Recht & Bestuur: opleiding tot studeren in het buitenland

 

Recht, bestuur en juridische zaken in binnen- en buitenland: van studie, stage tot onderzoek doen

 

Arbeidsrecht - Arresten - Belastingrecht - Criminologie - Handelsrecht - Internationaal recht

Notarieel recht - Rechtsfilosofie - Rechtspersonenrecht - Staats- en bestuursrecht

Strafrecht - Vaardigheden - Vermogensrecht

JoHo: crossroads uit bundel

  Themapagina

Inhoud

 

Rechten studeren en juridische opleiding volgen

  • Wat is recht, wat zijn normen, wat zijn waarde, wat zijn de belangrijkste juridische definities en omschrijvingen?
  • Wat is rechten studeren of een juridische opleiding volgen: waarom, waar en wat daarna?
  • Wat is bestuurskunde studeren?

Studiehulp en samenvattingen

  • Samenvattingen en studiehulp voor bestuurskunde
  • Samenvattingen en studiehulp voor recht en juridische opleidingen
  • Studierichtingen en kennisthema's: o.a. arbeidsrecht, belastingrecht, criminologie, handelsrecht, internationaal recht, notarieel recht, rechtsfilosofie, rechtspersonenrecht, staats- en bestuursrecht, strafrecht en vermogensrecht

Competenties en vaardigheden

  • Juridische vaardigheden: van arresten bestuderen tot argumenteren

Buitenland

  • Studeren in het buitenland
  • Stage in het buitenland
Recht en bestuur: basisbegrippen en vragen

Recht en bestuur: basisbegrippen en vragen

Wat is recht en welke onderverdelingen in het recht worden er gemaakt?

Wat is recht en welke onderverdelingen in het recht worden er gemaakt?


Wat is recht?

Een samenleving is een ingewikkeld geheel van betrekkingen tussen mensen. Het recht ontstaat in de samenleving. Zo wordt gedrag op elkaar afgestemd, kan er op gebeurtenissen worden geanticipeerd en heerst er orde. Je komt het tegen in het dagelijks leven; als je bijvoorbeeld studieboeken koopt in de boekhandel is er al sprake van een juridische betrekking. In de maatschappij zijn er ontelbaar veel van deze onderlinge interacties tussen mensen, daarom moeten er regels zijn.

Recht is een gehele eenheid van regels die wettelijk zijn vastgesteld. Het recht zorgt ervoor dat de betrekkingen tussen mensen zo soepel en eerlijk mogelijk verlopen. Als je bijvoorbeeld een bijbaantje hebt, bepaalt het arbeidsrecht de rechten en plichten van jou als werknemer en de rechten en plichten van jouw werkgever. Ook zorgt het recht voor de beste oplossing als er onderlinge problemen zijn. Het recht stelt bijvoorbeeld regels vast over geluidsoverlast van de buren. Het doel van recht is het realiseren van een toestand van rust en rechtvaardigheid in onderlinge betrekkingen van mensen.

Rechtsnormen ten opzichte van andere normen

Behalve recht zijn er ook andere waarden en normen, denk bijvoorbeeld aan de godsdienstige normen. De vraag is of de definitie van recht ook geldt voor deze normen. Gedeeltelijk is dit wel het geval, maar toch zijn er verschillen:

  1. In de eerste plaats zijn rechtsnormen bedoeld om de ongewenste gevolgen van bijvoorbeeld diefstal te voorkomen. Rechtsnormen richten zich dus op het externe gedrag van mensen. Oftewel, de rechtsregel richt zich niet primair tot het innerlijk van de mens, niet tot de gezindheid, maar houdt zich bezig met het uiterlijke gedrag. Ook bij godsdienst geldt de norm dat je niet mag stelen. Het druist in tegen de moraal dat je iets van iemand anders steelt. Bij de godsdienst gaat het er echter wel om wat iemand van plan is, terwijl het bij het recht juist om de daad gaat. Anders gezegd: het recht is bedoeld om diefstal te voorkomen zonder dat de moraal van belang is. Het recht bemoeit zich dus niet met gedachten van mensen, maar het wordt pas gebruikt als mensen hun (slechte) gedachten daadwerkelijk uitvoeren.

  2. In de tweede plaats is er een verschil wat betreft een eventuele sanctie. Bij het overtreden van een rechtsnorm is er meestal een wettelijke sanctie. Iedereen kent wel het bordje met ‘verboden toegang voor onbevoegden’. In artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht staat dat je bij overtreding van deze regel een boete krijgt. Je wordt als het ware gedwongen om deze regels na te leven. Het is de taak van de overheid, dus de staat, om deze regels te handhaven. Bij ethische normen zijn er geen officiële sancties. Wel bestaat er bijvoorbeeld uitsluiting door de gemeenschap. Deze sanctie raakt echter niet het wezen van een overtreding, terwijl dat bij het recht wel zo is. Verder is er bij het overtreden van een morele norm geen dwang, hooguit is er sprake van gewetensdwang of dwang die het gevolg is van sociale uitsluiting.

Geen echte definitie van het begrip recht

In de vorige paragrafen is het verschil tussen recht en moraal omschreven. Er is echter geen echte definitie van het begrip recht gegeven. Dat komt omdat een definitie van het begrip recht moeilijk te geven is. Er zijn een aantal voorbeelden te noemen waarbij geprobeerd is om een definitie van het begrip recht te geven.

Het eerste voorbeeld is de definitie van de Engelse filosoof en rechtsgeleerde John Austin (1790-1859). Hij omschreef het recht als bevelen die worden ondersteund door bedreigingen. Dit begrip is echter niet geheel omvattend. Volgens de rechtsfilosoof Hart zou de definitie van Austin er toe leiden dat er geen verschil wordt gemaakt tussen een rechter die bijvoorbeeld een verplichte taakstraf oplegt en een overvaller die de bankemployee onder bedreiging van een pistool dwingt om de kluis te openen. Hart zegt dat het recht volgens een bepaald patroon ontstaat en dat het gebonden is aan regels. Het recht is dus geen verzameling van bevelen van de wetgever.

De Amerikaanse rechter en rechtsfilosoof Oliver Wendell Holmes (1841-1935) geeft een andere definitie van het begrip recht. Hij geeft de rechter een centrale rol. De rechter interpreteert volgens hem immers de rechtsregels. De rechter geeft bijvoorbeeld aan wat wordt verstaan onder ‘inbreuk op het recht’ zoals bedoeld in artikel 6:162 BW. Recht is volgens Holmes het gedrag of het te verwachten gedrag van rechters. Ook deze definitie is echter niet toereikend, omdat hier het accent weer te veel op de rechter ligt. Volgens de definitie van Holmes zou de wet dus niet onder het begrip recht vallen.

Een derde definitie van het begrip ‘recht’ is een algemene definitie die in tal van inleidende juridische boeken wordt gegeven. In deze definitie wordt het recht omschreven als een geheel aan regels dat orde geeft aan de maatschappij. Ook deze definitie is ontoereikend, omdat hier het rechterlijke aspect achterwege wordt gelaten. Verder komt in deze definitie het uitvoeren van rechterlijke vonnissen door overheidsdienaren niet aan de orde.

Immanuel Kant schreef in 1787 dat het zoeken naar een echt rechtsbegrip zinloos is. In onze tijd zijn velen het nog steeds met hem eens. Het is dus erg moeilijk om een echte definitie van het rechtsbegrip te geven. In de volgende paragrafen zullen daarom traditionele onderscheidingen in de rechtswetenschap worden genoemd.

Welke onderscheidingen in het recht worden er gemaakt?

Objectief en subjectief recht

Wat is nu precies het onderscheid tussen objectief en subjectief recht? Het objectieve recht wordt ook wel omschreven als het recht als een geheel van regels of normen dat de samenleving ordent. Het subjectieve recht omschrijft een bepaalde (persoonlijke) bevoegdheid.

Het objectieve recht en het subjectieve recht kunnen niet los van elkaar gezien worden. Het subjectieve recht is gebaseerd op het objectieve recht. Von Jhering benadrukt in 1873 al dat recht in objectieve zin zich alleen kan realiseren, wanneer mensen in de strijd voor hun subjectieve rechten hiertoe aanleiding geven. Hiermee rust dus een grote verantwoording op de schouders van het individu: in het opkomen voor zijn rechten levert hij een bijdrage aan de ontwikkeling van het objectieve recht als zodanig. Degene die niet opkomt voor zijn rechten wordt door Von Jhering vergeleken met een deserteur in het leger. Wanneer men niet voor zijn recht opkomt, is ook het recht verloren.

Het verband tussen objectief en subjectief recht

Veel auteurs zijn van mening dat het subjectieve recht niet altijd gebaseerd is op het objectieve recht. Sommige auteurs zijn dan weer van mening dat een subjectief recht dat niet gebaseerd is op objectief recht geen subjectief recht in eigenlijke zin mag worden genoemd. Andere auteurs stellen weer dat het subjectieve recht niet zo eng mag worden geïnterpreteerd. Zij vinden dat mensen ook rechten kunnen ontlenen aan de menselijke natuur. Deze opvatting wordt ook wel het rationalistisch natuurrecht genoemd. Een aanhanger van deze leer was de Nederlandse Hugo de Groot. Hij ging uit van het principe dat de mens, in onderscheiding van andere wezens, een aandrift heeft tot vreedzame samenleving met andere mensen. Hij leidde uit deze leer vier beginselen af:

  1. Het principe van mijn en dijn (eigendomsrecht);

  2. Het principe dat we afspraken moeten nakomen;

  3. Het principe dat schade die door schuld veroorzaakt is moet worden vergoed;

  4. Het principe dat inbreuken op het natuurrecht een ander recht moet worden gestraft.

Het rationalistisch natuurrecht heeft een uitwerking gekregen in de 18e eeuw. Men ziet de mens dan als een autonoom wezen dat rechten heeft voor hij zich aansluit bij andere mensen in een staatsverband.

Positief recht en natuurrecht

De middeleeuwse theoloog en filosoof Thomas van Aquino was van mening dat het recht kon worden onderscheiden in natuurrecht en positief recht. Het positief recht is het recht dat door de bevoegde autoriteiten (wetgever) op de juiste manier tot stand is gebracht. Het is een recht dat geldt krachtens uitvaardiging; het is door de staat als geldend geproclameerd. Het natuurrecht is recht dat niet door mensen, met name de wetgever, tot stand is gebracht, maar recht dat van nature geldt. Het is daarmee onafhankelijk van menselijk wilsbeslissingen.

Publiek- en privaatrecht

Het onderscheid tussen publiekrecht en privaatrecht werd al gemaakt in de Oudheid bij de Romeinse staat. Het publiekrecht kan omschreven worden als het recht dat betrekking heeft op de staat. Een kenmerk van het publiekrecht is dat het algemeen belang voorop staat. Verder kenmerkend is dat overheid en burger niet als gelijken tegenover elkaar staan, terwijl dit in het privaatrecht wel het geval is. Het privaatrecht kan omschreven worden als het recht dat van toepassing is op individuen. In het privaatrecht staan de particuliere belangen van individuen voorop. Desalniettemin kan men stellen dat in de praktijk ook mengvormen van het publiekrecht en privaatrecht voorkomen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het arbeidsrecht en het familierecht. Als ander onderscheid wordt genoemd dat bij het publiekrecht het initiatief tot de handhaving uitgaat van de overheid, terwijl dat bij het privaatrecht geschiedt door de burgers.

Recht als dwangordening en als spontane ordening

In de wijze waarop men het begrip recht benadert, blijkt vaak een zekere oriëntatie op hetzij het publiekrecht, hetzij het privaatrecht. Als het privaatrecht de boventoon voert, wordt het recht vaak gezien als een spontane orde. In het privaatrecht is er immers interactie tussen individuen. Het is dan onvermijdelijk dat de wetgever bepaalde opvattingen uit de samenleving uiteindelijk moet codificeren.

Als het publiekrecht de boventoon voert, wordt het recht vaak gezien als een dwangordening. Het publiekrecht wordt immers door de overheid uitgevaardigd en kan door middel van de sterke arm worden gehandhaafd.

Dwingend en aanvullend recht

Dwingend recht is recht waar men niet van mag afwijken . In het personen- en familierecht is veel dwingend recht te vinden. Aanvullend recht of regelend recht is van toepassing als partijen zelf niets hebben afgesproken. In het burgerlijk recht is veel aanvullend recht te vinden. Door het maken van regels van regelend recht komt de wetgever partijen te hulp.

Formeel en materieel recht

Het materieel recht heeft betrekking op hoe de overheid reageert op een bepaalde overtreding of verbod. Het formeel recht heeft betrekking op het regelen van de procedure. Dit wordt ook wel het procesrecht genoemd. Dit onderscheid is goed te gezien bij art. 310 Sr (diefstal) waarbij de overtreding en de sanctie daarop staat beschreven, terwijl bij art. 16 Sv (schorsing der vervolging) het gaat om een beschrijving van het proces wanneer de verdachte krankzinnig is verklaard. Bij art. 310 Sr gaat het om materieel recht en art. 16 Sv om formeel recht.

Bij het formeel recht hoort ook een rechterlijke organisatie, dat bepaalt art. 2 RO (wet op rechterlijke organisatie). De rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge raad behoren tot deze rechterlijke organisatie.

Welke rechtsgebieden zijn er?

Binnen het recht is een onderscheid te maken tussen publiekrecht en privaatrecht. Kort gezegd is publiekrecht het recht dat geldt tussen burgers en overheid terwijl het privaatrecht de verhoudingen tussen burgers onderling regelt.

Privaatrecht

Het privaatrecht is onder te verdelen in de volgende rechtsgebieden: het familie- (relatie tussen voogd en pupil, ondercuratele stelling etc.) en huwelijksrecht (huwelijk en alles wat daarmee samenhangt), het vermogensrecht en het verbintenissenrecht. Men typeert het familierecht wel als de 'niet op geld waardeerbare' rechten en verplichtingen van mensen.

Centraal in het privaatrecht staan de afspraken die mensen met elkaar maken. Een belangrijke bron van verbintenissen zijn overeenkomsten. Uit overeenkomsten vloeien wederzijdse verplichtingen en rechten voort. De mensen die een overeenkomst sluiten worden contractanten of partijen genoemd. De wederzijdse verplichtingen en rechten duidt men aan met de term verbintenissen. Verbintenissen kunnen ontstaan uit de wet.

De partij die tot iets verplicht is wordt schuldenaar of debiteur genoemd. De partij die recht heeft op iets wordt schuldeiser of crediteur genoemd. Omdat voor de meeste overeenkomsten geldt dat beide partijen tot iets verplicht of gerechtigd zijn. is elk van de partijen schuldeiser en schuldenaar.

Voorbeelden van overeenkomsten zijn koop en verkoop, bruikleen, arbeidscontracten, huur en verhuur etc.

Strafrecht

Een belangrijk onderdeel van het publiekrecht is het strafrecht. Strafrecht is in het geding als andere middelen hebben gefaald. Het werkt aanvullend. Binnen het strafrecht wordt er een groot belang toegekend aan normen. Het strafrecht heeft strengere middelen tot handhaving van deze normen dan het burgerlijk recht: de straf. Men noemt het strafrecht ook wel een sanctierecht.

Binnen de strafrechtelijke normen kan men onderscheid maken tussen misdrijven en overtredingen. Voor misdrijven geldt dat het over het algemeen gaat om zedelijk sterk afkeurenswaardige zaken. Daarnaast kan er onderscheid worden gemaakt tussen strafbare feiten waarbij de dader het verbodene heeft gewild (doleuze delicten) en waarbij de dader de strafbare feiten uit onvoorzichtigheid heeft teweeggebracht (culpoze delicten). In het eerste geval is er sprake van opzet, in het tweede van schuld.

Staatsrecht

Een tweede belangrijk onderdeel van het publiekrecht is het staatsrecht. Het staatsrecht geeft regels omtrent de ordening van de overheid en de invloed van burgers daarop. Tevens geeft het staatsrecht de regels omtrent burgerlijke rechten en vrijheden zoals deze zijn neergelegd in het belangrijkste staatsrechtelijke document; de Grondwet. Grote delen van het staatsrecht zijn te vinden in de Grondwet en de organieke wetten. Kort gezegd regelt het staatsrecht de organisatie, de inrichting van de Staat.

De Nederlandse staatsvorm wordt aangeduid als een constitutionele monarchie met een parlementair stelsel. De koning is dus gebonden aan een grondwet en er is sprake van democratische besluitvorming. Burgers kunnen de politieke besluitvorming indirect beïnvloeden.

Wanneer het gaat om de relatie tussen de overheden, kan Nederland worden beschreven als een gedecentraliseerde eenheidsstaat. De overheid staat taken af aan de lagere overheden (decentralisatie). Decentralisatie kan op twee manieren: territoriaal en functioneel. De wijze waarop aan de lagere overheidsinstellingen bevoegdheden worden toegekend kan verschillen. Er kan sprake zijn van medebewind, maar ook van autonomie.

Bestuursrecht

Het derde onderdeel van het publiekrecht is het administratief recht, oftewel het bestuursrecht. Dit is het geheel van rechtsregels betreffende de overheidsbemoeienis met het maatschappelijk leven. In het administratief recht vinden we regels op het gebied van de ruimtelijke ordening, onderwijs en sociale verzekeringen. Het administratieve recht is verdeeld in vele verschillende wetten. Een gedeelte echter is te vinden in de Algemene Wet Bestuursrecht. Belangrijk zijn ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waar elk overheidsorgaan zich aan dient te houden in het contact met de burger.

Wat zijn de verschillende soorten rechtsbronnen?

Het leerstuk van de rechtsbronnen beantwoordt de vraag waarmee rechtsregels kunnen worden onderscheiden van andere normatieve regels, zoals morele regels. Anders gezegd: waar halen wij het recht vandaan? Het recht komt uit rechtsbronnen, dat zijn bronnen die rechtsregels bevatten die als geldend recht worden beschouwd. Rechtsregels komen uit de rechtsbronnen in juridische zin en behoren tot het positieve recht.

Positief recht

Positief recht betekent recht dat geldt. Op deze manier wordt het positieve recht (ius positivum) onderscheiden van het recht zoals we willen dat het zou zijn (ius constitutum). Het positieve recht is dus een eenheid van regels dat op een bepaalde tijd en op een bepaalde plaats geldt.

Het natuurrecht is hier het tegenovergestelde van. Het is te beschouwen als ius constitutum. Beginselen van het natuurrecht zijn niet, zoals het positieve recht, door de mens gemaakt, maar ze gelden van nature. In deze paragraaf worden echter alleen het positieve recht en de rechtsbronnen behandeld.

In Nederland worden het verdrag, de wet, de rechtspraak en de gewoonte als rechtsbronnen erkend. Sommige juristen willen echter ook de overeenkomst en de rechtsleer als rechtsbron aannemen. In Zuid-Afrika worden zelfs de boeken van Hugo de Groot als rechtsbronnen erkend.

Het verdrag, de wet, de rechtspraak en de gewoonte worden als formele rechtsbronnen gezien. Alle regels die uit deze rechtsbronnen afkomstig zijn, zijn rechtsregels. Het maakt niet uit wat hun inhoud of rechtvaardigheidsgehalte is.

De wet als rechtsbron

Het woord ‘wet’ heeft verschillende betekenissen (semantisch meerduidig). Men kan onderscheid maken tussen wetten in formele zin en wetten in materiële zin. Een wet in formele zin is ontstaan door een gezamenlijk besluit van de regering en de Staten-Generaal. Dit besluit is via een bepaalde procedure tot stand gekomen.

Een wet in materiële zin is een regeling die naar buiten werkt en die de burgers algemeen bindt. Deze regeling gaat uit van een overheidsorgaan. Dit overheidsorgaan ontleent zijn bevoegdheid hiervoor direct aan een wet in formele zin.

De wetten zijn in drie categorieën in te delen:

  • In de eerste plaats zijn er wetten die alleen formeel zijn en dus niet materieel. Bijvoorbeeld artikel 105 lid 1 van de Grondwet; de goedkeuring van de rijksbegroting.

  • In de tweede plaats zijn er wetten die zowel formeel als materieel zijn. Bijvoorbeeld de Wet Werk en Bijstand.

  • In de derde plaats zijn er wetten die alleen materieel en niet formeel zijn. Bijvoorbeeld provinciale verordeningen.

Rangorde in de wetgeving

Om eventuele strijdigheid van wetgeving te voorkomen, zijn er drie regels om de rangorde van wetgeving te bepalen:

  • Een hogere wet gaat boven een lagere wet;

  • Een latere wet gaat boven een eerdere wet;

  • Een bijzondere wet gaat boven een algemene wet.

De rechter kan een lagere wet aan een hogere wet toetsen. Als die lagere wet in strijd is met de hogere wet, kan de rechter die lagere wet onverbindend verklaren. Let op: er is één uitzondering: een wet in formele zin mag niet getoetst worden aan de Grondwet. Deze regel is terug te vinden in artikel 120 van de Grondwet. De reden hiervoor is, dat de rechter dan de rol van de wetgever op zich neemt. Dit is volgens de leer van de Trias Politica van Montesquieu ongewenst. Het is de wetgever zelf die moet bepalen of een wet in formele zin al dan niet in strijd is met de Grondwet. In andere landen mogen rechters overigens wél aan de Grondwet van hun land toetsen. Voorbeelden hiervan zijn Duitsland en de Verenigde Staten.

Het wettenrecht en haar voordelen

Het voordeel van wettenrecht is dat het duidelijkheid en zekerheid biedt. De rechtsregels staan immers zwart op wit in het wetboek. De politiek filosoof F.A. Hayek schreef dat rechtszekerheid, behalve rechtvaardigheid en doelmatigheid, een van de belangrijkste eigenschappen van het recht moet zijn. Het recht zorgt ervoor dat burgers weten wat zij van de overheid kunnen verwachten. Hierdoor wordt het gedrag van de overheid voorspelbaar. Dit wordt ook wel ‘Orientierungsgewissheit’ genoemd.

Enige nuances

Het probleem is echter dat wettelijke bepalingen nog geïnterpreteerd moeten worden door de rechter. Een bekend voorbeeld van de interpretatie van het begrip ‘wegnemen’ bij diefstal (artikel 310 Wetboek van Strafrecht) is het Electriciteitsarrest; HR 23-05-1921, NJ 1921, 564. Het hangt er vaak vanaf hoe de rechter iets interpreteert en wat de rechter uiteindelijk beslist. Daarom zijn Oliver Wendell Holmes (1841-1935) en de Amerikaanse rechter Jerome Frank (1889-1957) van mening dat het recht dat in de wet staat eigenlijk een surrogaat recht is. De beslissingen van de rechter zijn volgens hen pas echt recht.

Het vastleggen van het recht in wetboeken, oftewel codificatie

Het recht is continu aan verandering onderhevig. Uiteindelijk brengt de oude situatie te weinig rechtszekerheid met zich mee, omdat er rondom een wet een heel scala aan verschillende interpretaties is ontstaan. Daarom is het uiteindelijk verstandig alles weer bij elkaar in een wetboek vast te leggen, anders gezegd: codificeren. Dit zorgt echter maar tijdelijk voor rechtszekerheid. Vandaar dat dit proces steeds wordt herhaald. Codificatie gaat meestal samen met het streven de wet als enige vorm van recht te proclameren.

In het oude Romeinse recht heeft Keizer Justinianus het Corpus Juris Civilis tot stand gebracht. In Nederland is het privaatrecht in 1838 gecodificeerd. In 1992 is het Burgerlijk Wetboek ingrijpend gewijzigd. Het laatste voorbeeld van een vrij grootschalige hercodificatie is de herziening van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering per 1 januari 2002.

De Trias Politica

Montesquieu (1689-1755) is de bedenker van de theorie van de Trias Politica, oftewel de scheiding der machten. In zijn boek ‘De l’esprit des lois’ staat zijn visie over de Trias Politica. In een staat zouden er drie gescheiden machten moeten zijn, namelijk de wetgevende macht, de uitvoerende macht en ten slotte de rechtsprekende macht. Deze machten zouden elkaar moet controleren en onderling zouden ze elkaar in evenwicht moeten houden.

In Nederland is de machtenscheiding overigens niet strikt toegepast. Bij het merendeel van de wetten die in Nederland tot stand komen, ligt het initiatief bij de regering (de uitvoerende macht).

Positivisme (legisme) als uitvloeisel van de Trias Politica

De trias-leer stond aan de basis van het legisme. Volgens het legisme zou de rechter zich streng moeten houden aan het toepassen van het recht zoals dat door de wetgever is opgesteld. De rechter zou de wet dus letterlijk moeten toepassen. Alleen het recht zoals dat in de wet staat is te beschouwen als echt recht. Het gaat dus om een theorie over rechtsbronnen en rechtspraak.

Bekende Nederlandse legisten zijn Jonas Daniël Meijer (1780-1834), Gerardus Diephuis (1817-1899), Cornelis Willem Opzoomer (1821-1892) en Nicolaas Karel Frederik Land (1840-1903). Alleen Diephuis beschouwde tevens de parlementaire geschiedenis als recht.

Ook de Duitse filosoof Immanuel Kant was een echte voorstander van het legisme. Volgens hem zou zelfs het volkenrecht strikt geregeld moeten worden in de wet. Zijn ideaalbeeld was een rechtstaat waarin alles geregeld werd door het wettenrecht.

Voorbeelden uit de jurisprudentie van het legisme

De legistische gezindheid vond ook haar weerslag in de rechtspraak. Het eerste voorbeeld is het arrest van de Zutphense Waterleiding (HR 10 juni 1910, W 9038) Hier ging het om de vraag of het niet dichtdraaien van een hoofdkraan een onrechtmatige daad is. In die tijd erkende de Hoge Raad alleen de wet als rechtsbron. Omdat het gedrag van juffrouw De Vries volgens de Hoge Raad niet onwetmatig was, was het ook niet onrechtmatig.

Een ander voorbeeld is het arrest Wegkrabben is geen doorhalen (HR 11 april 1862, W 2372). In die tijd was het voor ambtenaren van de burgerlijke stand verboden om doorhalingen in aktes te maken. Een Groningse ambtenaar krabde zijn fouten weg met een radeermes. De Hoge Raad was van mening dat deze ambtenaar niet in strijd met zijn ambtsplicht heeft gehandeld, omdat wegkrabben niet is te beschouwen als doorhalen.

Het legisme is niet alleen een theorie over rechtsbronnen, maar ook over rechtsvinding. Legisten zien de wet als enige bron van recht en zij zijn van mening dat die wet ook letterlijk geïnterpreteerd moet worden. Het recht kan op geen andere manier ‘gevonden’ worden.

Commentaar op het legisme

Er is veel kritiek geweest op het legisme. Paul Scholten (1875-1946) is één van de juristen die kritiek had op het legisme. De wet laat geregeld vragen onbeantwoord. Volgens Scholten is de wet niet altijd even duidelijk, ook zijn er leemtes in de wet en verder hechtte hij veel waarde aan de zogenoemde rechtsbeginselen. Dit zijn algemene principes die aan het recht ten grondslag zouden moeten liggen. Een voorbeeld is geen straf zonder schuld.

Er zijn een aantal verschillen tussen rechtsbeginselen en rechtsregels. In de eerste plaats zijn rechtsbeginselen algemeen. In de tweede plaats hebben rechtsbeginselen een ethische dimensie. In de derde plaats zijn beginselen binnen een bepaalde rechtscultuur gegroeid. Zij zijn dus niet gemaakt door een wetgever. Rechtsbeginselen bestaan zowel in het geschreven recht als in het ongeschreven recht. Als er geen wettelijke regel is, heeft de rechter veel aan de rechtsbeginselen. Soms kan de rechter zelfs een wettelijke regel onverbindend verklaren als die regel in strijd is met een rechtsbeginsel.

Het gewoonterecht als rechtsbron

De gewoonte is een oudere rechtsbron dan de wet. Door onderlinge interactie tussen de mensen ontstaan al van oudsher gewoontes. Uit al deze gewoontes die in een samenleving ontstaan, ontstaat uiteindelijk ook recht. Niet uit alle gewoontes ontstaat recht, om een recht te worden moet aan twee eisen worden voldaan:

  • Herhaling van gedragingen (usus);

  • De overtuiging dat men zich zo hoort te gedragen vanwege de rechtsplicht (opinio necessitatis).

Herhaling van feiten is wel noodzakelijk, maar leidt niet altijd naar gewoontevorming of acceptatie. Neem als voorbeeld drugssmokkel aan de grens. Ondanks dat het al jaren plaatsvindt, zal het niet worden beschouwd als een gewoonterecht. Er moet dus, zoals de Franse jurist François Gény (1861-1959) zei, een ‘sentiment juridique’ zijn.

Het onderscheid tussen gewoonterecht en wettenrecht

Er zijn een aantal verschillen tussen gewoonterecht en wettenrecht. Ten eerste wordt een wet bewust gemaakt, terwijl een gewoonte in de loop der tijd ontstaat. Om deze reden valt het bestaan van een wet gemakkelijker vast te stellen dan het bestaan van een gewoonte.

Ten tweede ontstaat een wet van bovenaf. De overheid maakt een bepaalde wet, waar de burgers zich aan moeten houden. De gewoonte daarentegen ontstaat door het onderlinge handelen van de burgers. Bepaalde gewoonten keren regelmatig terug en uiteindelijk verwachten de mensen dat burgers zich in een bepaalde situatie op een bepaalde manier zullen gedragen. Dit wordt ook wel de theorie van de fair expectations genoemd.

Ten derde is de wet geschreven recht, dat wil zeggen recht dat door een officiële instantie in het leven is geroepen. De gewoonte daarentegen is ongeschreven recht. Als men uit het gewoonterecht een rechtsnorm wil afleiden, moet dus gekeken worden naar de feiten die zich afspelen.

Ten vierde is er het verschil wat de Nederlandse staatsrechtsgeleerde P.W. Kamphuisen onder woorden heeft gebracht. Voor gewoonte (net zoals voor rechtersrecht) is herhaling noodzakelijk, wil het ook daadwerkelijk recht worden.

De rechtspraak als rechtsbron

Ook tussen de rechtspraak en de wet als rechtsbron zijn er een aantal verschillen te noemen. In de eerste plaats hebben de wettelijke voorschriften een algemene gelding, terwijl het bij een uitspraak van de rechter in principe slechts om een concreet geval gaat .

In de tweede plaats regelen wetten bepaalde situaties bij voorbaat, terwijl een rechterlijke uitspraak er pas komt als zich een bepaalde situatie heeft voorgedaan.

Ten slotte geldt een vonnis alleen voor de procespartijen. Het is geen objectief recht, omdat het niet voor de hele samenleving geldt. De rechter mag niet eens regels opstellen die voor iedereen gelden. Dit staat verwoord in artikel 12 van de Wet Algemene Bepalingen. Dit betekent dat rechters beslissingen gieten in de vorm waaruit blijkt dat het oordeel alleen betrekking heeft op het concrete geval dat ter beoordeling ligt.

De rechtspraak toch te beschouwen als rechtsbron

Er zijn twee facetten aan een rechterlijke uitspraak. In de eerste plaats geldt de beslissing voor de concrete omstandigheden van het geval, die het resultaat is van de redenering van de rechter. In de tweede plaats wordt er aan rechterlijke beslissingen toch een bepaalde betekenis gegeven in de algemene rechtspraak. Soms kijken rechters naar uitspraken die eerder in een vergelijkbare situatie zijn gedaan. Soms wordt een bepaalde regel die in de rechtspraak is ontstaan iedere keer weer gevolgd. Dat noemen we dan vaste jurisprudentie. Deze jurisprudentie is dan te beschouwen als rechtsbron, omdat deze jurisprudentie nu wel een algemene gelding heeft. Het is een rechtsgewoonte waar praktijkjuristen zich aan moeten houden in het belang van de rechtszekerheid en het gelijkheidsbeginsel.

Het publiceren van rechtelijke beslissingen

Veel rechterlijke uitspraken die een bron van recht vormen worden gebundeld in de Nederlandse Jurisprudentie, omdat iedereen er kennis van moet kunnen nemen. Bij deze uitspraken is vaak een noot geschreven door een annotator. Let op: een noot bij een rechterlijke uitspraak is géén rechtsbron. Het is literatuur, en literatuur van rechtsgeleerden is in het Nederlands recht geen rechtsbron. De voorganger van de Nederlandse Jurisprudentie was het Weekblad van het Recht.

De Hoge Raad is een cassatierechter, omdat hij uitspraken van lagere rechters herziet en eventueel vernietigt. De reden hiervoor is schending van het recht. De Hoge Raad is geen feitelijke rechter, hij behandelt dus alleen rechtsvragen. De beslissingen van de Hoge Raad worden gepubliceerd in de Nederlandse Jurisprudentie.

Het belang van rechtspraak in andere rechtssystemen en in eerdere tijden

De betekenis van rechtspraak was vroeger groter dan tegenwoordig. Het is vooral sinds de Franse Revolutie dat de betekenis van de rechtspraak is teruggedrongen als gevolg van de trias politica. Vooral op continentale rechtsstelsels is de invloed van de trias politica erg groot geweest.

In Angelsaksische landen zoals Engeland en de Verenigde Staten van Amerika neemt de rechtspraak een zeer belangrijke rol in. The common law (het rechtersrecht) neemt naast the statute law (wettenrecht) een belangrijke plaats in. Verder moet men zich houden aan eerder gedane uitspraken, dat wordt het stare decisis-beginsel genoemd. Ook op het Europese continent speelde de rechtspraak, vóórdat Montesquieu met zijn trias-leer kwam, een belangrijkere rol dan tegenwoordig. Volgens de trias-leer moet er een strikte scheiding van de machten zijn. Vóór de Franse revolutie (tijdens het Ancien Régime) konden de Hoven van Justitie vonnissen vellen die in feite ook algemene regelingen waren.

Het rechtersrecht in Nederland: een illustratie

Soms wordt een uitspraak van een rechterlijke instantie naderhand gevolgd door andere rechters. Soms is een rechterlijke uitspraak een belangrijke aanvulling op het positieve recht. Een voorbeeld is de uitspraak van Lindenbaum/Cohen (HR 31 januari 1919, NJ 1919, 161). Hier werd het derde onrechtmatigheidscriterium voor het eerst geformuleerd, namelijk ‘strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’, oftewel het zorgvuldigheidscriterium. Een ander voorbeeld is het Melk en Water-arrest (HR 14 februari 1916, NJ 1916, 681). Uit dit arrest komt het principe ‘geen straf zonder schuld’ voort.

De verdragen als rechtsbron

Een verdrag moet altijd geschreven zijn. Dat blijkt uit het Weense Verdragenverdrag. Een verdrag komt tot stand door onderhandelingen van diplomaten uit verschillende staten. Als zij het met elkaar eens zijn, wordt het verdrag uiteindelijk gesloten door de regering. De verdragsinhoud wordt dan vastgesteld en ondertekend. Pas als de Staten-Generaal een verdrag goedkeurt, wordt het bindend. Meestal geeft de Staten-Generaal de goedkeuring in de vorm van de wet. Soms gebeurt een goedkeuring echter stilzwijgend. Dit staat in lid 2 van artikel 91 van de Grondwet. Als de Staten-Generaal weigert een verdrag goed te keuren, moet de overeenkomst zo snel mogelijk worden beëindigd.

Als de overeenkomst dit eist, moet er na de goedkeuring nog bekrachtiging, oftewel ratificatie, plaatsvinden. Hierna wordt er een oorkonde opgemaakt. Deze worden bij multilaterale verdragen ergens gedeponeerd en bij bilaterale verdragen worden die uitgewisseld. Als laatste wordt een verdrag bekend gemaakt in het Tractatenblad.

Het onderscheid tussen dualisme en monisme

Bij het dualisme ziet men de internationale rechtsorde en de nationale rechtsorde als twee heel aparte werelden. Burgers zijn pas aan het internationale recht gebonden als het internationale recht is omgezet in nationaal recht. Dit wordt ook wel de transformatieleer genoemd. Zij krijgen dus niet rechtstreeks rechten en plichten via het internationale recht. De Nederlandse juristen J.A. Levy, Telders en Buys zijn aanhangers van het dualisme.

Bij het monisme worden het internationale recht en het nationale recht juist wel als één geheel gezien. Het volkenrecht en het nationale recht verhouden zich hetzelfde tot elkaar als de wetgever in formele zin en de lagere wetgevers. Een verdrag geldt voor een grotere rechtsgemeenschap dan nationale rechtsregelingen. Hamaker, Van Vollenhoven en Van Eysinga hingen deze visie aan.

In Nederland geldt de monistische leer voor zover het om voor ieder verbindende bepalingen gaat. Dit is terug te vinden in artikel 93 van de Grondwet. De rechter bepaalt uiteindelijk of een verdragsbepaling voor ieder verbindend is.

Het gemeenschapsrecht heeft directe werking, ook in landen waar de transformatieleer geldt. Dit heeft het Europese Hof bepaald.

Een eerste kennismaking met rechten: begrippenlijst


Recht

Het geheel van regels of normen dat het maatschappelijk verkeer in banen leidt en een remedie aandraagt voor de problemen die rijzen wanneer mensen zich niet gedragen overeenkomstig hetgeen men van elkaar mag verwachten

 

Objectief recht

Het geheel van regels of normen dat de samenleving ordent

 

Subjectief recht

 

Het subjectieve recht doelt op een persoonlijke bevoegdheid

 

Rationalistisch natuurrecht

 

Mensen ontlenen rechten aan de menselijke natuur; mensen hebben van nature bepaalde rechten die niet zijn terug te voeren op afspraken die burgers hebben gemaakt in de maatschappij, maar die aan elk samenlevingsverband ten grondslag liggen

Positief recht

 

Het recht dat geldt krachtens uitvaardiging

Natuurrecht

Een niet bewust door mensen gemaakt recht, maar een recht dat van nature, onafhankelijk van menselijke wilsbeslissingen, geldt.

 

Publiekrecht

 

Het publiekrecht geeft regels ten aanzien van de verhouding tussen de overheid en de burger

 

Privaatrecht

Het privaatrecht geeft regels ten aanzien van de verhouding tussen burgers onderling

 

Dwingend recht

Bij het dwingend recht gaat het om regels waarvan de belanghebbenden niet mogen afwijken, ook al zouden zij dat bij onderlinge overeenkomst afspreken

Aanvullend recht

Bij het aanvullend of regelend recht gaat het om recht dat geldt wanneer partijen zelf niets anders zijn overeengekomen

 

Formeel recht

 

Het recht waarin de vorm of procedure centraal staat en niet de inhoud

 

Materieel recht

 

De rechtsregels die voorschrijven hoe mensen zich in het maatschappelijk verkeer tegenover elkaar behoren te gedragen

 

Privaatrecht

 

Het privaatrecht oftewel het burgerlijk recht geeft regels voor de onderlinge verhoudingen tussen personen

 

Strafrecht

 

Strafrecht is het geheel van rechtsregels waarin is vastgelegd welk gedrag strafwaardig wordt geacht, welke straffen op dit gedrag gesteld zijn en via welke weg strafoplegging gerealiseerd kan worden.

 

Staatsrecht

 

Het staatsrecht, grondwettelijk of constitutioneel recht is het recht inzake de staat als organisatorisch verband. Het heeft betrekking op de organen van de staat, op de instelling ervan, hun bevoegdheden, hun verhouding tot elkaar en die tot de burgers.

 

Bestuursrecht

 

Het bestuursrecht (ook wel administratief recht genoemd) is het geheel van rechtsregels die de bestuurlijke bedrijvigheid beheersen van overheidsorganen die tot de uitvoerende macht behoren.

 

Rechtsbronnen

 

De identificatiemiddelen voor het geldende recht

 

Positief recht

 

Het geheel van regels dat op een bepaald tijdstip en binnen een bepaalde gemeenschap van mensen geldt.

 

Wet in formele zin

 

Ieder gezamenlijk besluit van regering en Staten-Generaal dat volgens een bepaalde procedure tot stand is gekomen

 

Wet in materiële zin

 

Iedere naar buiten werkende algemene de burgers bindende regeling, uitgaande van een overheidsorgaan, dat zijn bevoegdheid daartoe direct ontleent aan een wet in formele zin

Lex superior derogat legi inferiori

 

Een hogere wet gaat voor een lagere wet

 

Lex posterior derogat legi priori

 

 

Een latere wet gaat voor een eerdere wet

Lex specialis derogat legi generali

 

 

Een bijzondere wet gaat voor een algemene wet

 

Codificeren

 

Het vastleggen van de gehele rechtsstof in wetboeken

 

De trias-leer van Montesquieu

 

De leer waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen een drietal functies; de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke functie

 

Legisme

 

De stroming waarin de rechter zich beperkt tot een strikte toepassing van de wet

 

Gewoonterecht

 

Het recht dat geleidelijk en onbewust is ontstaan, zonder dat het afkomstig is van personen of organen die bevoegd zijn om regels te scheppen

 

Monisme

 

De nationale rechtsorde en de internationale rechtsorde worden gezien als een systeem

 

Dualisme

 

De nationale rechtsorde en de internationale rechtsorde zijn strikt gescheiden. Het internationale recht moet eerst worden omgezet in nationaal recht voordat het gelding heeft

 

Wat is een arbeidsovereenkomst of een arbeidscontract?

Wat is een arbeidsovereenkomst of een arbeidscontract?

Wat is een arbeidsovereenkomst of arbeidscontract?

  • Er is pas sprake van een arbeidsovereenkomst als er in een gezagsverhouding tegen betaling arbeid wordt verricht (7:610 BW).
  • De arbeidsovereenkomst moet men onderscheiden van de opdrachtovereenkomst en de overeenkomst tot aanneming van werk. Kenmerked voor de opdrachtovereenkomst is dat er geen sprake is van een gezagsverhouding. Kenmerkend voor de overeenkomst tot aanneming van werk is dat het moet gaan om het maken van iets stoffelijks en dat de arbeid niet persoonlijk hoeft te worden verricht. De aannemer mag dus weer iemand anders inhuren als het eindresultaat maar goed is. In de praktijk van het arbeidsrecht speelt de overeenkomst tot aanneming van werk een minder grote rol.
  • De opdrachtovereenkomst speelt daarentegen wel een belangrijke rol, omdat het onderscheid tussen de arbeidsovereenkomst en de opdrachtovereenkomst niet altijd gelijk duidelijk is. Dat komt bijvoorbeeld doordat vooral hoger geplaatste werknemers ook een hoge mate van zelfstandigheid hebben. Of er in die gevallen sprake is van een arbeidsovereenkomst (waarbij dus wel sprake is van een gezagsverhouding) of een opdrachtovereenkomst (waarbij dus geen sprake is van een gezagsverhouding) moet per geval worden beoordeeld.
  • Als de arbeid niet persoonlijk hoeft te worden verricht, dan is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst maar van aanneming van werk.
  • De vraag of er sprake is van arbeid speelt vooral een rol bij au pairs of stages. Bij een stage wordt wel een stageovereenkomst getekend, maar doordat de stage vaak een uitvloeisel is van een opleiding, is de stageovereenkomst geen arbeidsovereenkomst. Bij een stage overheerst het leerelemenet, terwijl bij een arbeidsovereenkomst het productieve element overheerst. de praktijk kan het voorkomen dat na verloop van tijd het productieve element gaat overheersen en dat het leerelement op de achtergrond komt te staan. In het arrest Verhoef/Van Zuijlen oordeelde de Hoge Raad dat die stageovereenkomst in beginsel niet automatisch overgaat in een arbeidsovereenkomst. Dat kan anders zijn als de arbeid op een gegeven moment niet meer in het kader van de opleiding wordt uitgevoerd.
  • Bij arbeid door dominees, imams en rabbijnen is in het algemeen sprake van een arbeidsovereenkomst. In het arrest Jaeger oordeelde het HvJ EG dat het wachten op klanten of het verrichten van slaapdiensten op locatie ook arbeid is. Dat betekent overigens niet bij er bij zogenoemde slaapdiensten ook altijd recht is ok hetzelfde loon als voor 'gewone' arbeid. In het arrest Van der Male/Den Hoedt oordeelde de Hoge Raad dat er bij scheidende echtgenoten die een arbeidsovereenkomst aangaan (in plaats van het betalen van alimentatie) zonder dat er arbeid wordt verricht ook geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.
  • Als er voor niets wordt gewerkt, dan is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst. In zulke gevallen kan zich de vraag toch voordoen of er toch sprake is van een arbeidsovereenkomst (en dat er daarom ook recht bestaat op loon) of dat er daadwerkelijk geen sprake van een arbeidsovereenkomst (omdat er geen loon verschuldigd is). In zulke gevallen kijkt een rechter bijvoorbeeld of voor soortgelijke arbeid in die bedrijfstak wel loon wordt betaald. In het arrest Bethesda/Van der Vlies oordeelde de Hoge Raad dat er in dat geval wel sprake was van een arbeidsovereenkomst (omdat er in een gezagsverhouding persoonlijk arbeid werd verricht) en dat er daarom met terugwerkende kracht loon was verschuldigd. Omdat het loon door de werkgever moet worden betaald worden fooien niet als loon gezien. Fooien vallen onder bepaalde voorwaarden wel onder het loonbeleid uit de Wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag.
  • Of er sprake is van een gezagsverhouding is in de praktijk soms moeilijk te bepalen. Zo hebben managers bijvoorbeeld een grote mate van handelingsvrijheid. In de literatuur en jurisprudentie wordt vaak gekeken of er aanwijzingen kunnen worden gegeven. Of die aanwijzingen ook daadwerkelijk worden gegeven is minder relevant. In het arrest Groen/Schoevers oordeelde de Hoge Raad bij de vraag of er sprake is van een gezagsverhouding moet worden gekeken naar wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en hoe zij vervolgens in de praktijk feitelijk uitvoering hebben gegeven aan die overeenkomst
  • Als een overeenkomst kan worden gekwalificeerd als een (privaatrechtelijke) arbeidsovereenkomst (in de zin van art. 7:610 BW, dan heeft de werknemer bijvoorbeeld bij te late betaling van loon recht op vertragingsrente (art. 7:625 BW), als hij schade veroorzaakt dan is hij alleen aansprakelijk voor de in art. 7:661 BW genoemde situaties en wanneer de arbeidsovereenkomst is opgezegd dan kan die opzegging kennelijk onredelijk zijn. In sommige andere wetten geldt een andercriterium voor de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Zo is het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen in sommige gevallen ook toepasselijk bij opdrachtovereenkomsten, terwijl deze weer niet geldt voor sommige groepen werknemers (zoals onderwijsgevend en huishoudelijk personeel). Bij geschillen met werknemers moet dus per wet worden bekeken of die wet ook op betrokkene toepasselijk is.

Hoe wordt de arbeidsovereenkomst bij wet geregeld?

  • De arbeidsovereenkomst is een bijzondere soort overeenkomst. Daardoor zijn Boek 3 en 6 BW slechts gedeeltelijk van toepassing.
  • Dat de arbeidsovereenkomst apart is geregeld komt vooral doordat er bij de arbeidsovereenkomst sprake is van ongelijkheidscompensatie. In het algemeen is de werknemer de zwakkere partij tegenover de in de praktijk sterkere werkgever. Om de zwakkere positie van werknemers te compenseren is de arbeidsovereenkomst dus apart geregeld.
  • Die aparte regeling heeft vooral betrekking op onderwerpen als loon(betaling), aansprakelijkheid, bescherming bij ongevallen, arbeidsomstandigheden en bescherming bij ontslag.
  • De arbeidsovereenkomst is vooral geregeld in Boek 7 BW, maar ook in aparte wetten zoals de Wet op het Minimumloon en Minimumvakantiebijslag, de Arbeidstijdenwet, de Wet Aanpassing Arbeidsduur, de Wet Arbeid en Zorg, de Arbeidsomstandighedenwet, de Wet op de Medische Keuringen, de Wet Arbeid Vreemdelingen, de Wet Allocatie Vreemdelingen Door Intermediairs, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen, de Wet Melding Collectief Ontslag, de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst en de Wet op de ondernemingsraden.
Wat is bezit?

Wat is bezit?

 

Wat is bezit?

  • Bezit is niet hetzelfde als eigendom. Bezit is de uiterlijke machtsuitoefening door een eigenaar, maar nooit de eigendom zelf. Het is echter wel zo dat de bezitter vaak ook de eigenaar is. Het bezit schept dan ook het (bewijs)vermoeden van eigendom.
  • Om te begrijpen wat ‘bezit’ is, moet eerst gekeken worden naar het begrip ‘houden’. De houder van een goed is degene die macht uitoefent over dat goed.

 

Wat zijn bezit en detentie?

  • Houden komt in twee verschillende vormen voor:
  1. De eerste vorm is bezit. Een bezitter is iemand die een goed voor zichzelf houdt (art. 3:107 lid 1 BW). De bezitter oefent over de zaak een zodanige macht uit, alsof hij eigenaar van die zaak is. In de meeste gevallen is de bezitter dan ook eigenaar. Bezit is dus niet per definitie eigendom. In titel 3.5 vind je de omschrijving van bezit.

  2. De tweede vorm van houden is detentie. Een detentor is iemand die een goed voor een ander houdt. Als A zijn auto bij B tijdelijk stalt, dan houdt B de auto ‘voor een ander’ – namelijk A. B is in dit geval detentor. Er is sprake van houderschap.

  • Voor bezit en detentie is niet vereist dat de bezitter of de detentor het goed ook daadwerkelijk onder zich heeft. Zo blijkt uit art. 3:117 lid 1 BW dat een bezitter het bezit alleen kan verliezen indien hij het goed kennelijk prijsgeeft of wanneer een ander het bezit van het goed verkrijgt. Als iemand een huis bezit in Groningen, maar ondertussen maandenlang aan de andere kant van de wereld verkeert, is hij nog steeds bezitter van het huis. Hij heeft het huis immers niet prijsgegeven (bijv. aan iemand verkocht) en een ander heeft het bezit ook niet verkregen. Zo is een huurder bijvoorbeeld bezitter van het vorderingsrecht dat hem als huurder van het huis toekomt. Van het huis zelf is hij slechts detentor. De verhuurder is namelijk al (middellijk) bezitter van zijn huis. Bij diefstal van een goed van A door B, verliest A echter wel zijn bezit. B heeft namelijk het bezit verkregen (de tweede mogelijkheid genoemd in art. 3:117 BW) en houdt het goed nu voor zichzelf. A is echter wel nog steeds eigenaar van de zaak (over eigendom verderop meer).
  • Bezit is ‘onmiddellijk’, wanneer iemand bezit zonder dat een ander het goed voor hem houdt (art. 3:107 lid 1 BW). Bezit is ‘middellijk’, wanneer iemand bezit door middel van een ander die het goed voor hem houdt – oftewel ‘een ander’ is hier een detentor (art. 3:107 lid 2 BW). Het is vervolgens ook niet voor een detentor vereist om een goed ook feitelijk onder zich te hebben. Het houden voor een ander kan namelijk op zijn beurt ook weer onmiddellijk (het zelf houden van een goed voor een ander) of middellijk zijn (wanneer een ander het goed op zijn beurt weer houdt voor een ander, art. 3:107 lid 4 BW)

Hoe wordt bezit vastgesteld?

  • Wanneer A een fiets uitleent aan B, wordt B detentor van die fiets en gaat A over van onmiddellijk naar middellijk bezitter. Als A de fiets vervolgens weer terug wil en B zich op het standpunt stelt dat hij geen detentor maar bezitter is, ontstaat er een probleem. Beiden zullen nu hun gelijk moeten bewijzen; de wet bepaalt wat zij hiervoor moeten bewijzen. Art. 3:109 BW stelt dat wanneer iemand een goed houdt, vermoed wordt dat deze persoon het goed voor zichzelf houdt – daarmee wordt deze persoon vermoed bezitter te zijn (art. 3:119 BW), in dit geval B. Art. 3:110 BW maakt echter uit wanneer de verkrijger detentor dan wel bezitter is. Hierin staat dat wanneer er een rechtsverhouding tussen twee personen bestaat die ertoe strekt dat het goed door de bezitter zal worden gehouden (bijvoorbeeld bij bruikleen, huur, vruchtgebruik, pand, enz.), de ontvanger dan slechts detentor wordt en geen bezitter. A zal in ons voorbeeld dan moeten bewijzen dat de fiets volgens zo’n rechtsverhouding verleend is aan B. B zal juist moeten bewijzen dat hij niet detentor, maar juist bezitter is geworden.
  • Een houder kan zichzelf niet tot bezitter maken. Art. 3:111 BW stelt met zoveel woorden ‘eenmaal detentor, altijd detentor’ (het interversieverbod), tenzij de detentor bezitter is geworden met medewerking van de bezitter of door tegenspraak van het recht van de bezitter. De enkele wilswijziging van de houder (die ineens bezitter wil worden) is onvoldoende. Oftewel B zal hier aannemelijk moeten maken dat A hem de fiets bijvoorbeeld heeft verkocht of geschonken. In dit geval is B namelijk bezitter geworden met medewerking van A.

Hoe kan men bezit verkrijgen en verliezen?

  • Er zijn drie wijzen van bezitsverkrijging (volgens art. 3:112 BW), namelijk:
    • inbezitneming (art. 3:113). Iemand kan een goed in bezit nemen door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen (toe-eigening). Een dief verkrijgt op deze wijze bezit.
    • bezitsoverdracht (art. 3:114 en 3:115). De verkrijger van het bezit wordt door de bezitter in staat gesteld de macht over het goed uit te oefenen.
    • opvolging onder algemene titel (art. 3:116)
  • In art. 3:117 staat bezitsverlies omschreven. Het bezit gaat door zolang het bezit niet door een ander is verkregen of door de bezitter kennelijk wordt prijsgegeven. Diefstal is een vorm van onvrijwillig bezitsverlies.

 

Wat is een overeenkomst?

Wat is een overeenkomst?

 

Wat is een overeenkomst?

  • Het begrip ‘overeenkomst’ wordt, anders dan het begrip ‘rechtshandeling’, wel omschreven in de wet. Een overeenkomst is in de zin van titel 6.5 een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer andere een verbintenis aangaan (art. 6:213 lid 1). Dus iedere overeenkomst is een rechtshandeling, maar omgekeerd is niet iedere rechtshandeling een overeenkomst.
  • De overeenkomst wordt gekenmerkt door haar verbintenisscheppende – obligatoire – karakter. Binnen het juridisch spraakgebruik wordt deze overeenkomst dikwijls een contract genoemd, daarnaast wordt overeenkomstenrecht vaak als contractrecht betiteld. Onder de overeenkomst of het contract verstaat men niet alleen de verbintenisscheppende handeling zelf, maar ook de door de handeling in het leven geroepen rechtsverhouding. Ook wijzigingsovereenkomsten vallen onder art. 6:213, aangezien partijen andere, nieuwe verbintenissen aangaan. De liberatoire of bevrijdende overeenkomst is echter niet onder dit artikel te brengen.
  • In tegenstelling tot het oude wetboek, waarin de rechtshandeling ongeregeld was, is er nu sprake van een gelaagde structuur in ons wetboek. In het Algemeen Deel (Boek 3 titel 2) is een voor alle rechtshandelingen geldend regelsysteem neergelegd. Dit systeem wordt vervolgens in Boek 6 Titel 5 voor het deelgebied van de obligatoire overeenkomst met een tweede laag bepalingen aangevuld. Door deze gelaagde structuur wordt de obligatoire overeenkomst door meer dan een complex van wetsbepalingen beheerst.

Overeenkomsten en partijen

  • In de meeste gevallen wordt de overeenkomst gesloten door en tussen twee partijen. Maar er zijn ook overeenkomsten tussen méér dan twee partijen, de zogenaamde meerpartijenovereenkomsten, denk aan de driehoeksruil en het aanvaarde derdenbeding.
  • Een driehoeksruil doet zich bijvoorbeeld voor wanneer A, B en C gezamenlijk een overeenkomst sluiten waarbij A toezegt zijn huis te leveren aan B in ruil voor het huis van C, B zegt toe zijn huis aan C te leveren in ruil voor het huis van A en C zegt ten slotte toe zijn huis aan A te leveren in ruil voor het huis van B. Bij een derdenbeding bestaat aanvankelijk een overeenkomst tussen twee partijen, waarin een beding ten behoeve van een derde (een niet-partij) is opgenomen. Nadat deze derde het beding heeft aanvaard, geldt hij als partij bij de overeenkomst (art. 6:254 lid 1).
  • In art. 6:213 lid 2 staat dat de bedoelde bepalingen van de titel betreffende overeenkomsten niet toepasselijk is op de meerpartijenovereenkomst, voor zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de overeenkomst zich daartegen verzet. Het is dus zo dat de regels van het overeenkomstenrecht in principe ook gelden voor de meerpartijenovereenkomst (lid 1), maar dit uitgangspunt kent uitzonderingen (lid 2).

Bijzondere overeenkomsten

  • Sommige overeenkomsten zijn in Boek 7 of Boek 7A van een nadere uitwerking voorzien. Dit zijn de bijzondere overeenkomsten of bijzondere contracten (of ‘benoemde contracten’). In de praktijk zijn hier de koop, de huur en de arbeidsovereenkomst van groot belang.
  • Ten aanzien van de bijzondere overeenkomst is de gelaagde structuur van het wetboek goed zichtbaar. Zij zijn ten eerste rechtshandelingen in de zin van titel 3.2, ten tweede overeenkomsten in de zin van titel 6.5 en ten derde bijzondere overeenkomsten in de zin van Boek 7 en 7A. Er moet zelfs op vier plaatsen in de wet gezocht worden, aangezien het algemene gedeelte van het verbintenissenrecht ook van belang is.
  • De obligatoire overeenkomsten kunnen op verschillende wijzen worden ingedeeld.
  1. De tweepartijen- tegenover meerpartijenovereenkomsten;

  2. Bijzondere (en gemengde) overeenkomsten tegenover de niet-bijzondere overeenkomsten;

  3. De wederkerige overeenkomsten tegenover de eenzijdige overeenkomsten. Een overeenkomst is wederkerig, wanneer beide partijen een verbintenis op zich nemen ter verkrijging van de daar tegenover staande prestatie (art. 6:261 lid 1). De (obligatoire) overeenkomsten die niet voldoen aan deze omschrijving zijn eenzijdig. Het belang van de vraag of een overeenkomst wederkerig of eenzijdig is, ligt met name in de al dan niet toepasselijkheid van de laatste afdeling van titel 6.5 (opschorting en ontbinding). Een schenking kan bijvoorbeeld in geval van niet-nakoming niet ex art. 6:265 worden ontbonden;

  4. De overeenkomsten onder bezwarende titel tegenover de overeenkomsten om niet. Van een overeenkomst onder bezwarende titel is sprake, indien de toegezegde prestatie in verband staat met een bepaalde prestatie van de wederpartij. De overeenkomsten die niet onder deze omschrijving vallen, noemt men overeenkomsten om niet; in de wet zijn de overeenkomsten onder bezwarende titel eenvoudig ‘anders dan om niet’.

  • Dit onderscheid valt grotendeels samen met dat tussen de wederkerige en de eenzijdige overeenkomsten, maar niet helemaal. Bij een wederkerige overeenkomst moeten de prestatie en tegenprestatie in ditzelfde contract tegenover elkaar zijn gesteld, dit is voor een overeenkomst onder bezwarende titel niet noodzakelijk. De rubriek van de overeenkomsten onder bezwarende titel is dus wat ruimer dan die van de wederkerige overeenkomsten;
  1. De consensuele overeenkomsten tegenover de formele (en reële) overeenkomsten. Zoals later zal blijken, gelden voor de totstandkoming van een overeenkomst in beginsel geen vormvereisten (art. 3:37 lid 1). Onder deze hoofdregel vallende overeenkomsten noemt men consensueel. Soms geldt echter toch een vormvereiste; dit zijn de zogenaamde formele overeenkomsten. Naast de formele kent het recht ook nog de reële contracten, die volgens de wet pas als zodanig kunnen ontstaan, zodra de zaak waarop zij betrekking hebben door de ene partij aan de andere overhandigd wordt;

  2. De kortstondige overeenkomsten tegenover de duurovereenkomsten. Verschillende overeenkomsten, zoals de koop, hebben een kortstondige relatie: nadat de verkoper de zaak heeft geleverd en de koper betaald heeft, is hun contractuele relatie in principe beëindigd. Andere overeenkomsten zijn er juist op gericht een rechtsverhouding te laten ontstaan die zich over een bepaalde of onbepaalde tijd uitstrekt. Deze staan bekend als duurovereenkomsten.

  • Het bovenstaande overzicht van onderscheidingen is niet uitputtend. Er zijn nog andere mogelijkheden, denk aan het onderscheid tussen vergeldende overeenkomsten en kansovereenkomsten, tussen hoofdovereenkomsten en hulpovereenkomsten en tussen volledige overeenkomsten en rompovereenkomsten.

Grondbeginselen betreffende obligatoire overeenkomst (het contractenrecht)

  • Het recht betreffende de obligatoire overeenkomst (het contractenrecht) wordt beheerst door drie grondbeginselen: de contractsvrijheid, vormvrijheid (het consensualisme) en de verbindende kracht van de overeenkomst (‘pacta sunt servanda’).
  • Het grondbeginsel van contractvrijheid houdt in dat het partijen vrijstaat een overeenkomst te sluiten met wie zij willen, met de inhoud die ze willen en op het moment dat ze het willen. Dit beginsel is niet uitdrukkelijk in de wet neergelegd, maar komt wel naar voren in de algemene erkenning en regeling van de overeenkomst. Vaak wordt aan dit grondbeginsel de status van ongeschreven grondrecht toegekend. De contractsvrijheid is echter niet zonder uitzonderingen, zij vindt haar grens waar de uitoefening ervan in een concrete situatie in conflict komt met een belang van hogere orde, bijvoorbeeld art. 3:40.
  • Overigens bevat het contractenrecht, in tegenstelling tot het goederenrecht, relatief weinig dwingende wetgeving; als directe consequentie van het beginsel van de contractsvrijheid zijn de wettelijke regels in principe van regelend recht. Dwingend recht komt met name voor wanneer de wetgever één van de partijen bijzondere bescherming wil bieden.
  • Het grondbeginsel van vormvrijheid is neergelegd in art. 3:37 lid 1. Omdat voldoende is dat op enigerlei wijze consensus (wilsovereenstemming) tot uitdrukking komt, wordt dit beginsel als dat van consensualisme aangeduid. Er zijn echter ook uitzonderingen, zo eist de wet een schriftelijke overeenkomst voor de koop van woningen.
  • Het derde verbindende beginsel, namelijk de verbindende kracht, wordt vaak weergegeven als ‘pacta sunt servanda’. Het is neergelegd in de wet in art. 6:248 lid 1. Ook dit principe kent uitzonderingen. Zo verbindt een overeenkomst niet wanneer zij nietig is of vernietigd kan worden. Een hedendaagse en spectaculaire uitzondering is de bedenktijd die op enkele terreinen aan de consument is toegekend.
  • De wet geeft één regeling die van toepassing is op alle soorten contractspartijen, namelijk die regelingen die gelden zonder aanziens des persoons. Een belangrijke uitzondering ligt echter in afdeling 6.5.3 Algemene Voorwaarden. Daarin wordt aan de consument extra bescherming verleend in de vorm van een zwarte en grijze lijst, terwijl bepaalde ‘grote’ contractanten juist van het algemene beschermingsstelsel uitgesloten worden.
Wat is een rechtshandeling?

Wat is een rechtshandeling?

    Wat is een rechtshandeling?

    • Om te kunnen spreken van een rechtshandeling moet het gaan om een handeling waarmee een rechtsgevolg wordt beoogd, of met andere woorden: een handeling die op rechtsgevolg is gericht. Een rechtsgevolg is het ontstaan, tenietgaan of gewijzigd raken van een juridische relatie. Voorbeelden van rechtshandelingen zijn het sluiten van een koopovereenkomst of een arbeidsovereenkomst. Een onrechtmatige daad is bijvoorbeeld geen rechtshandeling, want hierbij is geen rechtsgevolg beoogd.
    • Het verschil tussen normale handelingen, zoals het lezen van een boek of het eten van een broodje, en rechtshandelingen is dat rechtshandelingen een rechtsgevolg beogen te hebben. Het verschil tussen rechtshandelingen en rechtsfeiten, zoals geboorte of de onrechtmatige daad, is de wil van de partij(en). Bij een onrechtmatige daad heb je enkel de wil tot de feitelijke gedraging, niet tot het rechtsgevolg, de boete.
    • Rechtshandelingen zijn dus uitsluitend handelingen die, naar hun aard, gericht zijn op een of meer bepaalde rechtsgevolgen. Ten aanzien van rechtshandelingen is de houding van het recht positief.
    • Zolang er geen redenen zijn voor het tegendeel, zal het recht zich opstellen achter de handelende en zijn rechtshandeling, dus het rechtsgevolg zal ook inderdaad intreden. Op deze manier komt de menselijke autonomie tot uitdrukking. Onder autonomie verstaat men de bevoegdheid van elk individu om zelf zijn eigen rechtspositie te bepalen. Dit principe is het ‘moederbeginsel’ van de contractsvrijheid.

    Waar is de rechtshandeling geregeld?

    • De rechtshandeling is geregeld in titel 3.2 BW. Hier is echter geen omschrijving van de rechtshandeling opgenomen, vanwege uiteenlopende toepasbare rechtstheorieën over de betekenis van dit begrip. Hier is ook geen behoefte aan; de omschrijving van de vereisten van art. 3:33 BW is voldoende voor de praktijk. Vereist is een op rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard.

    Meerzijdige en eenzijdige rechtshandelingen

    • Je kunt onderscheid maken tussen de meerzijdige en de eenzijdige rechtshandeling.
      • De meerzijdige rechtshandeling wordt door meer dan één persoon verricht. Meestal is deze soort handeling een overeenkomst (tot stand gekomen door aanbod en aanvaarding art. 6:217). De rubriek van de meerzijdige rechtshandelingen bestaat voor het overgrote deel uit overeenkomsten. Maar er zijn ook meerzijdige rechtshandelingen die geen overeenkomsten zijn; deze komen niet tot stand via het model van aanbod en aanvaarding, maar ze bestaan veeleer uit een aantal parallel lopende wilsverklaringen. Men spreekt wel van ‘Gesamtakte’. Dit doet zich bijvoorbeeld voor wanneer een vergadering van aandeelhouders van een vennootschap een meerderheidsbesluit neemt.
      • De eenzijdige rechtshandeling wordt door één persoon verricht. Zij wordt vaak gebruikt om een bestaande contractuele relatie te beëindigen. Deze handeling moet meestal wel tot een ander worden gericht om te gelden. De ander hoeft niet mee te werken, hij dient als ontvanger. Voor de geldigheid van deze rechtshandelingen is vereist dat de bewuste handeling tot een bepaalde andere persoon wordt gericht. Voorbeelden van een gerichte eenzijdige rechtshandeling: opzegging van een huurovereenkomst of vernietiging van een koopovereenkomst. Er zijn ook niet gerichte eenzijdige rechtshandelingen, bijvoorbeeld het maken van een testament. Voor de totstandkoming is dan naast geen instemming ook geen ontvangst door een andere persoon vereist.
    • Door de plaatsing van de titel rechtshandelingen in boek 3 BW valt zij onder het vermogensrecht. Daarnaast bestaan meer rechtsgebieden waarin rechtshandelingen worden verricht, zoals het personen- en familierecht, rechtspersonenrecht of procesrecht. Voor deze rechtshandelingen is de schakelbepaling van art. 3:59 opgenomen. Dit artikel bepaalt dat de regels omtrent de rechtshandeling ook buiten het vermogensrecht toepassing vinden, voor zover de aard van de rechtshandeling zich daar niet tegen verzet.
    Wat is jurisprudentie of een arrest?

    Wat is jurisprudentie of een arrest?

    Wat is jurisprudentie of een arrest?

    Arrest

    • Een arrest is een uitspraak van een gerechtshof of de Hoge Raad in een civiele dagvaardingsprocedure of van een strafzaak.
    • Ieder (Nederlands) arrest heeft een Landelijk Jurisprudentie Nummer (LJN), dit nummer is een uniek zoeknummer voor arresten.

    Jurisprudentie

    • De uitspraken van rechters zijn een belangrijke rechtsbron.
    • Als de rechter een uitspraak doet, is hij gebonden aan de wet én houdt hij rekening met de uitspraken van andere rechters.
    • Uitspraken die eerder door rechters zijn gedaan, heten jurisprudentie.
    • Naast jurisprudentie zijn er ook nog andere bronnen van recht: wetten, gewoonten en gebruiken, de Grondwet en internationale verdragen.
    Wat zijn algemene voorwaarden?

    Wat zijn algemene voorwaarden?


    Wat zijn algemene voorwaarden?

    • De wet omschrijft de algemene voorwaarden als een of meerdere bedingen die opgesteld zijn om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van de bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk zijn geformuleerd (art. 6:231).
    • De algemene voorwaarden moeten voor meerdere overeenkomsten kunnen worden gebruikt (bestemmingscriterium). De bewijslast ligt bij de wederpartij. Meestal zijn de AV voorbedrukt of bovenaan een contract opgesteld, wat al aangeeft dat het algemene bepalingen zijn die meerdere keren kunnen worden gebruikt. Ook kunnen de voorwaarden gedeponeerd zijn bij de Kamer van Koophandel. De bestemming voor het gebruik in een aantal overeenkomsten kan door de wederpartij ook op een indirecte wijze worden aangetoond. Dit kan bijvoorbeeld door aan te wijzen dat de bewuste voorwaarden in het verleden al eens in overeenkomsten zijn gebruikt.
    • Bedingen die de kern van de prestatie aangeven (zgn. kernbedingen), worden uitgesloten van toepasselijkheid (art. 6:231 sub a). Onder de kern van de prestaties worden de essentiële punten van de overeenkomst verstaan. Aangenomen kan worden, dat bedingen zonder welke de overeenkomst niet zou voldoen aan het vereiste van bepaalbaarheid in de zin van art. 6:227 als kernbedingen kunnen worden gezien. Dit moet beoordeeld worden naar objectieve maatstaven.
    • Wat duidelijk moet worden onderscheiden zijn de termen ‘gebruiker’ en ‘wederpartij’ uit art. 6:231. Gebruiker is diegene die de AV in een overeenkomst plaatst (gebruikt) en de wederpartij is diegene die de AV aanvaardt en de overeenkomst ondertekent.

    Wat maakt algemene voorwaarden bijzonder?

    • De bijzonderheid van algemene voorwaarden is dat zij deel uitmaken van een overeenkomst, maar dat de wederpartij zich niet of nauwelijks bewust is van de inhoud. Zouden zij zonder beperking geldig zijn, dan zou dit tot misbruik kunnen leiden. Het verbieden van algemene voorwaarden zou het functioneren van het handelsverkeer echter ernstig beperken. Daarom zijn er in het nieuwe BW bijzondere regels voor algemene voorwaarden opgenomen: artt. 6:231 - 247 BW. Aan deze artikelen liggen drie doelen ten grondslag:
    1. Het versterken van de rechterlijke controle op de algemene voorwaarden ter bescherming van de personen waartegen deze worden gebruikt. Dit komt tot uitdrukking in art. 6:233 sub a, waarin staat dat de algemene voorwaarden vernietigbaar zijn indien ze onredelijk bezwarend zijn;

    2. Rechtszekerheid, ten aanzien van de toepasselijkheid en de (on)geoorloofdheid van de inhoud;

    3. Het stimuleren van overleg over de inhoud tussen partijen.

    • Afdeling 6.5.3 is van toepassing op obligatoire overeenkomsten, met uitzondering van arbeidsovereenkomsten en collectieve arbeidsovereenkomsten (art. 6:245). Via de schakelbepaling van art. 6:216 hebben deze artikelen ook werking op meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen.
    • De bepalingen in afdeling 6.5.3 zijn van dwingend recht, dit wordt bepaald in art. 6:246. Art. 6:231 lid 1 sub a omschrijft algemene voorwaarden als een of meer schriftelijke bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Wanneer niet aan deze omschrijving is voldaan zijn de bepalingen betreft algemene voorwaarden niet van toepassing. De algemene leerstukken van redelijkheid en billijkheid zijn dan nog wel toepasselijk.

    Welke twee vernietigingsgronden bevat art. 6:233?

    • Art. 6:233 bepaalt dat een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar is:
    1. Indien het onredelijk bezwarend is voor de wederpartij;

    2. Indien geen redelijke mogelijkheid is geboden van de algemene voorwaarden kennis te nemen.

    Ad a.: Wat geldt als onredelijk bezwarend?

    • Om te bepalen of een geding onredelijk bezwarend is moet worden gelet op de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijdse kenbare belangen en de overige omstandigheden van het geval.
    • Dit is vergelijkbaar met de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 lid 2, welke naast art 6:233 van toepassing blijft. Onredelijk bezwarend houdt in dat het niet enkel bezwarend is voor de wederpartij, maar het benadelend is ten opzichte van wat normaal rechtens is.
    • Ten behoeve van de consument heeft de open norm ‘onredelijk bezwarend’ in de vorm van een zwarte en een grijze lijst nader invulling gekregen. Een consument is een natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Ten eerste zijn de volgende artikelen alleen geldig als de wederpartij een natuurlijk persoon is. Ook moet deze persoon handelen als particulier (privépersoon) en niet in de uitoefening van een beroep. Ook vrije beroepen vallen onder de term beroep.
    • Er zijn natuurlijk altijd gevallen waarin het twijfelachtig is of iemand handelt als consument of in naam van zijn bedrijf. Bij deze twijfelgevallen zal er per geval worden bekeken wat de koper met het product gaat doen.

    Wat is de zwarte lijst?

    • De lijst van art 6:236 wordt de zwarte lijst genoemd. Zij bevat bedingen die door de wet als onredelijk bezwarend worden aangemerkt. Hier bestaat geen mogelijkheid voor de gebruiker om het tegendeel te bewijzen.
    • De zwarte lijst valt uiteen in drie rubrieken:
    1. De eerste betreft bedingen die de wederpartij rechten en bevoegdheden ontnemen (sub a-g);

    2. De tweede betreft bedingen die de gebruiker rechten of bevoegdheden toekennen (sub h-j);

    3. De derde betreft een reeks bedingen van diverse aard (sub k-s).

    • Voorbeelden zijn: bedingen die het recht op nakoming ontnemen (sub a), bedingen die de gebruiker het recht geven de prijs te verhogen (sub i), enzovoort.
    • Bestudering van art. 6:236 maakt duidelijk dat het artikel op verschillende punten nuanceringen kent. Dit artikel noemt geen sanctie en op zichzelf vormt het dus geen vernietigingsgrond. De lijst moet elke keer worden gelezen in combinatie met het basisartikel art. 6:233 sub a, deze introduceert het algemene criterium ‘onredelijk bezwaren’ en verbindt een sanctie van vernietigbaarheid.

    Wat is de grijze lijst?

    • De lijst van art. 6:237 noemt bedingen die worden vermoed onredelijk bezwarend te zijn, deze wordt de grijze lijst genoemd. Hier is het wel mogelijk voor de gebruiker om te bewijzen dat in de omstandigheden het beding niet onredelijk bezwarend is. Ook hier schept het artikel zelf niet de vernietigbaarheid, maar moet het in samenhang gelezen worden met het centrale art. 6:233 sub a. Met betrekking tot vertegenwoordiging is een lijst in art. 6:238 opgenomen. Art 6:239 bepaalt dat delen van de grijze lijst bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden aangepast.
    • De zwarte en grijze lijst gelden alleen voor consumenten, maar hebben wel een zgn. reflexwerking. Dit betekent dat andere partijen dan consumenten zich niet rechtstreeks op art. 6:236 en 6:237 kunnen beroepen, maar het feit dat een beding op een lijst voorkomt kan wel als argument gebruikt worden dat het beding in kwestie onredelijk bezwarend is. Naarmate een partij meer op een consument lijkt (een kleine of ondeskundige partij) zal er een sterkere reflexwerking gelden. Het feit dat een beding niet in de zwarte of grijze lijst voorkomt, betekent niet dat het niet onredelijk bezwarend is. Ofwel hier kan geen a contrario - argument aan ontleend worden.
    • De oranje lijst is uitgevaardigd door de Europese Unie. Hierop staan bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. Het geeft de consument geen echte rechten en de rechter hoeft een beding ook niet perse als onredelijk bezwarend aan te merken bij een vermelding op deze lijst. Deze lijst geeft dus een zwakke positie aan de consument die zich beroept op deze lijst. Het vergemakkelijkt de argumentering enkel.
    • Een consument kan een beroep doen op de eerder vermelde lijsten. Maar er is nog een weg die de consument kan bewandelen. Men moet hier denken aan art. 7:6. Via deze weg kan een consument een contract vernietigen wegens het beknotten van zijn rechten en bevoegdheden. Via art. 6:236 e.v. kan niet direct worden vernietigd. Dus een beroep op art. 7:6 levert sneller een vernietiging op, ook bij niet AV bedingen die onredelijk bezwarend zijn voor een consument.

    Ad b.: Wat is het belang van de mogelijkheid tot kennisneming?

    • Op grond van art. 6:233 sub b is een beding in algemene voorwaarden eveneens vernietigbaar, wanneer de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft gegeven om van de algemene voorwaarden kennis te nemen.
    • Partijen kunnen rechtsgeldig de toepasselijkheid van algemene voorwaarden overeenkomen zonder dat de wederpartij er ooit een exemplaar van onder ogen heeft gehad. Dit wordt gezien al onwenselijk. Men heeft dan ook gekozen voor een tweede vernietigingsgrond, waarbij een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar is wanneer de wederpartij niet de mogelijkheid is geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. In art 6:234 wordt de mogelijkheid tot kennisgeving omschreven. Het gaat dan om het ter hand stellen van de algemene voorwaarden. Onder de mogelijkheid bieden tot kennisneming valt ook voldoende tijd geven om de algemene voorwaarden te lezen. Daarnaast moeten de algemene voorwaarden voldoende duidelijk zijn (vergelijk 6:238 lid 2).
    • Wanneer het ter hand stellen niet mogelijk is kan volgens art. 6:234 lid 1 sub b ook worden volstaan met een mededeling dat en waar de algemene voorwaarden kunnen worden ingezien en dat ze op verzoek zullen worden toegezonden.
    • De AV kunnen ook elektronisch worden toegezonden (art. 6:234 lid 2). Deze manier van aanbieden van de AV is alleen correct gedaan, wanneer de AV kunnen worden opgeslagen en deze later weer kunnen worden nagelezen. Als de overeenkomst niet elektronisch wordt gesloten, moet de wederpartij toestemming geven om de AV elektronisch ter beschikking te krijgen.
    • Op grond van art. 6:233 sub b kan een beding worden vernietigd wanneer deze zo onredelijk onduidelijk is gesteld dat het voor een ‘normale’ consument niet meer is te begrijpen is. Men moet er wel op letten dat deze eis niet altijd in werking kan treden. Sommige juridische kwesties zijn moeilijk te vereenvoudigen voor leken. Als er voldoende moeite is gedaan de tekst begrijpelijk te maken voor een ‘leek’ is er voldaan aan de term begrijpelijk en kan er geen beroep worden gedaan op art. 6:233 sub b.
    • Er moet nog wel rekening worden gehouden met de door de HR geformuleerde ‘bekendheidsformule’. Deze houdt in dat een wederpartij bekend wordt geacht met de AV als er al een lange periode van overeenkomsten bestaat waarin steeds dezelfde AV van toepassing zijn. Ook als er een bordje staat waarop wordt aangegeven dat er een AV is kan dit worden gezien als een ter hand stelling. (denk maar aan het bordje bij een garderobe: 'de directie stelt zich niet aansprakelijk…').

    Wie kan zich beroepen op de vernietigingsgronden?

    • In beginsel kunnen alle wederpartijen, dus ook niet-consumenten, zich beroepen op de vernietigingsgronden van art. 6:233 sub a en b. De wetgever heeft echter regelingen getroffen voor zowel de kleine wederpartijen (de consumenten, denk aan art. 6:238-238), maar ook aan een groep grote wederpartijen. Art. 6:235 bepaalt dat er geen beroep kan worden gedaan op de vernietigingsgronden van art. 6:233-234 door: (a) een rechtspersoon (art. 2:360), die ten tijde van het sluiten van het contract zijn jaarrekening openbaar heeft gemaakt, of ten aanzien waarvan op dat tijdstip art. 2:403 is toegepast; (b) en een andere partij, wanneer ten tijde van het sluiten van het contract bij haar meer dan vijftig mensen werkzaam waren. Deze uitzonderingen zijn er, omdat dit sterke contractanten zullen zijn die geen bescherming behoeven. Zij zijn echter niet volledig onbewapend want een beroep op art. 6:248 lid 2 blijft mogelijk. Art. 6:235 lid 3 zondert nog een andere groep uit van de bescherming van de art 6:233-234: een partij die meermalen dezelfde of bijna dezelfde algemene voorwaarden heeft gebruikt in haar overeenkomsten. Dit komt overeen met de gedachte: de pot mag de ketel niet verwijten dat zij zwart ziet.
    • Ook de vernietiging van de algemene voorwaarden door de gebruiker zelf is denkbaar. Bijvoorbeeld in de situatie dat de algemene voorwaarden door een gevolmachtigde van de gebruiker in zijn naam zijn gebruikt. De gebruiker wordt tegemoet gekomen in art. 6:235 lid 2: er kan een beroep worden gedaan op de vernietigingsgrond van art. 6:233 sub a door een partij voor wie de algemene voorwaarden door een gevolmachtigde worden gebruikt, mits de wederpartij meermalen overeenkomsten sluit waarop dezelfde of bijna dezelfde algemene voorwaarden van toepassing zijn. Wanneer voldaan is aan alle eisen van art. 6:233-234, zijn een of meerdere algemene voorwaarden vernietigbaar. De vernietiging en haar gevolgen zijn overgelaten aan het algemene rechtshandelingenrecht van titel 3.2.

    Welke gevolgen heeft vernietiging?

    • Het gevolg van de vernietiging van de algemene voorwaarden is dat zij (met terugwerkende kracht) nietig zijn. Partijen zijn er dan niet meer aan gebonden. De rest van de overeenkomst is nog wel geldig, mits het restant niet in onverbrekelijk verband staat met het nietige deel (art. 3:41). Hier moet objectief naar worden gekeken, omdat voor partijen vaak sprake is van een geheel.
    • Er is bij vernietiging nog een andere mogelijkheid, namelijk conversie van de AV. De conversie houdt in dat de AV zo worden aangepast dat ze wel geldig zijn, art. 3:42.
    Wat zegt de wet over uitleg en uitvoering van een overeenkomst?

    Wat zegt de wet over uitleg en uitvoering van een overeenkomst?

    Beginsel van contractvrijheid

    • In Nederland kennen we het beginsel van contractsvrijheid. Partijen kunnen in beginsel over alles een overeenkomst sluiten. Dit alles dient wel te gebeuren naar redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW).

    Hoe moet een overeenkomst worden uitgelegd?

    • De inhoud van een contract kan niet alleen puur taalkundig worden geanalyseerd. Als er bijvoorbeeld in een huurcontract staat dat de verhuurder ten alle tijden mag controleren of de huurvoorwaarden worden nageleefd, betekent dit redelijkerwijs niet dat hij ook om drie uur ’s nachts mag aankloppen. Ook de vertrouwensleer van art. 3:35 is hier van belang. Wanneer de wederpartij in gerechtvaardigd vertrouwen is afgegaan op de verklaring van de andere partij, mag deze uitgaan van de verklaring, ookal komt deze niet overeen met zijn werkelijke wil.
    • Daarnaast heeft de Hoge Raad (in het Haviltex-arrest)de over en weer-formule geformuleerd: bij de uitleg van contractsbepalingen komt het aan ‘op de bedoeling die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten’. Dit alles geldt ook voor mondelinge overeenkomsten.

    Op welke wijzen kan een overeenkomst worden aangevuld?

    • Wanneer er tijdens de uitvoering van de overeenkomst een leemte blijkt te zijn, wordt de overeenkomst aangevuld door de wet, de gewoonte en de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1) (zie het arrest Saladin/HBU)
    • Zo wordt er een aanvulling in de wet gegeven op bijvoorbeeld het kopen van een computer, of het afsluiten van een hypotheek. Als er iets fout gaat en er is bij de overeenkomst niets hierover geregeld, dan neemt de wet het over. Dit is regelend recht. Er is daarnaast ook dwingend recht. Dit zijn bijvoorbeeld de nietigheidsbepalingen (art. 3:40) of de verhuring van woonruimtes (art. 7:232 e.v.). Daarnaast kunnen ook bijvoorbeeld plaatselijke gewoontes als aanvulling dienen op leemtes in de overeenkomst. Overigens kunnen partijen afspreken deze gewoontes buiten toepassing te laten.
    • Tot slot kunnen ook de redelijkheid en billijkheid de leemtes inkleuren.

    Wat houdt ‘redelijkheid en billijkheid’ in?

    • Redelijkheid en billijkheid vormen samen één begrip en zijn ongeschreven recht.
    • Redelijkheid en billijkheid worden in art. 3:12 omschreven als: ‘Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken.’ Dit moet overigens gebeuren aan de hand van objectieve maatstaven, en niet slechts berusten op een gevoel van de rechter. Als er bijvoorbeeld bij een overeenkomst een exoneratieclausule is opgenomen (een bepaling die de aansprakelijkheid van een partij voor bepaalde schade uitsluit), terwijl deze naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, dan kan aan deze clausule voorbij worden gegaan. Bijvoorbeeld wanneer een plastisch chirurg door zijn fout een persoon enorm verminkt, terwijl deze persoon heeft ondertekend de chirurg te vrijwaren van elke aansprakelijkheid. In dit geval zou het onaanvaardbaar zijn, naar redelijkheid en billijkheid, om deze bepaling intact te houden.
    • De schakelbepaling art. 6:216 maakt het mogelijk om de eis van redelijkheid en billijkheid ook toe te passen op andere ‘meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen’. Zo valt het artikel bijvoorbeeld ook toe te passen op de huwelijkse voorwaarden, aangezien dit meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen zijn.
    • Binnen het goederenrecht zijn redelijkheid en billijkheid overigens niet van belang. Redelijkheid en billijkheid zien toe op persoonlijke rechten. Goederenrechtelijke rechten kunnen dus niet begrensd wordt door de redelijkheid en billijkheid, maar wel door misbruik van het recht (zie bijvoorbeeld art. 3:13). Redelijkheid en billijkheid spelen alleen in het goederenrecht een rol indien dit met zoveel woorden in de wet is genoemd (bijvoorbeeld art. 5:78) of wanneer er feitelijk een relatief recht bestaat. Wanneer er bijvoorbeeld een erfdienstbaarheid bestaat, kan het dienende erf een periodieke betaling – de retributie – eisen van het heersende erf. Deze retributie is een verbintenis en hierop zijn dan dus ook gewoon de eisen van redelijkheid en billijkheid van toepassing.
    • In geval van onvoorziene omstandigheden is de rechter bevoegd om de gevolgen die voortvloeien uit de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Art. 6:258 noemt drie voorwaarden:
    1. Er dient sprake te zijn van onvoorziene omstandigheden;

    2. Die van dien aard zijn dat de wederpartij ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag verwachten;

    3. Mits één der partijen dit verlangt.

    • De rechter mag dus alleen ingrijpen in zeer bijzondere omstandigheden. Deze onvoorziene omstandigheid moeten ook in de toekomst gelegen zijn, althans hij moeten nog niet bekend of te voorzien zijn ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Men komt aan een wijziging of ontbinding op grond van onvoorzienbare omstandigheden bijvoorbeeld niet toe indien:
      • De gewijzigde omstandigheid in de persoonlijke sfeer ligt. Als men bijvoorbeeld een bruidsjurk heeft besteld, waarnaar vervolgens de bruiloft niet meer doorgaat, dan is dit geen onvoorziene omstandigheid in de zin van art. 6:258.
      • De omstandigheid zelf is veroorzaakt.
      • In de overeenkomst een speculatief element is ingebouwd. Anders zou bijvoorbeeld de aandelenhandel niet kunnen voortbestaan. Wanneer men namelijk aandelen koopt, weet men dat men niet weet wat er in de toekomst met de waarde van deze aandelen gebeurd. Dit is dan ook geen onvoorziene omstandigheid in de zin van art. 6:258.
    Wat is de betekenis en de functie van het recht?

    Wat is de betekenis en de functie van het recht?


    Wat zijn rechtsregels?

    • In het dagelijks leven zijn we aan het recht onderworpen, bewust of onbewust. Zo stoppen we voor een rood verkeerslicht (verkeersrecht), kopen in de supermarkt twee pakken spaghetti en pastasaus (sluiten een koopovereenkomst), etc. Deze rechtsregels hebben een aantal functies. Ten eerste verschaffen ze informatie. Ze maken namelijk duidelijk welke rechten en plichten iemand heeft. Ten tweede maken ze duidelijk hoe we ons behoren te gedragen en wat we mogen verwachten van anderen. Ten derde  laten ze zien hoe ons leven gestuurd wordt door rechtsregels.

    Wat zijn sociale regels?

    • Naast rechtsregels bepalen ook sociale regels het gedrag van mensen. Zo zijn er algemeen aanvaarde regels in het maatschappelijke verkeer, groepsregels, morele regels en regels van beroepsethiek. Dikwijls overlappen rechtsregels en andere sociale regels elkaar.

    Hoe zit het rechtssysteem in elkaar?

    • Het rechtssysteem, met haar juridische regels en instituten, stuurt en ordent de samenleving en het sociale leven. Het rechtssysteem heeft vijf functies:
      • Het scheppen van sociale orde.
      • Het bevorderen van niet-gewelddadige conflictbeslechting.
      • Het garanderen van de individuele ontplooiing en autonomie van burgers.
      • Het bewerkstelligen van een zo rechtvaardig mogelijke verdeling van schaarse goederen in de samenleving, oftewel verdeling van lusten en lasten.
      • Het kanaliseren van sociale verandering.
    • Ter verwezenlijking van de doelstellingen van het rechtssysteem heeft de overheid verschillende organen met verschillende functies in het leven geroepen. De overheid heeft immers de belangrijkste taak bij het realiseren van de doelstellingen. De belangrijkste functies zijn wetgeving, bestuur en rechtspraak.
    • Wetgeving is het vaststellen van algemene regels. Alle regels moeten gerealiseerd worden. Dit houdt in: uitvoeren en toepassen. De tweede belangrijke staatsfunctie is daarom bestuur. Deze functie ligt bij de uitvoerende macht. Bestuur betekent dat de overheid overheidsorganen instelt die regels uitvoeren, toepassen of op de naleving ervan toezien. Dit laatste wordt ook wel handhaving genoemd. De derde functie is de rechtspraak. Deze functie ligt bij de onafhankelijke rechterlijke macht. De rechter is het orgaan dat oordeelt of er overtreding van rechtsregels heeft plaatsgevonden.

    Welke verschillende soorten rechtsregels bestaan er?

    • Er kunnen allerlei soorten rechtsregels onderscheiden worden. Enkele soorten zijn: gedragsnormen, bevoegdheidsverlenende normen en sanctienormen.
    • Gedragsnormen zijn rechtsregels die een gedraging gebieden, toestaan of verbieden. Een sanctienorm is een regel die aangeeft welke sanctie kan volgen op een overtreding van de gedragsnorm. Vaak zijn gedragsnorm en sanctienorm aan elkaar gekoppeld, maar zij kunnen ook afzonderlijk (in aparte wetten) van elkaar worden geformuleerd. Bevoegdheidsverlenende normen verlenen aan staatsorganen een bepaalde macht, bijvoorbeeld het verrichten van bepaalde handelingen of het vaststellen daarvan.

    Wat wordt verstaan onder de positiviteit, gelding en effectiviteit van het recht?

    • Onder ‘positief recht’ wordt verstaan dat het recht in een bepaalde gemeenschap door mensen vastgesteld of erkend. Dit valt niet altijd samen met het ideale recht. Het ideale recht is het recht dat men wenst of nastrevenswaardig vindt. Het positieve recht kan voor een persoon geheel of gedeeltelijk met het ideale recht samenvallen. De begrippen ‘rechtvaardigheid’ en ‘het ideale recht’ fungeren als toetssteen voor positief recht.
    • Positieve rechtsregels hebben meestal gelding, oftewel zijn verbindend. Rechtsregels hebben op een bepaalde tijd en plaats voor een bepaalde groep personen een aanspraak op gehoorzaamheid. De rechtsregel legt rechten, plichten of bevoegdheden vast die juridisch afdwingbaar zijn.
    •  ‘Effectiviteit van recht’ betekent dat het recht in het algemeen daadwerkelijk gehoorzaamd wordt dan wel daadwerkelijk toegepast of gehandhaafd wordt. Niet alle positieve rechtsregels in het rechtssysteem zijn effectief. Er zijn rechtsregels die niemand naleeft en het komt ook voor dat de overheid bewust of oogluikend de overtreding van rechtsregels toelaat. Dit wordt ook wel gedoogbeleid genoemd. Het komt ook voor dat een regel buiten toepassing wordt gelaten wegens strijd met een andere regel.

    Welke twee betekenissen heeft ‘recht’?

    • In het juridische spraakgebruik worden ten minste twee betekenissen gebruikt. Ten eerste het objectieve recht. Met objectief recht wordt het geheel van alle rechtsregels bedoeld. Ten tweede het subjectieve recht. Een subjectief recht doelt op een bevoegdheid of aanspraak. Een subjectief recht komt toe aan een of meer personen. Het geeft een ‘mogen’ aan.
    • De grondrechten nemen als specifieke groep subjectieve rechten een prominente plaats in. In Nederland zijn zij opgenomen in Hoofdstuk 1 van de Grondwet (hierna: Gw). Hierin zijn klassieke vrijheidsrechten te vinden die een vrije sfeer van het individu ten opzichte van de overheid willen waarborgen (zie bijv. artt. 1, 6, 7, 8, 9, 10 Gw), maar ook zogenaamde sociale grondrechten (artt. 18-23 Gw). Laatstgenoemden moeten vooral worden gezien als een opdracht aan de overheid om essentieel geachte doeleinden na te streven.
    • De twee betekenissen van het recht staan niet los van elkaar: subjectieve rechten berusten namelijk op het objectieve recht. Iemand heeft bevoegdheden, rechten en plichten, wanneer deze gebaseerd kunnen worden op rechtsregels die behoren tot het objectieve recht. In het Engels wordt de term subjectief recht aangeduid met ‘right’ en het objectief recht met ‘law’.

     

    Verder lezen en bronnen?

     

    Recht en bestuur: vragen en antwoorden over vakken en vakgebieden

    Recht en bestuur: vragen en antwoorden over vakken en vakgebieden

    Wat is arbeidsrecht en wat is sociaal recht?

    Wat is arbeidsrecht en wat is sociaal recht?

    Wat is arbeidsrecht en sociaal recht?

    • Arbeidsrecht en sociaal recht vormen het geheel aan rechtsregels dat betrekking heeft op arbeidsverhoudingen en bestaanszekerheid.

    Wat is arbeidsrecht?

    • Het arbeidsrecht is het geheel van rechtsregels dat betrekking heeft op de arbeidsverhouding van de beroepsbevolking in de private en de publieke sector.
    • In de private sector wordt dit arbeidsrecht genoemd en in de publieke sector ambtenarenrecht.
    • Het arbeidsrecht is in grote mate gericht op de bescherming van de 'onzelfstandige' beroepsbevolking tegen de risico’s van de industriële samenleving. Van belang is dat de vorm van organisatie van arbeidsverhoudingen bepaald wordt door de economische orde van een land in een bepaalde tijd.

    wat is sociaal recht?

    • Wanneer je geen betaald werk verricht, ben je op de sociale zekerheid aangewezen om in je bestaan te kunnen voorzien. Het recht van de sociale zekerheid geldt voor alle Nederlandse burgers, dus niet alleen voor de onzelfstandige beroepsbevolking.
    • Het recht van de sociale zekerheid en het arbeidsrecht worden samen aangeduid als sociaal recht.
    • De beroepsbevolking omvat alle personen, die hetzij als zelfstandige, hetzij als werknemer bij een particuliere werkgever of bij de overheid werkzaam zijn, alsmede de werklozen (die betaald werk zoeken en voor werk beschikbaar zijn
    • De beroepsbevolking omvat alle personen, die hetzij als zelfstandige, hetzij als werknemer bij een particuliere werkgever of bij de overheid werkzaam zijn, alsmede de werklozen (die betaald werk zoeken en voor werk beschikbaar zijn).

    Wat zijn kernvragen bij het arbeidsrecht en sociaal recht?

    • Kernvragen bij arbeidsrecht en sociaal recht hangen af van het niveau van de interpersoonlijke relaties.
    • Bij de individuele relatie tussen werkgever en werknemer staan vragen centraal over hoe de arbeidsovereenkomst en het onslaan van mensen geregeld zijn bij wet.
    • Wanneer gekeken wordt naar de collectieve relaties tussen werkgevers en werknemers wordt bestudeerd hoe de medezeggenschap, CAO en stakingen geregeld zijn.
    • En op het gebied van sociale zekerheid worden vragen gesteld naar de bestaanszekerheid van burgers op het gebied van arbeid en inkomen door uitkeringen en reïntegratieactiviteiten.

    Waarom zijn arbeidsrecht en sociaal recht belangrijk?

    • Iedereen die in Nederland woont heeft behoefte aan bestaanszekerheid. Daarmee kom je van jong tot oud in aanraking met arbeidsrecht en sociaal recht. Of je nu als werknemer of werkgever een loonverband aangaat (en o.m. te maken krijgt met loon, vakanties, verlof of onstlag) of een pensioen, uitkering of reïntegratieactiviteit moet aanvragen of verlenen - arbeidsrecht en sociaal recht bieden de relevante regelgeving.
    • Voor juristen, beleidsmedewerkers, werkgevers en betrokken werknemers bieden arbeidsrecht en sociaal recht essentiele voorkennis om conflicten te voorkomen en op te lossen en om zeggenschap op de juiste wijze te organiseren.

    Verder lezen:

    Wat is burgerlijk procesrecht?

    Wat is burgerlijk procesrecht?

    Wat is het burgerlijk procesrecht?

    • Het burgerlijk procesrecht valt uiteen in twee verschillende delen:
      • Het vermogensrecht: waar rechten ter vrije beschikking van de rechtssubjecten staan. De tussenkomst van de rechter wordt ingeroepen voor beslechting van een geschil over de inhoud van de rechtsbetrekking en/of ter verkrijging van een afdwingbare vordering.
      • Het personen- en familierecht: waar rechten niet ter vrije beschikking staan. De taak van de rechter is hierbij het behartigen van specifieke belangen.
    • Dit verschil werkt door in de doelstellingen en de regels van de betreffende rechtspleging.

    Wat is het vermogensrecht?

    • Op dit terrein heeft het gerlijk procesrecht (bpr) tot taak om het mogelijk maken aanspraken, die voortvloeien uit het privaatrecht, op een efficiënte, effectieve en eerlijke wijze te verwezenlijken. Het bpr heeft een regeling voor (1) de procedure die tot een beslissing omtrent de rechtsverhouding tussen partijen moet leiden en (2) de tenuitvoerlegging van die beslissing: de executie. Deze twee onderdelen zijn met elkaar verbonden door het vonnis.
    • De hoofddoelstelling van het bpr is het mogelijk maken dat de crediteur, die een aanspraak heeft op een geven, doen of nalaten, een veroordeling van de debiteur krijgt die hij, zo nodig met overheidshulp, kan executeren (art. 3:296 BW). Het bpr dient eigenrichting tegen te gaan. Eigenrichting is het afdwingen, zonder overheidshulp met eigen machtsmiddelen, van een burgerrechtelijke aanspraak. Dit probeert het bpr tegen te gaan door middelen tot handhaving van de privaatrechtelijke rechtsorde ter beschikking te stellen. Het bpr moet dus voldoende rechtsbescherming bieden zodat men niet in de verleiding komt ‘het recht in eigen hand te nemen’.
    • Een rechtsvordering is de in rechte ingestelde eis. Uitgangspunt is de materiële aanspraak van de schuldeiser (het subjectieve recht, waaraan een vorderingsrecht is verbonden).De taak van de rechter om bij vermogensrechtelijke geschillen afdwingbare veroordelingen uit te spreken of te beslissen, wordt wel contentieuze ofwel eigenlijke rechtspraak genoemd.

    Wat is het personen- en familierecht?

    • Op dit terrein treedt de rechter vaak ordenend op, als orgaan van de uitvoerende macht. Rechtssubjecten moeten eenvoudig toegang hebben tot de rechter en de rechter moet in staat gesteld worden de hem opgedragen staatszorg actief uit te oefenen. Op het terrein van het personen- en familierecht heeft de rechter meer vrijheid. Bij personen en familierecht is meer sprake van vrijwillige rechtspraak. Dit wordt ook wel voluntaire jurisdictie ofwel oneigenlijke rechtspraak genoemd.
    Wat is bestuursrecht?

    Wat is bestuursrecht?

    Wat is bestuursrecht?

    • Bestuursrecht kan kort en bondig omschreven worden als “recht voor, van en tegen het overheidsbestuur.” Het bestuursrecht behandelt wetten, regels, normen en instrumenten van de overheid op verschillende beleidsterreinen - hetgeen rechten en plichten met zich mee brengt voor burgers, private organisaties en overheid.
    • Centraal staan dan ook vragen als: hoe komen bestuursorganen aan de bevoegdheid om besluiten te nemen die burgers binden zonder dat de burger daar toestemming voor heeft gegeven? Wat kunnen burgers doen wanneer zij het niet eens zijn met dit soort eenzijdige besluiten? Kan iedere burger tegen dit soort besluiten ingaan of is de toegang tot de rechter beperkt?

    Waarom is bestuursrecht relevant?

    • Iedereen in Nederland krijgt vroeg of laat met het bestuursrecht te maken. Zo worden bouwvergunningen aangevraagd, of worden burgers gestraft omdat ze te hard hebben gereden. Ook worden vergunningen om evenementen te organiseren, uitkeringen of subsidies aangevraagd.
    • Vrijwel ieder bedrijf heeft wel één of meer vergunningen nodig van de overheid of kan om overheidssubsidies vragen.
    • Rechters moeten de regels toepassen in de geschillen die aan hen worden voorgelegd en juristen en beleidsmedewerkers bij de overheid zijn dagelijks bezig met het op- en bijstellen van die regels.

    Verder lezen

    Wat is civiel recht, burgerlijk recht of privaatrecht?

    Wat is civiel recht, burgerlijk recht of privaatrecht?

    Wat is civiel recht, burgerlijk recht of privaatrecht?

    • Het privaatrecht regelt rechtsverhoudingen tussen burgers onderling. Een rechtsverhouding is het geheel van rechten en plichten tussen twee of meer personen. Kenmerkend voor privaatrechtelijke relaties is dat de partijen in beginsel gelijkwaardig zijn en dat partijen hun juridische relatie zelfstandig mogen regelen binnen de grenzen die de wet aangeeft.
    • Privaat recht wordt ook wel civiel recht of burgerlijk recht genoemd

    Hoe is het Burgerlijk Wetboek opgedeeld?

    • Het Burgerlijk Wetboek (BW) bevat het belangrijkste en grootste stelsel van regelingen in het privaatrecht en is onderverdeeld in negen boeken:
      • Boek 1 van het BW gaat over personen- en familierecht.
      • Boek 2 van het BW gaat over rechtspersonen (zoals verenigingen, naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen).
      • Boek 3 omvat het vermogensrecht in het algemeen. Het vermogen is het totaal van rechten en plichten dat iemand op een bepaald moment heeft, voor zover die rechten en plichten op geld waardeerbaar zijn.
      • Boek 4 omvat het erfrecht en geeft regels over de overgang van de nalatenschap (het vermogen dat een overledene nalaat).
      • Boek 5 behandelt de zakelijke rechten (rechten met betrekking tot stoffelijke voorwerpen).
      • Boek 6 bevat het algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht. Verbintenissen zijn juridische relaties tussen een schuldeiser en schuldenaar.
      • Boek 7 en 7a regelen de bijzondere overeenkomsten zoals koop, huur, de arbeidsovereenkomst.
      • Boek 8: hierin staan de onderwerpen verkeersmiddelen en het vervoer.
      • Boek 10 gaat over het internationaal privaatrecht.
    • Privaatrechtelijke regels zijn ook te vinden buiten het BW, bijvoorbeeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (deze wet bevat voorschriften over de gerechtelijke procedure in burgerlijke zaken).

    Bronnen en meer lezen

    Wat is erfrecht, personen- en familierecht en huwelijksvermogenrecht?

    Wat is erfrecht, personen- en familierecht en huwelijksvermogenrecht?

    Wat is personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht of erfrecht?

    • Personen- familie- huwelijksvermogens- en erfrecht vormen het geheel aan rechtsregels dat de rechtspositie en rechtsverhoudingen van en tussen personen regelt. Het zijn nauw verwante rechtsgebieden die elk een eigen kernvraag hebben.
    • Hoe is de rechtspositie van een persoon (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid en bescherming) bij wet georganiseerd? Op welke wijze zijn de rechtsverhoudingen tussen natuurlijke personen op het terrein van families en relaties geregeld? Hoe zit het met vermogen en het aangaan en uit maken van relaties? Hoe dient de verdeling van vermogen bij overlijden te geschieden?

    Waarom zijn deze rechtsgebieden van belang?

    • Iedere staatsburger heeft per definitie te maken met de nederlandse staat en regelgeving op dit vlak.
    • Bij het samenwonen, aangaan van formeel partnerschap, het krijgen of adopteren van kinderen en het uit elkaar gaan van elkaar door vrije wil of overlijden komen deze rechtsgebieden dichtbij.
    • Voor mensen die lange tijd naar het buitenland gaan of kinderen uit het buitenland willen adopteren biedt dit kennisgebied veel aanknopingspunten om jezelf en je naasten te organiseren
    • Voor juristen of pedagogen die zich bezig houden met de bescherming van kinderen, of fiscalisten en notarissen die zich bekommeren over de bescherming van vermogen is dit noodzakelijke kennis om conflicten te voorkomen

    Verder lezen

    Wat is Europees Recht?

    Wat is Europees Recht?

    Wat is Europees recht en waarom is het relevant voor Nederland?

    • Met Europees recht wordt er met een juridische blik gekeken naar de Europese Unie. Het Europees recht werkt in toenemende mate door in de Nederlandse rechtsorde. Hiertoe zijn in de loop der tijd rechtsmiddelen ontwikkeld en dit heeft verschillende rechtsvragen opgeworpen. Voor eenieder die geïnteresseerd is in 'de macht van Brussel' is Europees recht daarom relevant.
    • Internationaal georiënteerde juristen, bestuurskundigen of beleidsmederkers (of mensen die onder meer actief zijn met internationale handel en belastingen, mensenrechten, of vrij verkeer van personen) komen bijna per definitie in aanraking met de rechten, plichten en rechtswegen die de Unie biedt. Voor hen is het dan ook essentieel om Europees recht te doorgronden en om rekening mee te houden.

    Wat zijn de kernvragen van Europees recht

    • Hoe is de Unie ingericht en hoe werkt ze?
    • Hoe werkt de wetgeving en bestuur van de Europese Unie en waar gaan deze wetten over en waarom?
    • Hoe is de verhouding tussen Europese en nationale rechtsorde?
    • Welke instellingen bestaan er binnen de EU en wat doen ze?
    • Wat is de positie van het individu of van een EU-burger binnen het recht van de EU?
    • Hoe zit het met het vrije verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen binnen de Unie?
    • Hoe is het mededingingsrecht op Europees niveau ingericht?
    • Hoe zit het met de bescherming van de mensenrechten op Europees niveau?
    • Welke invloed hebben de Raad van Europa en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens? En hoe lopen Europese rechtsgangen?

    Verder lezen

    Wat is faillissementsrecht of insolventierecht?

    Wat is faillissementsrecht of insolventierecht?

    Wat is faillissementsrecht of insolventierecht?

    • Het faillissementsrecht, ook wel insolventierecht, genoemd biedt regels rond de betalingsonmacht van personen, de surseance van betaling, het faillissement en de schuldsaneringsregelingen
    • Een schuldenaar is in principe met zijn gehele vermogen aansprakelijk voor zijn schulden, zo stelt het beginsel van het verhaalsrecht ex art. 3:276 BW. Wat er gebeurt als de schuldenaar niet meer kan betalen of hierin problemen voorziet komt  bij het faillissementsrecht aanbod

    Waarom is faillissementsrecht relevant?

    • Faillissementsrecht biedt veelal oplossingen voor lastige en soms pijnlijke burgerrechtelijke situaties.
    • Voor een belangrijk deel komt faillissementsrecht neer op een verdiepte studie van het vermogensrecht; het faillissementsrecht wordt dan ook wel de lakmoesproef van het vermogensrecht genoemd.
    • Voor juristen, fiscalisten, bedrijfskundigen, externe adviseurs en mensen die zelf actief zijn in een eigen onderneming of andere rechtspersoon biedt faillissementsrecht zeer belangrijke spelregels om conflicten te voorkomen bij betalingsonmacht

    Verder lezen

    Wat is fiscaal recht en belastingrecht?

    Wat is fiscaal recht en belastingrecht?

    Wat is fiscaal en belastingrecht?

    • Fiscaal recht, ook wel belastingrecht genoemd, betreft het geheel aan regels over de heffing en de invordering van belastingen.
    • Vragen die centraal staan bij belastingrecht zijn dan ook:
      • wie is de belastingplichtige?
      • Waarover betaalt hij belasting?
      • Hoeveel belasting betaalt hij?
      • Wanneer moet hij de belasting betalen?
      • Welke rechten en verplichtingen heeft hij?
      • Op welke wijze wordt de belasting geïnd?

    Waarom is belasingrecht relevant?

    • Het belastingrecht speelt een belangrijke rol in onze maatschappij. Dagelijks worden personen en bedrijven geconfronteerd met de heffing van diverse soorten belastingen. Een basisbegrip van belastingrecht is dan ook voor iedereen relevant die wil weten hoe belasting wordt geheven en/of niet te veel belasting wil betalen.
    • Voor specifieke beroepsgroepen is fiscaal recht essentieel. Zo krijgt de arbeidsjurist te maken met loonbelasting en premieheffing en de advocaat, bedrijfskundige en bedrijfsjurist met fusies waar fiscale aspecten een grote rol spelen. Zelfstandig ondernemers krijgen te maken met inkomsten- en/of vennootschapsbelasting.
    • Rechters dienen in civiele zaken belastingschade te kunnen bepalen, belangadviseurs en ambtenaren bij het ministerie van financieen krijgen dagelijks te maken met fiscale zaken en notarissen kunnen feitelijk niet om fiscaal recht heen.

    Wat is handelsrecht?

    Wat is handelsrecht?

    Wat is het handelsrecht?

    • Het juridische aspect van de handel zit hem vooral in het afsluiten van internationale commerciële contracten. Handelskoop is de grondslag; vervoer, betaling en verzekering zijn daarbij onmisbaar. De commerciële contracten in deze deelgebieden kunnen gezien worden als de schakels die samen de keten van de goederenstroom vormen. Bij handelsverkeer is er meestal sprake van een koopcontract, die vervolgens zorgt voor een goederen-, geld- en documentenstroom.
    • In de handel is zekerheid vereist. Er worden pas goederen overhandigd wanneer de betaling van die goederen verzekerd is. Aan de andere kant wil de koper ook waar voor zijn geld (value of money). Om deze reden zijn er documenten in het leven geroepen, waarbij geabstraheerd wordt van onderliggende rechtsbetrekkingen (wissel en cheque, documentair krediet, cognossement etc.).
    • Het handelsrecht bevat dan ook regelingen over - onder andere - het voeren van een bedrijf (boekhouding), vervoer (vervoersrecht), verzekeringen (verzekeringsrecht), faillissement (faillissementsrecht).

    Wat is internationaal handelsrecht?

    • Het internationale handelsrecht beoogt in hoofdzaak door liberalisering van de handel in goederen en diensten bij te dragen aan de groei en ontwikkeling van de economie. Het bepaalt in hoofdzaak bevoegdheden, rechten en plichten van staten en internationale organisaties op het gebied van internationale handel. Het handelsrecht wordt beheerst door zowel mondiale als regionale organisaties.

    Wat zijn de vijf kenmerken van het handelsverkeerrecht?

    1. Het beginsel van rechtszekerheid. De risico’s van handelsovereenkomsten worden verwerkt en berekend op grond van het toepasselijke recht. Internatonale verdragen, die toepasselijk zijn op zakelijke contracten, zijn vaak de bronnen van het handelsrecht. Nationaal recht is over het algemeen niet afgestemd op internationale rechtsverhoudingen, waardoor internationale regelingen een beter perspectief bieden op rechtszekerheid.
    2. Het beginsel van vertrouwensbescherming. Vertrouwensbescherming van derden is in de handel cruciaal. Houders van toonder- en orderpapieren kunnen niet worden bestookt met verweren uit de onderliggende rechtsverhouding in het kader waarvan het papier is uitgebracht.
    3. Vlot handelsverkeer. Het is van groot belang dat de goederenstroom spoedig en zonder juridische barrières plaatsvindt. Daarom zijn er een aantal hulpmiddelen tot stand gekomen die dit proces bevorderen, zoals de toonder- en orderpapieren die zorgen voor een eenvoudigere overdraagbaarheid van vorderingen aan derden. Derden mogen zich baseren op de schijn van recht die het papier laat zien; hetgeen niet kenbaar is aan derden, kan niet aan hen worden tegengeworpen.
    4. Drie en meer partijenverhoudingen. Derden zijn veelal nauw betrokken bij handelstransacties in het handelsverkeer. En het is daarom belangrijk dat deze derden beschermd worden.
    5. Internationale dimensie. Bij handelsrecht is er behoefte aan internationale overeenstemming, voor het nationale recht is er slechts een bescheiden rol weggelegd. Verdragen zijn daarom van groot belang.

    Bronnen

    Wat is ICT-recht?

    Wat is ICT-recht?

    Wat is ICT-recht?

    • ICT-recht is een modern rechtsgebied dat raakvlakken heeft met alle hoofdgebieden van het recht. Vragen die onder meer bij ICT-recht centraal staan zijn:
      • wat is de invloed van technologie op het recht (vb: anonimisering van de internetgebruiker en het grensoverschrijdend karakter van het internet);
      • wat zijn de privaatrechtelijke invloeden van informatietechnologie (vb: ICT conctracten en aansprakelijkheid voor informatie);
      • wat zijn de bedrijfsrechtelijke aspecten van informatietechnologie (vb: belastingheffing op het internet en eigendom van informatie);
      • wat zijn de bestuursrechtelijke en staatsrechtelijke dimensies van informatietechnologie (vb: vrijheid van meningsuiting, privacy en openbaarheid van bestuur) en wat is de strafrechtelijke kant van informatietechnologie (vb: diefstal van virtuele goederen, virussen en hacking)?
    • Ook wordt er aandacht besteed aan hoe ICT kan en mag worden ingezet om informatie te verzamelen die het juridische proces ondersteunt.

    Waarom is ICT-recht relevant?

    • Informatie en communicatietechnologie hebben een dermate ingrijpende invloed op ons dagelijks leven dat het voor eenieder relevant is om op de hoogte te zijn van welke rechten, beschermingen, plichten en verboden er op je rusten wanneer je je in een digitale omgeving bevindt.
    • ICT-recht is dan ook voor vele mensen relevant, zoals de aanbieder van producten en informatie op internet die wil weten wat zijn plichten zijn en of die automatisch mag contracteren, of eenieder die iets koopt of een overeenkomst afsluit op internet die wil zien of die juridische bescherming geniet of niet, of de bestuurskundige die interesse heeft in de verzameling van informatie over alle Nederlandse burgers, of de bedrijfskundige die wil weten hoe het zit met eigendom van informatie, de criminoloog die wil weten of de moderne opsporingstechniek binnen de wet valt of de jurist die mensen hierin van advies kan voorzien
    Wat is intellectueel eigendomsrecht?

    Wat is intellectueel eigendomsrecht?

    Wat is intellectueel eigendomsrecht?

    • Het intellectueel eigendomsrecht wordt ook wel privaatrechtelijke mededingingsrecht genoemd. 
    • Dit recht beschermt (commerciële) creativiteit. Het zorgt ervoor dat de innoverende ondernemer de beloning van zijn creativiteit kan opstrijken en kan optreden tegen een derde die munt probeert te slaan uit zijn innovativiteit.

    Welke deelgebieden kent het intellectueel eigendomsrecht?

    Het intellectueel eigendomsrecht kent negen deelgebieden:

    • Het octrooirecht
    • Het modellenrecht
    • Het auteursrecht
    • Het merkenrecht
    • Het handelsnaamrecht
    • Het kwekersrecht
    • Het topografierecht
    • Het naburig recht

    Bronnen en meer lezen

    Wat is internationaal publiekrecht?

    Wat is internationaal publiekrecht?

    Wat is internationaal publiekrecht?

    • Internationaal publiekrecht stelt de regels voor het uitoefenen van publiek gezag in de internationale gemeenschap.
    • Binnen het internationaal publiekrecht komen vragen aan de orde als
      • Hoe worden onderwerpen als oorlog en vrede, handel, het internationale scheepsverkeer, mensenrechten, het milieu, of het gebruik van de ruimte internationaal gereguleerd?
      • Hoe zijn de Verenigde Naties ontstaan en wat zijn hun verantwoordelijkheden?
      • Hoe is het internationaal recht ontstaan en wat is de verhouding met het Nederlands recht?
      • Wie zijn de deelnemers aan de internationale rechtsorde?
      • Hoe ver mogen staten reiken en wat zijn de beperkingen die het internationaal publiekrecht daaraan stelt?
      • Wat zijn de regels ten aanzien van verdragen, handhaving of schendingen van het internationaal publiekrecht?
      • Hoe worden geschillen beslecht in de internationale rechtsorde?

    Waarom is internationaal publiekrecht relevant?

    • Dagelijks zijn oorlog, vrede, afgesloten verdragen en internationale politiek in het nieuws en in toenemende mate hebben deze internationale verhoudingen invloed op de nationale politiek en het dagelijks leven van burgers. Internationaal publiekrecht is een belangrijke normatieve en institutionele factor in de internationale betrekkingen en een goed begrip daarvan is daarmee voor iedereen relevant.
    • Internationaal georiënteerde juristen of beleidsmederkers (of mensen die onder meer actief zijn met internationale handel en belastingen, mensenrechten, of vrij verkeer van personen) komen geregeld in aanraking met het internationaal publiekrecht en voor hen is het dan ook extra belangrijk om zich te verdiepen in het internationaal publiekrecht en gebruik te maken van de mogelijkheden die het biedt.

    Wat is het algemene deel van het internationaal publiektecht en wat zijn de bijzondere deelgebieden?

    • Het internationaal publiekrecht kan verdeeld worden in enerzijds een algemeen deel en anderzijds bijzondere deelgebieden.
    • Het algemeen deel beslaat de overkoepelende beginselen en leerstukken die op elk deelgebied van toepassing zijn.  De regels van het algemeen deel gelden altijd en overal, ongeacht tijd en plaatsen en gaat over vragen als
      • wat gebeurt er bij de schending van een internationale verplichting?,
      • wat zijn de uitgangspunten van geschillenbeslechting
      • wat zijn de uitgangspunten zoals het beginsel van goede trouw
      • wat zijn de uitgangspunten bij aansprakelijkheid na schending van een internationale verplichting
    • De bijzondere delen zijn voortdurend in beweging.  Verschillende groepen staten en andere actoren hebben regels opgesteld om gemeenschappelijke belangen in deze kaders veilig te stellen. Voorbeelden van bijzondere delen zijn
      • het internationaal strafrecht,
      • internationaal milieurecht,
      • internationale rechten van de mens,
      • internationale recht van de zee,

     

     

     

    Wat is strafrecht?

    Wat is strafrecht?


    Wat is strafrecht?

    • Het strafrecht houdt zich bezig met het bestraffen van personen die een strafbaar feit hebben gepleegd. De Staat heeft een monopolie om te straffen omdat alleen de overheid mag straffen. Een burger die een strafbaar feit pleegt moet verantwoording afleggen aan de overheid, die hem vervolgens straf kan opleggen. Dit is een belangrijk verschil met het civiele (of burgerlijke) recht, waarin de verhouding tussen burgers onderling wordt geregeld. De Staat blijft hier buiten, omdat het civiele recht een zaak is van twee (of meer) burgers.
    • Het strafrecht is opgedeeld in twee onderdelen, het materiele strafrecht en het formele strafrecht.zHet materiele strafrecht, het rechtsgebied dat regelt welke gedragingen onder welke omstandigheden strafbaar zijn, waaruit de straffen bestaan en onder welke voorwaarden het strafrecht mag worden toegepast. Het formele strafrecht, ook wel strafprocesrecht genoemd, omvat de regels die nodig zijn om het strafrecht uit te kunnen voeren en te verwezenlijken.

    Wat is materieel strafrecht

    • De volgende vragen staan centraal in het materiele strafrecht
      • Welke gedragingen zijn wel of niet toegestaan in Nederland en welke personen kunnen daarvoor gestraft worden?
      • Welke strafbepalingen zijn er (zoals oplichting, moord, diefstal etc.)?
      • Wat is de structuur van het strafbare feit?
      • Hoe zit het bijvoorbeeld met medeplichtigheid, wederrechtelijkheid, causaliteit, opzet, culpa, poging en voorbereiding, noodweer, daderschap, deelneming of strafuitsluitingsgronden?

    Waarom is materieel strafrecht relevant?

    • Wanneer een strafbaar feit wordt gepleegd, zal de overheid optreden ter bescherming van de rechtsorde. Daarbij kan de overheid ver ingrijpen op het leven van burgers, door bijvoorbeeld vrijheidsstraffen op te leggen of andere dwangmiddelen toe te passen.
    • Strafrecht vraagt derhalve om rechtspolitieke keuzes van wat rechtvaardig is, waarbij het belang tussen samenleving, verdachten en slachtoffers continu in acht genomen moet worden.

    Wat is formeel strafrecht?

    • Mensen die met strafprocesrecht bezig zijn vragen zich af hoe de gang van zaken juridisch is geregeld tussen het gepleegde strafbare feit en de sanctionering door een rechter, of van het doen van onderzoek tot en met de tenuitvoerlegging van een opgelegde straf.
    • Zo wordt onder meer behandeld:
      • An welke regels is opsporing gebonden, of vervolging, wat is het rechterlijk beslissingsmodel (348/350 Sv)?
      • wat is wel of geen bewijs, wat zijn de consequenties van onrechtmatig verkregen bewijs?
      • Hoe dient een vonnis gemotiveerd te worden?

    Waarom is strafprocesrecht relevant?

    • Of je het nu wil of niet, je zal in Nederland altijd in aanraking komen met zaken die het strafprocesrecht aangaan. Van beveiligingscamera's op de muur tot meer blauw op straat, de 'sterke arm van de wet' zal er altijd zijn om je te beschermen en indien nodig op te sporen.
    • Het is dan ook voor iedere burger relevant te weten waar de grenzen liggen van deze overheidsmacht.
    • Voor juristen en criminologen of opsporingsambtenaren en politieagenten is het niet alleen relevant maar essentieel om te weten wat de overheid wel of niet rechtmatig mag doen in het opsporen of vervolgen van een verdachte, want voor hen kan een kleine overtreding het verschil betekenen tussen vrij of vast - of schuld of onschuld.

    Verder lezen?

     

    Wat is ondernemingsrecht en waarom bestaat rechtspersonenrecht?

    Wat is ondernemingsrecht en waarom bestaat rechtspersonenrecht?

    Wat zijn de kernvragen van ondernemingsrecht?

    • In het ondernemingsrecht bevinden zich de rechtsvormen waarmee ondernemingen gedreven kunnen worden.
    • Het regelt drie onderwerpen: Hoe wordt de interne structuur van een onderneming geregeld? Wie zijn bevoegd om als vertegenwoordigers van de onderneming rechtshandelingen te verrichten? Hoe is de aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid van bijvoorbeeld bestuurders geregeld?

    Waarom is ondernemingsrecht relevant?

    • De rechtsvorm is in feite een gereedschap om de onderneming goed te kunnen laten functioneren. Het eerste doel van het ondernemingsrecht is dan ook facilitair. Dit betekent dat de juridische ondernemingsvormen sterk beïnvloed worden door het functioneren van een onderneming. Een voorbeeld hiervan is de efficiency van een onderneming.
    • Ondernemingsrecht is dan ook noodzakelijke kost voor mensen die zich bezig houden met het opzetten van een bedrijf of andere rechtspersoon; actief en betrokken deelnemen in een rechtspersoon; of juristen, bedrijfskundigen, mediators, bestuurskundigen of anderen die conflicten binnen en tussen rechtspersonen proberen op te lossen.

    Meer informatie

    Wat is staatsrecht, en waarom is er staatsrecht?

    Wat is staatsrecht, en waarom is er staatsrecht?

    Wat is staatsrecht?

    • Het staatsrecht betreft de regelgeving omtrent de staat als organisatorisch verband. Het heeft betrekking op de organen van de staat, op de instelling ervan, hun bevoegdheden, hun verhouding tot elkaar en die tot de burgers.
    • Vragen die centraal staan zijn de volgende: wat is een staat eigenlijk? Hoe is de Nederlandse staat ingericht en hoe worden de basale rechten van burgers beschermd? Waar halen overheidsinstanties het recht of de bevoegdheid vandaan om beslissingen te nemen waar wij als burgers aan gebonden zijn? En binnen welke grenzen moeten ze daarbij blijven?

    Waarom is staatsrecht relevant?

    • We krijgen allemaal te maken met de beslissingen van de overheid en het is dan ook voor iedereen relevant te zien waar de grenzen van deze beslissingen liggen en hoe deze overheidsbeslissingen kunnen worden beinvloed.
    • Voor juristen of criminologen is het niet alleen relevant maar zelfs noodzakelijk om iets te weten over de (beperkte) bevoegdheden van de overheid. Bij overheidsoptreden zullen de jurist en criminoloog zich namelijk altijd af moeten vragen of de staat wel bevoegd is te handelen en at de juridische grenzen zijn van getroffen maatregelen.

    Verder lezen

     

    Wat is vermogensrecht?

    Wat is vermogensrecht?

    Wat is vermogensrecht?

    • Vermogensrecht gaat over alle op geld waardeerbare rechten en verplichtingen die iemand heeft, zoals vermogen, leningen, bevoegdheden en eigendom.
    • Het vermogensrecht bestaat uit verbintenissenrecht en goederenrecht.

    Wat is verbintenissenrecht?

    • Verbintenissenrecht gaat over de rechtsverhouding tussen particuliere personen onderling.

    Wat is goederenrecht?

    • Goederenrecht gaat over de rechtsverhouding tussen een persoon en een goed.
    Wat is bestuurskunde?

    Wat is bestuurskunde?

    • Een bestuurskundige kent het openbaar bestuur, haar aard en haar werking.
    • Een van de vaardigheden van een bestuurskundige is haar vermogen om verbanden te leggen tussen de verschillende manieren waarop bestuursverschijnselen kunnen worden begrepen. Hierbij wordt gekeken naar politicologische, sociologische, economische en juridische inzichten.
    • Doordat het openbaar bestuur zeer complex en gefragmenteerd is, is er behoefte aan een kennisintegrerende bestuurkunde.
    Wat is rechten studeren of een juridische opleiding volgen: waarom, waar en wat daarna?

    Wat is rechten studeren of een juridische opleiding volgen: waarom, waar en wat daarna?

    Rechten studeren of een juridische opleiding volgen?

    • Of je nu geïnteresseerd bent in maatschappelijke ontwikkelingen of graag advocaat wil worden, rechten is een brede studie met veel toepassingen. Zo is er bij een juridische studie niet alleen aandacht voor de mensenrechten en spannende strafzaken, maar gaat het ook over sociale en economische zaken. Zo kan het gaan over de handel en bijvoorbeeld de fusies van internationale bedrijven, maar ook over schrijnende echtscheidingen en de ergste sociale misstanden
    • De veelzijdigheid en verwovenheid met de maatschappij van de rechtsgeleerdheid komt in het bijzonder naar voren wanneer je kijkt naar de vele kennisgebieden waarin je je kan specialiseren. Zo kun je je onder meer bekwamen in Strafrecht, Internationaal recht, Arbeidsrecht, Europees recht, Personen- en familierecht, Vermogensrecht, ICT recht, Staatsrecht, Fiscaal recht, Ondernemingsrecht, Erfrecht of Bestuursrecht
    • De breedheid en belang van de studie komt tot zijn recht wanneer je bedenkt dat Rechtsgeleerdheid in vrijwel iedere studentenstad ter wereld wordt gedoceerd. Zo kun je in het Nederlandse taalgebied onder meer rechten gaan studeren op de Universiteit van Amsterdam, Vrije Universiteit, Hogeschool van Amsterdam, Universiteit Leiden, Hogeschool Leiden, Rijksuniversiteit Groningen, Maastricht University, Radboud Universiteit Nijmegen, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, Erasmus Universiteit Rotterdam, Tilburg University, Universiteit Utrecht of de Open Universiteit.
    • Het nut en toepasbaarheid van de studie vind je dan weer als je kijkt naar welke vacatures er allemaal zijn voor juristen. Zo kun je onder meer aan de slag als advocaat, notaris, beleidsmedewerker, regeringsadviseur, specialist in het bedrijfsleven, mensenrechten- en vluchtelingenbeschermer, promovendus of rechter-in-wording.
    Recht en bestuur: vragen en antwoorden per vak- en studiegebied

    Recht en bestuur: vragen en antwoorden per vak- en studiegebied

    Hoe zit de filosofie en rechtsgeschiedenis in elkaar, en wat zijn de deelgebieden?

    Hoe zit de filosofie en rechtsgeschiedenis in elkaar, en wat zijn de deelgebieden?


    Wat is codificatie?

    • Bij de Romeinen en de Grieken werd al onderscheid gemaakt tussen geschreven (ius ex scripto) en ongeschreven recht (ius ex non scripto). Codificatie valt onder het geschreven recht en vloeit voort uit de behoefte aan rechtszekerheid. Codificatie is een geschreven recht, waaraan de overheid een aan haar gezag ontleende, uitsluitende geleding toekent. Dit zorgt ervoor dat de rechtsoptekening volledig is. Het was de Engelsman Jeremy Bentham (1748-1832) die het woord voor het eerst gebruikte ten tijde van de Verlichting. Een codificatie moet voldoen aan drie kenmerken:
      • er moet een overheid zijn die gezag uitoefent over haar onderdanen;
      • het moet op schrift gesteld recht betreffen, en
      • dat recht moet volledig zijn.

    Hoe verliep de rechtsgeschiedenis van het Romeinse Recht?

    • Het Romeinse recht is van grote invloed geweest op het moderne recht; nog steeds zijn er sporen van dit recht terug te vinden in de moderne rechtsstelsels. Grote delen van Europa, maar ook andere delen van de wereld, hebben in het verleden onder Romeins gezag gestaan. Toch hangt de verspreiding van het Romeinse recht slechts gedeeltelijk hiermee samen. Er zijn immers ook grote gebieden, waaronder delen van Duitsland maar ook de Nederlandse provincie Friesland, die nooit onder Romeins gezag hebben gestaan. Toch is ook hier het Romeinse recht gaan gelden dankzij de renaissance.

    Hoe zag een personele executie er in de Romeinse tijd uit?

    • In de Romeinse tijd was een executie gericht tegen een persoon en niet zoals bij ons tegen diens vermogen.
    • Bij de Romeinen had onze term verbintenis nog de letterlijke betekenis, namelijk het boeien en daarmee tot slaaf maken van de schuldenaar door de schuldeiser. Dit kon enkel met een executoriale titel. De schuldeiser legde als teken van macht zijn hand op de schouder van de schuldenaar, zodat die laatste machteloos werd (handoplegging). Het resultaat was dat diegene slaaf werd; hij werd van rechtssubject tot rechtsobject en was dus juridisch gezien geen persoon meer.

    Hoe zag het personaliteitsbeginsel en vaderlijke macht er uit?

    • Vreemdelingen bestonden (net als slaven) in beginsel juridisch niet omdat ze geen subjectieve rechten hadden.
    • Ze namen echter wel deel aan het rechtsverkeer onder de fictie ‘alsof zij Romeinse burgers waren’. De vreemdelingen bleven naar hun eigen recht leven, waar ze zich ook bevonden. Men noemt dit het personaliteitsbeginsel.
    • Keizer Caracalla (ook wel Antonius) gaf in 212 op enkele uitzonderingen na (Joden en Egyptenaren) alle ingezetenen het Romeinse burgerschap, de constitutio Antoniniana. Hierdoor werd het personaliteitsbeginsel omgezet in het territorialiteitsbeginsel.
    • In het latere keizerrijk werd dit echter weer omgezet in het personaliteitsbeginsel met betrekking tot de Germaanse volksstammen die zich in het rijk vestigden.
    • Er is nog een groep mensen die zodanig in hun rechten en plichten werden beperkt dat men ze gelijk zou kunnen stellen met slaven. Dit waren de mannelijke en vrouwelijke Romeinen die onder de vaderlijke macht (patria potestas) stonden.
    • Zij waren enerzijds gewoon Romeinsrechtelijk burger en konden met toestemming van de vader allerlei rechtshandelingen verrichten en hadden dus in die zin een juridische persoonlijkheid en aan de andere kant waren zij uitgesloten van alle op geld waardeerbare rechten en verplichtingen. Ze waren afhankelijk van de pater familias en werden alieni iuris (van andermans recht) genoemd. De vaderlijke machthebber werd sui iuris genoemd: van eigen recht.

    Hoe werkt dit heden ten dage nog door?

    • Het formele burgerlijke recht regelt de handhaving van het materiële burgerlijke recht. Het materiële recht gaat over de rechtsbetrekkingen tussen burgers onderling. Men kan ook nog een onderscheid maken tussen objectief en subjectief recht. Het objectieve recht is het geheel van rechtsregels dat in een bepaalde tijd en in een bepaalde gemeenschap geldt. In het objectieve recht worden bevoegdheden toegekend, dit heet een subjectief recht. Je kan dus zeggen dat het objectieve recht subjectieve bevoegdheden verleent.
    • De drager van subjectieve rechten en verplichtingen heet persoon. Het geheel van de aan personen gebonden rechten en plichten heet vermogen. Het overgrote deel ervan is op geld waardeerbaar. Ook een negatief vermogen is een vermogen. Alleen de personen aan wie het objectieve recht geen vermogen toekent heeft geen privaatrechtelijke persoonlijkheid, een rechtsobject. Ons recht kent zulke personen niet, het Romeinse recht wel: de slaven en mannen en vrouwen onder vaderlijke macht.
    • Daarnaast zijn er ook nog de personen aan die geen mens zijn: abstracte lichamen die dragers zijn van rechten en plichten en dus een vermogen hebben. Dit noemen wij de rechtspersonen (de staat, NV, BV, vereniging en stichting). Het Romeinse recht kende dit niet.

    Hoe ziet de geschiedenis van het vermogensrecht er uit?

    • De wetgeving van Justinianus bleef eeuwenlang de codificatie van het Byzantijnse rijk in de oorspronkelijke tekst.
    • Zij werd wel telkens aangevuld door Novellen van latere keizers. De novellen waren vaak in het Grieks, en de rest bijna helemaal in het Latijn De Byzantijnse bevolking kon dit niet spreken en lezen en al spoedig verschijnen er Griekse vertalingen.
    • Deze hadden op zichzelf geen rechtskracht: het pleidooi en de beslissing van de rechter moesten aanknopen bij de originele Latijnse tekst. Alleen een Novelle kon de latere tekst opzij zetten (lex posterior).
    • Omstreeks 900 na Chr. kwam keizer Leo de Wijze met het plan om de wetgeving van Justinianus te ordenen. Het werd een zuiveringsoperatie uitgevoerd onder de naam Basilica. Er kwamen 60 boeken uit geordend in titels. Per titel kwam er een onderwerp en voor zover mogelijk werden alle regels die erover bestonden hier samengevoegd. Aan het einde van de 12e is het verheven tot codificatie.
    • Vanaf 1350 gebruikte men een uittreksel van de Basilica in zes boeken: Hexabiblos. Dit is tot 1946 het officiële wetboek van Griekenland gebleven. Het vaste land van West–Europa heeft aan het einde van de 11e eeuw het Romeinse recht weer aangenomen als geldig recht (de receptie van het Romeinse recht).
    • Aan deze rechtseenheid kwam een einde toen de nationale codificaties werden ingevoerd. Voor Nederland was dat op 1 mei 1809: Wetboek Napoleon ingerigt voor het Koningrijk Holland. De nationale codificaties bouwden wel voort op het gemeenschappelijke Romeinse recht. Men zou het Romeinse recht, ius Romanum, de pater familias kunnen noemen van de rechtsfamilies.

    Hoe zag het procesrecht er in de Romeinse tijd uit?

    • Het procesrecht handelt over de regels die de rechtsstrijd, de procedure, het geding of het proces beheersen. Er zijn meerdere soorten gedingen en elk van deze gedingen heeft zijn eigen procesrecht. Het procesrecht wordt ook wel het recht der acties of actiënrecht genoemd, naar het Latijnse woord actio voor rechtsvordering en proces. Met een proces kun je een executoriale titel verwerven om je recht ten uitvoer te leggen.
    • Het Romeinse recht kende slechts één executoriale titel, namelijk het veroordelende of condemnatoire vonnis. Het huidige recht kent behalve aan executoriale titels ook aan authentieke akten executoriale kracht toe.
    • In het Romeinse recht werd altijd veroordeeld tot het betalen van een geldsom. Meestal ging het om de waarde van de zaak, en ook niet zelden om een veelvoud van die waarde, vastgesteld door een schatting. In het Romeinse recht was er dus alleen sprake van een reële executie indien de oorspronkelijke eis al een geldbedrag betrof. In het Romeinse recht ging de praetor onmiddellijk over tot executie indien de gedaagde niet verscheen.
    • Je moet de parate executie onderscheiden van eigenrichting. Hierbij neemt men het heft in eigen hand, de overheid komt er niet aan te pas. In het Romeinse recht kwam dit voor als een bestolene zijn gestolen zaak zelf onder de dief terugneemt.

    Wat valt er op aan het personen- en familierecht in de Romeinse tijd?

    • De Romeinse voogd was verantwoordelijk voor de zorg van het vermogen van de pupil. De Nederlandse voogd is hiernaast ook nog belast met de zorg voor de persoon van het kind.
    • De voogd in de Romeinse tijd kon op twee manieren zijn taak vervullen: door zelf voor de pupil te handelen en diens belangen waar te nemen of door de wilsverklaringen van de pupil te bekrachtigen. Aan het einde van de voogdij moest rekening en verantwoording worden afgelegd. Indien er sprake was van wanbeheer kon de pupil de voogd strafrechtelijk vervolgen en zijn privévermogen aanspreken. Hij moest dan ook de pupil aan het begin van de voogdij de zekerheid geven dat hij het vermogen intact zou laten. Dit kon worden gezien als een waarborg of een garantie en kon de zakelijke vorm aannemen van een hypotheek. Dit was een uitzondering op de regel dat een hypotheek alleen kon ontstaan als er sprake was van schuld.
    • De manier waarop een voogd tot voogdij kan worden geroepen is niet veranderd: door uiterste wil, door de wet of door benoeming. In het Romeinse recht werd er eest gekeken naar het testament. Indien de pater familias niets had bepaald of als het testament werd verworpen dan werd de naaste verwant in mannelijke lijn voogd. Dit was op grond van de wet. Als er geen verwantschap was dan benoemde de praetor een voogd. Buiten het eerste geval om was de voogdij een maatschappelijke plicht waar men slechts in uitzonderingen van kon onttrekken(hoge leeftijd, chronische ziekte of de zorg voor tenminste drie kinderen).
    • Een rechtspersoon is een drager van rechten en plichten die geen mens is. In beginsel is ze gebonden aan dezelfde regels als de natuurlijke personen. De rechtspersoon handelt door middel van organen (bestuur enz.). Vooral van belang zijn de publiekrechtelijke rechtspersonen, zoals de staat. Gemeente, waterschap enz. In Rome trad het Romeinse volk als eenheid op met een eigen vermogen, net zoals het vermogen van de keizer dat voor staatsdoeleinden was bestemd (fiscus) en dat overging op de ambtsopvolger in plaats van op erfgenamen. Ook werd een stad wel eens als eenheid beschouwd.
    • Het was echter niet hetzelfde als de rechtspersonen die wij kenen. De Romeinen zijn altijd een beetje bang geweest voor de consequenties die zouden kunnen volgen uit het benoemen van onbezielde persoon als juridische constructie.
    • NB. dit is niet alles dat opvalt aan het personen -en familierecht in de Romeinse tijd.

    Hoe was het vermogensrecht geregeld in het Romeinse rijk?

    • Iustiniani Digesta: ‘‘Wanneer iemand een stuk grond heeft verkocht onder het beding dat...als de koper mocht besluiten tot vervreemding, deze aan niemand anders dan hem zelf mag vervreemden,...zal hij op grond van de overeenkomst van verkoop schadevergoeding kunnen eisen’.
    • Toelichting: het Romeinsrechtelijke eigendomsbegrip heeft zijn stempel gedrukt op alle van het Romeins recht afgeleide rechtsstelsels. Bijzonder aan dit begrip is dat het algemeen en absoluut van aard is. Tevens dient men het, als juridisch begrip, te onderscheiden van het begrip ‘bezit’, omdat bezit van feitelijke aard is. Het Romeinse eigendomsbegrip is algemeen van aard omdat er géén principieel onderscheid wordt gemaakt tussen eigendomsrecht op een roerende zaak of die op een onroerende zaak. Het is absoluut omdat het onafhankelijk is van andere rechten.

    Wat is er belangrijk bij het goederenrecht in de Romeinse tijd?

    • Absolute of volstrekte rechten zijn rechten die je behalve tegen de wederpartij, ook tegen derden kunt inroepen en handhaven. Een subjectief recht dat enkel is in te roepen tegen de wederpartij en niet tegen derden, wordt een relatief of betrekkelijk of persoonlijk recht genoemd.
    • Een absoluut recht kan men, in tegenstelling tot een relatief recht, ook handhaven tegen een opvolger onder bijzondere titel. Opvolging onder algemene titel is de overgang van een heel vermogen, dus van het geheel van subjectieve rechten en plichten. Hierbij gaan behalve alle baten ook alle kosten over op de opvolger.
    • Het hangt van de manier waarop een recht is tot stand gekomen af of het een absoluut dan wel relatief recht is.
    • Absolute rechten zijn nu limitatief in de wet opgesomd en voor vestiging hiervan is, omdat ze zo ingrijpend zijn, een enkele overeenkomst niet voldoende. Dit recht is meestal gevestigd op een zaak. Ook het Romeinse recht kende maar een beperkt aantal absolute rechten. Dit kwam doordat er maar weinig formula’s bestonden en daarom het aantal acties beperkt was, want zonder formula geen actie. Derhalve waren er ook maar weinig rechten. Dit gold ook voor de relatieve rechten en beide waren dus beperkt in aantal.

    Welke verschillen zijn er tussen het verbintenissenrecht uit de Romeinse tijd en de huidige tijd?

    • In de allervroegste tijd was de verplichting tot het geven en doen van iets en het recht deze verplichting op te eisen als juridisch begrip onbekend. Men kon wel zedelijk tot iets verplicht zijn. Indien iemand dat wat afgesproken nakwam was dit vrijwillig en onverplicht. Het had kenmerken van een schenking. Men kon een gemaakte afspraak kracht geven door de schuldenaar met zijn persoon in te laten staan voor de toekomstige nakoming: hij stelde met zijn persoon garant. Dit moet men letterlijk opvatten, bij niet nakomen werd men slaaf.
    • Later verzwakte het lichamelijk geboeid zijn tot juridisch verbonden zijn. De Romeinen zijn hier echter nooit helemaal vanaf gestapt (denk aan het verbod op cessie). Wel zagen zij de verbintenis uiteindelijk, net als wij nu, als een rechtsbetrekking tussen tenminste twee personen, krachtens welke de een (de schuldeiser) gerechtigd is tot een prestatie, tot welke de ander (de schuldenaar) verplicht en in de regel aansprakelijk is.

    Welke invloed heeft de Romeinse tijd op het erfrecht gehad?

    • Alleen diegenen die geroepen waren maakten in het Romeinse recht aanspraak op de nalatenschap. Dit kon van rechtswege of door een positieve handeling, de aanvaarding.
    • Er waren maar twee gronden van het geroepen zijn tot de nalatenschap: de uiterste wilsverklaring en de wettelijke geroepenheid. Zowel toen als nu kon je niet door een overeenkomst erfgenaam worden. Er bestaat een onderscheid tussen testamentair ofwel intestaat erfrecht en het wettelijke erfrecht ofwel erfrecht bij versterf. De laatste vorm treedt in werking wanneer geen geldig testament is opgemaakt en somt in wettelijke volgorde de nabestaanden van de overledene die recht hebben op het nalatenschap op.
    • In het Romeinse recht sloten het intestaat en het testamentaire erfrecht elkaar uit. Als er maar voor een deel van het nalatenschap een testament was opgemaakt, werd dit uitgebreid tot de gehele nalatenschap. In ons recht kan men deels bij versterf en deels krachtens testament vererven.

    Op welke wijzen werd schadevergoeding toegepast vroeger en nu?

    • Het recht van de Germaanse volken die zich in de eerste eeuwen na Christus vestigden op het grondgebied van het uiteenvallende West-Romeinse Rijk, was het begin van de ontwikkelingen die later zouden leiden tot het hedendaagse straf- en schadevergoedingsrecht.
    • Het koninkrijk van de Franken was van de stamkoninkrijken het best georganiseerd en het christendom werd onder de bevolking verspreid. De Frankische koningen hadden uiteraard het gezag, maar de andere Germaanse volken hadden wel een relatief zelfstandige positie en het eigen stamrecht bleef behouden.
    • Ook bij de Germanen was de strafrechtspleging grotendeels een private aangelegenheid.
    • Dit kwam omdat het merendeel van de strafbare feiten beschouwd werd als een verstoring van de vrede tussen de familie van de dader en die van het slachtoffer. Het slachtoffer en zijn familieleden moesten zelf actie ondernemen tegen de dader en diens familie. Oorspronkelijk stond de ondernomen actie in het teken van eigenrichting, waarbij er kritische kanttekeningen konden worden geplaatst of dit wel evenredig was met het aangedane leed door de dader ten opzichte van het slachtoffer. Het lag meer voor de hand dat elke vorm van wraak was toegestaan om het conflict te kunnen beslechten en de vrede tussen de families te herstellen. Het gezag van de stamkoning was namelijk te zwak om deze vorm van eigenrichting aan banden te kunnen leggen.

    Hoe werden schuld en straf begrepen in de loop der geschiedenis?

    • Het inheemse strafrecht is lange tijd een strafrecht geweest dat voor een substantieel deel was gebaseerd op hetgeen wat kon worden waargenomen. De bewijsvoering en waarheidsvinding in deze procedures berustte onder meer op godsoordelen en procesproeven. Dit betekende dat de voor iedereen waarneembare uitkomst geacht werd het oordeel van God in te houden over het gelijk of ongelijk van de partij die dit moest ondergaan. Ook de persoon van de eedhelper die geen inhoudelijke verklaring aflegde over iets wat hij zou hebben waargenomen, maar enkel een formele eed ter bevestiging van de betrouwbaarheid van de partij die hij steunde, kan in dit licht worden bezien.

    Hoe werd er in de loop van de tijd gekeken naar rechter en rechtsbronnen?

    • Zoals elke archaïsche rechtscultuur bestond het recht van de Germaanse volken uit ongeschreven rechtsgewoonten. Deze rechtsgewoonten verschilden van stam tot stam, omdat elke stam zijn eigen stamrecht had en zij werkten personeel.
    • Dit betekende dat een lid van een bepaalde stam, waar hij zich bevond, altijd werd berecht op basis van zijn eigen stamrecht. Wanneer een stamlid een strafbaar feit begin op het grondgebied van een andere stam, dan waren toch de rechtsgewoonten van zijn eigen volk op hem van toepassing, en niet die van het volk waarvan hij de rechtsorde had geschonden.

    Welke veranderingen heeft het Europees Privaatrecht ondervonden in Frankrijk, Duitsland en Engeland?

    • Vóór de invoering van de Franse Code civil was men in Frankrijk, net zoals bij ons, van mening dat een verbintenis slechts een vordering jegens een persoon inhield en een goederenrecht een vordering op een goed. Een verbintenis leverde niet meteen eigendom van het goed op. Het recht op eigendom van de koper ontstond pas als de verbintenis (persoonlijke verplichting tot levering van de verkoper) ten uitvoer was gelegd. Sinds de Code Civil kan men echter door een verbintenis direct aanspraak maken op een goed. Levering of een andere 'traditio' is daarvoor niet een constitutief vereiste.
    • De overgang tussen verbintenissen- en goederenrecht is in verhouding tot 'ons' recht daardoor flink vervaagd. Deze 'vervaging' geldt echter slechts met betrekking tot de verbintenis tot levering van een goed. Met betrekking tot pand ('Gage') moet men naast een daartoe strekkende verbintenis nog steeds het in pand gegeven goed overdragen. Het nieuwe Franse beginsel van eigendomsoverdracht is gebaseerd op beginsel van de contractsvrijheid.

    Hoe ziet de geschiedenis van de Europese rechtswetenschap er in het algemeen uit?

    • De Europese rechtswetenschap kent een lange geschiedenis. Je zou kunnen zeggen dat er sprake was van een gemeenschappelijke Europese rechtswetenschap tot het moment van de nationale codificaties.

    Hoe heeft de Europese rechtswetenschap zich ontwikkeld vanaf de 12e eeuw tot de ontwikkeling van de nationale codificaties in de 18e eeuw (NB: toen was het Romeinse recht, met name het Corpus Iurus Civilis, van groot belang)?

    • Het juridisch Humanisme, een nieuwe kijk op het civiele recht, werd geïnspireerd door het nieuwe denken in plaats van het aannemen van alles, zoals dit tijdens de Middeleeuwen gebeurde. Het kwam op twee plaatsen in verschillende tijden tot bloei: in de 16de eeuw in Frankrijk en in de 17de eeuw in Nederland.
    • De juridisch Humanisten waren voornamelijk geïnteresseerd in de historische context van de teksten van het Coprus Iuris met behulp van niet-juridische bronnen uit die tijd. De meest bekende publicatie was de observatio, een korte tekst in het Latijn waarin een specifiek punt wordt gemaakt. Men ging in deze leer dus terug naar de oorsprong van de teksten, waarbij bijvoorbeeld Griekse teksten (Graeca leguntur) werden gebruikt om het Corpus Iuris te verklaren.
    • Het juridisch Humanisme werd echter niet in de praktijk met open armen ontvangen. Voornamelijk de juristen die in de praktijk werkten met het recht hadden veel kritiek. De teksten waar zij hun argumenten op baseerden werden namelijk in twijfel gesteld.

    Tussen de klassieke Oudheid en heden ten dage is het recht ingrijpend veranderd; welke wijzigingen zijn relevant en wat lag aan die wijzigingen ten grondslag?

    • De moderne tijd kenmerkt zich onder andere door de opkomst van de natuurwetenschap in de vijftiende en zestiende eeuw. Dit leidde tot een radicaal ander wereldbeeld dan het wereldbeeld van de voorafgaande periode. De individuele mens komt centraal te staan. Hierdoor dient een nieuwe argumentatie gevonden worden ter rechtvaardiging van de onderwerping van de individu aan de rechtsorde. De klassieke voorstelling van

    Hoe universeel zijn beginselen en waarden?

    • In 1999 werd door een groep Britse moslims het doodvonnis uitgesproken over Terrence McNally, een Amerikaanse toneelschrijver. In zijn toneelstuk werd Jezus Christus voorgesteld als homoseksueel. Dit werd door de moslimgroep als godslasterlijk omschreven. Het doodvonnis houdt in dat McNally, wanneer hij naar een islamitische land reist, moet worden aangehouden en terechtgesteld. De leider van de groep is een Syrische geestelijke die sinds 1982 op een staatsuitkering in Engeland woont met zijn gezin. Hij stelt dat hij doet wat eigenlijk de Kerk van Engeland behoorde te doen: optreden tegen McNally die de eer van Jezus verwaarloosd. Daarnaast heeft hij ook liever dat de Britse maatschappij een islamitische wordt. Dit doel kan prima bereikt worden door het gebruik van geweld.
    • Dit geval is relevant, omdat ons laat zien dat de wereld kleiner is geworden. Wat eerst ver weg leek, komt steeds dichterbij. Het betreffende toneelstuk werd geschreven door een Amerikaan en opgevoerd in Engeland, niet in Syrië, Saoedi-Arabië of een ander islamitisch land. Het delict ‘godslastering’ lijkt weer te zijn teruggekeerd in de westerse wereld. De sjeik eist namelijk dat de Saoedische wetgeving inzake godslastering ook in Engeland wordt toegepast.

    Hoe kan de democratische rechtsstaat als een legitiem staatsmodel gezien worden?

    • Een rechtsstaat ziet een politiek systeem waarbij bepaalde grenzen worden besteld aan de macht van de staat door het recht. Een rechtsstaat is een staat waarbij het recht boven de staat is verheven: het recht beperkt de macht van de wetgever, van de rechter en van de regering. Niet alle machtsbeperkingen zijn rechtsstatelijk: enkel die beperkingen die een basis hebben in het recht.
    • Het ideaal van de rechtsstaat kan het best worden verwezenlijkt, wanneer:
      • De staat gebonden is aan recht (legaliteitsbeginsel);
      • De staat gebonden is aan grondrechten;
      • Dit recht en deze grondrechten zijn neergelegd in een speciaal document (grondwet);
      • Dit document enkel met verzwaarde meerderheid kan worden gewijzigd;
      • Een speciaal orgaan de bevoegdheid heeft om te waarborgen dat de rechten van de burgers niet door de staat worden geschonden (constitutionele toetsing.

    Op welke manier speelt de scheiding van staat en kerk tegenwoordig nog?

    • Atheïsme is de ontkenning van het bestaan van een specifieke god: een transcendente, persoonlijke, geheel goede, almachtige schepper van hemel en aarde. Het atheïsme kent een lange historie, maar het is lastig te achterhalen hoeveel atheïsten er daadwerkelijk geweest zijn. Zij werden in het verleden immers vervolgd en gestraft. Het etiket ‘atheïst’ kan ook nu nog ernstige gevolgen hebben in sommige landen. Het is daarom onduidelijk hoeveel atheïsten zich in bijvoorbeeld Saoedi-Arabië en Iran bevinden.

    Wat zijn de klassieke grondslagen van het hedendaagse recht?

    • De verlichting is geen ideologie of een religie, maar een culturele periode in de geschiedenis van Europa. Het is tevens een kritische houding tegenover verschillende overgeleverde tradities en gebruiken. Volgens Kant is verlichting ‘het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij te wijten heeft aan zichzelf. Onmondigheid is het onvermogen zijn verstand te gebruiken zonder de leiding van een ander. De oorzaak van deze onmondigheid is niet het gebrek aan verstand, maar een gebrek aan moed.’

    Wat houden legaliteit en legitimiteit in rechtspositivisme en natuurrechtsleer?

    • Het hogere recht staat ook wel bekend als het ‘natuurrecht’. Dit natuurrecht bestaat vanzelf (is aldus niet een creatie van de menselijke hand) en brengt tot uitdrukkelijk dat het hogere recht onveranderlijk en overal van kracht is. Voorstanders worden ook wel natuurrechtsaanhangers genoemd. Er zijn verscheidene varianten van natuurrechtelijk denken, maar de volgende kenmerken worden in alle varianten teruggevonden:
    1. Status: er is sprake van een absolute gelding van het natuurrecht.
    2. Bron: het natuurrecht vloeit voort uit de natuur.
    3. Keninstrument: de rede. Voor het kennen van het natuurrecht zijn de redelijke vermogens van de mens toereikend.
    4. Functie: kritische toets. Er wordt een inhoudelijke toets gebruikt voor de gelding van het positieve recht in de vorm van natuurrechtelijke beginselen. Wanneer positief recht deze toets niet doorstaat, kan dit niet als geldig worden erkend.
    5. Inhoud: metafysische ideeën. De inhoudelijke toets bestaat uit een verzameling van metafysische en speculatieve ideeën.

    Hoe en waarom is de juridische bescherming van de mens tot stand gekomen en ontwikkeld?

    • De herontdekking van het Corpus iuris civilis heeft gezorgd voor een gemeenschappelijke rechtscultuur van het continent, vooral voor het privaatrecht.
    • De wettekst is in de zesde eeuw na Christus ontstaan en kent een duizendjarige voorgeschiedenis - namelijk  begonnen bij de Wet van de XII Tafelen uit 451 voor Christus. Deze bleef van kracht tot aan Justinianus tijdperk en dit wordt het eerste leven van het Romeinse recht genoemd.
    • Het tweede leven van het Corpus iuris civilis betreft de hernieuwde bestudering van de wettekst in de twaalfde eeuw. Receptie begon in de vroegmoderne tijd en eindigde toen men begon te codificeren in de negentiende eeuw. In dit tweede leven heeft de voorgeschiedenis van het Romeinse recht geen rol gespeeld.
    • Het gecodificeerde recht bevatte inmiddels elementen die terug waren te leiden op Romeinsrechtelijke teksten. Dit is het derde leven van het Romeinse recht.

    Bronnen en verder lezen?

    Hoe zit het arbeidsrecht en sociaal in elkaar, en welke onderdelen kan je bestuderen?

    Hoe zit het arbeidsrecht en sociaal in elkaar, en welke onderdelen kan je bestuderen?

    Wat is het arbeidsrecht?

    • Het arbeidsrecht, ook wel sociaal recht genoemd, is het geheel van rechtsregels dat betrekking heeft op de arbeidsverhouding van de onzelfstandige beroepsbevolking in de private en de publieke sector. In de private sector wordt dit commune arbeidsrecht genoemd en in de publieke sector ambtenarenrecht. 
    • Bij arbeidsrecht is er sprake van ongelijkheidscompensatie. In het algemeen is de werknemer de zwakkere partij tegenover de in de praktijk sterkere werkgever. Om de zwakkere positie van werknemers te compenseren is de arbeidsovereenkomst apart geregeld. Die aparte regeling heeft vooral betrekking op onderwerpen als loon(betaling), aansprakelijkheid, bescherming bij ongevallen, arbeidsomstandigheden en bescherming bij ontslag.
    • De arbeidsovereenkomst is vooral geregeld in Boek 7 BW, maar ook in aparte wetten.

    Welke soorten dienstverband zijn er?

    • In Nederland kennen we een arbeidsovereenkomst, opdrachtovereenkomst en de overeenkomst tot aanneming van werk.
    • Er is pas sprake van een arbeidsovereenkomst als er in een gezagsverhouding tegen betaling arbeid wordt verricht (7:610 BW).
    • Kenmerkend voor de opdrachtovereenkomst is dat er geen sprake is van een gezagsverhouding.
    • Kenmerkend voor de overeenkomst tot aanneming van werk is dat het moet gaan om het maken van iets stoffelijks en dat de arbeid niet persoonlijk hoeft te worden verricht. De aannemer mag dus weer iemand anders inhuren als het eindresultaat maar goed is. In de praktijk van het arbeidsrecht speelt de overeenkomst tot aanneming van werk een minder grote rol.
    • De opdrachtovereenkomst speelt daarentegen wel een belangrijke rol, omdat het onderscheid tussen de arbeidsovereenkomst en de opdrachtovereenkomst niet altijd gelijk duidelijk is. Dat komt bijvoorbeeld doordat vooral hoger geplaatste werknemers ook een hoge mate van zelfstandigheid hebben. Of er in die gevallen sprake is van een arbeidsovereenkomst (waarbij dus wel sprake is van een gezagsverhouding) of een opdrachtovereenkomst (waarbij dus geen sprake is van een gezagsverhouding) moet per geval worden beoordeeld.

    Wanneer kan een arbeidscontract worden gewijzigd?

    • Verschillende redenen kunnen aanleiding geven tot het wijzigen van de arbeidsvoorwaarden. De vraag is of de werknemer verplicht is een wijziging te accepteren. Het antwoord hangt af van de arbeidsovereenkomst en de omstandigheden van het geval. Wel is er een kader dat dient ter beantwoording:
      • uitleg van de arbeidsovereenkomst
      • instemming van de werknemer met een wijziging
    • Vaak wordt in arbeidscontracten een eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen. De werkgever behoudt zich dan het recht voor tot eenzijdig wijzigen van de arbeidsovereenkomst en de arbeidsvoorwaarden. Aan dit beding zijn strikte voorwaarden verbonden. Een beroep op dot beding van de werkgever kan alleen werking hebben als er sprake is van
      • een op schrift gesteld beding
      • een situatie waarin de werkgever kan aantonen dat hij een zodanig zwaarwegend belang heeft dat het belang van de werknemer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Hier is overigens niet snel sprake van.
    • Instemming door de werknemer op een verzoek tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden mag niet te snel worden aangenomen. Dit heeft te maken met zijn afhankelijke positie ten opzichte van de werkgever. De werkgever mag ook niet aannemen dat de werknemer akkoord is gegaan met een functiewijziging als aan deze functie een lager salaris is gekoppeld. De Hoge Raad heeft bepaald dat er een bewijslast rust op de werkgever wanneer deze situatie zich voordoet. Er zijn wel uitzonderingen op deze regel in de jurisprudentie te vinden en dan zal de bewijslast bij de werknemer liggen.

    Wat is een CAO?

    • Nederland kent momenteel een kleine duizend CAO’s (Collectieve Arbeidsovereenkomsten). Deze CAO’s bepalen de rechtspositie van driekwart van de Nederlandse werknemers en zijn daarmee een van de belangrijkste rechtsbronnen in het arbeidsrecht. Het belang van een CAO voor werknemers is dat zij collectief sterker staan dan alleen. Bovendien zorgt een CAO voor de werkgever voor efficiëntie en duidelijkheid over de arbeidsvoorwaarden.
    • CAO’s komen tot stand door een (meestal jaarlijks) overleg tussen werkgevers en vakbonden. De basis voor de onderhandelingen vormt de oude CAO, waarbij beide partijen wijzigingen voorstellen. Voor en tijdens de onderhandelingen wordt overleg met de achterban gevoerd. Ook wordt met de regering over de gevolgen voor de economie gesproken.
    • CAO’s zijn privaatrechtelijke overeenkomsten en daarom geldt voor de totstandkoming van een cao dat partijen vrij zijn in wat zij overeen willen komen en met wie zij daarover onderhandelen. Er bestaan geen wettelijke regels over de vraag of er een recht op toelating tot het overleg bestaat. Wel kan het onredelijk zijn als bepaalde representatieve vakorganisaties geweigerd worden. Deze organisaties kunnen een actie uit onrechtmatige daad instellen om toelating tot het overleg af te dwingen.

    Wat is stakingsrecht?

    • Een werkstaking is het collectief neerleggen van het werk door de werknemers, als protest of als middel teneinde de werkgever of derden tot handelen of nalaten te bewegen.
    • Men kan ook een collectieve actie voeren. Hieronder wordt dan verstaan: het in collectief verband niet of niet op de gebruikelijke wijze verrichten van de arbeidsprestatie. Een collectieve actie kan een werkstaking inhouden, maar kan bijvoorbeeld ook stiptheidsactie zijn.
    • In de praktijk wordt over het stakingsrecht gesproken, wanneer men het ruimere recht op collectieve actie bedoelt. Het stakingsrecht is een noodzakelijk element van het recht op collectief onderhandelen, omdat vakbonden op deze manier gelijkwaardige onderhandelingen kunnen afdwingen.
    • In artikel 6 lid 4 van het Europees Sociaal Handvest wordt het stakingsrecht erkend en dit recht kan volgens de Hoge Raad rechtstreeks worden ingeroepen op grond van art. 93 GW (NS-arrest). Daarmee is het stakingsrecht in Nederland als grondrecht erkend.

    Wat is medezeggenschapsrecht?

    • Medezeggenschap houdt in dat de werknemers invloed kunnen uitoefenen op het beleid en de samenstelling van de leiding van de arbeidsorganisatie.
    • Medezeggenschap is in Nederland een grondrecht (art. 19 Gw).
    • De ondernemingsraad (OR) is het belangrijkste orgaan van de medezeggenschap. Het is een zelfstandig orgaan met uitsluitend door werknemers gekozen leden en een uit zijn midden benoemde voorzitter. De rechten van de OR zijn in de Wet op de ondernemingsraden en in enkele bijzondere wetten geregeld.

    Bornnen en verder lezen:

     

    Hoe zit het fiscale en belastingrecht in elkaar, en welke onderdelen kan je bestuderen?

    Hoe zit het fiscale en belastingrecht in elkaar, en welke onderdelen kan je bestuderen?


    Wat zijn belastingen?

    • In juridische zin is belasting datgene wat de nationale wetgever als belasting wenst aan te duiden.
    • Belastingen in economische zin zijn inkomens- (of vermogens)overdrachten, anders dan bij straf, van niet overheidshuishoudingen en naar ten behoeve van een of meer overheidshuishoudingen als zodanig, en krachtens rechtsregels.

    Wat is de wettelijke basis van belastingheffen?

    • Belastingheffing berust op twee beginselen: het legaliteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel
    • Legaliteitsbeginsel: In art. 104 Grondwet staat dat de belastingen van het Rijk worden gegeven uit kracht van een wet. Alle heffingen van het rijk moeten bij wet worden geregeld. Dergelijke bepalingen zijn te vinden in art. 132 lid 6 Grondwet voor provincies en gemeenten. Verder is er in art. 133 lid 2 Grondwet voor de waterschappen. Deze bepalingen zijn uitwerkingen van het legaliteitsbeginsel.
    • Gelijkheidsbeginsel: Het gelijkheidsbeginsel is neergelegd in art. 1 Grondwet. Dit houdt in dat eenieder die zich in Nederland bevindt in gelijke gevallen gelijk wordt behandeld. Discriminatie op bijvoorbeeld ras en geslacht is niet toegestaan. De burger kan bij schending van dit grondwettelijke beginsel niet klagen bij de rechter, omdat er niet getoetst kan worden aan de grondwet. De burger kan wel een beroep doen op art. 26 BUPO en art. 14 EVRM. Dit wil niet zeggen dat er sprake is van discriminatie, omdat het mogelijk is dat voor het onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.

    Welke soorten belasting kent Nederland?

    Nederland kent de volgende soorten belasting:

    • Inkomstenbelasting: deze belasting dient te worden betaald over inkomsten van natuurlijke personen. Inkomstenbelasting is afhankelijk van de hoogte van het inkomen;
    • Vennootschapsbelasting: deze belasting moet worden betaald over de winst van rechtspersonen;
    • Loonbelasting: deze vorm van belasting wordt berekend over het loon van een werknemer. Meestal heeft de werkgever de loonbelasting al in mindering gebracht op het brutoloon. Loonbelasting is een voorheffing op de inkomstenbelasting. Dit houdt dus in dat de betaalde loonbelasting in mindering mag worden gebracht op de te betalen inkomstenbelasting;
    • Omzetbelasting: omzetbelasting of btw wordt in rekening gebracht door ondernemers. Deze vorm van belasting wordt geheven over de levering van goederen en diensten door ondernemers;
    • Dividendbelasting: deze belasting wordt betaald over de winstuitkering op aandelen, ofwel over dividend. Ook dividendbelasting is een voorheffing op de inkomstenbelasting;
    • Erfbelasting: deze belasting dient te worden betaald over een erfenis;
    • Schenkbelasting: schenkbelasting wordt betaald als een schenking wordt verkregen;
    • Kansspelbelasting: deze vorm van belasting wordt betaald over gewonnen prijzen(geld);
    • Overdrachtsbelasting: deze belasting wordt bij de verkrijging van onroerend goed betaald;
    • Motorrijtuigenbelasting: motorrijtuigenbelasting wordt betaald bij het hebben van een auto of motorrijwiel;
    • Belasting van personenauto’s en motorrijwielen: deze belasting wordt betaald bij registratie van een auto of motorijwiel;
    • Accijnzen: accijns wordt geheven op bijvoorbeeld alcohol en tabaksproducten;
    • Milieuheffingen: bijvoorbeeld waterbelasting en energiebelasting;
    • Provinciale belastingen en gemeentelijke belastingen: bijvoorbeeld de hondenbelasting.

    Wat is inventaris, de balans en de winst- en verliesrekening?

    • We kunnen het eigen vermogen van een onderneming uitrekenen door de bezittingen van die onderneming te verminderen met zijn schulden. Alle bezittingen en de schulden van een organisatie noemen we de inventaris. Inventariseren zijn de werkzaamheden die nodig zijn voor het samenstellen van de inventaris. De verkorte inventaris zijn de goederenvoorraad, debiteuren en crediteuren.
    • Als een onderneming vorderingen heeft op afnemers, noemen we deze afnemers de debiteuren. Deze staan altijd op de debetzijde van de balans vermeld. Op de creditzijde staan de crediteuren, dit zijn de schulden van de onderneming aan zijn leveranciers.
    • Op de balans vind je normaal gesproken de bezittingen van een organisatie en het eigen vermogen maar ook de schulden. De balans wordt meestal opgesteld in de scrontovorm. Er is dan een linker en een rechterkant op de balans. De linkerkant is dan de debetkant en de rechterkant is de creditkant. Op de debetkant staan de bezittingen van een organisatie en op de rechterkant staan de schulden van de organisatie en ook het eigen vermogen, dus de manier hoe de organisatie zijn bezittingen financiert.
    • De activa staat voor de bezittingen die een organisatie heeft en de passiva staat voor de manier waarop een organisatie zijn activa, oftewel zijn bezittingen, heeft gefinancierd. Het is een regel dat de totalen op de debet en de creditkant gelijk zijn.
    • De volgorde van de posten op debetzijde hangt af van de mate van liquiditeit van de activa. De liquiditeit is de snelheid waarmee een bezitting omgezet kan worden in geld. Er wordt op de balans eerst begonnen met de minst liquide activa, daarna neemt de mate van liquiditeit toe. Dus op de laatste plek staat de meest liquide activa.
    • De creditkant begint met het eigen vermogen waarop de schulden van de onderneming volgen. De schulden kunnen onderverdeeld worden in vreemd vermogen op de lange termijn en vreemd vermogen op de korte termijn.
    • Vreemd vermogen op de lange termijn is vermogen dat langer dan een jaar binnen de organisatie beschikbaar is. Vreemd vermogen op de korte termijn is slechts voor minder dan een jaar beschikbaar voor de organisatie. Op de balans tonen we eerst het vreemd vermogen op de lange termijn en vervolgens het vreemd vermogen op de korte termijn.
    • Denk er altijd aan om de posten crediteuren en debiteuren altijd boven de post bank te zetten.

    Wat is het grootboek en de proefbalans?

    • Om de administratie makkelijker te maken kun je in plaats van telkens opnieuw een balans en een resultatenrekening op te stellen, het boekhoudkundig model volgen. Het boekhoudkundig model bevat de volgende stappen:
    • Het grootboek
    • De proef en saldibalans
    • De resultatenrekening en de eindbalans
    • De afsluiting van de grootboekrekeningen
    • Het grootboek is bedoeld om voor elke balanspost afzonderlijk een overzicht bij te houden. In dit overzicht kunnen we alle financiële feiten opnemen. Het grootboek bevat de rekeningen bezit, schuld en het eigen vermogen. Ook de grootboekrekeningen kennen net als de balans een debet en een creditzijde.
    • Als je iets debiteert dan maak je een notitie op de debetzijde en bij crediteren maak je een aantekening op de creditzijde.
    • Een grootboek open je door het bedrag van een balanspost op dezelfde kant in het grootboek te zetten als deze staat op balans. Dus er geldt dat een bezitrekening wordt gedebiteerd met hetzelfde bedrag als waarvoor deze op de balans staat weergegeven. Een schuldrekening wordt gecrediteerd met hetzelfde bedrag als waarvoor deze op de balans staat vermeld. Het eigen vermogen wordt bij het openen van het grootboek gecrediteerd met hetzelfde bedrag waarvoor deze op de balans staat vermeld. Als we het grootboek openen, zetten we onder beschrijving het woord balans. De reden hiervoor is dat de hoogtes van de posten afkomstig zijn uit de balans.
    • Het is van belang dat er voor elke balanspost een rekening in het grootboek wordt geopend. Dit moet omdat ook de totalen van het grootboek op de debet en creditkant gelijk moeten zijn. Een bezitrekening wordt bij het openen van het grootboek gedebiteerd. Dit betekent dat als de bezitrekening toeneemt dat dit ook gedebiteerd wordt in het grootboek. Daar staat tegenover dat een afname gecrediteerd wordt.
    • Bij een schuldrekening geldt hetzelfde, omdat deze bij de opening van het grootboek wordt gecrediteerd, wordt een toename ervan ook gecrediteerd. Een afname moeten we debiteren. Ook het eigen vermogen wordt bij een toename gecrediteerd en bij een afname gedebiteerd.

    Wat is winst en winstbelasting?

    • Volgens art. 7 Wet Vpb wordt de winst van binnenlands belastingplichtigen geheven naar het belastbaar bedrag. Wat men hieronder moet verstaan, wordt in dezelfde bepaling behandeld: belastbare winst is de winst minus de aftrekbare giften (lid 3). Van de belastbare winst trekt men vervolgens de te verrekenen verliezen uit andere jaren af (lid 2) om tot het belastbare bedrag te komen.
    • In het vierde lid wordt uitgelegd wat men onder ‘jaar’ moet verstaan. In beginsel is dit het boekjaar, maar het is ook mogelijk dat het kalenderjaar gehanteerd wordt, wanneer belastingplichtige niet regelmatig boekhoudt met geregelde jaarlijkse afsluitingen. Het boekjaar telt in principe 12 maanden.
    • Wordt een dochtermaatschappij in de loop van een boekjaar onderdeel van een fiscale eenheid, dan geldt het gedeelte van het jaar waarin zij geen deel van de fiscale eenheid is, als een afzonderlijk boekjaar. Het overige deel van het jaar wordt ook als afzonderlijk boekjaar aangemerkt. De twee perioden kunnen als zelfstandige boekjaren betrokken worden in de verliesverrekeningsregeling van art. 20 Wet Vpb.
    • Het is overigens toegestaan dat binnenlands of buitenlands belastingplichtigen hun belastbare bedrag op verzoek berekenen in vreemde valuta, de zogenaamde functionele valuta (zie art. 7 lid 5 en 17 lid 1 Wet Vpb; de regeling is nader uitgewerkt in de ‘regeling functionele valuta’).

    Wat is verliescompensatie?

    • Art. 20 t/m 21a Wet Vpb gaan over de wijze waarin een verlies verrekend kan worden met in andere jaren behaalde winsten. Door deze mogelijkheid worden jaarlijkse schommelingen in de belastinggrondslag enigszins verzacht. Er is zowel vooruitwenteling als terugwenteling mogelijk.
    • In art. 20 lid 1 Wet Vpb wordt een ‘verlies’ gedefinieerd als het negatieve bedrag dat voortvloeit uit de berekening van de belastbare winst (voor binnenlands belastingplichtigen) of van het Nederlands inkomen (voor buitenlands belastingplichtigen; zie het laatste hoofdstuk).
    • Verliezen komen slechts in aanmerking voor verrekening, als ze bij beschikking (op het aangiftebiljet) zijn vastgesteld. Dit volgt uit art. 20 lid 2 en 20b Wet Vpb. Vervolgens vindt verrekening plaats met de belastbare winsten van de drie voorafgaande en alle volgende jaren. Deze verrekening vindt volgens art. 20 lid 4 Wet Vpb plaats in de volgorde waarin de verliezen geleden zijn en de belastbare winsten genoten zijn. De verrekening begint dus bij het oudste jaar, daarna gaat men verder bij het op één na oudste jaar, enzovoort. Pas als de terugwenteling niet voldoende is om het verlies te verrekenen, komt vooruitwenteling aan de orde.
    • De terugwenteling zal leiden tot een vermindering van de aanslag van het betreffende jaar. Deze vermindering vindt op grond van art. 21 lid 1 Wet Vpb plaats bij een door de inspecteur genomen beschikking.
    • Op basis van art. 21 lid 3 Wet Vpb is onder omstandigheden een voorlopige teruggaaf mogelijk, deze wordt ook verleend bij voor bezwaar vatbare beschikking. Zie art. 3 Uitv. Besch. Wet Vpb voor nadere regels omtrent de voorlopige teruggaaf.

    Wat is giftenaftrek?

    • Op grond van art. 16 Wet Vpb mogen giften gedaan aan levensbeschouwelijke, kerkelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke en algemeen nut beogende instellingen in aftrek komen van de belastbare winst. Het betreft hier de niet-zakelijke giften, aangezien giften met zakelijk karakter al in aftrek komen op grond van art. 8 Wet Vpb en art. 3.8 Wet IB.
    • De giften zijn aftrekbaar voorzover zij gezamenlijk niet meer bedragen dan een vooraf bepaald bedrag. De aftrek bedraagt maximaal een bepaald percentage van de winst.

    Wat is aftrek van de commissarisbeloning?

    • In art. 11 Wet Vpb worden beperkingen gesteld aan de aftrekbaarheid van de commissarisbeloning. Een commissaris is in dit verband een natuurlijke persoon die een aanmerkelijk belang (art. 4.6, 4.7 Wet IB) heeft in de vennootschap.
    • De aftrek van de winst wordt beperkt, omdat de wetgever inzag dat een commissarisbeloning het karakter van een winstuitdeling kan hebben.
    • De commissaris maakt deel uit van de (overigens niet bij alle vennootschappen verplichte) raad van commissarissen. Deze raad ziet toe op het bestuursbeleid en de algemene gang van zaken in de vennootschap en geeft het bestuur advies. De raad heeft tevens enkele specifieke bevoegdheden en taken, zoals het bijeenroepen van de algemene vergadering van aandeelhouders.
    • Fiscaal gezien wordt naar feitelijke omstandigheden bepaald of iemand commissaris is. Een persoon hoeft dus niet de titel commissaris te dragen, het uitvoeren van de taken en bevoegdheden van een commissaris is voldoende. Aan de andere kant is een commissaris die in feite de rol van bestuurder heeft, fiscaal gezien geen commissaris.

    Waar gaat de heffing bij buitenlandse belastingplicht over?

    • In art. 17 lid 1 Wet Vpb staat dat buitenlandse belastingplichtigen naar het belastbare Nederlandse bedrag belast worden. Hieronder wordt het Nederlandse inkomen verstaan, verminderd met de te verrekenen verliezen.
    • Er zijn twee bronnen:
      • Art. 17 lid 3a en 17a Wet Vpb: de belastbare winst uit Nederlandse onderneming. Dit is het bedrag van de voordelen die worden behaald met behulp van een onderneming (of een deel daarvan) dat gedreven wordt door middel van een vaste inrichting in Nederland.

      • Art. 17 lid 3b Wet Vpb: het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang mits dit niet tot het ondernemingsvermogen behoort.

    • De definitie die van het begrip ‘vaste inrichting’ gegeven wordt in het Besluit voorkoming dubbele belasting luidt als volgt: ‘een duurzame inrichting van een onderneming met behulp waarvan de werkzaamheden van die onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend’. Vervolgens worden voorbeelden gegeven. Denk bijvoorbeeld aan een fabriek of filiaal. De definitie geldt slechts voor het Besluit, maar geeft wel een indicatie.

    Bronnen en verder lezen

     

     

     

     

    Hoe zit het Europese recht in elkaar, en wat zijn de deelgebieden?

    Hoe zit het Europese recht in elkaar, en wat zijn de deelgebieden?

    Hoe wordt Europees Recht gevormd?

    • De Europese Unie (hierna ‘EU’) is een bijzondere internationale organisatie, in die zin dat zij een ‘politieke gemeenschap in wording’ is.
    • De EU groeit in het aantal lidstaten, complexiteit en taken. In de loop van deze ontwikkeling vormt zich het Europees recht, bestaande uit juridische regels, besluiten, feiten en structuren.
    • De EU kan gezien worden als een maatschappelijk verband tussen lidstaten. Kenmerken van dit verband zijn de ongebroken continuïteit sinds 1951 en de herhaalde schoksgewijze vernieuwing.

    Welke functie heeft het recht in de Unie?

    • Het recht in de Unie heeft zes functies:
      • Politiek: Europese landen binden door politieke processen
      • Historisch: in verdragen grote stappen vastleggen
      • Instrumenteel: door middel van regelgeving gestelde doelen nastreven
      • Conflictoplossend: geschillen beslechten
      • Sociaal-economisch: welvaart en solidariteit vermeerderen door het vergemakkelijken van uitwisseling van bijvoorbeeld diensten
      • Individueel: burgers handelingsmogelijkheden en bescherming bieden tegen overheden en elkaar
    • De ontwikkeling van de Unie wordt niet door het recht veroorzaakt of bepaald: rechtsontwikkeling is geen zelfstandige doelstelling (de doelstellingen zijn politiek en economisch). Toch is aan de hand van juridische ontwikkelingen de geschiedenis goed in kaart te brengen. Voorbeelden van deze juridische ontwikkelingen zijn het sluiten van verdragen, toonaangevende arresten, etc. Tezamen worden deze ontwikkelingen aangeduid als ‘rechtsgeschiedenis’.

    Welke instellingen en rechtsbronnen heeft de EU en hoe zijn ze ontwikkeld?

    • De Europese Unie is institutioneel gezien de meest ontwikkelde organisatie van alle bestaande internationale organisaties. Dit volgt bijvoorbeeld uit het feit dat de Unie bestaat uit meer dan één instelling en de zelfstandige bevoegdheden die deze instellingen hebben.
    • In een andere internationale organisatie is er slechts één meest belangrijke instelling, namelijk de raad van regeringsvertegenwoordigers. Binnen de Unie is de macht echter verspreid over een aantal specifieke instellingen (zie art. 13 VEU).
    • De Unie beschikt over één institutioneel kader met:
      • het Europees Parlement
      • de Raad
      • de Commissie
      • het Hof van Justitie
      • de Rekenkamer
      • de Europese Raad
      • de Europese Centrale Bank

    Wat is de formele basis van de EU?

    • De aard en de ontwikkeling van de Unie zijn in grote mate gevormd door het recht. Rechtsprincipes als legaliteit en grondrechten zijn ook in de Unie van groot belang.
    • Sinds het Van Gend & Loos arrest is het begrip de 'eigen rechtsorde' een kernbegrip binnen de Unie. Een rechtsorde is moeilijk te definiëren: onder een rechtsorde kan men verstaan een afzonderlijk stelsel van recht dat zijn eigen ontwikkeling beheerst, via juridische procedures en vooral door een eigen rechter. De rechtsorde kent ook zijn eigen leerstukken en doctrine of rechtsgeleerd specialisme. Uit het karakter van de ‘eigen rechtsorde’ volgt dat het recht van de Unie een bepaalde autonomie heeft ten opzichte van de lidstaten en ten opzichte van het algemene internationale recht.
    • De rechtsorde kan als een aspect van een rechtsgemeenschap worden gezien, waarin handelingen van gezaghebbers aan het constitutionele handvest door het Hof van Justitie worden getoetst. De rechtsorde van de EU heeft het karakter van een rechtsstaat door toepassing van het legaliteitsbeginsel en respect voor grondrechten en andere fundamentele vrijheden..

    Wat zijn de procedures van wetgeving, uitvoering en controle van de EU?

    • Sinds het Verdrag van Lissabon lijkt de wetgevingsfunctie van de Unie steeds meer op die van haar lidstaten.
    • Ook al is de Unie geen staat, ze heeft wel wetgevende instellingen en wetgevingsprocedures en kent wettelijke handelingen.
    • Het legaliteitsbeginsel eist dat alle uitvoering op wetgeving moet zijn gebaseerd.
    • Wetgevende handelingen zijn onder te verdelen in twee hoofdvormen: de gewone en de bijzondere wetgevingsprocedure. Veel verdragsbepalingen zijn voor hun praktische werking afhankelijk gesteld van nadere regelgeving, denk aan Europese wetgevende handelingen in de vorm van richtlijnen, verordeningen of besluiten (artikel 288 VWEU). De oude codecisieprocedure (het EP en de Raad waren in het wetgevingsproces gelijk) is omgedoopt tot ‘gewone wetgevingsprocedure’, en het toepassingsbereik van de procedure is vergroot.
    • Daarnaast blijven er ook procedures bestaan met een wetgevende rang, de ‘bijzondere wetgevingsprocedures’. De verordeningen, richtlijnen en besluiten die volgens de gewone of bijzondere wetgevingsprocedures worden vastgesteld worden ‘wetgevingshandelingen’ genoemd (artikel 289 lid 3 VWEU). De gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen worden de niet-wetgevende handelingen genoemd.

    Wat is het verband tussen extern unierecht en buitenlandse betrekkingen?

    • Het recht van de externe betrekkingen van de Unie komt voort uit historische ontwikkelingen die worden gekenmerkt door twee motieven. Aan de ene kant is er een sterke organische groei van de externe bevoegdheden van de Unie geweest als gevolg van groei van de interne bevoegdheden. Deze groeit kwam vooral voort uit de toepassing van de zogenaamde ‘implied powers’ benadering van het Hof van Justitie. Hierdoor ontwikkelde de EU zich langzaam tot een grootmacht in de externe economische politiek.
    • Ondanks deze groei bleef het wenselijk vanuit de buitenlands-politieke elite van de lidstaten om een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te ontwikkelen. Dit moest in de ogen van een heleboel lidstaten wel intergouvernementeel gebeuren door de ermee gemoeide externe soevereiniteit.
    • Het Verdrag van Lissabon voegde de eerste pijler (externe economische en ontwikkelingspolitiek) en de tweede pijler (gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid) samen in één extern optreden van de Unie, zie artikelen 21 en 22 VEU. De intergouvernementele methode blijft wel voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) de regel, zie artikel 24 lid 1 VEU.
    • Het overige externe optreden van de EU kent de communautaire methode. Er moet dan ook nog steeds onderscheid worden gemaakt tussen aan de ene kant het externe optreden van de Unie dat wordt beheerst door het VWEU en aan de andere kant het externe optreden van de Unie dat wordt geregeerd door het VEU. Dit onderscheid is lastig in situaties waarin beide verdragen een rol spelen.

    Hoe verloopt de ontwikkeling van monetaire naar economische unie?

    • De economische en monetaire unie is relatief jong terrein vergeleken met de interne markt.
    • Eerstgenoemde dateert van het Verdrag van Maastricht uit 1992 met invoering van de euro als munt in 2002.
    • De euro werd getroffen door de crisis, die het gevolg is van de financiële crisis in de VS (2008). Deze eurocrisis is voor een groot deel te wijten aan een discrepantie tussen de monetaire unie, die voltooid is, en de economische unie, die gebrekkig is gebleken. De crisis geeft dan ook aanleiding tot een snelle ontwikkeling van de economische unie.

     Wat zijn de formele mijlpalen tussen 1950-2016 geweest bij de opbouw van de EU?

    • Schuman Verklaring (1950)
    • Verdrag van Parijs (1951)
    • Verdragen van Rome (1957)
    • Empty Chair Crisis (1965)
    • Luxemburg Akkoord (1966)
    • Single European Act (1988)
    • Val Duitse muur (1989)
    • Verdrag van Maastricht (1992)
    • Verdrag van Amsterdam (1997)
    • Verdrag van Nice (2000)
    • Grondwettelijk Verdrag (2004)
    • Verdrag van Lissabon (2007)

    Wat betekent het om burger van de Europese Unie te zijn?

    • Iedereen die de nationaliteit van één van de lidstaten heeft, is burger van de Unie. Het Europees burgerschap is een aanvulling op het nationale staatsburgerschap. Doordat het Europees burgerschap afhankelijk is van de nationaliteit van een lidstaat, blijven het de lidstaten die door middel van hun nationaliteitswetgeving bepalen wie er burger van de Unie is. Lidstaten dienen wel de toekenning van nationaliteit door andere lidstaten te accepteren.
    • In artikel 20 lid 2 VWEU is een (niet limitatieve) opsomming opgenomen van de rechten verbonden aan dit Europees burgerschap. Deze rechten zijn grofweg in twee groepen in te delen: politieke en publieke rechten (zoals kiesrecht) en persoonlijke rechten van verkeer of verblijf.
    1. De politieke en publieke rechten vinden hun oorsprong in het Verdrag van Maastricht en zijn nauw verbonden aan de Unie als een politieke gemeenschap in wording.

    2. kiesrecht voor de verkiezingen voor het Europees Parlement

    3. recht op diplomatieke en consulaire bescherming in een land buiten de EU door een lidstaat waarvan hij geen onderdaan is

    4. recht om door middel van het zogenoemde ‘burgerinitiatief’de Europese Commissie op te roepen over een bepaald onderwerp een wetsvoorstel in te dienen (artikelen 11 lid 4 VEU en 24 lid 1 VWEU)

    5. Persoonlijke burgerschapsrechten

    • Deze rechten dateren van voor het Verdrag van Maastricht en zijn nu onder andere te vinden in artikel 18 VEU (verbod van discriminatie op grond van nationaliteit). Het Hof heeft de verkeersrechten van Europese burgers na 1993 een principiële onderbouwing gegeven, dit volgt uit het arrest Grzelczyk. Daarnaast is het belang van het recht op vrij verkeer en verblijf binnen de Unie, art. 21 VWEU, toegenomen in de rechtspraak. Een lidstaat mag een Unieburger niet zomaar van weerhouden zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en vrij te verblijven (net als in het vrij verkeer van goederen).

    Tegen wie kunnen bepaalde rechtsgangen worden ingezet?

    • Om de uit het Europees recht voortvloeiende rechten en plichten af te dwingen en effectief te maken stelt het Europees recht naast doorwerking ook rechtsgangen (het stelsel van Europese rechtsbescherming) ter beschikking.
    • Er zijn rechtsgangen die kunnen worden ingezet om schendingen van Europees recht door lidstaten aan te pakken, rechtsgangen gericht tegen beslissingen en nalatigheden van de Unie-instellingen en tenslotte rechtsgangen gericht tegen schendingen van particulieren.

    Wat is het recht van de markt?

    • Het begrip ‘interne markt’ vormt nog steeds het hart van het materiële gemeenschapsrecht.
    • Het recht van de markt is van grote invloed geweest op het ontstaan en ontwikkelen van leerstukken van het Europees recht, zoals dat van non-discriminatie, proportionaliteit, etc.
    • De markt is een van de grote gebieden van inhoudelijke integratie (het bijeenbrengen van afzonderlijke delen onder een gemeenschappelijke noemer). De doctrine onderscheidt negatieve integratie (passief, door middel van verbodsbepalingen in het primaire recht, de verdragen) en positieve integratie (actieve integratie, door het uitvaardigen van de Europese regels van afgeleid recht).

    Hoe wordt de vrije markt binnen de EU gereguleerd? (NB. Engelse tekst)

    • EU competition policy is undergoing a significant shift in economic theory and political ideology as well as in its institutional enforcement structure. In this chapter you will see that, from a political perspective, competition policy in the EU originally promoted core values: competition, the integration of the internal market and economic efficiency.
    • Today economic efficiency and consumer welfare play a more significant role in motivating competition law enforcement than other values. The role of economic analysis in resolving competition cases takes centre stage.
    • Three themes underpin the economic approach favoured by the Community: 1) consumer welfare, 2) market power and 3) pluralism. 
    • Significant number of public policy considerations affect decisions in competition cases. The transformation of the political and economic paradigms began in the 1990s, but has accelerated in recent years. The reason for the speeding up is that institutionally, the focus of enforcement is shifting from the Commission and towards National Competition Authorities, regulatory agencies and courts. These institutional changes are brought about by Regulation 1/2003. The exclusive application of economics to resolve competition cases can ensure greater coherence among institutions enforcing the competition law.

    Op welke manieren werkt het Europees recht op eigen gezag in de nationale wetgeving?

    • Een rechtzoekende is voor zijn of haar rechtsbescherming van Europese rechten vrijwel altijd aangewezen op nationale instanties.
    • Sinds het Verdrag van Lissabon is een lidstaat verplicht te voorzien in ´de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren´, zie artikel 19 lid 1 tweede alinea VEU.
    • Uitvoering en toepassing van het Unierecht vinden plaats in nauwe samenwerking tussen de Europese en nationale autoriteiten. Doorwerking is de verzamelterm van de verschillende manieren waarop het Europees recht op eigen gezag uitwerkt in de nationale wetgeving.
    • Drie van deze manieren komen aan bod:
      • Rechtstreekse/directe werking;
      • Conforme interpretatie;
      • Overheidsaansprakelijkheid.

    Hoe werkt het gedeelde gezag tussen lidstaten en de Unie?

    • Een van de belangrijkste onderwerpen is het gedeelde gezag tussen de lidstaten en de Unie. Er is niet alleen gedeeld gezag in het recht, maar ook gedeeld bestuur en gedeelde democratie. De lidstaten van de Unie delen een Europese ‘eigen rechtsorde’ die ‘deel is van de nationale rechtsorde’. De lidstaten delen bestuurlijke functies met en binnen de instellingen in Brussel en delen zelfs tot op zekere hoogte hun democratie met de Unie.

    Bronnen en meer lezen?

    Hoe zit het erfrecht en personen- en familierecht in elkaar, en welke onderdelen kan je bestuderen?

    Hoe zit het erfrecht en personen- en familierecht in elkaar, en welke onderdelen kan je bestuderen?


    Waar moet je op letten als je personen- familie- huwelijksvermogens- en erfrecht gaat bestuderen?

    • Erfrecht is een gecompliceerd rechtsgebied waarbij allerlei andere rechtsgebieden betrokken zijn. Het dient als een goede oefening in de gelaagdheid van het recht.
    • Bij het bestuderen van familierecht heb je meestal meer voorkennis dan bij rechtsgebieden zoals opstalrecht of faillissementsrecht. Hier kan je met je planning rekening mee houden.
    • Let goed op aanduidingen als erflater, legitimarissen, curandus en rechthebbende. Als je de verkeerde persoon voor ogen hebt bij een casus, dan zal deze niet in een legitieme oplossing resulteren.

    Wat regelt het personenrecht en wat regelt het familierecht?

    • Het personenrecht regelt de rechtspositie van een persoon (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid en bescherming).
    • Bij het familierecht gaat het om de rechtsverhoudingen tussen natuurlijke personen op het terrein van families en relaties.
    • Het gaat om verticale relaties (afstamming) en horizontale relaties (affectieve relaties). Rechtsregels die betrekking hebben op de relatie tussen twee mensen die ongehuwd samenleven vallen hier niet onder.

    Waar zijn de bronnen van personen- en familierecht te vinden?

    • Het boek 1 BW is de kernbron van het Nederlandse materiële personen- en familierecht.
    • Daarnaast zijn er aparte wetten voor specifieke onderwerpen, zoals de Jeugdwet.
    • Ook bestaan er verschillende Europese en internationale verdragen, zoals het EVRM en IVRK, die als belangrijke bronnen voor het personen- en familierecht dienen. De invloed van internationale bronnen is dan ook groot.
    • Het formele familierecht is geregeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

    Hoe verhoudt privaatrecht zich tot het personen- en familierecht?

    • Privaatrecht kenmerkt zich door 'partijautonomie'. Dit houdt in dat partijen naar eigen inzicht afspraken kunnen maken.
    • Binnen het personen- en familierecht geldt dit minder. Veel regels zijn van dwingend recht. Contracteren over familie- of personenrechtelijke is slechts zeer beperkt mogelijk en heeft voornamelijk betrekking op de vermogensrechtelijke aspecten van relaties.
    • Via schakelbepalingen kunnen regelingen uit het algemene vermogensrecht van belang zijn voor het familie- en personenrecht. Dit recht vindt zijn oorsprong in het privaatrecht, maar kent ook publiekrechtelijke elementen (zoals Jeugdzorg).
    • Het familierecht staat nauw in verband met het gezondheidsrecht.

    Wat regelt het erfrecht?

    • Het Erfrecht staat dicht bij het Personen- en familierecht. Het is beschreven in het vierde boek van het BW. Het nieuwe erfrecht is op 1 januari 2003 ingegaan en vervangt het oude boek 4 van 1838. Voor een completer beeld van het erfrecht, maakt men echter ook gebruik van andere boeken uit het BW. In het bijzonder zijn dat boek 3 BW (algemene bepalingen voor alle vermogensrechten) en de boeken 6 en 7 BW. Erfrecht is, zo gezegd, een verzameling van regels die de verdeling van het vermogen na het overlijden regelen.
    • De belangrijkste wijziging binnen het erfrecht is dat de langstlevende echtgenoot of geregistreerde partner tegenwoordig financieel beter wordt verzorgd. In het ‘oude’ erfrecht konden de kinderen hun erfdeel opeisen. De langstlevende echtgenoot was dan verplicht het erfdeel aan de kinderen uit te betalen. Vaak moest de langstlevende echtgenoot in dat geval de ‘eigen woning’ en andere vermogensbestanddelen verkopen, om de erfdelen uit te kunnen betalen. De langstlevende kon in sommige gevallen in een klein huurhuisje met een minimaal pensioenbedrag de laatste dagen slijten. Als dit niet mogelijk was, werd hij of zij in een bejaardentehuis geplaatst.
    • Boek 4 bevat veel regelend recht. Het is vaak mogelijk om daar van af te wijken door middel van een uiterste wilsbeschikking (testamentair recht). Heeft men geen uiterste wilsbeschikking opgesteld, dan geldt het wettelijk erfrecht (ab intestaat = zonder testament).
    • Wanneer je een vraagstuk over erfrecht krijgt, is het noodzakelijk dat je weet hoe de familie in elkaar zit. Het is handig om hiervan een schets te maken, zodat je voor jezelf een duidelijk overzicht krijgt.

    Wat zijn familiebanden, wat is afstamming en wat is adoptie?

    • Bij de geboorte ontstaan er automatisch allerlei familiebanden. Men noemt dit ook wel de familierechtelijke betrekkingen (art 1:197 BW).
    • Deze betrekkingen spelen een belangrijke rol in het erfrecht. Zo kunnen ze leiden tot het zijn van erfgenaam (art 4:10 BW).
    • Door deze familierechtelijke betrekkingen ontstaat er bloedverwantschap. Je hebt bloedverwanten in opgaande lijn, zoals ouders en grootouders, en bloedverwanten in neergaande lijn, zoals kinderen en kleinkinderen. Ook bestaan er verschillende graden van bloedverwantschap.
    • De verbanden tussen ouders en kinderen worden juridisch bezien aan de hand van het Afstammingsrecht. Familierechtelijke betrekkingen kunnen volgens het Afstammingsrecht op vier verschillende wijzen ontstaan:
      • Geboorte
      • Als een kind binnen het huwelijk wordt geboren, ontstaan altijd automatisch familierechtelijke betrekkingen ten opzichte van de moeder. Ten opzichte van de vader ontstaan ook betrekkingen, zelfs wanneer het huwelijk minder dan 306 dagen voor de geboorte is ontbonden (art:199b BW). Het vaderschap kan echter worden ontkend door een verzoek bij de rechtbank in te dienen (art 1:200 BW).
      • Erkenning
      • Als de ouders niet getrouwd zijn, dan kan de vader het kind erkennen. Dit moet ook in geval van een geregistreerd partnerschap.
    • In boek 12 van boek 1 BW is de Nederlandse adoptieregeling te vinden. Door adoptie kom je in een ander gezin terecht. Je oude familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, en er ontstaan betrekkingen met de adoptieouders. Adoptie wordt alleen toegewezen als op het tijdstip van het verzoek vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouders te verwachten heeft (art. 1:227 lid 3 BW).
    • Voor adoptie van kinderen uit het buitenland moet rekening worden gehouden met het buitenlandse recht, de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (WOBKA) en het Haagse adoptieverdrag. Door de toepassing van de Wobka is voor de adoptie van een buitenlands kind een beginseltoestemming nodig van de minister van Justitie. Een kind zelfstandig adopteren in het buitenland is dus niet mogelijk.xMeer lezen:

    Wat is ouderlijk gezag, wat is minderjarigheid en wat is meerderjarigheid?

    • Kinderen zijn tot hun achttiende minderjarig (art 1:233 BW). Dit brengt met zich mee dat andere mensen de verantwoordelijkheid voor hen dragen. In de titels 13 en 14 van boek 1 BW zijn de meeste regelingen met betrekking tot minderjarigen opgenomen.
    • Op deze hoofdregel bestaan echter een aantal uitzonderingen. Als de minderjarige voor zijn of haar achttiende levensjaar trouwt, of zich laat registreren in de zin van het geregistreerd partnerschap, kan hij of zij de status van meerderjarige verkrijgen. Een andere uitzondering ontstaat wanneer een minderjarige vrouw een kind krijgt. Zij kan dan via een procedure bij de kinderrechter meerderjarig worden verklaard (art 1:253ha BW).
    • Tot die tijd hebben de ouders ouderlijk gezag. Het gezag over een minderjarige heeft betrekking op zijn persoon, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte (art 1:245 BW). Dit brengt met zich mee dat je voor het kind moet zorgen, hem moet opvoeden en dat zijn vermogen moet worden beheerd. Bij slecht bewind is men schadeplichtig.
    • Een minderjarige is handelingsbekwaam mits hij met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger handelt (art 1:234 BW.). De toestemming mag ook worden gegeven als het een handeling betreft die voor minderjarigen erg gebruikelijk is zelfstandig in het maatschappelijk verkeer te verrichten (art 1:234 lid 3 BW).
    • Als één van de ouders komt te overlijden, dan zal de andere ouder van rechtswege het ouderlijk gezag uitoefenen over het kind (art. 1.253f BW). Het wordt anders wanneer het ouderlijk gezag slechts door een ouder wordt uitgeoefend.
    • Als deze ouder namelijk overlijdt, wordt het gezag door de rechter toegewezen aan een derde of aan de andere ouder (art. 1.253g BW). Een ouder kan bij uiterste wilsbeschikking bepalen wie na zijn dood voortaan het gezag over zijn kinderen zal uitoefenen als voogd (art. 1.292 lid 1 BW). Dit kan ook, sinds 1 april 2014, door middel van het opnemen van een aantekening in het gezagsregister. Een uiterste wilsbeschikking is hierdoor niet meer noodzakelijk.
    • Met de meerderjarigheid eindigt het ouderlijk gezag of de voogdij over minderjarigen.
    • Sommige mensen zijn niet in staat om alles voor zichzelf te beslissen. Voor deze mensen zijn er juridisch een drietal mogelijkheden om anderen voor hen te laten beslissen: curatele, bewind en mentorschap.

    Wat is samenleven en wat is trouwen?

    • Er kan in Nederland gekozen worden tussen verschillende samenlevingsvormen:
      • Samenwonen
      • De samenlevingsovereenkomst
      • Geregistreerd partnerschap
    • Het geregistreerd partnerschap en huwelijk zijn juridisch gelijkwaardig. De juridische gevolgen zijn daarom vrijwel gelijk. Er bestaan wel een aantal nuanceverschillen tussen het geregistreerd partnerschap en het huwelijk.
    • Het huwelijksvermogensrecht is een belangrijk onderdeel van het Personen- en familierecht. Naast het Huwelijksgoederenregime gelden er voor gehuwden enkele rechten en plichten die zijn terug te vinden in titel 6 van Boek 1 BW. Dit zijn grotendeels bepalingen van dwingend recht waar niet van kan worden afgeweken.
    • De gehele gemeenschap van goederen is een rechtsfiguur in het Nederlandse huwelijksvermogensrecht die is neergelegd in art 1:93 BW. De gemeenschap van goederen wordt gezien als het perfecte en volledige gezamenlijke eigendom. Anders dan bij het normale mede-eigendom, waarbij een ieder slechts recht heeft op een aandeel in een goed, zijn beide echtgenoten tot het geheel van de gemeenschap gerechtigd. In de algehele gemeenschap van goederen vallen alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten. Ook alle schulden moeten door beiden worden voldaan. Let op: een aantal goederen valt niet binnen de gemeenschap van goederen.
    • Het is ook mogelijk om huwelijksvoorwaarden op te stellen. Men is dan vrij om te regelen wat men maar wil, op voorwaarde dat de voorwaarden die opgesteld zijn niet in strijd zijn met dwingende wetsbepalingen, de goede zeden of de openbare orde. De huwelijksvoorwaarden komen tot stand middels een notariële akte (art. 1:115 BW). De huwelijkse voorwaarden hebben pas werking tegen derden wanneer de notariële akte is ingeschreven( art. 1:116 BW).
    • Enkele bekende methoden om huwelijksvoorwaarden op te stellen zijn:
      • Koude uitsluiting
      • Het Amsterdams Verrekenbeding
      • Het finale verrekenbeding
      • Beperkte gemeenschap
    • Gehuwden en geregistreerde partners mogen elkaars geslachtsnaam voeren. Hierbij zijn verschillende combinaties mogelijk (art. 1:9 BW). Zelfs na ontbinding van het huwelijk door overlijden, maar ook na echtscheiding blijft dit recht bestaan.

    Wat is echtscheiding en wat is een reparatiehuwelijk?

    • Als men een huwelijk wil ontbinden, dan moet dat in principe via de rechter. De rechter beslist per echtscheidsbeschikking.
    • Onderzoek wijst uit dat stellen huwelijksbemiddeling door mediatoren in het algemeen prettiger vinden dan schikking door de rechter.
    • De ouders zijn verplicht om een ouderschapsplan op te stellen. Daarom is het gebruikelijk dat echtgenoten samen, dan wel ieder apart, een advocaat in de hand nemen om hierover te bemiddelen. Dan is het mogelijk om bij de rechtbank gezamenlijk een echtscheidingsconvenant in te dienen, waar de belangrijkste afspraken over de gevolgen van de echtscheiding in zijn opgenomen.
    • Gedurende het huwelijk hebben de echtgenoten een wederzijdse zorgplicht. Door de scheiding eindigt deze zorgplicht. Er is echter wel een alimentatieplicht. Als de partijen hierover onderling geen consensus bereiken, kan de rechter beslissen hoe hoog de alimentatie wordt. Hij heeft hier veel beoordelingsvrijheid voor.
    • Een belangrijk punt betreft de pensioenverevening, aangezien beide echtelieden tijdens het huwelijk een ouderdomspensioen hebben opgebouwd. Op de verdeling hiervan ziet de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Als regel geldt dat de gedurende de huwelijksperiode opgebouwde ouderdomspensioenen na scheiding worden verevend. Pensioenen die vóór het huwelijk zijn opgebouwd worden dus niet in de verevening betrokken.
    • Allebei de echtgenoten hebben recht op de helft van de gemeenschap (art. 1:100 BW). Voor de schulden van de gemeenschap worden zij ineens hoofdelijk aansprakelijk (!) maar de schuldeiser kan zich slechts verhalen op de datgene wat de echtgenoot uit de gemeenschap heeft verkregen (art. 1:102 BW).
    • Een echtgenoot kan ook afstand doen van de gemeenschap (art. 1:103 t/m 1:108 BW). Zo kan de echtgenoot zichzelf verlossen van de aansprakelijkheid voor de gemeenschap. Deze afstand van de gemeenschap moet plaatsvinden binnen drie maanden na ontbinding van de huwelijksgemeenschap.
    • Als een koppel besluit om na een scheiding te hertrouwen, bestaat er de mogelijkheid tot een reparatiehuwelijk. Als gevolg hiervan herleven alle gevolgen van het eerdere huwelijk van rechtswege. Er wordt dan gedaan alsof er eigenlijk nooit een echtscheiding heeft plaatsgevonden (art 1:166 BW).

    Wat heeft het overlijden van een huwelijkspartner tot gevolg?

    • Wanneer een ouder overlijdt, zal de andere overblijvende ouder zo snel mogelijk daarna naar de notaris moeten gaan. Wanneer niet is afgeweken van wettelijke vererving, zijn de overblijvende ouder en de kinderen tezamen en voor gelijke delen erfgenaam (art. 4.10 BW)
    • Wanneer de overblijvende partner een nieuwe levensgezel vindt, zijn er verschillende mogelijkheden. Ze kunnen opnieuw gaan trouwen. Wanneer dit te beladen is, kunnen ze zoeken naar een andere stevige juridische bodem voor een relatie. Door de aangifte van het voornemen een geregistreerd partnerschap aan te gaan, ontstaat er een wilsrecht ten behoeve van de kinderen van de ouder. Dit is gebaseerd op art. 4.19 BW.
    • Wanneer de nieuwe partner van de overblijvende ouder overlijdt is eveneens de wettelijke verdeling van toepassing, op grond van art. 4.13 BW. De overblijvende ouder krijgt alle goederen uit de nalatenschap van de overleden partner, en neemt alle schulden voor zijn rekening. De kinderen van de overleden partner krijgen een geldvordering, die slechts in enkele gevallen opeisbaar is.

    Bronnen en verder lezen

    Hoe zit het faillissementsrecht in elkaar, en welke onderdelen kan je bestuderen?

    Hoe zit het faillissementsrecht in elkaar, en welke onderdelen kan je bestuderen?


    Wat zijn schuldeisers en schuldenaren?

    • Het recht gaat er onder andere van uit dat:
      • schuldeisers zich kunnen verhalen op alle goederen van hun schuldenaar (art. 3:276);
      • schuldeisers bij verhaal onderling een gelijke rang hebben (art. 3:277);
      • behalve voor zover de wet een recht van voorrang erkent (art. 3:277);
      • die bijvoorbeeld voortvloeit uit pand, hypotheek, voorrechten en dergelijke (art. 3:278).
    • Schuldeisers zijn vrij om vorderingen te incasseren. Schuldenaren zij vrij om zelf te bepalen in welke volgorde zij schulden voldoen. Dit systeem werkt goed, zolang schuldenaren kunnen voldoen aan al hun verplichtingen. Zodra schuldenaren niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen ontstaan er problemen. Er ontstaat een feitelijk en juridische chaotische situatie.

    Wat is een insolventieprocedure?

    • Om deze chaotische situaties te voorkomen zijn er insolventieprocedures opgesteld. Bij insolventieprocedures gaat het om een gezamenlijk optreden ten behoeve van alle schuldeisers, ook wel concursus creditorum genoemd. Hierbij staat de gelijkheid van alle schuldeisers centraal, ook wel paritas creditorum genoemd. Dat betekent dat alle schuldeisers met gelijke rang ook gelijk worden behandeld.
    • In de Faillissementswet (Fw) zijn drie insolventieprocedures geregeld:
      • Bij faillissement wordt de schuldenaar die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van één of meer zijner schuldeisers bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard (art. 1 lid 1, artikelen zonder nadere aanduiding verwijzen naar de Fw). De rechtbank stelt een curator aan die is belast met het beheer en de vereffening van het vermogen van de gefailleerde schuldenaar. Een rechter-commissaris houdt toezicht op de curator. Faillissement is gericht op vereffening van het vermogen ten behoeve van alle schuldeisers.
      • Bij surseance van betaling vraagt de schuldenaar die voorziet dat hij zijn opeisbare schulden niet kan betalen uitstel van betaling aan (art. 214). De rechtbank benoemt een bewindvoerder, die samen met de schuldenaar het beheer over zijn vermogen voert. Een rechter-commissaris houdt toezicht op de bewindvoerder. Indien de surseance illusoir blijkt, wordt de surseance vaak alsnog omgezet in faillissement (art. 242).
      • De schuldsaneringsregeling natuurlijke personen is als Titel III aan de wet toegevoegd. De rechtbank benoemt een bewindvoerder, die wordt belast met het beheer en de vereffening van het vermogen van de schuldenaar, wederom onder toezicht van een rechter-commissaris.
    • Indien het schuldsaneringstraject succesvol wordt doorlopen, verkrijgt de schuldenaar aan het einde daarvan een ‘schone lei’: de restantvorderingen van de schuldeisers (die niet uit het vermogen van de schuldenaar konden worden voldaan) zijn niet langer afdwingbaar. Deze schulden zijn natuurlijke verbintenissen geworden; bij faillissement geldt dat niet.

    Wat is faillietverklaring?

    • Iedere schuldenaar die verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen kan bij rechterlijk vonnis failliet worden verklaard. De faillietverklaring wordt uitgesproken op verzoek van de schuldenaar, één of meer schuldeisers of op vordering van het Openbaar Ministerie om redenen van het openbaar belang.
    • Voor de faillietverklaring is vereist dat summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Bij een eigen verzoek moet daarnaast summierlijk blijk zijn van vorderingsrecht.

    Wat zijn de gevolgen van faillietverklaring?

    • De meeste gevolgen van de faillietverklaring zijn geregeld in de tweede afdeling van de Fw. Het BW kent echter vele bepalingen over de gevolgen van de faillietverklaring.
    • Het faillissement omvat het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft (art. 20). Bij het gehele vermogen gaat het om alle zaken en vermogensrechten die te gelde kunnen worden gemaakt, dus alle activa van de gefailleerde. Bij hetgeen de schuldenaar gedurende het faillissement verwerft gaat het om vermogensgroei door schenkingen, erfenissen, loterijen en werkzaamheden van de gefailleerde. Binnen art. 20 moet het vermogen in de meest ruime zin worden opgevat.
    • Het faillissement omvat ook alle goederen die in de gemeenschap vallen. Hierbij gaat het om de gemeenschap van echtgenoten of geregistreerde partners (art. 22).
    • Zaken die de gefailleerde onder zich heeft, maar waar hij geen eigenaar van is vallen buiten het faillissement. Die zaken behoren immers niet tot het vermogen van de gefailleerde. De familierechten van de gefailleerde blijven buiten het faillissement.
    • Op het uitgangspunt dat het faillissement het gehele vermogen en wat de gefailleerde verwerft omvat bestaan een aantal uitzonderingen (art. 21 en 22a). Bij die uitzonderingen gaat het bijvoorbeeld om:
      • goederen waarop geen beslag kan worden gelegd;
      • loon;
      • gelden die aan de gefailleerde worden verstrekt ter voldoening aan een wettelijke; onderhoudsplicht
      • opbrengsten uit vruchtgenot;
      • goederen onder bewind;
      • Lijfrentespaarrekening;
      • Gereserveerde uitdelingen;
      • Recht van gebruik en woning;
      • Hoogstpersoonlijke rechten.
    • Voor levensverzekeringen geldt een speciale regeling. Bij die verzekeringen vallen buiten de boedel:
      • het recht op het doen afkopen van de verzekering voor zover de begunstigde of de verzekeringnemer door afkoop onredelijk benadeeld wordt;
      • het recht om de begunstiging te wijzigen, tenzij de wijziging geschiedt ten behoeve van de boedel en de begunstigde of de verzekeringnemer daardoor niet onredelijk benadeeld wordt;
      • Het recht om de verzekering te belenen (art. 22a).
      • De curator kan de verzekering alleen overdragen met schriftelijke toestemming van de verzekeringnemer. Daarnaast heeft hij toestemming nodig van de rechter-commissaris voor het afkopen of wijzigen van de begunstiging. De wijziging van de begunstiging door de curator is tijdelijk. Art. 22a lid 4 bepaalt vervolgens hoe er moet worden gehandeld wanneer de begunstiging na de faillietverklaring onherroepelijk wordt.

    Wat is vereffening van de boedel?

    • Bij vereffenen gaat het erom dat de curator de baten te gelde maakt en de opbrengst daarvan verdeelt onder de schuldeisers. Als de verwachte opbrengst van de baten groter is dan het totaal van de vorderingen, dan zal de curator volstaan met het te gelde maken van een gedeelte van de baten, zodat alle schuldeisers volledig kunnen worden voldaan.

    Bronnen en meer lezen?

    Hoe zit het goederenrecht en het burgerlijk procesrecht in elkaar, en wat zijn de deelgebieden?

    Hoe zit het goederenrecht en het burgerlijk procesrecht in elkaar, en wat zijn de deelgebieden?

    Wat wordt verstaan onder vermogen en vermogensrecht?

    • In juridische zin wordt met ‘vermogen’ bedoeld: alle op geld waardeerbare rechten en verplichtingen die iemand heeft.
    • Men is bijvoorbeeld eigenaar van een aantal zaken, denk aan een huis, een auto of sieraden. Daarnaast kan men vorderingen hebben, bijvoorbeeld op een vriend die geld heeft geleend. Andersom kan men zelf ook een verplichting of schuld hebben. Dit alles tezamen vormt het ‘vermogen’.
    • Het (objectief) vermogensrecht omvat alle regels met betrekking tot de rechten en verplichtingen die men heeft. Het objectieve recht betreft alle op dit moment in Nederland geldende regels. Uit dit objectieve recht vloeien zogenaamde subjectieve rechten voort. Subjectief recht ziet op bevoegdheden die iemand kan hebben. Zo heeft iemand die eigenaar is van een auto de bevoegdheid om deze te gebruiken, te verkopen of uit te lenen. Een subjectief recht, zoals het eigendomsrecht, vloeit voort uit het objectieve vermogensrecht.

    Wat is de rol van het vermogensrecht binnen het burgerlijk procesrecht (het formele procesrecht)?

    • Het burgerlijk procesrecht valt uiteen in twee verschillende delen:
      • Het vermogensrecht: waar rechten ter vrije beschikking van de rechtssubjecten staan. De tussenkomst van de rechter wordt ingeroepen voor beslechting van een geschil over de inhoud van de rechtsbetrekking en/of ter verkrijging van een afdwingbare vordering.
      • Het personen- en familierecht: waar rechten niet ter vrije beschikking staan. De taak van de rechter is hierbij het behartigen van specifieke belangen.
    • Dit verschil werkt door in de doelstellingen en de regels van de betreffende rechtspleging.

    Hoe kan je goederen verkrijgen of verliezen?

    • Een vermogen is niet statisch en ondergaat vaak wijzigingen door verkrijging en verlies van goederen.
    • De verkrijging van goederen kan gebeuren onder algemene en onder bijzondere titel (art. 3:80 lid 1).
    • Verkrijging onder algemene titel betekent dat de verkrijger het geheel of een (evenredig) deel van een vermogen verkrijgt van een ander. Dit betekent dat hij zowel alle activa (het totaal van de vermogensrechten) als alle passiva (het totaal van de schulden) verkrijgt, of een evenredig deel daarvan. De verkrijger wordt nu rechthebbende op zowel alle absolute als relatieve rechten. In art. 3:80 lid 2 worden er vier algemene titels genoemd:
      • erfopvolging,
      • boedelmenging (bij het huwelijk),
      • fusie,
      • splitsing.
    • Verkrijging onder bijzonder titel is het verkrijgen van een of meer bepaalde goederen en dus niet het gehele vermogen zoals bij algemene titel.
    • Iedere verkrijging die niet onder algemene titel plaatsvindt, is een verkrijging onder bijzondere titel.
    • Art. 3:80 lid 3 noemt drie vormen van verkrijging onder bijzondere titel:
      • overdracht,
      • verjaring
      • toe-eigening.
    • Maar ook natrekking, schatvinding en vermenging geschieden door middel van verkrijging onder bijzondere titel (art. 5:13 jo. 5:14 jo. 5:15 BW).
    • Verkrijging door overdracht is erg gebruikelijk en komt vaak voor. Bij overdracht gaat een bepaald goed uit het vermogen van de ene persoon over in dat van een ander persoon.

    Wat zijn absolute rechten op goederen?

    • Een absoluut recht is het recht van één tegenover iedereen, dit betekent dat het recht te handhaven is tegenover wie dan ook. Dit wordt ook wel ‘absolute werking’ genoemd.
    • Het duidelijkste voorbeeld van een absoluut recht is het eigendomsrecht, het meest omvattende recht dat men op een zaak kan hebben.
    • Eigendom staat gedefinieerd in Boek 5 in art. 5:1 lid 1 BW en houdt in dat de eigenaar kan bepalen dat anderen niet van zijn eigendom kunnen genieten, ofwel eenieder wordt uitgesloten van dit genot, zie art. 5:1 lid 2. Alleen een eigenaar mag dus gebruik maken van zijn zaken, tenzij hij anderen hiertoe toestemming verleent.
    • Een eigenaar komt niet alleen het vrije gebruik van zijn zaak toe, ook is hij exclusief bevoegd om over zijn zaak te beschikken: deze te vervreemden (verkopen) of er een beperkt recht op te vestigen, bijvoorbeeld een hypotheek of vruchtgebruik.
    • Hij mag dit beschikkingsrecht ook door een ander laten uitoefenen. Enkel de eigenaar kan aldus een andere persoon eigenaar van de zaak maken

    Wat is bezit?

    • Bezit is niet hetzelfde als eigendom. Bezit is de uiterlijke machtsuitoefening door een eigenaar, maar nooit de eigendom zelf. Het is echter wel zo dat de bezitter vaak ook de eigenaar is. Het bezit schept dan ook het (bewijs)vermoeden van eigendom.
    • Om te begrijpen wat ‘bezit’ is, moet eerst gekeken worden naar het begrip ‘houden’. De houder van een goed is degene die macht uitoefent over dat goed.

    Wat is overdracht?

    • Overdracht is een wijze van verkrijging onder bijzondere titel. Hierdoor gaat een goed van het vermogen van de verkoper over in dat van de koper. Overdracht is niet hetzelfde als levering.
    • Art. 3:84 lid 1 BW noemt drie vereisten voor de overdracht van goederen:
    1. Levering;
    2. krachtens geldige titel;
    3. verricht door een beschikkingsbevoegde.
    • Voor eigendomsoverdracht kan men niet slechts volstaan met de levering van het goed. Ook aan de andere twee eisen dient te zijn voldaan. Bovendien moet het goed ‘overdraagbaar zijn’. Eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten zijn overdraagbaar, zo volgt uit art. 3:83 lid 1 BW. Een auto, woning of vorderingsrecht kan dus worden overgedragen. Men kan niet afspreken dat een goed niet overgedragen kan worden, dat zou het handelsverkeer belemmeren.

    Wat is derdenwerking en publicatie?

    • Een koper kan te maken krijgen met bijvoorbeeld een kwalitatieve verplichting. Een dergelijke verplichting heeft derdenwerking: de koper is geen partij geweest bij de overeenkomst, maar hier wel aan gebonden.
    • Dit geldt ook als er een absoluut recht op het gekochte goed rust, denk aan een hypotheekrecht. De koper van een huis wil niet onverwachts met een hypotheekrecht worden geconfronteerd dat de verkoper daarop had gevestigd.
    • Derdenwerking is daarom enkel gerechtvaardigd wanneer men het absolute recht dat op het goed rust, ten tijde van de verkrijging ‘kende of had kunnen kennen’.
    • In het objectieve recht komen dan ook verschillende publicatievereisten voor. Wanneer op een huis een hypotheekrecht wordt gevestigd, wordt dit gepubliceerd in de openbare registers.

    Hoe worden derden beschermd tegen beschikkingsonbevoegdheid?

    • Eén van de eisen van overdracht is de beschikkingsbevoegdheid van de persoon die het goed wil overdragen. Het ontbreken van de beschikkingsbevoegdheid kan gerepareerd worden als voldaan is aan de eisen voor derdenbescherming door art. 3:86 of art. 3:88 BW.
    • Het is niet altijd redelijk dat een derde te goeder trouw die bijvoorbeeld een goed koopt van iemand die hiervan niet de rechthebbende is, het goed niet mag houden. Daarom zijn er derdenbeschermende bepalingen in het BW opgenomen. De eerste mogelijkheid is neergelegd in art. 3:86 BW.
    • Om na te gaan of er een geslaagd beroep op derdenbescherming door de koper die niet op de hoogte was van de beschikkingsonbevoegdheid van de verkoper kan worden gedaan, moet er aan de volgende vereisten zijn voldaan:
      • Er moet sprake zijn van een levering van een roerende zaak, niet-registergoed, of een recht aan toonder of order;
      • De levering vindt plaats in overeenstemming met art. 3:90, art. 3:91 of art. 3:93 BW;
      • De levering geschiedt anders dan om niet;
      • De verkrijger is op het moment van de levering te goeder trouw. Het recht helpt de verkrijger hier een handje mee doordat de houder wordt geacht bezitter te zijn en de bezitter wordt geacht rechthebbende te zijn (art. 3:109 jo 3:119).

    Op welke wijzen kan een goed geleverd worden?

    • Het leveren van goederen kan alleen geschieden op de door de wet genoemde manieren. Het zelf creëren van een nieuwe mogelijkheid tot levering is niet mogelijk.
    • Roerende zaken, niet-registergoederen worden geleverd via bezitsverschaffing (art. 3:90 lid 1 BW). Onroerende zaken, registergoederen worden geleverd via art. 3:89 lid 4.
    • Bezitsverschaffing is overigens niet hetzelfde als eigendomsoverdracht. Bezitsverschaffing is één van de drie voorwaarden vermeld in art. 3:84 voor eigendomsoverdracht, namelijk de levering. Een bezitter kan dus wel het bezit overdragen aan een ander, maar hij kan niet de eigendom overdragen aan een ander. Ook een detentor (houder) kan een goed overdragen, maar dit dan alleen met instemming van de bezitter.

    Wat houdt verkrijging door verjaring in?

    • Verjaring is een van de manieren om goederen te verkrijgen onder bijzondere titel (art. 3:80 lid 3 BW).
    • Verjaring kan op twee manieren.
    • Ten eerste bestaat er de verkrijgende verjaring. Het gaat hier om personen die voorheen slechts bezitter waren, maar door tijdsverloop rechthebbende van het goed zijn geworden.
    • Ten tweede is er de bevrijdende verjaring. Dit is het door tijdsverloop teniet gaan van een rechtsvordering (titel 3.11). Verkrijgende verjaring treedt van rechtswege in. Hier hoeft men geen expliciet beroep op te doen. Bevrijdende verklaring vereist dit nu juist wel. Zo verbiedt bijvoorbeeld art. 3:322 BW de rechter om de bevrijdende verjaring ambtshalve toe te passen.

    Welke eigendomsverkrijgingen zijn opgenomen in Boek 5 BW?

    • In boek 5 komen de volgende eigendomsverkrijgingen voor:
      • Eigendomsverkrijging door toe-eigening
      • Eigendomsverkrijging van een gevonden zaak
      • Eigendomsverkrijging van een gevonden schat
      • Eigendomsverkrijging door middel van natrekking
      • Eigendomsverkrijging door middel van vermenging
      • Eigendomsverkrijging door middel van zaaksvorming
      • Eigendomsverkrijging door middel van vruchttrekking

    Wat zijn beperkte rechten op goederen?

    • Art. 3:8 BW stelt: ‘Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met het beperkte recht is bezwaard’. Het meer omvattend recht noemen we het ‘moederrecht’, het beperkte recht het ‘dochterrecht’.
    • Sommige beperkte rechten kunnen slechts gevestigd worden op zaken, deze staan in Boek 5. De beperkte rechten uit Boek 5 zijn erfdienstbaarheid, erfpacht en opstal.
    • Andere beperkte rechten kunnen op goederen – dus zowel op zaken als op vermogensrechten – worden gevestigd en staan dus in Boek 3. De beperkte rechten in Boek 3 zijn het recht van vruchtgebruik, pand en hypotheek. 
    • De beperkte rechten kennen een gesloten stelsel. Het is dus niet mogelijk om nieuwe beperkte rechten te construeren (art. 3:81 lid 1).
    • Beperkte rechten kunnen verdeeld worden in genots- en zekerheidsrechten.
    • Genotsrechten zijn beperkte rechten die de rechthebbende de bevoegdheid geven een goed dat aan een ander toebehoort te gebruiken en het genot ervan te hebben. Hieronder vallen dus het recht van vruchtgebruik, erfdienstbaarheid, erfpacht, opstal en het appartementsrecht.
    • De zekerheidsrechten verschaffen de schuldeiser een sterkere positie bij verhaal van zijn vordering. Het pandrecht en hypotheekrecht zijn zekerheidsrechten op het gebonden goed.
    • Alle beperkte rechten hebben absolute werking. Als A bijvoorbeeld zijn huis verkoopt, en dit huis is bezwaard met het recht van vruchtgebruik ten behoeve van B, dan kan A dit huis alleen verkopen inclusief het vruchtgebruik. Het recht van vruchtgebruik gaat dus mee in de overdracht.

    Wat zijn voorrangsrechten?

    • Art. 3:276 BW bepaalt dat een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar kan verhalen. Men verhaalt zich door het te gelde maken van het goed van de schuldenaar: executie. Uit de executieopbrengst wordt de vordering voldaan.
    • Om zich te mogen verhalen is een executoriale titel nodig, die de schuldeiser bij de rechter kan verkrijgen. Dit is bijvoorbeeld een vonnis waarin X veroordeeld is om Y een geldsom te betalen. Met dit vonnis kan Y beslag leggen op goederen van X, de goederen verkopen en de geldsom voldoen uit de verkoopopbrengst. Echter, in het geval van een faillissement dient hij zich eerst bij de curator te melden, aangezien pand- en hypotheekhouder separatisten zijn en dus voorrang genieten op executoriale titels. Zij kunnen handelen alsof er geen faillissement was (art. 57 Faillissementswet).
    • Pand- en hypotheekhouder hebben geen executoriale titel van de rechter nodig om tot verkoop van het met pand of hypotheek bezwaarde goed over te gaan; zij kunnen het goed paraat executeren (respectievelijk art. 3:248 jo. 3:268).
    • Alle crediteuren hebben onderling een gelijk recht op voldoening uit de netto-opbrengst van de goederen van hun schuldenaar. Dit naar evenredigheid van ieders vordering (art. 3:277). Dit wordt ook wel ‘partias creditorum’ genoemd, de gelijkheid van de schuldeisers.
    • Op de hoofdregel van art. 3:227 – gelijkheid van schuldeisers, bestaan uitzonderingen. Sommige schuldeisers hebben namelijk ‘voorrang’. Zij mogen zich het eerst verhalen op de executie-opbrengst. Een schuldeiser met voorrang wordt ook wel een ‘preferente schuldeiser’ genoemd. Een ‘gewone’ schuldeisers wordt een ‘concurrente schuldeiser’ genoemd.
    • Er bestaat een gesloten systeem van voorrangsrechten. Schuldeisers kunnen alleen voorrang hebben op grond van wettelijk erkende redenen, zoals pand, hypotheek en voorrecht art. 3:278 lid 1.

    Bronnen en meer lezen

     

    Hoe zit het ict-recht in elkaar, en wat zijn de deelgebieden?

    Hoe zit het ict-recht in elkaar, en wat zijn de deelgebieden?

    Wat is informaticarecht en rechtsinformatie bij recht en ICT?

    • Het informaticarecht betreft het vakgebied dat zich bezighoudt met de bestudering van juridische vragen die samenhangen met de toepassing van ICT.
    • De rechtsinformatica betreft het vakgebied dat zich bezighoudt met het inzetten van ICT ter ondersteuning en uitvoering van juridische werkzaamheden.
    • Gezamenlijk vormen zij het Recht & ICT

    Wat zijn de belangrijkste rechtsvragen bij ICT recht?

    • Het toenemende gebruik van ICT in de rechtspraktijk roept een aantal rechtsvragen op die deel uitmaken van het informaticarecht. De drie belangrijke rechtsvragen rond de introductie en het gebruik van ICT in de rechtspraktijk, waarmee juristen die daarbij betrokken zijn te maken krijgen zijn als volgt:
      • Het spanningsveld tussen openbaarheid en privacy van gegevens;
      • De verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor het toepassen van kennis m.b.v. ICT;
      • De intellectuele eigendom van gegevens en kennis in ICT.

    Hoe zit het met de bevoegdheid van nationale rechters?

    • Welk land bevoegd is te vervolgen wanneer iemand een wet overtreed is in het internetrecht vaak complex. Zo kan iemand een ander beledigen op een Duitse internetsite waarvan de servers in Amerika staan. De persoon die beledigt kan van Braziliaanse afkomst zijn terwijl hij een Spanjaard beledigt. Wie mag dan vervolgen op grond van smaad - Duitsland, Amerika Brazilië of Spanje?
    • En als een Frans bedrijf giftige stoffen loost in een Nederlandse rivier, waardoor Belgisch vee komt te overlijden, waar kan de Belg dan het Franse bedrijf voor de rechter slepen?
    • Dit kan zowel in Frankrijk als in België. De Belgische rechter mag alleen maar oordelen over de schade geleden door de Belgen. De Franse rechter mag oordelen over alle geleden schade, dus bijvoorbeeld ook schade geleden in Nederland. Dit komt voort uit HvJ EG 7 maart 1995, zaak C-68/93, NJ 1996, 269.
    • Dit toepassen op het internet is door de aard van internet erg moeilijk. Vroeger werd nog aangenomen dat wanneer een site te raadplegen was vanuit Nederland, de Nederlandse rechter altijd bevoegd was. Tegenwoordig kijkt men naar de omstandigheden van het geval en de totaalindruk die deze maken. Een site die gericht is op Nederlanders door bijvoorbeeld een Nederlandstalige versie, Nederlandstalige reclame, etc. valt al vrij snel onder Nederlands recht. Het enkele feit dat het mogelijk is om vanuit Nederland te bestellen is niet voldoende.

    Hoe dient het gemeenschapsrecht te worden uitgelegd?

    Het gemeenschapsrecht wordt in eerste instantie op nationaal niveau door nationale rechters toegepast, maar het laatste woord over de uitleg en de toepassing van het EG-recht is aan het Europese Hof van Justitie. De uniformiteit van het gemeenschapsrecht zou in gedrang kunnen komen als het alleen aan nationale rechters zou zijn om zich daarover uit te laten.

    Hoe wordt derdenbescherming geregeld bij webwinkels?

    • Bij de koop in een webwinkel is het bedrijfsmatige karakter van de handel eenvoudig vast te stellen, doordat een onderneming ingeschreven dient te worden in het handelsregister op grond van art. 3:15d lid 3 BW. De ondernemer dient het KvK-nummer vervolgens op de website te vermelden. De eis betreffende continuïteit betreft de vraag of de verkoper geregeld handelt in zaken van hetzelfde of een vergelijkbaar type. Bij webshops is dit vrij makkelijk, doordat de aanbieding vaak niet wordt verwijderd na het sluiten van de koopovereenkomst. Bij verkoop via advertentiesites moet worden gekeken of de verkoper soortgelijke zaken via andere advertenties te koop aanbiedt.

    Hoe is de regelgeving omtrent automatisch contracteren?

    • Hoe kan er met behulp van geautomatiseerde systemen de benodigde rechtshandelingen verricht worden om een overeenkomst tot stand te brengen. Is de persoon gebonden aan een door hem gedane verklaring, in het geval dat de verklaring niet overeenstemt met zijn wil? Van belang zijn:
    • a. De wilstheorie. Deze theorie legt de nadruk op de wil van de verklarende persoon en gaat er vanuit dat er geen overeenkomst tot stand komt als de verklaring afwijkt van de wil.
    • b. De vertrouwenstheorie. Deze theorie legt de nadruk op het feit dat de interne wil niet kenbaar is en dat de wederpartij op de verklaring mag vertrouwen indien de verklaring dit vertrouwen heeft gewekt.
    • c. De dubbele grondslag. Voor deze theorie heeft de wetgever in ons huidige BW gekozen en is terug te vinden in artt. 3:33 en 3:35 BW. Primair is de verklaarde wil de grondslag, maar indien de wil afwijkt van de verklaring is het bij de wederpartij gerechtvaardigde vertrouwen de grondslag voor de rechtshandeling.

    Wat is de regelgeving omtrent elektronisch contracteren?

    • De artikelen in het Nederlands Burgerlijk wetboek die betrekking hebben op elektronische overeenkomsten zijn veelal gebaseerd op de Richtlijn elektronische handel en de Richtlijn koop op afstand (is vervangen door de Consumentenrichtlijn per uiterlijk 13-12-’13).
    • Aangezien de Richtlijn inzake elektronische handel niet bepaalt wanneer een overeenkomst tot stand komt, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het nationale recht van de lidstaten.

    Wat zijn de sancties op schending van informatieplichten uit de Richtlijn consumentenrechten?

    • De informatieplichten waaraan een webwinkel moet voldoen zijn terug te vinden in de Richtlijn Consumentenrechten. Een koppeling tussen een schending van informatieplicht en het herroepingsrecht ontbreekt in de Richtlijn, waardoor een schending niet hoeft te leiden tot een verlenging van de herroepingstermijn.
    • De herroepingstermijn is verlengd naar 12 maanden als sanctie op het niet verschaffen van informatie over het herroepingsrecht. Daarnaast is de consument bij het niet verstrekken van informatie over het herroepingsrecht niet aansprakelijk voor waardevermindering van de goederen. In art. 6 lid 6 van de Richtlijn is te vinden dat indien de handelaar informatie over eventuele extra lasten en andere kosten niet heeft verstrekt, de consument deze kosten niet zal hoeven te dragen.
    • In de wetgevingsprocedure ter implementatie van de Richtlijn in Nederland oppert de wetgever 4 mogelijkheden uit het Nederlandse privaatrecht waarlangs de consument sanctionerend kan optreden tegen het schenden van informatieplichten.

    Wanneer zijn dienstverleners als bedoeld in de Dienstenrichtlijn vrijgesteld van de strenge informatieplicht en kunnen ze volstaan met het mededelen van een webadres?

    • Het Burgerlijk Wetboek kent twee regelingen met betrekkingen tot de terhandstelling van elektronische algemene voorwaarden: Art. 6:234 lid2 en 3 BW en art. 6:230c onder 3 BW. Dienstverleners als bedoeld in de Dienstenrichtlijn zijn vrijgesteld van de strenge informatieplicht ex art. 6:234 BW en kunnen op grond van art. 6:230c BW volstaan met het mededelen van een webadres.

    Wat houdt het herroepingsrecht bij overeenkomst op afstand in, na de wijziging van juni 2014?

    • Het nieuwe herroepingsrecht door de Implementatiewet richtlijn consumentenrechten van juni 2014 is opgegaan in Afdeling 6.5.2A BW.
    • Op grond van art. 6:230o BW heeft de consument 14 kalenderdagen om de op afstand gesloten overeenkomst zonder een opgave van reden te ontbinden. Indien geen informatie is verstrekt over de bedenktijd van art. 6:230m onder h BW, dan wordt de bedenktijd met ten hoogste 12 maanden lopen. Wordt de informatie alsnog verstrekt binnen die 12 maanden, dan gaat op dat moment de 14-dagentermijn lopen.

    In hoeverre is de elektronische vorm van een rechtshandeling aanvaardbaar in het geval de schriftelijke vorm is voorgeschreven?

    • Voor een groot aantal overeenkomsten waarvoor de schriftelijke vorm is voorgeschreven, is inmiddels ook de elektronische vorm toegelaten. Voor vele andere rechtshandelingen is het echter nog steeds onduidelijk of zij in elektronische vorm mogen worden verricht. Het probleem hiervan ligt bij de wetgever die te terughoudend is om op grote schaal de elektronische vorm van rechtshandelingen dezelfde status geven als de schriftelijke vorm.

    Hoe hanteerbaar is het kooprecht voor digitale inhoud in het Gemeenschappelijk Europees Kooprecht (GEKL/CESL)?

    • Het Gemeenschappelijk Europees Kooprecht (CESL) is een voorstel betreffende een optioneel instrument dat veel ruimte biedt voor de toepasselijkheid van het kooprecht in situaties betreffende digitale inhoud. In art. 2 sub j CESL is de definitie van digitale inhoud te vinden:
    • ‘Gegevens die, al dan niet volgens de specificaties van de koper, in digitale vorm geproduceerd en geleverd kunnen worden, inclusief video, audio, afbeeldingen of schriftelijke digitale inhoud, digitale spellen, software en digitale inhoud waarmee bestaande hardware of software kan worden gepersonaliseerd.’
    • Hoe zit het in het geval dat de eindgebruiker de digitale inhoud niet als bestand ontvangt, maar allen toegang krijgt tot het informatieproduct? Denk bijvoorbeeld aan Spotify of ‘Software as a service’.
    • Loos pleit voor een brede toepassing van het CESL, maar maakt een uitzondering voor overeenkomsten waarbij men eenmalig via streaming toegang krijgt tot een informatieproduct. Rinzema pleit ervoor om voor elk denkbare licentieverschaffing voor software het kooprecht toe te passen.
    • De centrale vraag betreft de vraag in hoeverre het begrip ‘digitale inhoud’ hanteerbaar is om contracten met betrekking tot dit object tot koop te kunnen kwalificeren.

    Digitale inhoud verkopen onder nationale of Europese wetgeving?

    • Art. 2 onderdeel j ontwerp-Verordening: Digitale inhoud betreft gegevens die, al dan niet volgens de specificaties van de verkoper, in digitale vorm geproduceerd en geleverd worden, inclusief video, audio, afbeeldingen of schriftelijke digitale inhoud, digitale spellen, software en digitale inhoud waarmee bestaande hardware of software kan worden gepersonaliseerd, maar met uitzondering van financiële diensten, juridisch of financieel advies dat verstrekt wordt in elektronische vorm, elektronische diensten betreffende de gezondheidszorg, elektronische communicatiediensten en elektronische netwerken en bijbehorende faciliteiten en diensten, gokken, en het creëren van nieuwe digitale inhoud door consumenten of andere interacties met de creaties van andere gebruikers.
    • In amendement 59 stelt het Europees Parlement de volgende verduidelijking voor: Het kan worden geleverd via downloading, streaming, op een duurzame drager of door enig ander middel. Digitale inhoud kan worden verstrekt tegen betaling van een prijs in geld of anderszins tegen betaling. Ook wordt gesteld dat de ‘definition of digital content should be extended to include free-of-charge digital content’. Dit wordt beargumenteerd met het feit dat de levering van gratis digitale inhoud ook gewoon een business model betreft waarbij consumenten met hun persoonlijke gegevens betalen in plaats van geld. Ook vertegenwoordigen virtuele betaalmiddelen in zichzelf al een geldelijke waarde.
    • Art. 5 onderdeel b ontwerp-Verordening betreft nog een beperking op het toepassingsbereik van het GEKR: De digitale inhoud dient door de gebruiker te kunnen worden opgeslagen, verwerkt en hergebruikt. Ook dient alleen hij er toegang tot te kunnen hebben. O.a. streaming valt hiermee buiten het toepassingsbereik van het GEKR.
    • Voor zover digitale inhoud in the cloud van een derde wordt afgeleverd, zal de levering van de digitale inhoud wel, maar de opslag daarvan niet binnen het toepassingsgebied van het GEKR vallen, omdat zuivere opslagdiensten geen koopachtige relatie betreffen.

    Hoe is het doorverkopen van gedownloade software geregeld (na het arrest Usedsoft/Oracle)?

    Het arrest Usedsoft/Oracle is belangrijk inzake de draagwijdte van de communautaire uitputting van het distributierecht inzake software. Het principe is terug te vinden in art. 4 Softwarerichtlijn 1991 en art. 12b Auteurswet en bepaalt dat de eerste verkoop van een kopie van een programma leidt tot verval van het recht om controle uit te oefenen op de distributie van die kopie, met uitzondering van het recht om controle uit te oefenen op het verder verhuren van het programma of een kopie daarvan.

    Welke mogelijkheden er zijn om de softwaredistributie hanteerbaar te krijgen?

    • Software levert als juridisch verschijnsel bijzonder veel interessante civielrechtelijke vragen op. De vraag die centraal staat betreft de vraag welke mogelijkheden er zijn om de softwaredistributie hanteerbaar te krijgen.
    • Om een exemplaar van auteursrechtelijk beschermd werk te (doen) verspreiden in het verkeer zijn minimaal drie partijen nodig: De producent, de reseller en de gebruiker.
    • Bij software blijft de auteur veel duidelijker dan bij boeken bij de gebruiker van de software betrokken, door de licentierelatie. De Europese Softwarerichtlijn is geïmplementeerd in art. 45h e.v. Aw. Op grond van art. 45j e.v. Aw heeft de gebruiker enige minimumrechten die een voortdurend gebruik voor het beoogde doel van de software moet garanderen. De auteur mag de minimumrechten, die van dwingend recht zijn, niet wegcontracteren. Wel mag hij nadere gebruiksvoorwaarden opleggen, die bijvoorbeeld betrekking kunnen hebben op het aantal personen of computers waarmee de software gebruikt mag worden. Bij de verkoop van een kopie van de software wordt op grond van art. 45j Aw de benodigde gebruikslicentie impliciet verleend.
    • Bij een shrink-wraplicentie wordt het softwarepakket aangeleverd in een krimpfolieverpakking. Door het openen van deze verpakking stemt men in met de algemene voorwaarden die in deze verpakking aanwezig zijn.
    • Bij een click-wraplicentie gaat de gebruiker akkoord met de algemene voorwaarden voorafgaand aan de installatie, door een vakje aan te vinken waarmee men verklaard de voorwaarden te hebben gelezen en er mee akkoord te gaan.
    • Er is in de literatuur een discussie ontstaan rondom de vraag waarop de verkrijger de licenties onder ogen moet krijgen om te kunnen gelden, gezien de vermogensrechtelijke regels van de totstandkoming van de overeenkomst.

    Bronnen en meer lezen?

    Hoe zit het internationale publiek en privaatrecht in elkaar, en welke onderdelen kan je bestuderen?

    Hoe zit het internationale publiek en privaatrecht in elkaar, en welke onderdelen kan je bestuderen?


    Wat is internationaal recht?

    • Van het recht op vrijheid van meningsuiting tot de compensatie van vertraging bij een internationale vlucht, een wereld zonder internationale rechtsregels is niet voor te stellen. Het internationaal recht heeft niet alleen betrekking op oorlog, vrede of mensenrechten, maar ook op handel en de bescherming van het milieu. Het uitgangspunt is dat het bestaan van internationale betrekkingen het bestaan van internationaal recht impliceert.
    • Het internationale recht wordt gevormd door het internationaal publiekrecht en het internationaal privaatrecht.

    Wat is internationaal publiekrecht?

    • Internationaal publiekrecht stelt de regels voor het uitoefenen van publiek gezag in de internationale gemeenschap. Het is op basis van dit recht dat entiteiten die het publiek gezag uitoefenen hun bevoegdheden toegekend krijgen; hierbij gaat het voornamelijk om staten en internationale organisaties. Ook bepaalt het internationaal publiekrecht het juridisch kader waarbinnen zij deze bevoegdheden moeten uitoefenen.
    • Het internationale publiekrecht wordt hierbij ook wel volkenrecht genoemd. Het volkenrecht stamt van de Latijnse term ius gentium. Het ius gentium was het recht dat op alle burgers, dus ook op niet-Romeinen, van toepassing was.
    • Vanaf de 16e en 17e eeuw werd met volkerenrecht het recht tussen politiek georganiseerde gemeenschappen bedoeld, oftewel het recht dat tussen staten gold. Aangezien volkeren niet hetzelfde betekent als staten en de status van sommige volkeren niet duidelijk is, bijvoorbeeld de Koerden in Turkije, sluit de term internationaal publiekrecht beter aan dan de term volkenrecht.
    • Bij het publiek gezag in de internationale rechtsorde zijn ook andere partijen betrokken; denk hierbij aan internationale organisaties en natuurlijke personen.

    Waarom is er behoefte aan internationaal privaatrecht?

    • Er zijn twee redenen die verklaren waarom er behoefte is aan internationaal privaatrecht (afgekort ipr).
    • De eerste reden is dat het privaatrecht in elk land verschillend is. Er worden weliswaar pogingen ondernomen om bepaalde rechtsgebieden te harmoniseren maar het is niet mogelijk, en niet wenselijk, om een wereldwijd uniform rechtsstelsel tot stand te brengen.
    • De tweede reden is dat het regelmatig voorkomt dat rechtshandelingen en rechtsfeiten zich niet beperken tot het grondgebied van een land. Grensoverschrijdende rechtsverhoudingen zijn door de globalisering al lang geen exceptie meer.

    Wat is internationaal privaatrecht?

    • Internationaal privaatrecht kent drie hoofdonderdelen: welk rechtsstelsel, welke rechter en welke tenuitvoerlegging.
    • Het eerste hoofdonderdeel betreft het verwijzingsrecht, ofwel conflictenrecht. Dit deelgebied van het ipr geeft aan welke rechtsregels van toepassing zijn op een grensoverschrijdende casus. Het beantwoordt de vraag welke nationale rechtsregels of –regelingen toegepast moeten worden op een internationale rechtsverhouding.
    • Conflictenrecht vormt het materiële ipr.
    • Het tweede hoofdonderdeel van het ipr betreft het internationale bevoegdheids- of jurisdictierecht. Bij dit deelgebied van het ipr gaat het erom welke rechter bevoegd is om een zaak met een internationaal karakter in behandeling te nemen. Het conflictenrecht bepaalt dus welk recht er moet worden toegepast en het internationale bevoegdheids- of jurisdictierecht bepaalt welke rechter, uit welk land, dit recht mag toepassen.
    • Het internationale bevoegdheidsrecht vormt, samen met erkennings- en executierecht, het formele ipr.
    • Het erkennings- en executierecht is een derde hoofdonderdeel van het ipr. Het gaat dan om het internationale erkennings- en executierecht. Als een rechter uitspraak doet in een internationale zaak, kan de begunstigde partij er belang bij hebben dat het vonnis ook consequenties heeft op het grondgebied van een andere staat dan die van de rechter die de uitspraak doet. Het internationale erkennings- en executierecht ziet er daarom op toe dat buitenlandse vonnissen, als zij aan alle voorwaarden voldoen, ten uitvoer worden gelegd.

    Is internationaal privaatrecht wel internationaal recht?

    • Nee. Ipr is geen internationaal recht, maar nationaal recht.
    • Internationaal recht geeft in principe niet aan of een nationale rechter bevoegd is om kennis te nemen van een bepaalde zaak. Daarnaast bepalen nationale jurisdicties welk recht er toegepast dient te worden op internationale rechtsverhoudingen. En ook is het zo dat het een nationale aangelegenheid is welke buitenlandse rechterlijke beslissingen wel en niet worden erkend op het eigen grondgebied.
    • Een staat mag bovenstaande rechtsvragen zelf invullen, hoewel men wel kan aannemen dat een staat die alleen maar zijn eigen recht en zijn eigen rechters erkent in strijd handelt met het volkerenrecht.

    Voor wie is internationaal publiekrecht bedoeld?

    • Het internationaal publiekrecht kent zijn eigen rechtssubjecten. Rechtssubjecten zijn actoren die de status hebben om deel te nemen aan het rechtsverkeer in de internationale rechtsorde.
    • Tot de rechtssubjecten in de internationale rechtsorde behoren staten, internationale organisaties, bevrijdingsbewegingen, de facto-regimes en individuen. Oorspronkelijk, in de 19de en 20ste eeuw, werd echter aangenomen dat enkel staten rechtssubjecten waren. Tegenwoordig, zoals aan de voorgaande opsomming van rechtssubjecten te zien is, denkt men hier wel anders over.

    Wat zijn de belangrijkste kenmerken van de staat?

    • De vier belangrijkste kenmerken van een staat zijn:
    1. soevereiniteit,
    2. regering,
    3. grondgebied,
    4. bevolking.
    • Deze laatste drie kenmerken worden ook genoemd in artikel 1 van het Verdrag van Montevideo inzake de Rechten en Plichten van Staten. Het vierde kenmerk in dit artikel, namelijk ‘the capacity to enter into relations with other states’, vloeit hieruit voort. Nadat deze kenmerken zijn behandeld, wordt de totstandkoming, wijziging en opvolging van staten besproken.

    Wat is de positie van het individu in het internationaal recht?

    • Het internationale recht heeft eeuwenlang geen rekening gehouden met individuen en had enkel gelding tussen staten onderling.
    • Individuen konden het onderwerp van internationaal recht zijn, maar niet het subject. Zij hadden geen rechten of verplichtingen onder internationaal recht.
    • Tegenwoordig is dit anders, ook individuen kunnen thans rechten ontlenen aan internationaal recht. Denk bijvoorbeeld aan de internationale mensenrechten of vluchtelingen.
    • Daarnaast kunnen individuen ook veroordeeld worden op grond van bepalingen van internationaal recht. Denk bijvoorbeeld aan het plegen van oorlogsmisdaden of genocide.

    Wat is de rechtspositie van de internationale organisatie?

    • Een internationale organisatie is een samenwerkingsverband van twee of meer staten of andere internationale organisaties.
    • Een dergelijke organisatie met rechtspersoonlijkheid kan los van haar leden handelen, dus in haar eigen hoedanigheid.
    • Internationale organisaties kunnen belangen behartigen die door staten afzonderlijk niet kunnen worden bereikt, zij vertegenwoordigen als organisaties het gemeenschappelijk belang. Internationale organisaties ontstaan door toekenning van taken door staten. Zij hebben geen grondgebied en bevolking.
    • De inrichting van internationale organisaties wordt bepaald aan de hand van het internationaal recht. De inrichting van een internationale organisatie is voornamelijk bepaald door het verdrag waarbij de organisatie is opgericht. Slechts een beperkt aantal beginselen van het algemeen internationaal recht zijn dan ook van toepassing op alle internationale organisaties.
    • Tussen internationale organisaties bestaan grote verschillen. Zo zijn er organisaties waarvan slechts enkele staten lid zijn en organisaties waarin vrijwel alle staten lid zijn. Sommige organisaties hebben een beperkte missie, anderen bestrijken een groot aantal beleidsterreinen.
    • Over het algemeen hebben internationale organisaties drie typen organen, namelijk:
      • Organen die de leden vertegenwoordigen, met als taken algemene politieke besluitvorming, beleidsbepaling en soms regelgeving.
      • Organen die de bevolkingen/parlementen van de leden vertegenwoordigen, deze bestaan doorgaans uit een selectie van nationale volksvertegenwoordiging; enkel het Parlement van de Europese Unie vertegenwoordigt de burgers van de Europese Unie direct.
      • Organen die onafhankelijk opereren, zoals secretariaten en tribunalen. Secretariaten ondersteunen het werk van organisaties. Rechterlijke organen kunnen bevoegd zijn tot geschillenbeslechting tussen staten. Ook kunnen zij bevoegd zijn rechtsvragen ten aanzien van bevoegdheid/optreden van organen te beoordelen.

    Hoe verhoudt de aard van het internationale publiekrecht zich tot het nationale recht?

    • Er is sprake van een aantal fundamentele verschillen tussen nationaal recht en internationaal recht.
    • In tegenstelling tot de verticaal gestructureerde nationale rechtsorde is de internationale rechtsgemeenschap meer horizontaal gestructureerd.
    • Binnen de nationale rechtsorde maakt men een onderscheid tussen wetgevende, rechterlijke en uitvoerende macht. Deze laatstgenoemde draagt zorg voor de naleving van het recht en de eerbiediging van rechterlijke uitspraken.

    Hoe gaan we om met soevereiniteit, jurisdictie en aansprakelijkheid?

    • Soevereine staten nemen op dit moment nog steeds de meest belangrijke rol in bij het internationaal publiekrecht. Toch verandert dit met het voortschrijden van en in de 20ste eeuw zijn er meer internationale rechtsregels gekomen die de soevereiniteit van staten beperkt.
    • Soevereiniteit ligt gevoelig binnen internationale betrekkingen en het volkenrecht. De betekenis van soevereiniteit wordt vaak nog gekoppeld aan de letterlijke vertaling; suprematie en absoluut gezag.

    Hoe verhouden rechtsmacht, bevoegdheden en immuniteiten zich tot elkaar?

    • Soevereine staten kunnen op hun grondgebied in beginsel doen en laten wat zij willen. Zij kunnen wetten uitgeven en personen die hun wetten overtreden veroordelen. Het wordt vaak gezegd dat staten jurisdictie over hun eigen grondgebied hebben, en dat deze jurisdictie exclusief en onbeperkt is. Er zijn echter enkele nuances hierop.
    • Staten kunnen jurisdictie claimen op basis van vijf – deels overlappende – beginselen. Deze zijn niet vastgelegd in verdragen of nationale wetgeving. Internationaal recht staat toe dat nationale wetgeving gebaseerd wordt op deze beginselen, staten zijn hier niet toe verplicht.
    • Het komt voor dat staten jurisdictie claimen met betrekking tot een gedraging die heeft plaatsgevonden buiten hun grenzen. Indien een andere staat op grond van een andere basis ook rechtsmacht kan claimen, kan dit leiden tot problemen

    Wat is het Verdragenrecht?

    • Het Weens Verdragenverdrag (WVV) van 1969 is van toepassing op verdragen die zijn gesloten tussen staten.
    • De meeste regels van dit verdrag zijn ook bindend voor staten die geen partij zijn, aangezien zijn van gewoonterechtelijke aard zijn. In beginsel is het WVV slechts van toepassing op verdragen die zijn gesloten na de inwerkingtreding van dit verdrag. De daarin neergelegde gewoonterechtelijke regels zijn echter ook van toepassing op verdragen die voor de daadwerkelijke inwerkingtreding zijn gesloten.

    Wat is het recht van internationale organisaties?

    • Internationale organisaties zijn opgericht met als doel de gemeenschappelijke belangen van staten te dienen. Een van de oudste internationale organisaties is de Wereld Post Unie (1874). Hoe minder politiek een kwestie is, des te vaker staten bereid zijn om er een internationale organisatie voor op te richten of er aan deel te nemen.

    Wat is de verhouding tussen internationaal recht en nationale gerechten?

    • Nu nationale hoven en bestuurlijke organen ook te maken hebben met internationaal recht, moeten er regels bestaan over de verhouding tussen internationaal en nationaal recht.
    • Volgens het dualisme zijn internationaal en nationaal recht twee afzonderlijke rechtssferen die weinig met elkaar te maken hebben. Zij bestrijken andere onderwerpen en zijn gericht op verschillende actoren. Ze zullen daarom niet met elkaar botsen, en als dit toch gebeurt, bepaalt het nationale recht wat de gang van zaken is. Voorts is een regel van internationaal recht pas van kracht in het nationale rechtssysteem als de staat het op de formele wijze heeft omgezet in nationaal recht. Deze opvatting over de verhouding tussen internationaal en nationaal recht was vooral vroeger leidend.
    • Daarentegen ziet monisme internationaal en nationaal recht als twee verschillende takken, maar wel van een fundamenteel gelijke boom. Internationaal recht maakt het mogelijk dat staten bestaan. Internationale regels zijn echter incompleet, zij hebben aanvulling nodig van nationaal recht. Kortom, internationaal en nationaal recht hebben elkaar nodig, en vormen samen een universeel rechtsstelsel. Volgens het monisme heeft internationaal recht gewoonlijk voorrang op een strijdige nationale regel, omdat het hoger in de rangorde staat. Daarnaast hebben internationale regels die geen verdere implementatie nodig hebben, directe werking in het nationale rechtssysteem.
    • Of een norm van internationaal recht directe werking heeft – wat wil zeggen dat individuen zich erop kunnen beroepen voor een nationaal gerecht – is afhankelijk van wat de intentie was van de verdragsluitende partijen, zo volgt uit de opinie van het PCIJ in de Jurisdiction of the Courts of Danzig zaak. Hierbij speelt de bewoording van de bepaling een grote rol, of de inhoud van de bepaling zelf. Denk bij dit laatste aan het verbod op non-refoulement (= het terugsturen van vluchtelingen): hoewel het gericht is tot de verdragsluitende partijen, kunnen individuen hier direct rechten aan ontlenen en deze bepaling inroepen bij een nationale procedure. Meestal is het echter verre van evident, en leidt het tot veel discussie. Indien men ervan uitgaat dat bepalingen van internationaal recht inderdaad directe werking hebben en dus voor gaan op de nationale, democratisch gelegitimeerde wetgeving, wordt een hiërarchie in het leven geroepen waar veel staten weerstand tegen hebben.

    Wat zijn de politieke en ethische aspecten van internationaal recht?

    • Internationaal recht kan worden gezien als een onderdeel van global governance. Global governance is echter meer dan het recht alleen (denk bijvoorbeeld aan ‘soft law’ en beleid), en wordt ook uitgeoefend door andere actoren dan staten. Denk bijvoorbeeld aan de positie van een NGO als Greenpeace; hoewel het geen staat is, geen internationale organisatie, en geen wetgevende bevoegdheden heeft, vervult het toch een niet te ontkennen positie op het terrein van internationale milieubescherming.
    • Ook leiden corporaties en de financiële markten tot een zekere hoogte het internationaal beleid.
    • Als men doorgaat met zich afvragen wie de bestuurder is van ‘global governance’, blijkt al gauw dat dit niet makkelijk aan te wijzen is. Indien dat wel mogelijk is, rijst ook de vraag op basis waarvan de global governance wordt uitgeoefend. In een democratische rechtstaat is tenminste nog de overheid en het parlement, maar welke legitieme basis is er op het wereldtoneel?
    • Voorts is het ook lastig om elke actor verantwoordelijk te houden voor de handelingen van global governance. Zelfs als het duidelijk is wie de beslissing maakt en het beleid uitvoert, is juridische verantwoording soms praktisch onmogelijk, denk bijvoorbeeld aan de beoordelingsvrijheid van de Veiligheidsraad.
    • De ruimte die Hoofdstuk VII van het VN Handvest biedt is nagenoeg grenzeloos, en het ICJ wil zich niet expliciet uitspreken over de mogelijkheden van rechterlijke toetsing.
    • Diverse universiteiten en onderzoeksinstituten houden zich bezig met al deze vragen, en proberen beginselen van behoorlijk bestuur te identificeren.

    Wat is het belang van internationaal recht en wat zijn de beperkingen?

    • Het moge duidelijk zijn dat staten internationaal recht creëren om verschillende redenen, van eigen belang, tot altruïsme of de noodzaak om iets te doen aan een schrijnende situatie. Internationaal recht geeft bovendien een vocabulaire voor een politiek debat, opdat er concreet gediscussieerd kan worden over de vraag wat te doen als de ene staat de andere binnenvalt of wanneer er op grote schaal misdaden tegen de menselijkheid plaatsvinden.
    • Natuurlijk kent ook het internationale recht zijn beperkingen. De belangrijkste beperking is dat internationaal recht afhankelijk is van de onderliggende politieke overeenstemming tussen de relevante actoren. Wanneer politici verdeeld zijn over een bepaald onderwerp, bijvoorbeeld het gebruik van nucleaire wapens, dan is het onwaarschijnlijk dat dit zal leiden tot het aannemen van wettelijke regels. Het ICJ heeft zich er dan ook niet expliciet over uitgesproken, behalve door te stellen dat nucleaire wapens illegaal zijn, behalve in situaties waarin zij toegestaan zijn. Daarnaast zijn er nog twee beperkingen denkbaar. De eerste is dat recht in het algemeen niet alle wantoestanden in de wereld kan oplossen. Zo zou een verbod op armoede – hoe wenselijk ook – onmogelijk te naleven en te handhaven zijn. Desondanks is het recht wel een instrument ter verbetering van mensenlevens . De tweede beperking is dat een aantal onderwerpen buiten de reikwijdte van het internationaal recht vallen. Dit is vaak een politieke keus en niet altijd afhankelijk van de aard van het onderwerp.

    Hoe werkt het oplossen van internationale geschillen?

    • De internationale rechtsorde kent verschillende procedures en mechanismen die een bijdrage kunnen leveren aan de handhaving van internationaal recht en procedures voor het beslechten van geschillen.
    • Met betrekking tot rechtshandhaving hebben staten, in overeenstemming met het overwegend decentrale karakter van de internationale rechtsorde, de primaire rol om op te treden als andere staten verplichtingen niet naleven.
    • Echter, ook internationale organisaties spelen in toenemende mate een rol. Procedures voor het beslechten van conflicten kunnen conflicten over (vermeende) inbreuken op internationaal recht beslechten en de door internationaal recht beschermde belangen waarborgen. Daarnaast wordt het vertrouwen in de internationale rechtsorde ondersteund. Conflictbeslechting heeft betrekking op conflicten tussen staten, maar ook op conflicten waarbij natuurlijke of rechtspersonen zijn betrokken of internationale organisaties.

    Wat regelt het totale verbod op het gebruik van geweld (artikel 2, lid 4 VN-Handvest)?

    • Tegenwoordig is oorlog in beginsel verboden. Dit betekent niet dat er geen wetgeving is hierover, denk aan de Geneefse Conventies van 1949. Dit onderwerp komt uitgebreid aan bod in hoofdstuk 11.
    • Over het gebruik van geweld is het VN Handvest duidelijk: er bestaat een totaal verbod op het gebruik van geweld.
    • Hierop is slechts één erkende uitzondering mogelijk, anders dan de mogelijkheid om een handeling voor de collectieve veiligheid te verrichten, namelijk het recht op zelfverdediging.
    • Desondanks vinden er nog altijd gewapende conflicten en interventies plaats. Het is de vraag of deze handelingen gerechtvaardigd kunnen worden op basis van internationaal gewoonterecht. Derhalve moeten deze twee regimes – het VN Handvest en het gewoonterecht – nader worden beschouwd.

    Welke rechtsregels gelden er omtrent het gebruik van militair geweld?

    • Er bestaan twee uitzonderingen op het geweldverbod, namelijk het gebruik van geweld onder mandaat van de Veiligheidsraad en het recht op zelfverdediging. Het recht op zelfverdediging van artikel 51 is door het IGH ook erkend als gewoonterechtelijke regel.
    • Zelfverdediging: Het gebruik van geweld uit zelfverdediging is aan een aantal voorwaarden gebonden:
      • Er moet sprake zijn van een gewapende aanval.
      • Het geweld moet proportioneel en noodzakelijk zijn: een preventieve aanval om een tegenaanval te voorkomen is niet toegestaan. Daarentegen kan preëmptieve zelfverdediging wel gerechtvaardigd zijn, indien er sprake is van een op handen zijnde aanval (imminent threat).
      • De zelfverdedigingsactie moet plaats vinden met het in acht nemen van internationaal humanitair recht.

    Hoe zijn sancties, tegenmaatregelen en collectieve veiligheid geregeld?

    • Het internationaal recht kent drie soorten reacties op het gedrag van een staat die gekwalificeerd kunnen worden als sancties. De eerste was het idee dat een schending door de ene partij, de andere partij ook bevrijdt van zijn verplichtingen. De tweede is de retorsie en de derde de represaille.

    Hoe worden internationale geschillen vreedzaam beslecht?

    • Staten zijn op grond van artikel 2 lid 3 van het VN-Handvest verplicht hun geschillen op vreedzame wijze op te lossen. Deze vreedzame wijze is te verdelen in diplomatieke methoden en juridische methoden.
    • Een diplomatieke methode is bijvoorbeeld rechtstreekse onderhandelingen tussen vertegenwoordigers van desbetreffende staten. Om deze onderhandelingen te faciliteren wordt vaak een beroep gedaan op een derde partij om een feitenonderzoek uit te voeren naar bijvoorbeeld de oorzaak van een geschil. Ook kan de VN zelf besluiten een dergelijk feitenonderzoek uit te voeren. Een derde partij kan ook haar diensten aanbieden om de communicatie te faciliteren, door bijvoorbeeld een neutrale onderhandelingsplek aan te bieden. Zij kan ook een actievere rol spelen en bemiddelen in het conflict. De meest actieve rol neemt een derde partij in bij verzoening, ofwel conciliatie. De derde partij doet dan voorstellen aan de partijen om het conflict te beslechten.
    • Naast de diplomatieke methoden, waarmee men in eerste instantie meestal begint, is er de mogelijkheid om gebruik te maken van juridische methoden. Een voorbeeld is arbitrage, hierbij leggen staten een geschil voor aan een permanent of ad hoc tribunaal, deze doet dan een einduitspraak.
    • Internationale rechtspraak gaat verder dan arbitrage. Bij arbitrage hebben staten nog invloed op wie de arbiters zijn en op de procedure; bij een internationale rechterlijke instantie bepaalt de instantie zelf haar leden en procedures. Een internationale rechterlijke instantie is permanent, terwijl een arbitragecommissie ad hoc ingesteld kan zijn. Beide instanties spreken een oordeel uit op basis van internationaal recht en in beide gevallen is dit oordeel bindend voor de staten.

    Hoe verhouden rechtsmacht, bevoegdheden en immuniteiten zich tot elkaar?

    • In de loop der tijd is meer aandacht ontstaan voor de bescherming van staten en hun vertegenwoordigers tegen de staat waarmee zij onderhandelen. Het zou immers zeer onwenselijk zijn als buitenlandse diplomaten door de gaststaat vervolgd of gedetineerd kunnen worden. Dit is erkend in het immuniteitsrecht. Het is algemeen erkend dat staten en hun vertegenwoordigers, zoals diplomaten, immuniteit genieten tegen veroordeling in vreemde staten. Dit geldt ook voor internationale organisaties.

    Wat zijn de heersende rechtsregels omtrent zeëen, lucht en ruimte?

    • Daar bijna driekwart van de aardbol bedekt is met water, is de regulatie van zeeën altijd een belangrijk onderdeel van internationaal recht geweest.
    • Toen vliegtuigen net uitgevonden waren, bestonden er geen regels over het gebruik van het luchtruim. De basisgedachte was dat vliegtuigen, net als schepen, een vrije ‘doorgang’ moesten hebben. Dit veranderde door de Eerste Wereldoorlog.
    • Er bestaat nog geen overeenstemming over de kwestie waar het luchtruim eindigt en de ruimte begint. De ruimte bestaat uit satellieten, ruimtevaartuigen, planeten en hemellichamen. Anders dan het luchtruim boven staten, wordt de ruimte niet gezien als een onderwerp van territoriale soevereiniteit. De Algemene Vergadering van de VN heeft in 1958 een eerste belangrijke motie uitgevaardigd, waarin het beginsel is vastgelegd dat de ruimte alleen gebruikt mag worden voor vreedzame doeleinden. De belangrijkste beginselen zijn gecodificeerd in het Ruimteverdrag uit 1967.

    Hoe is de bescherming van het milieu internationaal geregeld?

    • Sinds de laatste decennia vormt milieubescherming een nieuwe tak van het internationale recht.
    • Internationaal milieurecht zorgt voor veel discussie en het is lastig voor staten om overeenstemming te bereiken.
    • Ontwikkelde, industriële staten zijn terughoudend in het veranderen van hun milieuvervuilende gedrag, terwijl ontwikkelingslanden dezelfde mogelijkheden willen benutten als de reeds geïndustrialiseerde staten. Een andere probleemfactor is dat internationaal recht oorspronkelijk bedoeld is voor staten onderling. Het zijn echter zelden staten die de directe veroorzakers van milieuvervuiling zijn, veelal zijn de vervuilers private ondernemingen en natuurlijke personen.
    • Dit zorgt ervoor dat het internationaal milieurecht behoorlijk gefragmenteerd is en anders is ingericht dan andere internationale rechtsgebieden.

    Wat is de verhouding van het financieel recht, handelsrecht en investeringsrecht ten opzichte van de duurzame ontwikkeling van het milieu?

    • Internationaal publiekrecht stelt voorwaarden op voor economische ontwikkeling en beschermt deze. Daarnaast zorgt het internationaal recht voor een beperking van ongewenste gevolgen van onbeperkte economische groei, bijvoorbeeld op het gebied van milieubescherming (het beginsel van duurzame ontwikkeling).
    • Financieel recht, handelsrecht en investeringsrecht zijn de drie belangrijkste onderdelen van het internationaal economisch recht. Naast deze onderdelen zullen ook een tweetal ondersteunende doelstellingen worden besproken, namelijk:
      • De versterking van de positie van ontwikkelingslanden
      • De bescherming van het milieu.

    Hoe wordt de wereldeconomie geregeld?

    • Veel internationale regelgeving betreft dewereldeconomie.
    • Hoewel het uiteraard niet direct geldt voor mensenrechten of humanitair recht, andere internationale rechtsgebieden krijgen veel te maken met economie.
    • Het traditionele zeerecht zag bijvoorbeeld op het bevorderen van de handel. Tot op een zekere hoogte is er internationaal economisch recht ontstaan, denk aan financiële stabiliteit door het ondersteunen van ontwikkelings- en investeringsbanken, de kerntaak van het Internationaal Monetair Fonds (International Monetary Fund, IMF), of het regelen van handelsrelaties, de doelstelling van de Wereld Handel Organisatie (World Trade Organisation, WTO).
    • Ook het internationaal privaatrecht, dat grotendeels wordt geregeld door conflictregels met betrekking tot nationaal recht, kent enkele internationale beginselen en/of verdragen, denk bijvoorbeeld aan het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken. De meeste contractuele transacties tussen private partijen worden echter beheerst door nationaal recht.

    Bronnen  en verder lezen?

    Hoe zit het ondernemingsrecht en rechtspersonenrecht in elkaar?

    Hoe zit het ondernemingsrecht en rechtspersonenrecht in elkaar?


    Waar gaat ondernemingsrecht en rechtspersonenrecht over?

    • Het ondernemings- en rechtspersonenrecht draait met name om de rechtsvormen en structuur van een organisatie, de bevoegdheid om als vertegenwoordigers van een organisatie rechtshandelingen te verrichten, en de aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid van de bestuurders
    • Het ondernemings- en rechtspersonenrecht is een onderdeel van het privaatrecht.
    • De rechtsvorm is in feite een gereedschap om de organisatie goed te kunnen laten functioneren. Het eerste doel van het dit recht is dan ook facilitair. Dit betekent dat de juridische ondernemingsvormen sterk beïnvloed worden door het functioneren van een organisatie. Een voorbeeld hiervan is de efficiency van een organisatie.

    Wat zijn de kernvragen binnen het ondernemingsrecht

    1. Hoe wordt de interne structuur van een onderneming geregeld?
    2. Wie zijn bevoegd om als vertegenwoordigers van de onderneming rechtshandelingen te verrichten?
    3. Hoe is de aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid van bijvoorbeeld bestuurders geregeld?

      Welke rechtspersonen kent  Nederland?

      • Besloten Vennootschap
      • Naamloze Vennootschap
      • Vennootschap onder firma
      • Maatschap
      • Commanditaire vennootschap (tussenvorm)
      • Coöperatie (tussenvorm)
      • Verenigingen,
      • Onderlinge waarborgmaatschappijen
      • Stichtingen

      Wat zijn verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen?

      • Een vereniging mag geen coöperatief doel hebben of een verzekeringsbedrijf uitoefenen waarin zij verzekeringsovereenkomsten sluit met haar leden (art 2:26 lid 1). Daarnaast mag ze geen winst verdelen onder haar leden (2:26 lid 3). De vereniging moet goed onderscheiden worden van de maatschap (7A:1655). Van een maatschap is sprake wanneer alle deelnemers iets inbrengen ten einde daarmee winst te behalen onder de leden. Wanneer hier geen sprake van is, is er sprake van een vereniging nu winstverdeling onder de leden daar niet is toegestaan.
      • Het is een vereniging overigens vrij een commercieel doel na te streven. De winst die behaald wordt mag slechts niet aan de leden worden uitgekeerd, maar wel aan derden. Uitkeringen met een ideële of sociale strekking mogen wel aan leden worden gedaan.
      • Opvallend is dat de wet geen precieze doelomschrijving geeft, maar slechts de beperkingen.
      • Art 2:285 lid 3 bepaalt: ‘het doel van de stichting mag niet inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben’. Er geldt dus een uitkeringsverbod voor de stichting. Slechts uitkeringen beperkt tot het ideële of sociale terrein zijn toegestaan aan anderen. Het is ook mogelijk om uitkeringen te doen aan oprichters etc. van de stichting voor zover zij onder de algemene regels vallen die de stichting heeft gesteld om tot uitkering over te gaan. Dit geldt echter niet wanneer oprichters etc. de enigen zijn die onder de algemene regels vallen.
      • Wanneer een stichting of vereniging uitkeringen doet die niet zijn toegestaan, kunnen zij deze op grond van onverschuldigde betaling terugvorderen. Een uitzondering op het uitkeringsverbod geldt voor onkostenvergoeding aan oprichters bestuurders etc. mits deze reëel zijn.
      • Hieruit valt op te maken dat dat de stichting en de vereniging vrijwel dezelfde doelen na kunnen streven. Er is nauwelijks een grenslijn te trekken tussen deze twee rechtspersonen. De beperkingen zijn meer gericht op het onderscheid tussen stichting en vereniging aan de ene kant, en vennootschap en coöperatie anderzijds.

      Hoe is aandeelhouderschap van een rechtspersoon bij wet geregeld?

      • Bij de NV/BV heeft het aandeel een aantal functies:
      1. Zeggenschap. Iedere aandeelhouder heeft een stemrecht; 1 stem per aandeel (art. 2:118/228 lid 1 BW; art. 2:38 BW).
        1. Aantrekken van geld. De aandeelhouder brengt een vermogen in de BV/NV in ter grootte van een bepaald nominaal bedrag. De hoogte van dit bedrag staat in de statuten vermeld.
        2. Verdelen van de winst. In beginsel krijgt iedere aandeelhouder een gedeelte van de winst. Dit wordt ook wel dividend genoemd. Hoe meer aandelen, des te meer dividend (art. 2:105/216 BW).
      2. Voor de aandeelhouder is het aandeel ook nog een vermogensobject: hij kan de aandelen verkopen.
      • Bij een personenvennootschap is het lidmaatschap persoonlijk en dit betekent dat het lidmaatschap dus niet overdraagbaar is. Dit betekent dat een lidmaatschap geen afzonderlijk goed is in de zin van art. 3:1 BW. Dit komt omdat de vennoot in een maatschap, vof of cv niet vrijelijk kan beschikken over zijn deel van het vermogen in de vennootschap. De vennootschap kan ook niet zonder toestemming worden overgedragen aan anderen, omdat het persoonlijke karakter van de personenvennootschap zich hier tegen verzet.

      Wat is de vertegenwoordigingsbevoegdheid van rechtspersonen?

      • De vertegenwoordigingsbevoegdheid bij een BV/NV berust bij (één van) de bestuurders. Er zijn drie bijzonderheden te onderscheiden in art. 2:130/240 lid 3 BW.
        • De bevoegdheid alle mogelijke rechtshandelingen te verrichten namens de rechtspersoon noemt men ook wel volledige vertegenwoordigingsbevoegdheid. Het bestuur heeft in beginsel volledige vertegenwoordigingsbevoegdheid.
        • Deze vertegenwoordigingsbevoegdheid mag alleen beperkt worden, indien hiervoor een grondslag in de wet te vinden is.
        • Alleen de vennootschap kan tegenover derden een beroep doen op zo'n wettelijke uitzondering.
      • In het arrest Sluis (HR 09-07-1990, NJ 1191/51) ging de Hoge Raad in op de reikwijdte van niet uit de wet voortvloeiende beperkingen en voorwaarden. In dit arrest was de rechtsvraag of een bestuurder in een juridische procedure een verweerschrift mocht indienen namens de vennootschap, terwijl de medebestuurder dit niet wilde doen en er een afspraak bestond dat hieraan een bestuursbesluit ten grondslag moest liggen. De Hoge Raad gaf aan dat het handelen van de bestuurder die een verweerschrift wilde indienen gewoon een geldige rechtshandeling is, ook al is deze in strijd met de statuten.
      • In het arrest Bibolini (HR 17-12-1982, NJ 1983/480) overwoog de Hoge Raad dat het in beginsel niet relevant is of diegene op de hoogte was van de interne bevoegdheidsbeperking. Het is wel volgens de Hoge Raad mogelijk dat dit strijd met de goede trouw kan opleveren als degene toch handelt met de wederpartij, terwijl men wel op de hoogte was van de bevoegdheidsbeperking. Het is mogelijk dat als een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid is opgenomen in de statuten en de bestuurder niet handelt overeenkomstig deze beperking, de bevoegdheidsbeperking niet kan worden tegengeworpen aan de derde. De bestuurder kan wel aansprakelijk worden gesteld op grond van art. 2:9 BW wegens het overtreden van interne afspraken binnen de vennootschap.

      Wat is de regelgeving omtrent samenwerken tussen vennoten?

      • De volgende elementen zijn bepalend voor de onderlinge rechtsverhouding tussen de vennoten: de overeenkomst, de samenwerking, de inbreng, de gemeenschap, het voordeel en de wijze van de verdeling daarvan.
      • Vennoten brengen een samenwerkingsverband tot stand, daardoor is toepassing van het overeenkomstenrecht niet altijd mogelijk. Een enkele partijafspraak is voldoende voor het aangaan van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid.
      • De samenwerking staat centraal, de rechtsverhouding heeft een hoogst persoonlijk karakter en dient zijn rechtsgrondslag te hebben in de affectio societatis.
      • Partijen dienen samen te werken op voet van gelijkheid, zonder hiërarchische verhoudingen.
      • Samenwerking kan zowel duurzaam als incidenteel van aard zijn.
      • Het staat de individuele vennoot niet vrij om zijn positie aan derde over te dragen. De persoonlijke verbondenheid brengt mee dat het wegvallen van een der vennoten tot verstrekkende gevolgen leidt voor de rechtsbetrekking.
      • Indien een van de vennoten door dood, faillissement, curatele, overmacht of wanprestatie uitvalt zal dit in beginsel het einde van de vennootschap betekenen. Andere vennoten kunnen wel op nieuw beginnen of de draad weer oppakken.
      • Uitgangspunt van de wettelijk regeling is dat voor de bestuursbesluiten unanimiteit vereist is, bij het vetorecht moet wel rekening worden gehouden met de redelijkheid en billijkheid.
      • Deze unanimiteit kan de slagvaardigheid in de weg staan. Daarom wordt er onderscheid gemaakt tussen ‘beheren’ en ‘beschikken’.

      Op welke manieren mogen rechtspersonen vermogen bezitten?

      • Ondernemingen kunnen op verschillende manieren aan het vermogen komen waarmee zij hun activiteiten financieren. Dit kan door middel van eigen vermogen en vreemd vermogen (geleende middelen).
      • Een vereniging kan verbintenissen aan het lidmaatschap verbinden, bijvoorbeeld het betalen van contributie (art. 2:34a BW). Er moet wel een grondslag voor zijn in de statuten en bovendien moet er in de statuten vermeld zijn welke soort verbintenissen zijn toegestaan. Art. 2:36 lid 3 BW bepaalt dat leden hun lidmaatschap kunnen beëindigen, per direct, als van hen een zwaardere verplichting wordt gevraagd. Art. 2:46 BW is een bijzondere bepaling: krachtens dit artikel kan een vereniging, voor zover dit in de statuten uitdrukkelijk is bepaald, verplichtingen aangaan ten laste van haar leden. Ook hier moet de aard van de verplichting vermeld worden in de statuten. Om aan de verplichtingen gebonden te zijn hoeven de leden van de vereniging de verplichtingen dus niet te aanvaarden.
      • De coöperatie haalt haar “vermogen” uit transacties met haar leden, met derden en uit het drijven van haar onderneming (art. 2:53 BW). In de statuten moet staan of de gemaakte winst wordt uitgekeerd of ingehouden wordt en wie hierover beslist (art. 2:40 jo 53a BW).
      • Art. 2:285 BW geeft aan dat stichtingen beogen een bepaald doel te verwezenlijken door middel van een daartoe bestemd vermogen. Het maakt niet uit of dit vermogen al aanwezig is. Uitzicht op toekomstig vermogen is voldoende (bijv. donaties). Als deze vooruitzichten uitblijven kan de rechter de stichting ontbinden (art. 2:301 BW).
      • Krachtens art. 7A:1655 BW zijn de vennoten verplicht om iets in te brengen in de gemeenschap. De wetgever de vennoten heeft een hoop vrijheid gelaten wat betreft deze inbreng. Voor de maatschap, vof en cv zijn er geen wettelijke regels voor het tijdstip waarop de vennoten deze inbreng moeten inbrengen. De vennoten kunnen overeenkomen dat waardeveranderingen van zaken waarvan het genot is ingebracht, voor rekening komen van de gezamenlijke vennoten: inbreng van de economische eigendom van een zaak. De betreffende vennoot houdt dan de juridische eigendom van de ingebrachte zaak, maar de vennooschap mag de zaak gebruiken en draagt de lasten.
      • Partijen mogen afspreken dat op een bepaald moment de vennoot de oorspronkelijke waarde van het goed (wat in economische eigendom is ingebracht) vergoed krijgt van de voormalige maatschap/vof (Rouma/Levelt, HR 24-01-1947, NJ 1947/71). Ook in het huidige recht blijft dit arrest van belang. In hetzelfde arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat de vennoot bij vereffening van de maatschap/vof recht heeft op terugbetaling van de oorspronkelijke vermogenswaarde van het ingebrachte, tenzij deze door verliezen is verloren gegaan.
      • Als de medevennoten hiermee instemmen, kan een vennoot zijn inbreng (deels) terugnemen of verhogen.
      • Een maatschap, vof en cv hebben geen rechtspersoonlijkheid, waardoor het lastig is om te bepalen of zij de inbreng kan vorderen. Aanvaard is in elk geval dat de openbare maatschap, vof en cv zelfstandig bevoegd zijn om zelf in rechte op te treden om de inbreng te vorderen van de nalatige vennoot.
      • De goederen die in de maatschap, vof en cv zijn ingebracht en die zij verwerven, vormen een gemeenschap in de zin van Boek 3, titel 7 BW. Daardoor zijn art. 3:166-188 BW van toepassing. Volgens de auteurs is deze gemeenschap een bijzondere gemeenschap (art. 3:189 BW). Het gemeenschappelijk vermogen heeft hierdoor een afgescheiden karakter: tot deze gemeenschap behorende schulden kunnen op de goederen van de gemeenschap worden verhaald (art. 3:192 BW). Deze schulden worden ook wel zaaksschulden genoemd. De essentie van deze gedachte, is dat schuldeisers bij uitsluiting verhaal ehbben op het gemeenschappelijk vermogen: ze hebben een exclusief verhaalsrecht.
      • In beginsel kan de vennoot niet beschikken over zijn aandeel in de gemeenschap (art. 3:191 BW); de aard van de maatschap, vof of cv als samenwerkingsverband brengt dit met zich mee. Dit verschijnsel wordt beschikkingsgebondenheid genoemd. In Van den Broeke/Van der Linden (HR 17-12-1992, NJ 1994/301) oordeelde de Hoge Raad dat de in een vof ingebrachte goederen een gebonden gemeenschap vormen, waardoor de privéschuldeiser van een vennoot zich niet op zo'n aandeel kan verhalen. Deze privéschuldeiser kan het faillissement van de vennoot aanvragen om zo een verhaalsmogelijkheid te creëren.
      • Een CV is een vennootschap tussen een of meer behorende vennoten die geheel aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap (art. 18 K) en een of meer commanditaire vennoten die niet aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap, doch wel (beperkt) delen in de verliezen van de vennootschap. De commanditaire inbreng strekt ter verhoging van de kredietwaardigheid van de CV.

      Bronnen en meer lezen?

      Hoe zit het staatsrecht en bestuursrecht in elkaar, en wat zijn de deelgebieden?

      Hoe zit het staatsrecht en bestuursrecht in elkaar, en wat zijn de deelgebieden?


      Wat is een staat?

      • De staat is een organisatie die met voorrang boven andere organisaties effectief gezag uitoefent over een gemeenschap van mensen op een bepaald grondgebied. De gemeenschap heeft een gemeenschappelijke cultuur en is een rechtsgemeenschap. Haar grondwaarden zijn neergelegd in door dwang te handhaven leefregels.
      • Het kunnen toepassen van dwang is kenmerkend voor een staat. Zonder dwanghandhaving van zijn rechtsorde kan een staat niet bestaan. Geweld door particulieren zal de staat slechts bij hoge uitzondering toestaan. Noodweer is zo een uitzondering. Er zijn echter ook regels die niet door dwang gehandhaafd kunnen worden, met name staatsrechtelijke regels voor de allerhoogste staatsorganen.
      • Binnen een staat zijn een of meer organen bevoegd tot het uitoefenen van dwang, die organen zijn met gezag bekleed. Het hangt af van de wijze waarop de staatsgemeenschap is georganiseerd of dit gezag berust bij één persoon of bij bepaalde groepen. De regels die betrekking hebben op de organisatie van deze gezagsorganen en de grenzen van hun gezag vormen het staatsrecht. Het staatsrecht is van staat tot staat verschillend en is een product van een historisch proces en dus van de ontwikkeling van een bepaalde cultuur.

      Wat zijn de bronnen van het staatsrecht?

      • Staatsrecht vindt op verschillende plekken haar bron
      1. De Grondwet
      2. Gewoonterechtelijke regels
      3. Geschreven regelingen in de vorm van wetten of algemeen maatregelen van bestuur
      4. Internationaal recht
      • Deze bronnen moeten ieder afzonderlijk worden beschouwd. De interpretatie vindt niet plaats door een onafhankelijke rechter, maar door de betrokken instellingen zelf.

      Wat is het onderscheid tussen staats- en bestuursrecht?

      • Er is geen scherp onderscheid tussen het staats- en bestuursrecht. Het verschil tussen het staatsrecht en het bestuursrecht is niet van groot belang. Slechts op grond van historie en gewoonte worden sommige terreinen tot het staatsrecht gerekend en andere tot het bestuursrecht.
      • Het staats- en bestuursrecht is onderdeel van het publiekrecht (dus de relatie tussen de burger en de overheid).
      • Staatsrecht en bestuursrecht zijn niet hetzelfde, het staatsrecht houdt zich vooral bezig met het Statuut van het Koninkrijk, de Grondwet en organieke wetten (wetten die betrekking hebben op de organen en de organisatie van de Staat en zijn onderdelen), decentralisatie, grondrechten, politieke rechten (dus regering-ambten-ministers etc.).
      • Het bestuursrecht daarentegen betreft de rechtsbescherming van de burger indien deze een procedure begint tegen de overheid, de normen voor bestuur en technische wetgeving en uitvoering.

      Wat is de territoriale en personele werking van het staatsrecht

      • De staat wordt territoriaal bepaald door zijn grenzen waarbinnen het gezag uitoefent, ten opzichte van alle menselijk handelen dat aan dat gezag onderhevig is. Wat buiten het gebied van de staat gebeurt valt niet onder de werking van het nationale recht maar wanneer inwoners buiten het grondgebied verblijven blijft er wel een band bestaan tussen de staat en die inwoners. De staat is vrij om op zijn grondgebied te bepalen welke organen bevoegdheden hebben en hoever die strekken: de staat heeft: ‘Kompetenz-Kompetenz’.
      • Deze vrijheid wordt erkend door andere staten. Volkenrechtelijk gezien betekent deze vrijheid soevereiniteit.
      • Daarnaast is er vaak een psychologische band tussen de staat en de bewoners van dat grondgebied. Het gaat hierbij om de volksgemeenschap die meestal is ontstaan door een gemeenschappelijk verleden. De staat is dan ook de juridische uitdrukkingsvorm van een gegroeide gemeenschap.

      Was is het legaliteitsbeginsel

      • Het legaliteitsbeginsel behelst de vraag welke instantie een bepaalde bevoegdheid heeft of kan hebben, wat die bevoegdheid inhoudt en hoe die bevoegdheid verkregen is of kan worden. Naast dit positieve aspect heeft het legaliteitsbeginsel ook een negatief aspect. Dit negatieve aspect houdt in dat overheidsbevoegdheden binnen de grenzen van het (hoger) recht uitgeoefend moeten worden.
      • Er moeten dus vier vragen worden onderscheiden:
      1. Welke overheidsinstanties zijn bevoegd (wie?)
      2. Welke bevoegdheden hebben ze (wat?)
      3. Op welke wijze hebben ze hun bevoegdheden verkregen (hoe?)
      4. Binnen welke grenzen dienen deze bevoegdheden gehanteerd te worden (tot hoever?)

      Hoe zijn de machten verdeeld?

      • Het invoeren van het legaliteitsbeginsel betekent:
      1. De macht van de Koning om algemene maatregelen van bestuur vast te stellen wordt teruggedrongen.
      2. De wetgevende macht behelst het maken van wetten en regelgeving waar de burgers aan gebonden zijn.
      3. De uitvoerende macht / het bestuur is belast met de toepassing van deze regelgeving.
      4. De rechterlijke macht is belast met conflictbeslechting en strafoplegging.
      • Montesquieu’s model van machtenscheiding is in Nederland niet helemaal doorgevoerd. De wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende taak zijn namelijk niet strikt gescheiden. De wetgevende taak wordt bijvoorbeeld uitgevoerd door de regering én door de regering en Staten-Generaal tezamen. De regering heeft naast een wetgevende taak ook een uitvoerende taak.
      • De hedendaagse betekenis van machtsverdeling is dan ook een andere dan die Montesquieu in gedachte had. Machtsverdeling houdt in dat de verschillende organen onderling samenwerken, maar ook deels zelfstandig taken uitvoeren. Ze controleren elkaar en zijn afhankelijk van elkaar. Dit systeem heet ‘het systeem van checks and balances’.

      Wat zijn grondrechten

      • Grondrechten behoren typisch bij een rechtsstaat. Reeds vanaf de middeleeuwen treffen we documenten aan waarin waarborgen zijn vastgelegd tegen willekeurig overheidsoptreden, zoals de Magna Carta uit 1215. De Magna Carta bood grondbezitters een waarborg tegen misbruik van het koninklijk gezag. Het ging hierbij echter om bescherming van privileges die dus niet algemeen geldend waren.
      • Grondrechten zijn historisch te verklaren als reactie op willekeurig of onderdrukkend overheidsoptreden. Grondrechten zijn te onderscheiden in klassieke en sociale grondrechten.
      • Overheidsoptreden dat ingrijpt in het leven of eigendom van burgers dient specifiek en gemotiveerd te zijn en tot formele wetgeving herleidbaar te zijn. De machtiging tot zodanig overheidsoptreden dient specifiek te zijn: een bepááld overheidsoptreden wordt toegestaan. De burger kan daarentegen ongemotiveerd op elke gewenste wijze gebruik maken van zijn vrijheid, voor zover niet de overheid bevoegd is op zijn vrijheid te beperken.
      • De machtsverdeling legt de grens tussen de overheidsbevoegdheden vast. De grondrechten leggen de grens tussen de overheid en de burger vast. Grondrechten zijn dus van betekenis voor de rechtsstaat in twee opzichten:
        • Grondrechten werpen een dam op tegen willekeurig en repressief overheidsoptreden; en
        • Grondrechten brengen door contrastwerking het beperkte karakter van overheidsbevoegdheden in beeld.
      • Grondrechten worden gezien als een beveiliging tegen ontsporingen, zij geven de grenzen aan. Grondrechten staan in de Grondwet, zijn positief recht en kunnen dus gewijzigd worden (er is geen juridisch sluitende beveiliging). Toch hoeven we niet bang te zijn dat de Grondrechten geschrapt zullen worden. Dit zou indruisen tegen onze rechtsovertuiging en de rechtsstaat aantasten. Tevens zijn de grondrechten in mensenrechtenverdragen vastgelegd. Dit geeft ze een extra waarborg om te blijven bestaan, want opzeggen van verdragen is meestal niet mogelijk.

      Wat is de regering?

      • Volgens art. 42 van de Grondwet wordt de regering gevormd door de Koning en de ministers en is dit dus een samengesteld orgaan, waarin Koning en ministers samenwerken en gezamenlijk optreden. Overigens hoeven niet bij ieder optreden van de regering alle ministers mee te werken.

      Wat is de staten-generaal?

      • Het Nederlandse parlement bestaat uit twee kamers die samen de Staten-Generaal vormen.
      • De Tweede Kamer wordt rechtstreeks gekozen, de leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van de provinciale staten.
      • De Eerste Kamer heeft niet het karakter van een vertegenwoordiging van de provinciale opvattingen, omdat de zetelverdeling in deze kamer geheel plaats vindt volgens een stelsel van landelijke evenredige vertegenwoordiging. Hier zijn dus de landelijke politieke verhoudingen en niet de provinciale verhoudingen bepalend voor de samenstelling ervan.
      • Beide kamers zijn in zekere zin gelijkwaardig omdat de toestemming van beide nodig is voor de aanvaarding van een wetsvoorstel. Ze zijn echter niet volledig gelijkwaardig omdat de Tweede Kamer het recht van initiatief en amendement heeft en de Eerste Kamer niet.

      Wat is de Raad van State?

      • De Raad van State is het belangrijkste adviesorgaan van de regering en daarnaast ook rechterlijk college in geschillen van bestuur. Zijn positie is in de Grondwet verankerd.
      • Art. 74 van de Grondwet bepaalt dat de Koning voorzitter is van de raad en dat de vermoedelijke opvolger van de Koning, na het bereiken van de achttienjarige leeftijd, van rechtswege zitting heeft. Overige meerderjarige leden van het koninklijk huis kan bij of krachtens de wet zitting in de Raad worden verleend. Overigens is het voorzitterschap van de Koning formeel en verschijnt hij alleen bij plechtige gelegenheden in de vergadering van de raad.
      • De werkelijke leiding van de Raad van State berust bij de vicepresident. De leden van de raad, maximaal 10 leden, worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd. De rechtspositie van de leden van de raad wordt bij wet geregeld. De Raad van State kent twee afdelingen: Afdeling advisering en Afdeling bestuursrechtspraak. De leden kunnen in beide zitting hebben. Het voorzitterschap van de Koning is formeel: de werkelijke leiding van het omvangrijke werk van de Raad van State berust bij de vicepresident.

      Wat is de Algemene Rekenkamer ?

      • De Algemene Rekenkamer (art 76 Gw) behoort samen met de Raad van State tot de Hoge Colleges van Staat. Terwijl de Raad van State een college is dat de regering adviseert en rechtspreekt, is de Algemene Rekenkamer een orgaan dat financiële controle uitoefent, meer ten dienste van het parlement dan van de regering.
      • In art. 77 van de grondwet is vastgelegd dat de leden bij koninklijk besluit worden benoemd uit een voordracht van drie personen die door de Tweede Kamer wordt opgemaakt. De leden worden voor het leven benoemd en hun rechtspositie wordt bij wet geregeld. Het aantal leden in gewone dienst is drie waarnaast nog maximaal drie leden in buitengewone dienst benoemd kunnen worden. Dit zijn een paar van de waarborgen voor de onafhankelijkheid van de leden.

      Wat is de Nationale Ombudsman?

      • De Wet Nationale ombudsman van 4 februari 1981 biedt bescherming tegen onbehoorlijk optreden van bestuursorganen, waarbij geen schending van geschreven of ongeschreven rechtsregels in het geding is. In het verlengde van deze wet is door de Tweede Kamer een Nationale ombudsman benoemd. De Nationale Ombudsman onderzoekt klachten over de wijze waarop een bestuursorgaan zich tegenover een natuurlijk- of rechtspersoon heeft gedragen.

      Wat zijn de Colleges van Advies?

      • De Raad van State is niet de enige adviseur van de regering. Adviescolleges worden ingesteld wanneer de regering advies wil over deelonderwerpen van het regeringsbeleid waaromtrent deze colleges bijzonder deskundig zijn of waarvan zij de maatschappelijke betekenis door hun ervaring goed kunnen overzien.

      Wat is het parlement, en wat is de rol van de ministers en de Koning?

      • Uit art. 42 van de Grondwet blijkt dat de Koning onschendbaar is en dat de ministers verantwoordelijk zijn. Hoewel Koning en ministers goed moeten samenwerken is er geen verantwoordingsplicht van de ministers aan de Koning. Wel is in de Grondwet opgenomen dat bepaalde staatsrechtelijke rechtshandelingen alleen kunnen worden uitgevoerd door de Koning en één of meer ministers en/of staatssecretarissen.
      • Wat betreft koninklijke besluiten moet de Koning zijn handtekening plaatsen onder het door de minister geformuleerde voorstel waarna de minister zijn handtekening zet. Wanneer de Koning dit zou weigeren komt er geen besluit tot stand. Over de manier waarop in dat geval het conflict uit de wereld geholpen worden, is weinig bekend, hierover komt niets naar buiten.
      • De Koning heeft volgens Bagehots ‘the right to be consulted, the right to encourage, the right to warn’. Dit kan inhouden dat hij op de ministers een grote invloed uitoefent. In welke mate dit zal gebeuren hangt af van de persoon van de Koning maar niet van het ambt.
      • Wanneer de ministers het over een belangrijk onderwerp niet met de Koning eens zijn en aan hun standpunt blijven vasthouden en zich daarbij gesteund weten door een Kamermeerderheid, zal de Koning uiteindelijk moeten toegeven.

      Wat is de provincie, de gemeente en het waterschap?

      • Provincies zijn regionale rechtsgemeenschappen die slechts bevoegdheden hebben voor zover de centrale overheid die niet aan zich heeft getrokken. Onze Grondwet gaat ervan uit dat de provincies bestaan. Art. 123 zegt dat provincies en gemeenten bij de wet kunnen worden opgeheven dat op dezelfde manier nieuwe provincies en gemeenten kunnen worden ingesteld. Het tweede lid maakt grenswijzigingen van provincies en gemeenten bij of krachtens de wet in principe mogelijk.
      • De gemeenteraad staat aan het hoofd van de gemeente. Het college van burgemeester en wethouders én de burgemeester maken deel uit van het bestuur van de gemeente. De gemeenteraad wordt rechtstreeks door de inwoners gekozen en telt, naar gelang het aantal inwoners van de gemeente, negen tot vijfenveertig leden. De raad vergadert onder voorzitterschap van de burgemeester die aan de beraadslagingen deel kan nemen maar geen stemrecht heeft. De bevoegdheden van de raad en overige organen zijn op dezelfde wijze geregeld als die van het provinciale bestel.
      • Daarnaast kunnen de raad, het college van B&W en de burgemeester gezamenlijk één of meer deelgemeenten (bestaande uit een deelraad en een dagelijks bestuur) instellen die een aantal belangen van deze deelgemeente gaan behartigen.
      • Verder worden aan de deelraden de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften t.a.v. de deelgemeenten geheel of gedeeltelijk gedelegeerd. Evenals dat bij de provincie het geval is gaat de dualisering van bevoegdheden ook bij de gemeente gepaard met een uitbreiding van de controlerende en financiële bevoegdheden van de gemeenteraad.
      • Waterschappen hebben publiekrechtelijke bevoegdheden van bestuur en wetgeving. Er is dus decentralisatie, maar naar twee criteria: naar het territoir enerzijds, naar een beperkte functie op dit terrein anderzijds. In 1992 is de Waterschapswet in werking getreden en in art. 1 van deze wet worden de waterschappen omschreven als openbare lichamen welke de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel hebben.
      • De waterschappen hebben de volgende taken:
        • de zorg voor hetzij de waterkering hetzij de waterhuishouding hetzij beide,
        • de zorg voor een of meer andere waterstaatsaangelegenheden.

      Wat is de structuur van het Koninkrijk der Nederlanden?

      • Het Koninkrijk der Nederlanden omvat sinds 10 oktober 2010 vier landen: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Tot Nederland behoren naast het gebied in Europa ook de Caribische eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Hiervoor kende Nederland ook koloniën. Indonesië is na de Tweede Wereld gescheiden met Nederland. De afwikkeling met Suriname en de Nederlandse Antillen is meer geleidelijk gegaan. In het laatste geval is het zelfs nog niet voltooid.

      Wat is de invloed van de Europese Unie?

      • De integratie binnen de Raad van Europa en de Europese Unie zijn ook van groot belang voor ons land. Nationale wetgeving, bestuur en rechtspraak worden ingrijpend beïnvloed door het Europese recht. De Raad van Europa doet zijn invloed gelden op het terrein van de grondrechten, en de Europese Unie voornamelijk op een tal andere terreinen. De territoriale werking van de diverse verdragen, waarop de Europese Unie is gebaseerd, is beperkt tot Nederland.

      Bronnen en verder lezen

      Hoe zit het strafrecht in elkaar, en wat zijn de deelgebieden?

      Hoe zit het strafrecht in elkaar, en wat zijn de deelgebieden?


      Wat is de positie van het strafrecht binnen het nederlandse recht

      • Binnen het recht zijn er verschillende rechtsgebieden. Het strafrecht houdt zich bezig met het bestraffen van personen die een strafbaar feit hebben gepleegd. De Staat heeft een monopolie om te straffen omdat alleen de overheid mag straffen. Een burger die een strafbaar feit pleegt moet verantwoording afleggen aan de overheid, die hem vervolgens straf kan opleggen.
      • Dit is een belangrijk verschil met het civiele (of burgerlijke) recht, waarin de verhouding tussen burgers onderling wordt geregeld. De Staat blijft hier buiten, omdat het civiele recht een zaak is van twee (of meer) burgers.
      • Let wel, ook het bestuursrecht regelt de verhouding tussen burgers en de Staat. Dit rechtsgebied houdt zich bezig met het functioneren van de overheid. Voorbeelden van bestuursrechtelijke kwesties zijn het afgeven van een horecavergunning door de gemeente of de beslissing van de overheid tot de aanleg van een nieuwe spoorlijn. De algemene regels van het bestuursrecht zijn te vinden in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
      • In het civiele recht kan de ene burger de andere burger dagvaarden en zo het geschil voorleggen aan een onafhankelijke (burgerlijke) rechter die een beslissing neemt. In het strafrecht daarentegen kan alleen de Officier van Justitie (OvJ) een verdachte van een strafbaar feit voor de (straf)rechter brengen. De OvJ is een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie (OM), het staatsorgaan dat belast is met de vervolging van verdachten.
      • Voor slachtoffers van strafbare feiten bestaat de mogelijkheid om schadevergoeding te verzoeken bij de strafrechter (art. 51f Sv) Dit voorkomt een lange, dure en ingewikkelde procedure bij de civiele rechter.

      Wat zijn redenen om te straffen?

      • Over het waarom, het doel, van straffen bestaan verschillende zienswijzen. In het algemeen worden als doelen van het opleggen van straffen genoemd: vergelding en preventie.
      • Het vergeldingsaspect impliceert dat door het opleggen van straf, het kwaad dat de dader van een strafbaar feit heeft veroorzaakt, wordt vergolden door leedtoevoeging.
      • Het andere doel, de preventie, onderscheidt 2 soorten van preventie: de speciale en generale. Met speciale preventie wordt beoogd te voorkomen dat de dader nog een keer strafbare feiten pleegt en met generale preventie wordt beoogd te voorkomen dat anderen dan de gestrafte een strafbaar feit plegen.

      Wat is materieel strafrecht en wat is strafprocesrecht?

      • Het strafrecht wordt verdeeld in twee takken: het materieel strafrecht en het formeel strafrecht.
      • Het materieel strafrecht legt vast welke gedragingen wel of niet toegestaan zijn en welke personen daarvoor gestraft kunnen worden. Het omvat strafbepalingen (zoals oplichting, moord, diefstal etc.) en algemene leerstukken over bijvoorbeeld medeplichtigheid, poging en noodweer. Voor een belangrijk deel wordt het materieel strafrecht geregeld in het Wetboek van Strafrecht (Sr).
      • Het formele strafrecht (of strafprocesrecht) omvat de regels van het strafproces. Deze regels zijn grotendeels te vinden in het Wetboek van Strafvordering (Sv).
      • Naast het materiële en formele strafrecht bestaat er ook nog het sanctierecht. Hierin is geregeld onder welke voorwaarden bepaalde straffen mogen worden opgelegd en ten uitvoer worden gelegd. Het sanctierecht het is zowel in het Sr als in het Sv geregeld.
      • Het formele en materiële strafrecht moet men niet verwarren met de begrippen wetten in formele en materiële zin. Dit laatste onderscheid heeft te maken met de totstandkoming van wetten.

      Watis klassiek strafrecht en wat is bijzonder strafrecht?

      • Het strafrecht dat is opgenomen in het Wetboek van Strafvordering en Strafrecht duidt men aan als het klassieke (of commune) strafrecht.
      • Bovendien zijn er strafbepalingen in andere wetten, zoals de Wegenverkeerswet 1994, Opiumwet, Wet wapens en munitie, Wet toezicht effectenverkeer etc. Deze wetten vormen samen het bijzondere strafrecht en zijn dan ook bijzondere strafwetten.

      Bronnen

      Hoe zit het strafprocesrecht in elkaar, en wat valt onder formeel strafrecht?

      Hoe zit het strafprocesrecht in elkaar, en wat valt onder formeel strafrecht?

      Wat is de positie van het strafprocesrecht binnen het recht?

      • Binnen het recht zijn er verschillende rechtsgebieden. Het strafrecht houdt zich bezig met het bestraffen van personen die een strafbaar feit hebben gepleegd. De Staat heeft een monopolie om te straffen omdat alleen de overheid mag straffen. Een burger die een strafbaar feit pleegt moet verantwoording afleggen aan de overheid, die hem vervolgens straf kan opleggen.
      • Dit is een belangrijk verschil met het civiele (of burgerlijke) recht, waarin de verhouding tussen burgers onderling wordt geregeld. De Staat blijft hier buiten, omdat het civiele recht een zaak is van twee (of meer) burgers.
      • Let wel, ook het bestuursrecht regelt de verhouding tussen burgers en de Staat. Dit rechtsgebied houdt zich bezig met het functioneren van de overheid. Voorbeelden van bestuursrechtelijke kwesties zijn het afgeven van een horecavergunning door de gemeente of de beslissing van de overheid tot de aanleg van een nieuwe spoorlijn. De algemene regels van het bestuursrecht zijn te vinden in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
      • In het civiele recht kan de ene burger de andere burger dagvaarden en zo het geschil voorleggen aan een onafhankelijke (burgerlijke) rechter die een beslissing neemt. In het strafrecht daarentegen kan alleen de Officier van Justitie (OvJ) een verdachte van een strafbaar feit voor de (straf)rechter brengen. De OvJ is een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie (OM), het staatsorgaan dat belast is met de vervolging van verdachten.
      • Voor slachtoffers van strafbare feiten bestaat de mogelijkheid om schadevergoeding te verzoeken bij de strafrechter (art. 51f Sv) Dit voorkomt een lange, dure en ingewikkelde procedure bij de civiele rechter.

      Wat betekent strafprocesrecht?

      • Om tot bestraffing te komen zal een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd moeten worden waarin vastgesteld moet worden wat er precies is gebeurd en welke personen daarbij betrokken zijn geweest. Dat onderzoek vindt plaats binnen bepaalde regels, die grotendeels in het Wetboek van Strafvordering zijn neergelegd.
      • Het deel van het strafrecht dat ziet op de regels voor strafrechtelijk onderzoek wordt strafprocesrecht, formeel strafrecht of strafvordering genoemd.

      Wat zijn de juridische regels rond de voorbereiding op een proces?

      • Een proces wordt voorbereid met een voorbereidend onderzoek. In het voorbereidend onderzoek wordt onderzocht of er een strafbaar feit is gepleegd en of er een verdachte kan worden gevonden. Verder wordt bewijsmateriaal tegen deze verdachte verzameld.
      • Het voorbereidend onderzoek vormt in twee opzichten een ‘voorbereiding’.
      • Ten eerste zal de officier van justitie op basis van dit onderzoek beslissen of de verdachte al dan niet voor een rechter wordt gedagvaard om te worden berecht. Indien hij denkt dat de rechter niet tot een veroordeling kan komen, zal hij afzien van vervolging (seponeren).
      • Ten tweede is de ‘voorbereiding’ gelegen in het verzamelen van materiaal op basis waarvan de rechter de vragen van artikel 350 Sv zal kunnen beantwoorden.

      Wat is een strafproces, en wat is strafbaar feit?

      • Een strafbaar feit is een feit dat in een wettelijke strafbepaling strafbaar is gesteld. Een strafbaar feit is echter onderdeel van een groter geheel, namelijk de strafbaarheid.
      • Een definitie van strafbaarheid is: een menselijke of rechtspersoonlijke gedraging, die valt binnen een delictsomschrijving, wederrechtelijk is en aan schuld te wijten is.
      • Deze vier onderdelen worden ook wel de voorwaarden voor strafbaarheid genoemd. Als de rechter heeft vastgesteld dat aan deze vier voorwaarden is voldaan, kan een straf worden opgelegd.
      • De rechter beoordeelt echter niet alleen of aan de vier voorwaarden voor strafbaarheid zijn voldaan, het oordeel van politie en OM gaat vooraf aan dat van de rechter. De politie en het OM zijn de eerste instanties die oordelen over het vervuld zijn van de voorwaarden. Zij bepalen vervolgens of de rechter ook om een oordeel zal worden gevraagd.

      Wat is schuld, opzet, daderschap en causaliteit?

      • Naast de kennis van de voorwaarden voor strafbaarheid en de uitbreiding daarvan, zijn causaliteit en daderschap mede van belang om vast te stellen wie wel en wie niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd. Causaliteit en daderschap hebben betrekking op de eerste vraag van artikel 350 Sv. Er wordt dus beoordeeld of de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan.
      • Een probleem bij de causaliteit en het daderschap is dat in een concreet geval niet altijd de strafrechtelijk aansprakelijke persoon is aan te wijzen, door alleen te kijken naar wat er in het verleden is gebeurd in het licht van de delictsomschrijving. Er moet hiervoor een beroep worden gedaan op algemene theoretische opvattingen. De causaliteitstheorieën en de opvattingen betreffende het daderschap kunnen hier uitkomst bieden.
      • Bij de causaliteitstheorie staat de volgende vraag centraal: wat moet in het algemeen als oorzaak van een bepaald gevolg worden beschouwd? Bij de opvattingen betreffende het daderschap staat de vraag wie maatschappelijk als degene die een bepaalde delictsomschrijving heeft vervuld of kan vervullen centraal.

      Wat is een delictsomschijving en wat is een tenlastelegging?

      • Een tenlastelegging is niet zomaar een beschrijving van wat iemand gedaan zou hebben. De beschrijving vindt plaats in samenhang met de delictsomschrijving die op het beschrevene van toepassing wordt geacht.
      • Er wordt dus een verband gelegd tussen de tenlastelegging en de delictsomschrijving.
      • Voor zover de tenlastelegging woordelijk overeenkomt met de delictsomschrijving, is de tenlastelegging niet bewezen indien het gebeuren niet tevens onder de delictsomschrijving valt. Het voldoen aan de delictsomschrijving is nu als het ware een onderdeel geworden van de tenlastelegging: de tenlastelegging is pas bewezen als eveneens aan de delictsomschrijving is voldaan.

      Wat is het beslissingsschema van art 348/350 Sv?

      • Na het onderzoek ter terechtzitting gaan de rechters beraadslagen over de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. De rechters gaan dan kijken of het ten laste gelegde feit bewezen kan worden.
      • De bewijsvraag heeft geen betrekking tot het bestaan van strafuitsluitingsgronden. Deze hoeven slechts aannemelijk gemaakt te worden.

      Wat is een vonnis?

      • De artikelen 358 en 359 Sv vormen het wettelijk kader voor de opbouw van het vonnis. Op basis van art. 358 lid 1-3 Sv moet de rechter de beslissingen die hij op grond van art. 349 lid 1 Sv en art. 350 Sv heeft genomen in zijn vonnis opnemen.
      • Dat wil zeggen dat de rechter in het vonnis de volgende beslissingen moet vermelden:
        • dat de dagvaarding nietig is (art. 358 lid 1 Sv)
        • dat hij onbevoegd is (art. 358 lid 1 Sv)
        • dat het OM niet-ontvankelijk is (art. 358 lid 1 Sv)
        • dat de vervolging moet worden geschorst (art. 358 lid 1 Sv)
        • dat de verdachte heeft betoogd dat één van de hierboven genoemde beslissingen door de rechter moet worden genomen, maar de rechter het daarmee oneens is (art. 358 lid 3 Sv)
        • of het tenlastegelegde bewezen is, ook al stuurt verdachte niet aan op een vrijspraak (art. 358 lid 2 Sv)
        • of het bewezen verklaarde strafbaar is, ook al stuurt verdachte niet aan op een OVAR (art. 358 lid 2 Sv)
        • of de verdachte strafbaar is, ook al stuurt verdachte niet aan op een OVAR (art. 358 lid 2 Sv)?

      Wat is de invloed van mensenrechten op het strafprocesrecht?

      • Mensenrechten zijn rechten die zo belangrijk gevonden worden dat de overheid garandeert dat zij op deze rechten onder normale omstandigheid geen inbreuk zal maken. De meeste mensenrechten zijn terug te vinden in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de Grondwet. In plaats van mensenrechten wordt ook wel eens gesproken van grondrechten of fundamentele rechten.
      • Mensenrechten hebben verticale werking. Dat wil zeggen dat ze gelden in de relatie overheid-burger. Schending van mensenrechten gebeurt dan door de overheid. Horizontale werking van mensenrechten is echter ook mogelijk. De mensenrechten worden dan door medeburgers geschonden.
      • In Nederland hebben verdragen een speciale status (art. 93 en 94 Gw). Nederland kent een monistisch stelsel. Verdragen werken direct door in de Nederlandse rechtsorde indien het gaat om ‘een ieder verbindende bepalingen’. Dat zijn bepalingen die geen nadere uitwerking nodig hebben om te kunnen functioneren. In de strafrechtspraktijk wordt heel vaak beroep gedaan op de bepalingen uit het EVRM.
      •  

      Wat zijn sancties op onregelmatigheden in het strafprocesrecht?

      • Eind jaren tachtig waren buiten de wet om drie strafprocessuele sancties op onrechtmatig handelen tot stand gekomen. De behoefte rees om dit strafprocesrecht van een wettelijke basis te voorzien. Daarom is art. 359a Sv in het leven geroepen. Het artikel maakt duidelijk dat de rechtbank rechtsgevolgenkan verbinden aan verzuim van vormen bij het voorbereidend onderzoek. Daarbij kan het gaan om strafverlaging, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid van het OM. De bedoeling van het artikel is codificatie.
      • Het artikel is vrijblijvend geformuleerd: de rechter ‘kan’. Hieruit blijkt dat de rechtbank wellicht ook andere consequenties kan verbinden aan onregelmatigheden. De bedoeling was niet dat de wet de beslissing van de rechter sterk zou sturen. De toepassing van art. 359a Sv is lange tijd met betrekkelijk veel onzekerheden omgeven geweest. Pas in het Loze Hashpijp arrest is door de Hoge Raad een kader gecreëerd dat enige duidelijkheid biedt.

      Wat zijn veelgebruikte afkortingen in het strafprocesrecht?

      • In het strafprocesrecht worden veel afkortingen voor
      • Het kan dan handig zijn om een lijst van veelgebruikte afkortingen te hebben

      Bronnen en verder lezen?

      Hoe zit het verbintenissenrecht in elkaar, en wat zijn de deelgebieden?

      Hoe zit het verbintenissenrecht in elkaar, en wat zijn de deelgebieden?

      Wat is een verbintenis?

      • Een verbintenis is een relatief recht, een vermogensrechtelijke rechtsverhouding, tussen twee of meer personen. De ene partij heeft recht op een prestatie van de ander. De ander heeft de plicht de prestatie te leveren.
      • De partij met een plicht is de schuldenaar, deze heeft een schuld. De partij met het recht is de schuldeiser, deze heeft een vorderingsrecht.
      • De betrokken partijen zijn de subjecten van de verbintenis en de prestatie is het object.
      • De prestatie is een in de economische sfeer liggende gedraging.
      • Een overeenkomst is een bron van verbintenissen. Het is een meerzijdige verbintenis waarbij een of meer partijen betrokken zijn.
      • De rechtsvordering is de bevoegdheid de schuldenaar te verplichten tot het nakomen van de prestatie, eventueel met tussenkomst van een rechter.

      Hoe komt een rechtshandeling tot stand?

      • Een rechtshandeling bestaat slechts gedurende het moment dat deze wordt verricht. Maar de gevolgen van deze handeling strekken zich over een langere of kortere tijdspanne uit. Wanneer men spreekt van een rechtshandeling heeft men het dan ook vaak niet alleen over het rechtsfeit zelf, maar ook over het samenstel van rechtsgevolgen dat ermee verbonden is.
      • In het algemeen is de totstandkoming van de rechtshandeling geregeld in de artt. 3:33- 38 BW. Daarnaast zijn artt. 6:217-225 BW voor overeenkomsten van toepassing. De rechtshandeling vereist een wil en een verklaring gericht op een rechtsgevolg (art. 3:33).
      • De rechtshandeling veronderstelt keuzevrijheid aan het individu, men is vrij om iemand een aanbod te doen en de inhoud daarvan te bepalen. Dit heeft geleid tot de theorie van de wilsverklaring. De essentie hiervan is weergegeven in art. 3:33, ‘een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard’.
      • De rechtsorde kent aan de wilsverklaring van het individuele rechtssubject gezag toe in die zin dat zij er binnen zekere grenzen ook rechtsgevolgen aan verbindt. Hierdoor kunnen belangen van anderen in het geding komen. Er is dan ook bescherming van het vertrouwen van hen die bij de rechtshandeling betrokken zijn. Dit is het tweede leidende beginsel van de regeling van de totstandkoming, die tot uitdrukking komt in art. 3:35 en 3:36.

      Wat is nakoming?

      • Nakoming betekent het verrichten van een prestatie die beantwoordt aan de verbintenis. Het synoniem voor nakoming is het begrip voldoening. Nakoming is geregeld in boek 6, afdeling 8 BW. Voor de betaling van een geldsom zijn aanvullende regels te vinden in artikel 6:111 e.v. BW, die van toepassing zijn naast de algemene regels van nakoming. 
      • Als er wordt nagekomen, dan wordt er aan de verbintenis voldaan en houdt deze op te bestaan. De schuldeiser kan dan niets meer vorderen en de schuldenaar is niets meer verschuldigd.
      • Een verbintenis kan dus teniet gaan door nakoming, maar ook door:
        • verrekening (6:127 e.v. BW);
        • afstand (kwijtschelding; 6:160 BW);
        • vermenging (6:161 BW);
        • schuldvernieuwing of novatie – een verbintenis gaat teniet als partijen deze bij overeenkomst vervangen door een andere verbintenis. Dit valt onder de contractsvrijheid van partijen en is niet geregeld in het wetboek.  

      Wat houdt niet-nakoming in?

      • Voor juristen misschien meer interessant: wat gebeurt er wanneer niet, niet tijdig of verkeerd wordt nagekomen? De schuldeiser heeft in dat geval verschillende mogelijkheden. 
      • Hij kan (afhankelijk van de omstandigheden): 
      1. Nakoming vorderen (art 3:296), in combinatie met schadevergoeding voor de geleden schade, (art. 6:74 lid 2).
      2. Afzien van de oorspronkelijk overeengekomen prestatie en daarvoor een vervangende schadevergoeding eisen. 
      3. Zijn eigen prestatie opschorten, als hij zelf ook schuldenaar is. 
      4. Het ontbinden van de overeenkomst, met schadevergoeding voor de geleden schade. 

      Hoe werken volmacht en vertegenwoordiging?

      • Volmacht is een vorm van vertegenwoordiging, waarbij de vertegenwoordigde (de principaal) de bevoegdheid door een rechtshandeling, een volmachtverlening, aan de vertegenwoordiger verleent. Volmacht is geregeld in artt. 3:60 e.v. BW. Vertegenwoordiging in het algemeen is niet wettelijk geregeld. Alleen bestaat er een schakelbepaling in art. 3:78 en 79 met betrekking tot vertegenwoordiging en bestaan bijzondere regels voor bijzondere vormen van vertegenwoordiging.
      • Door directe vertegenwoordiging roept degene die voor de ander handelt niet voor zichzelf, maar voor de vertegenwoordigde rechtsgevolgen in het leven. Daar zijn twee eisen voor gesteld in art. 3:60 lid 1. De vertegenwoordiger moet de (1) bevoegdheid hebben om te vertegenwoordigen én (2) hij moet handelen in de hoedanigheid van de vertegenwoordiger of, uit naam van de principaal.
      • Wanneer de vertegenwoordiger handelt uit naam van zijn principaal, wordt dat onmiddellijke of eigenlijke vertegenwoordiging genoemd. Wanneer iemand niet in naam van de ander handelt, maar wel in opdracht en voor rekening van de ander, wordt dat middellijke vertegenwoordiging genoemd.
      • De schakelbepaling art. 3:78 zorgt ervoor dat bepaalde bepalingen uit de titel volmacht ook gelden voor andere vormen van vertegenwoordiging binnen het vermogensrecht.
      • Art. 3:79 zorgt voor de toepassing van deze bepalingen buiten het vermogensrecht, bijvoorbeeld in het familierecht of het procesrecht. Het begrip vertegenwoordiging heeft alleen betrekking op rechtshandelingen.

      Wat zijn algemene voorwaarden?

      • De wet omschrijft de algemene voorwaarden als een of meerdere bedingen die opgesteld zijn om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van de bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk zijn geformuleerd (art. 6:231).
      • De bijzonderheid van algemene voorwaarden is dat zij deel uitmaken van een overeenkomst, maar dat de wederpartij zich niet of nauwelijks bewust is van de inhoud. Zouden zij zonder beperking geldig zijn, dan zou dit tot misbruik kunnen leiden. Het verbieden van algemene voorwaarden zou het functioneren van het handelsverkeer echter ernstig beperken. Daarom zijn er in het nieuwe BW bijzondere regels voor algemene voorwaarden opgenomen: artt. 6:231 - 247 BW. Aan deze artikelen liggen drie doelen ten grondslag:
      1. Het versterken van de rechterlijke controle op de algemene voorwaarden ter bescherming van de personen waartegen deze worden gebruikt. Dit komt tot uitdrukking in art. 6:233 sub a, waarin staat dat de algemene voorwaarden vernietigbaar zijn indien ze onredelijk bezwarend zijn;
      2. Rechtszekerheid, ten aanzien van de toepasselijkheid en de (on)geoorloofdheid van de inhoud;
      3. Het stimuleren van overleg over de inhoud tussen partijen.
      • Afdeling 6.5.3 is van toepassing op obligatoire overeenkomsten, met uitzondering van arbeidsovereenkomsten en collectieve arbeidsovereenkomsten (art. 6:245). Via de schakelbepaling van art. 6:216 hebben deze artikelen ook werking op meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen.
      • De bepalingen in afdeling 6.5.3 zijn van dwingend recht, dit wordt bepaald in art. 6:246. Art. 6:231 lid 1 sub a omschrijft algemene voorwaarden als een of meer schriftelijke bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Wanneer niet aan deze omschrijving is voldaan zijn de bepalingen betreft algemene voorwaarden niet van toepassing. De algemene leerstukken van redelijkheid en billijkheid zijn dan nog wel toepasselijk.

      Wat zijn nietige en vernietigbare overeenkomsten?

      • Een nietige overeenkomst mist van het begin af de door partijen beoogde rechtsgevolgen. Het gaat hier om overeenkomsten die de wetgever überhaupt onwenselijk acht, bijvoorbeeld een huurmoord. Deze beoogde rechtsgevolgen zijn in beginsel nooit ingetreden.
      • Een vernietigbare overeenkomst is een minder strenge vorm. Hierbij kan een overeenkomst onverbindend worden verklaard en dit gebeurt vervolgens met terugwerkende kracht, tot aan het sluiten van de overeenkomst terug. Echter, zolang de overeenkomst niet vernietigd is, blijven de door partijen beoogde rechtsgevolgen in stand.
      • Er zijn vier gronden waarop een overeenkomst nietig of vernietigbaar is:
      1. de wijze van totstandkoming;
      2. de persoon die de overeenkomst sluit;
      3. de vorm;
      4. de inhoud van het contract.

      Wat zegt de wet over de uitleg en uitvoering van een overeenkomst?

      • In Nederland kennen we het beginsel van contractsvrijheid. Partijen kunnen in beginsel over alles een overeenkomst sluiten. Dit alles dient wel te gebeuren naar redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW).
      • De inhoud van een contract kan niet alleen puur taalkundig worden geanalyseerd. Als er bijvoorbeeld in een huurcontract staat dat de verhuurder ten alle tijden mag controleren of de huurvoorwaarden worden nageleefd, betekent dit redelijkerwijs niet dat hij ook om drie uur ’s nachts mag aankloppen. Ook de vertrouwensleer van art. 3:35 is hier van belang. Wanneer de wederpartij in gerechtvaardigd vertrouwen is afgegaan op de verklaring van de andere partij, mag deze uitgaan van de verklaring, ookal komt deze niet overeen met zijn werkelijke wil.
      • Daarnaast heeft de Hoge Raad (in het Haviltex-arrest)de over en weer-formule geformuleerd: bij de uitleg van contractsbepalingen komt het aan ‘op de bedoeling die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten’. Dit alles geldt ook voor mondelinge overeenkomsten.

      Op welke wijzen gaan verbintenissen teniet?

      • Verbintenissen kunnen op twee manieren tenietgaan.
      • De eerste is simpelweg door nakoming van de overeenkomst, oftewel de voldoening van de prestatie. Dit kan bijvoorbeeld het betalen van de koopprijs of het levering van de verkochte zaak zijn.
      • De tweede omvat alle andere manieren (zoals bij verrekening, afstand, vermenging, vernietiging, ontbinding, bevrijdende verjaring en vervaltermijn).

      Welke rechten heeft de schuldeiser bij niet-nakoming?

      • Wanneer de schuldenaar zijn verplichting uit een rechtshandeling niet nakomt, kan de schuldeiser de rechter vragen deze verplichting af te dwingen (art. 3:296).
      • Hierbij bestaat vaak de mogelijkheid het vonnis reëel te executeren. Men spreekt van reële executie indien de schuldeiser het vonnis ten uitvoer kan brengen buiten de medewerking van de schuldenaar om.
      • Reële executie heeft dezelfde rechtsgevolgen als vrijwillige nakoming door een schuldenaar (art. 3:297). Ook ingeval van niet nakoming, bijvoorbeeld: een stukadoorsbedrijf weigert zijn verplichting tot stukadoren na te komen en daardoor besluit de rechter dat een ander bedrijf de verplichting op zich zal nemen op kosten van het nalatige bedrijf (art. 3:300 lid 1). De schuldeiser kan ook kiezen voor een dwangsom om zo de schuldenaar te dwingen alsnog zelf zijn verplichting na te komen.
      • De vordering van de schuldeiser om de schuldenaar zijn verplichting na te laten komen verjaart, in tegenstelling tot bij de algemene verjaringstermijn (art. 3:306), na vijf jaren (art. 3:307).

      Hoe is de aansprakelijk voor eigen gedragingen geregeld (art. 6:162)?

      • Bij aansprakelijkheid voor eigen gedragingen gaat het om gedragingen die onrechtmatig zijn en aan de dader kunnen worden toegerekend. Deze aansprakelijkheid is geregeld in afd. 6.3.1 van het BW, meer specifiek art. 6:162.
      • Het uitgangspunt van art. 6:162 is de toerekenbare onrechtmatige gedraging (of: de fout) van de aangesprokene: alleen als er aan zowel de voorwaarde van toerekenbaarheid als de voorwaarde van onrechtmatigheid van de gedraging is voldaan, is een ander dan het slachtoffer verplicht de schade te vergoeden. Buiten die gevallen blijft het uitgangspunt dat iedereen zijn eigen schade draagt.
      • Bij het bepalen van de onrechtmatigheid van het gedrag is in ieder geval niet van belang of de eindtoestand onrechtmatig is: het gaat er alleen om of er sprake is van zogenaamd ‘plichtverzakend gedrag’ van de dader, wat het geval is als de gedraging volgens het recht verboden is. Wanneer gedrag als onrechtmatig kan worden aangemerkt, blijkt uit art. 6:162 lid 2.

      Waar gaat het bij kwalitatieve aansprakelijkheid om (afd. 6.3.2)?

      • Het gaat bij kwalitatieve aansprakelijkheid om aansprakelijkheid gebaseerd op een kwaliteit waarmee iemand in relatie tot een ander of tot een bepaalde zaak staat.
      • De aansprakelijkheid is verbonden aan het bezitten van de kwaliteit en berust niet op onjuist gedrag van de persoon waarbij de aansprakelijkheid ligt.

      Het leerstuk productaansprakelijkheid; kan de producent worden aangesproken?

      • Producten kunnen schade veroorzaken. Als het betreffende defect al bestond toen het de fabriek verliet, dan wordt het leerstuk van de productaansprakelijkheid van belang: kan de producent worden aangesproken? In dat geval wordt de consument beschermd, en dat is precies het doel van art. 6:185 e.v. en de Europese richtlijn die aan die artikelen ten grondslag ligt.
      • Er moet onderscheid gemaakt worden tussen begrippen die in deze Europese richtlijn worden gedefinieerd en begrippen waarbij dat niet gebeurt.
      • De eerste soort moeten autonoom of communautair worden uitgelegd (waardoor de nationale rechter er geen uitleg aan mag geven), terwijl bij de tweede soort nationale interpretatie wel is toegestaan (zolang er maar geen inbreuk wordt gemaakt op het ‘nuttig effect’ van de richtlijn). Bovendien heeft het feit dat het om een Europese richtlijn gaat tot gevolg dat niet altijd duidelijk is of Nederlandse leerstukken, zoals het leerstuk van het causaal verband (art. 6:98) wel zonder meer mogen worden toegepast.
      • Biedt de productaansprakelijkheid geen uitkomst, dan kan de benadeelde nog altijd zijn recht zoeken bij art. 6:162. Overigens wordt vanaf nu aangenomen dat er geen contractuele verhouding bestaat tussen de verkoper en degene die schade heeft geleden; in dat geval gelden de aparte regels van het contractenrecht. Tot slot is nog van belang dat art. 6:173 (zoals hierboven al vermeld) in geval van een gebrekkige zaak de aansprakelijkheid bij de producent legt en niet bij de bezitter.

      Hoe is de aansprakelijkheid voor motorrijtuigen geregeld (art. 185 WVW)?

      • Eén van de meest fundamentele onderdelen van het aansprakelijkheidsrecht is de aansprakelijkheid in geval van verkeersongelukken. Meestal is dan gewoon art. 6:162 BW van toepassing, maar in het geval waarin een bestuurder van een motorrijtuig een ongeluk veroorzaakt, waarvan een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer het slachtoffer is, geldt art. 185 Wegenverkeerswet (WVW).

      Meer lezen:

      Wat is het doel van de regeling inzake oneerlijke handelspraktijken?

      • Regels omtrent aansprakelijkheid voor oneerlijke handelspraktijken, misleidende reclame en de aansprakelijkheid van internetproviders is geregeld in art. 6:193a-6:193j.
      • Op grond van deze regeling hebben consumenten de mogelijkheid om schadevergoeding te eisen als zij in aanraking komen met oneerlijke handelspraktijken, zoals misleidende reclames en loterijen. Het doel hiervan is om consumenten tegen misleidende en agressieve handelspraktijken te beschermen.
      • In de regeling wordt duidelijk wat als ‘onrechtmatig’ moet worden beschouwd wanneer het gaat om een oneerlijke handelspraktijk. Volgens art. 6:193b is er sprake van een oneerlijke handelspraktijk als een handelaar handelt in strijd met de vereisten van professionele toewijding, en als het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar is beperkt of kan worden beperkt. Hierdoor kan de consument een besluit over een overeenkomst nemen dat hij anders niet had genomen.

      Het leerstuk van de onrechtmatige overheidsdaad; is de overheid aansprakelijk?

      • De onrechtmatige overheidsdaad (art. 6:162) is niet specifiek in de wet geregeld.
      • Het leerstuk van de onrechtmatige overheidsdaad is abstract, en de algemene regels die erbij horen, bieden in de praktijk niet altijd uitkomst.
      • Er is sprake van een botsing tussen aan de ene kant de beleidsvrijheid die de overheid nodig heeft om het algemeen belang te behartigen en anderzijds belangen van individuen die schade lijden door het handelen van de overheid. Rechters honoreren vorderingen tot schadevergoeding door de overheid niet snel, waarschijnlijk omdat deze vergoeding uit de publieke middelen betaald moet worden.
      • Anderzijds gelden voor de overheid (in tegenstelling tot voor normale burgers) de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waardoor de overheid juist eerder onrechtmatig handelt.

      Wat wordt verstaan onder werkgeversaansprakelijkheid?

      • Art. 7:658 verwoordt de werkgeversaansprakelijkheid: aansprakelijkheid met betrekking tot arbeidsongevallen en beroepsziekten. Over het algemeen kan worden gezegd dat in de jurisprudentie de aansprakelijkheid van de werkgever is uitgebreid om de werknemer te beschermen. Dit blijkt uit het feit dat er:
        • strenge eisen worden gesteld aan de zorgvuldigheid die werkgevers moeten hanteren;
        • rekening wordt gehouden met het feit dat werknemers niet altijd even zorgvuldig handelen tijdens hun werkzaamheden;
        • alleen in uitzonderingsgevallen wordt aangenomen dat er sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid bij de werknemer (in dat geval moet de werknemer zelf opdraaien voor de schade);
        • speciale regels zijn ontwikkeld omtrent de stelplicht en bewijslast;
        • een extra rechtsbescherming wordt gevormd door art. 7:611 (Goed werknemersschap)
      • Wat de werkgever moet doen (materiële norm) en zijn plicht om te bewijzen dat hij voldoende heeft gedaan (stelplicht) lopen tamelijk in elkaar over.

      Hoe wordt de omvang van de schadevergoeding bepaald?

      • In beginsel wordt uitgegaan van volledige vergoeding van de geleden schade. Het (ongeschreven) uitgangspunt van het schadevergoedingsrecht is dat in beginsel de volledige schade die het slachtoffer heeft geleden moet worden vergoed. Dit beginsel van het schadevergoedingsrecht is echter als zodanig niet in de wet terug te vinden. Op dit beginsel bestaan verschillende uitzonderingen, die terugkeren in de leerstukken van afd. 6.1.10 (denk aan art. 6:98, art. 6:100 en art. 6:109).
      • Ondanks het feit dat het begrip ‘schade’ nergens in afd. 6.1.10 gedefinieerd wordt, is het toch duidelijk wat dit begrip inhoudt. Nergens in de wet of parlementaire geschiedenis is een duidelijke definitie van het begrip schade te vinden. Er wordt wel besproken welke soorten schade vergoed kunnen worden. In art. 6:95 wordt bepaald dat er onderscheid kan worden gemaakt tussen vermogensschade en ander nadeel. Vervolgens wordt in art. 6:96 het begrip vermogensschade nader toegelicht en behandelt art. 6:106 ander nadeel dan vermogensschade.
      • Bij schade gaat het altijd om twee aspecten: (1) vermindering of nadeel in (2) een object. Dat object is iemands vermogen of iets anders (namelijk immateriële zaken, waarvoor men smartengeld kan krijgen als vergoeding). Om te bepalen of er sprake is van vermindering of nadeel wordt de situatie zonder dat er schade is veroorzaakt en de situatie waarin wel schade is veroorzaakt, met elkaar vergeleken. In principe zijn de hierboven beschreven regels en definities voldoende om mee te kunnen werken, maar soms is het moeilijk om aan te geven of er sprake is van schade en zo ja, in hoeverre die schade voor vergoeding in aanmerking komt.

      Wat houdt de tijdelijke regeling verhaalsrechten in (art. 6:197)?

      • De tijdelijke regeling verhaalsrechten ziet op de vraag of de verzekeraars en uitkeringsinstanties profijt hebben van de bijzondere aansprakelijkheden die in het nieuwe BW zijn opgenomen.

      Wat is zaakwaarneming en hoe werkt dat juridisch?

      • Bij zaakwaarneming gaat het kort gezegd om het op redelijke grond willens en wetens behartigen van andermans belang zonder daartoe bevoegd te zijn. De achtergrond van zaakwaarneming is dat het gewenst is dat mensen in noodsituaties de belangen van anderen behartigen, zonder dat zij bang hoeven zijn dat ze de daarvoor gemaakte kosten niet vergoed krijgen (waardoor misschien niet zouden ingrijpen). Het gaat dan om situaties waarin de belanghebbende (degene wiens belangen worden behartigd) zijn belangen niet (helemaal) zelf kan behartigen. Hiervan is sprake in de volgende gevallen:
        • de belanghebbende is niet bereikbaar (bijvoorbeeld doordat hij op reis is);
        • de belanghebbende is wel bereikbaar, maar de situatie vereist onmiddellijk ingrijpen (bijvoorbeeld als zijn huis in brand staat);
        • de belanghebbende is wel bereikbaar, maar kan zijn belangen niet zelf behartigen, ook niet met de hulp van een tussenpersoon;
        • er is sprake van volmachtsoverschrijding, wat inhoudt dat de gevolmachtigde de grenzen van zijn bevoegdheid in naam van de volmachtgever (de belanghebbende) te buiten gaat, terwijl dit handelen als zaakwaarneming kan worden aangemerkt.
      • In de praktijk komen zaakwaarnemers minder voor dan vroeger. Dit is het gevolg van betere communicatiemiddelen, waardoor men vrijwel permanent bereikbaar is en van de hedendaagse transportmiddelen.

      Wat is onverschuldigde betaling en hoe werkt dat juridisch?

      • Bij onverschuldigde betaling gaat het kort gezegd om een betaling zonder rechtsgrond.
      • De achterliggende gedachte bij de rechtsfiguur van de vordering uit onverschuldigde betaling is omstreden. Soms wordt de vordering gefundeerd op de billijkheid, omdat wordt voorkomen dat iemand verrijkt wordt zonder rechtvaardiging daarvoor. De wet en de doctrine nemen echter het standpunt in dat deze vordering niet per se bedoeld is om de verrijking ongedaan te maken, maar wel om terug te draaien wat zonder rechtsgrond heeft plaatsgevonden; de oude toestand wordt dus hersteld.
      • Daarom wordt er ook onderscheid gemaakt tussen de onverschuldigde betaling en de ongerechtvaardigde verrijking, al is er wel regelmatig sprake van samenloop van deze twee vorderingen.

      Wat is ongerechtvaardige verrijking en hoe werkt dat juridisch?

      • Bij ongerechtvaardigde verrijking gaat het er kort gezegd om dat iemand die ongerechtvaardigd verrijkt is ten koste van een ander ook verplicht is om de schade van de ander onder voorwaarden te vergoeden.
      • Pas met de invoering van het nieuwe BW is de ongerechtvaardigde verrijking opgenomen als algemene actie.
      • De vordering uit ongerechtvaardigde verrijking is gebaseerd op de billijkheid en beoogt ongegronde vermogensverschuivingen te corrigeren. Omdat de regeling vaag en veelomvattend is (want wat is immers ongerechtvaardigd?), zijn in de jurisprudentie en de doctrine criteria ontwikkeld die deze vordering uitwerken en de reikwijdte ervan bepalen.

      Welke andere vorderingen zijn er mogelijk op grond van 6:162?

      • De vorderingen die zijn gebaseerd op art. 6:162 zijn meestal vorderingen tot schadevergoeding, al dan niet in de vorm van geld. Behalve schadevergoeding zijn er echter nog meer soorten vorderingen mogelijk. Het gaat dan bijvoorbeeld om:
        • een vordering tot verklaring voor recht dat onrechtmatig is gehandeld;
        • een gebod of verbod;
        • of rectificatie.

      Bronnen en verder lezen

      Rechten en juridische opleidingen: samenvattingen en studiehulp per opleiding

      Rechten en juridische opleidingen: samenvattingen en studiehulp per opleiding

      Rechten & Juridische Opleidingen: Print- & Pickup Shop
      JoHo Samenvattingen & Studiehulp: Rechten & Juridische Opleidingen

      JoHo Samenvattingen & Studiehulp: Rechten & Juridische Opleidingen

      Rechten: JoHo's per opleiding

      Nederlandse Opleidingen en Universiteiten Rechtsgeleerdheid

       

      Rechten: JoHo's per studiegebied

      Rechten & Juridische Opleidingen

      Shop met boeksamenvattingen voor Rechten & Juridische opleidingen is opgedeeld in onderstaande onderwerpen:

      • Arbeidsrecht & Sociaal Recht
      • Bestuursrecht & Administratief Recht
      • Burgerlijk Procesrecht & Formeel Privaatrecht
      • Europees Recht & Recht van de Europese Unie
      • Fiscaal Recht & Belastingrecht
      • Goederenrecht & Zeggenschap over Goederen
      • Handelsrecht & Zakenrecht
      • ICT Recht & Kennismanagement
      • Insolventierecht & Faillissement
      • Intellectueel Eigendomsrecht
      • Internationaal Publiekrecht & Volkenrecht
      • Materieel Strafrecht & Strafprocesrecht
      • Ondernemingsrecht & Rechtspersonenrecht
      • Personenrecht, Familierecht & Erfrecht
      • Rechtsgeschiedenis & Rechtshistorie
      • Staatsrecht & Constitutioneel Recht
      • Verbintenissenrecht & Rechtsbetrekking

      Topics

      Kennis- & Studiegebieden van Rechten & Rechtswetenschappen

      Recht en bestuur: vak- en studiegebieden

      Recht en bestuur: vak- en studiegebieden

      In welke landen en met welke werkzaamheden kan je via JoHo in het buitenland werken, stagelopen of vrijwilligerswerk doen in de juridische sector en advocatuur?

      In welke landen en met welke werkzaamheden kan je via JoHo in het buitenland werken, stagelopen of vrijwilligerswerk doen in de juridische sector en advocatuur?

          Hier vind je een selectie uit de JoHo Vacatureservice voor werk in de juridische sector of advocatuur in het buitenland. Klik op het land en ga naar het vacaturegedeelte op de landenpagina om de vacature en de bijbehorende organisatie te bekijken.

           

          Australië

          • Ben jij een juridische professional? Er zijn meerdere mogelijkheden om te gaan werken in de juridische sector of administratie 'down under'. (b)
          • Doe werkervaring op in de juridische branche in het buitenland. (s)

          China

          • Gebruik jouw juridische kennis en ga aan de slag bij een advocatenkantoor in Shanghai of Chengdu. Je gaat onder andere helpen bij het voorbereiden, corrigeren of controleren van juridische documenten. (v)

          Curaçao

          • Help als sociaal-juridisch dienstverlener mee aan de verbetering van leefomstandigheden van inwoners van Curaçao. Je draait volledig mee binnen de organisatie en zal ook bijdragen aan het opzetten van een juridisch loket. (s)
          • Ben jij een punctuele rechtenstudent? Doe ervaring op bij een advocatenkantoor en speel een rol bij het screenen en updaten van leveringsvoorwaarden, klantcontracten en inkoopcontracten. (s)
          • De financiële dienst van Curaçao heeft een adviserende en signalerende taak voor de regering. Als stagiair help je bij het opzetten van uitvoeringsbesluiten en rapportageformulieren en stem je deze af met de directie Wetgeving en juridische zaken. (s)
          • Studeer jij rechten? Ondersteun een advocatenkantoor in Curaçao met verschillende voorbereidende taken. (s)

          Frankrijk

          • Ga met je juridische ervaring aan de slag in Frankrijk. Er zijn meerdere professionele banen in de juridische sector. (b)

          Ghana

          • Begeleid de lokale bevolking met het opzetten van zelfstandige ondernemingen. Help met het opstellen van een businessplan, geef trainingen en help met toezicht houden op verstrekte leningen. (s)
          • Leer veel over de advocatuur door mee te lopen op een advocatenkantoor in Accra. (s)
          • Doe juridisch onderzoek naar de rechten van kinderen in vluchtelingenkampen. (s)

          Marokko

          • Studeer je rechten of ben je hierin afgestudeerd? Verschillende projecten omtrent mensenrechten, vluchtelingen of kinderrechten hebben jouw kennis nodig. (v)

          Mexico

          • Draag bij aan de bescherming van mensenrechten in Mexico door als mensenrechtenwaarnemer aan de slag te gaan. (b)

          Indonesie

          • Draag bij aan de ontwikkeling en uitbouw van kleinschalige startende ondernemingen. (s)

          Spanje

          • Wil jij juridische ervaring opdoen onder de Spaanse zon? Er zijn verschillende mogelijkheden om aan de slag te gaan in de juridische sector. (s)

          Suriname

          • Doe ervaring op in het buitenland in de commerciële of juridische dienstverlening. (s)

          Verenigde Staten van Amerika

          • Ga aan de slag in het zonnige Miami. Er zijn meerdere mogelijkheden om op het gebied van juridische zaken te gaan werken. (s)
          • Ga werken bij de juridische afdeling van een internationale IT-organisatie. (b)

          Zuid-Afrika

          • Heb jij kennis over internationaal recht? Doe werkervaring op bij een lokale start up. (s)
          • Draag bij aan sociale verandering door mee te helpen met het beschermen en promoten van mensenrechten bij diverse NGO’s en overheidsorganisaties. (s)
          • Help jonge ondernemers bij hun ondernemersplan. Je kan onder andere workshops organiseren, trainingen geven en persoonlijke coaching bieden op het gebied van microkredieten. (v)

          Legenda

          b = betaald werk

          v = vrijwilligerswerk

          s = stage

           

          Meer landen & regio's 

          Spreuken, uitspraken, quotes en tips rond rechtvaardigheid en tolerantie

          Spreuken, uitspraken, quotes en tips rond rechtvaardigheid en tolerantie

          Wat is wijsheid rond recht, onrecht, tolerantie en intolerantie?

           

          "A man cannot govern a nation if he cannot govern a city; he cannot govern a city if he cannot govern a family; he cannot govern a family unless he can govern himself; and he cannot govern himself unless his passions are subject to reason"

          Hugo de Groot

          "In law a man is guilty when he violates the rights of others; in ethics he is guilty if he only thinks of doing so"

          Immanuel Kant

          "Laten we afzien van onze natuurlijke rechten ten gunste van de staat, die door zijn beschermende functie gelijkheid en vrijheid zal verenigen."

          Jean-Jacques Rousseau

          "Good people do not need laws to tell them to act responsibly, while bad people will find a way around the laws"

          Plato

          "Injustice anywhere is a threat to justice everywhere"

          Martin Luther king, Jr.

          "Auctoritas, non veritas facit legem" Geen enkele orde heeft een definitieve waarheidsgrond; als het erop aankomt heb je een competente autoriteit nodig om de orde te handhaven

          Thomas Hobbes

           

          Wat is wijsheid rond de advocatuur en de rechtspraktijk?

           

          "Een echte advocaat hoort minstens eenmaal per veertien dagen te pleiten en als hij dat niet doet, verdient hij deze benaming niet. Dan is het een zakenman die toevallig rechten heeft gestudeerd (...)."

          mr. H. van Son

          Een advocaat is in een proces wat de kok is voor de maaltijd

          Aristippos van Kyrene)

          Recht en bestuur: vragen en antwoorden over juridische vaardigheden en rechten studeren

          Recht en bestuur: vragen en antwoorden over juridische vaardigheden en rechten studeren

          Hoe vind je wetsartikelen?

          Hoe vind je wetsartikelen?

          Bij iedere juridische opleiding heeft de student te maken met een wettenbundel. Een wettenbundel is een bundel waarin een verzameling van regelingen is opgenomen. Deze regelingen zijn meestal wetten. Een wet bevat verschillende regels die ervoor moeten zorgen dat de samenleving functioneert. Wetten komen tot stand door besluiten van overheidsorganen. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen formele wetten en materiële wetten. Een wettenbundel bevat meestal formele wetten; wetten of regelingen die door samenwerking tussen de Regering en de Staten-Generaal tot stand zijn gekomen. Een formele wet vermeldt altijd in te titel het woord ‘wet’ of ‘wetboek’. Een belangrijk punt met betrekking tot de wettenbundels is het feit dat deze dikke bundels niet uit het hoofd hoeven te worden geleerd. Het is vooral noodzakelijk dat de student goed en snel de wettenbundel kan doorzoeken.

          Juridische uitgeverijen zorgen ervoor dat wettenbundels worden uitgegeven. De volgorde van de regelingen in de wettenbundel wordt bepaald door uitgever. Een wettenbundel wordt meestal gesplitst in verschillende delen (Publiekrecht/Privaatrecht). omdat er veel verschillende regelingen zijn. Bij het zoeken in de wettenbundel is het handig om de meegeleverde tabs van de uitgever in de wettenbundel te plakken.

          Lees meer op Worldsupporter (Loonstra - Hoogewerf), bv:

          • Waar vind je de relevante wetsartikelen?
          • Wat zijn de onderzoeksmethoden?
          • Hoe raadpleeg je overheid.nl?
          • Hoe raadpleeg je rechtspraak.nl?
          • Hoe raadpleeg je RaadvanState.nl?
          • Hoe raadpleeg je EUR-Lex?
          • Hoe raadpleeg je Sdu OpMaat?
          • Hoe raadpleeg je Kluwer?
          • Hoe raadpleeg je Legal Intelligence?
          • Hoe raadpleeg je Rechtsorde Lokaal?
          Hoe begrijp en analyseer je wetsteksten?

          Hoe begrijp en analyseer je wetsteksten?

          Het is belangrijk om wetgevingsstukken te kunnen vinden en te kunnen begrijpen. Hiervoor is er enig inzicht in de totstandkoming van een wet vereist. Als men inzicht heeft in het wetgevingsproces, is het makkelijker te begrijpen hoe en waarom een wet tot stand is gekomen. De boodschap van de wetgever is immers niet altijd duidelijk. Bij de wetsinterpretatie kan de wetsgeschiedenis een handig hulpmiddel zijn. Onder de wetsgeschiedenis vallen alle stukken die betrekking hebben op de totstandkoming van een wet, zoals het voorstel van wet, de memorie van toelichting (MvT) en het eindverslag van de commissie. In dit hoofdstuk worden de wetgevingsstukken besproken die betrekking hebben op de totstandkoming van een wet in formele zin.

          Het wetgevingsproces van een wet kent vijf fasen. Iedere fase heeft hierbij weer eigen stukken. De volgende fasen kunnen worden onderscheiden:

          1. Departementale voorbereiding

          2. Parlementaire behandeling

          3. Bekrachtiging

          4. Bekendmaking

          5. Inwerkingtreding

          Hoe bestudeer je civielrechtelijke uitspraken?

          Hoe bestudeer je civielrechtelijke uitspraken?

          In een civiele procedure oordeelt de rechter in een geschil tussen twee burgerlijke partijen over een norm van privaatrecht. Als partijen kunnen optreden natuurlijke of rechtspersonen (bijv. een stichting, vereniging of BV). Let op: ook de overheid kan als burgerlijke partij optreden, bijvoorbeeld bij het aanbesteden van een bouwproject aan een aannemer. In kleine zaken oordeelt de sector kanton van de rechtbank. Het gaat dan om vorderingen tot 5.000 Euro of huur- en arbeidszaken.

          De civiele procedure kent twee vormen: de dagvaardingsprocedure (over geschillen) en de verzoekschriftprocedure (over administratieve zaken als aanwijzing van een voogd). Een dagvaardingsprocedure speelt zich af tussen eiser en gedaagde en eindigt in een vonnis. Een dagvaarding bevat een vordering (petitum) en de grondslag ervoor (fundamentum petendi). Bij een verzoekschriftprocedure zijn een verzoeker (of rekwestrant) en verweerder (of gerekwestreerde) betrokken. De procedure eindigt in een beschikking.

          Een civiele procedure kan tot verschillende uitkomsten leiden: de rechter kan zich onbevoegd verklaren, de eiser niet ontvankelijk vanwege redenen die buiten het eigenlijke geschil zijn gelegen als verloop van een termijn, de vordering afwijzen danwel geheel of gedeeltelijk toewijzen.

          Meer lezen:

          Hoe bestudeer je strafrechtelijke uitspraken?

          Hoe bestudeer je strafrechtelijke uitspraken?

          In de strafrechtelijke procedure staan als partijen tegenover elkaar enerzijds een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie (OM) en anderzijds de verdachte (meestal vertegenwoordigd door een raadsman). Het OM heeft een parket bij iedere rechterlijke instantie. Op het niveau van de Rechtbank gaat het om een officier van justitie (OvJ), bij het Hof om Advocaten-Generaal onder leiding van de Procureur-Generaal, bij de HR eveneens om Advocaten-Generaal onder leiding van de Procureur-Generaal bij de HR. Let op: het parket bij de HR heeft deels andere taken dan dat bij Hof en Rechtbank. Dit heeft gevolgen voor de rechtspositie van de leden van het parket bij de HR.

          De strafrechtelijke procedure vangt aan met de dagvaarding uitgebracht door de OvJ. Deze dagvaarding bevat de de verdachte tenlastegelegde feiten. Tijdens de rechtszitting beantwoordt de rechter de formele vragen van art. 348 Sv en de materiële vragen van art. 350 Sv. De formele vragen betreffen de geldigheid van de dagvaarding, bevoegdheid van de rechter, ontvankelijkheid van de OvJ en mogelijke redenen voor schorsing van de vervolging. De materiële vragen hebben betrekking op het bewijs van de feiten (niet bewezen, dan vrijspraak), de strafbaarheid van de feiten (indien niet, dan ontslag van rechtsvervolging), strafbaarheid van de verdachte (indien niet omdat er schulduitsluitingsgronden van toepassing zijn, dan volgt eveneens ontslag van rechtsvervolging) en tenslotte op de straf of maatregel. Daarnaast behandelt de rechter andere relevante strafrechtelijke wetsartikelen.

          Hoe bestudeer je bestuursrechtelijke uitspraken?

          Hoe bestudeer je bestuursrechtelijke uitspraken?

          Het bestuursrecht regelt de verhouding tussen overheid en burger (natuurlijke of rechtspersoon) en tussen overheidsorganen onderling. Het bestuursrecht bepaalt met name de voorwaarden waaraan besluiten (overheidsbeslissingen van algemene strekking) en beschikkingen (besluiten gericht tegen één persoon) moeten voldoen. Het algemeen deel van het bestuursrecht is te vinden in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestuursrecht is vertakt over vele deelgebieden: sociaal zekerheidsrecht, belastingrecht, ruimtelijke ordeningsrecht, ambtenarenrecht, vreemdelingenrecht etc. Deze deelgebieden staan in afzonderlijke wetten.

          De bestuursrechtprocedure vinden plaats bij de bestuursrechter (een gespecialiseerde rechter bij de rechtbank) en in hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak bij de Raad van State (ABRvS), de Centrale Raad van Beroep (CRvB, ambtenarenrecht of sociaal verzekeringsrecht) of het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb, inzake handelingen en besluiten van publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties). Maar aan deze eigenlijke beroepsprocedure gaat vooraf de bezwaarschriftprocedure. In deze voorfase kan iemand (eiser of andere belanghebbende(n)) die het niet eens is/ zijn met een beslissing van een bestuursorgaan bezwaar indienen bij dit orgaan. Is een partij het vervolgens niet eens met de beslissing op bezwaar, dan stelt hij beroep in bij de bestuursrechter. Als de bestuursrechter (of hogere instantie) het beroep gegrond verklaart, verwijst hij in beginsel de zaak terug naar het orgaan. Na een nieuw besluit, kan opnieuw bezwaar worden ingesteld, enzovoort. Anders dan de (lijdelijke) civiele rechter stelt de bestuursrechter zich actief op bij het onderzoek naar de feiten en bij de te hanteren rechtsgronden.

          Let op het begrip ‘belanghebbende’ in het bestuursrecht: dit omvat niet alleen de direct door een overheidsbesluit getroffen partij, maar ook anderen die door dit besluit in hun belangen zijn getroffen. Voor een rechtspersoon vallen onder deze belangen ook de belangen die deze persoon collectief behartigt (bijv. bij een stichting).

          Hoe citeer of haal je regelingen aan?

          Hoe citeer of haal je regelingen aan?

          Het aanhalen of citeren van wetsartikelen moet op een bepaalde manier gebeuren. Men moet bijvoorbeeld niet de titel, de afdeling of de paragraaf noemen. De pagina waarop het artikel staat moet ook niet genoemd worden. Wat moet dan wel genoemd worden?

          • Ten eerste moeten het artikel, het lid en de naam van de wet genoemd worden. Bijvoorbeeld artikel 17 lid 1 Grondwet, artikel 17 lid 1 GW of art. 17 lid 1 GW.
          • Bovendien moet bij het citeren ook een sub worden vermeld als het artikel een sub bevat. Bijvoorbeeld artikel 38 lid 1 sub a Grondwet.
          • Als er binnen een artikel of lid een opsomming wordt gegeven, moet er duidelijk worden aangegeven welke wordt bedoeld. Bijvoorbeeld artikel 8 lid 1 sub 2 Wet op de economische delicten.

          Het nummer van het artikel kan rechtstreeks uit de wet worden overgenomen. Bij het citeren van artikelen uit het Burgerlijk Wetboek moet men zelf het nummer van het Boek ervoor plaatsen. Dus niet artikel 142 BW, maar artikel 6:142 BW.

          Meer informatie:

          Hoe los je een juridische casus op?

          Hoe los je een juridische casus op?


          Stap 1: Het selecteren van de feiten

          • Wat zijn de belangrijke feiten?

          • Wat zijn de onbelangrijke feiten

          Stap 2: Het selecteren van de rechtsregel(s)

          • Welk rechtsgebied is van toepassing?

          • Welke wet is van toepassing?

          • Welke rechtsregel(s) zijn van toepassing?

          Stap 3: De rechtsregel(s) ontleden in voorwaarden en rechtsgevolg

          • Hoe moet deze rechtsregel ontleed worden in voorwaarden en rechtsgevolg?

          Stap 4: Het interpreteren van de voorwaarden

          • Wat wordt bedoeld met de voorwaarden?

          Stap 5: De oplossing: het toepassen van rechtsregel(s) op de feiten

          • Antwoord geven op de casusvraag door het toepassen van de rechtsregel(s) op de feiten

           

          Hoe houd je een juridisch betoog?

          Hoe houd je een juridisch betoog?

          Wanneer je een standpunt rechtvaardigt door middel van onderbouwing met argumenten, spreek je van argumentatie. Het doel is om de ander te overtuigen van een standpunt en om je standpunt te verdedigen tegen mogelijke kritiek. De standpunten en argumenten samen wordt een betoog genoemd.

          Overtuigend presenteren (vorm) en goede argumentatie (inhoud) zijn noodzakelijk.

          Zij vormen samen in de retorica de kunst van het overtuigen. De Ars Retorica van Aristoteles – een tekst uit de vierde eeuw voor Christus – vormt de basis voor de overtuigingsleer. Je kunt een betoog op verschillende manier vormgeven. De keuze hierin is afhankelijk van de soort argumenten die je gebruikt. Je kunt ook gebruik maken van schijnargumenten (drogredenen). Argumentatie is, naast het overtuigen, ook belangrijk om de argumenten van de tegenpartij te beoordelen op hun juistheid.

          Meer lezen:

          Hoe kan je jouw juridische vaardigheden met betrekking tot spelling, grammatica en leesvaardigheid toetsen?
          Recht en bestuur: wat leer je van de studie rechten of een juridische opleiding?

          Recht en bestuur: wat leer je van de studie rechten of een juridische opleiding?

          Welke vaardigheden en competenties leer je als rechtenstudent of student aan een juridische opleiding?

          Welke vaardigheden en competenties leer je als rechtenstudent of student aan een juridische opleiding?

          Welke academische vaardigheden doe je op als rechtenstudent of student aan een juridische opleiding

          • Actief rechten studeren is meer dan alles uit het hoofd leren, het betekent ook effectief en efficiënt studeren. Je moet inhoudelijke verbanden kunnen leggen; het plaatsen van details in een groter geheel is een voorbeeld van een juridische vaardigheid die gaandeweg de studie ontwikkeld moeten worden.
          • Juridische vaardigheden zijn nodig bij het bestuderen van regelgeving en jurisprudentie, bij het oplossen van een casus, bij het opstellen van processtukken, bij het voorbereiden van pleidooien, bij het ontwerpen van contracten, etc. De basisvaardigheden om dit te kunnen, zijn al opgedaan op de middelbare school, maar nu moeten de onderzoeksvaardigheden verder worden uitgediept. Het behandelen en presenteren van een onderwerp met eigen argumenten is nu niet meer voldoende, de argumenten moeten in een wetenschappelijke context geplaatst worden en er worden eisen gesteld aan de verantwoording van het onderzoek.
          • Een goede beheersing van de Nederlandse taal is enorm belangrijk voor een succesvolle rechtenstudie, omdat de student veel moet omgaan met bestaande teksten en zelf teksten moet kunnen produceren.
          • Studenten die net beginnen aan het eerste jaar mogen er vanuit gaan dat zij moeten beschikken over de volgende taalvaardigheden:
            • Zij moeten de hoofdgedachte van een tekst kunnen aanwijzen
            • Inhoudelijke en functionele relaties tussen tekststukken kunnen benoemen
            • Zij moeten teksten kunnen samenvatten
            • Het herkennen van argumenten en standpunten
            • De aanvaardbaarheid van een betogende tekst beoordelen
          Welke vaardigheden en competenties oefen je met arbeidsrecht?

          Welke vaardigheden en competenties oefen je met arbeidsrecht?

          Welke vaardigheden en competenties oefen je met arbeidsrecht?

          Creatief zijn

          • Je houdt je met arbeidsrecht intensief bezig met formele plichten en rechten die zowel werknemers als werkgevers raakt. Niet zelden hebben deze partijen tegengestelde of conflicterende belangen.
          • Daardoor word je genoodzaakt om vraagstukken vanuit verschillende invalshoeken te bekijken en ben je spelenderwijs bezig met het doorbreken van gevestigde denkpatronen. Je oefent met andere woorden je creativiteit.
          • Meer weten? Lees meer over creatief zijn

          Organisatiebewust zijn

          • Wanneer je bestudeert hoe de medezeggenschap is opgebouwd in een organisatie of wanneer werknemers in bepaalde situaties ontslagen worden, krijg je inzicht in de wijze waarop een organisatie is opgebouwd en welke gevolgen beslissingen of acties hebben op de organisatie en haar medewerkers.
          • Hierdoor leer je intensief rekening te houden met de machtsverdelig, besluitvorming en samenwerking van een organisatie en verbeter je je organisatiebewust zijn.
          • Meer weten? Lees meer over organisatiebewust zijn

          Visie hebben

          • Het arbeidsrecht regelt de samenwerking tussen partijen die principieel tegengestelde belangen hebben. Daardoor sta je met arbeidsrecht altijd boven de partijen, neem je afstand van de dagelijkse praktijk en ben je bezig met voor te schrijven hoe samenwerking of geschillenoplossing in het algemeen zou moeten verlopen.
          • Zodoende ontwikkel je een toekomstbeeld en die draag je ook actief uit; je ontwikkelt visie.
          • Meer weten? Lees meer over visie hebben

          Meer info

          Welke vaardigheden en competenties oefen je met Europees recht?

          Welke vaardigheden en competenties oefen je met Europees recht?

           

          Creatief zijn

          • Of je je nu bezig houdt met mensenrechten, marktwerking of machtsverhoudingen en denkt vanuit het nationale oogpunt of het supranationale - Europa biedt continu verschillende perspectieven. Daarmee benader je vraagstukken vanuit verschillende invalshoeken, waarbij je met originele en nieuwe ideeën en oplossingen komt.
          • Zo oefen je creativiteit en stimuleer je het vermogen om efficiënt en automatisch te worden in het denken en het oplossen van problemen.
          • Meer weten? Lees meer over creatief zijn

          Flexibiliteit

          • Zoals al het politieke rumoer rond de Brexit ook weer duidelijk maakt is Europa een 'politieke gemeenschap in wording' en continu in verandering. Bij het bestuderen van Europees recht word je dan ook geconfronteerd met een wijzigende situatie waar je je aan aan dient te passen.
          • Zo train je je eigen flexibiliteit en oefen je in het snel schakelen en oplossingen verzinnen bij veranderende situaties. Flexibiliteit is een belangrijke eigenschap in het bedrijfsleven.
          • Meer weten? Lees meer over flexibiliteit

          Inleven

          • Of je het wil of niet, bij Europees recht word je gedwongen om te luisteren naar actievoerende boeren in Frankrijk, minderheden in Hongarije en katholieken in Italië. Daarmee onderken je gevoelens en behoeften van anderen.
          • Hiermee school je jezelf in het verplaatsen in anderen en bewust omgaan met verschillende achtergronden en belangen.
          • Meer weten? Lees meer over inleven

          Organisatiebewust zijn

          • Europa is een unieke organisatie die historisch is gegroeid. Zonder kennis van hoe deze organisatie feitelijk werkt kun je geen inschatting maken van welke gevolgen rechterlijke beslissingen zullen hebben.
          • Daarmee oefen je organisatiebewust zijn, waarmee je rekening houdt met de machtsverdelig, besluitvorming en samenwerking in een organisatie.
          • Meer weten? Lees meer over organisatiebewust zijn

          Professioneel handelen

          • Met feitelijke kennis over de Europese instituties bouw je inhoudelijke vakkennis, deskundigheid en vaardigheden op die benodigd zijn om je adequaat met Europa bezig te houden binnen het bedrijfsleven of de overheid. Zo leer je professioneel te handelen.
          • Meer weten? Lees meer over professioneel handelen

          Meer info

          Welke vaardigheden en competenties oefen je met Internationaal publiekrecht?

          Welke vaardigheden en competenties oefen je met Internationaal publiekrecht?

          Welke vaardigheden en competenties oefen je met Internationaal publiekrecht?

          Analyseren

          • Met internationaal publiekrecht ben je continu bezig met het signaleren van internationale problemen, het zien van verbanden tussen gegevens, gegronde conclusies kunnen trekken en consequenties kunnen inschatten van afspraken of verdragen.
          • Daarmee oefen je te analyseren en leer je complexe problemen op te delen in onderdelen en om hoofd- en bijzaken van elkaar te scheiden.
          • Meer weten? Lees meer over analyseren

          Betrokkenheid

          • Wanneer je proactief mensenrechten bevordert en oorlog en onmin tracht te bestrijden stel je vaak het eigenbelang ondergeschikt aan de ander.
          • Je voelt je verbonden met de ander, een organisatie of een doel en daarmee ontwikkel je je betrokkenheid.
          • Meer weten? Lees meer over betrokkenheid

          Creatief zijn

          • Of je nu een conflictsituatie tussen landen bestudeert of de spanning beschouwt tussen internationaal recht en nationaal recht, je wordt met internationaal publiekrecht altijd geconfronteerd met standpunten en overtuigingen die botsen met elkaar.
          • Daardoor word je gedwongen om vraagstukken vanuit vershillende perspectieven te bekijken en om met origenele oplossingen te komen. Zo leer je creatief na te denken.
          • Meer weten? Lees meer over creatief zijn

          Durf hebben

          • Of je nu het milieu probeert te beschermen tegen een mondiale corporatie of oorlog probeert op te lossen tussen twee vijandige partijen, wanneer je je in een conflictsituatie mengt neem je een risicovolle beslissing in een situatie die vraagt om optreden, ook als dit voor jou nadelige gevolgen kan hebben.
          • Daarmee toon je aan durf te hebben en lastige situaties aan te pakken in plaats van eromheen te lopen. Dit is een gewilde vaardigheid in het bedrijfslevenn.
          • Meer weten? Lees meer over durf hebben

          Inleven

          • Wanneer je opkomt voor de rechten van anderen onderken je de gevoelens en behoeften van anderen.
          • Daarmee verplaats je je in anderen en ga je bewust om met verschillende achtergronden en belangen. Je leeft je kortweg in anderen in.
          • Meer weten? Lees meer over inleven

          Omgevingsbewustzijn

          • Met internationaal publiekrecht ben je voortdurend in aanraking met de internationale sociaal-politieke omgeving.
          • Je volgt de relevante ontwikkelingen en benut deze kennis ten behoeve van je omgeving of je vakgebied. Zo ben je omgevingsbewust bezig
          • Meer weten? Lees meer over omgevingsbewustzijn

          Meer info

          Welke vaardigheden en competenties oefen je met sociaal recht?

          Welke vaardigheden en competenties oefen je met sociaal recht?

          Analyseren

          • Bij sociaal recht ben je onder andere bezig met het toetsen van nieuwe wetgeving aan de basiswaarden van het sociaal recht (verantwoordelijkheid, bestaanszekerheid, bescherming, solidariteit, non-discriminatie en participatie). Om dat met succes te kunnen doen dien je informatie te behandelen, problemen te kunnen signaleren, verbanden tussen gegevens te kunnen zien en gegronde conclusies te kunnen trekken
          • Daarmee train je op het opdelen van complexe problemen in onderdelen en scheid je hoofdzaken van bijzaken; je oefent je analysevermogen.
          • Meer weten? Lees meer over analyseren

          Betrokkenheid

          • Bij sociaal recht worden alle mensen die een relatief zwakke positie in de maatschappij hebben in zekere zin beschermd. De belangen van een ander worden daarmee even boven de eigen belangen geschaard.
          • Daarmee toont het sociaal recht betrokkenheid bij de burger. Dat zal de een beter liggen dan de ander, maar eenieder die zich intensief met sociaal recht bezig houdt zal zich tot die betrokkenheid dienen te verhouden
          • Meer weten? Lees meer over betrokkenheid

          Integer zijn

          • Om te bepalen of iemand recht heeft op een uitkering bij bijvoorbeeld werkloosheid of arbeidsongeschiktheid zal je de situatie aan de wet dienen te toetsen. Jouw handelen - in woord en gedrag - zal dan in lijn moeten liggen met de heersende wetsnormen, zelfs als dit nadelige gevolgen heeft voor jou of degene die verlegen om arbeid zit.
          • De uitkomst is misschien niet altijd even leuk, maar daarmee scherp je jezelf in het integer handelen.
          • Meer weten? Lees meer over integer zijn

          Meer info

          Welke vaardigheden en competenties oefen je met strafrecht?

          Welke vaardigheden en competenties oefen je met strafrecht?

           

          Analyseren

          • Wanneer je bezig bent met je afvragen of iets noodweer is of niet, of dat de handeling van de overheid wel of niet rechtmatig was, ben je bezig met het verbanden leggen tussen gegevens en met gegronde conclusies trekken.
          • Daarmee ontwikkel je je analyseervermogen en zo leer je complexe problemen op te delen in onderdelen en om hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden
          • Meer weten? Lees meer over analyseren

          Creatief zijn

          • Bij strafrecht is jurispudentie erg belangrijk, waardoor je gedwongen wordt om vraagstukken vanuit verschillende invalshoeken te bekijken, waarbij je met nieuwe en originele ideeën en oplossingen in aanraking komt.
          • Zo oefen je om creatief te zijn en daarmee ontwikkel je het vermogen om efficiënt en automatisch te worden in het denken en het oplossen van problemen.
          • Meer weten? Lees meer over creatief zijn

          Integer zijn

          • Bij strafrecht ben je intensief bezig met mogelijke overtredingen op de algemeen aanvaarde normen en waarden en oefen je om mensen aan te spreken op overtredingen.
          • Daarmee wordt spelenderwijs integer gedrag gestimuleerd.
          • Meer weten? Lees meer over integer zijn

          Oordeel vormen

          • Of je het nu leuk vindt of niet, uit de beschikbare informatie zal je een realistische, onderbouwde en bruikbare conclusie moeten trekken over bijvoorbeeld schuld of onschuld, doleus of niet, en of acties überhaupt strafbaar zijn of niet.
          • Dit betekent dat je je oordeelsvermogen scherpt en daarmee alternatieve handelswijzen leert in te zien.
          • Meer weten? Lees meer over oordeelsvorming

          Meer info

          Activiteiten als backpacken, betaald werken, stagelopen en vrijwilligerswerk in het buitenland verzekeren: startpagina's

          Activiteiten als backpacken, betaald werken, stagelopen en vrijwilligerswerk in het buitenland verzekeren: startpagina's

               

          Partnerselectie: Stage in het buitenland I

          Partnerselectie: Stage in het buitenland I

          Partnerselectie: Vrijwilligerswerk in het buitenland I

          Partnerselectie: Vrijwilligerswerk in het buitenland I

          Werk, vrijwilligerswerk en stage binnen juridische en bestuursinstellingen in binnen- en buitenland: startpagina's

          Werk, vrijwilligerswerk en stage binnen juridische en bestuursinstellingen in binnen- en buitenland: startpagina's

          Werken, stagelopen en vrijwilligerswerk in binnen- en buitenland per activiteit en functie: startpagina's

          Technisch medewerker of transportmedewerker in het buitenland via betaald werk, stage of vrijwilligerswerk