegd. In de eerste fasen van de empirische cyclus, observatie en inductie, is men nog op zoek naar een theorie. In de laatste fasen, deductie, toetsing en evaluatie, beoordeelt men de gevonden theorie. Een theorie staat voor samenhangende uitspraken waarmee wetmatigheden beschreven, uitgelegd en voorspeld kúnnen worden. Omdat er vaak meerdere verklaringen mogelijk zijn voor fenomenen kiezen onderzoekers bij de uitwerking van theorieën de meest waarschijnlijke. Het afwegen van verklaringen is een belangrijk kenmerk voor exploratief onderzoek waarin de theorie nog gevonden moet worden of nog niet is getoetst.

    Deductie

    Om tot een hypothese te komen redeneert men van een algemene uitspraak naar het specifieke. Dit noemt men deductie. Deductie is dus de tegenhanger van inductie. Een hypothese is hierbij de verwachtte waar te nemen feiten. (Hoe tot hypothesen toe geredeneerd wordt, wordt verder uitgelegd in het volgende hoofdstuk.) Zoals gezegd is het doel van een theorie; verklaren. Deze verklaring wordt getracht te vinden door naar de oorzaak van fenomenen te zoeken. 1Welke hypothesen en aannames afgeleid worden uit de theorie is afhankelijk van het gekozen vertrekpunt voor het onderzoek.

    Toetsing van hypothesen

    Hypothesen zijn relevante criteria om de gestelde theorieën te kunnen testen. De toetsing gebeurt door de uitkomsten na analyse van empirische data tegenover de hypothese te zetten en met elkaar te vergelijken. Wanneer de hypothese geverifieerd is door uitkomsten van data analyse, is de hypothese bevestigd, en dus waarschijnlijk. (let op: na verificatie is het nog steeds niet zeker of de hypothese klopt.) Wanneer de hypothese gefalsifieerd wordt, wordt deze verworpen of opnieuw geformuleerd. Verificatie en falsificatie worden in een later hoofdstuk verder uitgewerkt. De ervaring heeft geleerd dat veel onderzoekers vrijwel nooit na falsificatie hun gehele theorie verwerpen, maar altijd proberen te redden wat er te redden valt, door aanpassingen aan te brengen in de theorie.

    Evaluatie

    Aangekomen bij de laatste fase van de cyclus wordt de grote vraag beantwoord: is het kennisprobleem opgelost? Dit kan er toe leiden, indien het kennisprobleem nog in enige mate aanwezig is, om de empirische cyclus, al dan niet geheel, opnieuw te doorlopen. Zo kan opnieuw begonnen worden met observaties, maar wanneer de verbanden en regelmatigheden wel lijken te kloppen en de antwoorden alleen maar nieuwe vragen hebben opgeleverd kan men er ook voor kiezen enkel te exploreren naar verdere verklaringen van de gevonden wetmatigheden. Wat ook kan is dat de overtuiging leeft dat niet de theorie onjuist is, maar in de gedane veronderstellingen een fout zit. In sum: er bestaan verschillende redenen voor het niet oplossen van kennisproblemen.

    • Afstappen van theorie omdat er betere verklaringen voor gevonden data zijn.

    • Onjuiste uitvoering van onderzoek.

    • Verdere uitwerking van de theorie is noodzakelijk.

    Ook kan het zijn dat andere verklaringen mogelijk zijn voor de theorie. Deze dienen dan los van elkaar op empirische gronden uitgesloten te worden om de bestaande theorie te bevestigen, of er wordt veronderstelt dat er verder onderzoek nodig is om deze alternatieven uit te sluiten.

    Praktisch Wetenschappelijk onderzoek

    Zoals vermeld bestaat het doel van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek uit het bevorderen van het maken van beslissingen. Vaak worden bestaande, reeds geteste, theorieën gebruikt, zelden wordt een eigen theorie ontwikkeld. Hoe het ook zij: Deze theorie bestaat altijd om een oplossing te bieden voor praktijkproblemen op korte termijn. De opdrachtgevers zijn vaak de belanghebbenden bij het onderzoek.

    Ook binnen praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek doorloopt men niet alle fasen in de cyclus, en onderzoeken ze dus bijna nooit alle fasen van besluitvorming tegelijkertijd. Veelal richt men zich met name op probleemanalyse, vaststelling van praktijkproblemen, of met interventie en evaluatie.

    Formuleren praktijkprobleem

    Praktijkproblemen komen vaak uit praktijksituaties van niet-wetenschappers, en zijn de aanleiding tot praktisch wetenschappelijk onderzoek. De probleemstelling is niet alleen in het belang van de onderzoekers, maar ook van de opdrachtgevers en de betrokkenen. Probleemanalyse is vaak essentieel. Verschillende methoden kunnen hiervoor toereikend zijn; interviewen van deskundigen/experts, situatieve observatie, literatuurstudie naar soortgelijke probleemonderzoeken en hun resultaten. Soms is door een dergelijke analyse het probleem al opgelost en is verder onderzoek dus niet meer nodig. In vele gevallen leidt de probleemanalyse vooral tot een duidelijke doel- en vraagstelling. Als dit helder is, kan men bepalen aan welke fase(n) van de besluitvorming het onderzoek kan worden gekoppeld.

    Vaststelling

    Wanneer de onderzoeker de probleemsituatie en zijn oorzaken duidelijk wil hebben is hij bezig met diagnostisch onderzoek. Dit soort onderzoek komt in de praktijk op verschillende manieren voor, zo kan er gekeken worden naar individuele gevallen of juist naar organisaties. Opvallend is dat er analyse van beginsituatie en bestaande oplossingen wordt gedaan. Deze ‘oplossingen’ worden dan onder de loep genomen om te bekijken waarom ze niet toereikend zijn. Het moge duidelijk zijn dat de diagnosticerende fase geldt voor vaststelling en verheldering van het praktijkprobleem om hier vervolgens passende oplossingen voor te vinden. Hier wordt dan ook uitermate goed gekeken naar verschillende factoren van het probleem en hoe goed deze te veranderen zijn. Verandering van factoren is immers van belang om het probleem op te lossen.

    Plan en besluit

    Tijdens de besluitvorming wordt een plan beschreven waarin doel, de bijbehorende middelen en de probleemoplossingen vermeld staan. Het doel en de middelen worden duidelijk na situatieonderzoek en ondervraging van de betrokkenen. Wanneer duidelijk is wat men met het onderzoek wil bereiken volgt een analyse van de middelen. De plannen worden bekritiseerd op effectiviteit en uitvoerbaarheid, uiteraard voordat de daadwerkelijke ingreep plaatsvindt. Omdat dit voor de ingreep gebeurt wordt dit wel ex ante evaluatie genoemd. ( ex ante: van tevoren(Latijn)). Deze analyse vindt plaats omdat de mogelijke effecten en haalbaarheid voor de uitvoering duidelijk moeten zijn. De onderzoeksfragmenten ten behoeve van beoordeling en ondersteuning van de plannen voor besluitvorming heet planevaluatie. Onderzoekers gaan dan na of hun plan wel aansluit bij de diagnose die ze hebben opgesteld over het probleem. Dit vergemakkelijkt het beoordelen van de plannen op mogelijke effectiviteit een aansluiting bij de problemen.

    Ingreep

    Het onderzoek tijdens uitvoering van de plannen, of de ingreep om de problemen aan te pakken, noemt men procesevaluatie. Hierbij worden de invoering van het plan en zijn tussentijdse uitkomsten bekeken. Ook: formatieve evaluatie. Bij het eerdergenoemde actieonderzoek zijn de onderzoekers ook actief bezig met dit proces van verandering. De onderzochten werken mee aan het onderzoeksproces. Bewustwording van het probleem en gezamenlijke verantwoording zijn hierbij vooraanstaande doelen.

    Veranderingen

    In de eindevaluatie wordt bekeken of de ingreep praktisch effectief blijkt. Dit deel van onderzoek wordt product- of uitkomstevaluatie genoemd. Engels: summatieve evaluatie. Evaluatieonderzoek is erg belangrijk binnen de praktijkgerichte wetenschap. Maatregelen moeten geworteld zijn in geldig wetenschappelijk bewijs van effectiviteit, dit noemt men evidence based handelen. De te evalueren uitkomsten worden van tevoren bepaald. Ook is het van belang zo veel mogelijk na te gaan of de gedane veronderstellingen vanuit de theorie kloppen. Fundamenteel en praktijkgericht onderzoek zijn niet zo hermetisch van elkaar gescheiden als het voorgaande schrijven doet voorkomen. Op termijn heeft bijna elk fundamenteel onderzoek praktische gevolgen en bij praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek worden ook theorieën ontwikkeld en gebruikt. Het belangrijkste onderscheid is dat de uitkomsten van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek een direct (positief) gevolg hebben voor de betrokkene. De ontwikkeling van een theorie is niet het voornaamste streven van het onderzoek, maar wel een bijkomend streven.

    Hoe komt een literatuuroverzicht tot stand?

    Hoe komt een literatuuroverzicht tot stand?


    Voorafgaand aan het schrijfproces

    Aan het daadwerkelijke schrijven gaan een aantal belangrijke stappen vooraf: het kiezen van een onderwerp, het formuleren van een probleemstelling, de zoektocht naar literatuur, het selecteren van de meest geschikte literatuur, het lezen van de geselecteerde literatuur, het eventuele herformuleren van de probleemstelling, het grondig bestuderen van de geselecteerde literatuur en het schrijven van een opzet voor de uiteindelijke tekst.

    Het kiezen van een onderwerp

    Wanneer je niet direct weet over welk onderwerp je zou willen schrijven, kan het helpen om de studieboeken van vakken die je interessant hebt gevonden nog eens open te slaan. Zo krijg je meteen een indruk van bestaand onderzoek naar een bepaald onderwerp. Ook kun je een onderwerp kiezen dat je interessant vindt en dat juist nog niet aan bod is gekomen in het vakkenaanbod. Daarnaast kan overleg met medestudenten of docenten je helpen een idee te krijgen. Het is belangrijk dat je een onderwerp kiest dat je boeiend vindt zodat je gedurende het schrijfproces gemotiveerd blijft.

    Het formuleren van de probleemstelling

    De probleemstelling is de eerste aanduiding van de vraag die je wilt gaan beantwoorden. De probleemstelling geeft weer hoe jij in algemene zin je gekozen onderwerp zult benaderen. Nadat je een probleemstelling hebt gekozen, is het belangrijk dat je een voorlopige vraagstelling formuleert om gericht naar literatuur te kunnen zoeken. Tijdens je zoektocht kun je de voorlopige vraagstelling nog bijstellen, aan de hand van de artikelen die je vindt.

    De zoektocht naar literatuur

    Wetenschappelijke literatuur bestaat uit artikelen in wetenschappelijke tijdschriften, geredigeerde boeken over meerdere onderwerpen (vaak van meerdere auteurs) en boeken gewijd aan één onderwerp. Er zijn verschillende manieren om geschikte literatuur te vinden.

    • Vanuit een geschikte basispublicatie. Vanuit een boek of artikel dat geschikt is voor het beantwoorden van jouw vraagstelling, kun je verder zoeken via de referentielijst in het boek of artikel.

    • Vanuit zoektermen. In databases kun je zoeken met zoektermen die bij jouw vraagstelling horen. Voorbeelden zijn PsychInfo, OvidSP en Google Scholar.

    Het zoekproces

    Het belangrijkste kenmerk van een goed zoekproces is dat je actief op zoek gaat en niet slechts passief wat zoektermen intypt en afwacht wat eruit de computer rolt. Je zoekproces wordt actief doordat je de volgende stap laat afhangen van wat je vindt. Door titels en abstracts te bestuderen krijg je al snel een idee waar een artikel over gaat. De verschillende onderzoeksopzetten of theoretische benaderingen die je tegenkomt geven je voorlopige vraagstelling verder vorm. Ook helpt dergelijke informatie je een goede indeling te maken van je literatuuroverzicht: wat worden bijvoorbeeld de verschillende paragrafen?

    De gebruikte zoektermen zijn een belangrijk onderdeel van een actief zoekproces. Kies je zoektermen zo dat ze het betreffende deelgebied goed bestrijken. Vertaal je zoektermen naar het Engels; de meeste databases en artikelen zijn in die taal. Maak gebruik van de cited by functie waar mogelijk: zo kun je zien welke artikelen het artikelen dat jij hebt gevonden als bron gebruiken. Dit helpt je de bron op waarde te schatten en brengt je ook weer bij andere artikelen die mogelijk bruikbaar voor je zijn.

    Wanneer je teveel geschikte titels hebt, kun je met behulp van je zoektermen je vraagstelling nauwer en zo specifieker maken. Heb je te weinig titels, dan kun je de vraagstelling juist wat breder trekken en ook andere zoektermen gebruiken. Kun je echt te weinig vinden, dan moet je de vraagstelling bijstellen.

    Het beoordelen van gevonden literatuur

    Ten eerste kijk je of een artikel dat je hebt gevonden inhoudelijk aansluit bij je vraagstelling. Hiervoor maak je gebruik van de titel en de eventuele ondertitel(s). Daarna lees je de abstract of samenvatting aan het begin van het artikel. Bij een boek werkt het ongeveer hetzelfde: je kijkt naar de titel, de ondertitel(s) en naar de inhoudsopgave. Vaak worden aan het begin of eind van hoofdstukken samenvattingen gegeven die je kunt bekijken om de bruikbaarheid van het boek of een hoofdstuk in te schatten.

    Zoekmachines

    Via de inlogcodes die je van je universiteit hebt gekregen heb je toegang tot een groot aantal gecomputeriseerde databases, die elk miljoenen wetenschappelijke artikelen en hoofdstukken bevatten. Alle informatie over één publicatie wordt record genoemd. Een record bestaat vervolgens uit onderdelen als de auteur, de titel, het uitgever, trefwoorden etc. Deze kun je in zoekvelden invullen om zo publicaties te kunnen vinden.

    Psychinfo

    Psychinfo bevat tijdschriftartikelen uit zo’n 1500 wetenschappelijke psychologische tijdschriften en vele hoofdstukken uit geredigeerde boeken. Psychinfo is een geavanceerde zoekmachine waarmee je kunt zoeken in de thesaurus, geschikte titels kunt opslaan, zoektermen kunt combineren en met behulp van extra functies gerichter kunt zoeken.

    ISI Web of Knowledge

    Web of Knowledge heeft als groot voordeel dat alle informatie die erin is opgenomen onderling verbonden is. Als je een centraal artikel hebt gevonden dat je kan helpen je vraagstelling te beantwoorden, kun je heel gemakkelijk vinden wat de achtergrond van de publicatie is en wat er na publicatie mee gebeurd is. Web of Knowledge bevat nog meer tijdschriften dan Psychinfo. Je kunt met Web of Knowledge zowel algemeen naar artikelen zoeken als zoeken naar verwante artikelen, wanneer je een geschikt artikel hebt gevonden.

    Google Scholar

    Google Scholar is gebaseerd op het welbekende Google en werkt heel intuïtief. In het zoekveld kun je zowel zoektermen als auteursnamen of tijdschrifttitels invullen. Ook bestaat er een geavanceerde zoekoptie. Een extra functie van Google Scholar is cited by, waarmee je kunt vinden in welke artikelen het artikel dat je hebt gevonden genoemd wordt. Een nadeel is dat het met Google Scholar lastig kan zijn om een systematische zoektocht uit te voeren, omdat je bijvoorbeeld geen verzameling van zoekresultaten kunt opslaan. Een groot voordeel van Google Scholar is dat het heel makkelijk te hanteren is, omdat het zoveel lijkt op de normale zoekmachine van Google die iedereen wel kent.

    PiCarta

    PiCarta is een database waarin je boeken over je onderwerp kunt vinden. Het is een gecombineerde bibliotheek van alle universiteiten in Nederland en bevat daarnaast veel wetenschappelijke publicaties. Je kunt zowel met boektitels als met zoektermen zoeken. Een specifiek boek vindt je door de volledige titel in te typen tussen aanhalingstekens en dan de optie “titelwoorden” te selecteren in de zoekmachine.

    Het schrijven van een opzet

    Wanneer je alle literatuur hebt verzameld, is het vervolgens tijd om de structuur van het literatuuroverzicht te ontwerpen. Hierbij is het schrijven van een opzet een belangrijk hulpmiddel. Een goede opzet zorgt ervoor dat je rode draad helder wordt en kost veel werk.

    De totstandkoming van een opzet

    Een literatuuroverzicht is altijd opgebouwd uit een inleiding, middenstuk en conclusie. In de opzet moet daarom duidelijk zijn weergegeven wat je in deze verschillende onderdelen wilt behandelen. Hoe meer werk je in je opzet steekt, hoe minder werk je literatuuroverzicht uiteindelijk nog gaat kosten.

    Voordat je een opzet begint te maken heb je de literatuur nauwkeurig bestudeerd. Jouw visie op de gevonden literatuur bepaalt de indeling van het literatuuroverzicht. Je zoekt eerst uit welke delen van de gevonden artikelen relevant zijn voor het beantwoorden van je vraagstelling. Soms bespreekt een auteur in een artikel bijvoorbeeld 3 experimenten, waarvan er slechts 1 relevant is voor jou. De anderen kun je dan weglaten. Van de voor jou relevante onderdelen maak je een korte samenvatting. Vervolgens evalueer je de gevonden informatie en van de onderzoeksvraag van de auteur voor jouw onderzoeksvraag. Kijk ook of de onderzoeksopzet valide was, bijvoorbeeld door operationalisaties onder de loep te nemen. Als je alle publicaties op deze manier goed hebt bestudeerd, kun je gaan nadenken over de opbouw van je literatuuroverzicht. Hier moet je alle analyses en evaluaties samenvoegen om een rode draad te vlechten die alle publicaties met elkaar in verband brengt. Vaak is het handig om te beginnen met het slot. Wat is het antwoord op je onderzoeksvraag? Vervolgens kun je nagaan hoe je bij dat antwoord bent gekomen aan de hand van de literatuur. Er zijn verschillende opties:

    • het antwoord op de onderzoeksvraag is af te leiden uit de analyses van de gebruikte artikelen

    • het antwoord op de onderzoeksvraag is niet eenduidig

    • het antwoord is niet gevonden, omdat studies elkaar tegen spreken

    • de gevonden literatuur bleek toch niet geschikt om je vraag te beantwoorden

    Het kan nodig zijn je onderzoeksvraag achteraf aan te passen aan de gevonden informatie. Zolang je een rode draad vindt die de publicaties die je gebruikt verbindt, is de rode draad om te vormen tot een nieuwe onderzoeksvraag.

    De opzet zelf

    De opzet bevat de complete argumentatiestructuur van het uiteindelijke literatuuroverzicht. De opbouw, aan de hand van paragrafen en alinea’s, is duidelijk weergegeven. Hieronder is schematisch weergegeven welke elementen de opzet moet bevatten.

    • Titel

    • Inleiding (probleemgebied, theorie, uitleg begrippen, eerder onderzoek, relevantie, vraagstelling, opbouw literatuuroverzicht)

    • Middendeel (deelvragen, ieder met hoofdpunten onderzoeken en resultaten, paragraafconclusie en een overgang)

    • Conclusie (onderbouwd antwoord op de vraagstelling, discussie en kritiekpunten, suggesties voor vervolgonderzoek en de bredere context)

    • Literatuurlijst (volledig, en op alfabetische volgorde)

    Wat zijn de principes van kwalitatief onderzoek?

    Wat zijn de principes van kwalitatief onderzoek?


    Wat is analyse?

    Er zijn in de literatuur verschillende definities van het proces van kwalitatieve analyse bijvoorbeeld:

    ‘Analyseren is het opbreken, separeren of uiteen rafelen van onderzoeksmateriaal in delen, stukken, elementen of units. Als de feiten uiteengerafeld zijn in behapbare stukken, moet de onderzoeker ze sorteren en verschuiven, zoekend naar type klassen, processen, patronen en gaten. Het doel van dit proces is data op een zinvolle en begrijpelijke manier in elkaar te zetten of te reconstrueren.’ (Jorgensen 1989:107)

    De auteurs van het boek benadrukken dat pas tijdens de kwalitatieve analyse wordt besloten welke categorieën worden gegenereerd, op basis van wat er uit de data komt. Sorteren, coderen en categoriseren gaan hand in hand. Langzamerhand vormen zich tijdens de analyse de basisblokken en wordt ook de relatie tussen de verschillende blokken duidelijk. Daarom komen zij tot de volgende definitie:

    ‘Kwalitatieve analyse is het segmenteren (uiteenrafeling) van data in relevante categorieën en het benoemen van deze categorieën met codes, terwijl tegelijkertijd categorieën uit deze data worden gegenereerd. In de fase waarin je gaat structureren (in elkaar zetten/modelleren) worden de categorieën aan elkaar gerelateerd en generen zo een theoretisch begrip van het sociale fenomeen dat bestudeerd wordt in het licht van de probleemstelling.’ (Boeije, 2010: 76-77)

    De hoofdelementen van kwalitatieve analyse zijn segmenteren (uiteenrafelen) van de data en het vervolgens weer structuren (in elkaar zetten) van deze data.

    Segmenteren van de data

    Het segmenteren van data wordt beschouwd als de eerste modificatie van de gegevens na de voorbereiding van de data. Het segmenteren van gegevens houdt in dat je onderscheid maakt tussen de verschillende relevante fragmenten in de gegevens. Fragmenten waarvan de onderzoeker sorteert en zet de fragmenten bij elkaar in betekenisvolle groepen/categorieën.

    Deze groep fragmenten krijgt vervolgens een overkoepelende label; een code. Het categoriseren in groepen, is niet slechts een technische taak, omdat de onderzoeker de delen van de gegevens ook constant interpreteert.

    Tijdens dit proces worden dus verschillende teksten, getranscribeerde interviews, veldnotities en focusgroep rapporten met elkaar vergeleken. De onderzoeker bepaalt vervolgens of de verschillende fragmenten relateren aan hetzelfde thema, ondanks dat de geïnterviewde soms verschillende woorden gebruiken om hetzelfde thema te beschrijven.

    Structureren

    Structurering (ook wel synthetiseren, structureren, integreren of modelleren) vindt plaats naarmate het onderzoek vordert. Alvorens de verschillende relaties tussen de verschillende bouwblokken te overwegen, moeten de bouwblokken zelf heel duidelijk zijn. Voor het vinden/zien van deze thema’s is het noodzakelijk om met een bepaalde (theoretische) bril te kijken: theoretische sensitiviteit. Vervolgens kan men weer kijken of de begrippen of thema’s ook aan elkaar gelinkt kunnen worden. Het vinden van dit soort samenhang vereist ook weer een theoretische sensitiviteit van de onderzoeker. De relaties tussen de verschillende begrippen in het model worden gelegd op basis van bepaalde waarnemingen in het onderzoek. Vervolgens worden ze in hetzelfde onderzoek getoetst met waarnemingen bij andere plaatsen.

    Een onderzoek kent vaak één (en soms meerdere) kernbegrip(pen). De onderzoeker neemt een beslissing over het kernbegrip na vele ronden van dataverzameling en data- analyse en na lang nadenken over het onderwerp. Het is echter mogelijk dat een andere onderzoeker een andere beslissing zou nemen.

    Het analyseren van kwalitatief onderzoek wordt vaak moeilijk gevonden. Net als de dataverzameling kent ook de analyse een open onderzoeksprocedure. Open in de analyse betekent dat er een systeem van begrippen wordt opgezet, waarmee de onderzoeksvragen kunnen worden beantwoord. Net als de probleemstelling staan ook de begrippen binnen het onderzoek niet vast. Deze worden tijdens het onderzoek ontwikkeld en bijgeschaafd. Doordat de relatie tussen de gegevens en de begrippen dus niet vaststaat, is het moeilijk om gegevens te analyseren. De terminologie die je gebruikt in de resultaten (om het onderzoeksveld te beschrijven en uit te leggen), ontwikkel je tijdens de uitvoering van het onderzoek.

    Welke startpunten zijn er tijdens het uitvoeren van de analyse?

    Er zijn drie basis procedures die dienen als kader om analytische methodes te begrijpen:

    1. Constante vergelijking

    2. Analytische inductie

    3. Theoretische sensitiviteit

    Wat is constante vergelijking?

    Constante vergelijking is de belangrijkste component van het analytische proces in de gegronde theoretische benadering. Constante vergelijking en theoretische selectie gaan hand in hand, zij vormen de hoekstenen van het onderzoek. Hun doel is om een variatie, die wordt gevonden in een bepaald fenomeen, te beschrijven. Ook is hun doel om te bepalen in welke situaties de verschillende variaties van het fenomeen zichzelf manifesteren. Er wordt vanuit gegaan dat het fenomeen zich zal manifesteren op verschillende manieren, wanneer de omstandigheden verschillen. Er wordt aangenomen dat de omstandigheden van een specifiek fenomeen gevonden kunnen worden door systematisch het onderzoeksmateriaal te vergelijken.

    Elke keer als er nieuwe gegevens zijn verzameld, wordt de dataverzameling tijdelijk afgesloten zodat je kunt gaan analyseren. Bij deze analyse kun je nieuwe codes formuleren, de inhoud van een categorie wijzigen en nieuwe vragen en veronderstellingen over de relatie tussen categorieën formuleren. Dit kun je zien als een soort tussenresultaat. Deze tussenresultaten worden vervolgens getoetst in een nieuwe periode van dataverzameling waarbij de gevallen strategisch worden gekozen. Hierdoor levert een nieuwe dataverzameling de onderzoeker casussen op die geschikt zijn voor vergelijking. De omstandigheden waaronder een verschijnsel zich op een bepaalde manier voordoet, kunnen worden gevonden door onderzoeksmateriaal systematisch met elkaar te vergelijken.
    Constante vergelijking is dus: het steeds weer toetsen van tussentijdse gevormde begrippen en inzichten aan een nieuwe ronde van dataverzameling. Wester heeft de methode van het constant vergelijken uitgewerkt als een strategie voor kwalitatief onderzoek. Deze strategie kent vier fasen:

    • De exploratiefase: hierin worden begrippen ontdekt. Onderzoekers verkennen het veld en proberen het precieze aantal codes weer te geven.

    • De specificatiefase: hierin worden begrippen ontwikkeld. De onderzoeker kiest uit de vele codes een aantal hoofdcodes en zoekt naar verschillen en overeenkomsten tussen de fragmenten met dezelfde code. Hierdoor kan het begrip dat door de hoofdcode wordt aangegeven, verder worden uitgewerkt.

    • De reductiefase: hierin wordt het kernbegrip bepaald en de relatie tussen dit kernbegrip en andere begrippen. In deze stage worden de hele documenten vergeleken om informatie te verstrekken over de relatie tussen bepaalde codes.

    • De integratiefase: hierin wordt de theorie ontwikkeld, een constante vergelijking vindt plaats om te zoeken naar gevallen waarbij de bevindingen worden getoetst aan de theorie. Verder worden de gevallen beoordeeld om te bepalen of ze kunnen worden opgenomen in het theoretische kader, en zo ja waar.
      (zie voorbeeld in het boek van een proces van constante vergelijking)

    Wat is analytische inductie?

    Florian Znaniecki ontwikkelde dit principe in 1934. Analytische inductie kan worden opgevat als een onderzoeksstrategie. Bij analytische inductie zoekt de onderzoeker naar de best passende theoretische structuur voor het onderzoeksmateriaal. Met de strategie kun je een definitie van een fenomeen ontwikkelen. In dat geval bepaalt de onderzoeker systematisch welke karakteristieken aanwezig zijn, telkens als een bepaald fenomeen voorkomt. Analytische inductie wordt echter hoofdzakelijk gebruikt om een theorie te ontwikkelen over de oorzaken van bepaald gedrag. Met dit in het achterhoofd worden voortdurend hypotheses getest op nieuw materiaal, waarbij de nadruk ligt op gevallen die de hypothese niet steunen (en dus juist ontkrachten). Als een dergelijk inconsistentie wordt gevonden, verander je ofwel de beschrijving van het fenomeen om het geval uit te sluiten, of de hypothese.

    Maso en Smaling ontwikkelden een toepassing van de methode van analytische inductie op theoriegericht onderzoek. Volgens hen is de applicatie geschikt voor onderzoek dat theorieën wil ontwikkelen; onderzoek dat streeft naar verklaringen. De toepassing heeft vier fasen:

    • De incubatiefase. Hierbij vormt bestaande literatuur de basis voor een theoretisch kader. Dat theoretische kader bestaat uit begrippen, veronderstellingen en hypothesen. Een voorstel is in dit geval een idee dat nog zo vaag is dat het nog niet als hypothese kan worden geformuleerd. Een hypothese is een voorstel dat is verfijnd tot een voorwaardelijke bewering, een ‘als….dan’ relatie. Het theoretische kader bevat voorstellen en hypotheses die betrekking hebben op de mogelijke antwoorden op de geformuleerde onderzoeksvragen.

    • De confrontatiefase. Hierin wordt het theoretisch kader direct na de eerste dataverzameling afgezet tegen de informatie die de waarnemingen opgeleverde. De begrippen, veronderstellingen en hypothesen uit het theoretisch kader zijn het belangrijkste in deze fase: ze worden op basis van de confrontatie bijgesteld, verworpen, aangepast, verdiept, etc.

    • De generatiefase. Hierin speelt het nieuwe materiaal de hoofdrol: als resultaat van het nieuwe materiaal worden nieuwe ideeën en hypothesen voorgesteld. Er wordt actief gezocht naar negatief bewijs; bevindingen die de veronderstellingen niet steunen om zo meer diepgaande resultaten te krijgen.

    De laatste twee fases worden keer op keer herhaald, op die manier worden voorlopige resultaten aangevuld, gecorrigeerd, verduidelijkt, verworpen of bevestigd.

    • De afsluitingsfase. Hierin wordt een voorlopig antwoord gegeven op de onderzoeksvragen, met een duidelijke indicatie waar de gegevens vandaan komen.

    Maso en Smaling laten zien dat consistente toepassing van deze fases leidt tot een zeer systematische onderzoeksaanpak.

    Wat is theoretische sensitiviteit?

    Theoretische sensitiviteit ontstaat uit de gegronde theoretische benadering (grounded theory). Theoretische sensitiviteit is het vermogen van de onderzoeker om creatieve vindingen te doen in onderzoeksgegevens door vanuit een bepaalde theoretische lens of bril naar de gegevens te kijken. Gewapend met bepaalde kennis kan een onderzoeker met de juiste blik naar de gegevens kijken. Dat wil zeggen: theoretisch sensitief of theoretisch geladen. De onderzoeker moet de ambitie hebben om niet slechts te beschrijven, maar om ook te ‘theoretiseren’. Een code is niet slechts een naam voor een categorie, het moet leiden tot een betekenisvolle interpretatie van de gegevens.

    Door Glaser en Strauss is er een heftige discussie over dit onderwerp gevoerd. Glaser gaf theoretische sensitiviteit een hele grote rol bij het analyseren van gegevens, die volgens hem verkregen moeten worden door ‘onderdompeling in de gegevens’. Hij ontwierp vele modellen (mallen) die onderzoekers konden gebruiken om hun gegeven te structureren. Deze mallen noemde hij coding families.

    Strauss en Corbin daarentegen propageerden voor een enkele mal, die ze coding paradigm noemden en waarvan ze claimden dat deze geschikt is voor alle data.

    Deze mal bestaat uit de onderdelen: condities, context, interacties/strategieën en consequenties. Naar deze vier elementen moet in de data worden gezocht. Glaser is echter van mening dat het coding paradigma van Strauss en Corbin leidt tot geforceerde modellering (forcing), in tegenstelling tot de werkwijze waarbij relevante theorieën boven komen drijven als resultaat van de interactie tussen de set data en de onderzoeker (emerging).


    Glaser

    Strauss en Corbin

    • Coding families

    • Coding paradigm

    Verschillende mallen voor verschillende data

    Een mal dat bij alle data past

    Leidt volgens Glaser tot emerging

    Leidt volgens Glaser tot forcing

    Hoe kan je op een stapsgewijze wijze analyseren?

    In voorafgaande secties zijn de principes van kwalitatieve analyse gepresenteerd. Alle inspanningen zijn gericht op de transformatie van de ruwe gegevens in resultaten.

    Samenvatting belangrijke punten uit het hoofdstuk:

    • Een grondige studie van de literatuur en sociale theorieën gaan vooraf aan het empirische deel van het kwalitatieve onderzoeksproject. De literatuur bepaalt het onderzoeksveld van de onderzoeker en draagt bij aan de formulering van de onderzoeksvragen en doelen. Bovendien levert het passende concepten, die functioneren als spotlights in het onderzoeksproject, vaak omschreven als sensitizing concepts. Literatuuronderzoek kan resulteren in de formulering van een kader dat het onderzoeksproces leidt.

    • De analysewerkwijze die je hanteert is gebaseerd op het principe van constante vergelijking, zoals ontwikkeld in de gegronde theoretische benadering en in de fases van Wester. Constante vergelijking is onlosmakelijk verbonden met een werkwijze waarbij dataverzameling en data-analyse worden afgewisseld in een cyclisch proces.

    • Coderen wordt gezien als het belangrijkste hulpmiddel bij het uitvoeren van een analyse. Coderen wordt gebruikt om data te segmenteren en te structureren.

    • Analyseren is denken en doen. Het doen van bepaalde activiteiten stimuleert het denken. Omgekeerd zet nadenken over analyse aan tot het doen van allerlei activiteiten. Memo’s van de onderzoeker zelf zijn het scharnier tussen denken en doen. In deze memo’s legt de onderzoeker vast welke inzichten hij heeft gekregen en hoe deze inzichten zijn beslissingen in het onderzoek ondersteunen.

    • Voor een goed verloop van het onderzoek is het erg belangrijk dat het analyseproces gestructureerd wordt. Het kwalitatieve onderzoeksproces is namelijk geen lineair, maar een cyclisch proces.

    Deze vijf startpunten worden verbonden om een manier te ontwikkelingen om de analyse te structureren. Dit heet ‘the spiral of analysis’.

    JoHo Samenvattingen van wetenschappelijke artikelen

    • Voor je studie zul je een groot aantal (wetenschappelijke) artikelen, vaak via readers, moeten bestuderen. Vaak is de essentie daarvan in enkele alinea's of soms zelfs enkele zinnen weer te geven.
    • De JoHo samenvattingen van artikelen helpen je om deze essentie snel te vinden.
    • Ook na je studie zul je nog geregeld teruggrijpen naar de samenvattingen van artikelen om de laatste ontwikkelingen binnen jouw vakgebied te kunnen volgen.

         

    Partnerselectie: Stage in het buitenland I

    Partnerselectie: Stage in het buitenland I

    Partnerselectie: Stage in het buitenland II

    Partnerselectie: Stage in het buitenland II

    Vacatureservices voor betaald werk, stages en vrijwilligerswerk in het buitenland: vacatures, werkgevers en bemiddelaars

    Vacatureservices voor betaald werk, stages en vrijwilligerswerk in het buitenland: vacatures, werkgevers en bemiddelaars

    Werken, stagelopen en vrijwilligerswerk in binnen- en buitenland per activiteit en functie: startpagina's

    JoHo zoekt medewerkers die willen meebouwen aan een tolerantere wereld

    Werken, jezelf ontwikkelen en een ander helpen?

    JoHo zoekt medewerkers, op verschillend niveau, die willen meebouwen aan een betere wereld en aan een zichzelf vernieuwende organisatie

    Vacatures en mogelijkheden voor vast werk en open sollicitaties

    Vacatures en mogelijkheden voor tijdelijk werk en bijbanen

    Vacatures en mogelijkheden voor stages en ervaringsplaatsen

    Aanmelden bij JoHo om gebruik te maken van alle teksten en tools
     

    Aansluiten bij JoHo als abonnee of donateur

    The world of JoHo footer met landenkaart

    JoHo: paginawijzer

    Thema's

    Wat vind je op een JoHo Themapagina?

    • Geselecteerde informatie en toegang tot de JoHo tools rond een of meerdere onderwerpen
    • Geautomatiseerde infomatie die aan het thema is gekoppeld

    Crossroad: volgen

    • Via een beperkt aantal geselecteerde webpagina's kan je verder reizen op de JoHo website

    Crossroad: kiezen

    • Via alle aan het chapter verbonden webpagina's kan je verder lezen in een volgend hoofdstuk of tekstonderdeel.

    Footprints: bewaren

    • Je kunt deze pagina bewaren in je persoonlijke lijsten zoals: je eigen paginabundel, je to-do-list, je checklist of bijvoorbeeld je meeneem(pack)lijst. Je vindt jouw persoonlijke lijsten onderaan vrijwel elke webpagina of op je userpage.
    • Dit is een service voor JoHo donateurs en abonnees.

    Abonnement: nemen

    • Hier kun je naar de pagina om je aan te sluiten bij JoHo, JoHo te steunen en zo zelf en volledig gebruik maken van alle teksten en tools.

    Hoe is de pagina op gebouwd

    • Een JoHo Themapagina pagina is opgezet aan de hand van 10 fases rond een bepaalde thema: statussen
    • De status van een thema kan je inzetten bij de belangrijke en minder belangrijke processen rond het thema van de pagina. Zoals keuzes maken, orienteren, voorbereiden, vaardigheden verbeteren, kennis vergroten, gerelateerd werk zoeken of zin geven.
    • Bij elke status vind je unieke of gerelateerde informatie van de JoHo website, die geautomatiseerd of handmatig wordt geplaatst.
    • Een belangrijk deel van de informatie is exclusief beschikbaar voor abonnees. Door in te loggen als abonnee wordt de informatie automatisch zichtbaar. Let wel, niet elke status zal evenveel content bevatten, en de content zal in beweging blijven.
    • De statussen:
    1. Start
    2. Oriëntatie : startpunt bepalen ->bijvoorbeeld: wat is je vraag of wat is het proces dat je gaat starten
    3. Selectie: verkennen en verzamelen van info en keuzehulp
    4. Afweging: opties bekijken en vergelijken -> bijvoorbeeld: alternatieven zoeken
    5. Competentie: verbeteren en competenties -> bijvoorbeeld: wat kan je doen om te slagen?
    6. Voorbereiding: voorbereiden & oefeningen -> bijvoorbeeld: wat kan je doen om te oefenen of je voor te bereiden?
    7. Inspiratie: vastleggen &  lessen -> bijvoorbeeld: wat leer je en heb je geleerd?
    8. Ervaring: vooruithelpen & hulp -> hoe kan je jezelf nuttig maken?
    9. Beslissing: Uitvoeren en tot resultaat brengen -> bijvoorbeeld wat ga je kopen of kiezen?
    10. Evaluatie: Terugkijken en verder gaan -> bijvoorbeeld: wat komt hierna?
      JoHo: footprints achterlaten
      JoHo: pagina delen

      The world of JoHo footer met landenkaart

      JoHo: Bereikbaarheid - Concept – FAQ - Gegevens - Winkelwagen - Zoeken