Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland

 

Vaardigheden, voorbereidingen, vacatures of verhalen uit het buitenland

Wat is het, hoe te doen, waar te doen, of met wie te doen?

INDELING

Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland: verkennen en ontdekken 

Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland: verzekeren en veilig blijven 

Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland: verbindingen en vacatures checken 

Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland: voorbereiden en vertrekken 

 

Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland

 

INHOUD

Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland: verkennen
  • Wat zijn de stappen die je kan nemen als je een studie, een master, een cursus of een opleiding wil kiezen?
  • Wat zijn de uitgelichte chapter- en boeksamenvattingen over beroepskeuze, carrière en studiekeuze?
Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland: verkennen van betrokken pagina's
Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenlands: verdiepen in vaardigheden
  • Wat kan je doen om je besluitvaardigheid te vergroten, een goede keuze te maken en niet te blijven twijfelen: vragen en antwoorden
  • Wat kan je doen om je authenticiteit en zelfbewustzijn te ontwikkelen of zingeving te vinden/
  • Wat zijn de uitgelichte chaptersamenvattingen rond oordelen, besluitvorming en keuzes maken?
Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland: verzekeren checken
  • Hoe kan je verzekeringen voor tussenjaar of gap year in het buitenland vergelijken en wat zijn de adviezen?
  • Wat is een verzekering voor een tussenjaar in het buitenland, en waarom specifiek verzekeren bij een gap year? 
Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland: vacatures en verhalen checken

Wat zijn betrokken bijdragen en blogs op JoHo WorldSupporter.org?

 

Wat zijn de stappen die je kan nemen als je een studie, een master, een cursus of een opleiding wil kiezen?

Wat zijn de stappen die je kan nemen als je een studie, een master, een cursus of een opleiding wil kiezen?

Studie kiezen, masterkiezen of cursus zoeken

Wat zijn de stappen die je moet nemen om te kunnen kiezen?

  1. Leer jezelf kennen
  2. Leer de studiemogelijkheden kennen 
  3. Stel je eigen Multiple Choice lijst op
  4. Maak een keuze aan de hand van je eigen Multiple Choice lijst

Wat zijn de stappen die je kan nemen om jezelf beter te leren kennen

Lees meer en ontdek meer bij:

Wat kan je doen om inzicht te krijgen in de studie-en opleidingsmogelijkheden?

  • Kijk er met een zo open mogelijke blik naar, en zonder je teveel te laten leiden door wat je vader of moeder doet of juist niet doet, door wat je omgeving van je verwacht of juist niet verwacht of welke ervaringen je tot nu toe bent tegengekomen.
  • Spreek wel met vrienden,  familie en bekenden die verschillende studies hebben gedaan, maar zonder die ervaringen al te zwaar te laten wegen. Ze zijn bijna altijd gekleurd. (Hoe ouder men is hoe meer men de ‘studentetijd’ of studiekeuze van vroeger gaat idealiseren of juist afkraken).
  • Maak gebruik van de  informatie die je kunt vinden over liefst alle opleidingen in Nederland. Gebruik de studiegidsen van HBO- en WO-studies in Nederland, (kan je  o.a. vinden bij de studenteninformatie (en documentatiecentra).

    Hoe stel je een multiple choice lijst voor studie- of opleidingkeuze op?

    • Probeer je keuze terug te brengen tot vier studies. De stad/instelling kan wel weer een ander lijstje zijn.
    • Zet op een rij wat je uit je studie wilt halen en wat je er van wilt leren.
    • Ga na of je het belangrijk vindt dat je studie goed aansluit op de arbeidsmarkt. De meeste studenten komen niet terecht in een functie die direct aansluit op die studie. Dat kan zijn omdat men daar bewust voor kiest, maar dat kan ook zijn omdat het in eerste instantie niet lukt en men het daarna niet meer probeert. Het kan zijn omdat de spoeling voor die banen heel dun is. Het kan zijn omdat er voor veel functies en banen helemaal geen specifieke vooropleiding vereist is.
    • Houd er rekening mee dat een universitaire studie in eerste instantie geen beroepsopleiding is maar dat de studie je in theorie opleidt tot wetenschapper.
    • Een studie moet je enerzijds aanspreken, maar anderzijds kan het studentenleven aan de instelling of in die studiestad ook een grote rol spelen bij je keuze> bedenk wel dat je minstens vier jaar lang tentamens zult moeten halen en hoe meer iets je aanspreekt hoe gemakkelijker dat je af zal gaan.
    • Gebruik je zelfkennis: wil je iets doen waarbij ook zaken komen kijken waar je niet goed in bent (stel wiskunde) dan hoeft dat geen breekpunt te zijn, maar houd er dan wel rekening mee dat je bijvoorbeeld doorzettingsvermogen nodig zult hebben.
    • Wees realistisch, bijna niemand vindt studeren alleen maar leuk.
    • Wees optimistisch, je kunt studeren leuk maken door er positief mee om te gaan en ook de in eerste instante minder leuke onderdelen als manier te zien om bepaalde competenties (zoals doorzettingsvermogen of discipline) te verbeteren.

    Hoe maak je een keuze voor studie, opleiding of cursus?

    • Probeer meer te weten te komen over je vier keuzes. Bijvoorbeeld over specifieke vakken die je krijgt, mogelijkheden om naar het buitenland te gaan of een stage te doen binnen je studie, maar ook de soorten functies waarin mensen terecht komen die die opleiding hebben gevolgd.
    • Als je vrienden, familie of bekenden kent die al één van je keuzestudies doen, vraag dan of je een aantal van hen (of van hun medestudenten) kan spreken. Pas wel op want bijna niemand geeft snel toe een verkeerde keuze te hebben gemaakt, dus iedereen hemelt graag zijn eigen studie in zijn eigen stad op. Als je niet uitkijkt ronselen ze ook nog voor hun eigen studentenvereniging.
    • Bezoek open dagen. Op die manier krijg je een algemene indruk van de sfeer, maar ook bijvoorbeeld van specialisaties of extracurriculaire mogelijkheden. En laat je niet inpakken door die wervende weekenden of dat voorbeeldcollege van de toffe prof. Ze hebben echt wel een van de beste collegegevers uitgenodigd, niet die hakkelende collegawetenschapper die het onderwijs een noodzakelijk kwaad vindt.
    • Vraag indien mogelijk een gesprek aan met de studieadviseur of studentendecaan van jouw keuzestudies of vraag of men je in contact kan brengen met afgestudeerden.

    Hoe kan ik een keuze maken voor een taalcursus?

    Opleiding kiezen en studie keuze maken: vragen en antwoorden

    Opleiding kiezen en studie keuze maken: vragen en antwoorden

    Wat is antropologie of culturele antropologie en volkenkunde?

    Wat is antropologie of culturele antropologie en volkenkunde?

    Wat is antropologie?

    • Antropologie is de studie naar de menselijke soort en haar directe voorouders, een vergelijkende en holistische wetenschap.
    • Het bestudeert de menselijke diversiteit in tijd en ruimte, het geheel van de menselijke gesteldheid: biologie, taal, samenleving en cultuur; heden, verleden en toekomst.
    • Meer lezen: Cultural Anthropology: Appreciating Cultural Diversity van Kottak

    Wat is culturele antropologie?

    • Culturele antropologie (ofwel volkenkunde, etnologie, sociale antropologie, sociaal-culturele antropologie) is dat onderdeel van de antropologie dat het die het sociale gedrag, het economische gedrag en de religie bevolkingsgroepen bestudeert.
    Wat is bedrijfskunde en organisatiewetenschap?

    Wat is bedrijfskunde en organisatiewetenschap?


    Wat is bedrijfskunde?

    • Bedrijfskunde is de wetenschap die zich richt op het besturen en managen van bedrijven. Het gaat om het maken van strategische beslissingen, het optimaliseren van processen en het bereiken van bedrijfsdoelen. Bedrijfskundigen kijken naar verschillende aspecten van een organisatie, zoals marketing, finance, productie en personeel.
    • Bedrijfskunde is het vakgebied dat zich bezighoudt met de organisatie en marktomgeving van bedrijven. Het jonge vakgebied maakt gebruik van inzichten uit andere disciplines zoals bedrijfseconomie, economie, psychologie en sociologie. Bovendien is het sterk op de praktijk gericht; veel inzichten worden ontleend aan de praktijk en aangewend om de strategie en organisatie van bedrijven en andere organisaties aan te passen" (Wiki definitie)

    Wat is een organisatie?

    • Een organisatie is een groep mensen die samenwerkt om bepaalde doelen te bereiken. Dit kan een bedrijf zijn, maar ook een vereniging, school of overheidsinstelling. Binnen een organisatie zijn er verschillende afdelingen en functies die samenwerken om de doelstellingen te realiseren.

    Wat is een bedrijfs- en organisatiestudie?

    • Bij bedrijfs- en organisatiestudies wordt vanuit verschillende vakgebieden gekeken hoe een organisatie handelt, welke oorzaken er aan ten grondslag liggen en hoe de organisatie effectief aangestuurd kan worden. Het vakgebied omvat twee aspecten:
      • het descriptieve aspect: een analyse van de handelswijze, inclusief oorzaak/gevolg relaties;
      • het prescriptieve aspect: een aanbeveling van bedrijfsstructuur en manier van handelen.

    Wat is organisatiekunde?

    • Organisatiekunde streeft overzicht over de hele organisatie na en staat haaks op specialisme. Door de groeiende invloed van diverse macro-economische factoren op bedrijven is namelijk de behoefte ontstaan voor overzicht en visie over het geheel. Het vak Bedrijfskunde komt overeen met Organisatiekunde, Bedrijfsorganisatie, Organisatieleer, Management en Organisatie, Organisatie en Management of Management.
    • Organisatiekunde is pragmatisch, d.w.z. theoretisch onderbouwd, maar voornamelijk praktijkgericht en toepasbaar. Men kan spreken over een interdisciplinaire benadering, omdat vanuit verschillende vakgebieden een nieuwe benadering tot stand wordt gebracht (in tegenstelling tot een multidisciplinaire benadering).
    Wat is bestuurskunde?

    Wat is bestuurskunde?

    • Een bestuurskundige kent het openbaar bestuur, haar aard en haar werking.
    • Een van de vaardigheden van een bestuurskundige is haar vermogen om verbanden te leggen tussen de verschillende manieren waarop bestuursverschijnselen kunnen worden begrepen. Hierbij wordt gekeken naar politicologische, sociologische, economische en juridische inzichten.
    • Doordat het openbaar bestuur zeer complex en gefragmenteerd is, is er behoefte aan een kennisintegrerende bestuurkunde.
    Wat is bewegingswetenschap en sport als studie?

    Wat is bewegingswetenschap en sport als studie?

    Wat zijn bewegingswetenschappen?

    • De bewegingswetenschappen bestuderen de manieren waarop het brein en het waarnemen van de omgeving gecontroleerde bewegingen tot stand doen komen.
    • Bij bewegingswetenschap komen diverse wetenschappelijke disciplines samen. De meeste opleidingen benaderen het studiegebied vanuit de exacte of bèta wetenschap.

    Wat is sportpsychologie?

    • Sportpsychologie bestudeert de effecten van psychologische en emotionele effecten op sportprestaties.
    Wat is communicatie binnen een organisatie, en wat is het vakgebied communicatie?

    Wat is communicatie binnen een organisatie, en wat is het vakgebied communicatie?

    Communicatie binnen een organisatie en communicatie als vakgebied:
    • Zolang als er organisaties bestaan, is er communicatie tussen de betrokkenen. Het vakgebied communicatie is echter pas goed tot ontwikkeling gekomen in de vorige eeuw. Organisaties werden groter, er ontstonden nieuwe media en het imago van een organisatie werd belangrijker.
    • Met het groeien van de organisaties ontstond er een behoefte aan de ontwikkeling van interne communicatiekanalen en -systemen, om alle medewerkers van de ontwikkelingen binnen de organisatie en in de branche op de hoogte te houden.
    • Behalve binnen een organisatie communiceert een organisatie ook met de buitenwereld. Bedoelingen, ontwikkelingen en overwegingen worden uitgelegd om klanten, partners en investeerders te beïnvloeden. Het beeld dat de buitenwereld van de organisatie en haar producten of diensten heeft, is van grote invloed op de interesse van klanten, sponsoren, subsidieverstrekkers, investeerders en andere mogelijke samenwerkingspartners of afnemers.
    • Tegenwoordig denken vrijwel alle bedrijven en organisaties na over hoe zij overkomen op de buitenwereld. Kleine organisaties hebben social media,  websites en advertenties  De grotere organisaties ontwikkelen communicatievisies en -beleid en werken constant aan de verbetering van het geïntegreerde palet van on- en offline uitingen en acties om hun producten (of ideeën) aan de man te brengen en zichzelf te positioneren
    Wat is filosofie?

    Wat is filosofie?

    Wat is filosofie?

    • Filosofie is de studie naar de aard van de dingen, het bewustzijn, de zin en de reden van het bestaan. De studie wordt ook wel wijsbegeerte genoemd

    Wat is de definitie van filosofie?

    • Filosofie wil beschrijven, begrijpen en verklaren hoe het verlangen en het streven naar kennis en wijsheid in elkaar zit.

    Waar komt filosofie vandaan?

    • Filosofie betekent het houden van wijsheid (filo = houden van, sophia = wijsheid in het oud-Grieks).

    Wat betekent filosofie in de dagelijkse praktijk

    •  In het dagelijks gebruik wordt de term filosofie meer gebruikt om een vorm van wijsheid of levensbeschouwing aan te geven,  of iemands uitgangspunten.

    Waarom staan filosofie en wijsbegeerte in de belangstelling?

    • Door allerlei ontwikkelingen in de tijd waarin we nu leven, lijkt er tegenwoordig steeds meer belangstelling voor filosofie.
    • Door de ontwikkeling van de technologie lijkt de mens gedwongen te worden om kritischer na te denken en worden filosofische vraagstukken steeds toegankelijker voor ook een groter publiek.

    Waat kan je meer lezen over filosofie?

    Wat is geneeskunde?

    Wat is geneeskunde?

    • Geneeskunde is de wetenschap en praktijk die zich bezighoudt met het voorkomen, diagnosticeren, behandelen en genezen van ziekten. Het onderzoekt het menselijk lichaam, de oorzaken van aandoeningen en ontwikkelt methoden om gezondheidsproblemen aan te pakken.
    • Geneeskunde en gezondheidszorg zijn nauw verwante gebieden die zich richten op het welzijn van mensen.
    Wat is HRM of human resource management?

    Wat is HRM of human resource management?


    Wat is human resource management?

    • Human resource management is een specifieke benadering van personeelsbeleid, die ernaar streeft competitief voordeel te halen en te behouden door het op een strategische wijze inzetten van sterk betrokken en bekwame medewerkers, en hierbij gebruikmaakt van een scala aan personeelstechnieken.

    Wat is talentmanagement?

    • Talent management is het strategisch management van de stroom van talent door de organisatie, met als doel verzekeren dat het nodige talent wordt aangetrokken, behouden, ontwikkeld en gemotiveerd om te werken richting de strategische doelstellingen van de organisatie”

     

      Wat is international business?

      Wat is international business?

      • International Business is de studie van ondernemingen die nationale grenzen overschrijden. Hieronder vallen grensoverschrijdende activiteiten van bedrijven, interacties van bedrijven met de internationale omgeving en vergelijkende studies van bedrijven als een organisatievorm in verschillende landen.     
      • Internationaal management is de studie van het proces van plannen, organiseren, regiseren en controleren van de organisatie. Managers gebruiken internationaal management om de doelen van een organisatie te bereiken wanneer het betrokken is bij grensoverschrijdende activiteiten of functies buiten de nationale staat.
      Wat is marketing?

      Wat is marketing?

      • Philip Kotler definieert marketing als het proces en de activiteiten waarmee bedrijven waarde creëren voor de klant, en sterke klantrelaties scheppen en opbouwen, om in ruil daarvoor waarde van de klant te krijgen.
      • Het belang van marketing voor een ondernemer is groot. Immers, je creëert een product of dienst (toegevoegde waarde) voor je klanten en je krijgt in ruil daarvoor waarde (bijvoorbeeld geld) terug. Hiervoor is het belangrijk om winstgevende relaties met je klanten op te bouwen én deze te onderhouden. Dit segment van het ondernemerschap noemen we marketing.
      • Opvallend is dat succesvolle bedrijven gemeen hebben dat ze zich sterk richten op hun klanten en dat marketing bij hen een hoge prioriteit heeft. Ze streven er naar om hun klanten een zo hoog mogelijke toegevoegde waarde te bieden. In ruil daarvoor krijgen ze (meer) winst. De mate van intensiviteit die een ondernemer steekt in zijn klanten, bepaalt dus voor een groot deel zijn succes.
      • In de moderne marketingpraktijk en in het moderne marketingdenken ligt het accent op het zorgen voor klantwaarde en klanttevredenheid. De winst haalt een ondernemer uit het leveren van klanttevredenheid. Door superieure waarde te beloven aan nieuwe klanten en oude klanten tevreden te houden, bereikt hij zijn doel: winst.
      Wat is onderzoek doen, en wat is onderzoeken?

      Wat is onderzoek doen, en wat is onderzoeken?


      Wat is onderzoek?

      • Je kunt onderzoek beschouwen als een onderzoeksreis. Deze reis bestaat uit drie fases: ontwerp, uitvoering en evaluatie. Deze fasen zijn onderling afhankelijk; ze staan niet los van elkaar. Je kunt dus altijd kritisch naar je eigen werk kijken; tijdens het ontwerp en de uitvoering van je onderzoek evalueer je je eigen werk en ga je eventueel een stap terug als dat nodig is.
      • Onderzoeken leer je door het te doen. Je kunt in een boek informatie opdoen over de verschillende fasen van een onderzoek, maar in de praktijk zul je deze vaardigheden en kennis moeten leren combineren en toepassen.

      Wat is fundamenteel onderzoek en wat is praktijkgericht onderzoek?

      • Niet iedereen die iets onderzoekt is een echte onderzoeker. Onderzoekers onderscheiden zich op basis van drie kenmerken van niet-onderzoekers: kennis, houding en vaardigheid. Onderzoekers hebben kennis van onderzoeksmethoden, en kennis van het onderwerp dat ze onderzoeken. Een onderzoeker moet een onafhankelijke houding hebben; een onderzoeker laat zich niet onterecht beïnvloeden door anderen, bijvoorbeeld uit gemakzucht, vanwege loyaliteit of zelfs door omkoping. Onderzoekers ontwikkelen vaardigheid in het doen van onderzoek door ervaring. Ook hiermee onderscheiden zij zich van niet-onderzoekers.
      • Er zijn twee typen onderzoek: fundamenteel onderzoek en praktijkgericht onderzoek. In fundamenteel onderzoek wordt een vraag over een wetenschappelijke theorie beantwoord. Praktijkgericht onderzoek beantwoordt een vraag uit de maatschappij; de dagelijkse praktijk. Daarmee is fundamenteel onderzoek vaker wetenschappelijk relevant, en praktijkgericht onderzoek vaker maatschappelijk relevant. Natuurlijk zijn er ook onderzoeksvragen denkbaar die zowel wetenschappelijk als maatschappelijk relevant zijn.
      • Een ander onderscheid dat gemaakt wordt is tussen kwalitatief en kwantitatief onderzoek. Bij kwalitatief onderzoek wordt onderzoek uitgevoerd in het veld; het gaat dan vooral om de betekenis die personen aan bepaalde situaties geven. Er wordt niet of nauwelijks met kwantitatieve (cijfermatige) gegevens gewerkt. Bij kwantitatief onderzoek wordt gebruik gemaakt van cijfermatige gegevens over personen, objecten en organisaties. Deze numerieke gegevens kunnen dan gebruikt worden in statistische analyses, waarmee betrouwbare uitspraken kunnen worden gedaan over het geheel. Kwantitatieve methoden worden vaak geprefereerd, uitgaande van het principe ‘meten is weten’. Onderzoekers die gebruik maken van kwalitatieve methoden zijn echter van mening dat cijfers niet voldoende diepgang bieden, en de betekenis die mensen aan bepaalde zaken geven daarmee verloren gaat. Daarom is er ook vaak sprake van een combinatie van kwalitatieve en kwantitatieve onderzoeksmethoden. Dit wordt ook wel triangulatie genoemd.

      Wat zijn stromingen van onderzoek?

      • Er zijn verschillende stromingen van onderzoek. Hier worden de drie bekendste besproken:
      1. Empirisch-analytisch onderzoek: Objectief onderzoek dat uitgaat van een beheerste onderzoekssituatie. Het onderzoek moet herhaalbaar en controleerbaar zijn. Kwantitatieve onderzoeksmethoden, zoals het experiment en survey onderzoek zijn methoden die binnen deze stroming passen. Fundamenteel onderzoek wordt meestal op deze manier verricht.

      2. Interpretatief onderzoek: Onderzoek waarbij de nadruk ligt op de interpretatie van gegevens. De ervaringen en opvattingen van personen staan centraal in het onderzoek. Kwalitatieve onderzoeksmethoden, zoals het interview en (participerende) observatie zijn methoden die binnen deze stroming passen. Praktijkgericht onderzoek wordt meestal op deze manier verricht.

      3. Kritisch-emancipatorisch onderzoek: Deze onderzoeksstroming is niet uitgesproken kwalitatief of kwantitatief. Het uitgangspunt is betrokkenheid bij de samenleving. Door kritisch naar de eigen onderzoeksresultaten en naar de maatschappij te kijken wordt geprobeerd veranderingsprocessen in gang te zetten. Onderzoekers in deze stroming willen bijdragen aan de emancipatie van bepaalde groepen.

      Wat zijn de kwaliteitscriteria van onderzoek?

      • Er zijn een aantal kwaliteitscriteria die een rol spelen bij het doen van onderzoek. Deze regels navolgen draagt bij aan je wetenschappelijke houding. Belangrijke criteria zijn:
        • Onafhankelijkheid. Onderzoek moet onafhankelijk zijn; niet beïnvloed door de betrokkenen of door je eigen voorkeuren. Daarom wordt vaak gesteld dat onderzoek intersubjectief moet zijn: onderzoekers zijn het met elkaar eens over de resultaten. Onderzoek moet dus herhaalbaar zijn, en leiden tot overeenstemming tussen onderzoekers over de resultaten.
        • Toetsbaarheid. Uitspraken over zaken moeten toetsbaar zijn. In andere woorden, onderzoek moet weerlegbaar zijn: een hypothese moet door onderzoek weerlegd, of juist bevestigd, kunnen worden.
        • Generaliseerbaarheid. Onderzoek probeert met de resultaten uitspraken te doen over een zo groot mogelijke groep personen of objecten. Door middel van een steekproef of een experiment wordt een deel van de werkelijkheid geanalyseerd, met als doel deze resultaten te generaliseren naar de grotere populatie. Daarmee is de informativiteit van je onderzoek groot. Om te kunnen generaliseren moet je onderwerp wel nauwkeurig geformuleerd worden: daarom moet je je onderwerp goed afbakenen naar tijd, ruimte, definitie en perspectief.
      • Daarnaast moet onderzoek efficiënt uitgevoerd worden en bruikbaar zijn.

       

        Wat is onderwijskunde en wat is didactiek?

        Wat is onderwijskunde en wat is didactiek?


        Wat is onderwijskunde?

        • Onderwijskunde is de studie van het onderwijs.
        • Definitie: onderwijskunde wil beschrijven, begrijpen en verklaren hoe het opleiden in het onderwijs en bij organisaties kan leiden tot ontwikkeling van kinderen en volwassenen.
        • Deelgebied: didactiek
        • Interdisciplinaire relaties: onderwijskunde steunt op de studies psychologie, pedagogiek en sociologie. 

        Wat is didactiek?

        • Didactiek is de studie van het lesgeven zelf

        Wat is de praktijk van onderwijskunde en didactiek?

        • Onderwijskunde is erg breed. Het richt zich op leren en instructies (aanwijzingen) binnen verschillende contexten. De zogenaamde formele contexten zijn situaties waarbij het leren en de instructies geregeld zijn via wetten, externe regels of interne regelgeving. Voorbeelden daarvan zijn een school, een universiteit of een organisatie. De zogenaamde informele contexten zijn ook situaties waar leren en instructie centraal staan, maar die geen systematisch, strikt gestructureerd, verplicht of regulerend karakter hebben. Een voorbeeld is ook het ontwerpen van tentoonstellingen of het lesgeven in life skills.
        Wat is pedagogiek?

        Wat is pedagogiek?

        Wat is pedagogiek?

        • Pedagogiek is de studie van de opvoeding, de studie wordt ook wel opvoedkunde genoemd.
        • Definitie: pedagogiek wil beschrijven, begrijpen en verklaren hoe volwassenen hun eigen en andere kinderen en jongeren grootbrengen.
        • Afkomst: pedagogiek is afgeleid van het Griekse woord paidagoogia, dat letterlijk 'kinderleiding' betekent.
        • Deelgebieden: gezinspedagogiek, onderwijskunde, orthopedagogiek.
        • Interdisciplinaire relaties: pedagogiek is een studie die veel gebruik maakt van psychologische inzichten en is nauw verbonden aan de studie psychologie.

        Wat zijn pedagogische studies?

        • Pedagogische studies leggen de nadruk op de ontwikkeling van kinderen en jongeren, zowel cognitief als sociaal-emotioneel
        • Het gaat om vragen als: Hoe leren kinderen het beste? Welke rol spelen ouders en verzorgers in de ontwikkeling van een kind? En hoe kunnen we onderwijs aanpassen aan de behoeften van verschillende leerlingen?

        Wat is de studie pedagogiek in de praktijk?

        • de studie pedagogiek bestudeert de onderwijsmethoden, de opvoeding, de ontwikkelingsfasen, en ook de relatie tussen het kind en zijn omgeving: familieleden, school, vriendjes en vriendinnetjes, de gebouwde omgeving, media, etc. De nadruk ligt vooral op het handelen. Onder pedagogie wordt de praktijk van het opvoeden verstaan. Ook wordt de opvoeding van moeilijk opvoedbare kinderen onderzocht.

        Wat is de wisselwerking tussen de pedagogiek en de psychologie?

        • Sinds lange tijd is er sprake van een wisselwerking tussen de pedagogiek en de psychologie. Veel pedagogen maken gebruik van psychologische begrippen wanneer het gaat om de theorievorming en de ontwikkelingen van de methodiek. In het denken over de praktijk en de resultaten hiervan worden vaak naast elkaar heen gebruikt.
        • De psychologie houdt zich in de eerste plaats bezig met het gedrag van de mens, de ontwikkeling van dit gedrag en de stoornissen in dit gedrag. Het is een beschrijvende wetenschap.
        • De pedagogiek houdt zich bezig met het opvoedend handelen, en hierbij zijn de motieven en de methoden van belang, voornamelijk het effect hiervan. Het is, in tegenstelling tot de psychologie een handelingswetenschap. De handelingen hebben vaak te maken met de keuzes die worden gemaakt in welke situatie. Deze keuzes hebben tevens met regelmaat een verwijzing naar normen en waarden. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan tussen de wisselwerking van psychologie en pedagogiek.
        • De psychologie is van belang omdat het meerdere malen veel bruikbare gegevens en inzichten heeft gegeven die voor het pedagogisch handelen van waarde bleek te zijn. We kunnen hier bijvoorbeeld spreken over de psychische ontwikkelingen van het kind en de invloed daarop, de effecten van die invloeden en de problemen die kunnen ontstaan in die ontwikkeling. De psychologie geeft daarnaast inzicht in taalontwikkeling, motoriek, leren en discipline.
        Wat is politiek en wat is internationale politiek?

        Wat is politiek en wat is internationale politiek?

        Wat is politiek?

        • Politiek in de breedste zin van het woord is de activiteit waarmee een groep mensen algemene regels maakt, vormgeeft en invoert. Het is onlosmakelijk verbonden met begrippen als ‘conflict’ en ‘samenwerking’. Hoewel het vaak wordt gezien als een proces om conflicten op te lossen, is dit eigenlijk te beperkt. Het gaat meer om het proces van zoeken naar oplossingen, dan het vinden van een oplossing.
        • Politiek wordt op twee manieren uitgeoefend. Ten eerste is er politiek die specifiek plaats vindt op een bepaalde locatie. Hierdoor wordt een normaal debat op eens een ‘politiek’ debat. De tweede mogelijkheid is dat politiek een proces of mechanisme (zoals een discussie) met een politieke lading is, die dus niet zozeer aan een kwaliteit (zoals een locatie) is gekoppeld maar in elke context kan plaatsvinden.

        Wat is internationale politiek?

        • Internationale politiek is poltiek die wordt uitgevoerd binnen bepaalde fysieke grenzen als gevolg van soevereiniteit.
        • Politiek omtrent binnenlandse zaken wordt gekenmerkt door een hiërarchische verhouding, terwijl politiek tussen verschillende staten een anarchische verhouding heeft waarbij er geen hogere autoriteit is dan de soevereine staten.Het Ministerie va  Buitenlandse Zaken ziet meer toe op de internationale politiek
        • Dit onderscheid is onder druk komen te staan door de recente ontwikkelingen op het gebied van globalisatie als gevolg waarvan er transnationale organisatie ontstaan waarbij de grenzen steeds meer vervagen. De mate van ‘interdependence’ (onderlinge afhankelijkheid en verwevenheid) rechtvaardigt dan ook de vraag of het klassieke onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse politiek nog wel van deze tijd is.
        • Met uitzondering van ‘hyperglobalizers’ is de algemeen gedragen mening wel dat de soevereiniteit misschien vervaagt maar nog wel in dusdanige mate aanwezig is om onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse politiek te rechtvaardigen.
        Wat is psychologie studeren en gedrag bestuderen?

        Wat is psychologie studeren en gedrag bestuderen?

        Welke vakken studeer je bij psychologie, en wat bij andere gedragsstudies?

        Welke vakken en wetenschappen bestuderen de geest?

        • Cognitieve psychologie is de wetenschap die bestudeert hoe de hersenen informatie verwerken. Hierbij wordt gekeken naar hoe we externe informatie tot ons nemen, hoe we het interpreteren en hoe we het gebruiken.
        • Persoonlijkheidsleer kijkt naar de processen die persoonlijkheid beïnvloeden, waarbij persoonlijkheidspsychologen de invloed van cultuur, leren, biologie en cognitie onderzoeken.
        • Psychopathologie gaat over het ontstaan, de ontwikkeling en de behandeling van mentale stoornissen.

        Welke vakken en wetenschappen bestuderen gedrag?

        • De biologische psychologie en neuropsychologie leggen de link tussen de hersenen en het gedrag en omvatten kennis van de hersenen.
        • De gezondheidspsychologie bestudeert ziektepatronen, hoe we tegen ziektes aankijken, de gevolgen van stress en het verband tussen onze emoties en de biologische processen in ons lichaam.
        • De klinische psychologie is de toepassing van psychologie om psychische problemen te diagnosticeren en aan te pakken.
        • De sociale psychologie probeert de diepere betekenis te achterhalen van mentale processen die ten grondslag liggen aan sociaal gedrag. (Sociale) psychologie onderscheidt zich van bijvoorbeeld filosofie, sociologie en antropologie door de methode van onderzoek (scientific method) waarin ze de theorieën testen op bewijs. Dit betekent dat theorieën testbaar moeten zijn.
        • Arbeids- en organisatiepsychologie richt zich op het toepassen van psychologische theorieën, principes en onderzoek op de werksituatie.
        • Criminologie is de wetenschap van het bestuderen van het gedrag dat door de wetgever strafbaar is gesteld. Door middel van kennis wordt gezocht naar de meest effectieve en menselijke manier van aanpak van criminaliteit. Bij de criminologie wordt multidisciplinair gekeken: rechten, sociologie, psychologie, biologie en meer.
        • De filosofie stelt fundamentele vragen, deze zijn radicaal en veelomvattend, ze richten zich op de grondbeginselen waarbinnen het menselijk bestaan zich voltrekt.

        Welke vakken en wetenschappen bestuderen hoe iemand leert?

        • Ontwikkelingspsychologie omschrijft en verklaart veranderingen in de gedachten, het gedrag, de redenering en het functioneren van een persoon onder invloed van de biologische, individuele en omgevingsfactoren. Ontwikkelingspsychologen bestuderen de ontwikkeling van kinderen en de ontwikkeling van alle mensen gedurende het hele leven vanuit verschillende perspectieven.
        • De pedagogiek helpt reflecteren over opvoedings- en ontwikkelingsdoelen om zo opvoeding en onderwijs te verbeteren en ondersteunen. De pedagogiek bekijkt hoe het belang van het kind het beste gediend kan worden. In veel opzichten lijken de pedagogiek en psychologie op elkaar. Zowel psychologie als pedagogiek richten zich op de opvoeding en ontwikkeling van kinderen. Er zijn wel een aantal verschillen. Het verschil tussen psychologie en pedagogiek; de psychologie richt zich alleen op de ontwikkeling van en de interactie met het kind. Pedagogiek gebruikt perspectieven uit verschillende disciplines, waaronder de psychologie, maar ook bijvoorbeeld geneeskundige perspectieven. Daarnaast legt de psychologie de nadruk op beschrijving en verklaring van ontwikkeling. De pedagogiek is vooral gericht op de praktische toepassing van de verkregen kennis; hoe moet je iets dan in de praktijk aanpakken.
        • Onderwijskunde is breder dan de meeste mensen denken, het richt zich op leren en instructie binnen een variatie aan contexten, onder andere binnen scholen.
        • Het bestuderen van de gevolgen van kindermishandeling analyseert de gevolgen van agressie, fysiek pijn doen en verwaarlozing van een jong kind.

        Verder lezen

        Wat is rechten studeren of een juridische opleiding volgen: waarom, waar en wat daarna?

        Wat is rechten studeren of een juridische opleiding volgen: waarom, waar en wat daarna?

        Rechten studeren of een juridische opleiding volgen?

        • Of je nu geïnteresseerd bent in maatschappelijke ontwikkelingen of graag advocaat wil worden, rechten is een brede studie met veel toepassingen. Zo is er bij een juridische studie niet alleen aandacht voor de mensenrechten en spannende strafzaken, maar gaat het ook over sociale en economische zaken. Zo kan het gaan over de handel en bijvoorbeeld de fusies van internationale bedrijven, maar ook over schrijnende echtscheidingen en de ergste sociale misstanden
        • De veelzijdigheid en verwovenheid met de maatschappij van de rechtsgeleerdheid komt in het bijzonder naar voren wanneer je kijkt naar de vele kennisgebieden waarin je je kan specialiseren. Zo kun je je onder meer bekwamen in Strafrecht, Internationaal recht, Arbeidsrecht, Europees recht, Personen- en familierecht, Vermogensrecht, ICT recht, Staatsrecht, Fiscaal recht, Ondernemingsrecht, Erfrecht of Bestuursrecht
        • De breedheid en belang van de studie komt tot zijn recht wanneer je bedenkt dat Rechtsgeleerdheid in vrijwel iedere studentenstad ter wereld wordt gedoceerd. Zo kun je in het Nederlandse taalgebied onder meer rechten gaan studeren op de Universiteit van Amsterdam, Vrije Universiteit, Hogeschool van Amsterdam, Universiteit Leiden, Hogeschool Leiden, Rijksuniversiteit Groningen, Maastricht University, Radboud Universiteit Nijmegen, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, Erasmus Universiteit Rotterdam, Tilburg University, Universiteit Utrecht of de Open Universiteit.
        • Het nut en toepasbaarheid van de studie vind je dan weer als je kijkt naar welke vacatures er allemaal zijn voor juristen. Zo kun je onder meer aan de slag als advocaat, notaris, beleidsmedewerker, regeringsadviseur, specialist in het bedrijfsleven, mensenrechten- en vluchtelingenbeschermer, promovendus of rechter-in-wording.
        Wat is sociologie en wat zijn sociale wetenschappen?

        Wat is sociologie en wat zijn sociale wetenschappen?

        Wat is sociologie?

        • Sociologie is de studie van het sociale leven en menselijk gedrag, de studie van de menselijke samenleving.

        Wat is de definitie van sociologie?

        • De wetenschap van de maatschappij, maatschappelijke instellingen en sociale betrekkingen (maatschappijleer) .

        Waar komt sociologie vandaan?

        • De sociologie als studie lijkt te zijn ontstaan vanuit het Verlichtingsdenken in de 18e eeuw, het bestuderen van de samenleving is echter al eeuwen oud en gaat terug tot de oude Grieken (o.a Plato, Herodotus) en de Chinese wijsgeren (Confucius)

        Wat zijn de deelgebieden van sociologie?

        • Deelgebieden zijn o.a arbeidssociologie, cultuursociologie, gezinssociologie, ontwikkelingssociologie en rechtssociologie

        Wat komt sociologie in de praktijk op neer?

        • Er wordt gekeken naar het samenleven van mensen ten behoeve van wetenschappelijke en toegepaste kennis. Binnen de sociologie bestudeert men het dagelijkse leven van mensen en het functioneren van mensen in hun eigen omgeving, binnen sociale verbanden als het gezin, het werk, de 'kerk' of de cultuur
        Wat leer en bestudeer je bij Interdisciplinaire sociale wetenschappen (ISW)?

        Wat leer en bestudeer je bij Interdisciplinaire sociale wetenschappen (ISW)?

        Wat bestudeer je bij Interdisciplinaire sociale wetenschappen (ISW)?

        • Bij de bachelor Interdisciplinaire sociale wetenschappen (ISW) onderzoek je de samenhang tussen gedrag, cultuur en maatschappij.
        • De samenleving kent vele problemen en thema's die ons dagelijks bezighouden. Enkele voorbeelden: re-integratie bij werknemers, kwesties van persoonlijke, etnische en nationale identiteit, het sociale zekerheidsstelsel en de invloed van muziek op de ontwikkeling van adolescenten.
        • Bij al deze thema's gaat het om een complexe wisselwerking tussen gedrag van individuele personen en de omgeving waarin mensen leven: het familieverband, de vriendenkring, de etnische groep, de buurt of de natiestaat. Interdisciplinaire sociale wetenschappen richt zich op het begrijpen van die complexiteit. Je leert waarom mensen doen wat ze doen en hoe de moderne samenleving in elkaar zit.
        • Deze studie wordt ook wel Algemene sociale wetenschappen (ASW) genoemd 
        Wat zijn de stappen die je kan nemen als je een studie, een master, een cursus of een opleiding wil kiezen?

        Wat zijn de stappen die je kan nemen als je een studie, een master, een cursus of een opleiding wil kiezen?

        Studie kiezen, masterkiezen of cursus zoeken

        Wat zijn de stappen die je moet nemen om te kunnen kiezen?

        1. Leer jezelf kennen
        2. Leer de studiemogelijkheden kennen 
        3. Stel je eigen Multiple Choice lijst op
        4. Maak een keuze aan de hand van je eigen Multiple Choice lijst

        Wat zijn de stappen die je kan nemen om jezelf beter te leren kennen

        Lees meer en ontdek meer bij:

        Wat kan je doen om inzicht te krijgen in de studie-en opleidingsmogelijkheden?

        • Kijk er met een zo open mogelijke blik naar, en zonder je teveel te laten leiden door wat je vader of moeder doet of juist niet doet, door wat je omgeving van je verwacht of juist niet verwacht of welke ervaringen je tot nu toe bent tegengekomen.
        • Spreek wel met vrienden,  familie en bekenden die verschillende studies hebben gedaan, maar zonder die ervaringen al te zwaar te laten wegen. Ze zijn bijna altijd gekleurd. (Hoe ouder men is hoe meer men de ‘studentetijd’ of studiekeuze van vroeger gaat idealiseren of juist afkraken).
        • Maak gebruik van de  informatie die je kunt vinden over liefst alle opleidingen in Nederland. Gebruik de studiegidsen van HBO- en WO-studies in Nederland, (kan je  o.a. vinden bij de studenteninformatie (en documentatiecentra).

          Hoe stel je een multiple choice lijst voor studie- of opleidingkeuze op?

          • Probeer je keuze terug te brengen tot vier studies. De stad/instelling kan wel weer een ander lijstje zijn.
          • Zet op een rij wat je uit je studie wilt halen en wat je er van wilt leren.
          • Ga na of je het belangrijk vindt dat je studie goed aansluit op de arbeidsmarkt. De meeste studenten komen niet terecht in een functie die direct aansluit op die studie. Dat kan zijn omdat men daar bewust voor kiest, maar dat kan ook zijn omdat het in eerste instantie niet lukt en men het daarna niet meer probeert. Het kan zijn omdat de spoeling voor die banen heel dun is. Het kan zijn omdat er voor veel functies en banen helemaal geen specifieke vooropleiding vereist is.
          • Houd er rekening mee dat een universitaire studie in eerste instantie geen beroepsopleiding is maar dat de studie je in theorie opleidt tot wetenschapper.
          • Een studie moet je enerzijds aanspreken, maar anderzijds kan het studentenleven aan de instelling of in die studiestad ook een grote rol spelen bij je keuze> bedenk wel dat je minstens vier jaar lang tentamens zult moeten halen en hoe meer iets je aanspreekt hoe gemakkelijker dat je af zal gaan.
          • Gebruik je zelfkennis: wil je iets doen waarbij ook zaken komen kijken waar je niet goed in bent (stel wiskunde) dan hoeft dat geen breekpunt te zijn, maar houd er dan wel rekening mee dat je bijvoorbeeld doorzettingsvermogen nodig zult hebben.
          • Wees realistisch, bijna niemand vindt studeren alleen maar leuk.
          • Wees optimistisch, je kunt studeren leuk maken door er positief mee om te gaan en ook de in eerste instante minder leuke onderdelen als manier te zien om bepaalde competenties (zoals doorzettingsvermogen of discipline) te verbeteren.

          Hoe maak je een keuze voor studie, opleiding of cursus?

          • Probeer meer te weten te komen over je vier keuzes. Bijvoorbeeld over specifieke vakken die je krijgt, mogelijkheden om naar het buitenland te gaan of een stage te doen binnen je studie, maar ook de soorten functies waarin mensen terecht komen die die opleiding hebben gevolgd.
          • Als je vrienden, familie of bekenden kent die al één van je keuzestudies doen, vraag dan of je een aantal van hen (of van hun medestudenten) kan spreken. Pas wel op want bijna niemand geeft snel toe een verkeerde keuze te hebben gemaakt, dus iedereen hemelt graag zijn eigen studie in zijn eigen stad op. Als je niet uitkijkt ronselen ze ook nog voor hun eigen studentenvereniging.
          • Bezoek open dagen. Op die manier krijg je een algemene indruk van de sfeer, maar ook bijvoorbeeld van specialisaties of extracurriculaire mogelijkheden. En laat je niet inpakken door die wervende weekenden of dat voorbeeldcollege van de toffe prof. Ze hebben echt wel een van de beste collegegevers uitgenodigd, niet die hakkelende collegawetenschapper die het onderwijs een noodzakelijk kwaad vindt.
          • Vraag indien mogelijk een gesprek aan met de studieadviseur of studentendecaan van jouw keuzestudies of vraag of men je in contact kan brengen met afgestudeerden.

          Hoe kan ik een keuze maken voor een taalcursus?

          Studiekeuze maken en master kiezen

          Studiekeuze maken en master kiezen

          Studie, master of cursus zoeken en kiezen voor je opleiding en toekomst Van motivatie, plezier, specialisatie, talent en toekomstperspectief naar zingeving of zelfinzicht Inhoud : o.a Wat is talent en wat zijn talenten? Wat zijn de stappen die je kan nemen als je een studie, een master, een cursus of een opleiding wil kiezen? Welke studies kan je doen: Wat...... lees verder op de pagina
          Beroepskeuze, carrière en studiekeuze: uitgelichte chapter- en boeksamenvattingen

          Beroepskeuze, carrière en studiekeuze: uitgelichte chapter- en boeksamenvattingen

          Wanneer en hoe worden beroeps- en carrière assessments gedaan?

          Wanneer en hoe worden beroeps- en carrière assessments gedaan?


          Waaruit bestaat de Organisatie Assessment?

          Organisatiepsychologie houdt zich bezig met gedrag in werksituaties. Organisatiepsychologen worden onder andere ingezet voor het bedrijfsleven, voor reclame en in het leger.

          De rol van tests in personeelsselectie

          Omdat tests waardevolle informatie verschaffen over potentiële werkprestaties worden ze gebruikt door veel bedrijven en organisaties voor personeel selectie. Het lijkt simpel, degene die het hoogst correleert met het opgegeven werkcriterium zal het best presteren. Maar werkgedrag is niet simpel, één-dimensionaal gedrag. Daarnaast hangt complex gedrag vaak ook voor een deel sterk af van de situatie. Een perfecte benadering voor selectie kan dus nog steeds niet voor iedereen valide zijn. Vervolgens heb je ook nog te maken met legaliteit. Selectieprocedures hebben vaak zo'n grote impact op of de persoon wordt aangenomen dat er strikte regels zijn die moeten worden nageleefd. Personeelsselectie is daarom een vage, conditionele en onzekere taak. Voor personeelsselectie zijn verschillende manieren die in dit hoofdstuk besproken worden.

          Autobiografische data

          De biodata zijn lijsten met data van de geschiedenis van het persoonlijke- en werkverleden. Het bevat ook demografische informatie. De biodata is objectief en in scores in te delen. Het rationele van biodata is dat werk-gerelateerd gedrag voorspeld kan worden uit keuzes en behaalde doelen van vroeger. De data wordt verzameld via vragenlijsten.

          Na het verzamelen van de biodata moeten psychologen vanuit de gemiddelden de werkprestaties voorspellen. Dit wordt gedaan door de bestaande werknemers in te delen in een succesvolle en onsuccesvolle groep, gezien werkprestaties, salaris en beoordelingen. De biodata worden dan vergeleken met deze twee groepen. Door middel van cross validatie wordt het vergeleken met een tweede groep van succesvolle en onsuccesvolle groepen.

          Biodata heeft ongeveer een gelijke validiteit als gestandaardiseerde tests. Men moet oppassen dat er geen conclusies getrokken worden uit bepaalde demografische factoren (leeftijd, sekse, ras), ook al kan dit wel werkprestaties voorspellen. Er is gebleken dat personen eerlijker zijn over hun biodata wanneer ze elk antwoord specifiek moeten toelichten.

          Er is weinig twijfel of pure objectieve data accuraat de werkprestaties kunnen voorspellen. Werkgevers vertrouwen echter meer op subjectieve informatie zoals het sollicitatiegesprek wanneer ze iemand willen aannemen.

          Het sollicitatiegesprek

          Hoewel het sollicitatiegesprek slechts een onderdeel is van het evaluatieproces, is het voor veel werknemers de doorslaggevende factor om iemand aan te nemen. Vroegere studies geven echter aan dat het sollicitatiegesprek onbetrouwbaar is, gezien inter-beoordeel betrouwbaarheden van -.50. Daarnaast zijn werknemers gevoelig voor de halo-bias: de neiging om iemand hoog of laag in te schatten op alle dimensies vanwege zijn algemene indruk. Betrouwbaarheden bleken hoger te zijn, wanneer men door een panel werd geïnterviewd of wanneer het sollicitatiegesprek was gestandaardiseerd.

          Ditzelfde patroon is ook bij de validiteit te zien. In vroegere studies waarbij ongestructureerde sollicitatiegesprekken werden onderzocht, bleek de validiteit erg slecht te zijn (-.20). Voor gestructureerde gesprekken is de validiteit al veel hoger (.67). Belangrijk is dat sollicitatiegesprekken bijna altijd in combinatie met andere informatie worden gebruikt. Studies gaven aan dat de validiteit minder wordt wanneer er naast andere informatie (referenties of objectieve tests) ook gebruik gemaakt wordt van een lang sollicitatiegesprek. Studies hebben alleen aangetoond dat sollicitatiegesprekken, wanneer ongestructureerd, de validiteit van een sollicitatieprocedure kunnen verminderen.

          Sollicitatiegesprekken kunnen dus valide zijn wanneer ze gestructureerd en gestandaardiseerd zijn. Het probleem is echter dat de toepassing van het gesprek vaak ongestructureerd is, wat voor onrealistische beoordelingen zorgt.

          Ondanks de twijfelachtige betrouwbaarheid en validiteit worden sollicitatiegesprekken ten eerste gebruikt de eventueel toekomstige werknemers te ontmoeten. Ten tweede is er veel onderzoek gedaan naar de handdruk van de sollicitant en de indruk daarvan. Een stevige handdruk geeft positieve effecten of de sollicitant wordt aangenomen. Dit effect geldt sterker voor vrouwen. Ten derde is gebleken dat de indruk die in de eerste paar minuten, nog voor het sollicitatiegesprek, gekregen wordt, een verschil maakt of de sollicitant wordt aangenomen.

          Cognitieve vaardigheidstests

          Cognitieve tests kunnen verwijzen naar algemene intelligentie of verschillende specifieke structuren ervan. Cognitieve tests blijken redelijk goed valide te zijn voor personeelsselectie. Een zorg met het gebruik van cognitieve tests is dat het leidt tot een ‘adverse impact’ voor minderheden. Dat betekent dat witte mensen eerder gekozen worden. Daarom moeten de tests gebruikt worden in combinatie met bijvoorbeeld biodata. Uit onderzoek is gebleken dat tests voor algemene intelligentie (de g factor) een betere voorspeller zijn voor werksucces dan specifieke cognitieve metingen.

          Dat komt doordat de meeste banen complex zijn en dus meerdere cognitieve vaardigheden vergen. Specifieke cognitieve vaardigheden zijn alleen wel van belang, omdat verschillende beroepen verschillende vaardigheden vragen. Een algemene cognitieve meting kan dit vaak niet naar voren brengen. De testen zijn snel, niet duur en makkelijk om te interpreteren. Ze worden gebruikt voor personeelsselectie, evaluatie en screening.

          Wonderlic Peronnel Test-Revised (WPT-R)

          Deze test meet algemene mentale vaardigheden en wordt veel gebruikt wegens zijn formaat (50 items), beknoptheid (12 minuten) en parallelle versies (ongeveer 16). De betrouwbaarheid is indrukwekkend, gezien de beknoptheid. Interne consistentie is rond de .90 en parallelle versies correleren met .90. De validiteit is ook positief, gezien de correlatie van .91 met de WAIS. Nadelen van de test zijn echter dat de test minder goed te doen is voor mensen met visueel-spatiële beperkingen en wiens moedertaal niet Engels is.

          Bennet Mechanical Comprehension Test (BMCT)

          Deze test wordt vooral gebruikt bij het begrijpen van mechanische constructies en principes. Voor veel werkgebieden is dit essentieel. De test bestaat uit afbeeldingen met vragen van alledaagse mechanische en technische basisprincipes. Het is een betrouwbare (split-half van boven de .80) en valide (.80) test. De test bleek een zeer goede voorspeller voor pilootsuccessen in de Tweede Wereldoorlog. Het enige nadeel is dat de test en zijn items gedateerd zijn en dat de test dus gemoderniseerd moet worden.

          Minnesota Clerical Test (MCT)

          De MCT meet snelheid en accuraatheid van perceptie door middel van twee subtests: nummer vergelijking & naam vergelijking. Het kan uitdagend zijn, omdat er 100 gelijke en 100 ongelijke combinaties zijn die maar verschillen op 1 cijfer of 1 letter. De betrouwbaarheid is rond de .85, dus dat is redelijk goed. De validiteit is redelijk, maar niet heel goed. Daarnaast is het vanwege de vage normgroepen, ook niet geheel duidelijk wat de test precies meet, en hoe de test werkprestaties voorspelt. De test is relevant voor kerkelijk werk.

          Persoonlijkheidstests

          Voordat de ‘Big Five’ uit was werd er voor de interpretatie van persoonlijkheidstests voor personeel selectie geen gebruik gemaakt van empirische ondersteuning. Het was de subjectieve mening van de psycholoog. Vroegere studies lieten dan ook zien dat de tests nauwelijks valide waren. Pas rond 1990, met de opkomende populariteit van de Big Five, kwam er bewijs dat persoonlijkheid een nuttige factor is voor personeel selectie. Na een studie blijkt dat mensen die zichzelf beschrijven als betrouwbaar, georganiseerd en hardwerkend (hoge scores op conscientiousness) betere werkprestaties leveren. Verschillende tests die persoonlijkheid meten zijn valide voorspellers voor werkprestaties.

          Integriteitstests

          Een integriteitstest evalueert houdingen en ervaringen gerelateerd aan eerlijkheid, afhankelijkheid, vertrouwen en prosociaal gedrag van een sollicitant. Integriteitstest bestaan uit een deel dat houdingen tegenover illegaal gedrag bevraagt en een deel dat openlijk illegale activiteit bevraagt. Integriteitstests kunnen makkelijk vals ingevuld worden en zijn daarom van mindere waarde.

          Validiteitsstudies toonden aan dat integriteitstests geen goede voorspellers zijn voor werkprestaties maar dat ze wel een goede correlatie hadden met contraproductief werkgedrag. Op die manier is het een valide factor voor personeelsselectie. Er blijven echter veel kanttekeningen bestaan bij het gebruik van integriteitstests. Onder andere vanwege de ongekwalificeerde gebruikers, de invloed van situationele factoren en het ontbreken van optimale cut-off scores.

          Werkproef en situationele oefeningen

          Een werkproef is een miniatuur replica van de baan waar de sollicitant zich voor heeft opgegeven. Het moet de moeilijke elementen van de baan bevatten die goede van slechte kandidaten scheiden. Een validiteitsstudie bleek correlaties tussen de .42 en .66 te vinden tussen werkprestaties en beoordelingen van de leidinggevende.

          Een situationele oefening wordt veel gebruikt bij de selectie van managers en andere professionele posities. Het verschil met de werkproef is dat de situationele oefening de gehele baan omvat en niet slechts delen. Werkproeven en situationele oefeningen zijn gebaseerd op het idee dat vorige prestaties de beste voorspeller zijn voor toekomstige prestaties in hetzelfde domein.

          De in-basket test is een situationele oefening die het werk van een administratief medewerker omvat. Het wordt gescoord op antwoordstijl en inhoud. Antwoordstijl verwijst naar de manier hoe een taak voltooid is. Inhoud verwijst naar hetgene dat gedaan moest worden, dus wat de taak was. Uit de scores volgden drie dimensies: Voorbereiden op actie, Hoeveelheid werk, en Zoeken van steun. Het blijkt dat de in-basket test een goede voorspellende validiteit hebben.

          Een assessment centrum is niet per se een bepaalde plaats in het bedrijf, maar het doel van een assessment centrum is om het managers-potentieel te evalueren door middel van allerlei trainingen, zoals de in-basket techniek. Dit zorgt voor een valide onderzoek naar nieuwe managers. De vraag is alleen of het effectief genoeg is, wanneer je naar de hoge kosten voor zo’n assessment centrum kijkt. Zo is gebleken dat een maximaal effect bereikt wordt, wanneer een assessment centrum gecombineerd wordt met persoonlijkheidstests. De vraag is dus of de kosten opwegen tegen de resultaten.

          Een idee is om alleen de sollicitanten er heen te sturen die met hun score in de middenmoot vallen op screeningstesten en de hogere en lagere scores niet.

          Beoordeling van werkprestaties

          Beoordelingen zijn cruciaal voor werknemers want zonder nuttige feedback weten werknemers niet hoe zij zich moeten verbeteren. Hiervoor zijn dan ook verschillende beoordelingsschalen. Het beoordelen van werkprestaties is een complex probleem, vaak naar verwezen als het criterium probleem, de moeilijkheden die er zijn hebben te maken met het beschrijven en meten van prestatiestructuren. Werkprestaties zijn namelijk vaak complex, vaag en multidimensionaal.

          Verschillende benaderingen

          Een eerste manier om de werkprestaties te beoordelen is door de prestaties te meten. Hierbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar de hoeveelheid die een werknemer geproduceerd heeft of hoeveel verkopen hij heeft gedaan. Er zijn verschillende problemen voor deze objectieve en valide methode.

          • De hoeveelheid productie kan buiten de macht van de werknemer liggen.

          • Voor de meeste banen is het niet mogelijk een hoeveelheid te tellen.

          • Zo’n kwantitatieve beoordeling kan de kwaliteit van de productie achteruit laten gaan.

          • Productietellingen zijn onbetrouwbaar, zeker voor korte tijdsbestekken.

          • De hoeveelheid productie kan maar een klein deel van de benodigde vaardigheden zijn.

          Als tweede manier om werkprestaties te beoordelen wordt de absentie van de werknemer bijgehouden. Het is echter een nutteloze meting voor werkprestaties, de extreme uitzonderingen daargelaten. Het eerste probleem is de definiëring van absentie; de criteria zijn vaag. Het tweede probleem is dat absentiemetingen erg onbetrouwbaar zijn. Als laatste zijn de absentiecijfers over het algemeen vrij laag.

          Als derde manier wordt gebruik gemaakt van rapportage van collega’s en van zelfrapportage. Dit is echter ook niet geheel betrouwbaar, want men schat zichzelf hoger in dan collega’s en supervisors hebben andere ideeën over wat belangrijk is in een baan dan werknemers.

          Als meest gebruikte manier zijn beoordelingsschalen die ingevuld worden door de leidinggevende. Ondanks hun milde betrouwbaarheid worden deze gebruikt voor ongeveer ¾ van de beoordelingen.

          Een grafische beoordelingsschaal bestaat uit kenmerken, definities ervan en een continuüm waarop gescoord wordt. Het is simpel, maar de dimensie van werkprestatie is vaag gedefinieerd.

          Een kritische incidentenschaal is gebaseerd op gewenst en ongewenst gedrag tijdens het werk. Dit vormt een lange lijst waar dan bepaalde gedragingen kunnen worden afgevinkt. Een gedragsanker beoordelingsschaal (BARS) is gebaseerd op gedragingen die te maken hebben met de persoonlijkheid en attitudes van de werknemer. Het is een complex, tijdrovend en duur karwei om zo’n criteriumschaal te ontwikkelen.

          Een gedragsobservatieschaal (BOS) is een variatie op de BARS die gescoord wordt van ‘bijna nooit’ tot ‘bijna altijd’ voor de specifieke gedragingen. Een geforceerde keuze schaal is ontwikkeld om bias en subjectiviteit tegen te gaan. Van vier items zijn twee positief en twee negatief. Van de positieve en negatieve items is er een die de baan goed beschrijft. De leidinggevende moet een van de items kiezen als ‘best beschrijvend’ en een als ‘slechts beschrijvend’ voor de werknemer.

          Bronnen van bias

          Een eerste bias die veel gemaakt wordt is het halo-effect. Hierbij worden werknemers beoordeeld op alle dimensies wegens een algemene indruk. Het vaakst komt een positief halo effect voor, dus dat werknemers hoog worden beoordeeld vanwege een goede algemene indruk. Halo effecten kunnen tegen gegaan worden door speciale trainingen, de leidinggevende bekijken terwijl ze beoordelen, oefeningen van te voren doen, bijhouden welke informatie relevant is voor de beoordeling en leidinggevenden gebruiken die minder gevoelig zijn voor halo effecten.

          Er zijn verschillende beoordelaar-biases. Mildheid of juist strengheid zorgt voor te milde of te strenge beoordelingen. Context fouten worden gemaakt wanneer de werknemer beoordeeld wordt op basis van de prestaties van zijn collega’s. Opvallend is dat het affect tegenover de werknemer niet veel effect heeft op de beoordeling.

          Criterium contaminatie bestaat wanneer een criteriummaat onderhevig is aan factoren die niet bij de baan horen. Kans bias ontstaat wanneer verschillende collega’s verschillende kansen hebben op succes. Groepskenmerken bias komt voor wanneer groepskenmerken de individuele prestatie beïnvloeden. Kennis van voorspeller bias ontstaat wanneer de leidinggevende persoonlijke kennis over de werknemer mee laat spelen voor de beoordeling. Bij deze vormen van bias is het dus belangrijk dat de leidinggevende goed onderscheid maakt tussen wat wel en niet relevant is voor de baan.

          Beoordeling van werkprestaties is lastig. De methode moet psychometrisch geldig zijn (geldigheid), maar ook in overeenstemming zijn met de organisatiedoelen (uitvoerbaarheid). Daarnaast mag niet gediscrimineerd worden op ras, sekse en andere factoren (wettigheid). Deze drie factoren botsen vaak met elkaar. Vooral trainingen met beoordelaars kunnen hiertegen helpen. Hierbij worden twee soorten trainingen genoemd: rater error training waarbij de beoordelaar wordt getraind in het vinden van specifieke errors. En frame of reference training waarbij de beoordelaar wordt getraind om bekend te worden met de inhoud van elke prestatie dimensie. Als laatste is er een studie gedaan over culturele verschillen in beoordelingen van werkprestaties.

          Zij vonden dat overeenstemming tussen sociale normen en persoonlijke assessment methodes zorgden voor minder uitloop en absentie. Vooral de 360-evaluatie werkt goed. Hierbij wordt een werknemer door alle niveaus beoordeeld met wie hij interacteert tijdens zijn werk.

          Wat omvat 'carrière assessment' in een bredere maatschappelijke context?

          Carrièreontwikkeling

          Carrière identiteit is een begrip dat nog niet heel lang bestaat maar inmiddels onmisbaar is. Het carrière is een onderdeel geworden van iemands persoonlijkheid. Een baan zegt veel over iemand, over zijn persoonlijkheid, economische klasse en sociale standpunt. Flexibiliteit in carrièreontwikkeling is meer dan ooit nodig door de globalisering van de economie. Mensen wisselen ook vaker van baan. Het is voor psychologen dus niet makkelijk om bij deze ontwikkeling begeleiding te bieden. Zij kunnen dan ook geen simpel antwoord geven waaruit blijkt welke carrière iemand moet gaan volgen.

          Functies van werk

          Voor veel mensen is werk meer dan een middel om voor voedsel en huisvesting te betalen. Veel achtergestelde mensen hebben echter niet de mogelijkheid tot het vervullen van een carrièredroom. Blustein et al. (2008) geven een meta-analyse voor drie sets van behoeften dat werk kan vervullen:

          • Overleving en macht: de meest fundamentele redenen om te werken, namelijk voor basisbehoeften en de toegang tot economische en sociale macht.

          • Sociale connectie: werk is de plek waar onze sociale banden ontstaan. Dit kan weer zorgen voor betere werkprestaties.

          • Zelfontwikkeling: werk kan een vervulling van zelfactualisatie en persoonlijke vervulling zijn.

          Oorsprong van theorieën van carrièreontwikkeling

          In 1909 werd op basis van een duidelijk begrip van 1) jezelf en je mogelijkheden, 2) de benodigdheden en condities voor succes, en 3) redenering over de relatie tussen deze twee de eerste vragenlijst opgesteld voor carrièrekeuze door Parsons. Deze bestond uit 116 items die vragen hadden over de behaalde doelen, interesses en bekwaamheden van de cliënt. Het doel was om persoonlijke kenmerken te matchen aan factoren van de baan, om zo de juiste baan te kunnen kiezen.

          Theorie van de persoon-omgeving fit

          Volgens Holland zijn er persoonlijkheidstypes bestaande uit clusters van persoonlijkheidskenmerken en interesses. Hiermee stelde hij het RIASEC model op van zes persoonlijkheidstypes met bijbehorende werkthema’s:

          1. Realistisch: actie ondernemen.

          2. Onderzoekend (investigative): denkend, ideeën genereren.

          3. Artistiek: schoonheidsleer, creaties.

          4. Sociaal: verbinden en helpen.

          5. Ondernemend (enterprising): leiding geven aan mensen.

          6. Conventioneel: routine en structuren.

          Met de eerste letters van elk type kan dan een Hollandcode worden opgesteld, aangezien elk individu niet slechts 1 type persoonlijkheid vertoont. Dit model is erg invloedrijk geweest.

          Theorie van persoon-omgeving correspondentie

          Ook wel afgekort tot PEC, lijkt deze theorie op die van Holland in het feit dat beide theorieën geschikte carrières bepalen op basis van vaardigheden van de persoon en benodigde kwaliteiten voor beroepen. Hieruit volgen 6 cruciale waarden die belangrijk zijn voor de assessment van carrière ontwikkeling:

          1. Prestatie: het gebruik van iemands vaardigheden en een gevoel van succes hebben.

          2. Altruïsme: harmonie met en dienen van anderen.

          3. Autonomie: onafhankelijk zijn en een gevoel van controle hebben.

          4. Comfort: gevoel van comfort hebben en niet stressvol zijn.

          5. Veiligheid: stabiliteit, orde en voorspelbaarheid.

          6. Status: herkenning en een dominante positie vervullen.

          Als aan deze waarden wordt voldaan, zal een werknemer snel tevreden zijn over zijn baan. Daarnaast zijn er ook omgevingsstijlen op een continuüm die meespelen om een beroep te voltooien:

          • Spoed: de snelheid die nodig is om op eisen te beantwoorden.

          • Tempo: het niveau van inspanning dat geleverd moet worden aan de omgeving.

          • Ritme: het patroon van respons tot de omgeving: stabiel, cyclisch of onvast.

          • Duur: of de duur van de respons tot de omgeving kort of langdurig is.

          De theorie komt overeen met het model van Holland aangezien beiden gaan over het matchen van persoonlijkheidskenmerken aan de factoren van een baan. Het verschil is alleen dat deze theorie meer de nadruk legt op de persoonsbekwaamheden die nodig zijn voor bepaalde beroepen en niet zo zeer op de vaardigheden.

          Vaardigheden kunnen ten slotte aangeleerd worden. Het is van belang wat voor niveau de persoon kan halen met de juiste training. Uit deze theorie is een hypothese gekomen die veel wordt gebruikt in onderzoeken: de tevredenheid van een persoon over een baan is een functie van de match tussen de beschikbare omgevingsfactoren met de waardes van het individu, onder de voorwaarde dat de bekwaamheid van de persoon correspondeert met wat nodig is voor de baan.

          Fase theorieën van carrièreontwikkeling

          Donald Super had een meer flexibele, holistische, levensloop perspectief op carrière ontwikkeling. Het individuele zelfconcept verandert met de tijd en ervaring. Daarmee onderscheidde hij vijf beroepsleven fases, ook wel bekend als de carrièreladder:

          1. Groeifase: observeren van volwassen gedrag en het onderzoeken van fantasieën en interesses in de adolescentie.

          2. Exploratiefase: verdeeld over fantasie, experimentele, en realistische fases, waarbij de jongvolwassene verschillende trainingen/onderwijs uitprobeert.

          3. Vestigingsfase: verdeeld over een proef- en stabilisatiefase, waarbij de volwassene een bedrijf binnenkomt en zich vestigt door relaties en promoties.

          4. Handhavingsfase: het individu kan innovatie nodig hebben, moet zijn vaardigheden bijwerken en ziet zijn carrière stagneren.

          5. Achteruitgangsfase: het individu is ouder en heeft specialisatie, ontkoppeling of pensioen nodig.

          Deze theorie laat zien dat een carrière ontwikkeling levenslang is, maar is wel gebaseerd op blanke middel- of hogere klasse burgers.

          Sociaal cognitieve benaderingen

          Sociale cognitieve benaderingen gaan ervan uit dat mensen leren en attitudes ontwikkelen over werk binnen een sociale context door middel van observatie en het modelleren van gedrag.

          Krumboltz ontwikkelde de ‘Happenstance Learning Theory’ (HLT). Die stelt dat “menselijk gedrag een product is van verschillende leerervaringen die beschikbaar zijn door (on)geplande situaties waarin men zichzelf vindt.

          De leeruitkomsten zijn vaardigheden, interesses, kennis, houdingen, voorkeuren, gevoeligheden, emoties, en toekomstige acties.” Volgens hem moet sociale onrechtvaardigheid tegen worden gegaan. De theorie is gebaseerd op vier premissen:

          1. Carrière begeleiding heeft het doel cliënten te helpen om acties aan te leren zodat hun carrière en persoonlijke leven meer tevredenheid oplevert, niet om een enkele carrièrekeuze te geven.

          2. Assessments moeten gebruikt worden om het leren te stimuleren, niet om persoonlijke kenmerken te matchen met beroepskenmerken. Hij heeft dan ook kritiek op veel tests.

          3. Cliënten leren om onderzoekende acties te gebruiken zodat zij succesvol met ongeplande gebeurtenissen kunnen omgaan, niet om al hun acties in ter verbetering te plannen.

          4. Succes van begeleiding wordt geëvalueerd door wat de cliënt in de echte wereld bereikt, niet wat tijdens de begeleidingssessies gebeurt.

          De theorie is een op activiteiten gebaseerde theorie waarbij de cliënt en de counselor samenwerken om erachter te komen wat de cliënt kan doen om nieuwe dingen te leren en nieuwe kansen aan te grijpen.

          O*NET in carrièreontwikkeling

          De ‘Occupational Information Network’ (O*NET) is een database website, gesponsord door de Amerikaanse overheid, die informatie bevat over duizenden banen, zoals de kennis, vaardigheden, en vermogens die benodigd zijn. Daarnaast zijn er ook verschillende assessment tools beschikbaar, die ook zelf ingevuld kunnen worden.

          Tests voor carrière assessment

          Een eerste test die gebruikt wordt is de ‘Career Beliefs Inventory’ (CBI), ontwikkeld door Krumboltz. Deze meet en identificeert de houdingen en overtuigingen die een carrière ontwikkeling kunnen tegenhouden. Vaak zijn dit zelflimiterende overtuigingen. De CBI moet hierin bewustzijn geven en de potentiële invloed die het heeft. De CBI bestaat uit 96 items verdeeld over 25 schalen onder de volgende vijf factoren:

          1. Jouw huidige carrière situatie (4): werkstatus, carrièreplannen, acceptatie van onzekerheid, openheid.

          2. Wat nodig is voor jouw geluk (5): prestatie/succes, scholing/onderwijs, intrinsieke tevredenheid, gelijkheid aan peers, gestructureerde werkomgeving.

          3. Factoren die jouw keuzes beïnvloeden (6): controle, verantwoordelijkheid, goedkeuring van anderen, vergelijking tussen het zelf en andere, beroep-scholing variatie, carrière pad flexibiliteit.

          4. Veranderingen die jij bereid bent te maken (3): post-training overgang, baan experimentalisatie, herlokalisatie.

          5. Inspanning die jij bereid bent te leveren (7): zelfverbetering, doorgaan met onzekerheid, risico’s nemen, leren van baanvaardigheden, onderhandelen/zoeken, obstakels overwinnen, hard werken.

          Standaardisatie werd gedaan bij 7500 mensen. Betrouwbaarheden waren gemixt: test-hertests tussen de .30 en .70. en interne consistentie tussen de .40 en .80. De CBI had een gemiddelde construct validiteit.

          Tests voor interesse assessment

          Interesse assessment wordt gedaan wegens twee doelen: levenstevredenheid en beroepsproductiviteit. Een goede fit tussen interesses en het gekozen beroep zorgt voor meer tevredenheid, wat weer zorgt voor een hogere productiviteit. Maar de vaardigheden zijn ook belangrijk. Oftewel: productiviteit = vaardigheid x interesse.

          Strong Interest Inventory-Revised (SII-R)

          De SII-R is een herziende versie van de ‘Strong Vocational Interest Blank’ (SVIB). De assumpties van deze test waren:

          1. Elk beroep heeft een gewenst patroon van interesses en persoonlijkheidskenmerken die gerepresenteerd worden door de succesvolle werknemers.

          2. Elk individu heeft stabiele interesses en persoonlijkheidstrekken. Dus wanneer deze overeenkomen met die van het beroep heeft het individu een grote kans om dat beroep uit te oefenen en succesvol te zijn.

          3. Het is mogelijk om individuen in een bepaald beroep te onderscheiden van andere mensen op basis van het gewenst patroon van interesses en trekken van dat beroep.

          De SII-R is ook gebaseerd op deze assumpties. Maar de test is herzien op de punten dat hij korter is; er huidige beroepen zijn toegevoegd; het niveau van zaken, technologie en teamwerk metingen verhoogd zijn; werk en vrije tijd activiteiten zijn verbreed; en de diversiteit van de VS-personeelsbestand is gereflecteerd. De 291 items zijn gebaseerd op de 6 beroepstypes van Holland. De SII-R geeft ook vijf persoonlijke stijlschalen die de leef- en werkstijl reflecteren:

          1. Werkstijl: hoge scores geven interesses in werken met mensen; lage scores met ideeën, data en dingen.

          2. Leer omgeving: hoge scores geven voorkeur voor academische leeromgevingen; lage scores voor toegepaste leeractiviteiten.

          3. Leiderschapsstijl: hoge scores geven comfort in het nemen van de leiding; lage scores geven ongemakkelijkheid daarmee.

          4. Risico’s nemen/avontuur: hoge scores geven voorkeur voor riskante en avontuurlijke activiteiten; lage scores voor veilige en voorspelbare activiteiten.

          5. Team oriëntatie: hoge scores geven voorkeur voor samenwerking en teamwerk; lage scores voor alleen en onafhankelijk werken.

          Betrouwbaarheden van de SII-R zijn goed: test-hertests van .90, maar is lager bij adolescenten en wanneer er langere tijd tussen zit. De validiteit is ook redelijk goed: twee op de drie personen kiest een ‘juiste baan’.

          Vocational Preference Inventory (VPI)

          De VPI meet in totaal 11 dimensies. Naast de 6 persoonlijkheid-omgeving dimensies van Holland meet het ook Zelfcontrole, Mannelijkheid/vrouwelijkheid, Status, Zeldzaamheid, en Berusting. Het is een korte test van 160 items met ja/nee vragen.

          De test-hertest betrouwbaarheid is .89-.97. De eigenschappen van het standaardisatie sample zijn niet goed gedefinieerd en daarom zijn de normen wat lastig om te interpreteren. De validiteit is erg goed, de test komt sterk overeen met het model van Holland.

          Door middel van de VPI kon de theorie van Holland op veel beroepen worden toegepast, zodat voor veel beroepen een drie-letterige Hollandcode ontstond, zo krijgt een landschapsarchitect RIA en een vastgoedhandelaar ECS. Dit kan ook toegepast worden op universiteitsmasters.

          Self-Directed Search (SDS)

          De SDS meet de 6 RIASEC thema’s op 4 schalen met dichitome items: Activiteiten, Competenties, Beroepen en Zelf-inschattingen. Wanneer de SDS gescoord wordt, worden de drie hoogste thema’s omgevormd tot een Hollandcode. De SDS is vooral digitaal, wat het voordeel heeft dat het snel en simpel is en dat er niemand nodig is om te scoren, interpreteren of feedback te geven. Zowel de construct als de voorspellende validiteit worden ondersteund door verschillende studies.

          Campbell Interest and Skill Survey

          De CISS bestaat uit 200 interesse items en 120 vaardigheidsitems die door een persoon zelf gegeven worden op een 6-puntsschaal. Interesse items bevatten beroepen, schoolvakken en werkactiviteiten en de vaardigheidsitems bevatten activiteiten die beoordeeld worden op ‘expert op dit gebied’ tot ‘geen ervaring’.

          De CISS wordt gescoord op verschillende schalen, waaronder een Oriëntatieschaal die het profiel opstelt middels 7 oriëntaties: Invloed, Organisatie, Helpen, Creëren, Analyseren, Produceren, en Avonturieren. De andere schalen zijn: Basis interesses en vaardigheden Schaal, Beroepsschalen, Speciale schalen, en Procedurele checks.

          De betrouwbaarheid is erg sterk; de meeste schalen hebben een test-hertest van .80. Ook de validiteit van de CISS wordt bevestigd door verschillende correlatiestudies. Het is dus een handig instrument, zeker omdat het digitaal is en men het zelf kan interpreteren. In het boek staan voorbeelden van de resultaten van de CISS. De CISS zal een rivaal zijn voor de SII-R.

          Wat is psychologisch testen?

          Wat is psychologisch testen?

          Een korte geschiedenis

          Als de bekende “Appel Test” van Eva in de Tuin van Eden niet meetelt, waren de Chinezen in 2200 voor Christus de eerste die echt gebruik maakten van tests. Zij testten de competentie van toekomstige overheidsfunctionarissen door hun schriftelijk te ondervragen over kennis over de wet, geografie, landbouw, en andere onderwerpen.

          In de 18e en vroeg 19e eeuw was Gauss de eerste die officieel het principe van een meetfout constateerde en specifieke verdelingskenmerken rapporteerde (Gauss-curve, ofwel de normaalverdeling). In de 19e eeuw ontwikkelden psychiaters in Engeland en de Verenigde Staten classificatiesystemen om mentale problemen te groeperen. Ook promootte onder andere Kraeplin het gebruik van de vrije associatie test bij psychiatrische patiënten, een test waarbij een persoon aan de hand van een stimulus de eerste respons moet geven die hij of zij met die stimulus associeert. Een aantal psychologen die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het testen van de cognitieve vaardigheden, waarbij het gebruik van objectieve procedures de belangrijkste ontwikkeling was, zijn Galton, Cattell en Wissler. Galton was de grondlegger van mentale tests: hij was de eerste die op grootschalig niveau systematisch individuele verschillen in fysieke, sensorische en motorische data verzamelde en met elkaar vergeleek. De focus lag op de correlatie van deze data met de intellectuele capaciteiten (“brass instruments era”). Samen met Cattell ontwikkelde Galton de eerste gestandaardiseerde vragenlijsten die werden gebruikt om persoonlijkheid te meten. Cattell was ook de eerste die de term “mentale test” gebruikte in een gepubliceerd artikel. Wissler weerlegde (deels onterecht) de notie dat intellectuele vaardigheden en de sensorisch-motorische data correleren: dit introduceerde een tijdperk waarin intellect gezien ging worden als een geraffineerder mentaal proces van hogere orde (zoals Binet deed).

          Ook in de 20e eeuw werden veel tests ontwikkeld. Zo kwamen Binet en Simon aan het begin van de 20e eeuw met de Binet-Simon scale. Deze schaal mat intelligentie onder andere aan de hand van beredenering, begrip en het korte termijn geheugen van een persoon. De Binet-Simon scale was een goede voorspeller voor academisch succes en wordt, na enige herzieningen, nog steeds gebruikt. In de Verenigde Staten kreeg de intelligentietest een boost doordat het leger vlak voor de Eerste Wereldoorlog gebruik ging maken van Alfa (verbale) en Beta (non-verbale) bekwaamheidstaken voor rekruten. Verder ontwikkelde Woodworth in 1918 de Personal Data Sheet: de eerste formele persoonlijkheidstest. In de jaren '20 ontwikkelde Rosarch de Rosarch Inktblok Test, wat tot het begin van de 21e eeuw een van de meest gebruikte tests is. In de jaren ’30 ontwikkelde Wechsler een intelligentietest die zowel verbale als non-verbale intelligentie mat: tegenwoordig zijn de (herziene) Wechsler intelligentietests de populairste intelligentietests. De Minnesota Multiphasic Personality Inventory, oftewel de MMPI (oorspronkelijk geïntroduceerd in de jaren ’40, tegenwoordig is er een MMPI-2) vergemakkelijkt de diagnose van psychiatrische stoornissen en is nu de populairste methode om de persoonlijkheid te beoordelen.

          Wat is het verschil tussen test, measurement en assessment?

          De termen test, measurement en assessment worden vaak door elkaar gebruikt. Toch is er een wezenlijk verschil tussen de drie:

          • Een test is een middel of procedure waarmee een deel van het gedrag van een persoon in kaart wordt gebracht, geëvalueerd wordt en gescoord wordt, met behulp van gestandaardiseerde procedures.
          • Measurement wordt letterlijk vertaald als 'meting'. In deze samenvatting zal het woord measurement echter gebruikt worden. Bij measurement wordt er aan een aantal regels gehouden om zo kenmerken, gedrag en attributen van personen te becijferen.
          • Assessment wordt letterlijk vertaald als 'vaststelling'. Omdat deze vertaling de lading van het woord niet dekt, zal in het vervolg het woord assessment worden gebruikt. Assessment is elke systematische manier waarop informatie wordt verzameld om karakteristieken van mensen of objecten te kunnen begrijpen. Bij assessment worden meerdere scores en tests gebruikt om de informatie te verzamelen.

          Assessment is de term die meestal wordt gebruikt om het testen en meten van personen te weergeven: de termen measurement en testing worden minder vaak gebruikt omdat ze een negatieve lading hebben. Twee andere belangrijke termen die veel zullen terugkomen zijn betrouwbaarheid (de stabiliteit of consistentie van testscores) en validiteit (de accuraatheid van de interpretatie van testscores).

          Welke verschillende soorten tests en scoring zijn er?

          Tests

          Cronbach deelde in 1990 tests op in maximale prestatie tests en typische respons tests.

          Maximale prestatie tests worden gebruikt om het maximale kunnen van een persoon te meten. Een voorbeeld hiervan is een intelligentietest. Er zijn drie voornaamste indelingen:

          1. Ten eerste wordt er onderscheid gemaakt tussen een prestatietest of een bekwaamheidstest. Een prestatietest meet kennis van een persoon in een specifiek domein. Hierbij wordt gekeken welke kennis een persoon heeft verworven. Een bekwaamheidstest meet kennis met betrekking tot levenservaring. Bekwaamheidstests zijn goede voorspellers voor toekomstig succes.
          2. Daarnaast spreek je van een objectieve of een subjectieve test. Een objectieve test kan door een computer nagekeken worden omdat een vastgestelde sleutel wordt gebruikt, waardoor de manier van beoordelen altijd gelijk is. Een subjectieve test moet worden nagekeken door een persoon.
          3. Als laatste moeten maximale prestatie tests worden ingedeeld in speed of power tests. Een speed test bevat relatief makkelijke items en meet de snelheid waarmee een persoon de test doorloopt. Bij een power test gaat het om de moeilijkheidsgraad van de vragen die de persoon juist beantwoordt. De tijd waarin de test doorlopen wordt, is hierbij niet van belang. De meeste tests zijn echter een combinatie van een speed en power test.

          Typische respons tests meten het typische gedrag van de onderzochte en worden meestal gebruikt om de persoonlijkheid te meten. Typische respons tests zijn er in verschillende vormen:

          • Bij objectieve persoonlijkheidstests worden items op een objectieve manier beoordeeld door middel van een vastgestelde antwoordsleutel. Over de interpretatie van het antwoord kan niet worden gediscussieerd.
          • Bij projectieve persoonlijkheidstests krijgt de persoon een onduidelijke stimulus te zien, waarop hij de eerste respons moet geven die in hem naar boven kwam. Onderzoekers denken dat op deze manier onbewuste driften naar boven komen. Projectieve persoonlijkheidstests gebruiken ongestructureerd of ambigu materiaal dat een oneindige mogelijkheid aan reacties teweeg kan brengen (“wat ziet u in deze inktvlek?) . De projectieve hypothese stelt dat het individu reageert op een manier dat haar/zijn onbewuste behoeftes en motieven reflecteert zonder interferentie van de ego of het bewuste denken.

          Bij alle soorten tests kan nog onderscheid gemaakt worden tussen gestandaardiseerde en niet-gestandaardiseerde tests. Bij een gestandaardiseerde test zijn de testcondities zoveel mogelijk hetzelfde voor alle personen die de test ondergaan. Een niet-gestandaardiseerde test is minder formeel. Verder kunnen alle tests ook nog onderverdeeld worden in individuele tests of groepstests. Individuele tests zijn ontwikkeld om af te nemen bij 1 persoon per keer. Groepstests kunnen worden afgenomen bij meer dan 1 persoon per keer.

          Scoring

          Scores op een test kunnen op verschillende manier geïnterpreteerd worden. Normgerichte scores worden relatief geïnterpreteerd. Dit betekent dat de scores worden vergeleken met de scores van andere mensen. Criteriumgerichte scores worden vergeleken met een absolute standaard, waarbij het criterium van te voren is vastgesteld en los staat van prestaties van anderen.

          Welke aannames worden er gedaan?

          • Psychologische constructen, zoals intelligentie en depressie, bestaan.
          • Psychologische constructen kunnen gemeten worden.
          • Het meten van constructen gebeurt nooit perfect. Er is altijd een mate van error aanwezig. Dit geldt voor metingen in alle vakgebieden (oftewel: error is inherent aan alle metingen).
          • Elk construct kan op verschillende manieren gemeten worden, waarbij elke testmethode zijn voor- en nadelen heeft. Angst kan bijvoorbeeld het best gemeten worden door een combinatie van interviews en observaties.
          • Belangrijke beslissingen moeten genomen worden op basis van meerdere testen. Een diagnose moet accuraat vastgesteld worden en dit mag nooit op basis van een enkele meting.
          • De prestatie op tests kan gegeneraliseerd worden naar niet-geteste gedragingen.
          • Testen, ook al zijn ze niet perfect, geven nuttige informatie waardoor psychologen betere beslissingen kunnen maken.
          • Testen kunnen op een eerlijke manier afgenomen worden, maar er is niet één test die geheel eerlijk is voor alle participanten.
          • Testen kunnen vooroordelen opleveren voor individuen en de maatschappij.

          De voornaamste reden dat mensen tests gebruiken, is omdat mensen niet goed zijn in het objectief beoordelen van anderen, en de meeste metingprocedures die niet gebaseerd zijn op tests bevatten een subjectief oordeel. Testen geven ons het idee dat het ons informatie oplevert over belangrijke psychologische constructen, waardoor psychologen betere beslissingen kunnen maken.

          Hoe wordt een assessment toegepast?

          Elk jaar worden er zo’n 20.000 nieuwe psychologische testen ontwikkeld. Hierbij moet rekening gehouden worden met richtlijnen van The Standard for Educational and Psychological Testing. Door middel van deze richtlijnen hebben participanten die deelnemen aan een test rechten met betrekking tot vertrouwelijkheid en de informatie die ze krijgen. Testen kennen verschillende toepassingen, zo kunnen ze onder andere gebruikt worden bij de diagnosestelling, het opstellen van een behandelplan, zelfreflectie, als evaluatie, bij het beslissen van het toekennen van een licentie of voor wetenschappelijke doeleinden.

          Assessment ontwikkelt zich steeds verder in de 21e eeuw. Een nieuwe vorm van testen is Computerized Adaptive Testing (CAT). Hierin selecteert de computer items met een bepaalde moeilijkheidsgraad voor de participant. Deze items worden geselecteerd op basis van de prestatie van de participant op eerdere items.

          Welke verschillende soorten beroepstesten bestaan er?

          Welke verschillende soorten beroepstesten bestaan er?

          Beroepentests meten onder andere vaardigheden, attitudes, meningen, interesses en kennis. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van instrumenten, zoals vragenlijsten, die worden toegepast in werkomgevingen. Eerst volgt een kort overzicht van de geschiedenis achter personeelsselectie tests.


          Hoe is de Industrieelorganisatorische (I-O) psychologie ontstaan?

          Al aan het begin van 1900 werd psychologie toegepast in bedrijven. De nadruk lag vooral op de vaardigheden die nodig waren voor het uitvoeren van een bepaalde baan. De I-O psychologie groeide door de economische omgeving van kapitalisme en industrialisatie op dat moment. Vooral de Eerste Wereldoorlog had een grote invloed op de groei van de I-O psychologie. Na de Eerste Wereldoorlog werden belangrijke psychologische organisaties opgericht. De I-O psychologie heeft vanaf dat moment bijgedragen in veel bekende onderzoeken op wetenschappelijk gebied, zoals de Hawthorne onderzoeken. Hoewel de bevindingen van de Hawthorne onderzoeken vaak bekritiseerd worden, moet niet vergeten worden dat deze studies wel al gecontroleerde, wetenschappelijke veldonderzoeken waren. Na de Tweede Wereldoorlog groeide de I-O psychologie nog verder, doordat honderden psychologen werkzaam werden bij leger- en burgerinstanties.

          Wat zijn personeelsselectietests?

          Personeelselectietests zijn bedoeld om werknemers in te huren die succesvol zullen zijn in hun werk. Het doel hiervan is dat organisaties geld besparen doordat werknemers worden ingehuurd die hun werk goed doen en tevreden zijn in de werkomgeving. Hieronder worden de meest gebruikte methoden behandelt voor het selecteren van personeel.

          Cognitieve vaardigheidstests

          Cognitieve vaardigheidstests worden als sinds de Eerste Wereldoorlog toegepast. Ze meten onder andere beredenering, verbale vaardigheden en probleemoplossend vermogen. Het gebruik ervan heeft geleid tot veel discussie in de toegepaste psychologie, terwijl onderzoek heeft aangetoond dat resultaten op cognitieve vaardigheidstests een goede voorspeller zijn voor werkprestaties. Volgens Wagner (1997) waren vernieuwde statistische methodes, zoals de opkomst van meta-analyses, verantwoordelijk voor een nieuw tijdperk van cognitieve vaardigheidstests. Doordat een grote hoeveelheid cognitieve vaardigheidstests werd samengevoegd, ontstond een hoge betrouwbaarheid en daarmee een goede toepassing op nieuwe werknemers. John Hunter en Frank Schmidt deden verschillende meta-analyses en kwamen tot onder andere deze conclusies:

          • Cognitieve vaardigheid is over het algemeen een goede voorspeller voor werkprestatie. Het validiteitscoëfficiënt tussen cognitieve vaardigheid en werkprestatie is namelijk r = 0.53. Hogere validiteitscoëfficiënten zijn gevonden voor professionele functies en lagere coëfficiënten voor functies die minder vaardigheden vereisen.
          • De mogelijkheid van cognitieve vaardigheidstests om werkprestatie te voorspellen, kan verbeterd worden door andere variabelen in test toe te voegen.
          • Scores op cognitieve vaardigheidstest voorspellen het te bereiken beroepsniveau.
          • Vakkennis bemiddelt (“mediates”) de relatie cognitieve vaardigheden – werkprestaties.

          Voordelen van cognitieve vaardigheidstests zijn de validiteit van de scores, het gemak waarmee de test afgenomen kan worden zonder dat hier training voor nodig is, het is kosteneffectief en het is niet onderhevig aan pogingen om impressies of onechte reacties te fabriceren. Een nadeel is dat deze tests duur zijn en dat er veel tijd gaat zitten in het ontwikkelen van deze tests. Een tweede nadeel is dat prestatie sterk verschilt tussen verschillende etnische groepen en geslachten. Zo scoren minderheidsgroepen tot één standaarddeviatie onder scores van meerderheidsgroepen. Dit is alleen het geval bij cognitieve vaardigheidtests: niet bij de volgende methodes. Om dergelijke prestatieverschillen te vermijden, hebben Sackett en collega’s een aantal strategieën bedacht:

          • Het combineren van cognitieve vaardigheidstests met niet-cognitieve, valide voorspellers voor werkprestatie.
          • Het verwijderen van testitems die cultureel bevooroordeeld zijn.
          • Presenteer testitems zodanig dat verbale- en leesvaardigheden de resultaten niet kunnen vertekenen. Gebruik bijvoorbeeld een auditieve of visuele presentatie van de items.
          • Een motiverende instructie zorgt voor het compleet invullen van de vaardigheidstest.
          • Biedt coaching aan en studeer- en oefenmateriaal.

          De toepassing van elke strategie heeft echter slechts een klein (verwaarloosbaar) effect op het verminderen van de prestatieverschillen. Er lijkt meer en meer consensus te komen tussen I-O psychologen en onderzoekers dat de scores op cognitieve vaardigheidstests zowel valide als eerlijk zijn. Dit wordt geconcludeerd uit veel meta-analytische studies.

          De meest gebruikte cognitieve vaardigheidstest is de Wonderlic Personnel Test (WPT). De WPT bestaat uit 50 meerkeuze items die onder andere gaan over rekenen, vocabulaire en probleemoplossend vermogen. De participant heeft twaalf minuten om de test in te vullen. De WPT heeft verschillende toepassingen.

          Interviews

          Werknemerinterviews zijn één van de meest gebruikte methoden om kandidaten voor een baan te evalueren. De interviewer gebruikt een ongestructureerde of gestructureerde benadering in het gesprek. Bij een ongestructureerde benadering past de interviewer zijn vragen aan de sollicitant of op de inhoud van het gesprek aan. De resultaten op een ongestructureerd interview zijn subjectief en kunnen moeilijk vergelijkbaar zijn. Bij de gestructureerde benadering worden de vragen voorafgaand aan het interview bedacht. Alle sollicitanten krijgen dezelfde vragen en de antwoorden hierop kunnen objectief gescoord en makkelijk vergeleken worden.

          De mate waarin interviews werkprestatie kunnen voorspellen, is nog onduidelijk. Verschillende onderzoeken tonen verschillende validiteitcoëfficiënten tussen interviews en werkprestatie. Gestructureerde interviews zouden over het algemeen een hoger validiteitcoëfficiënt hebben dan ongestructureerde interviews. De oorzaak hiervan kan zijn dat gestructureerde interviews een hogere betrouwbaarheid hebben, hoewel een hogere betrouwbaarheid ook niet altijd geassocieerd hoeft te zijn met een hoger validiteitscoëfficiënt. Meer onderzoek is zeker nodig.

          Voordelen zijn dat het gebruik van interviews gunstig is voor sollicitanten (zij verwachten een interview) en dat het de mogelijkheid biedt tot verbale communicatie tussen de interviewer en de sollicitant. Nadelen zijn dat het wel gevoelig is voor verschillende meetfouten en/of vooroordelen. Ook is het een tijdrovend proces, kan het duur zijn om interviewers te trainen en kunnen sollicitanten sociaal wenselijk antwoorden.

          Persoonlijkheidstests

          Persoonlijkheid beschrijft de unieke karakteristieken van een persoon die hem/haar definieren en die gebruikt worden door het individu wanneer hij/zij communiceert met anderen. Voorbeelden van deze karakteristieken zijn flexibiliteit, intuïtie en agressie. Persoonlijkheid wordt in werkomgevingen meestal gemeten door middel van zelfrapportage vragenlijsten. Persoonlijkheidstests die geen informatie geven over de mentale gezondheid van een persoon worden over het algemeen geschikt bevonden voor werkomstandigheden. Op deze manier wordt geen inbreuk gepleegd op de privacy van de persoon.

          Uit meta-analytisch onderzoek van Barrick en Mount in 1991, die de Big-5 persoonlijkheidsdimensies met de werkprestaties vergeleken, blijkt dat persoonlijkheidstests een goede voorspeller zijn van werkprestatie. Zo vonden zij dat personen die hoog scoren op consciëntieusheid, zowel verantwoordelijk als georganiseerd zijn. Deze mensen leveren over het algemeen een betere werkprestatie dan mensen die laag op consciëntieusheid scoren. Verder bleek uit het onderzoek dat extraversie een valide voorspeller was voor banen als managers en verkopers. Openheid voor nieuwe ervaringen was een significante voorspeller voor personen die trainingen op hun werk ondergingen, terwijl emotionele stabiliteit en vriendelijkheid geen valide voorspellers lijken te zijn voor werkprestatie. Tett, Jackson en Rothstein (1991) vonden met hun meta-analyse zelfs nog sterkere relaties tussen persoonlijkheid en werkprestaties.

          Echter, de laatste paar jaar is er een tweedeling gekomen in de onderzoekers die de resultaten interpreteren. Morgeson en collega’s (2007) beargumenteerde dat er drie voornaamste problemen waren:

          1. De lage validiteitcoëfficiënten.
          2. De afhankelijkheid van meta-analyses die de werkelijke relatie tussen persoonlijkheid en werkprestatie overschatten door de hoeveelheid statistische correcties.
          3. De onduidelijke effecten op een persoonlijkheidstest en de relatie tot werkprestatie wanneer een sollicitant zich anders voordoet op de persoonlijkheidstest.

          Andere onderzoekers zijn juist weer erg overtuigend in het weerleggen van deze beweringen. Een veel gebruikte, niet klinische persoonlijkheidstest die veel in werkomgevingen wordt gebruikt is de Hogan Personality Inventory – Revised (HPI-R). De HPI-R is gebaseerd op het vijf-factor model van persoonlijkheid en bestaat uit 206 juist/onjuist items. De resultaten op de HPI-R meten Aanpassing (Adjustment), Ambitie (Ambition), Sociale vaardigheden (Sociability), Interpersoonlijke gevoeligheid (Interpersonal Sensitivity), Voorzichtigheid (Prudence), Creativiteit (Inquisitive) en Leerbenadering (Learning Approach). Verder laten de resultaten de sterke en zwakke punten van de persoon zien. Ook komen karakteristieken naar voren die relevant zijn voor succes in werkomstandigheden en wordt duidelijk of de persoon de juiste kandidaat is voor de werkpositie.

          Het voordeel van persoonlijkheidstests is dat de scores valide zijn en de tests gemakkelijk zijn af te nemen. Nadelen zijn dat deze methode niet geliefd is bij sollicitanten en zij sociaal wenselijk kunnen antwoorden.

          Integriteittests

          Integriteittests, als alternatief van de leugendetectortest die niet meer in werkomgevingen mogen worden toegepast, zijn zelfrapportage tests die meten of iemand geneigd is om niet eerlijk te antwoorden. Integriteit gaat over het adequaat uitoefenen van een functie. Integriteitstests hebben een validiteitscoëfficiënt van r = 0.41 met werkprestatie en hebben hiermee de grootste validiteitscoëfficiënt in het voorspellen van werkprestatie op basis van cognitieve vaardigheidstests. Er zijn twee verschillende soorten integriteitstests. Open integriteitstests bestaan uit vragen met betrekking tot algemene aannames en attitudes tegenover onder andere diefstal en andere overtredingen, en bekentenissen aangaande dergelijke overtredingen. Persoonlijkheid-georiënteerde integriteitstests bestaan uit vragen over persoonlijkheidskenmerken die gerelateerd zijn aan diefstal, zoals sensatiezoekend gedrag. Sackett en collega’s analyseerden integriteittests en concludeerden het volgende:

          • Integriteit reflecteert een complexe mix van de Big 5 persoonlijkheidsdimensies, hoewel een groot deel van variatie van integriteit nog onverklaard blijft.
          • Integriteit heeft sterke correlaties met cognitieve vaardigheden.
          • Criteriumgerelateerde onderzoeken laten positieve correlaties zien tussen integriteit testscores en werkprestatie.
          • Het is nog onduidelijk welk effect responssets hebben op integriteit testscores.

          De Personnel Selection Inventory (PSI) is één van de meest gebruikte integriteitstests. De PSI bestaat uit een groot aantal werkgerelateerde domeinen. Elk antwoord op een directe of indirecte vraag heeft een waarde, en alle waarden opgeteld resulteren in een totale schaalscore voor eerlijkheid. Een voorbeeld van een indirecte vraag: “Het is OK om wat van de regels af te wijken – nooit, zelden, soms, vaak of bijna altijd”. Een voorbeeld van een directe vraag: “Geef een schatting van de waarde van de koopwaar die je gebruikt hebt voor persoonlijk gebruik: €0, €5, €15, €25, €100, €500, €1000, €2000, of meer”.

          Integriteittests leveren valide scores en geven sollicitanten de boodschap dat integriteit belangrijk is. Daarnaast zijn deze tests makkelijk af te nemen (pen en papier of op de computer). Ook hier kunnen sollicitanten echter sociaal wenselijk antwoorden en de methode is bij hen niet geliefd.

          Assessment centers

          Een assessment center is een samenstelling van taken of oefeningen waarmee een werkomgeving wordt gesimuleerd. Voorbeelden van assessment centers zijn groepsdiscussies, mondelinge presentatie oefeningen en rollenspellen. De participanten worden geobserveerd en beoordeeld op verschillende dimensies zoals communicatie, motivatie en stress tolerantie. Onderzoek toont aan dat de relatie tussen dimensies op een assessment center en cognitieve vaardigheden en persoonlijkheid relatief laag is, namelijk r = 0.30 of kleiner. Meer onderzoek is nodig.

          Assessment centers leveren valide resultaten op en worden, vanwege de inhoudelijke relevantie tot het werk, als positief ervaren door sollicitanten. Ook biedt deze methode de mogelijkheid tot feedback. Nadelen zijn de kosten en de tijd die erin gaat zitten om het te ontwikkelen. De afname tijd is aanzienlijk langer dan bij voorgaande methodes.

          Werkvoorbeeld tests

          Werkvoorbeeld tests worden ook wel prestatiegebaseerde tests of simulaties genoemd. Ze worden al tientallen jaren gebruikt om werknemers voor banen te selecteren. Bij werkvoorbeeld tests moeten deelnemers taken uitvoeren die gerelateerd zijn aan de functie die ze willen gaan vervullen, zoals het beantwoorden van telefoontjes of het schrijven van een brief naar een klant. Door middel van een werkvoorbeeld test wordt direct bewijs geleverd voor de vaardigheden van de deelnemer. Deze tests worden gezien als één van de meest effectieve methoden om toekomstige werkprestaties te voorspellen, hoewel een recente meta-analyse van Roth en collega’s (2005) laat zien dat r = 0.33, in tegenstelling tot r=0.54 in eerdere studies). De test heeft een hoge face validity. Er worden meerdere nadelen van werkvoorbeeld tests genoemd. Het is bijvoorbeeld moeilijk om een representatieve steekproef aan taken te selecteren. Verder nemen werkvoorbeeld tests aan dat deelnemers de kennis en vaardigheden voor de baan al bezitten. Ook is dat deze test duur in vergelijking met andere selectiemethoden. Verder meten deze tests niet de bekwaamheid van de sollicitant tot het uitvoeren van complexe taken, en is de methode ongeschikt voor banen die slechts een kleine training vereisen waarna de functie goed uitgevoerd kan worden. De test wordt wel als positief ervaren door de sollicitant, vanwege de werkrelevantie.

          Biografische data

          Biografische data refereert naar de persoonlijke ervaringen en achtergrond van deelnemers. De beste voorspeller voor toekomstig gedrag is namelijk gedrag dat in het verleden heeft plaatsgevonden. Biografische data kan onder andere door middel van een gestructureerd interview of zelfrapportage vragenlijsten verkregen worden. Biografische data blijkt voorspellend te zijn voor werkprestatie. De correlatie tussen biografische data en werkprestatie is r = 0.37. Deze vorm van data is een valide voorspeller voor werkprestatie in verschillende organisaties en omgevingen. Het verkrijgen van biografische data is gemakkelijk en kosteneffectief. Nadelen zijn dat sollicitanten zichzelf veel positiever kunnen presenteren en dat het geen informatie geeft over het huidige gedrag en functioneren.

          Hoe kies je een personeelselectie benadering?

          Bij het kiezen van een geschikte personeelselectie benadering moet onder andere rekening gehouden worden met effectiviteit, kosten en beschikbare tijd. Ook de reactie van de deelnemers is een factor waar rekening mee gehouden moet worden. Hausknecht en collega’s (2004) geven verschillende redenen waarom de reacties van toekomstige werknemers op de gekozen methode belangrijk zijn:

          • Als deelnemers vinden dat de personeelselectie benadering inbreuk pleegt op hun privacy, kunnen topkandidaten afvallen, omdat ze het bedrijf als minder aantrekkelijk beschouwen.
          • Deelnemers die negatief tegenover de gekozen benadering staan, kunnen andere mensen afraden voor het bedrijf te werken.
          • Sollicitanten kunnen ze een aangeboden baan om dezelfde reden afwijzen.
          • Negatieve reacties kunnen leiden tot aangiftes of klachten.
          • Ook kunnen negatieve reacties leiden tot het boycotten van (producten van) dat bedrijf.

          Ook blijkt uit hetzelfde onderzoek dat interviews en werkvoorbeeld tests als positief worden gezien door participanten. Cognitieve vaardigheidstests, persoonlijkheidstests en biografische data zijn methoden die een middelmatige voorkeur hadden voor participanten. Eerlijkheidstests hadden de minste voorkeur.

          Baananalyse

          Voordat een methode wordt gekozen om een werknemer te selecteren, moet een duidelijk beeld bestaan van de kennis en vaardigheden waarover een toekomstige werknemer moet beschikken. Baananalyse is het proces dat gebruikt wordt om een baan te definiëren. Volgens Harvey (1991) zijn de drie belangrijkste karakteristieken van baananalyse het beschrijven van waarneembaarheden, het beschrijven van werkgedrag dat onafhankelijk is van persoonlijke karakteristieken, en het alleen bijvoegen van observaties die te verifiëren en te herhalen zijn. Hieronder worden de meest gebruikelijke manieren behandeld om informatie over banen te verzamelen.

          • Het interview is één van de meest gebruikte methoden om informatie over een baan te verzamelen. Interviews zijn over het algemeen goedkoop, maar de kwaliteit van de data kan vertekend zijn door de (tekortschietende) vaardigheden van de interviewer.
          • Door werknemers direct te observeren wordt ook informatie over de baan verkregen. Vooral banen waar handarbeid bij komt kijken zijn geschikt voor directe observatie.
          • Een duurdere vorm van baananalyse is het inzetten van experts, genaamd SMEs (subject-matter experts). In groepen van 5 tot 10 SMEs stellen zij de baaninhoud samen. Op deze manier wordt veel informatie gegeven over de baan, zonder dat deze wordt geïnterpreteerd door een interviewer of observator.
          • Vragenlijsten kunnen een grote verscheidenheid aan werktaken bevatten. Een werknemer die al langer werkzaam is in zijn functie, kan de relevantie van elk item op de vragenlijst beoordelen met betrekking tot zijn baan. Op deze manier ontstaat een lijst van de items die de baan het best definiëren.

          Hoe wordt werkprestatie geevalueerd?

          Onderzoek naar de criteria voor werkprestatie zijn net zo controversieel als onderzoek naar personeelselectie. Het criteriumprobleem refereert naar de moeilijkheid om prestatiecriteria, die mutidimensionaal en afhankelijk van bepaalde situaties zijn, te meten. Zodra een sollicitant is gekozen en werkzaam is, moet zijn werkprestatie op een bepaalde manier gemeten worden. Hieronder volgen de meest gebruikte methoden om werkprestatie te meten.

          Benaderingen voor prestatiebeoordelingen

          De belangrijkste bronnen in het verzamelen van prestatiebeoordelingen zijn de leidinggevende, de leeftijdsgenoot, de directe supervisor, en de persoon zelf. Meestal wordt de beoordeling van de leidinggevende gebruikt omdat deze verantwoordelijk is voor het succes of falen van zijn werknemers. Werknemers zien de beoordeling door leeftijdsgenoten over het algemeen als negatief. Het beoordelen van een directe supervisor door een ondergeschikte wordt als betrouwbaar gezien, omdat het voor verbetering van het gedrag van de supervisor zorgt. Ook neemt de effectiviteit van de supervisor toe door de informele feedback die hij op zijn gedrag krijgt. Bij zelfrapportage beoordeelt een werknemer zichzelf op een aantal prestatiedimensies. Hoewel deze vorm van beoordeling goedkoop is, kan het voor een vertekend en dus onbetrouwbaar beeld zorgen. Volgens Cascio (1991) kan de effectiviteit van zelfrapportages toenemen wanneer (i) werknemers zichzelf moeten vergelijken met andere werknemers, (ii) als zij meerdere mogelijkheden krijgen tot zelfevaluatie (waarbij zelfevaluatie gezien wordt als een trainbare vaardigheid) en (iii) als de betrouwbaarheid van gegevens wordt verzekerd.

          Het vergelijken van beoordelingsbenaderingen

          Harris en Schaubroeck (1988) kwamen door middel van meta-analytisch onderzoek tot de conclusie dat het gebruik van meerdere beoordelaars voor werkprestatie een aantal voordelen met zich meebrengt. Meerdere beoordelaars hebben allemaal een verschillende kijk op de baan, waardoor de betrouwbaarheid wordt vergroot. Hoewel er wel significante correlaties bestaan tussen de beoordelingen, wordt een relatief lage hoeveelheid van de algehele variatie gedeeld. Dit houdt in dat elke beoordeling unieke informatie oplevert. Onderzoek van Hoffman en collega’s toonde aan dat subjectieve prestatiebeoordelingen een validiteit van rond de r = 0.00 had. De onderzoekers concludeerden verder dat subjectieve en objectieve prestatieresultaten een gelijk niveau van validiteit hadden. Dit betekent echter niet dat ze hetzelfde meten. Een meta-analytisch onderzoek van Bommer en collega’s toont namelijk aan dat subjectieve en objectieve prestatieresultaten niet verwisselbaar zijn.

          Vormen van beoordelingsmethoden

          Een beoordelaar kan gebruik maken van een relatieve of absolute beoordelingsmethode. Een relatieve beoordelingsmethode vergelijkt de prestatie van de beoordeelde met de prestatie van andere personen die hetzelfde werk verrichten. Een absolute beoordelingsmethode vergelijkt het gedrag van een werknemer met een vastgelegde prestatie of meting. De resultaten op een beoordelingsmethode geven een bepaalde waarde. Deze waarde wordt vervolgens vergeleken met de vooraf bepaalde meting.

          Bronnen van error

          Bij het ontwikkelen van effectieve methoden om werkprestatie te meten, worden vaak fouten gemaakt zoals Toegevendheid (Leniency) en Hevigheid (Severity). Bij toegevendheid wordt een werknemer beter beoordeeld dan zijn werkelijke werkprestatie. Bij hevigheid wordt een werknemer negatiever of heviger beoordeeld dan zijn werkelijke werkprestatie. Deze fouten zijn het resultaat van systematische beoordelingsfouten. Ze kunnen voorkomen worden door beoordelaars te informeren over hoe ze deze beoordelingsinstrumenten moeten gebruiken en door ze van de waarde van de beoordelingen te overtuigen.

          Welke wettelijke problemen zijn er?

          De Uniform Guidelines on Employee Selection Procedures (UGESP) geeft richtlijnen met betrekking tot de karakteristieken van acceptabele selectieprocedures. Deze richtlijnen kunnen op selectieprocedures als promotie, ontslag en het inhuren van nieuwe werknemers worden toegepast. Een voorbeeld van zo’n richtlijn is Discriminatie. In de UGESP wordt hiermee het gebruik van elke selectieprocedure bedoeld die een nadelige impact heeft op leden van welke etniciteit of sekse dan ook.

          Welke carrièretests zijn er?

          Carrièretests worden gebruikt om informatie te geven over de attitudes en interesses van een persoon die geïnteresseerd is in een bepaalde baan. Deze tests zijn tegenwoordig op het internet te vinden. Hieronder worden de meest gebruikte carrièretests behandeld.

          • De Strong Interest Inventory – Revised Edition (SII-R) is één van de bekendste carrièretests die wordt gebruikt van middelbare scholieren tot volwassenen. Deze test bestaat uit 291 items die meet op vier schalen: Algemene Beroepsthema’s, Standaard Interesses, Persoonlijke Stijl en Beroepsschalen.
          • De Career Decision-Making System – Revised (CDM-R) meet carrière-interesse. De CDM-R kan met de hand of computer beoordeeld worden. Bij het invullen van deze test, geeft de student antwoord op vragen met betrekking tot carrièrekeuze, schoolvakken, werkwaardes zoals salaris en creativiteit, vaardigheden, toekomstige plannen en interesses. Aan de hand van de scores worden een aantal beroepen gegeven die overeenkomen met de interesses van de student. De test komt in twee vormen: één voor jongere studenten of zij met een zwakkere leesvaardigheid, en een vorm voor mensen met een sterkere leesvaardigheid.
          • De Self-Directed Search (SDS) is een beroepsinteresse test die een beschrijving geeft van de overeenkomsten tussen de persoonlijkheid van een persoon en verschillende beroepen. Er zijn twee vormen van de SDS: één voor mensen met een gemiddelde leesvaardigheid en één voor mensen met een zwakkere leesvaardigheid of een lager opleidingsniveau.
          Carrière switchen, beroep kiezen en loopbaan plannen

          Carrière switchen, beroep kiezen en loopbaan plannen

          Het plannen van je carrière, het switchen van je loopbaan en het aanvaarden van toeval bij je beroepskeuze Beroepskeuze - Carrièreswitch - Functies - Werkrollen - Werksectoren Collega's kiezen - Levenspad volgen - Werktoekomst bepalen - Zelf bijdragen Inhoud Vragen: o.a. Wat is werk, wat is een carrière en waarom werken wij? Wat zijn competenties, kwaliteiten en vaardigheden? Wat is...... lees verder op de pagina

          Wat kan je doen om je authenticiteit en zelfbewustzijn te ontwikkelen of zingeving te vinden: vragen en antwoorden

          Wat kan je doen om je authenticiteit en zelfbewustzijn te ontwikkelen of zingeving te vinden: vragen en antwoorden

          Hoe kan je een goed oordeel vormen over je eigenschappen, talenten en aanleg?

          Hoe kan je een goed oordeel vormen over je eigenschappen, talenten en aanleg?

          Hoe vorm je een oordeel over je kwaliteiten?

          • Oordeel niet te snel. De ervaring is dat je veel zaken pas positief gaat ervaren als je er goed in bent geworden of als de omstandigheden ook bijdragen aan een positieve ervaring.
          • Oordeel op grond van verschillende achtergronden: probeer om ervaringen op te doen in verschillende omgevingen en onder verschillende omstandigheden om zo een beter beeld te krijgen. Voorbeeld: of je het leuk vindt om anderen iets te leren kan je aflezen aan je ervaringen als bijlesgever maar ook aan je ervaringen als oppas bij de kinderen van de buren.
          • Oordeel in grote lijnen. Als je positieve ervaringen hebt als zeilkampleider, jeugdtrainer of horeca-coördinator dan kan het zijn dat je plezier gaat beleven aan leidinggeven aan een groep medewerkers. Dus dat bijvoorbeeld management bij je kan passen of een coördinerende functie. Maar als je tijdens je eerste grotere coördinerende functie merkt dat onder stress werken of bijvoorbeeld oudere collega’s aansturen je echt niet meevalt, dan zegt dat nog weinig over je ervaringen na een aantal jaar op latere leeftijd. Probeer dus ook je ervaringen langs een soort tijdlijn te leggen. Ervaringen hoeven niet consequent te zijn.
          • Probeer er rekening mee te houden dat je sommige zaken echt nog niet kan weten, tenzij je er jarenlang mee bezig bent geweest.
          • Check of gebruik ook eens de JoHo competentie- en contentietools!
          Hoe creëer je een goed beeld van jezelf voor je studie, stage, reis of carrièrekeuze?

          Hoe creëer je een goed beeld van jezelf voor je studie, stage, reis of carrièrekeuze?

          Een beeld creëren van jezelf voor je studie, stage, reis of carrièrekeuze:

          • Zet activiteiten waar jij actief in bent geweest op een rijtje, zoals banen - bijbanen - zomerbanen - vakanties - reiservaringen - groepsactiviteiten - familiebijeenkomsten - commissie - vrijwilligerswerk - etc.
          • Probeer daarachter te zetten welke vaardigheden of eigenschappen je daarvoor nodig had.
          • Probeer ook aan te geven welke vaardigheden of eigenschappen je daar hebt verbeterd.
          • Probeer ook aan te geven of je heb gemerkt dat je ergens plezier in had of er naar verloop van tijd plezier in hebt gekregen.
          • Probeer ook aan te geven of je hebt gemerkt dat je in sommige zaken weinig tot geen plezier had en, iets moeilijker, probeer aan te geven waaraan dat mogelijk heeft gelegen (een vervelende collega kan een werkervaring flink negatief beïnvloeden en slecht weer tijdens een strandvakantie draagt in het algemeen ook niet bij aan de vakantievreugde).
          Hoe ben je eerlijk naar jezelf?

          Hoe ben je eerlijk naar jezelf?

          Hoe kan je zo eerlijk mogelijk naar jezelf zijn of worden?

          • Probeer zo eerlijk mogelijk over jezelf te zijn, iets wat niet altijd meevalt.

          • Iedereen heeft er last van dat jezelf voor de gek houden in deze samenleving vaak een handige strategie is om je keuzes te maken, om vooruit te komen of om te voorkomen dat je last krijgt van allerlei ingewikkelde zaken die, als je er echt over na gaat denken onoplosbaar, uitzichtloos of zinloos lijken te worden.

          • Probeer bij het eerlijk zijn niet rekening te houden met de omgeving, de toekomst, het verleden etc. Probeer het terug te brengen tot iets kleins; de vraag 'wat vind ik van leren?' is heel groot maar door het terug te brengen naar kleine leerervaringen zoals de voetbaltraining die je graag volgt, de les geschiedenis die je inspireert of de les wiskunde waarbij je in slaap valt, krijg je een beter beeld.

          • Probeer vergelijkingen te maken met zaken die dicht in de buurt zitten. Bij de vraag 'wat vind ik van werken in groepsverband' kan je je ervaringen in de klas naast ervaringen leggen in je vriendengroep, je familie of het team waarmee je hebt gewerkt tijdens je eerste of laatste baan.

          • Probeer je negatieve en positieve ervaringen/gevoelens met betrekking tot dezelfde eigenschap of vaardigheden naast elkaar te zetten. Stel je denkt na over je doorzettingsvermogen of behoefte aan afzien, kijk dan eens naar al die zaken die je nooit hebt afgemaakt of waar je balend mee bent doorgegaan en zet die af tegen zaken die je moeiteloos hebt afgerond en waar je juist energie van hebt gekregen of waarbij je de pijn van het afzien niet als negatief hebt ervaren.

          • Moeilijk maar uitdagend is om te kijken of je er ook achter kan komen waarom je vergelijkbare zaken toch op heel verschillende wijze kan ervaren.

          Hoe wordt je positiever en wat kan je doen om je optimisme te versterken?

          Hoe wordt je positiever en wat kan je doen om je optimisme te versterken?

          Tools voor versterken van je positiviteit en optimisme

          1. 'Wat als alles goed gaat?'

          • als je iemand bent die altijd van het negatieve scenario uit gaat, als je merkt dat je in de neiging schiet om bij een nieuw project alle beren op de weg te gaan benoemen en op de rem te staan, oefen dan eens in het je inbeelden hoe het zou zijn als alles goed gaat.
            • Wat gebeurd er als iedereen meewerkt, als het geheel soepeltjes verloopt?
            • Hoe voel jij je daarbij?

          Door jezelf actief te trainen in het – ook – visualiseren van de situatie waarin alles goed loopt – kun je ook meer ervaren hoe het is om te vertrouwen op de situatie, jezelf en anderen.

          Als verdieping kun je onderzoeken of er aspecten zijn die belangrijk zijn om te ondervangen:

          • Wat is er nodig om vertrouwen te hebben in een goede afloop van het project?
          • Zijn er bepaalde checks of acties nodig?
          • Is een bepaalde afstemming gewenst?

          2. Lessen uit de positieve psychologie

          • Omring jezelf met positief ingestelde mensen en bronnen. Let niet teveel op 'het nieuws' (dat vaak negatief geladen is)
          • Neem het leven zo licht mogelijk op, neem jezelf en situaties niet te serieus als dat niet nodig is. Probeer de humor ergens van in te zien, of gebruik iets humoristisch om uit een negatieve denkspriraal te komen
          • Probeer je problemen vanuit een ander perspectief te bekijken. Het zogenaamde 'omdenken' is vrijwel in alle situaties wel mogelijk, maar je moet er in het begin wel wat moeite voor doen, daarna gaat het vanzelf
          • Neem de tijd, vecht niet te hard tegen de negatieve gedachten, tijd heelt vaak ook negativiteit
          • Maak contact met anderen, ook al kost dat mentale moeite... laat je direct of indirect helpen
          • Wordt actief, leer iets nieuws
          • Ga naar buiten, de natuur werkt in het algemeen positief en onstpannend op je in; ook natuur dicht bij je in de buurt
          • Dus .. behandel jezelf zoals je een vriend zou behandelen stel je een mooie toekomst voor, focus op de positieve aspecten van ervaringen en situaties, houd een open geest en 'vergeef' jezelf en anderen

          3. Dankbaarheidsoefeningen

          • Wetenschappelijk onderzoek heeft gevonden dat het regelmatig beoefenen van dankbaarheidsoefeningen flink kan bijdragen aan je geluksgevoel.

          4. Gebruik positieve en versterkende gedachten

          • De meeste mensen hebben een sterke, geïnternaliseerde kritische stem. Om hier ook positieve gedachten tegenover te stellen, wordt ook wel gewerkt met positieve versterkende gedachten die je regelmatig moet herhalen. Deze gedachten worden affirmaties genoemd en werken versterkend in situaties waarin je iets graag wilt hebben of wilt zijn

          5. Rationeel Emotieve Therapie (RET) techniek toepassen

          • Je kunt de negatieve associaties die je hebt met studeren bestrijden met de positieve associaties die je oproept door goede studieresultaten te behalen met een gedisciplineerde en gestructureerde studieaanpak. Je kunt ze ook direct aanpakken. Een geschikte methode hiervoor, die zich ook goed leent voor zelfcoaching, is Rationeel Emotieve Therapie (RET), ontwikkeld door Albert Ellis. RET gaat uit van het principe dat niet de situatie de aanleiding is voor een bepaald gevolg, maar de gedachten die jij zelf bij deze situatie hebt. Door deze gedachten te veranderen verander je ook het gevolg. De therapie gaat uit van een ABC methode: Aanleiding, de Bril waardoor je kijkt en de Consequentie.

          Stap 1. De aanleiding (“A”)

          • Waardoor wordt het gedrag of gevoel dat je juist probeert te voorkomen opgeroepen? Probeer dat te omschrijven. Bijvoorbeeld: “Ik moet een essay schrijven.”

          Stap 2. De consequentie (“C”)

          • Wat is de consequentie van deze aanleiding? Benoem het ongewenste gedrag of gevoel dat er wordt opgeroepen. Bijvoorbeeld: “Ik blijf het werk uitstellen en doe uiteindelijk niets”

          Stap 3. De bril (“B”)

          • Wat zijn de gedachten waarmee je C veroorzaakt? Beschrijf de interpretaties, maar vooral ook de evaluaties. Bijvoorbeeld: “Ik kan dat essay toch niet maken, het is veel te moeilijk voor me.”

          Stap 4. De gewenste C

          • Bedenk hoe je graag zou reageren op de aanleiding die je omschreven hebt? Wat voor gevoel wil je dat dit bij je oproept en welk gedrag hoort hierbij? Kies wel een consequentie waarvan je weet dat deze haalbaar is. Bijvoorbeeld: “Ik zou willen dat ik net als de anderen het essay zou maken.”

          Stap 5. Logisch redeneren

          • Stel de huidige consequentie die je ervaart ter discussie en beredeneer waarom deze irreëel zou zijn. Kijk logisch naar je eigen kunnen en hoe dit in verhouding staat met de gevoelens die je ervaart. Kloppen de gedachten die je hebt wel met de werkelijkheid?

          • Bijvoorbeeld: “Waarom zou ik dat niet kunnen? Ik ben al zo ver gekomen in mijn studie, ik heb de middelbare school gehaald en dit is echt niet het eerste essay dat ik moet schrijven. Laat ik mijn eerdere resultaten er eens bij pakken om te zien wat ik kan”

          Stap 6. Vervang je bril

          • Bij de vorige stap heb je beredeneert waarom de bril die je op hebt niet de juiste is, vervang hem dan ook. Formuleer een positievere gedachte die beter overeenkomt met de werkelijkheid.

          • Bijvoorbeeld: “Ik heb al eerder werk van vergelijkbaar niveau moeten doen, toen lukte het, dus met dezelfde inzet kan ik het nu ook.”

          Stap 7. Ervaar

          • Probeer je nieuwe gedachten te ervaren door de bijbehorende situatie op te zoeken (als dat niet kan, doe het dan in je hoofd). Kijk door je nieuwe bril naar de aanleiding en ervaar hoe dit voelt. Bijvoorbeeld: “Hé hé, dat geeft een voldaan gevoel!”

          Stap 8. Oefenen

          • Maak een oefenprogramma en voer het uit om de meer rationele en productieve denkwijze in je gedrag in te voeren.

          • Investeer tijd en moeite in deze oefening: gedachten die je al heel lang hebt gaan niet zomaar weg. Je kunt bijvoorbeeld beginnen met het maken van kleine opdrachten. Als het hierbij lukt om positief naar je werk te kijken, kan het later met een groter essay waarschijnlijk ook wel.

          Hoe ga je om met de mening van een ander over je kwaliteiten of competenties?

          Hoe ga je om met de mening van een ander over je kwaliteiten of competenties?

          Hoe ga je om met de mening van een ander over jou en over je kwaliteiten?

          • Vraag vooral ook eens de mening van anderen die jou goed kennen en probeer hun mening een plek te geven in je proces naar meer zelfkennis.
          • Let er echter op dat je ook weer niet teveel waarde hecht aan de mening van een ander. De kans dat die ander zichzelf zo goed kent dat zijn mening over jou ook heel veel waarde heeft, is erg klein.
          • Gebruik de meningen van anderen dus wel maar relativeer de waarde.
          Wat kan je doen om je zelfinzicht en zelfkennis te versterken of verbeteren?

          Wat kan je doen om je zelfinzicht en zelfkennis te versterken of verbeteren?

          Welke vragen en tools kunnen helpen bij zelfinzicht en zelfkennis?

          1. Wat is jouw neiging bij conflict? Ga je in fight, flight of freeze modus?

          2. Hoe denk je? Denk je vanuit concrete situaties of zie je situaties meer abstract? Zie je beperkingen of juist kansen?

          3. Hoe vorm je je mening? Wat zijn je onderliggende overtuigingen? Over jezelf? Over de wereld?

          4. Wat zijn thema’s die je terug ziet in wat je doet (niet wat je wilt/wat je hoopt)?

          5. Gebruik het kernkwadrant om inzicht te krijgen in je blinde vlek en je kwaliteiten: zie JoHo WorldSupporter voor meer uitleg

          6. Verzamel jouw 'verhalen' (zie ook: how to find your why van Simon Sinek) – wees zo specifiek mogelijk in de beantwoording ervan

            • Wie heeft je geholpen om de persoon te worden die je vandaag de dag bent?
            • Denk aan een moment op je werk waarin je dacht ‘dat had ik ook vrijwillig willen doen’? Wat gebeurde er die dag dat je dat gevoel had?
            • Denk eens aan het meest verschrikkelijke moment op je werk. Zo een waarvan je hoopt dat je die niet meer mee gaat maken. Wat was er gebeurd?
            • Wat is je eerste, specifieke herinnering als kind? Beschrijf het eerste moment dat in je op komt.
            • Op school, wat was een ervaring die je fantastisch vond?
            • Wat is een cruciaal moment geweest in je leven, een waardoor je je realiseerde dat niets meer hetzelfde zou zijn.
            • Wat is er gebeurd in je leven dat er voor zorgde dat je heel anders begon te denken over de wereld en jouw rol erin?
            • Wat was een tijd waarin je iemand anders kon helpen, waarna je een enorm goed gevoel over hield, een gevoel waarin je merkte dat je echt iets had gedaan dat het verschil maakt?
            Wat kan je doen om je zelfvertrouwen en zelfwaardering te versterken?
            Waarom besta je, wie wil je zijn, wat zijn je drijfveren en wat kan je doen?

            Waarom besta je, wie wil je zijn, wat zijn je drijfveren en wat kan je doen?


            Welke vragen kan je je zelf stellen voor de roadmap naar je eigen missie, visie en strategie

            Hoe bepaal je je eigen missie, visie en strategie?

            • Het is niet voor niets dat vrijwel elk bedrijf en vrijwel elke organisatie veel tijd stopt in het bepalen van de eigen missie, visie & strategie.
            • Het is niet altijd makkelijk en zelfs over de uitleg van termen lijkt niemand het eens te zijn maar eigenlijk doet het niet zoveel ter zake. Bijna alle wegen leiden hier tot meer en soms voldoende zelfinzicht.
            • Dus ook voor jou kan het een handige kapstok zijn om je zelfonderzoek mee af te sluiten.
            • Hieronder vind je de kapstok waar al miljoenen organisaties gebruik van maken en die nu is toegepast op jou als individu. Misschien niet makkelijk maar ook organisaties doen er soms jaren over en stellen ook regelmatig hun missie of visie bij.

            Je missie: waarom besta je, wat zijn je drijfveren?

            • Wat is je persoonlijkheid?
            • Wat is je primaire rol?
            • Wat je ultieme hoofddoel?
            • Voor wie besta je? Wie zijn er belangrijk voor je?
            • In welke fundamentele behoefte voorzie je? Voor wie ben jij er?

            Je visie: wie wil je zijn?

            • Wat is je toekomstbeeld? Wat zijn je lange termijn ambities? Wat wil je bereiken?
            • Wat is je gewenste en haalbaar geachte toekomstige situatie en wat is het veranderingstraject dat nodig is om daar te komen?
            • Waar sta je voor, wat verbindt jou met je omgeving, wie wil je zijn en wat is essentieel in jouw houding en waar geloof je in?
            • Wat zijn je kernwaarden?

            Je strategie: wat moet je doen, wat is je aanpak?

            • Het fundament van je strategie wordt gevormd door je missie en je visie. Deze onderdelen beschrijven je identiteit, je persoonlijkheid en zijn relatief stabiel. Missie en visie beschrijven je drijfveren, je ‘reden van bestaan’ en je toekomstbeeld en wensen.
            • Missie en visie zijn uitgangspunt voor het formuleren van je kritische succesfactoren, je doelstellingen en de maatregelen die nodig zijn om die te bereiken.

            Je kritische succesfactoren: Wat is cruciaal voor succes?

            • Welke factoren maken jou uniek?
            • Wat is voor jouw ‘succes’ doorslaggevend?
            • Welke factoren in de visie zijn essentieel voor jouw bestaan?
            • Wat zijn je kerncompetenties?

            Jouw doelstellingen: Wat?

            • Wat wil je precies bereiken?
            • Op welk niveau moeten de resultaten komen te liggen?
            Doelstellingen worden uitgewerkt in scenario’s, maatregelen, interventies of verbeteracties waarmee concreet wordt uitgewerkt wat je gaat doen om de voorgenomen resultaten te gaan bereiken.

            Je maatregelen: Hoe?

            • Hoe wil je de resultaten bereiken?
            • Hoe kun je je doelen realiseren? Welke maatregelen ga je nemen? Welke verbeteracties ga je uitvoeren?
            • Hoe creeër je draagvlak bij jezelf en je omgeving voor de ontwikkelde strategieën?
            • Hoe ga je hierover communiceren?
            • Het laatste onderdeel van de strategie is het opstellen van de key prestatie-indicatoren (KPI’s) om de resultaten te kunnen meten en waar mogelijk bij te sturen.
            Het kan fijn zijn als je ook wat meetpunten voor jezelf bepaalt waar je je misschien niet heel strak aan hoeft te houden maar die wel als stimulans kunnen gelden en bij de voortgang van het proces kunnen helpen.

            Je indicatoren

            • Waarmee kun je de resultaten meten?
            • Wat maakt de visie en strategische doelen meetbaar?
            • Welke waarden moeten gehaald worden?

            NB

            • Net als bij bedrijven en organisaties gaat het niet zozeer om dat je alles tot op de puntjes uitgewerkt op papier krijgt maar meer om het proces dat daartoe heeft geleid. Wil een missie en visie betekenis hebben voor jou en je omgeving, dan zal ze gebaseerd moeten zijn op je ideeën, opvattingen en ambities die je met andere deelt, of wil delen.
            • In feite kun je elke keuze die je maakt naast je missie en visie leggen. Of het nu gaat om de studie die je wilt volgen, de baan die je zoekt of je volgende vakantiebestemming.
            • In het geval van een vaste of tijdelijke baan zal die in het begin lang niet altijd bij jouw missie en visie passen,  maar toch levert dat vaak wel bijdrage aan meer inzicht of aanscherping van die missie en visie.
            • Uiteindelijk zal vaak je strategie (scenario, maatregelen, verbeteracties) bepalen of je ook bij die baan of organisatie zal belanden waar je de meeste kans maakt om je missie en visie te bereiken.
            Waarom is het zo moeilijk om erachter te komen wat je leuk vindt?

            Waarom is het zo moeilijk om erachter te komen wat je leuk vindt?

            Waarom is het nu zo moeilijk om erachter te komen wat je leuk vindt?

            • Iets leuk vinden heeft deels te maken met jouw eigen keuze om iets leuk te vinden, en deels om het ook leuk te maken. Daarnaast speelt mee dat je je er bewust van moet zijn, achter die keuzes moet gaan staan en eerlijk naar jezelf en je omgeving moet proberen te blijven.

            Keuzes maken is moeilijk

            • We hebben allemaal last van het feit dat keuzes maken makkelijker is gezegd dan gedaan. Keuzes hebben consequenties, keuzes lijken soms onbereikbaar ("wie voor een dubbeltje is geboren, wordt nooit een kwartje"), keuzes zijn moeilijk los te koppelen van de situatie waar je je nu in bevindt en keuzes zijn heel moeilijk eerlijk te maken.
            • Eerlijk zijn naar jezelf valt vaak echt niet mee.

            Keuzes kunnen vergaande conseqenties hebben

            • Iets echt leuk vinden, kan vergaande consequenties hebben voor jezelf of je omgeving. Een baan in het buitenland, een nieuwe vriendengroep, een andere relatie, het zijn allemaal zaken waar je vaak eigenlijk niet aan wilt denken. Ze uitspreken is al lastig, laat staan ze uitvoeren .. dan is het toch makkelijker om het gewoon weg te drukken of er voor weg te lopen.

            Kiezen voor veiligheid is makkelijker

            • Kiezen voor veiligheid en wat je kent, is makkelijker dan kiezen voor dat wat je nog niet kent. Vaak zal je door voorwaarden te koppelen aan bepaalde keuzes het voor jezelf makkelijker maken om voor de veilige bekende weg te kiezen.
            Wat vind jij nu leuk en hoe kom je achter ‘je passie'?

            Wat vind jij nu leuk en hoe kom je achter ‘je passie'?

            Doe wat je leuk vindt... maar wat vind je nu leuk en hoe kom je achter ‘je passie'?

            • Nog los van de vraag of een passie wel echt bestaat, is het wel een handige houvast bij vragen over wat je nu leuk vindt en wat leuk vinden dan wel is.
            • Een zogenaamde passie kan je komen aanwaaien, daar rol je soms in zonder dat je het door hebt. Je kunt er ook wat meer moeite voor doen, door het op te zoeken en je er zo in te laten rollen. Je eerste biertje of wijntje smaakt vaak heel anders dan je honderdste of je laatste.
            • Moeilijker wordt het als je er meer moeite voor moet gaan doen en het niet vanzelf gaat. Zeker als je verwachtingspatroon vanaf het begin heel hoog is en je continu naar je kennis of buurman blijft kijken die zo gepassioneerd praat over zijn hobby, werk of studie. Het kan dan steeds moeilijker worden om erachter te komen wat jouw passie is of wat jij nu echt leuk vindt.
            • Check en gebruik de JoHo competentietools
            Wat wil je? Wat kan je? Wat zou je moeten willen? Wat is jouw weg naar jouw visie en strategie voor het leven?

            Wat wil je? Wat kan je? Wat zou je moeten willen? Wat is jouw weg naar jouw visie en strategie voor het leven?

            Welke weg kies jij zelf, wat is jouw weg naar je eigen 'business plan', je missie, visie en strategie?

            • Het is niet voor niets dat vrijwel elk bedrijf en vrijwel elke organisatie veel tijd stopt in het bepalen van de eigen missie, visie en strategie.
            • Het is niet altijd makkelijk en zelfs over de uitleg van termen lijkt niemand het eens te zijn maar eigenlijk doet het niet zoveel ter zake. Bijna alle wegen leiden hier tot meer en soms voldoende zelfinzicht.
            • Dus ook voor jou kan het een handige kapstok zijn om je zelfonderzoek mee af te sluiten.
            • Hier vind je de kapstok waar al miljoenen organisaties gebruik van maken en die nu is toegepast op jou als individu. Misschien niet makkelijk maar ook organisaties doen er soms jaren over en stellen ook regelmatig hun missie of visie bij.

            Log in en lees hieronder verder

            Waar moet je aan denken als je van tests en andere tools gebruik maakt om persoonlijkheid te testen?

            Waar moet je aan denken als je van tests en andere tools gebruik maakt om persoonlijkheid te testen?

            Waar moet je aan denken als je van persoonlijkheidstests en andere tools gebruik maakt?

            • De praktijk en de ontwikkeling van mensen is niet echt in een wetenschappelijk of computer gestuurd systeem te vatten. Tests zijn gebaseerd op bepaalde aannames, vaste informatie en beperken zich tot de grote lijn omdat er ander geen systeem van gemaakt kan worden. Als studie- of beroepskeuze tests echt goed zouden werken dan zou de wereld er heel anders uit zien.
            • Er is geen enkele studie- of beroepskeuze test die rekening houdt met de cultuur van een bedrijf of organisatie terwijl dat uiteindelijk van doorslaggevend belang kan zijn.
            • Er is geen enkele studiekeuze test die rekening houdt met alle verschillende mogelijkheden op de arbeidsmarkt of jouw ontwikkeling op latere leeftijd.
            • Dus houd er rekening mee dat je de ervaringen met tests stevig relativeert en alleen gebruikt om je eigen onderzoek mee aan te vullen. Laat het niet leidend zijn.

             

            Welke tests en tools kan je gebruiken voor je zelfkennis, persoonlijkheid en het voorhouden van een spiegel
            Wie en wat kan je helpen bij het zoeken naar wat je wil, wat je nu echt leuk vindt?

            Wie en wat kan je helpen bij het zoeken naar wat je wil, wat je nu echt leuk vindt?

            Wat kan je helpen bij het zoeken naar wat je wil, wat je nu echt leuk vindt?

            • Neem de tijd, schrijf zaken op, leg het weer weg en pak het de volgende dag, de volgende maand of het volgende jaar weer op.
            • Laat je negativiteit even varen. Bijna iedereen heeft bij tijd en wijle meer en minder last van negativiteit, maar in dit proces moet je echt je best doen om het zo ver mogelijk weg te stoppen.
            • Gebruik de lijsten met eigenschappen en vaardigheden en maak drie lijstjes: één met de voor jou 25 belangrijkste, de 10 belangrijkste en de 3 belangrijkste.
            • Kijk om je heen, lees verhalen van anderen die op zoek zijn naar hun drijfveren, verdiep je in de arbeidsmarkt en andere zaken die zin (kunnen) geven aan je bestaan.
            • Denk eens na over een sabbatical, een tussenjaar, wat zou je dan het liefste willen doen, met wie, waar en hoe en als dat juist de vraag is, neem dan de volgende stap in overweging.
            • Probeer op een rustig moment op een rustige lokatie rustig na te denken over je mogelijkheden zonder daarbij alle beperkingen die er nu zijn op te roepen of beperkingen die er mogelijk nog gaan komen. Denk leeftijdloos, relatieloos, baanloos, etc. Laat je onzekerheden los en durf een keer te dromen. Het maakt in dit geval niet uit dat je droom uiteindelijk toch nooit bereikbaar is, maar het helpt je om meer achter je ultieme drijfveren te komen. Lukt het je niet om groots te dromen, zoek het dan dichter bij huis en maak het kleiner.
            • Probeer uit te zoeken waar je dromen vandaan komen, ga op zoek naar je eerlijkheid. Komt je droom niet voort uit het afstand willen nemen van je ouders of is het er juist van jongs af aan ingepompt? Waarom denk je dat je droomt wat je droomt?
            • Maak een tekening van al je wensen, schrijf een essay, plak foto's op een board (je eigen moodboard), kies wat bij je past.
            Zelfbewust zijn versus onzekerheid: ontdek je kwaliteiten, verkrijg zelfinzicht en omzeil je klippen

            Zelfbewust zijn versus onzekerheid: ontdek je kwaliteiten, verkrijg zelfinzicht en omzeil je klippen

            Zelfbewust zijn, zelfkennis en zelfinzicht opdoen, kwaliteiten ontdekken, kansen benutten en klippen omzeilen Eigen bestemming vinden - Onzekerheid plek - Zelfvertrouwen versterken Inhoud: o.a. Wat betekent zelfbewustheid en wat wordt verstaan onder zelfbewust zijn? Wat betekent onzekerheid en je onzeker voelen, en wat is vertrouwen en vertrouwen hebben? Wat betekent zelfverzekerdheid en wat wordt verstaan onder zelfwaardering? Wat betekent negativiteit...... lees verder op de pagina
            Oordeel vormen: uitgelichte chaptersamenvattingen rond oordelen, besluitvorming en keuzes maken

            Oordeel vormen: uitgelichte chaptersamenvattingen rond oordelen, besluitvorming en keuzes maken

            Hoe nemen mensen besluiten?

            Hoe nemen mensen besluiten?

            In dit hoofdstuk wordt duidelijk hoe mensen besluiten maken. Allereerst worden de verschillende typen besluiten en het besluitvormingsproces besproken. Vervolgens worden ‘biases’ en problemen in besluitvorming toegelicht. Verder de voor- en nadelen om een groep bij de besluitvorming te betrekken en de technieken die een groep kan gebruiken bij besluitvorming. Tot slot wordt ingegaan op hoe een bedrijf het leren in een organisatie kan aanmoedigen om de kwaliteit van zijn besluitvorming vast te houden en te verbeteren.


            In dit hoofdstuk wordt duidelijk hoe mensen besluiten maken. Allereerst worden de verschillende typen besluiten en het besluitvormingsproces besproken. Vervolgens worden ‘biases’ en problemen in besluitvorming toegelicht. Verder de voor- en nadelen om een groep bij de besluitvorming te betrekken en de technieken die een groep kan gebruiken bij besluitvorming. Tot slot wordt ingegaan op hoe een bedrijf het leren in een organisatie kan aanmoedigen om de kwaliteit van zijn besluitvorming vast te houden en te verbeteren.

            Wat is besluitvorming?

            Besluitvorming is het proces waarbij leden van een organisatie een specifieke koers van acties kiezen om te reageren op de mogelijkheden en de problemen.

            Besluiten in reactie op mogelijkheden komen voor wanneer leden van een organisatie keuzes maken die resulteren in voordelen voor hen. Een individu, groep of organisatie bereiken alleen hun volledig potentieel als ze gebruik maken van alle mogelijkheden om hun effectiviteit en efficiëntie te verhogen.

            Besluitvorming in reactie op problemen komen voor wanneer individuele, groep, of organisatiedoelen en prestatie bedreigd worden.

            Bij reacties op mogelijkheden en problemen zijn er twee typen besluiten die gemaakt kunnen worden: ongeprogrammeerde besluiten en geprogrammeerde besluiten:

            • Ongeprogrammeerde besluiten worden gemaakt als leden van een organisatie reageren op nieuwe problemen of mogelijkheden. Hierbij zoeken de leden extra informatie om de juiste keuze te maken.

            • Geprogrammeerde besluiten worden gemaakt in reactie op problemen en mogelijkheden die steeds terugkeren. Om een geprogrammeerd besluit te maken, wordt er gebruik gemaakt van een functioneringsprogramma (‘performance program’), een gestandaardiseerde opeenvolging van gedragingen die leden automatisch moeten volgen bij het ondervinden van een bepaald probleem of mogelijkheid.

            Functioneringsprogramma’s volgen meestal uit ongeprogrammeerde besluiten. Als een probleem of mogelijkheid vaker voorkomt, dan is een geprogrammeerd besluit nodig en wordt een functioneringsprogramma gemaakt.

            Ethische besluitvorming

            Een criterium van een bevredigend besluit is dat deze ethisch is. Ethische besluiten bevorderen het welzijn en zorgen niet voor schade bij leden van een organisatie of andere mensen. Vaak is het echter moeilijk de grens tussen ethische en onethische besluiten te bepalen. Sommige mensen maken expres onethische besluiten om er zelf beter van te worden in de organisatie, maar zelfs mensen die streven naar ethische besluiten hebben vaak last van ethische dilemma’s.

            Een bedrijf kan voor deze dilemma’s een ethiek ambtenaar aannemen die verantwoordelijk is voor het ontwikkelen van ethische normen voor besluitvorming.

            De ambtenaar is ook verantwoordelijk voor het luisteren naar het klagen van werknemers over onethisch gedrag, het trainen van werknemers om ethische besluiten te maken en het behandelen van managers om ze geen onethische besluiten te laten maken.

            Hoe zit het besluitvormingsproces in elkaar?

            Twee onderzochte modellen van besluitvorming zijn het klassieke besluitvormingsmodel en het administratieve besluitvormingsmodel van James March en Herbert Simon.

            1. Het klassieke besluitvormingsmodel is een voorschrijvend model: het beschrijft hoe mensen een besluit zouden moeten maken. Het model berust op twee assumpties:

            1. Mensen hebben toegang tot alle informatie die ze nodig hebben.

            2. Mensen maken een besluit door het kiezen van de beste oplossing voor een probleem of reactie op mogelijkheid.

            Volgens het klassieke model kiest men voor een reactie op een probleem of mogelijkheid door vier stappen te volgen:

            1. Een lijst maken van alle alternatieven waarvan een keuze gemaakt kan worden. Dit zijn verschillende reacties op problemen en mogelijkheden.

            2. Een lijst maken van alle consequenties op elke mogelijkheid. Dit is wat er gebeurt als er voor een reactie wordt gekozen.

            3. Eigen voorkeuren voor alternatieven en consequenties rangschikken.

            4. Selecteren van het alternatief dat tot de beste consequenties leidt.

            Dit model is echter onrealistisch. De assumptie dat men alle informatie heeft om optimale beslissingen te maken komt meestal niet voor in organisaties. In vergelijking met hoe besluiten echt worden gemaakt in organisaties, komt de eerste stap niet overeen, omdat organisaties vaak niet alle alternatieven weten. De tweede stap komt niet overeen omdat men vaak niet alle consequenties weet. Het grootste probleem bij besluitvorming is vaak dan ook dat men niet alle consequenties weet van een alternatief. De derde stap komt niet overeen omdat men niet altijd zeker weet wat hij/zij wil.

            Door de problemen met deze eerste drie stappen in het klassieke model, is het vaak niet mogelijk voor leden van een organisatie om de beste besluiten te maken. Als ze toch een goed besluit maken, is het vaak de moeite, tijd en kosten niet waard.

            2. Het administratieve besluitvormingsmodel van March en Simon is beschrijvend: het legt uit hoe mensen werkelijk besluiten maken in organisaties. March en Simon benadrukken dat incomplete informatie en de cognitieve vaardigheden en de psychologische gesteldheid van leden het besluitvormingsproces beïnvloeden. Daarbij maken leden van een organisatie vaak bevredigende besluiten, in plaats van optimale.

            Volgens het administratieve model, kiest men een reactie voor een probleem of mogelijkheid op basis van een vereenvoudigd en globaal idee van de situatie: de definitie van het probleem of mogelijkheid volgens de besluitmaker. Besluitmakers kunnen stappen volgen uit het klassieke model, maar de informatie die ze gebruiken is gebaseerd op hun definitie van de situatie, dat het resultaat is van persoonlijke en situationele factoren.

            Persoonlijke factoren zijn onder andere de persoonlijkheid, vaardigheden, percepties, ervaringen en kennis van de besluitmakers. Situationele factoren zijn onder andere de groep, organisatie en de organisatorische en nationale cultuur waar de besluitmaker deel van uitmaakt. In plaats van optimale besluiten doen leden van een organisatie dus vaak aan satisficing: ze zoeken en kiezen acceptabele reacties die niet noodzakelijk de beste reacties zijn.

            March en Simon herkennen ook de beperkingen van de besluitmakers, in tegenstelling tot het klassieke model. Besluitmakers zijn beperkt door begrensde rationaliteit: de vaardigheid van redeneren die beperkt is door de beperkingen van de mens zelf. Het is vaak onmogelijk voor besluitmakers om tegelijkertijd alle informatie die relevant is voor een besluit te overdenken en tegelijk deze informatie gebruiken om een optimale keuze te maken.

            Door deze beperkingen kan beter begrepen worden waarom er goede en slechte besluiten worden gemaakt en hoe besluitvorming verbeterd kan worden. Goede besluiten worden vaak gemaakt doordat besluitmakers de belangrijkste aspecten kunnen identificeren. Slechte besluiten kunnen worden gemaakt door de situatie verkeerd in te schatten. Besluitmakers moeten bedenken hoe hun persoonlijke voorkeuren invloed hebben op de manier waarop zij de mogelijkheden en problemen van hun beslissingen zien, oftewel de potentiële effecten van hun beslissingen.

            Wat zijn 'biases’ en problemen in besluitvorming?

            Twee grote bronnen van fouten in besluitvorming zijn ten eerste vuistregels (‘shortcuts’, ‘rules of thumb’). Dit zijn praktische maar onnauwkeurige regels, die mensen gebruiken om besluiten te vormen. Ten tweede, de menselijke neiging om na slechte besluiten nog meer in de besluiten te investeren.

            1. Vuistregels die mensen gebruiken om besluiten makkelijker te maken heten heuristieken (‘heuristics’). Mensen gebruiken ze soms zonder zich ervan bewust te zijn. Omdat ze zaken makkelijker maken kunnen ze helpen in het besluitvormingsproces, maar ze kunnen ook leiden tot ‘biases’: systematische fouten in besluitvorming. Drie veelvoorkomende vuistregels zijn de beschikbaarheidsheuristiek, representatieve heuristiek, en de verankerde en aanpassing heuristiek.

            • De beschikbaarheidsheuristiek (‘availability heuristic’) is de vuistregel te denken dat een gebeurtenis die makkelijk herinnerd wordt, vaker is voorgekomen dan een gebeurtenis die minder makkelijk herinnerd wordt. De beschikbaarheidsheuristiek kan besluitvorming helpen omdat gebeurtenissen die echt vaker voorkomen ook makkelijker herinnerd worden. Maar andere factoren kunnen ook de beschikbaarheid bepalen. Eén zo’n factor is de overschatting van frequentie van een levendige of extreme gebeurtenis. Een andere is de overschatting van frequentie van pas gebeurde gebeurtenissen.

            • De representatieve heuristiek (‘representativeness heuristic’) is de vuistregel die zegt dat gelijksoortige gebeurtenissen die plaatsvonden in het verleden, goed de waarschijnlijkheid voorspellen van een aankomende gebeurtenis. Deze heuristiek kan soms een goede vuistregel zijn, omdat een soortgelijke gebeurtenis in het verleden soms een goede voorspeller is van een gebeurtenis die nog moet komen. Echter, deze heuristiek kan ook leiden tot het negeren van belangrijke informatie over hoe vaak dit soort gebeurtenissen optreden. Een ‘bias’ die voorkomt bij de representatieve heuristiek is geen rekening houden met de basismaat (‘base rate’). Dat is de werkelijke frequentie waarin deze gebeurtenissen optreden.

            • De verankerde en aanpassing heuristiek (‘anchoring and adjustment heuristic’) reflecteert de neiging om besluiten te maken gebaseerd op aanpassingen van het aanvankelijke bedrag. Als het aanvankelijke bedrag redelijk is, dan is de verankerde en aanpassing heuristiek een goede shortcut. Als het aanvankelijke bedrag niet redelijk is, leidt dit tot een bias in het besluitvormingsproces.

            2. Een tweede bron van fouten in het besluitvormingsproces is de escalatie van verplichting (‘escalation of commitment’), de neiging van besluitmakers om meer tijd, geld of moeite te investeren in iets wat een slecht besluit bleek te zijn. Er zijn tenminste 3 oorzaken waarom deze escalatie voorkomt:

            • Besluitmakers willen vaak niet aan zichzelf toegeven dat ze een vergissing hebben gemaakt.

            • Gegeven de omvang van het geld of bronnen die al verloren zijn, geloven besluitmakers onterecht dat extra gebruik van bronnen juist is om deze verliezen te vergoeden. De kosten die al opgelopen zijn echter gezonken kosten: kosten die niet terug te krijgen zijn.

            • Besluitmakers nemen meer risico’s als ze besluiten in negatieve termen zien (bijvoorbeeld als een manier om geld terug te krijgen dat verloren is) dan in positieve (bijvoorbeeld om meer geld te verdienen). Besluitmakers gebruiken vaak heuristieken zonder dat ze het zelf door hebben, en escalatie van verplichting komt ook vaak voor terwijl besluitmakers niet door hebben dat ze nog meer tijd, geld en moeite in een slecht besluit stoppen. Het gebruikt van IT kan vaak helpen om de effecten van deze biases en heuristieken te verminderen. IT systemen bevatten veel informatie die managers kunnen gebruiken om besluiten te maken. Software programma’s kunnen bijvoorbeeld ook grafieken en tabellen maken waardoor alle informatie meer betekenis krijgt. Ook omdat IT verschillende managers aan elkaar kan binden, is het minder waarschijnlijk dat er fouten worden gemaakt. Een ‘enterprise resource planning (ERP) system’ is een intranet door de hele organisatie waardoor de organisatie de functionele activiteiten kan binden en coördineren.

            Wat zijn voor- en nadelen van groepsbesluitvorming?

            Groepen maken vaker besluiten in een organisatie dan individuen. Groepsbesluitvorming heeft voor- en nadelen en andere consequenties.

            Voor- en nadelen

            Tot de voordelen van groepsbesluitvorming behoren de beschikbaarheid en diversiteit van vaardigheden, kennis, en expertises van de leden. Ook is er een vergroot geheugen voor feiten, grotere beschikbaarheid om fouten te corrigeren, en een grotere beslissingsacceptatie:

            • Beschikbaarheid en diversiteit van vaardigheden, kennis en expertise van de leden. Als een besluit vaardigheden, kennis en expertise nodig heeft, dan hebben groepsbesluiten een duidelijk voordeel op een individueel besluit. Diversiteit van een groep zorgt voor het nadenken over verschillende standpunten. Ze kunnen echter ook voor een probleem zorgen: diverse groepen kunnen vaak minder goed met elkaar opschieten. Veel organisaties hebben daarom ook diversiteitstrainingen waarin leden van een organisatie leren elkaar te begrijpen.

            • Vergroot geheugen voor feiten. Omdat een groep kan vertrouwen op het geheugen van alle leden, is het probleem van iets vergeten minder groot.

            • Vermogen om fouten te herkennen. Als een groep een besluit maakt, kunnen fouten in dat besluit herkend worden en gecorrigeerd worden door leden van de groep.

            • Grotere besluitacceptatie. De waarschijnlijkheid dat werknemers een besluit accepteren is groter als ze zelf hebben deelgenomen in het besluitvormingsproces.

            Nadelen van het gebruik van groepen in het besluitvormingsproces zijn de tijd om een besluit te maken, en het potentieel voor groepsdenken (‘groupthink’).

            • Tijd om een besluit te maken. Voor besluiten met een bepaalde criteria kost het een individu minder tijd een besluit te maken dan een groep en het resulteert vaak in een even goed besluit. Organisaties moeten dan ook een individu gebruiken in plaats van een groep in het besluitvormingsproces als:

            • Een individu alle vaardigheden bezit die nodig zijn voor het maken van een goed besluit.

            • Een individu alle informatie kan verzamelen en erover kan nadenken om tot een goed besluit te komen.

            • De acceptatie van het besluit van andere leden van de organisatie niet nodig is of waarschijnlijk toch wel gebeurt, of ze nou wel of niet deelnemen in het besluitvormingsproces.

            • Het potentieel voor groepsdenken. Groepsdenken is een patroon van foute besluitvorming dat voorkomt in samenhangende groepen waar de leden streven naar overeenstemming ten koste van accuraat beoordelen of de informatie relevant is voor het besluit. De unanieme steun voor een besluit is vaak gebaseerd op het overdreven geloof van de groepsleden in de vaardigheden en morele status van de groep. Ook als de leden wel twijfels hebben over een besluit, laten ze deze vaak niet blijken. Een groepsleider kan groepsdenken voorkomen door:

              • De groepsleider moedigt alle groepsleden aan om kritisch de alternatieven te beoordelen, alle twijfels die ze hebben te uiten, en kritiek op eigen ideeën te accepteren.

              • De groepsleider geeft geen eigen mening tot de groepsleden alle alternatieven hebben besproken en zelf een mening hebben gevormd.

              • De groepsleider moedigt alle groepsleden aan informatie te verzamelen die relevant is voor het besluit van mensen buiten de groep.

              • De groepsleider kan één of twee leden aanwijzen om de rol te spelen van de ‘devil’s advocate’. Dat is een persoon die kritiek levert en potentiële problemen aankaart bij elk besluit van de groep, zodat bepaalt kan worden of dit ook echt een probleem is voor het besluit.

            • Als een belangrijk besluit is gemaakt, wordt er nog een tweede vergadering gehouden. De tweede vergadering kan dan gebruikt worden om twijfels te bespreken die zijn ontstaan in de tijd tussen de eerste en tweede vergadering.

            Andere consequenties

            Drie andere consequenties van groepsbesluitvorming kunnen niet geclassificeerd worden als voor- of nadelen: diffusie van verantwoordelijkheid, groepspolarisatie, en het potentieel voor conflict.

            • Diffusie van verantwoordelijkheid. Dit betekent dat de groep als geheel in plaats van een individu verantwoordelijk is voor het besluit. Soms als er een belangrijk besluit gemaakt moet worden, kan het erg stressvol zijn voor een individu om alle verantwoordelijkheid te dragen. Vaak zijn mensen dan geneigd een besluit te nemen waarvan ze weten dat die ze niet kunnen achtervolgen, in plaats van een besluit die het beste is voor de organisatie. Hier is de diffusie van verantwoordelijkheid een voordeel van groepsbesluitvorming. Diffusie van verantwoordelijkheid kan ook een nadeel zijn als groepsleden niet genoeg tijd nemen en moeite doen voor een besluit omdat ze niet individueel verantwoordelijk zijn. Dit is gerelateerd aan ‘social loafing’.

            • Groepspolarisatie. Dit betekent dat groepen extremere besluiten maken dan individuen. Diffusie van verantwoordelijkheid is één verklaring dat dit gebeurt. Er zijn nog twee andere verklaringen voor te geven. Ten eerste de wetenschap dat andere leden van de groep dezelfde denkbeelden hebben leidt tot grotere overtuiging van hun standpunt. Ten tweede, als leden de alternatieven bespreken komen sommige leden van een groep met overtuigende argumenten voor het alternatief van hun keuze. Dit resulteert in meer vertrouwen in een gekozen alternatief en zo wordt het besluit extremer.

            • Potentieel voor conflict. Groepen verschillen in vaardigheden, kennis en expertise en deze verschillen kunnen leiden tot een conflict als leden voor andere alternatieven kiezen. Deze conflicten kunnen een voordeel zijn als het ertoe leidt dat elk alternatief zorgvuldig wordt geëvalueerd. Het kan ook een nadeel zijn als leden meer geïnteresseerd raken in het winnen van het gevecht dan in een goed besluit maken.

            Het fenomeen van groepsdenken in besluitvorming komt vooral voor in crisissituaties als accurate informatie over gebeurtenissen ontbreekt en veel onduidelijk is. In groepen waar het groepsdenken domineert wordt grote druk uitgeoefend op eensgezindheid. Dit heeft tot gevolg dat controversiële meningen niet uitgesproken worden, dat er geen vragen gesteld worden bij zwakke argumenten of een halt toegeroepen wordt bij onnozel denken. De top van besluitmakers willen in crisis situaties liever de verantwoordelijkheid delen. Het zou veel beter zijn als in crisis situaties technieken worden toegepast als de ‘devil’s advocate’, waarbij kritiek geuit wordt op het crisisplan. Hierdoor kunnen zwakke punten aan het licht komen en betere besluiten worden genomen.

            Welke technieken kunnen gebruikt worden bij groepsbesluitvorming?

            Er zijn verschillende andere technieken die ervoor zorgen dat groepen goede besluiten maken en nadelen van groepsbesluiten uit de weg gaan. Drie technieken worden hier besproken: brainstorming, de nominale groepstechniek, en de Delphi techniek.

            1. Brainstorming is een spontane, participerende, techniek van besluitvorming die groepen gebruiken om veel alternatieven te produceren voor een besluit wordt gevormd. Een typisch brainstorming proces gaat volgens 4 stappen:

            1. Een lid van een groep beschrijft het probleem of de mogelijkheid.

            2. Groepsleden delen hun ideeën met de rest van de groep zonder kritische evaluatie.

            3. Groepsleden bedenken meer ideeën en bouwen op suggesties van elkaar.

            4. Een lid van de groep schrijft alle ideeën op.

            Toch blijkt uit onderzoek dat individuen gescheiden meer ideeën produceren dan in een brainstorming groep. Dit komt doordat hoewel er geen kritiek mag worden geuit, leden van een groep toch niet alle ideeën durven te uiten. Daarnaast komt productie blokkade voor. Groepsleden kunnen niet al hun aandacht vestigen op het produceren van ideeën, omdat ze ook moeten luisteren naar ideeën van anderen. Hierdoor vergeten leden soms ideeën die ze hadden en omdat maar één persoon tegelijk kan praten, is het aantal ideeën dat gepresenteerd kan worden begrensd. Elektronisch brainstorming kan een oplossing zijn voor een aantal van deze problemen.

            2. De nominale groep techniek (NGT) kan ook gebruikt worden om productie blokkade tegen te gaan en is een manier voor groepen die snel een besluit moeten maken.

            Een groepslid beschrijft het probleem of de mogelijkheid en alle groepsleden krijgen dan een bepaalde tijd om alle ideeën op te schrijven. Hierdoor wordt productie blokkade tegen gegaan en worden groepsleden aangemoedigd alle ideeën op te schrijven, hoe bizar ze ook klinken. Daarna worden alle ideeën besproken en maakt elk lid een lijst met ideeën die de meeste voorkeur hebben. Deze techniek is handig als een besluit snel moet worden gemaakt. Ook worden alle ideeën besproken. De techniek is niet handig als er voor een besluit veel informatie nodig is of als het nodig is dat alle, of de meeste leden het eens zijn met de beslissing.

            3. De Delphi techniek wordt gebruikt als leden elkaar nooit in het echt ontmoeten.

            Een leider beschrijft een probleem aan verschillende experts en vraagt ze hen te helpen door een vragenlijst in te vullen en terug te sturen. Daarna maakt de leider een samenvatting van alle ideeën van de experts en stuurt die terug met vragen en dit gaat net zolang door tot er een overeenstemming is tussen de experts over de juiste beslissing. Deze techniek is handig omdat je leden over de hele wereld bij elkaar kunt halen zonder dat ze elkaar hoeven te ontmoeten. De nadelen zijn dat het veel tijd vergt en de leden niet met elkaar in wisselwerking kunnen staan. Ook moeten alle experts meewerken en de tijd nemen om alle vragen te beantwoorden.

            4. ‘Total quality management’ (TQM) is een filosofie en een reeks toepassingen om de kwaliteit van de organisatie zijn goederen en diensten te verbeteren en de efficiëntie waarmee ze worden geproduceerd.

            ‘Total quality management’ heeft twee groepsbesluitvorming technieken: vergelijkend onderzoek (‘benchmarking’) en machtiging (‘empowerment’).

            • Vergelijkend onderzoek of ijking (‘benchmarking’) is het selecteren van een groep of organisatie die hoog presteert en die goederen of diensten aan klanten bezorgt, en deze groep of organisatie dan gebruiken als model.

            • Machtiging (‘empowerment’) is het proces van het geven van autoriteit aan werknemers om besluiten te maken en verantwoordelijk te zijn voor de uitkomsten.

            Wat is organisatieleren en wat is het doel hiervan?

            Organisatieleren is het proces waarin managers manieren proberen te vinden om de vaardigheid van besluitvorming van werknemers te verbeteren, om zo de effectiviteit en efficiëntie van een organisatie te verhogen.

            James March heeft twee soorten van organisatieleer-strategieën bedacht die uitgeoefend kunnen worden om de besluitvorming bij medewerkers te verbeteren: exploratie en uitbuiting (‘exploitation’).

            • Exploratie omvat het zoeken en experimenteren met nieuwe soorten of vormen van organisatie gedragingen en procedures om de effectiviteit te verhogen.

            • Uitbuiting omvat het vinden van manieren om bestaande organisatie gedragingen en procedures te verfijnen en te verbeteren om effectiviteit te verhogen.

            Een leerorganisatie is een organisatie die bewust stappen onderneemt om de leerprocessen van exploratie en uitbuiting te laten plaats vinden, door de mogelijkheden daartoe te verbeteren en te maximaliseren.

            Om een leerorganisatie te creëren, moeten managers organisatieleren aanmoedigen op individueel en groepsniveau. Principes voor het creëren van een leerorganisatie zijn ontwikkeld door Peter Senge.

            • Elke persoon moet een persoonlijk meesterschap ontwikkelen. Dit betekent dat een organisatie individuen moet machtigen om te experimenteren en creëren en exploreren wat ze willen.

            • Een deel van het ontwikkelen van persoonlijk meesterschap, en om werknemers een duidelijker begrip te geven van wat er in een bepaalde activiteit omgaat, moeten organisaties werknemers aanmoedigen om complexe mentale modellen te ontwikkelen die ze uitdagen om betere of nieuwe manieren te vinden om een taak te doen. Een leerorganisatie kan werknemers aanmoedigen een complex mentaal model en persoonlijk meesterschap te ontwikkelen door ze meer verantwoordelijkheid te geven voor een besluit. Werknemers kunnen cross-trained worden zodat ze veel verschillende taken kunnen uitvoeren, en de kennis die ze daardoor krijgen kan ze inzicht geven om werkprocedures te verbeteren. Ook kan een taak wat normaal door verschillende werknemers werd gedaan, nu door één werknemer worden gedaan.

            • Op groepsniveau, kunnen managers het organisatieleren bevorderen door het gebruik van veel verschillende groepen, zodat leden hun vaardigheden kunnen delen om een probleem op te lossen. Hierdoor kunnen ook groepsroutines ontstaan die groepseffectiviteit verhogen. Deze vorm van leren in een team is even belangrijk of soms zelfs belangrijker dan leren op individueel niveau omdat veel beslissingen in een groep gemaakt worden.

            • Een leerorganisatie kan ook gecreëerd worden door een gedeelde visie te bouwen. Dit houdt in dat alle leden van een organisatie dezelfde visie of mentaal model hebben om oplossingen te vinden voor problemen of mogelijkheden, en dit bindt ze aan de organisatie.

            • Het laatste principe van organisatieleren is systemen denken. Dit principe benadrukt dat om een leerorganisatie te creëren, managers moeten herkennen hoe leren op individueel en groepsniveau elkaar beïnvloedt.

            Hoe worden keuzes gemaakt vanuit een neurowetenschappelijk perspectief?

            Hoe worden keuzes gemaakt vanuit een neurowetenschappelijk perspectief?

            Om keuzes te begrijpen ontwikkelden economen rationele keuze modellen waarin verschillende eigenschappen van een keuze verwerkt zijn in een algoritme dat de verschillende opties met elkaar vergelijkt. Mensen maken echter geen keuzes die volgens dit model worden voorspeld. Een veld dat neuroeconomics of decision neuroscience wordt genoemd onderzoekt hoe mensen dan wel keuzes maken.


            Om keuzes te begrijpen ontwikkelden economen rationele keuze modellen waarin verschillende eigenschappen van een keuze verwerkt zijn in een algoritme dat de verschillende opties met elkaar vergelijkt. Mensen maken echter geen keuzes die volgens dit model worden voorspeld. Een veld dat neuroeconomics of decision neuroscience wordt genoemd onderzoekt hoe mensen dan wel keuzes maken.

            Wat is een gokverslaving?

            Pathologische gokkers hebben abnormale activatiepatronen in hersendelen die betrokken zijn bij de evaluatie van beloningen. Zo hebben is activatie in het ventrale striatum te zien als reactie op het bijna winnen die overeenkomt met activatie tijdens het echt winnen van een spel. Gokproblemen komen drie keer vaker voor bij mannen tussen de 14 en 22 jaar, een mogelijkheid is dat dit komt door nog niet ontwikkelde executieve functies. Ook bij ouderen komt een gokverslaving vaker voor. Zij hebben ook vaker moeite met het maken van keuzes die afhankelijk zijn van de vmPFC. Als laatste kunnen gokproblemen vergroot worden door medicatie die het beloningssysteem beïnvloed. Parkinson patiënten krijgen vaak hoge doseringen van dopamine agonisten, dit heeft er toe geleid dat veel Parkinson patiënten pathologisch gingen gokken.

            Wat is de link van rationele keuzes naar gedragsmatige economie?

            De verwachte waarde kan verkregen worden door de waarschijnlijkheid van een uitkomst te vermenigvuldigen met de geassocieerde beloning. Wanneer je bijvoorbeeld een euro krijgt als je met een muntje kop gooit, en niks wanneer je munt gooit, is de verwachte waarde 50 cent. Bernoulli stelt dat de verwachte waarde vervangen moet worden door verwachte utiliteit, hierbij wordt de psychologische waarde meegenomen in een uitkomst. Voor een arm persoon is het verschil tussen een bedrag van 9,000 euro en 20,000 euro bijvoorbeeld erg groot, maar voor een rijk persoon misschien niet. Rationele keuzes worden gekarakteriseerd door preferenties en keuze regels die niet veranderen aan de hand van context en zijn immuun voor cognitieve beperkingen. Mensen die op een rationele wijze keuzes maken verwachten (per definitie) dat anderen dat ook doen. Tversky ontwikkelde de prospect theorie welke probeert te voorspellen wat mensen zullen kiezen en níet wat zij zouden moeten kiezen. Deze theorie veronderstelt dat er een bepaalde referentie afhankelijkheid bestaat waarin mensen keuzes maken afhankelijk van afgewogen winsten en verliezen in vergelijking met hun huidige staat. Verliezen wegen in dit model zwaarder. Ten tweede wordt verondersteld dat er een afweging wordt gemaakt van waarschijnlijkheid waarin mensen de waarschijnlijkheden op een subjectieve manier evalueren. Mensen hebben namelijk de neiging om lage waarschijnlijkheid te overschatten en hoge waarschijnlijkheid te onderschatten.

            Wat is de rol van dopamine?

            Dopamine speelt een belangrijke rol bij responsen op beloningen. De substantia nigra en de ventral tegmental area (VTA) bevatten dopamine neuronen. Neuronen in de substantia nigra dragen bij aan de controle van motorische beweging vanwege de connectie met de basale ganglia. De VTA draagt bij aan beloningsevaluaties door zijn projecties naar de nucleus accumbens (soms ook ventraal striatum genoemd), de amygdala, de hippocampus en de medial frontal lobe. Wanneer neuronen in de hersenstam van ratten, die naar de nucleus accumbens projecteren, gestimuleerd werden wanneer zij een bepaald gedrag vertoonden, bleven zij dit doen, zelfs ten koste van eten, drinken of het hebben van seks. Het simpele idee dat dopamine zorgt voor plezier is niet correct. Wanneer voor dopamine giftige chemicaliën werden geïnjecteerd in de nucleus accumbens van ratten, wilden zij zelfs niet gaan eten als zij verhongerden. Deze ratten reageerden echter nog wel op plezierige en aversieve smaken. Berridge concludeerde vanuit deze en andere onderzoeken dat dopamine niet om voorkeur (liking) gaat maar om willen (wanting). Meer recent onderzoek heeft ook aangetoond dat de activatie van de nucleus accumbens geassocieerd is met verschillende motivationele stimuli. Hiernaast zorgt een externe beloning juist voor een vermindering van betrokkenheid bij een taak, wanneer participanten een simpel spelletje speelden in de fMRI scanner was activatie in het ventrale striatum te zien. Bij de groep die na het spelen van dit spel een beloning kreeg, was geen activatie meer te zien in het ventrale striatum tijdens de tweede sessie.

            Foutieve beloningsvoorspelling

            De vraag is wat deze beloningsneuronen encoderen, de waarde van een beloning, een actie of iets anders? Verschillende studies lijken één theorie te ondersteunen: veranderingen in de activiteit van beloningsneuronen signaleren veranderingen in informatie. In een studie kregen apen elektrodes in de VTA werden ingebracht en leerden op een knop te drukken wanneer zij een lichtje zagen, hierna kregen zij een beetje sap. Wanneer de apen nog niet geleerd hadden dat het indrukken van de knop leidde tot deze beloning was activatie in de VTA te zien na het krijgen van de beloning. Na het leren van deze associatie vuurden neuronen in de VTA steeds minder als reactie op de beloning en steeds meer als reactie op het licht. Hiernaast was een verlaging van activiteit beneden de basislijn te zien wanneer een verwachte beloning niet werd gegeven. Neuronen in de VTA vuren dus als reactie op een onverwachte beloning. Deze studies tonen aan dat activiteit in dopamine neuronen een index geven voor de reward prediction error (RPE). Dit kan gedefinieerd worden als het verschil tussen de verwachte waarde en de verkregen waarde en de verandering in informatie over toekomstige beloningen. De RPE en de eerder besproken prospect theorie berekenen beiden de voorspelde waarde in termen van veranderingen in een huidige toestand. Midbrain dopamine neuronen projecteren naar veel andere hersendelen, waaronder de basale ganglia. Een waarschijnlijkheid is dat informatie over beloningen en straffen de verwerking moduleert in alle gebieden in het brein, waardoor alle andere cognitieve functies beïnvloed worden.

            Reacties op negatieve uitkomsten

            Studies naar neuronale reacties op beloningen maken vaak gebruik van taken waarbij geld gewonnen kan worden, er worden echter bijna geen studies gedaan waarbij echte negatieve uitkomsten voor kunnen komen. Een alternatieve theorie stelt dat hersengebieden die betrokken zijn bij beloningen niet specifiek reageren op beloningen, maar op elke stimulus die informatie geeft die belangrijk is voor toekomstig gedrag. Onverwachte en afleidende stimuli zijn inderdaad geassocieerd met activiteit in de nucleus accumbens. Sommige studies tonen aan dat een onverwachte stimulus kan leiden tot activatie van de substantia nigra en de VTA. Een andere studie waarin de activiteit van een dopamine neuron gemeten werd toonde echter aan dat een onverwachte beloning leidt tot een verhoogde activiteit, terwijl een het onverwacht weg blijven van een beloning tot verminderde activiteit leidt. Om een verklaring te vinden voor deze tegenstijdige onderzoeken stelden Hikosaka en zijn collega’s een studie op waarbij apen een straf moesten vermijden. Zij vonden dat sommige neuronen in het midbrain verhoogde activiteit lieten zien als reactie op beloningen maar ook als reactie op straf.

            Hoe worden gewoonten gevormd en waarden geleerd?

            Naast doelgerichte acties wordt gedrag ook vaak gevormd door middel van het leren van relaties tussen waarden en acties, zoals gewoonten. Gewoonten worden erg langzaam aangeleerd, maar zodra ze gevormd zijn, zijn ze moeilijk af te leren. Het kunnen associëren van stimuli aan beloningen en de juiste motorische acties kunnen kiezen voor toekomstige uitkomsten zijn essentieel voor het leren van beloningen. Actor-critic learning models gaan ervan uit dat er twee hersensystemen bestaan, een “critic” die evalueert of beloningen beter of slechter dan verwacht zijn, en een “actor” die de waarden van bepaald gedrag evalueert om toekomstige beloningen te vergroten. Het ventrale striatum wordt geassocieerd met het “critic” systeem die signalen met betrekking tot beloningen evalueert door invoer van de VTA. Neuronen in het dorsale striatum worden geassocieerd met het creëren van plannen voor gedrag via het “actor” systeem. Fictief leren refereert naar veranderingen in gedrag als reactie op wat had kunnen zijn, fictieve foutsignalen zijn geassocieerd met activatie in de caudate nucleus.

            Dubbelzinnigheid en risico

            Er bestaan twee soorten onzekerheid, onzekerheid over wat er gaat gebeuren en onzekerheid over wanneer het gebeurd. Risico komt voor wanneer er verschillende uitkomsten mogelijk zijn. fMRI studies hebben aangetoond dat de dlPFC, dmPFC, posterior parietal cortex en de anterior insula betrokken zijn bij risico. De eerste drie kunnen geactiveerd zijn vanwege de executieve functies die in deze hersendelen worden geregeld. De insula is normaal gesproken echter betrokken bij emoties, er wordt dan ook verondersteld dat dit deel geassocieerd is met het monitoren van aversieve signalen waardoor risicogedrag vermeden wordt. De dlPFC laat activiteit zien als reactie op onzekerheid wanneer informatie mist, maar niet wanneer onzekerheid voortkomt uit kans. De dlPFC stuurt dus signalen als reactie op veranderingen in de omgeving, maar niet simpelweg wanneer verschillende uitkomsten voor kunnen komen. Een keuze is ambigu wanneer de verschillende uitkomsten niet bekend zijn. Ambiguïteit zorgt voor activatie in een deel van de posterior ventrolateral PFC dat ook betrokken is bij het vormen van regels voor het verrichten van complexe taken.

            Vertraging, het afdoen van toekomstige beloningen

            Beloningen die verder in de toekomst liggen zijn vaak minder aantrekkelijk en mensen die een lange termijn doelen willen behalen moeten zij deze temporale discounting overkomen. Wanneer iemand de keuze heeft tussen 100 euro nu (optie A), of 110 euro (B) over een week, kiezen de meeste mensen optie A. Wanneer zij echter de keuze hebben tussen 100 euro over 52 weken (C) of 110 euro over 53 weken (D) kiezen zij voor optie D. Hyperbolische modellen laten een diepe afdaling in beloning zien binnen korte beloningsintervallen, waarna deze afdaling steeds minder diep wordt. Dual-system modellen stellen twee systemen voor, voor het maken van keuzes. Systeem 1 is snel, automatisch en context afhankelijk. Emotionele keuzes die tot een directe beloning leiden worden meestal door dit systeem gemaakt. Systeem 2 is langzamer, gecontroleerd en gebaseerd op feiten. Weloverwogen keuzes of een kosten-baten analyse wordt volgens dit systeem gemaakt. Een fMRI studie heeft aangetoond dat keuzes die tot een directe beloning leiden het ventrale striatum en de mediale en ventromediale PFC activeert. De laterale PFC en andere gebieden die executieve functies reguleren waren echter actief ongeacht de tijd die het kostte tot de beloning. De onderzoekers concludeerden dat keuzes voor lange en korte termijndoelen afhankelijk zijn van de interactie tussen beide systemen. Andere onderzoekers leveren bewijs tegen het dual-system model. Zo toonde een fMRI studie aan dat de beloning gerelateerde gebieden de subjectieve waarde evalueren ongeacht de lengte tot het doel. Dit ondersteunt een single-proces model waarbij het beloningssysteem de waarden van verschillende uitkomsten evalueert en niet alleen de directe beloningen. De meeste studies ondersteunen dit tweede model. Het zou zo kunnen zijn dat executieve functies de processen in andere delen van het brein moduleren en dat de lateral PFC deze activiteit moduleert.

            De sociale context en beloningen

            Wanneer men keuzes maakt, is het van belang ook de mogelijke keuzes en acties van een ander te evalueren. Veel marketeers maken gebruik van sociale beloningen door het gebruik van lachende aantrekkelijke gezichten bij hun product en beloning gerelateerde gebieden laten activiteit zien als reactie op sociale stimuli. Niet alleen aantrekkelijke gezichten zorgen voor deze sociale beloning, ook informatie over sociale relaties zijn belonend. In een studie waarbij apen konden kiezen tussen het krijgen van sap of het zien van foto’s van andere apen in hun sociale groep, zijn zij bereid de sap op te geven voor deze sociale beloning. Het geven van een beloning aan anderen is echter ook belonend, zoals het doneren van geld. Twee theorieën verklaren dit pro sociale gedrag. De eerste theorie stelt dat dit gemotiveerd wordt door interne beloningssignalen, bewijs hiervoor komt van een fMRI studie waarbij activatie in het ventrale striatum is aangetoond als reactie op liefdadigheid. De tweede theorie stelt dat sociale cognitie van belang is voor het herkennen van de behoefte van de ander en uiteindelijk het uiten van pro sociaal gedrag. Onderzoek toont inderdaad aan dat activatie in gebieden die betrokken zijn bij sociale cognitie, zoals de laterale pariëtale cortex en de medial frontal cortex, altruïstisch gedrag kunnen voorspellen.

            Wat zijn speltheorieën?

            Om meer inzicht te krijgen in de wijze waarop mensen beslissingen nemen wanneer meerdere individuen betrokken zijn, die allemaal beperkte informatie en eigen voorkeuren hebben, wordt gebruik gemaakt van speltheorieën. Het prisoners dilemma is een spel waarbij coöperatie tussen beide spelers tot de beste uitkomst leidt wanneer het meerdere keren gespeeld wordt. Niet coöpereren leidt echter tot grotere persoonlijke beloningen, maar wanneer beide spelers niet coöpereren zullen beiden geen beloning ontvangen. fMRI studies hebben aangetoond dat coöperatie tijdens dit spel tot activatie in de nucleus accumbens leidt. Zoals hiervoor besproken kan dit echter ook het verwerken van informatie voor toekomstige beloningen representeren. Bij hyperscanning wordt de hersenactiviteit van twee participanten tegelijk gemeten in een fMRI scanner. Op deze wijze kunnen gedragsmatige en hersenactivatie veranderingen van het ene individu, voorspeld worden door die van het andere individu. Zulke onderzoeken hebben aangetoond dat activiteit in het dorsale striatum voorspellend is voor de intentie de andere participant te vertrouwen. Activiteit in dit hersendeel wordt namelijk vergroot na coöperatie van de ander en wordt in latere rondes al geactiveerd voordat de ander coöpereert. Wanneer participanten echter weten dat ze tegen een computer spelen, is geen activatie van beloning gerelateerde gebieden en gebieden voor sociale cognitie te zien. Dit toont aan dat keuzes niet alleen afhankelijk zijn van de mogelijke beslissingen, maar ook van de interpretatie van de acties van anderen.

            De sociale context en sociale straf

            Altruïstische straf is het afkeuren van mensen die sociale normen overtreden. Wanneer participanten in een economisch spel de kans krijgen een andere participant te straffen voor het niet coöpereren is activatie in het ventrale striatum te zien. Deze activiteit wordt verhoogd wanneer deze participanten geld investeren om de ander nog meer te kunnen straffen. In de ultimatum game biedt één participant geld aan waarop de ander het geld kan accepteren, waardoor het geld gelijk verdeeld wordt, of het kan afwijzen, waardoor beiden niks krijgen. Een rationele denker zou alles accepteren om zoveel mogelijk winst te maken, veel studies wijzen echter uit dat aanbiedingen die oneerlijk zijn vaak worden afgewezen. Het afwijzen van oneerlijke aanbiedingen leidt wel tot het maken van meer eerlijke aanbiedingen. Oneerlijke aanbiedingen leiden tot activatie in de insula cortex en wordt vergroot aan de hand van de mate van oneerlijkheid en was het grootst wanneer een aanbod later werd afgewezen. De activiteit in de dlPFC was gelijk tijdens verschillende condities, ongeacht of het aanbod werd geaccepteerd of niet. Deze resultaten lijken de dual-system theorie te ondersteunen: de insula geeft een emotioneel signaal dat de rationele keuzes van de dlPFC kan overtreffen. Wanneer echter TMS over de laterale PFC wordt toegepast, accepteren participanten vaker een aanbod. Dit hersendeel lijkt dus zelf controle te beïnvloeden en niet rationele keuzes.

            Integratie

            Het maken van keuzes in het dagelijks leven is veel lastiger dan in de hiervoor beschreven economische spellen, zoals het kiezen tussen het kopen van een nieuwe auto of op een lange vakantie gaan. De subjectieve waarde van een keuze wordt door een common currency signaal in het brein gereguleerd.

            Hoe kunnen perceptueel keuzes worden gemaakt?

            Bij apen werd de activiteit van een deel in de pariëtale kwab, de lateral intraparietal area (LIP) gemeten bij het maken van keuzes. De neuronen in dit gebied vuurden vaker in reactie op stimuli die geassocieerd werd met grotere en meer waarschijnlijke beloningen. In ander onderzoek waarbij de waarden van verschillende responsen van apen snel veranderden, was eenzelfde verandering in de activatie van LIP neuronen te zien. LIP activatie kan echter ook voortkomen uit de gevoeligheid van dit gebied voor visueel ruimtelijke stimuli. Het verbinden van beloningen aan oogbewegingen verhoogd namelijk ook de activiteit in de LIP. Drift-diffusion modellen stellen dat het keuze proces afhankelijk is van een toevallig proces van de neuronale staat naar drempels voor acties leidt.

            Keuzes maken die gebaseerd zijn op waarde

            Huidige modellen voor het maken van keuzes stellen dat het brein beloningen met verschillende eigenschappen (b.v. de waarde van geld versus de waarde van een blikje cola) met elkaar vergelijkt door informatie over elke beloning op een abstracte wijze te encoderen. Nieuwe studies ondersteunen dit idee en hebben gesuggereerd dat neurale stromingen die informatie die onafhankelijk is van modaliteit in de ventrale PFC verwerkt worden. Vroege onderzoeken hebben al aangetoond dat schade aan dit hersendeel leidt tot een verminderde zelfcontrole. Nieuw onderzoek heeft echter uitgewezen dat patiënten met schade aan dit hersendeel ongevoelig zijn voor negatieve feedback. In de Iowa Gambling taak blijven zij bijvoorbeeld consequent van de risicovolle stapel kiezen, hiernaast laten zij geen verhoogde skin conductance respons zien bij het kiezen van deze stapel. Onderzoekers concludeerden dat patiënten met schade aan dit hersendeel ongevoelig zijn voor de lichamelijke signalen over risico of veiligheid over een toekomstige keuze. Ander onderzoek heeft aangetoond dat patiënten met schade aan de ventrale PFC geen spijt ervaren na verliezen in gokspellen. Deze studies tonen samen aan dat de ventrale PFC leidt tot defecten in de integratie van beloningen. Het hersendeel dat het meeste bewijs levert voor een common currency signaal is de orbitofrontal cortex. Neuronen in dit gebied reageren op verschillende beloningen en de hoeveelheid die deze neuronen vuren komt overeen met de subjectieve waarde van een gekozen beloning.

            Simpele keuzes maken

            Bij het maken van een simpele keuze, zoals de keuze tussen een chocolade of een fruittaartje, wordt een beroep gedaan of eerdere ervaringen en huidige sensorische ervaringen. Volgens het drift-diffusion model zal informatie die consistent is met een keuze de stroom in de richting van de geassocieerde drempel leiden met een snelheid van de proportionele kwaliteit van het bewijs. Wanneer de keuze moeilijker te maken is zal meer bewijs gezocht moeten worden voordat deze gemaakt wordt, waardoor de drempels verder vanaf het beginpunt zullen liggen. Dit leidt tot een langere tijd voordat een keuze gemaakt wordt maar ook tot een grotere waarschijnlijkheid dat de juiste keuze gemaakt wordt. Een aanname van dit model is dat keuzes gemaakt worden wanneer opgetelde informatie over een bepaalde drempel heen komt. Vooral de posterior parietal cortex en de dorsomedial PFC zijn belangrijk bij de integratie tijdens het maken van simpele keuzes.

            Wat zijn heuristieken?

            Mensen maken vaak gebruik van heuristieken, simpele regels, om complexe keuzes makkelijker te maken. Herbert Simon was de eerste die stelde dat mensen gebruik maken van heuristieken omdat mensen geen oneindige computationele middelen hebben, hij noemde dit bounded rationality. Hij stelde dat wanneer mensen een keuze moeten maken uit veel verschillende opties (bijvoorbeeld in de supermarkt), zij gebruik maken van een zogenoemde satisficing heuristiek, een combinatie van satisfy en suffice. De ankering heuristiek refereert naar de neiging om referentie punten te gebruiken die een waarde oordeel beïnvloed. Wanneer bijvoorbeeld gevraagd wordt is dit gebouw korter of langer dan 100 meter, schatten mensen het gebouw meer in de buurt van 100 meter dan wanneer gevraagd wordt is dit gebouw korter of langer dan 30 meter. Het endowment effect is hieraan gerelateerd: mensen die een object bezitten geven aan dat zij dit object meer waard vinden dan wanneer zij het nog niet bezitten en aan moeten geven hoeveel zij ervoor zouden willen betalen. Een andere heuristiek is het framing effect, mensen zoeken risico’s wanneer zij denken aan wat ze kunnen verliezen, maar vermijden risico’s wanneer zij denken aan wat zij kunnen winnen, zelfs wanneer de uitkomsten hetzelfde worden gehouden. Wanneer mensen geprikkeld worden om aan financiële winsten te denken maar tegelijk risico zoekend gedrag vertonen is een verhoogde activatie in de amygdala en de dmPFC te zien. Onderzoekers stelden dat deze activatie zorgt dat emotionele processen het risicogedrag stopt wat leidt tot het gebruik van heuristieken. Andere onderzoekers stellen dat dit niet klopt, omdat zowel bij participanten die gebruik maken van heuristieken als participanten die op een rationele wijze keuzes maken activiteit in de dmPFC te zien is.

            Welke toekomstige onderzoeksrichtingen bestaan er?

            Berichten die in de media verschijnen over hersenonderzoeken maken de conclusies van onderzoeken meer overtuigend en echt dan ze eigenlijk zijn, dit wordt neurorealisme genoemd. Het is van belang dat neurowetenschappers die onderzoek doen naar keuzes maken verbanden leggen tussen de neurowetenschap en andere disciplines. Het maken van keuzes gebeurd namelijk niet in isolatie en wordt beïnvloed door veel cognitieve functies. Het maken van niet adaptieve keuzes komt vooral voor bij drugsverslaafden en is daarom een interessante groep om het maken van keuzes te onderzoeken.

            Marketing

            Onderzoek op het gebied van neuromarketing heeft als doel de keuzes van consumenten te kunnen voorspellen aan de hand van hersenactiviteit. Hierbij wordt gebruik gemaakt van fMRI, EEG, SCR metingen en eye tracking methoden.

            Hoe worden beslissingen binnen groepen genomen?

            Hoe worden beslissingen binnen groepen genomen?


            Het nemen van beslissingen is een van de belangrijkste taken die binnen groepen worden uitgevoerd. Zo worden politieke besluiten genomen in commissies of de Tweede Kamer, worden beslissingen over de toekomst van een bedrijf genomen in vergaderingen van de directie en wordt in selectie comitées besloten welke werknemers worden aangenomen. Ook minder belangrijke beslissingen worden in groepen genomen: welk cadeau een groepje vrienden voor een van de groepsleden koopt of waar een familie heen gaat op vakantie.

            Er zijn twee redenen dat groepen veel van deze beslissingen maken en niet individuen:

            1. Groepsbesluiten worden genomen om consensus te bereiken en er voor te zorgen dat alle meningen worden meegewogen, zodat de meeste van de groepsleden achter de beslissing staan. Dit is belangrijk, omdat mensen meer bereid zijn achter een beslissing te staan wanneer ze zelf een rol hebben gespeeld in de besluitvorming.
            2. Groepen hebben over het algemeen de beschikking over meer informatie en beslissen dus op basis van een beter overzicht dan een individu. Een groep kan het besluit baseren op een combinatie van alle informatie waarover de afzonderlijke groepsleden beschikken. Dit wordt informatie-integratie genoemd.

            Het is de taak van de groep om de voorkeuren van de verschillende groepsleden en de informatie waarover zij beschikken te combineren om zo tot de optimale beslissing te komen.

            Wat houdt de social decision scheme theory in?

            Een fundamentele vraag binnen onderzoek naar groepen is hoe individuele bijdragen gecombineerd worden tot een groepsrespons. Davis (1973) formuleerde een theorie over deze vraag die bestaat uit vier elementen:

            1. Individuele voorkeuren.
            2. Groepscompositie.
            3. Sociale beslissingsschema’s.
            4. Groepsrespons.

            In de theorie is groepscompositie gebaseerd op de voorkeuren van de groepsleden. De manier waarop groepscomposities relateren aan de groepsbesluiten is gebaseerd op het sociale beslissingsschema (social decision scheme, SDS) dat een groep gebruikt. Een SDS is een regel die specificeert hoe individuele voorkeuren relateren aan groepsbesluiten. Een voorbeeld: de meerderheid wint.

            De SDS-theorie gaat uit van individuele voorkeuren. Een voorkeur is hier een neiging van een individu een bepaalde optie te selecteren uit een set van alternatieven. Groepscompositie refereert aan hoeveel mensen in een groep welke preferentie hebben (bijvoorbeeld: 23 geven de voorkeur aan A, 17 aan B en 89 aan C). Wanneer de groepscompositie duidelijk is, moet er een groepsbesluit gevormd worden. Dit is afhankelijk van de SDS die een groep gebruikt. Groepsbesluiten kunnen voorspeld worden wanneer we weten wat de groepscompositie is en welke SDS een groep gebruikt. Groepscompositie kun je zowel ontdekken door de leden naar hun mening te vragen, als manipuleren.

            Wat concludeert de SDS theorie?

            De SDS-theorie is een formele theorie over besluitvorming in groepen die het mogelijk maakt om precieze voorspellingen te doen over groepsbesluiten. Een van de grote voordelen van de theorie is dat hij specificeert hoe individuele voorkeuren omgevormd worden tot een groepsbesluit. De theorie kan verklaren waarom, wanneer de SDS ‘de meerderheid wint’ gebruikt wordt en biases op het individuele niveau geaugmenteerd worden. Daarnaast kan de theorie gebruikt worden om voorkeuren op het individuele niveau te vergelijken met keuzes op groepsniveau. Data kan worden ingezet om te testen welke SDS een groepsbesluit het best voorspelt. Wanneer we een idee hebben welke SDS gebruikt wordt in een bepaalde situatie, kunnen we voorspellen wat er gebeurt in verschillende situaties.

            Wat is de relatie tussen groepsbeslissingen en informatie?

            Groepen hebben de capaciteit om beter te presteren op besluitvormingstaken dan individuen wanneer verschillende groepsleden unieke, ongedeelde informatie hebben die zij met de rest van de groep delen om tot de beste keuze te komen. De rol van ongedeelde informatie is echter onzeker: er is een sampling bias die gedeelde informatie bevoordeelt, en zelfs wanneer ongedeelde informatie besproken wordt, wordt er vaak minder gewicht aan gegeven dan aan gedeelde informatie. Verschillende omstandigheden kunnen deze negatieve invloeden echter compenseren: een diversiteit aan voorkeuren voorafgaand aan de discussie, task framing, leiderschap en experts kunnen de mate waarin gediscussieerd wordt over ongedeelde informatie verhogen en verbeteren zo ook de kwaliteit van de uiteindelijke beslissing.

            Wat is groupthink?

            Janis (1972) ontwierp een model waarmee hij probeerde te verklaren waarom een groep competente personen soms hele slechte beslissingen maakt. Volgens het model leiden bepaalde situaties tot excessieve zucht naar overeenkomst, waarin groepen vooral hard proberen de harmonie in de groep te bewaren en consensus belangrijker vinden dan het adequaat overwegen van alle alternatieven en het maken van de juiste keuze. Het model maakt onderscheid tussen de antecedenten, symptomen en consequenties van groupthink.

            De antecedenten kunnen worden onderverdeeld in drie clusters:

            1. Hoge groepscohesie, vaak vergezeld door een gevoel van superioriteit.
            2. Structurele fouten, waaronder isolatie van de groep, een gebrek aan onpartijdig leiderschap, een gebrek aan geschikte besluitvormingsprocedures, en een hoge homogeniteit onder de groepsleden.
            3. Hoge stress dankzij externe factoren: externe dreiging, en stress dankzij interne factoren: bijvoorbeeld angst omdat de groep recentelijk gefaald heeft.

            De combinatie van deze clusters leidt tot excessief zoeken naar overeenkomst vanwege een hoge mate van cohesie en veel stress. Vanwege de structurele fouten wordt dit niet gecorrigeerd in het besluitvormingsproces.

            Groupthink kent een aantal verschillende symptomen: een illusie van onkwetsbaarheid, geloof in de inherente mortaliteit van de groep, collectieve rationalisaties, stereotyperingen van buitenstaanders, zelfcensuur, correctie van devianten door groepsleden, en de illusie dat alle groepsleden zich unaniem achter de beslissing scharen. Dit leidt ertoe dat tijdens de besluitvorming niet alle alternatieven worden geïdentificeerd en overwogen, dat er na het maken van een besluit niet heroverwogen wordt, dat de consequenties niet uitgebreid overdacht worden en dat er geen plan B wordt bedacht, voor het geval het misgaat. Het eindresultaat is een grote onwaarschijnlijkheid dat de beslissing die de groep heeft genomen de juiste zal blijken te zijn.

            Verschillende case studies hebben ondersteuning geboden voor het model van Janis (1972). Er is ook experimenteel onderzoek gedaan naar het model. De resultaten zijn gemengd: sommige voorspellingen worden ondersteund, anderen niet. Wellicht het meest teleurstellende resultaat was dat groepscohesie geen effect bleek te hebben: het zou counter-intuïtief en belangrijk zijn gewest wanneer cohesie negatieve effecten in plaats van positieve effecten gehad zou hebben op groepsprestaties. Een mogelijke verklaring is dat het niet persé cohesie is dat voor groupthink zorgt, maar dat de combinatie van hoge cohesie, externe dreiging en structurele fouten leidt tot groupthink. Helaas is deze optie nog niet uitgebreid onderzocht.

            Het model van Janis (1972) heeft veel aandacht gekregen, maar bleek niet altijd gesteund te worden door de empirie. Het model kan dus niet worden gezien als een gevalideerde theorie. Het biedt wel inzicht in de mechanismen onderliggend aan slechte besluitvorming in groepen in belangrijke situaties. Echter, de aanwezigheid van bepaalde antecedenten zal niet altijd leiden tot slechte besluitvorming en slechte besluiten kunnen ook voorkomen zonder dat er bepaalde antecedenten aanwezig zijn.

            Hoe maken groepen nog meer beslissingen?

            Sommige groepen zijn vooral gericht op het bereiken en behouden van consensus. Deze groepen worden ook wel preference driven genoemd. Andere groepen zijn vooral gericht op het bereiken van een beslissing van hoge kwaliteit door informatie en kennis uit te wisselen en argumenten te delen. Deze groepen worden ook wel information driven genoemd. Groepen kunnen ook een combinatie maken van beiden.

            Wanneer de interactie in een groep vooral preference driven is, zal er een frequente uitwisseling van voorkeuren zijn maar weinig discussie en uitwisseling van informatie. Deze groepen zullen over het algemeen de positie van de meerderheid overnemen zonder al te veel aandacht te besteden aan meningen van minderheden of tegenstrijdige informatie. De informatieverwerking zal gebiased zijn in de richting van de voorkeur van de meerderheid en zal gericht zijn op het vinden van bevestiging voor de eerste voorkeur die men had. Deze strategie is snel, en leidt tot zeer goede beslissingen wanneer de meerderheid een goede voorkeur had. Wanneer dit echter niet het geval is, kunnen er desastreuze beslissingen worden genomen.

            Wanneer een groep vooral information driven is, kost het meer tijd om tot een beslissing te komen. Discussie zal eerlijker zijn, zonder een bias in een bepaalde richting. Deze strategie is langzamer, maar kan wel een stuk accurater zijn dan de preference driven strategie. Dit is vooral het geval wanneer de goede alternatieven pas na een discussie van langere tijd worden ontdekt. In deze situaties is het ook mogelijk dat de minderheid de meerderheid weet te overtuigen en dat hun alternatief gekozen wordt.

            De Dreu et al. (2008) stelden dat een information driven strategie meer moeite kost en dat deze dus alleen gebruikt zal worden wanneer groepsleden genoeg motivatie hebben om informatie die relevant is voor de besluitvorming te verwerken. Dit zal het geval zijn wanneer groepsleden twijfelen over hun eigen voorkeur terwijl ze wel groot belang hechten aan de beslissing die uiteindelijk wordt gemaakt. Wanneer groepsleden er van overtuigd zijn dat hun voorkeur de juiste is, is het niet nodig om energie in discussie te stoppen en wordt minder snel gekozen voor de information driven strategie.

            Een aantal verschillende omstandigheden kunnen er toe leiden dat een groep de informatie driven strategie verkiest boven de preference driven strategie:

            • Diversiteit aan voorkeuren binnen de groep.
            • Het inkleden van het besluit als zijnde een oplossing waar een probleem voor gezocht moet worden.
            • Het hebben van experts op bepaalde gebieden die als zodanig worden herkend en die over ongedeelde informatie beschikken.
            Hoe komt besluitvorming in organisaties tot stand?

            Hoe komt besluitvorming in organisaties tot stand?


            Besluitvorming is één van de verantwoordelijkheden van alle werknemers. De kwaliteit van besluiten die genomen worden is belangrijk om twee redenen. De kwaliteit van besluiten beïnvloed direct carrière kansen, beloningen en baantevredenheid. Besluiten dragen bij aan het succes of falen van een organisatie. Besluitvorming (decision-making) is het identificeren en kiezen van oplossingen die leiden tot gewenste einduitkomsten. Het proces begint met een probleem en eindigt wanneer een oplossing is gekozen.

            Wat is het model van besluitvorming?

            Er zijn vier belangrijke historische modellen te onderscheiden. Het rationele model, Simons normatieve model, het incrementalist model en het vuilnisbakkenmodel.

            Het rationele model stelt voor dat mensen een rationele, vier-stappen benadering gebruiken voor besluitvorming. Ze identificeren eerst het probleem (als de werkelijke situatie afwijkt van de gewenste situatie), genereren alternatieve oplossingen, selecteren een oplossing en implementeren en evalueren deze oplossing. Professionelen zijn geheel objectief en beschikken over complete informatie waarmee het besluit wordt genomen. Naast de kritiek omdat het onrealistisch is, is het wel instructief doordat het besluitvormingsproces wordt geanalyseerd en gebruikt kan worden als een conceptueel model voor recentere modellen.

            Een probleem is het gat tussen de eigenlijke en gewenste situatie. Er worden drie methodes gebruikt om problemen te identificeren.

            1. Er worden historische aanwijzingen gebruikt, als iets in het verleden beter ging, is er ergens een probleem ontstaan.

            2. Er wordt gepland, hierbij wordt gebruikt gemaakt van de scenario techniek, welke voorspellingen kan maken gebaseerd op aanwezige condities of omgevingscondities.

            3. Er wordt gebruikt gemaakt van andermans percepties, bijvoorbeeld de klanten laten weten dat er iets mis is.

            Bij het implementeren van een oplossing zij er drie management tendensen welke de effectiviteit van de oplossingen reduceren.

            • Men is er niet zeker van dat mensen begrijpen wat er moet gebeuren

            • Men wordt niet verzekerd dat er acceptatie en motivatie is voor wat moet gebeuren

            • De mogelijkheid dat niet de juist bronnen worden geleverd voor wat moet gebeuren.

            Als het gat na evaluatie nog niet dicht is, was de implementatie niet succesvol. En dan was of het probleem verkeerd geïdentificeerd of de oplossing was niet de juiste.

            Het rationele model wil problemen oplossen met de beste oplossing, ook wel optimaliseren genoemd. Dit wil zeggen dat: managers kennis hebben van alle alternatieven, complete kennis hebben van de consequenties van elk alternatief, een goed georganiseerde en stabiele reeks voorkeuren heeft voor de consequenties en de bekwaamheid heeft om de consequenties te vergelijken en te bepalen welke de voorkeur heeft.

            Het Carnegie model van besluitvorming probeert het proces te identificeren dat professionelen werkelijk gebruiken wanneer ze besluiten nemen en het is gebaseerd op bounded rationality. Dit wil zeggen dat er beperkingen bestaan die er voor zorgen dat de besluitvorming beperkt wordt, zoals persoonlijke en omgevingskarakteristieken die ervoor zorgen dat het besluit niet optimaal is. In contrast met het rationele model stelt dit model voor dat besluitvorming bestaat uit: beperkte informatieverwerking, judgemental heuristiek en tevredenheid. Judgemental heuristiek zijn duimregels welke mensen gebruiken om de vraag naar informatieverwerking te verminderen. Deze gebruiken we automatisch zonder dat we het door hebben. Er zijn twee categorieën te onderscheiden:

            1. Availability heuristic: besluiten baseren op informatie die al in het geheugen zit.

            2. Representativeness heuristic: de mogelijkheid dat een gebeurtenis ook daadwerkelijk gebeurd gebaseerd op iemands indrukken over gelijke gebeurtenissen.

            Het incrementalist model houdt in dat managers alleen kiezen voor die oplossingen die een beetje afwijken van wat daarvoor was gedaan. Bij een kleine verandering is het risico om iets fout te doen verlaagd. Als het toch een verkeerde beslissing was, zijn de kosten om het terug te draaien gematigd. Dit model veronderstelt dat de informatie niet compleet is, zodra we verder willen kijken dan de directe toekomst. Dit betekent dat het model toepasbaar is bij gematigde onzekerheid.

            Het garbage can model komt niet als die van Simon als antwoord op de onbekwaamheid van het rationele model om te verklaren hoe besluiten nou daadwerkelijk worden genomen. Het neemt aan dat besluitvorming een slordig proces is. Het model zegt dat besluiten resulteren uit een complexe interactie tussen vier onafhankelijke stromen van gebeurtenissen: problemen, oplossingen, deelnemers en keuze mogelijkheden. Door de interacties tussen deze gebeurtenissen wordt er een verzameling keuzes gecreëerd die zoeken naar oplossingen, besluiten en situaties door elkaar. Het lijkt op je vuilnisbak waar je willekeurig wat ingooit en het komt bij elkaar gebaseerd op kans interacties. Doordat besluiten een functie zijn van de interactie tussen de onafhankelijke gebeurtenissen, zijn de fase van probleem identificatie en probleem oplossing niet gerelateerd. Sommige problemen worden nooit opgelost en soms worden er oplossingen gevonden voor problemen die niet eens bestaan. Participanten in het model zijn de organisatieleden welke komen en gaan. Alleen wanneer de vier stromen bij elkaar komen wordt er een besluit genomen.

            Het ongestructureerde model stelt dat als omgevingen niet stabiel zijn, een radicale benadering nodig is. Dit model lijk wat op het rationele model, maar het legt wat minder de nadruk op het vinden van optimale oplossingen. Er zijn drie fases in het model:

            • Identification: bepalen waar beslissingen nodig zijn

            • Development: waar alternatieven worden gezocht en ontwikkeld

            • Selection: hier komen oordeel, onderhandelingen en formele analyse samen om het uiteindelijke besluit te nemen.

            Wat zijn de dynamieken van besluitvorming?

            Besluitvorming bestaat uit drie dynamieken die de wetenschapscomponent beïnvloeden, deze zijn contingency overwegingen, stijlen om beslissingen maken (decision-making styles) en intuïtief beslissingen maken. Alle drie dynamieken zullen een voor een behandeld worden. Bij de contingency benadering horen de volgende onderdelen:

            • aided-analytic benadering: hierbij worden hulpmiddelen gebruikt om besluiten te nemen. Zoals rekenmachines, computers, vergelijkingen etc.

            • unaided-analytic benadering: de analyse is gelimiteerd tot het verwerken van informatie in iemands geheugen. Er worden geen hulpmiddelen gebruikt.

            • non-analytic: hierbij worden regels gebruikt om besluiten te nemen, die op voorhand al bekend waren.

            De karakteristieken van de besluit taak reflecteren de eisen en beperkingen waarmee een besluitvormer te maken krijgt. Deze bestaan uit 2 componenten, die karakteristieken welke gerelateerd zijn aan een specifiek probleem en die welke behoren tot de algemene besluitomgeving. Over het algemeen worden aided-analytic benaderingen gezien als meer competent en motiveren werknemers meer. Karakteristieken van de besluitvormer zijn eerder al genoemd zoals iemands kennis, bekwaamheden en motivatie welke invloed hebben op de analytische benadering.

            De omgeving kan ook voor beperkingen zorgen in het kiezen van de juiste analyse:

            • Tijdsbeperkingen beïnvloeden de keuze van een oplossing, er worden slechtere besluiten genomen in een kort tijdsbestek.

            • De contingentiefactoren van de besluitnemer zijn verschillend. Hierbij moet men denken aan individuele verschillen die het werknemers gedrag beïnvloeden of de performance. In het algemeen wordt de aided-analytic strategie gebruikt door competente en gemotiveerde individuen.

            • Contingentierelaties zijn ook van invloed op het kiezen van de juiste analyse. Besluitvormers moeten een afweging maken tussen het juiste besluit en de hoeveelheid moeite en tijd het kost. Over het algemeen worden analytische strategieën gebruikt bij onbekende en onomkeerbare problemen. De non-analytische strategie wordt voornamelijk gebruikt bij bekende en omkeerbare problemen.

            Besluitvormingsstijlen houden in dat iemand zijn karakteristieken beïnvloeden zijn besluitvormingsproces, maar naast karakteristieken heeft iemand zijn besluitvormingsstijl ook invloed op dit proces. Een besluitvormingsstijl is een combinatie van hoe individuen informatie ontvangen en hierop antwoorden. Deze stijlen verschillen door 2 componenten: waarde oriëntatie en de tolerantie voor ambitie. Waarde oriëntatie reflecteert de mate waarin een individu focust op een taak, technische zorgen of op mensen en sociale zorgen wanneer hij een besluit neemt. Het tweede component verwijst naar de mate waarin iemand structuur en beheersing nodig heeft in zijn leven. Wanneer deze twee componenten gecombineerd worden ontstaan er 4 stijlen:

            • Directive: mensen met deze stijl hebben een laag tolerantieniveau en zijn georiënteerd op taak en technische zorgen, wanneer ze besluiten vormen. Ze zijn efficiënt, logisch, praktisch, systematisch in hun benadering om problemen op te lossen. Ze zijn actie georiënteerd en focussen op feiten. Doordat ze snelle besluiten willen hebben worden ze autocratisch en oefenen macht uit en beheersing.

            • Analytical: mensen met deze stijl hebben een veel hogere tolerantie en men wil de situatie van dichtbij analyseren. Ze bekijken meer informatie en alternatieven dan directive mensen. Ze maken zorgvuldig besluiten, doen daar vaak langer dan anderen over maar kunnen wel beter reageren op onzekere situaties.

            • Conceptual: deze mensen hebben een hoge tolerantie en focussen op mensen met sociale aspecten in een werksituatie. Ze hebben een brede kijk bij probleemoplossing en proberen zoveel mogelijk opties te overdenken en toekomstige oplossingen. Ze vertrouwen op intuïtie en discussies met anderen om informatie te verkrijgen. Ze willen risico’s nemen en zijn goed in het vinden van creatieve oplossingen.

            • Behavioural: deze stijl focust het meest op het menselijke aspect van besluiten. Ze werken goed met anderen en houden van sociale interactie waarin meningen openlijk gedeeld worden. Ze zijn steunend, geven warmte en prefereren verbale informatie.

            Intuïtieve beslissingen gaan vaak gepaard met bias. Besluiten kunnen, ongeacht het gebruikte model, worden beïnvloed door het feit dat mensen dingen zien op een verwrongen manier als ze besluiten nemen. Dit zijn verschillende biasen. De availability bias is dat het besluit wordt gebaseerd op informatie die al aanwezig in het geheugen. De heuristiek kan leiden tot het overschatten van de kans op onwaarschijnlijke gebeurtenissen. Dit vooroordeel is deels verantwoordelijk voor het recency effect besproken in hoofdstuk 4. Het kan opgelost worden met formalisatie. De representativeness bias is de waarschijnlijkheid dat een gebeurtenis zich herhaalt vanwege de indruk die iemand daarover heeft. Kan opgelost worden met formalisatie. De escalation of commitment zijn situaties van escalaties zijn omstandigheden waarin dingen fout zijn gegaan, maar waar de situatie mogelijk veranderd kan worden door extra tijd, geld of moeite hierin te steken. Escalatie van toewijding wil zeggen dat men te lang blijft hangen in een niet effectieve actiekoers. Kan opgelost worden door minimum doelen, rotaties van besluit en cost-awereness-mechanism. Anchoring doet zich voor als de besluitvormer teveel aandacht besteedt aan de informatie die als eerste komt en niet aan de informatie die later komt. Dit probleem kan ook als een voordeel gebruikt worden. De confirmation bias gebeurt in de fase waar informatie verzameld wordt. Het kan zijn dat men selectief informatie verzamelt, die de onbewuste keuze van de besluitvormer ondersteunt. Bij de hindsight bias geloven mensen dat wat zij vooraf voorspeld hebben te gebeuren, ook daadwerkelijk gebeurde. Echter zijn vele feiten en connecties tussen feiten alleen later bekend. Feedback, precisie, tijdigheid en objectiviteit kan dit probleem verminderen. Framing is de manier hoe het besluitprobleem gesteld wordt. Het beïnvloedt de besluitvormer een winst meer te waarderen dan een verlies. Dit kan verlaagd worden door herdenken en het probleem op verschillende manieren te formuleren. De overconfidence bias gebeurt als mensen een met moeilijke vraagstukken zitten is de kans groot dat ze overmoedig worden. Dit kan het beste tegen gegaan worden met training en oefening.

            Onderzoek wijst uit dat maar weinig mensen één dominante besluitvormingsstijl hebben. De meesten vallen in twee of drie categorieën. Het is mogelijk om de kennis van besluitvormingsstijlen op drie manieren te gebruiken:

            • Kennis van stijlen kan helpen jezelf te begrijpen.

            • Het vergroten van de mogelijkheid om anderen te beïnvloeden door attent te zijn op stijlen.

            • Kennis van stijlen kan het bewustzijn geven dat mensen tot andere besluiten komen met dezelfde informatie.

            Hoe worden groepsbeslissingen genomen?

            Panels en comités spelen vaak een grote rol in besluitvorming. Er bestaan voor- en nadelen van groepsbesluitvorming. De voordelen zijn dat meer mensen samen meer weten dan één, er zijn meer perspectieven, er is een groter begrip voor het besluit creëren en er wordt een trainingsbasis gecreëerd voor onervaren werknemers. Nadelen zijn de grote sociale druk, het besluit kan gedomineerd worden door degene met de grootste mond, groepsbelangen kunnen tegenover individuele belangen komen te staan, het eigenlijke doel (besluit nemen) kan vervangen worden door een ander doel (gelijk halen), het verlangen naar een unaniem besluit kan boven de goede beoordeling komen te staan.

            Wat is participatie management?

            Participatie management houdt in dat werknemers in verschillende vormen van besluitvorming aanwezig zijn en is gebaseerd op de need theory van Maslow. Het is de mate waarin werknemers participeren in het stellen van doelen, besluitvorming, oplossen van problemen en het maken van veranderingen in de organisatie. Het verhoogt de motivatie want het helpt werknemers drie basis behoeften te vervullen: autonomie, betekenisvol werk en interpersoonlijk contact. Het ontwerp van het werk en het niveau van vertrouwen tussen management en werknemers beïnvloedt de effectiviteit van participatie management.

            Vaak zijn groepsprestaties beter dan individuele prestaties, maar hier komen nog een paar aspecten bij kijken:

            • Groepen zijn minder efficiënt dan individuen

            • Een groep’s overmoed (overconfidence) kan zorgen voor groepsdenken

            • De kwaliteit van het besluit is negatief gerelateerd aan groepsgrootte

            • Groepen zijn accurater wanneer ze veel weten over het onderwerp en wanneer de leider beschikt over de bekwaamheid om de meningen van de groepsleden effectief te evalueren

            • De compositie van een groep beïnvloed de besluitvormingsprocessen en de prestatie

            Welke technieken bestaan er om groepsproblemen op te lossen?

            Wanneer groepen gebruikt worden om besluiten te nemen moet er consensus in de groep zijn. Consensus is bereikt wanneer alle leden kunnen zeggen dat ze of met het besluit eens zijn of ze niet in staat zijn geweest anderen te overtuigen van hun kijkwijze. Aan het eind is iedereen het eens en steunt de uitkomst. Consensus betekent dus niet dat men er unaniem mee eens moet zijn, maar nog steeds oneens mag zijn met het uiteindelijke besluit maar bereid is mee te werken als het gaat om succes. Er zijn daarom technieken ontworpen om het besluitproces te helpen. Er zijn er drie die gebruikt kunnen worden om obstakels te overwinnen: brainstorming, nominale groep techniek en creativiteit.

            Door brainstorming krijgen groepen meerdere ideeën en alternatieven voor het oplossen van problemen. Het vermindert onverschilligheid. Deze techniek is niet geschikt voor het evalueren van alternatieven of het selecteren van oplossingen. Er zijn vier regels voor brainstormen:

            1. Benadruk kwantiteit over kwaliteit, bedenk zo veel mogelijk ideeën.

            2. Denk zonder grenzen.

            3. Zorg dat er niet te snel geoordeeld wordt.

            4. Negeer anciënniteit.

            Nominale groep techniek (NGT) helpt groepen niet alleen om nieuwe ideeën te genereren maar ook om te evalueren en oplossingen te selecteren. Het is een gestructureerde groepsbijeenkomst. De keuzes woorden gerangschikt op eerste keus, tweede keus enzovoorts. Het Delphi techniek is een groepsproces waarbij anoniem ideeën worden gegenereerd van fysieke experts. Ideeën van de experts worden verkregen door vragenlijsten of via het internet. Het is een handige techniek wanneer face-to-face discussies onpraktisch zijn of wanneer zeer waarschijnlijk conflicten of onenigheden ontstaan. Computer-aided decision-making is het verlagen van verhinderingen van een consensus met behulp van een computer. Er zal meer informatie verzameld worden in een korte tijd, hierbij zijn twee types: chauffeur driven en group driven. Bij de eerstgenoemde beantwoorden deelnemers van tevoren vastgestelde vragen door middel van elektronische keypads. Bij de laatstgenoemde hebben deelnemers een eigen pc en wisselen informatie uit via het netwerk.

            Vandaag de dag moet alles snel gebeuren en moeten besluiten snel genomen worden. Hierdoor wordt het aanmoedigen van creativiteit en innovatie bij werknemers steeds belangrijker. Creativiteit is het proces van ontwikkelen van iets nieuws of unieks. Er zijn drie typen van creativiteit:

            1. creëren van iets nieuws (creëren),

            2. combineren van dingen (synthese)

            3. verbeteren of veranderen van iets (modificatie).

            Voor het creatieve proces zijn er vijf fasen: preparation (gebruik maken van de basiskennis), concentration (focussen op het probleem), incubation (onbewust verbindingen maken tussen de informatie), illumination (verbindingen verwerken) en verification (controleren, aanpassen en testen van het nieuwe idee).

            Het model van organisatie creativiteit en innovatie laat zien dat organisatie creativiteit direct wordt beïnvloed door organisatie karakteristieken en het creatieve gedrag dat zich voordoet in werkgroepen. Het creatieve gedrag van groepen wordt daarentegen beïnvloed door groepskarakteristieken en het individuele creatieve gedrag en prestaties van zijn leden. Individuele creativiteit wordt direct beïnvloed door verschillende individuele karakteristieken. En als laatste beïnvloeden individuele, groep en organisatie karakteristieken allemaal elkaar in het proces. Voor een wat duidelijker beeld kun je kijken in figuur 13.5 op bladzijde 509 van het boek.

             

             

             

            Hoe kun je binnen een organisatie omgaan met conflicten, diversiteit, stress en burnout?

            Hoe kun je binnen een organisatie omgaan met conflicten, diversiteit, stress en burnout?

            Het organisatieklimaat is belangrijk voor zowel managers als werknemers, dit is echter niet hetzelfde als de organisatiecultuur.

            Het klimaat is een situatie waarin gevoelens, reflecties en gedrag van mensen in de organisatie centraal staan. Dit kan dus door de tijd veranderen en is afhankelijk van de observeerder. In tegenstelling tot klimaat is de culture een vast gegeven, het is gevormd door de jaren heen en wordt niet meer veranderd. Naast het feit dat deze twee elkaar overlappen, beïnvloeden ze elkaar ook nog. Het klimaat en de cultuur bekijken beide dezelfde feiten maar dan op een andere manier. De cultuur laat de onderliggende waarden en veronderstellingen zien terwijl het klimaat meer een snapshot laat zien, op een bepaald tijdstip. Wel veronderstellen beide dat de organisatie het resultaat is van sociale interactie en dat tegelijkertijd de tijd de interactie vormt. Er zijn 8 startpunten om te kijken naar het klimaat in de organisatie, namelijk:

            • autonomy

            • cohesion

            • trust

            • pressure

            • support

            • recognition

            • fairness

            • innovation

            Deze 8 componenten zijn weer bruikbaar om het klimaat te veranderen door communicatie, waarden, verwachtingen, normen, beleid en regels, programma’s en leiderschap.

            Wat houdt diversiteit in?

            Organisaties kunnen natuurlijk uit verschillende soorten personen bestaan. Dit kan goed zijn, maar het kan ook tot conflicten leiden. Een van de problemen die kan ontstaan in een diverse organisatie, is stereotypering. Een stereotype is iemands geloof over de karakteristieken van een groep. Stereotypering is een vier stappen proces welke begint met het categoriseren van mensen in groepen op basis van verschillende criteria, zoals geslacht, leeftijd, ras, religie etc. Daarna leiden we af dat alle mensen in een bepaalde groep dezelfde karakteristieken en traits hebben. We vormen verwachtingen van anderen en interpreteren hun gedrag aan de hand van de stereotypen. Stereotypering kan wel of niet accuraat zijn en dit leidt tot ingroup-outgroup thinking. Er zijn verschillende soorten stereotypes. De meest voorkomende in een organisatie zijn:

            1. Seks-role (gender) stereotype: bv Mannen vragen nooit om hulp, en vrouwen kunnen geen kaart lezen of mannen zijn goede leiders, vrouwen zijn goede verzorgers. De glass ceiling is een onzichtbare hindernis die ervoor zorgt dat vrouwen en minderheden geen topmanagement posities hebben.

            2. Age stereotype: bv. oudere mensen zijn minder flexibel en kunnen minder snel nieuwe technieken (computers) leren

            3. Ethic and racial stereotypes: bijvoorbeeld allochtoon kan bepaald werk niet goed doen.

            Het managen van diversiteit houdt in dat organisatieveranderingen gecreëerd moeten worden die mogelijk maken dat alle mensen maximaal presteren. Als diversiteit effectief wordt gemanaged zal er een competitief voordeel ontstaan voor de organisatie. Het kan zorgen voor lagere kosten en verbeterde attitudes van de medewerkers, het aantrekken en vasthouden van competente werknemers, verhoogde sales en winst, meer creativiteit en innovatie en een betere productiviteit en oplossingsgerichtheid. Werknemers vinden het fijn als ze dezelfde mogelijkheden krijgen. Dit wordt ook wel equality genoemd. Barrières en uitdagingen die komen kijken bij het managen van diversiteit zijn belangrijk om in het achterhoofd te houden. Voorbeelden hiervan zijn dat er weerstand is tegen verandering en dat er niet een ondersteunende en wel een vijandelijke werkomgeving is. Er zijn verschillende acties om de diversiteitsproblemen aan te pakken. Een manager kan meer of juist minder diverse mensen in alle lagen van de organisatie zetten. Een andere actie is om te ontkennen dat er verschillen bestaan. Ook kan men alle diverse mensen leren om te passen bij de organisatie of net zo te worden als de dominante groep (assimilatie). Daarnaast kunnen verschillen worden ontmoedigd (surpress). Ook kan er behouden worden van hoe dingen gedaan worden en diverse mensen aan de zijlijn zetten (isolate). Daarnaast kunnen verschillen erkend worden, maar er wordt geen waarde aan gehecht en het wordt niet geaccepteerd (tolerate). Ook kunnen door goede relaties verschillen worden overwonnen (building). Tenslotte kunnen mensen verschillen herkennen en accepteren en het met elkaar eens zijn dat iedereen en alles open staat voor verandering.

            Ann Morrison had specifieke diversiteitsinitiatieven. Zij onderscheidt drie typen van activiteiten:

            • Accountability practices: relateren aan verantwoordelijkheid van professionele mensen om diverse werknemers eerlijk te behandelen.

            • Development practices: focus ligt op voorbereiden van diverse werknemers op grotere verantwoordelijkheid en verrijking.

            • Recruitment practices: pogingen om gekwalificeerde en diverse werknemers aan te trekken voor alle niveaus in de organisatie.

            Wat is stress?

            Stress is iets wat niet meer weg te denken valt uit het werkleven. Dit komt voornamelijk door de grotere concurrentiestrijd tussen bedrijven waardoor werknemers betere kwaliteit en grotere kwantiteit moeten leveren in minder tijd en met minder resources. Daarnaast zorgen technologische verbeteringen ervoor dat een het voor een werknemer moeilijker wordt om zich te ontbinden van de werkplek. De dynamieken van het moderne leven zorgen ervoor dat het moeilijk wordt om werk en privé gescheiden te houden. En als laatste heeft men meer stress doordat deze gerelateerd is aan motivatie. Dus hoe meer gemotiveerd men is hoe meer stress men meemaakt.

            Stress zorgt voor 2 basis reacties: actief vechten of passief vluchten oftewel de fight-or-flight response. Stressors zijn omgevingsfactoren die stress veroorzaken. Stress kan veroorzaakt worden door socio-demografische factoren (scholing), socio-economische factoren (onderbetaald zijn) en psychologische factoren. Stress is een adaptief antwoord, gematigd door individuele karakteristieken en/of psychologische processen, dat is een consequentie is van een externe actie, situatie of gebeurtenis dat fysiek en psychologisch veel vraagt van een persoon. Eustress is stress dat positief is of positieve uitkomsten produceert.

            Wat zijn modellen van stress?

            Het Karasek model houdt in dat stress factoren zijn ingebed in de organisatie in plaats van in iemand zijn individuele karakteristieken. Het model bestaat uit 3 dimensies. Centraal in het model staat de interactie tussen job demand en job control. De eerste twee dimensies verklaren de werkomgeving deze zijn de psychologische vraag van werk en de hoeveelheid autonomie die iemand heeft. De derde dimensies is sociale ondersteuning. Volgens het model heeft men meer kans op stress wanneer de psychologische vraag hoog is en de hoeveelheid autonomie in een baan laag is. Dus de hoge psychologische vraag alleen hoeft niet tot stress te leiden. Het is de combinatie van hoge psychologische vraag en lage autonomie. De negatieve effecten van deze combinatie kunnen versterkt worden door weinig sociale ondersteuning.

            Het model van beroepsstress kijkt grondiger naar de relaties tussen stressors, individuele verschillen en uitkomsten. Het model laat zien dat 4 soorten stressors zorgen voor stress, welke dan weer voor verschillende uitkomsten zorgen. Deze zijn op individueel niveau (rolconflicten, werklading), groepsniveau (management gedrag, conflicten tussen groepen), organisatieniveau (cultuur, structuur, technologie) en extra-organisatieniveau (familie, economie, geluid, warmte). Deze zorgen dus voor verschillende uitkomsten zoals psychologisch/houdingsstress (werktevredenheid, emotie, toewijding), gedragsstress (afwezigheid, ongelukken, prestatie), cognitieve stress (slechte beslissingen maken, geen concentratie) en fysieke gezondheid (immuunsysteem). Verschillende individuele verschillen matigen de uitkomsten. Ook is de waargenomen stress belangrijk. Immers, dit gaat over hoe mensen de invloed van verschillende stressors op hun leven ervaren. Mensen kunnen dezelfde stressor op verschillende manieren interpreteren.

            Stressvolle gebeurtenissen in het leven zijn gebeurtenissen in het leven die niet werk gerelateerd zijn en dagelijkse routines en sociale gebeurtenissen ontwrichten. Oncontroleerbare gebeurtenissen die negatief zijn voor iemand zorgen voor de meeste stress.

            Hoe moet men omgaan met burn-outs en stress?

            Wat is een burn-out?

            Een burn-out is een stress gerelateerd probleem welke vaak voorkomt in beroepen die een helpende functie hebben zoals sociale werkers, zusters en advocaten. Het gaat hier niet om een specifiek gevoel, houding of psychologische uitkomst gerelateerd aan een specifieke tijdsperiode, het gebeurt door de tijd heen. Het is een conditie van emotionele uitputting en negatieve houdingen. Typische karakteristieken van iemand met een burn-out zijn moeheid, verveling, falen en ontevredenheid.

            Het model dat ontworpen is bij een burn-out bestaat uit 3 sleutelfasen. Deze zijn emotionele uitputting, depersonalisering en het gevoel van het missen van persoonlijke bekwaamheden. Emotionele uitputting komt door persoonlijke stressors en werk en organisatie stressors. Emotionele uitputting leidt na een tijd tot de-personalisatie en dit zal uiteindelijk leiden tot een gevoel van onderwaardering. Deze 3 worden allemaal nog weer beïnvloed door negatieve houding- en gedragsuitkomsten.

            Burn-outs kunnen voorkomen worden door buffers. Dit zijn bronnen of administratieve veranderingen welke een burn-out reduceren. Dit zijn bijvoorbeeld erkenning van bekwaamheden, meer vrijheid geven tot het maken van beslissingen, meer communicatie met top en beloningen.

            Om beroepsstress te matigen zijn er verschillende matigende factoren zoals sociale ondersteuning. Dit is de hoeveelheid hulp dat men krijgt van sociale relaties. Het model wat hierbij behoort heeft betrekking op culturele normen, sociale instituties, bedrijven, groepen en individuen welke allemaal bronnen zijn van sociale ondersteuning. Deze bronnen zorgen voor 4 typen ondersteuning:

            • Esteem support: de persoon is geaccepteerd en gerespecteerd ondanks problemen of onkunde.

            • Informational support: hulp bij het definiëren, begrijpen en coping van problemen.

            • Social companionship; tijd doorbrengen met anderen in vrije tijds en recreatieve activiteiten.

            • Instrumental support: financiële hulp, materiële hulpmiddelen of nodige services.

            Wat is coping?

            Dit is het proces van omgaan met stress zowel extern als intern. Het coping proces heeft 3 grote componenten: situatie en persoonlijke factoren, cognitieve beoordelingen van deze stressors en coping strategieën. Situatie factoren zijn omgevingskarakteristieken welke de interpretatie van stressors beïnvloeden. Persoonlijke factoren zijn persoonlijkheidstraits en persoonlijke bronnen die de beoordeling van stressors beïnvloeden. Cognitieve beoordeling reflecteert de gehele perceptie van een situatie of een stressor. Deze beoordeelt of een stressor schadelijk, bedreigend of uitdagend is. Coping strategieën kunnen worden onderverdeeld in 3 soorten:

            1. Control strategie, coping strategie dat direct problemen confronteert of oplost. Escape strategie, coping strategie dat stressors en problemen uit de weg gaat of negeert.

            2. Symptom management strategie, coping strategie dat focust op het reduceren van de symptomen van stress.

            3. Enkele manieren om stress te reduceren zijn het ontspannen van de spieren, biofeedback (letten op je lichaam), meditatie en cognitief herstructureren.

            Twijfelen of keuzes maken: van keuzestress naar een goede beslissing

            Wat is een verzekering voor een tussenjaar in het buitenland, en waarom specifiek verzekeren bij een gap year?

            Wat is een verzekering voor een tussenjaar in het buitenland, en waarom specifiek verzekeren bij een gap year?


            Tussenjaar of gap year in het buitenland verzekeren

            Wat is een verzekering voor een tussenjaar in het buitenland?

            • Een verzekering voor een tussenjaar in het buitenland wil zeggen dat je een verzekering afsluit die dekking blijft bieden tijdens al je activiteiten, onderwijs of mogelijke werkzaamheden in het buitenland.

            Waarom zou je een verzekering afsluiten voor een tussenjaar of gap year in het buitenland?

            • Er kunnen meerdere redenen van toepassing zijn waarom je bij een tussenjaar of gap year in het buitenland een aparte verzekering nodig hebt.
            • Tijdens je tussenjaar in het buitenland kan het zijn dat je ook avontuurlijke of risicovolle activiteiten gaat ondernemen, die niet onder de dekking van je reguliere verzekering vallen.
            • Tijdens je tussenjaar in het buitenland kan het zijn dat je ook betaald, of vrijwillig, gaat werken. Heb je voor vertrek geen verzekering afgesloten waarmee je mag werken, dan is er vanuit het buitenland geen zekerheid meer dat je alsnog een dekkende verzekering kan afsluiten.
            • Tijdens je tussenjaar in het buitenland kan het zijn dat de dekking van je Nederlandse basiszorgverzekering komt te vervallen. Dan moet je voor vertrek al een vervangende verzekering hebben afgesloten.
            • Tijdens je tussenjaar kan je ziek worden, of een ongeluk krijgen. In verschillende landen kunnen dan de zorgkosten boven het Nederlands tarief uitkomen. Wanneer je niet de juiste verzekering hebt afgesloten, zal je zelf de extra kosten moeten betalen.
            • Tijdens een langer verblijf in het buitenland kan het zijn dat je een keer tussendoor naar Nederland wil, en dan ook dekking in Nederland wil hebben.
            • Reguliere reisverzekeringen bieden in het algemeen alleen dekking voor reizen van een beperkt aantal dagen. Mocht jouw reis of verblijf in het buitenland het maximaal aantal dagen overschrijden dan betekent dat over het algemeen dat er achteraf voor de gehele reisperiode geen dekking meer is.
            • Reguliere reisverzekeringen bieden in het algemeen alleen dekking alleen voor recreatieve reizen zonder studie, stage of werkzaamheden. Mocht je andere dan recreatieve activiteiten gaan ondernemen dan betekent dat over het algemeen dat er achteraf voor de gehele reisperiode geen dekking meer is.

            Wat is belangrijk om te verzekeren als je een tussenjaar of een gap year neemt in het buitenland?

            • dat je een verzekering hebt die geldig is in het gebied waar je onderwijs gaat volgen, reizen en activiteiten ondernemen.
            • dat je voldoende verzekerd bent voor de sporten en activiteiten die je gaat uitoefenen.
            • dat je verzekerd bent voor SOS-hulpverlening, en voor vervroegde terugkeer voor als er iets met jou, of je directe familie, gebeurt.
            • dat je medische kosten tot de kostprijs (wat het daadwerkelijk kost) hebt verzekerd, en niet alleen voor de standaard kosten. In de meeste landen zijn de zorgkosten hoger dan in Nederland.
            • dat je je bagage verzekert en voldoende voorzorgsmaatregelen neemt tegen diefstal of beschadiging.
            • dat je je goed verzekert tegen particuliere aansprakelijkheid, en liefst ook voor aansprakelijkheid tijdens mogelijk stage- of vrijwilligerswerkzaamheden.
            • dat je goed verzekerd bent bij ongevallen.
            • dat je je voor rechtsbijstand verzekert als daar direct aanleiding voor is, tenzij de dekking al automatisch in de verzekering is meegenomen.

            Welke verzekering heb je nodig voor een tussenjaar of een gap year in het buitenland?

            Verzekeringen voor tussenjaar of gap year in het buitenland: advieswijzer en verzekeringen vergelijken

            Verzekeringen voor tussenjaar of gap year in het buitenland: advieswijzer en verzekeringen vergelijken


            Advieswijzer voor een tussenjaar of gap periode in het buitenland

            Welke dekking adviseert JoHo als je een tussenjaar of gap year in het buitenland gaat doen? 

            JoHo adviseert iedereen die voor een tussenjaar of een gap periode naar het buitenland gaat, om te zorgen dat

            • ze een verzekering hebben die geldig is in het gebied waar ze gaan reizen, leren en werken.
            • ze voldoende verzekerd zijn voor de sporten en activiteiten die ze gaan uitoefenen.
            • ze verzekerd zijn voor SOS-hulpverlening en voor vervroegde terugkeer voor als er iets met hen gebeurt, of met de directe familie.
            • ze medische kosten tot de kostprijs (wat het daadwerkelijk kost) verzekeren, en niet alleen voor de standaardkosten. In de meeste landen zijn de zorgkosten hoger dan in Nederland.
            • ze hun bagage verzekeren of voldoende voorzorgmaatregelen nemen tegen diefstal of beschadiging.
            • ze zich goed verzekeren tegen aansprakelijkheid zowel voor, na, als tijdens vrijwilligerswerk of stage.
            • ze goed verzekerd zijn voor ongevallen.
            • ze zich alleen voor rechtsbijstand verzekeren als daar direct aanleiding voor is, tenzij de dekking al automatisch in de verzekering is meegenomen.

            Waar moet je extra op letten als je goed verzekerd een tussenjaar of gap year wil doen in het buitenland?

            Je medische kosten tijdens je tussenjaar

            • Je kunt te maken krijgen met medische kosten die niet worden gedekt door je zorgverzekering omdat je in het buitenland zit, of omdat je werkt of vrijwilligerswerk doet.
            • Ga je onderzoek doen in de zorg, met wilde dieren of bijvoorbeeld met gevaarlijke machines, kies dan een verzekering die daar rekening mee houdt.
            • * Ga je naast je studie ook langer dan 3 maanden vrijwilligerswerk doen, of werken met vergoeding, in één van de 'Verdragslanden ('eerste werkdag' landen)', dan vervalt vanaf je eerste werkdag de dekking van je Nederlandse zorgverzekering: o.a. Canada - Chili - Japan - Tunesië - Turkije - Verenigde Staten - Zuid-Korea.

            Je aansprakelijkheid tijdens je tussenjaar

            • Je kunt aansprakelijk worden gesteld als jij schade toebrengt aan personen of aan goederen. Kies een verzekering die daar rekening mee houdt.

            Welke verzekering kies je bij een tussenjaar of verblijf binnen Europa of in een Verdragsland*

              Bij een verblijf binnen Europa of in een Verdragsland* + werkzaamheden met een vergoeding van meer dan 220 euro per maand.

              Bij een verblijf binnen Europa of in een Verdragsland* + werkzaamheden met een vergoeding van minder dan 220 euro per maand

              Welke verzekering kies je bij een tussenjaar buiten Europa of in een niet-Verdragsland*

              Bij een verblijf buiten Europa of in een niet- Verdragsland

              Tussenjaar of gap year onder speciale omstandigheden of met specifieke werkzaamheden

              Welke verzekering kies je als je ook een annuleringsverzekering zoekt voor je tussenjaarprogramma?

              Relaties van het thema 'Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland'

              JoHo WorldSupporter: tips en vacatures
              Tijdelijk werken bij JoHo: als studentmanager, de ideale bijbaan naast je studie
              Het werven, aansturen en contact onderhouden met auteurs, studie-assistenten en het lokale studentennetwerk. Het ondersteunen bij het samenstellen van de...
              Tijdelijk werken via JoHo: als auteur van JoHo samenvattingen
              Het schrijven, updaten of controleren van samenvattingen, stamplijsten, oefenvragen en college-aantekeningen. Lees meer over werken als auteur. Wat hou je er aan...
              Tijdelijk werken bij JoHo: als tekstredacteur van studiemateriaal of samenvattingen van je studie
              Je helpt mee met bij de strategie rondom de benodigde productie rondom samenvattingen en studiehulp. Je redigeert de aangeleverde samenvattingen. Je...
              JoHo WorldSupporter: blogs en stories
              Gap year: what does it get you?
              I read an article in my regional newspaper about young adults who consciously choose to take a gap year. “The coolest thing I have ever done”, “I really stepped...

              EXTRA SERVICES EN INFORMATIE

              Wegwijzer bij vertrek naar het buitenland

              Vertrekken naar het buitenland

              Probleemloos wonen of tijdelijk verblijven in het buitenland?

              Thema's: werken, stagelopen en vrijwilligerswerk in binnen- en buitenland per activiteit en functie
              Au pair worden in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk
              Dieren verzorgen en natuur beschermen in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Dieren verzorgen en natuur beschermen in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken en helpen in het buitenland bij de dierenopvang, wildlife centers of natuurorganisaties Betaald werk, stage, vrijwilligerswerk of werkervaringsplek als o.a: animal Rescue medewerker, coördinator, dierenarts, dierenverzorger, onderzoeker, wildlife vrijwilliger of wildlife ranger INHOUD Vragen en antwoorden over verkennen van dieren en natuur helpen in het buitenland: Beschermen en helpen van dieren in het buitenland: wat is het, waarom doen,...... lees verder op de pagina
              Werken in het buitenland in de animatie, de entertainment of bij events via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland in de animatie, de entertainment of bij events via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland in de entertainment-, animatie- en eventsector Betaald werk, stage, vrijwilligerswerk of werkervaringsplek als animatiemedewerker, entertainer, eventmedewerker of eventorganisator INHOUD Vragen en antwoorden over verkennen van werken in entertainment of bij events in het buitenland: Wat is werken als animator het buitenland, waarom zou je het doen, en wat zijn de beste landen voor een baan, stage...... lees verder op de pagina
              Jurist en juridische werkzaamheden in het buitenland via betaald werk, stage en vrijwilligerswerk

              Jurist en juridische werkzaamheden in het buitenland via betaald werk, stage en vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland in de advocatuur of de juridische sector Betaald werk, stage, vrijwilligerswerk of werkervaringsplek als: advocaat, jurist, juridisch adviseur of rechtskundig medewerker Inhoud Vragen en antwoorden over verkennen van werken binnen de advocatuur en juridische sector in het buitenland: Wat is werken bij juridische organisaties en in administratief werk in het buitenland, waarom doen, en wat zijn...... lees verder op de pagina
              Lesgeven in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Lesgeven in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland in het onderwijs en bij trainingsinstituten Betaald werk, stage, vrijwilligerswerk of werkervaringsplek als coach, leraar, lerares, leerkracht, onderwijshulp, onderwijzer, onderwijzeres, skileraar, trainer of 'english teacher' INHOUD Vragen en antwoorden over verkennen van werk, stage en vrijwilligerswerk in het buitenland in het onderwijs: Wat is werken in het onderwijs en lesgeven in het buitenland, waarom zou je...... lees verder op de pagina
              Maatschappelijk dienstverlener en sociaal werk in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Maatschappelijk dienstverlener en sociaal werk in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken en jezelf ontwikkelen binnen sociaal en maatschappelijk werk in het buitenland Betaald werk, stage, vrijwilligerswerk als cultureel medewerker, maatschappelijk dienstverlener of sociaal werker INHOUD Vragen en antwoorden over verkennen van maatschappelijke dienstverlening en sociaal werk in het buitenland: Wat is maatschappelijk en sociaal werk in het buitenland, waarom zou je het doen, en welk land kan je het beste...... lees verder op de pagina
              Online werken vanuit het buitenland als digital nomad of working nomad
              Werken in de outdoor en sportmanagement in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in de outdoor en sportmanagement in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland op het gebied van sport, outdoor en beweging Betaald werk, stage, vrijwilligerswerk of werkervaringsplek als o.a. activiteitenbegeleider, outdoor medewerker, sportinstructeur of sportleraar INHOUD Vragen rond verkennen van werk in het buitenland als sportinstructeur: Outdoor- en sportinstructeur in het buitenland: wat is het, waarom doen en waar kan je het beste heen? Vragen rond vacatures voor werk...... lees verder op de pagina
              Personeelsmedewerker, human resources en arbeidsbemiddeling in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Personeelsmedewerker, human resources en arbeidsbemiddeling in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland op het gebied van arbeidsbemiddeling, personeelszaken en human resources Betaald werk, stage, vrijwilligerswerk als bemiddelaar, detacheringsbegeleider, human resource manager (HRM), intercedent, personeelsmedewerker of recruiter werving en selectie INHOUD Vragen en antwoorden over verkennen van werk op het gebied van arbeidsbemiddeling en HRM in het buitenland: Wat is werken op het gebied van recruitment en human resources...... lees verder op de pagina
              Psycholoog en coach in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Psycholoog en coach in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken als psycholoog, in de geestelijke gezondheidszorg of in de coachingsector in binnen- en buitenland Betaald werk, stage, vrijwilligerswerk of werkervaringsplek als gedragswetenschapper, personal coach, mental coach of psychologisch hulpverlener INHOUD Vragen en antwoorden over verkennen van werken als psycholoog of coach in het buitenland: Wat is werken als psycholoog in het buitenland, waarom doen, en wat zijn de beste...... lees verder op de pagina
              Werken als reisleider en reismedewerker in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken als reisleider en reismedewerker in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland in de reissector Werken, stage lopen of vrijwilligerswerk doen als groepsleider, host, reisbegeleider, reisleider, reismedewerker of reisorganisator INHOUD Vragen rond verkennen van werken als reisleider en reismedewerker in het buitenland Wat is werken als reisleider, waarom zou je het doen en wat zijn de beste landen voor een baan, stage of vrijwilligerswerk? Wat is werken als...... lees verder op de pagina
              Werken in het toerisme en de reissector in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het toerisme en de reissector in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland in het toerisme, de reissector en de vrijetijdssector Werken, stage lopen of vrijwilligerswerk doen bij campings, cruiseschepen, duikscholen, eco lodges, guesthouses, events, horeca, hotels, reisorganisaties, safarikampen, sportorganisaties en zomerkampen INHOUD Vragen en antwoorden over verkennen van werk in het toerisme in het buitenland: Wat zijn de 12 themapagina's voor werk, vrijwilligerswerk en stage binnen het toerisme...... lees verder op de pagina
              Werken in onderzoek en wetenschap in het buitenland via betaald werk, stage en vrijwilligerswerk

              Werken in onderzoek en wetenschap in het buitenland via betaald werk, stage en vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland bij een onderzoeksorganisatie of wetenschappelijke instelling Betaald werk, stage en vrijwilligerswerk als analist, aio, onderzoeksmedewerker, promovendus of wetenschapsassistent INHOUD Vragen over verkennen van onderzoek doen en werken in de wetenschap in het buitenland: Wat zijn de uitgelichte vragen en antwoorden over analyse, onderzoek en waarheid? Vragen over vacatures voor onderzoek doen en werken in de wetenschap...... lees verder op de pagina
              Werken bij een internationale organisatie of non-profit instelling in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken bij een internationale organisatie of non-profit instelling in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken en ontwikkelen bij non-profit organisaties, sociale ondernemingen en internationale organisaties Werken als beleidsmedewerker, duurzaamheidscoördinator, fondsenwerver, milieumedewerker, natuurbeschermer of bijvoorbeeld projectmedewerker: naar het buitenland als stagiair, vrijwilliger of betaalde kracht Inhoud Vragen en antwoorden over verkennen van werken bij non-profit en internationale organisaties in het buitenland: Wat is werken bij een internationale organisatie in het buitenland, waarom zou je het...... lees verder op de pagina
              Werken in een lodge, ecohotel of safarikamp via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in een lodge, ecohotel of safarikamp via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland op een safarikamp, duurzame lodge of hostel in Afrika, Azië, Latijns-Amerika of Australië Betaald werk, stage, vrijwilligerswerk of werkervaringsplek als assistent-manager - barpersoneel - host - kampmanager - kok - lodgemanager - receptiemedewerker of bijvoorbeeld technische hulp INHOUD Vragen rond verkennen van werken in het buitenland in een lodge of hostel: Wat is werken op een...... lees verder op de pagina
              Werken in een hotel, hostel of resort in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in een hotel, hostel of resort in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland in een resort, hotel, hostel, guesthouse, bed and breakfast of andere accommodatie Betaald werk, stage, vrijwilligerswerk of werkervaringsplek als o.a: assistent-manager, host, barpersoneel, entertainer, kok, manager, receptiemedewerker of technisch medewerker INHOUD Vragen rond verkennen van werken in het buitenland in een hotel, hostel of guesthouse: Wat is werken in een resort of hotel in het buitenland?...... lees verder op de pagina
              Werken in de marketing en communicatie in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in de marketing en communicatie in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland op het gebied van communicatie, marketing en voorlichting Betaald werk, stage, vrijwilligerswerk of werkervaringsplek als marketeer, marketing medewerker, pr-medewerker, public affairs officer, productmanager of voorlichter INHOUD Vragen en antwoorden over verkennen van werken in het buitenland op het gebied van communicatie en marketing: Wat is communicatie en wat is marketing? Wat is werken in marketing in...... lees verder op de pagina
              Werken in de bouw, ict, techniek en transport in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in de bouw, ict, techniek en transport in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland in de bouw-, ict-, techniek- of transportsector Werk, stage of vrijwilligerswerk als bouwvakker, bouwmedewerker, chauffeur, chemicus, ICT'er, technicus, technisch medewerker of vervoersmedewerker INHOUD Vragen over verkennen van werken, stage lopen en vrijwilligerswerk in de bouw-, ict-, techniek in het buitenland: Wat is werken in de bouw of mijnbouw in het buitenland, waarom doen en waar kan...... lees verder op de pagina
              Werken in het buitenland bij een helpdesk of callcenter via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland bij een helpdesk of callcenter via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken en jezelf ontwikkelen bij helpdesks, service centers en callcenters in het buitenland Betaald werk, stage, vrijwilligerswerk of werkervaringsplek als alarmcentrale invalkracht, inbound servicemedewerker, outbound servicemedewerker, teamleider call center of teamleider helpdesk van Zuid-Afrika tot de Filipijnen en Frankrijk tot Ierland INHOUD Vragen en antwoorden over verkennen van werk bij een helpdesk of callcenter in het buitenland: Wat is werken...... lees verder op de pagina
              Werken in het buitenland als duikinstructeur of divemaster via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland als duikinstructeur of divemaster via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken en lesgeven in het buitenland bij een duikschool of duikcentrum Werken, stagelopen of vrijwilligerswerk doen als dive master, duiker, duikinstructeur of duikschoolmedewerker INHOUD Vragen en antwoorden over verkennen van werk bij een duikschool in het buitenland: Wat komt er kijken bij werken bij een duikschool of duikcentrum in het buitenland? Wat komt er bij kijken als divemaster of duikinstructeur...... lees verder op de pagina
              Werken in het buitenland bij een skischool als skileraar of snowboardinstructeur via betaald werk, stage en vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland bij een skischool als skileraar of snowboardinstructeur via betaald werk, stage en vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland als skileraar of snowboardinstructeur Inhoud Vragen en antwoorden over verkennen van werk als skileraar in het buitenland: Wat is werken als ski-instructeur in het buitenland, waarom doen, en wat zijn de beste landen voor een baan, stage of vrijwilligerswerk? Wat is werken als snowboardinstructeur in het buitenland, waarom doen, en wat zijn de beste landen voor...... lees verder op de pagina
              Werken in het buitenland in een bar, cafe, club, discotheek of restaurant via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland in een bar, cafe, club, discotheek of restaurant via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland in de horeca bij een bar, cafe, club, discotheek of restaurant Betaald werk, stage, vrijwilligerswerk of werkervaringsplek als assistent-bedrijfsleider, barpersoneel, bezorger, host, horecamanager, kok of ober INHOUD Vragen en antwoorden over verkennen van werk in de horeca in het buitenland: Hoe regel je een baan bij een hotel, hostel, guesthouse of restaurant in het buitenland? Werken...... lees verder op de pagina
              Werken in het buitenland met kinderen en jongeren via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland met kinderen en jongeren via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in de pedagogische sector, jeugdzorg of kinderopvang in binnen- en buitenland Betaald werk, stage, vrijwilligerswerk of werkervaringsplek als au pair, jeugdwerker, kinderverzorger, orthopedagoog, pedagoog, pedagogisch hulpverlener of pedagogisch medewerker INHOUD Vragen rond verkennen van werken het buitenland in de pedagogische sector, jeugdzorg of kinderopvang: Wet is werken in de kinderopvang in het buitenland, waarom zou je het doen, en...... lees verder op de pagina
              Werken in het buitenland op het gebied van bedrijfskunde, management en organisatie via betaald werk, stage en vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland op het gebied van bedrijfskunde, management en organisatie via betaald werk, stage en vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland bij het bedrijfsleven: van management tot organisatie-advies Betaald werk, stage, vrijwilligerswerk of werkervaringsplek als bedrijfskundige, bedrijfsmanager, consultant, coördinator, groepsleider, manager of bijvoorbeeld organisatie-adviseur INHOUD Vragen en antwoorden rond verkennen van werk in het buitenland in het bedrijfsleven: Werken in het bedrijfsleven in het buitenland, waarom doen en waar kan je heen? Werken in de consultancy in...... lees verder op de pagina
              Werken in het buitenland op het gebied van beleid en bestuur via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland op het gebied van beleid en bestuur via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland binnen het bestuur, de overheid en de regelgeving Betaald werk, stage of vrijwilligerswerk als ambtenaar, bestuurskundige, bestuursmedewerker, gemeentemedewerker, juridisch medewerker of politiek assistent INHOUD Vragen en antwoorden over verkennen van werken binnen het bestuur en de overheid in het buitenland: Wat is werken als beleidsmedewerker het bestuur in het buitenland, waarom doen, en wat zijn de...... lees verder op de pagina
              Werken op een camping, kampeerboerderij of vakantiepark in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken op een camping, kampeerboerderij of vakantiepark in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland op campings, kampeerboerderijen en vakantieparken Betaald werk, stage of vrijwilligerswerk als barmedewerker, entertainer, receptiemedewerker, technisch medewerker of tentopzetter INHOUD Vragen rond verkennen van werken in het buitenland op een camping: Wat is werken op een camping in het buitenland, waarom zou je het doen en wat zijn de beste landen voor een baan, stage of vrijwilligerswerk?...... lees verder op de pagina
              Werken op een boerderij in het buitenland en fruit plukken via betaald werk, stage en vrijwilligerswerk

              Werken op een boerderij in het buitenland en fruit plukken via betaald werk, stage en vrijwilligerswerk

              Werken op een boerderij in het buitenland of in de agrarische sector? Betaald werk, stage en vrijwilligerswerk als agrarisch medewerker, druivenplukker, fruitplukker of organisch boerderijmedewerker INHOUD Vragen en antwoorden over verkennen van werken op een boerderij en de agrarische sector in het buitenland? Wat is werken op een boerderij, waarom zou je het doen en waar kan je het beste...... lees verder op de pagina
              Werken op een cruiseschip of jacht in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken op een cruiseschip of jacht in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken op cruiseschip, jacht of zeilboot in het buitenland Betaald werk, stage, vrijwilligerswerk of werkervaringsplek als arts, bemanning, crew, entertainer, horecamedewerker, officier, stewards, stewardess, verpleger of winkelmedewerker INHOUD Vragen en antwoorden over verkennen van werk op een cruiseschip of jacht in het buitenland: Wat is werken op een zeiljacht of cruiseschip in het buitenland? Waarom zou je gaan werken op...... lees verder op de pagina
              Werken op een zomerkamp en activiteiten begeleiden in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken op een zomerkamp en activiteiten begeleiden in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland op een vakantiekamp, summer camp of zomerkamp Werken, stagelopen of vrijwilligerswerk doen als activiteitenbegeleider, stafmedewerker, summercampmedewerker of leiding van een vakantiekamp Inhoud: o.a. Wat zijn je werkzaamheden en taken tijdens het werk op een zomerkamp of vakantiekamp in het buitenland? Wat is het verwachte opleidingsniveau, en wat zijn de eisen aan bij werk op een zomerkamp...... lees verder op de pagina
              Werken op het gebied van milieu en duurzaamheid in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken op het gebied van milieu en duurzaamheid in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland op het gebied van duurzaamheid, klimaat en milieubeheer Betaald werk, stage, vrijwilligerswerk of werkervaringsplek als: duurzaamheidsmedewerker, milieumedewerker, milieucoördinator, natuurbeheerder, waste manager INHOUD Vragen en antwoorden over verkennen van werken in het buitenland op het gebied van duurzaamheid en milieubeheer Wat betekent duurzaamheid en waar gaat duurzaamheid over? Wat is natuur, en wat betekent 'de natuur'? Wat...... lees verder op de pagina
              Werken met een working holiday visum en werkvakanties in het buitenland

              Werken met een working holiday visum en werkvakanties in het buitenland

              Werken, reizen en backpacken in Amerika, Australië, Canada, Europa, Nieuw-Zeeland of ander land Inhoud Wat is een werkvakantie, Working Holiday in het buitenland Wat is een Working Holiday visum, wat is een Australisch Working Holiday visum? Hoelang duurt een werkvakantie, Hoe regel je een werkvakantie, Hoe kan je een werkvakantie vullen? Hoe kan je je oriënteren en voorbereiden op werken...... lees verder op de pagina
              Vrijwilligerswerk in het buitenland doen en vacatures voor vrijwilligerswerk

              Vrijwilligerswerk in het buitenland doen en vacatures voor vrijwilligerswerk

              Vrijwilligerswerk in het buitenland doen, projecten steunen en vacatures zoeken: vragen en antwoorden Inhoud Vragen en antwoorden over verkennen van vrijwilligerswerk in het buitenland: Wat is vrijwilligerswerk in het buitenland, waarom zou je het doen, en in welke landen kan je het beste helpen? Wat zijn de vragen die je jezelf moet stellen als je vrijwilligerswerk in het buitenland wilt...... lees verder op de pagina
              Stage in het buitenland en vacatures voor stagelopen in het buitenland
              Engelse les geven in het buitenland en TEFL cursus volgen voor betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              Engelse les geven in het buitenland en TEFL cursus volgen voor betaald werk, stage of vrijwilligerswerk

              africa tefl les geven in dorpen in het buitenland
              TEFL cursus volgen om Engelse les te geven als Nederlander in het buitenland TEFL Training doen - TESOL cursus volgen- CELTA Certicaat halen - TESL Diploma halen Vacatures en projecten zoeken voor betaald of onbetaald werk INHOUD Vragen en antwoorden over verkennen van Engelse les geven in het buitenland: Wat is Engelse les geven als Nederlander in het buitenland, waarom...... lees verder op de pagina
              Werken in de zorg en medisch werk in het buitenland via betaald werk, stage en vrijwilligerswerk

              Werken in de zorg en medisch werk in het buitenland via betaald werk, stage en vrijwilligerswerk

              Werken in het buitenland in de gezondheidszorg bij ziekenhuizen en zorginstellingen Werk, stage of vrijwilligerswerk als arts, co-assistent, chirurg, fysiotherapeut, huisarts, kinderarts, neuroloog, psychiater, stagiair, tropenarts, verpleegkundige of zorgverlener in het buitenland INHOUD Vragen en antwoorden over verkennen van werk in de gezondheidszorg in het buitenland: Medische stage en stage in de gezondheidszorg in het buitenland: wat is het, waarom...... lees verder op de pagina
              Werken in het buitenland

              Werken in het buitenland

              Werken in het buitenland en jezelf ontwikkelen in een internationale omgeving: vragen en antwoorden INHOUD Vragen rond verkennen van werken in het buitenland: Wat zijn de 7 vragen die je kunt stellen als je wilt gaan werken in het buitenland? Hoe ziet de voorbereiding van werken en werk zoeken in het buitenland er in het kort uit? Hoe ga je...... lees verder op de pagina

              Verzekeringswijzer: hoe vind je een goede internationaal dekkende verzekering die past bij jouw activiteiten, werk of leven in het buitenland?

              JoHo adviseert iedereen die naar het buitenland vertrekt om te zorgen:
              • dat je een verzekering neemt die voor de passende periode, en vóór je vertrek is afgesloten
              • dat je een verzekering neemt die geldig is voor je leeftijd, je nationaliteit en je woonplaats
              • dat je een verzekering neemt die geldig is in het gebied waar je gaat reizen of wonen
              • dat je voldoende verzekerd bent voor de sporten en activiteiten die je gaat uitoefenen
              • dat je verzekerd bent voor SOS-hulpverlening en voor vervroegde terugkeer voor als er iets met je gebeurt, of met je directe familie
              • dat je medische kosten tot de kostprijs (wat het daadwerkelijk kost) verzekert, en niet alleen voor de standaard kosten. In de meeste landen zijn de zorgkosten hoger dan in Nederland.
              • dat je bagage verzekert, of voldoende voorzorgmaatregelen neemt tegen diefstal of beschadiging
              • dat je goed verzekerd bent tegen particuliere aansprakelijkheid
              • dat je goed verzekerd bent voor ongevallen
              • dat je je alleen voor rechtsbijstand verzekert als daar direct aanleiding voor is, tenzij de dekking al automatisch in je verzekering is meegenomen
              • dat je voor arbeidsongeschiktheid verzekerd bent als je voor echt langere tijd gaat werken in het buitenland

              Wat kan je verzekeren als je tijdelijk naar het buitenland vertrekt?

              Wat kan je verzekeren als je voor langere tijd naar het buitenland vertrekt?

               

              Wegwijzer voor gerelateerde activiteiten, competenties en thema's

              Meer over competenties en vaardigheden rond het thema Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland?

              Meer over organisaties en vacatures voor: Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland?

              Meer over stages en vacatures voor: Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland?

              Meer over vrijwilligerswerk en vacatures voor: Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland?

              Meer over werken rond het thema: Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland?

              Meer over samenvattingen en studiehulp voor: Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland

              Meer over studie in het buitenland rond het thema: Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland

              JoHo Worldsupporter doelstellingen gerelateerd aan: Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland?

              • Zie de doelstellingen van JoHo WorldSupporter voor: het versterken van begrip voor andere culturen en personen, het stimuleren van tolerantie in de wereld om je heen, het wereldwijd delen van kennis en knowhow, en het stimuleren van persoonlijke ontwikkeling in binnen- en buitenland
              Pagina onderwerp

              Studiekeuze en opleiding kiezen in binnen- of buitenland

              Account - Bereikbaarheid - Contact - Dienstenwijzer - Gegevens - Vacatures - Zoeken